Wat ben je waarlijk in jezelf

image_pdf

14 december 1965

We hebben heden minstens een gastspreker. Mogelijk een tweede, maar daarvan zijn we niet zeker, daar het schijnt dat er in de Witte Broederschap een grote actie plaats heeft, misschien horen wij daar vanavond nog iets van. Ik zou heden willen beginnen met een onderwerp, dat in deze esoterische school inderdaad past. Maar hoe kondig ik het aan? Er bestaat een spreuk, die zegt: Een Jood is een ware Jood, niet door de besnijdenis, niet door de wet, maar door het Jood-zijn in zichzelf.

Nu werd kortgeleden dit punt onder onze aandacht gebracht en daarom zou ik vanavond daar het een en ander over willen zeggen. In de eerste plaats kunnen wij die spreuk gemakkelijk vertalen en die zegt dan: Datgene wat uiterlijk is, is waardeloos. Datgene wat innerlijk bestaat, kan je tot een ware uitverkorene maken. (Want zoals u weet beschouwden de Joden zich als het uitverkoren volk Gods een volk met een bijzondere relatie met de Godheid, met de Krachten van het Heelal). Willen wij voor onszelf deze mogelijkheid gewinnen, dan beginnen wij dus weer eerst met het algemeen bekende:

Mens, alleen datgene, wat je en waarlijk, in jezelf bent, is belangrijk voor je relatie met het Hogere. Elke kracht, die in jezelf leeft en erkend wordt, is een eeuwige kracht en brengt je in verband met kosmische waarden en tenslotte met God.

Al datgene wat uiterlijk is ongeacht of het goed of kwaad lijkt in de ogen van anderen is van weinig belang. Want alle kracht en alle werkelijkheid komt uit de directe relatie met de Godheid. En deze Godheid mogen wij niet alleen zien als een innerlijke waarde, maar moeten wij zien als een in ons bereikbare kracht, die het totaal van het zijn rond ons vult.

Hier ligt zeker ook enige magie in. Want de mens, die waarlijk in zich God erkent of aanvoelt, ontvangt Zijn gaven. Of anders gezegd: Hij ontwaakt en wordt zich bewust van nieuwe delen van de wereld en van het Al. Deze gaven zijn niet de gaven, die de mens begeert het zijn de gaven, die voortvloeien uit de harmonie, die hij heeft met de Schepper.

Deze gaven zijn natuurlijk nevenverschijnselen dat is meermalen geconstateerd en ik wil het hier nog wel eens herhalen. Maar de grote vraag is nu: Erkent de mens deze gaven? In 9 van de 10 gevallen niet. Hij ziet de gaven niet meer, omdat zij langzaam maar zeker een deel van zijn bestaan worden. Hij realiseert zich de uitzonderlijkheid daarvan niet en evenmin zal hij zich bewust zijn van de afstand, die er bestaat tussen hem en de gewone mens, wanneer het op reactie en op denken aankomt. De grootste kracht, die wij in ons kunnen verwerven en dit citeer ik weer:

 Is het bewustzijn, waardoor wij zijn in en met alle dingen, krachtens onze band met het Allerhoogste.

 Hierin komt niet alleen meer de vraag naar voren van beheersing of erkenning. Je kunt ieder ander zijn. Je kunt alle andere dingen leven.

Je kunt je geest uitzenden tot de maan of andere planeten en werelden, en terugkerend voor jezelf je niet eens realiseren dat het iets bijzonders is.

Dit is een kern van waarheid, die voor de doorsneemens onaanvaardbaar is. Hij zal zeggen: Deze dingen zijn theoretisch juist, maar in de praktijk merk ik er niets van. Daarop kan ik dan ook wel weer commentaar geven: Datgene, wat je bemerkt, komt meestal van buiten af. Datgene wat je niet bemerkt maar als natuurlijk beleeft, als deel van jezelf beschouwt, komt van binnen uit.

De keten, zo zegt een wijsgeer, die door de vele generaties heen opgebouwd wordt, is gebaseerd op de innerlijke harmonieën, de innerlijke verbondenheid met God. Daar, waar een mensenpaar de innerlijke verbondenheid met God volledig beleeft, scheppen zij het voertuig, waarin de uiterste perfectie van goddelijke kracht zich manifesteert. Naarmate hun harmonie in de zin van het Goddelijke minder wordt, zal de bevoertuiging andere geesten van lagere geaardheid lokken. Indien zij voortbrengen in een disharmonie van denken en een innerlijke disharmonie t.o.v. het Goddelijke, zo scheppen zij het dierlijke voertuig, waarvan de bezieling een toevalsfactor is.

Als u dat zo hoort, dan klinkt het wel, alsof de gehele wereld geregeerd wordt door harmonie en disharmonie. Ik zou het eigenlijk toch anders willen uitdrukken: Het is een kwestie van begrip en onbegrip. Maar begrip kan niet in woorden worden uitgedrukt. Je kunt feiten en waarheden aanvoelen, zonder ooit de woorden of de beelden te kunnen vinden om ze weer te geven. Je kunt dingen met de mond uitstekend verklaren en begrijpen, zonder er innerlijk die eenheid mee te gevoelen, waardoor je de samenhangen in jezelf erkent en beleeft.

Als u vandaar uitgaat, dan zult u ook het volgende kunnen waarderen:

Op het ogenblik dat mijn begrijpen niet meer een mentale zaak alleen is, maar eerder wordt een innerlijk één-zijn met een aanvaarden van het andere, zal het geheel van het andere voor mij herkenbaar zijn en een deel van de erkenning ook uitdrukbaar worden.

 Je kunt dus nooit zeggen wat je voelt. En er geldt nog een stelregel, die misschien bij veel mensen enige weerstand zal wekken:

Naarmate wij het innerlijk erkende aan de stoffelijke regels van rede en logica onderwerpen, zullen zij voor ons hun waarde meer verliezen.

 Dat klinkt een beetje vreemd. Ook hier weer de tegenstelling a.h.w. tussen de redelijke wereld van de mens en de bovenredelijke wereld van het andere, het occulte.

Weergegeven in enkele regels:

  1. Boven redelijk openbaren zich alle krachten.
  2. Alle krachten, die bovenredelijk erkend worden, worden beleefd.
  3. Niet alle krachten, die innerlijk beleefd worden, kunnen zelfs maar in eigen bewustzijn teruggevonden worden of als beeld geprojecteerd.
  4. Indien ik dus in mijzelf verzink en een harmonie zoek met het Hogere, mag ik de rede en de wegen der rede op dat ogenblik niet gebruiken, daar zij mij beletten tot resultaten te komen.

Het zijn eenvoudige regels, maar ze zijn ook wel eens lastig. Hoe vinden wij dan die harmonie eigenlijk terug?  Wel, er bestaat een bekende stelregel en die zegt: Elk wezen, elk voorwerp, elke waarde, heeft een eigen grondtrilling. D.w.z. dat de gesteldheid en structuur van zijn wezen en eventueel zijn vorm zodanig is, dat een bepaalde trilling in dit wezen een resonantie wekt en daardoor tijdelijk dit wezen beheerst.

Wanneer ik dus de bekende magische proefjes neem en ik begin enkele spreuken of woorden te citeren met een bijzondere nadruk, dan. kan daardoor zelfs een ogenblik ontstaan, dat iets of iemand geheel aan mij, onderdanig is. Op dat ogenblik. En wanneer ik daar misbruik van wil maken, dan kan ik dat zelfs heel ver doorvoeren.

Men zegt van de ingewijde dan ook, dat hij in staat is de harmonische waarde of trilling van elk wezen te erkennen en deze vanuit zichzelf voort te brengen. En dat is leuk, want wanneer ik dit doe, dan beheers ik. Degene, die de sterkste trilling wekt, zal al degenen, die met die trilling harmonisch zijn (niet alleen in grondtrilling, doch ook in neventrillingen) kunnen beheersen, zo verre het de beelden, waarden en denkbeelden betreft, die vallen binnen deze frequentie.

Dat je dat van een ingewijde zegt is heel aardig, maar kan een gewoon mens daar iets aan hebben? Natuurlijk. U wordt ook vaak door klanken beheerst. Maar er zijn ook andere dingen, die u beheersen en die niets met klanken te maken hebben.

Misschien zijn er wel mensen bij, die wanneer ze over fluweel strijken een eigenaardig gevoel krijgen. Ik ken mensen, die geen pluche kunnen hebben. Anderen gevoelen zich ziek door het gevoel van zijde. Waarom? De tastzin geeft een prikkel door, die in zijn wezen niet meer harmonisch is met het totale reactie beeld van die mens. En ze ontstaat disharmonie en men  voelt zich onplezierig, Vreemd, maar waar.

Wij kunnen natuurlijk daar gaan spreken over eventuele instincten, voorouders die daar een rol bij hebben gespeeld, maar in de praktijk blijkt dat althans voor de door mij genoemde waarden niet het geval te zijn. Er is eenvoudig een kwestie van harmonie en disharmonie.

Er zijn mensen, die zich met een bepaalde kleur gelukkig voelen. Wanneer die kleur rond hen is, dan zijn ze rustig, dan zijn ze opgewekt. Andere kleuren wekken in hen een onrust, een wrevel, soms zelfs een gespannenheid, die tot overspanning kan overslaan. Waarom? Alweer een kwestie van harmonie en disharmonie.

Je kunt mensen ontmoeten, waarvan je weet dat het heel goede mensen zijn. En toch, wanneer je ze ziet, dan staan alle stekels overeind. Waarom? Disharmonie. Er is doodgewoon in de ander of in de uitstraling van de ander ook een element aanwezig, dat in het eigen ik niet bestaat en dat in dat ik een dissonant tot stand brengt. Een dissonant met eigen waarden.

Daarom kun je in de esoterie en in de magie ook de volgende regel nog wel hanteren:

Al datgene, wat in mij een onmiddellijke en spontane aanvaarding of bevestiging veroorzaakt, is met de grondnormen van mijn eigen leven harmonisch. Al datgene, wat een afkeer wekt, is met de grondvorm of norm van mijn leven disharmonisch.

Op het ogenblik dat ik een harmonie of disharmonie erken, heeft zij geen enkele waarde voor de beoordeling van feitelijke situaties of omstandigheden. Zij geeft echter wel aan, in hoeverre ik voor mijzelf en vanuit mijzelf in of met het andere kan werken.

En dat is misschien ook wel belangrijk. U kunt dus het beste werken met die dingen waarmee je harmonisch bent. Ook mensen. Wanneer mensen niet harmonisch met u zijn, dan kunnen het de beste werkers zijn, maar u zult altijd ergens geschillen houden, u zult altijd ergens spanningen houden.

En zet dat nu eens om in het meer geestelijke. Er zijn er onder u, die graag de geesten van de Orde aanroepen. En daarbij ik noem maar iemand bij voorbaat met broeder Altheus of Henri of Franciscus in harmonie zijn. Waarom?

Hun persoonlijkheid erkent iets van zichzelf in de ander. Er is een gelijkheid van waarde. Wanneer die gelijkheid van waarde niet alleen in een aanroep voor een ogenblik beseft wordt, maar wanneer zij een ogenblik beleefd wordt dat je dus a.h.w. de ander zo dicht bij je voelt, dat je niet meer weet of je nu zelf aan het woord bent of dat de ander spreekt dan ontstaat er een uitwisseling van waarden. Geestelijke leringen, die op deze wijze worden overgebracht, zijn vollediger dan ooit met woorden te geven is. Aanwijzingen, zowel t.o.v. de stof als van geestelijk streven op deze wijze doorgegeven zijn vollediger, juister en omvatten bovendien – en dat is zeer belangrijk – het bewustzijn van de geestelijke voertuigen en niet alleen het stofbewustzijn. Dat dit alles moge blijken, dat in de esoterie ons innerlijk van het hoogste belang is.

Wanneer ik nu denkend aan de eerste spreuk zeg; “Ik ben een ware Jood,” dan zeg ik dus in feite: Ongeacht de uiterlijkheden en omstandigheden, erken ik God in mijzelf. Ik moet Hem niet aan de uiterlijke gebeurtenissen, maar beroep mij op Hem op het ogenblik, dat die gebeurtenissen dit voor mij noodzakelijk maken. Mijn wezen leeft in het Goddelijke, maar God werkt ook door mijn wezen.

Mozes doet het water van de Schelfzee wijken. Hij slaat water uit de rots. Hij bidt en er valt manna in de nacht. Hij bidt en er komen wachtels aangevlogen en voeden de uitgehongerde Israëlieten. Dat lijkt allemaal maar zo eenvoudig. Maar als wij goed nadenken, is er iets vreemds aan de gang. Want welke God zal zich nu bezighouden met het sturen van een aantal onschuldige vogeltjes om door een aantal uitgehongerde en lichtelijk gefrustreerde mensen met een wat donker uiterlijk onmiddellijk geconsumeerd te worden. Dat klinkt wat vreemd.

Maar als wij het anders stellen, dan zeggen wij: Mozes, wetende dat die vogels in die tijd talrijk konden zijn, meende hierin de oplossing te zien. Doordat hij zich één gevoelde met zijn God, maakte hij de kracht Van die God vanuit zich tot een beheersing van de omgeving en alle wachtels, binnen die invloed komende, moesten dus neervallen op het pad van het uitgehongerde volk.

Die dingen komen niet alleen in de bijbel of in de bijbelse tijden voor. Ook in deze dagen kan een mens op die manier vaak wonderen doen. Alleen, ze worden nu niet meer als wonderen gezien maar als vreemde toevalligheden. En toch zijn er mensen die, terwijl ze over geen middelen beschikken, voor anderen soms grootse werken tot stand brengen. Schijnbaar onmogelijke dingen bereiken ze. En men kan zeggen; het is hun meegelopen. Maar je zou ook kunnen zeggen; ze waren in zich zozeer een met een Hogere Kracht, dat zij rond zich de condities schiepen, de harmonie wekten, waaraan de wereld rond hen moest gehoorzamen. En dit is een punt, waar u over kunt nadenken, want dat raakt direct uw eigen leven.

Ik stel, dat u voor uzelf een ware Jood a.h.w. wilt zijn. Dat u de relatie van het ik tot God niet wilt baseren op een soort ruilprocedure van; God, ik zal braaf zijn en dan geeft U mij Uw zegen, bij voorkeur in contanten. Maar dat u het dus uitdrukt in: God, Uw wet leef ik, want ik erken U met geheel mijn wezen. Gij werkt door mij, zoals ik leef in U. Wanneer je dat dus zegt, dan heb je het begin gevonden. Wanneer dit een beleven wordt, dan ga je je niet meer afvragen waar de macht of de inspiratie of de vermogens vandaan komen.

Ze zijn er eenvoudig. Ze zijn op het ogenblik, dat de noodzaak bestaat, aanwezig. En dan juist wanneer wij in onszelf zo zoeken naar de bereiking van de hoogste Kroon, de Kroon van het Licht, wanneer wij de drie lichtende werelden willen betreden, die daarboven liggen dan kunnen wij daartoe alleen de kracht vinden vanuit deze innerlijke verwantschap met het Hogere.

Wanneer wij alle kennis der wereld hebben, dan zijn wij niet veel meer dan een waardeloze encyclopedie. Maar wanneer wij een harmonie hebben, hoe beperkt ook, met de Hoogste Kracht, dan vinden wij in onszelf de sleutels tot steeds hoger werelden en wij verwezenlijken die werelden steeds normaler en natuurlijk en via ons zelf voor anderen in de geest en in de stof.

Op het gevaar af dat mijn betoog u gaat vervelen, wil ik nog wijzen op het misverstand, dat er al te vaak bestaat t.a.v. het volgende. Men denkt: Wij menen het goed wij streven esoterisch, wij stellen ons in en God doet de rest. Maar dan maken wij een verschil tussen God en onszelf.

In onszelf opgaan tot God is niet; rekenen op God om het werk te doen. Het is in harmonie zijn met God en werken vanuit onszelf. Maar door de harmonie met God werkt de Kracht Gods door ons volgens ons bewustzijn en maakt het ons zo mogelijk onze persoonlijke weg a.h.w. te gaan.

U moet ook niet denken dat het eerste het beste visioen of het eerste het beste vergeestelijkt denken u dit alles brengt. Dat is niet waar. Het is de gewoonte van het leven. God komt altijd als de slaap aangeslopen. Hij is niet glorieus, sterk, groot en lichtend, wanneer Hij tot ons komt in ons innerlijk. Hij is iets, waar je op wacht en wat niet komt. En dat wanneer je het juist eigenlijk te druk hebt met andere dingen zich ineens kan manifesteren. God reageert op ons innerlijk, niet op onze begeerten.

De verbondenheid met dit Hogere kan natuurlijk bevorderd worden door de omstandigheden van de wereld rond ons. In dit verband heb ik voor u nog een paar raadgevingen en dan kan ik het woord overgeven aan de gastspreker.

  1. Dit is een tijd van het witte licht, dat nu praktisch geheel overheerst. Een versterking van alle faculteiten, geestelijk en stoffelijk, is hiervan het gevolg. In het begin voert dit vaak eerder tot mislukkingen, tot onderschatting van eigen kracht, van eigen gebaar, van eigen doorzettingsvermogen misschien ook, maar beseft is het de mogelijkheid om in jezelf tot een ontwikkeling te komen. Degenen, die het contact met God willen vinden, die de juiste harmonie willen vinden, zullen in deze dagen een goede kans maken, wanneer zij volgens hun beste weten en denken eenvoudig hun weg gaan in de naam Gods. Ze zullen dan alle positieve factoren in zich versterkt zien. De resultaten zijn vaak anders dan ze verwachten, maar het innerlijke contact is er en blijft groeien.
  2. Naast het witte licht speelt ook zo nu en dan het gouden licht een rol. Wanneer wij  ingesteld zijn op een zekere mildheid, zullen wij het witte licht meestal niet graag zien.

Het witte licht is voor hen, die bereid zijn het leven a.h.w. met de naakte feiten te accepteren, zonder de zaak voor zichzelf of voor anderen te vergoelijken. Het gouden licht maakt deze vergoelijking nog wel mogelijk. Maar het geeft u een sterke, een zeer sterke invloed op uw eigen denken. Wees daarom bij het gouden licht voorzichtig, dat u zich niet snel laat misleiden.

  1. Alle krachten, die in de komende dagen optreden, kunnen voeren tot een diepere bewustwording. Maar een diepe bewustwording vergt gelijktijdig een loyalere aanvaarding van de wereld rond je. Tracht je de wereld te meten met je nieuwgevonden innerlijke maatstaven, dan zul je in disharmonie zijn met de wereld en daardoor ook vaak je eigen contact met het licht verliezen.

0-0-0-0-0-0-0-0

Eerste gastspreker

 Het zal u niet verbazen dat ik in deze dagen voor het Kerstfeest een ogenblik met u wil denken aan de gebeurtenissen, die juist uit de grote gemeenschap van geest en stof voortvloeien. Want het moge dan mooi zijn om alleen te denken aan de uiterlijkheden, die met het Kerstfeest gepaard gaan, in zich is het een herinnering aan een blijven en immer durend werk, dat vanuit de geest en de stof gezamenlijk aan mensheid en wereld wordt verricht.

Wanneer wij spreken van de geboorte van Jezus, dan is dit over het algemeen een geloofspunt. Wij spreken over Gods zoon en de Christus. Maar Gods zoon leeft in ons allen. Wij zijn allen kinderen Gods. De Christus is voor ons allen de voortdurende uiting van Gods liefde, niet beperkt tot een enkel leven, niet beperkt tot een enkele tijd of een bepaald geloof.

Omdat wij vanuit de Broederschap weten, hoe sterk deze kracht van liefde en vorming met de aarde verbonden blijft, betreuren wij het soms, dat de innerlijke betekenis van dergelijke dagen teloorgaat. Vergeef mij, wanneer ik mijn mogelijkheid mij tot u te richten op deze avond vooral gebruik juist voor het openbaren van deze eeuwige facetten.

Toen de aarde nog omgeven was met een voortdurend wolkendek en de zeeën eerst langzaam hun vorm vonden temidden van het nog kokende aardmassief, waren er geesten voortkomend van een andere planeet en een ander leven die zich gewijd hebben aan de opbouw van de schepselen op deze wereld. Zij bouwden vanuit zich dank zij de goddelijke Kracht en de denkbeelden, in het Goddelijke aanwezig de vormen van eenvoudige planten, van eenvoudige dieren. En naarmate zij verder werkten, zochten zij naar de vervulling van die ene wens het dier, dat bewustzijn kan dragen.

Zij werden in deze dagen ondersteund door wezens in de stof, die – eveneens – niet tot uw planeet behoren. Zij hebben de aarde meermalen betreden. Gezamenlijk met deze geestelijke krachten vonden zij de mogelijkheid om uit het dierlijke het eerste licht van bewustzijn te wekken. Dit werd gevierd als een grote zegepraal. Maar alras bleek, dat de zegepraal gelijktijdig een voortdurende strijd moest inhouden. Want de schepselen, die zelf begonnen te denken en te reageren, moesten geleid worden, omdat zij zonder dit ten onder zouden gaan.

Zo ontstond in de tijd van de allereerste mensenrassen een reeks van onmiddellijk met de aarde verkerende geesten. Zij vonden hun eigen leerlingen en ingewijden. Het zijn dezen hoofdzakelijk, die in het contact met de aarde de Broederschap vertegenwoordigen.

Deze Broederschap wist echter, dat het niet voldoende was alleen zo te leven en leiding te geven. Want het eenmaal vrijgemaakte, persoonlijke bewustzijn moest een werkelijk vrij persoonlijk bewustzijn worden. Dit betekende, dat alle beperkingen vanuit de geest en vooral vanuit de groepsgeest opgelegd moesten worden herleid tot een minimum.

Om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen werd meerdere malen direct op aarde en in de stof ingegrepen. Om de geestelijke mogelijkheden te scheppen hebben geesten die reeds voor de aarde het leven droeg op andere werelden woonden, zich met materie bekleed. En ze zijn als vorsten, als heiligen, als ontdekkers en scheppers door de wereld getrokken. In legenden herdenkt men hen ook nu nog.

Toen eenmaal daardoor het begrip van de mens en van God geschapen was, kwam er een tijd, dat de mensheid alleen moest denken en werken. Dit denken en werken mocht gesteund worden. Maar na de gegeven feiten was het niet goed meer hen over verdere gegevens omtrent materiële beheersing en geestelijke waarden te laten beschikken.

Er ontstonden geheimscholen van de mensen, die door de Broederschap werden geconcentreerd op plaatsen, die daarvoor gunstig waren. Die door die Broederschap in stilte werden geleid en die toch het werk van mensen en menselijk bewustzijn moesten blijven.

Soms waren de tijden op de wereld zo, dat bijzonder verlichte geesten, zij die binding en lijden op aarde vrijwillig wilden aanvaarden, als meester, als leraar moesten optreden. En onder hen is Jezus een van de grootsten. Hun werk is ook weer geweest de mens wakker te maken voor waarden in zijn eigen besef, zijn eigen wezen. En met Jezus is de keten zeker niet afgesloten. Steeds weer openbaren zich grote geesten op aarde. Zelfs terwijl wij nu spreken, bereidt zich er één voor op een taak onder de mensheid.

Er zijn vaak legendarische figuren, waarin men eigenlijk niet zo goed meer gelooft na enige tijd. Zij worden het centrum van godsdiensten en vereringen misschien, ofschoon ze dat nooit gewild hebben. Want voor hen is de taak, waarvoor ze zich opofferen door tijdelijk op aarde te leven in beperking, het geven van innerlijk bewustzijn aan de mens. Het banen van paden, waardoor de mens als bewust schepsel ook zijn geestelijke waarde leert beseffen en daardoor gelijke kan worden van hen, die ook nog vaak als halfgoden zetelen tussen de ene en onveranderlijke Godheid en de mensenwereld met zijn onbegrip.

Dit is geen Kerstverhaal. Maar het is het verhaal van deze dagen. Het is het verhaal van de hergeboorte van deze wereld. Een renaissance van geestelijke waarden, die zich op dit moment afspeelt.

Gij allen wordt in deze dagen gedwongen steeds meer u te oriënteren op geestelijke kracht. En niet alleen is het voldoende dat ge de straal van het blauwe licht volgt. Het rode en het gele licht vragen uw aandacht meer en meer. Vanuit uw bewust zoeken naar grotere kennis komt een aanvaarding van de feiten, die slechts door nieuwe emotionele ontdekkingen kan voeren tot een verdere ontplooiing van eigen wezen. Grenzen tussen stof en geest moeten worden afgebroken. En ook dit is een taak van de Broederschap.

Die Broederschap telt in haar midden (in haar kern zou ik haast zeggen) namen, die voor u namen zijn van heiligen. Siddharta, prins en bewuste. Jezus, de Nazarener. Degene, die gij kent als Prometheus. En vele anderen. Zij zijn er, persoonlijkheden ontplooide persoonlijkheden, en zij zijn het die spreken tot uw tijd en uw wereld.

In de Kerstnacht verstonden volgens de legenden de mensen de taal der engelen. In deze dagen zullen de mensen de taal van de bewuste geesten moeten verstaan of ondergaan. Met steeds snellere slagen trekken heerscharen van dienende en lichtende geesten, deel van onze Broederschap, door de sferen. Zij werken op alle geest, die aardgebonden is en onbewust. Zij trachten langs duizenderlei weg bewustzijn voor het licht te scheppen en datgene, wat het licht niet aanvaarden wil, terug te drijven in een duisternis, waarin het zijn eigen weg tot aanvaarding mag zoeken.

Dit alles kan niet geschieden zonder wonderen. Het wonder van Kerstnacht is niet de geboorte van het kind alleen. Het is de geboorte van een kind in een licht. Een ster, die langs de hemel gaat en stil blijft staan. Engelen, die tot mensen spreken. En mensen, die hun eigen kilte vergeten in een ogenblik van spontane goedheid.

Dit Kerstfeest zullen wij nu moeten vieren. Wij zullen in deze dagen trachten het bewustzijn van hen, die waarlijk van goeden wille zijn, te treffen. Hen te verbinden met, de kern van onze gemeenschap, met al die groten in de geest en al die groten, in het Goddelijk Licht. U zult u afvragen, of gij daartoe behoren zult. Ik zeg u: Indien gij van goeden wille zijt, indien gij niet uzelf zoekt, zult ge ook daarvan de tekenen erkennen. Gij zult zien, pas later beseffend wat ge ziet. Gij zult horen en beseffen en pas later ontdekken hoe vreemd het was.

En wanneer ge van goeden wille zijt, kunt ge u voorbereiden op uitzonderlijke belevenissen en gebeurtenissen. Maar die zult ge pas uitzonderlijk vinden, als ze voorbij zijn. Ik zou u een leer willen geven voor deze dagen, maar welke leer kan ik u geven, die voor u aanvaardbaar is? Is dit niet ergens ook een tijd, waarin vergaan even belangrijk is als ontstaan?

Wij hebben telkenmale weer de mensheid opgebouwd tot een bepaald bereiken. Er is een tijd geweest, dat wij uw instincten hebben geregeerd. En nog vaag vindt ge de echo daarvan, de invloed, die de maan, heeft op u.

Er is een ogenblik gekomen dat wij wisten dat deze absolute gehoorzaamheid aan het instinct verbroken moest worden, omdat de lichamelijke functie een deel moet zijn van het bewustzijn. En wat ontstond leek chaos. Maar daardoor konden uw verre voorvaderen werkelijk mensen zijn.

Er is een tijd geweest, dat geloof in feite bijgeloof was. En wij hebben hen de middelen gegeven van magie. Er zijn grote rijken gebouwd, die nu alleen nog legenden zijn. Maar er kwam een ogenblik, dat de absolute beheersing van die krachten moest worden overgelaten aan de mensen, omdat de geest niet altijd de rem kan houden op wat leeft in de mensheid.

Tot tweemaal toe hebben die rijken zich te gronde gericht. Daardoor zijn ze nu vergeten. Maar als een schim ervan is de oude, bijna kinderlijke wijsheid overgeleverd, die gij nog terugvindt in de Veden. Die gij nog terugvindt in de schijnbaar primitieve geloofswaarden van een Hindoe, van een Tibetaan, van bepaalde stammen van primitieven ook op andere continenten.

En toen hebben wij de mensheid het begrip van heerschappij gegeven en organisatie. De legers zijn uitgegaan Salomo’s ruiters. Later de stampende heerscharen van Rome. En toen de macht erkend was en de organisatie beschouwd werd als het enige, hebben wij gezegd: Ga nu je eigen gang. En ziet, Rome en Byzantium bestreden elkaar om grootheid en het Imperium verging. Egypte verloor zijn aanzien en zijn macht werd tot een protserige speelbal van een ieder, die aanzien beloofde.

Wij hebben het christendom helpen opbouwen als een heerschappij. Want er waren landen, die alleen door de kerstening konden komen tot een beter begrip van zichzelf. En er kwam een ogenblik, dat wij zeiden: Nu is dit vuur van de naastenliefde, deze prediking van de werkelijke gemeenschap ver genoeg gegaan. Wij moeten haar vrijlaten. Toen wij haar hebben vrijgelaten, is men begonnen met krijgstochten in naam van de Christus en heeft men een ieder, die het christendom anders wilde beleven en erkennen dan de heersers, vernietigd. Die rijken zijn ondergegaan.

Toen hebben wij de mens gegeven de eerste erkenningen van techniek. Techniek op elk terrein. Wij leerden hun hoe een juiste landkaart te maken. Wij leerden hun hoe een juist beeld te schilderen. Wij leerden hun hoe men gebruik kan maken van bepaalde natuurwetten en krachten. En het leek of die leiding goed was.

Zeker, in de armoede van de slechte jaren kwam er revolutie, maar zelfs in die revolutie ging de techniek, de ontdekking verder. En wij hebben die techniek laten groeien tot een punt, waarop de mens zijn eigen weg kon kiezen. Het resultaat was een onverantwoorde industrialisatie. Een kunstmatig, wankel economisch evenwicht. En als gevolg daarvan uw hedendaagse machtspolitiek. En daarom hebben wij opnieuw ingegrepen.

In deze tijd geven wij met alle kracht, waarover wij beschikken, de mens nieuwe geestelijke stimulansen. Wij willen hen de geestelijke middelen geven, waarmee hij de heerschappij van het zuivere materiële kan verbreken. Maar er zal een ogenblik komen, dat ook deze geleide krachten aan de mens moeten worden overgedragen. En de vraag is, of ze dan ten onder zullen gaan.

Vergeet één ding niet het Kerstfeest is het begin der geboorte, het is nog de verantwoordelijkheid van anderen. Maar er komt ook een ogenblik, dat het machtwoord luidt: Niet mijn wil, Heer, maar Uw wil geschiede. Het ogenblik dat de mens zelfstandig en vanuit zich aanvaardt, wat de Goddelijke Kracht besluit, ongeacht de betekenis voor hemzelf. Het is deze fase, die wij nu binnentreden. Het is deze ontwikkeling, die op dit moment reeds begonnen is.

En vanuit de Broederschap kan ik u dus zeggen: Gij zult in deze dagen geestelijk meer geleid worden dan u misschien lief is. En ge zult in uw geestelijke ontwikkeling en gaven, zowel als van degenen rond u, bepaalde stimuli ontdekken, maar ook bepaalde beperkingen, waarmee ge misschien nog geen raad weet. Aanvaard deze dingen, want deze krachten moeten eerst geleid aan de mensheid gegeven worden, voor de mensheid vrij mag zijn om daarmede naar eigen believen te werken.

Wij allen hopen en verwachten, dat hetgeen wij de aarde geven, wat wij op deze aarde doen ontstaan (zoals sommigen van onze oudste broeders eens de eerste vormen op aarde deden ontstaan), aanvaard moge worden. Want wij willen u niet beperken, wij willen u verder zien groeien. Wij willen u niet in machten weten beknotten. Wij willen u in uzelf wakker roepen voor dat, wat ge zijt. Voor datgene, wat ge kunt. Voor datgene, wat in deze dagen te erkennen en te vinden is.

Gij zult in deze tijden in het begin vaak allereerst op meer materieel terrein, maar altijd met geestelijke achtergrond steeds nieuwe mogelijkheden ontdekken. En uit de kleine nieuwe mogelijkheden en werkwijzen zal voor u groeien een steeds intenser werken met innerlijke kracht. Wanneer ge dat doet, weet dan, dat ge samenwerkt met ons.

En wanneer gij in de stof dit alles hebt helpen vervullen, denk dan niet, dat daarmede alles ten einde is. Want deze gebondenheid is noodzakelijk, omdat de materie beperkt is in inzicht en erkennen. Maar de geest, die vrijelijk medewerkt in deze taak, behoort zeer zeker tot de dienende geesten van Licht, die ook in onze Broederschap actief zijn.

Ik kan niet zeggen of ge tot die Broederschap zult behoren. Dat zult ge eens in de geest voor uzelf besluiten. Dat kunt ge hier niet eens beslissen. Maar wanneer ge in de geest komt, dan zult ge kunnen kiezen. Dan zult ge bewust zonder dwang en leiding, die u beperkt, uw weg kunnen gaan.

Ik heb u dit willen voorleggen op deze avond, omdat het mij belangrijk toeschijnt, dat men ook, waar men zich met esoterie bezighoudt, begrip heeft voor datgene wat er op aarde gebeurt. Dat men niet slechts Kerstliederen zingt en legenden vertelt, maar dat men beseft, hoe een voortdurende werkzaamheid van schepselen Gods uw wereld heeft gevormd. En hoe er op dit moment in het Al andere werelden worden gevormd van het primitieve af tot werelden, die vrij zijn, die zichzelf gevonden hebben. En waarin de Broederschap zozeer zetelt, dat er niets meer in de vorm van onze Broederschap noodzakelijk is. Wij zijn een noodmaatregel. Wij zijn opvoeders. Wij verwachten met spanning altijd weer het ogenblik, dat onze wereld, onze klas, volwassen wordt.

Vrienden, indien u met de Kerstdagen deze dingen herdenkt, zo is het zeer wel mogelijk, dat u een bevestiging krijgt van al datgene, wat ik u gezegd heb. Velen zullen een onverwachte gast ontmoeten. Soms in zich, soms in de stof. En altijd weer zullen zij daaruit een nieuwe blijheid en een aanvaarding kunnen putten, indien zij zoeken naar de werkelijke geest van eenheid en naastenliefde.

Ik geef het woord terug aan een van uw eigen broeders.

0-0-0-0-0-0-0-0

Dat was een historische gast met een historisch betoog.

Ik kom hier even tussenin, omdat nog kort een andere gast komt. Het is druk, maar dat ligt in de tijd. Wat er eigenlijk gezegd is, lijkt heel veel, maar is heel weinig. Wist u dat? De spreker heeft getracht u duidelijk te maken wat er aan de hand is. Maar je kunt het ook in een paar woorden samenvatten.

De verandering van deze dagen betekent voor velen gelijktijdig een grotere gebondenheid in geestelijke waarden, maar ook een geleide en bewuste vooruitgang van geestelijke werkzaamheid en geestelijke activiteit. En doe daar nu maar braaf aan mee, want je komt er toch niet onderuit.

Ik kan u nu de volgende gast aankondigen. Dit is weliswaar een gast, maar hij behoort toch tot de Orde. En u kent hem waarschijnlijk allemaal. Ik denk niet, dat hij over Kerstmis wil praten, ofschoon dat eigenlijk in zijn vak zou liggen. Het is een gast, waar ik graag plaats voor maak. Dus goede aandacht.

0-0-0-0-0-0-0-0

 Tweede gastspreker

Ja………vrienden, men heeft het al gezegd, gefluisterd, nadat ik als een soort raadsel werd aangekondigd door een vriend, waarvan ik het nog steeds betreur, dat hij nooit in een preekstoel heeft gestaan. Maar daar kom ik eigenlijk niet voor.

Er is op het ogenblik zo’n mooi licht. En dat licht is van het hoogste belang. Wat in dat licht ontstaat, dat zal – of het goed of kwaad is – sterk groeien. En daarom zou ik graag, heel graag, op mijn eenvoudige manier u willen vragen: Wilt u proberen om in deze dagen nu eens extra iets goeds te doen? Iets waar je zelf helemaal niets aan hebt? Waar je niets van verwacht, bij wijze van spreken?

Vroeger was het zo bij ons. Wij hadden een collecte zakje met een schuif, daarbij kon je niet zien wat je erin gooide. Dat noemden wij het knopenzakje. We hadden ook de open schaal. En die heette de zilverschaal, want iedereen kon zien, als je er wat zilver op legde.

Weest u niet zo dom dat u alleen kijkt naar wat anderen ervan zien. En denk niet dat het alleen gaat om die dubbeltjes. Waar het om gaat is, het scheppen – juist in deze dagen – van een juistere erkenning en aanvaarding van God. En wij kunnen God alleen aanvaarden door onzelfzuchtig Hem te beminnen, ook in Zijn schepselen. En dan niet zoals sommigen van mijn parochianen dat deden aan de dijk. Dat bedoel ik niet. Neen, eenvoudig proberen de mensen wat meer lief te hebben. Want wat je in deze dagen aan goeds schept, dat wordt een grote kracht. Dat wordt een rijpe oogst. Dat hebben wij zo dadelijk niet alleen nodig, maar daar zullen wij zo dadelijk allemaal blij en gelukkig mee zijn.

En dan………. u kunt natuurlijk erg esoterisch doen, maar onthoud nu maar één ding. De esoterie is zowel het masker van wijzen als van dwazen. De wijze verbergt achter de termen der esoterie zijn innerlijk weten en de taak, die hij om dit weten voor zich aanvaard heeft. En de dwaas verbergt daarachter zijn leegte aan leven, beleving en denken.

Onze vriend Henri applaudisseert voor me, dat is een compliment. Lieve vrienden, wat wij vandaag aan goed scheppen, dat kan de volgende jaren goed maken.  Het lijkt wel of ik voor een collecte preek, maar het is een soort collecte, een collecte van goede wil.

Kijk eens, lieve mensen, dat ik werkelijk van jullie houd, dat heb, ik al heel vaak gezegd. Dat ik heel veel voor jullie tracht te doen, ach, dat mag wel eens een keer gezegd worden, want dat vergeet u waarschijnlijk toch wel weer. Maar als u wist, hoe gelukkig ik mag zijn met wat ik doe, met die liefde voor al het leven, dan zoudt u waarschijnlijk ook gemakkelijker komen tot een zien van alles in een groter verband. Doe de kleine dingen, maar zie ze niet als belangrijk. Zie ze als deel van het grote, waaraan je werkt. Kijk, dat wou ik nu zeggen.

Vriend Henri heeft mij heel handig de mogelijkheid van een Kerstpredikatie uit de geleende mond geslagen. Maar ik heb er toch wel een klein antwoord op. En dat is dit:

Velen spreken  van liefde, omdat zij lijden aan eenzaamheid.  En sommigen spreken van eeuwigheid uit angst voor de tijd. Maar wie leeft in een liefde  voor al het bestaan en daarin zijn eigen noden vergeet, hij weet het is klein wat ik verricht, maar groots is het bestaan, waarin ik zo vervul mijn taak, mijn wezen en mijn  plicht en eenheid zie als licht, dat mij onthult de zin van mijn bestaan.

Kijk, dat is misschien ook ergens een kleine predicaties in een beetje andere vorm. En dan het is lastig als je met een commentariërende bewonderaar naast je moet spreken maar ik maak het niet zo lang. Ik moet proberen om kort te zijn. Weet u wat ze bij ons zeiden? Een goede pastor is een, die lang werkt en kort preekt. En daarom zou ik het voor mijzelf nog even willen zeggen, zo zonder kerstgeluid, dus maar met deze zinnen:

Waar uit de langzaam trage wolken  het sneeuwkleed valt, het fijn  kristal dat dekt de schuld en al de  zonden, hergeeft de onschuld aan  het Al, daar is het wonder weer  hervonden. Daar waar het licht der  eeuwigheid als witte gloed door alle  schijn, tot in de kern van t wezen  snijdt, daar is het wonder  herontstaan.

Daar breekt uit onschuld nieuw  ontwaken, nieuw weten en nieuw zijn  zich baan. En waar het weten als een  baken erkent het licht dat rond u gaat,  daar wordt in ‘t ik een zang geboren, die  zingt; de reden van het bestaan.

Niet eer zij God, of; eer de mensen.  Maar Gij zijt God, mijn Werkelijkheid.  Wie door het Licht wordt voortgeleid,  tot hij dit leeft en dit erkent,

Hij kent het rijk van werkelijkheid.  En hij is het, tot wie zich wendt  een ieder, die het licht vermijdend  door duister nu nog wordt misleid.

O, het zijn geen echte verzen. Maar als u in deze dagen daar nu eens aan denkt, het in jezelf beseffend en juist dan het licht moge zijn dat een ander leidt, dan vrienden, weet u hoe groots deze dagen. En dan zult u in uzelf weten wat de werkelijkheid is, nu. Niet alleen maar een wereldje met rare mensen.

Maar een, één enkele stap brengt u van de regen naar de zon. Brengt u van angstigheid naar erkend geluk. Brengt u van droeve daadloosheid naar het besef van de Goddelijke Liefde, die doorklinkt in alle bestaan.

Nu zou ik u bijna de zegen geven. Maar het gevaar zou zijn, dat u mij de zegen nageeft. Laat ik alleen maar dit zeggen: Moge u het licht en de vreugde geboren worden uit de Kracht, waarin ik leef tot bewustwording van uw werkelijkheid in deze dagen. Zalig Kerstfeest, vrienden.

image_pdf