Wat betekent ‘leven’ voor u?

image_pdf

14 oktober 1974

We hebben een beetje een eigenaardige figuur als gastspreker vanavond. Hij was een Arabier onder Turkse suprematie, wijsgeer, rekenkundige, handelaar en soms oplichter. Maar we vinden het erg prettig dat hij wil komen, omdat het iemand is, die het geestelijk ver geschopt heeft en omdat hij ontzettend veel levenservaring heeft opgedaan en  ten laatste omdat wij menen, dat hij in staat is u een paar esoterische inzichten te geven, die de moeite waard zijn.

Ik moet nu een inleiding houden en ik voel mij daarbij zo’n klein beetje als de man die werd gevraagd: “Wat is leven?” Hij haalde zijn schouders op en zei: “Dat weet ik niet. Ik heb geen leven zolang ik besta.” Dat is een beetje treurig, maar aan de andere kant getuigt dat antwoord van gevoel voor humor.

Leven is existeren, bestaan. Een ander zegt: “Leven is ervaren.” Ja, maar wat? Er zijn ook nog mensen die zeggen: “Leven is groeien.” Ik geloof, dat wanneer je zegt: geestelijk groeien, dat dat de meest juiste omschrijving is. Wanneer je leeft, word je beroerd door alles wat rond je is. De hele wereld is voortdurend bezig je allerlei signalen te overhandigen en je moet zelf maar zien wat je er mee doet.

Wil je weten wat die wereld betekent, dan zul je eerst moeten weten wat je zelf bent en wat je zelf betekent. En nu kun je nooit zeggen wat je voor die wereld betekent, tenzij je je aan illusies wilt overgeven. Dat doen veel mensen. Je kunt alleen zeggen wat je volgens je eigen besef betekent voor je eigen gevoel van juistheid. En ik dacht dat dat één van de elementen is, die vanavond waarschijnlijk ter sprake zullen komen. Daarom wil ik daar in de eerste plaats iets over zeggen.

Als je een bepaalde instelling in het leven hebt, dan zul je daardoor bepaalde reacties uitlokken. Soms zijn die reacties dingen die van buitenaf komen. Als je onbeleefd bent en je ontmoet iemand die onbeleefder is dan jezelf bent, dan krijg je een pak slaag. Maar het kan ook een innerlijke kwestie zijn. Wanneer ik verder wil reiken dan ik kan of wanneer ik mijzelf hoger inschat dan ik zelf ben, kom ik in conflict met de wereld rond mij en dan kan ik niet erkennen – want dat is de grootste moeilijkheid – dat die wereld gelijk heeft wanneer die wereld mij anders ziet dan ik mijzelf zie. Dan ontstaat er een conflictsituatie en in die conflictsituatie moet je dan proberen je te redden. Dat is erg moeilijk, omdat je ook nog tegen jezelf verdeeld bent en je jezelf in bepaalde gevallen in moeilijkheden brengt. Leer je jezelf zien zoals je bent – dus niet uitgaan van: wat ben ik tegenover die wereld, neen, gewoon je afvragen: wat leeft er in mij, hoe denk ik, wat heeft mijn belangstelling, wat zijn mijn levensbehoeften? – dan komt er een ogenblik dat je zegt: in de wereld ben ik, wat die wereld zegt dat ik ben. Dat interesseert mij niet, maar in mijzelf ben ik trouw aan wat ik innerlijk ken, wat ik innerlijk besef. En vanaf’ dat ogenblik heb je vrede met jezelf.

Nu bestaat er een bekend gezegde dat er op wijst, dat verdeelde krachten altijd de mindere zullen zijn van krachten die één zijn. De wereld is voor jou altijd een veld met verdeelde krachten. Want er zijn zoveel verschillende werkingen en invloeden en mogelijkheden, gebeurtenissen, dat wanneer je daar als een innerlijke eenheid tegenover staat, je die inderdaad aankunt. Je hebt dan het voor jou juiste antwoord. En dat antwoord zal die wereld misschien niet erg prettig vinden en dan gebeuren er misschien dingen met jezelf, die je zelf ook niet zou kiezen wanneer het anders kon, maar aan de andere kant heb je het gevoel: dit is juist en je hebt vrede in jezelf. Het eerste wat je moet doen in het leven is, naar ik meen,  jezelf vinden en dan weet je pas wat het leven voor je betekent.

Wat doet een mens wanneer hij slaapt? Dan probeert hij 0m alles wat in hem bestaat weer te herleiden tot een evenwicht. Dat wil dus niet zeggen dat alle losse eindjes in een droom worden opgelost; dat  is overdreven. Maar het betekent wel, dat een spanning die je hebt, ontladen moet worden. Dat een frustratie moet worden omgezet in iets waar een overwinning mogelijk is. Dat een gevoel van dreiging dat verdrongen is, moet worden omgezet in een beleving van angst. En zo kunnen we doorgaan.

In de slaap zoekt een mens een evenwicht. Daarnaast zal hij in de slaap vaak uittreden. Dan zeggen de mensen: Dan ga je naar een andere wereld toe en dat is allemaal schitterend. Bij ons valt dat inderdaad wel mee, maar er zijn ook andere werelden. Wanneer u echter uittreedt, dan is ook dat iets wat nodig is. Je zult nooit uittreden naar een wereld waar je niet bij kunt passen. Je zult ook nooit iets in die werelden beleven, waarvoor in jezelf niet de één of andere harmonie bestaat. M.a.w.: de uittreding is alleen maar een uitstrekken a.h.w. van je leven naar een andere wereld om daarin ook nog meer jezelf te kunnen zijn. Op die manier leeft de mens eigenlijk tweemaal. Lichamelijk gezien is dat volledig juist, want je leeft één keer overdag bewust en dan leef je nog één keer in je slaap en dat is meestal minder bewust, soms geheel onbewust.

De situatie is nu de volgende: Indien in mijzelf het leven is geworden tot een harmonie, dus een zelfaanvaarding – want dat is het belangrijkste wat er bestaat in het begin – dan zal ik in mijn uittredingen alles vinden wat bij mijn wezen past. Maar heb ik een conflict in mijzelf, dan is dat ook harmonisch met conflictsituaties die ergens anders kunnen bestaan.

Ik als geest  droom  gelukkig niet. Wij leven. Mensen leven ook, maar die dromen vaak dat ze leven; dat is het verschil. Een geest droomt dus niet, maar een mens die droomt vindt daarin alles terug wat in hemzelf bestaat. Een mens, die leeft in de wereld, vindt daarin alles terug wat in hemzelf bestaat. Nu moet ik uitkijken, want er zijn mensen die zeggen: “Dus wanneer ik zondig of verdeeld tegen mijzelf ben, dan heb ik een hoop ellende. Dus alle

ellende is mijn eigen schuld.” Neen. Wanneer u dat hoort prediken, dan moet u maar denken: die prediker weet niet beter.

De werkelijke situatie is deze: Wanneer die wereld op mij afkomt en ik wordt ziek of iets anders en ik heb in mijzelf de vrede, dan heb ik ook de veerkracht om die ziekte te aanvaarden. Ja, nog veel meer. Ik vind in mijzelf de spankracht om die ziekte te overwinnen wanneer het juist is. Ik vorm door mijn innerlijke eenheid een macht en ik kan mij in alle gebeurtenissen zo aanpassen, dat die vrede, dat licht in mijzelf blijft bestaan. Dus, u moet niet denken dat de wereld verandert wanneer u verandert. Maar de mogelijkheden, die u voor uzelf erkent in die wereld en de betekenis van alles wat de wereld is voor u, verandert wel.

We kennen allemaal de stelling: Alles is een totaliteit, de mens is deel van die totaliteit. Is de mens zich bewust van die totaliteit, dan heeft hij de kracht van die totaliteit. Wanneer ik deel ben van een geheel, dan kan ik zeggen: voor mijn bewustzijn ben ik het geheel. Want als deel van het geheel, visualiseer ik vanuit mijzelf al hetgeen voor mijn begrip uit het  geheel vatbaar is. Ik kan dus nooit iets zien wat afzonderlijk bestaat, ik zie altijd een geheel. De balans van goed en kwaad: één geheel. Magische krachten en het onvermogen van mensen: één geheel. En daar zit een haakje. Wanneer je zegt: leven is alleen maar het opnemen van feiten, het reageren op feiten, dan heb je nog niet genoeg gezegd. Want leven is ook gelijktijdig het verwerken van een deel de kosmische kracht.

Als u bestaat, dan is een deel van uw leven a.h.w. het opnemen van bepaalde krachten en dan heb ik het niet over Odkracht, die u ook met zuurstof kunt ontwikkelen. Neen, ik heb het over de kosmische kracht waardoor u leeft, de kracht die u eventueel ook kunt projecteren. De kracht die het u mogelijk maakt te magnetiseren, maar die het u ook mogelijk maakt uit bv. een voorwerp iets af te lezen, helderziend te zijn e.d., dus, de grenzen van uw lichamelijke wereld te overschrijden. Die kracht neemt u op. Maar de kracht die u opneemt, zet u om. Elke handeling, elke daad, elke gedachte is een omzetten van die kracht. En wanneer dat in jezelf gebeurd is, gaat die kracht veranderd of anders gericht weer van je uit.

Nu moet je dus zeggen: Wanneer leven het ontvangen en doorgeven van die kracht is, dan is het eigenlijk niet belangrijk hoeveel kracht ik heb. Het is alleen belangrijk hoeveel kracht ik verwerken kan. En als je dat innerlijk verwerkt, dan zeg je: Voor mij is niets onmogelijk. Het onmogelijke komt voort uit mijzelf; niet uit de kracht waarover ik beschik. De kracht waarover ik beschik, is niet gelimiteerd. Wanneer ik kracht verbruik, krijg ik nieuwe kracht, tenzij ik denk dat ik ze niet krijg. Wanneer ik denk dat ik moe word, dan neem ik minder kracht op en dan word ik moe, bij wijze van spreken. Dat geldt voor geestelijke zaken, voor magische werkingen, voor esoterische bestrevingen, zo goed als voor doodgewoon werken. Hoe meer je in je eigen vermoeidheid gelooft, hoe sneller je moe wordt.

Dan moet je daar tegenover stellen, dat wanneer je niet gelooft in beperkingen dan door eigen beseffen en bewustzijn, je altijd zult kunnen gaan tot het uiterste van je vermogen. Maar het uiterste van je vermogen omvat kosmische kracht. Omdat ik in mijzelf alleen datgene kan aanvaarden wat ik innerlijk erken, is het voor mij belangrijk mijn innerlijke erkenning zo ver door te voeren, dat ik kom tot een onbegrensdheid in mijn innerlijk erkennen.

Dan wordt er natuurlijk gevraagd: “Hoe moet je dat doen?” Er is één ding dat in onze voorstelling onbegrensd kan zijn: God. Het is niet belangrijk of die God bestaat zoals wij denken. Maar het is wel belangrijk dat wij begrip vinden, dat in zichzelf niet begrensd is. Want wanneer wij zeggen: dit begrip is in mij, de God in mij of de daemon in mij (niet demon, dat is wat anders; demon is een daemon met een masker op. Dat weten de meeste mensen niet. Want de demon is een wezen dat de uitstraling van de mensen reflecteert en daardoor de mens, zichzelf tonende, voor hem onaanvaardbaar wordt), het licht in mij is het onbeperkte. Daar behoef ik ook niet voortdurend mee bezig te zijn. Als u in een roeiboot op zee zit, gaat u dan waterdruppels tellen? Als u leeft in die kracht, wanneer u deel bent van die kracht, is het dan belangrijk om die kracht te definiëren of is het belangrijk om er in en uit en door te leven? Dan heb je daar een oplossing, die zowel magisch als esoterisch buitengewoon interessant is.

Zodra je komt tot een aanvaarden van het onbegrensde in jezelf, is het niet noodzakelijk dit verder te formuleren of zelfs jezelf over te geven aan erediensten of iets anders. Het is slechts belangrijk, dat je dit onbegrensde in jezelf erkent als existent. Op het ogenblik dat de dit doet, zal je onbegrensde energieën kunnen putten, mits je onbegrensde energieën weet uit te stralen! Dus daar is weer een haakje.

Een magiër kan alleen die krachten gebruiken, die hij kan beheersen. Roept hij krachten op, groter dan hij kan beheersen, dan gaat hij eraan ten onder. Dat is een stelling, die ze elke leerling in het begin bijbrengen. Maar waarom kan hij een kracht niet beheersen? Omdat zijn eigen voorstelling onvoldoende is om die kracht te aanvaarden. Zodra je een kracht aanvaardt, beheers je haar.  Als dat geldt voor zuivere kracht, dan moeten wij ons ook realiseren, dat het grootste gedeelte van het besef dat wij in ons leven opdoen, eigenlijk ook een erkenning van werking, van kracht is. Het is ook kracht, alleen in een andere vorm. Het is een registratie van wat die kracht doet.

Dan kan ik zeggen: Op het ogenblik dat ik alle verschijnselen, zoals zij zich aan mij voordoen, kan beschouwen als een deel van de kracht die in mij bestaat, zal ik het geheel van die verschijnselen kunnen absorberen. Ik zal dus leren beseffen, ik zal a.h.w. als een spons kennis opzuigen uit de wereld rond mij en het geheel van deze kennis zal voor mij innerlijk alleen slechts dienen om de kracht zuiverder te kunnen uiten, waarin en waaruit ik leef.

De functie van een mens in het leven is beperkt. Wij kunnen dat karmisch ontwikkelen – onze vriend zal er waarschijnlijk ‘kismet’ (noodlot) tegen zeggen. Onze functie is beperkt, omdat onze gerichtheid, ons doel in ons leven beperkt is. Het betekent niet, dat we niet meer kunnen beseffen, het betekent wel, dat we in persoonlijke uiting niet meer kunnen zijn.

Het leven in zichzelf impliceert een beperktheid. Deze beperktheid ontstaat door de gerichtheid — en indirect door het besef — van de levende. Deze beperking kan niet te niet worden gedaan tenzij het totale besef en daarmede de totale waarde van leven in het ik verandert. Noodlot, karma en hoe u het verder noemt, bestaan zolang als wij blijven leven in de eenzijdigheid die ons behoort, die bij ons is. Dan is eigenlijk – ik zit te filosoferen – een bepaald iets bereiken, dat helemaal niet afhankelijk is van hetgeen wij stoffelijk leuk vinden om te bereiken. En wat wij ook denken en doen, dat doel bereiken we.

Wij zijn als een pijl die afgeschoten is. De boog werd gespannen, de schutter heeft de richting bepaald en de wind kan misschien de pijlen een beetje doen afwijken. Het gaat wel degelijk langs de baan of parallel aan de baan die de schutter bedoeld heeft. De schutter is ons werkelijk ik of superego. Het gehele ik heeft een besef. In dat besef wil het die doorstroming van de Goddelijke kracht in zichzelf steeds vollediger beleven en erkennen. Daarom zal het proberen op elk gebied een besef van die kracht te verwerven. Daar, waar een gebied erkend is, maar niet voldoende om de Goddelijke kracht daarin te laten functioneren, zal het ik een vorm aannemen, een wereld betreden, waarin die ervaringen kunnen ontstaan.

Dan kun je zeggen: Dat is allemaal best, maar ik wil nu anders. Maar dat kunt u niet. U kunt niet tegen die pijl zeggen: “Zeg, keer eens om.” Daarom kan men in het menselijk leven spreken over een gerichtheid. Deze gerichtheid komt voort uit een geestelijk besef. Maar de gerichtheid bepaalt alleen de gerichtheid van de persoonlijkheid. Wanneer een besef ontstaat dat die gerichtheid te boven gaat, dan zal stoffelijk die gerichtheid niet blijven voortbestaan, maar gelijktijdig zal het geestelijk vermogen zich aan die gerichtheid onttrekken en zal veel grotere gebieden en meer bewust en volgens eigen wil kunnen absorberen, kennis kunnen absorberen en anderzijds eigen krachten daarin uitstralen. Dan wordt het ook tijd dat we eens naar dat hogere ik gaan kijken.

Het hogere ik van de mens is niet hoger in rang. Wanneer wij spreken over ‘hoger’, dan spreken wij over vollediger. Wanneer wij zeggen ‘superego’, dan is dat niet een soort superman in ego-vorm, dan wil dat gewoon zeggen: dat deel van het ik, waarin alle andere delen omvat worden. Nu omvat dat hogere ik uiteraard de Goddelijke kracht, want zonder die kracht kan het niet bestaan. Het bevat de kennis van eigen wezen, beperkt of volledig, dat weten we niet, maar voor zover die voor dat ik bestaat. Er kan geen voertuig bewuster zijn dan het grote ik.

In dat grote ik bestaat verder een erkenning  van relaties met de wereld en het Al. Want wanneer je eenmaal een band hebt gemaakt binnen dat Goddelijke, dan is dat een band die blijft. Je kunt die band niet te niet doen. Je kunt niet zeggen: nu is het afgelopen of: nu moet het maar anders. Wanneer er een werkelijke band is ontstaan, is deze onverbrekelijk. D.w.z. dat het ik in elke manifestatie en in elke erkenning met alle banden, uit alle levens eventueel, uit alle sferen en werelden, rekening zal moeten houden. Het is dus gelijktijdig een brandpunt van alle relaties die tussen ik en wereld bestaan.

Het hogere ik omvat verder een zelfkennis, die ontstaan is uit alle brokstukken zelfkennis, die in elke fase van dat bestaan ooit bereikt werd. Hierdoor erkent het ik in zichzelf duistere gebieden. Dat is niet donker in de zin van duivels, demonisch of hel, maar in de zin van: nog niet beseft. Deze duistere gebieden worden onderzocht. Je kunt het bij de mensen ook zien. De mens heeft altijd behoefte om te onderzoeken, om het nieuwe te vinden, om door te dringen in nieuwe werelden, nieuwe relaties voor zichzelf te scheppen. Dat heeft het grote ik ook, maar dan t.a.v. die punten, die voor het eigen ik duister zijn, nog niet beseft zijn.

Hierdoor omvat het grote ik gelijktijdig alle mogelijkheden voor eventuele incarnatie en alle bepalingen van contacten en mogelijkheden in de sferen. Dan kan een mens die leeft zich aan dat superego of super grote ik niet onttrekken. Wanneer een beperkt besef zich zou willen verzetten tegen het volledige besef, zal dat volledige besef onmiddellijk alle dingen breken die daarmede in strijd zijn. Wanneer wij dus op een gegeven ogenblik disharmonisch zijn in een stoffelijk bestaan, dan moeten wij ons niet afvragen waar de schuld ligt in de wereld, maar wij moeten ons afvragen: wat willen we nu eigenlijk? Dat moeten we definiëren: wat kunnen we en wat achten we juist? Dat zijn deze  factoren.

Dan zeggen we verder: Alles wat ik wil, stel ik terzijde, maar alles wat ik juist acht en wil, dat moet ik vervullen. De wereld is aan niets schuld, want indien ik in mijzelf juist reageer, zal gehele ik met zijn energie er achter staan.

Nu zult u begrijpen dat wat ik over het grote ik gezegd heb, magisch ook erg belangrijk is. Want je kunt magisch geen relaties vinden, die niet in jezelf bestaan. En je zult ook geen kennis kunnen vinden op de wereld, die niet reeds in jezelf bestaat als beginsel of als gerichtheid. Als het grote ik zegt: ik wil doordringen in het duister, dan heeft het een begrip van hoe dit duister te benaderen. En hij kan stukje bij beetje van het duister licht maken.

Dat is in uw leven precies eender. U kunt niet doordringen tot een geheim, dat niet behoort tot het grensgebied van licht en duister in uw grote ik. En nu gebeurt er iets vreemds. Een mens wijdt zich aan een bepaald doel, een bepaalde bestemming, wat dan ook. Hij begin er aan te werken. En wat gebeurt er? Hij zal veel meer gegevens in zichzelf ontdekken dan hij redelijker wijze kan bevatten. We kunnen zeggen: dat is onbewust opgenomen in een ver verleden, maar als je het helemaal gaat nazoeken, blijkt dat er veel meer bij is en vooral – en dat is het typische – dat er veel meer inspiraties zijn om iets op een juiste wijze te benaderen. Hier komt dat grote ik weer van pas. Wat zegt dat grote ik nl.: alles wat in overeenstemming is met mijn wezen, zal de gehele inhoud van mijn wezen ter beschikking stellen van de beperkte uiting van mijn wezen, dat op dit moment in de stof of in een bepaalde sfeer zich manifesteert.

Wie op de juiste wijze harmonisch reageert, beschikt over een veel grotere kennis en een veel omvattender besef van gerichtheid dan iemand die het gewoon alleen maar materialistisch probeert. Maar dat houdt ook in, dat een mens die zichzelf niet bewust behoeft te zijn van geestelijke werelden en geestelijke sferen en alles wat daarin mogelijk is, wanneer hij volledig geconcentreerd en harmonisch met zijn superego bezig is, te maken krijgt met krachten die magisch zijn. Want wat gebeurt er? Er ontstaan werkingen, die niet redelijk bepaald kunnen worden en die alleen onder deze 0mstandigheden gewekt kunnen worden. Zuiver persoonlijk, maar ze zijn er.

Dan is het duidelijk waarom in de magische leringen op een gegeven moment wordt gezegd: “Hij die de sleutel begrijpt, grijpt het bezit van het gehele gebied.” De sleutel is de harmonische gerichtheid. Wanneer ik deze gerichtheid bezit, dan zal het gehele deel van het grote ik, alle daarin bestaande waarden, betrekking hebbende op deze gerichtheid, op deze concentratie, in je openbaren. En waar ligt dan de begrenzing van de mens? In de rede.

De redelijkheid stelt een relatie met de eigen wereld op zuiver menselijke basis vast. In deze relatie is logica noodzakelijk. Daarnaast kan een ander contact bestaan met de wereld, dat niet logisch en niet redelijk is, maar dat evenzeer functioneel is en dat – wat meer is – zonder een logisch verloop van trap tot trap van ontwikkeling in het ik een plotseling besef, een plotselinge kracht en een plotseling vermogen kan doen ontwaken, waarmee dat ik in zijn eigen wereld effecten kan veroorzaken, die voor iedereen kenbaar zijn desnoods en die niet behoren tot de stoffelijk logische en stoffelijk redelijke wereld.

Dan is de basis van alle magie niet zozeer de kennis, maar is de basis van de magie de innerlijke gerichtheid. De afgesteldheid. Al het andere is a.h.w. secundair. In diezelfde magische scholing wordt iets gezegd over bepaalde rituelen. Wat ik hier ga citeren hangt samen met een ritueel om bepaalde vuurgeesten te wekken. Je zou het voor al het andere ook van toepassing kunnen verklaren. Er wordt nl. gezegd: “Indien ik de macht besef die ik wek en mij één gevoel met die macht in een daad die uit mij voortvloeit en niet strijdig is aan de kwaliteiten van die macht, zal ik als die macht handelen. Zal die macht handelen als mijn persoonlijkheid en zullen volgens geestelijke wetten zowel als langs stoffelijke wegen mijn bedoelingen verwezenlijkt worden.” Ik kan dus een andere geest oproepen wanneer ik met die geest harmonisch ben, dan is dat oproepen geen rituele kwestie, dat is gewoon een erkenning.

Wanneer ik in een bestreving één kan zijn met de kracht die ik oproep, de voorstelling die ik er van heb, dan zal die kracht a.h.w. als een soort verlengstuk van mijn eigen persoonlijkheid gaan functioneren, voor zover het die bepaalde actie betreft.

De conclusie: Wanneer ik erken, dat er entiteiten zijn die eveneens lijden teniet willen doen en bewustwording willen bevorderen en ik kan mij één van die entiteiten zo voorstellen, dat tussen een entiteit en mijzelf een contact bestaat, geef ik de intentie en de eerste kracht en de ander zal verdergaan met de taak waaraan ik begonnen ben. Ik sta dus niet meer alleen en ik ben niet meer gebonden aan de tijd die ik zelf beschikbaar heb. Wanneer ik geen tijd beschikbaar heb, zal de andere kracht datgene wat ik doe continueren.

En als je dat nu in magische zin kan zeggen, moet er esoterisch ook nog iets bij: magie en esoterie zijn nu eenmaal twee kanten van de medaille.

In de esoterie geldt het volgende: Op het ogenblik dat ik in harmonie ben met welke kracht dan ook en in die harmonie de impulsen van die kracht durf aanvaarden als de mijne, zal zonder dat daar bijzonder duidelijke wegen aan te tonen zijn, in mij een reeks nieuwe waarden ontstaan, die ik ook materieel zal kunnen gebruiken. Ik zal bovendien in diezelfde harmonie een beeld van mijzelf vinden dat ik kan gebruiken om mijn eigen voorstelling van eigen wezen en vermogen aan te vullen en in de derde en laatste plaats zal ik een gevoel van verbondenheid kennen, dat niet noodzakelijkerwijze op een bepaald niveau behoeft te worden uitgedrukt om te blijven existeren, daar het een aanduiding is van een band, die in het grotere ik van elke persoon aanwezig is en die alleen uitgedrukt wordt door die gerichtheid, waarbij al de banden hernieuwd worden, zonder dat je kunt zeggen wat het precieze doel of de juiste bedoeling daarvan is.

Misschien zou ik het zo kunnen formuleren: Omdat geen enkele band die hoe dan ook, waar dan ook ontstaan is tussen persoonlijkheden op harmonische basis teniet kan worden gedaan, daar zij in elk van die persoonlijkheden kosmisch bewaard blijven in het superego, zullen die bestaande banden zich voortdurend kunnen hernieuwen en wel op het existentieniveau van het superego. Dus niet in de materie. Niet: in een vorig leven heb ik Jantje een boterham gegeven en nu heet hij Pietje en nu komt hij een broodje terugbrengen, maar doodgewoon: wat er is, blijft spelen. Dat betekent, dat in het grotere ik banden kunnen bestaan, die stoffelijk nimmer realiseerbaar zijn. En wat meer is: dat daardoor aanvulling kan ontstaan voor het ik, ook in de stof, van eigen persoonlijkheid en mogelijkheden, die zonder deze band eenvoudig onmogelijk zouden blijken.
Laat ik u een voorbeeld geven. Jan en Piet hebben in een heel ver verleden, toen de één nog Kaïn en de ander Abel was, bij wijze van spreken, een relatie gehad. Deze relatie heeft beide bewustwordingen beïnvloed en is als zodanig vastgelegd in het bewuste superego van beiden. Wanneer nu op dezelfde waarden wordt afgestemd na voor mijn part duizend incarnaties door Jan, dan zal Piet responderen. Piet zal dus niet onberoerd blijven en omgekeerd. Dat zal nooit kunnen worden uitgedrukt in stoffelijke dingen. Je kunt misschien zeggen: telepathisch contact of zo, maar dat is eigenlijk niet eens voldoende.

Het is zo, dat de één, alleen door de harmonische factor kan gaan optreden als een soort reagence, een middel tot zelf-reageren in de ander. Wanneer twee persoonlijkheden apart staan, een geleidelijke ontwikkeling hebben en er ontstaat een harmonisch effect, dan blijkt plotseling, dat één van die  beiden of beiden op dat moment gaan veranderen in mentaliteit, in instelling en dat ze innerlijke krachten op een andere wijze verwerken, zodat ze iets tot stand brengen, dat zonder die vroegere band nooit had bestaan.

Hiermede heb ik een aspect van leven aangesneden, dat niet verwaarloosd mag worden. Het is niet zo dat u van bepaalde personen kunt leren in stoffelijke zin. Maar wat u zelf leert en bereikt, zou u niet leren of bereiken, wanneer dat contact met die andere persoonlijkheid niet zou bestaan. Wij kunnen die delen in ons grote ik, waarin wij verbonden zijn met anderen, sneller en scherper in onze uitingen beseffen en verwezenlijken, wanneer die band hernieuwd ontstaat. Dat kan op elk niveau, het kan een breukdeel van een seconde zijn en het kan duizend jaar duren. Het hernieuwen van het contact is het enig belangrijke.

Nu is er nog één punt waarop ik nog de aandacht wil vestigen. Elk leven heeft een eigen ritme. U kunt zelf nagaan hoe uw energieke dagen en niet energieke dagen op elkaar volgen. Voor de meeste mensen hangt het wel een beetje van de maandcyclus af, maar een maandcyclus heeft nog nooit 36 dagen gehad en toch zijn er mensen de een achttiendaagse cyclus hebben. Dus, je hebt een eigen levensritme. Er zijn mensen die het meest actief zijn vroeg in de morgen, anderen midden op de dag en weer anderen op de avond en in de nacht. Ook dat geeft een bepaald ritme aan.

Laten we nu eens stellen dat dat ritme alleen maar een reflecteren in de materie is van iets wat in je innerlijk bestaat. Nu moet je niet zeggen: ik ga het veranderen, soms moet je wel. Wanneer wij werkelijk dit ritme bezitten, dan is dat een deel van onze persoonlijkheid. Dat ritme kan ook in het leven zelf tot uiting k0men. De ene mens heeft bv. een 7-jaren cyclus, anderen een 9-jaren cyclus en weer anderen een 5-jaren cyclus. Dat kun je allemaal in je leven terugvinden. Het geeft u geen bepaalde karakteristiek, het is gewoon het ritme van je leven.

Wanneer je het ritme van je leven erkent, dan weet je, dat er momenten zijn waarin een intens innerlijk contact met de hoogste kracht in jezelf mogelijk is. En wat doe je nu als je schommelt? Dan zet je op het hoogste punt altijd aan en daardoor kun je elke keer een beetje verder. Wanneer je dit ritme hebt gevonden, waardoor je a.h.w. meer één bent met de krachten, die je in jezelf erkent, dan moet je proberen om dat ritme vol te houden, hetzij meditatief, hetzij contemplatief of hoe dan ook. Maar houd dat ritme vol, omdat je dan voortdurend verder kunt doordringen in de lichtende krachten en zo meer open komt te staan voor de krachten, die zich door jou kunnen manifesteren.

Nu ben ik eigenlijk in een cirkel gegaan, want nu zit ik weer dicht bij het begin. Alle kracht kan zich door u uiten, het is alleen uw eigen besef dat daar een beperking aan geeft. Naarmate u meer kunt doordringen in die lichtende kracht, in dat hoogste deel van dat ik, zult u misschien daar minder redelijk over denken, maar u zult absorberen en u zult beseffen; u zult de waarde van dat grote ik of superego overbrengen in de materie en daardoor de eigen krachten, mogelijkheden en vermogens, die u in de materie bezit, in harmonie met uw totaliteit versneld verder ontwikkelen.

Wie esoterisch bewust wil worden en gebruik weet te maken van zijn eigen ritme, zijn eigen verbondenheid met alle kracht, die zal ontdekken dat je dan plotseling openbloeit. Want leven is een zich ontvouwen. Waar de mens eerst ternauwernood openstaat voor het leven, blijkt dan ineens een proces te ontstaan, waarin hij zich openvouwt tot het geheel van stoffelijke en geestelijke mogelijkheden, zoals die nu bestaan en die dan geactiveerd zijn.

Daarmede hebt u iets groots bereikt, want daarmee heeft u bereikt een omschrijving van de persoonlijkheid en wel de hoogste en meest omvattende omschrijving, die binnen deze vorm en projectie van bestaan mogelijk is, plus een aanvulling van een duister gebied in dat grote ik, waardoor uw gerichtheid zichzelf vervult en u in deze vervulling de vreugde kent van het werkelijk bereiken. Dat is dan een mystieke beleving.

Vragen

  • Vraag i.v.m. inspiraties

De inspiraties die wij ontvangen zullen altijd het resultaat zijn van verbindingen of waarden, die in het superego bestaan en die alleen hierdoor in ons normale bestaan tot  uiting kunnen komen, het voor ons op dit moment normale. Anders zegt u: er zijn er ook buiten. Maar u moet goed begrijpen, dat er krachten en entiteiten buiten dat superego zijn, maar de grens van hun mogelijkheden wordt gelegd door dit totale ik. En daarom moeten wij dat ik leren kennen en beseffen. Wij moeten harmonisch zijn met dat ik. We moeten het ritme volgen, dat dat ik ons geeft, 0mdat daarmede en daardoor al die contacten mogelijk zijn.

Maar we kunnen niet zeggen: er is een geest. Die komt mij even dit of dat vertellen, tenzij er een band bestaat tussen die geest en het ik, het werkelijke volledige ik, dat ik op dit moment representeer in een geestelijke wereld of in de stof. Wanneer wij denken dat het de geest is die ons zonder meer bereiken kan, dan moeten wij ook aannemen dat elke geest dat kan. En dan kunnen wij ook zeggen: Dan kan die geest van alles doen.

Maar wanneer wij beseffen dat wij zelf a.h.w. in dit grotere ik een filter vormen, waardoor bepaald wordt welke krachten en energieën ons kunnen bereiken en welke niet, dan staan wij veel zekerder. Ook tegenover die z.g. geestelijke contacten en wij staan minder slaafs, omdat wij begrijpen, dat het niet een grote wijsheid of macht van buiten alleen is die ons benadert, maar dat het alleen een wijsheid of kracht buiten ons is, die weerklank vindt in de werkelijkheid van ons wezen, zodat wij er niet tegenop hoeven te kijken, niet slaafs daaraan hoeven te gehoorzamen, maar het a.h.w. in ons wezen kunnen opnemen en zeggen: zo ben ik zelf en zo denk ik er zelf over. Dit is de resultante.

  • Hoe komt dat filter in dat hogere ik?

Als ik een snaar span, dan zal hij op bepaalde tonen gaan meetrillen en op andere niet. En hoe komt dat? Door de kwaliteit van die ene snaar. Het ik is begonnen als die snaar, als een stukje koperdraad. En net als dat stukje koperdraad is het gespannen, eventueel omsponnen, afgestemd en daardoor wordt bepaald waar het kan meetrillen en waar niet. En dat is het filter. Het is een eigenschap die voortvloeit uit het geheel van de ontwikkeling van het grote ik.

  • Het grote ik is dus bewust van zichzelf?

Dat hoeft niet. Het is erg eenvoudig.

  • Over persoonlijkheid. Als ik zeg dat het superego een amoebe is, dan is wat u nu denkt te zijn niets anders dan een pseudopode, die tijdelijk is uitgesteld voor een bepaalde functie. Toch is het mogelijk dat bewustzijn in die pseudopode te trekken. Maar hoe doe je dat?

Dat is de fout die men maakt. Het is niet mogelijk om dat bewustzijn daarin te trekken, omdat wanneer de amoebe de pseudopode functioneel wil gebruiken, ze haar in een bepaalde gestalte, een bepaalde vorm, in een bepaalde omvang moet laten. Ze kan haar gehele wezen zo verplaatsen, dat het plasma als geheel de plaats van de pseudopode inneemt. Maar daarmede is de functionaliteit ervan teniet gedaan. Wanneer de functie niet meer nodig is, is het besef volledig. Wanneer u innerlijk een resonans hebt met wat gebracht wordt, dan toont dat iets aan, wat in het totale ik a.h.w. gewekt kan worden om ook werkzaam te zijn in deze pseudopode, die stofmens heet.

Gastspreker: Visie op “leven”.

Vergeef mij, dat ik eerst probeer in te spelen. Toen ze mij hebben gevraagd om voor u te spreken, heb ik mij afgevraagd: wat kun je nu eigenlijk vertellen aan mensen, die helemaal in de christelijke wereld zijn opgegroeid? Aan mensen, die veelal het leven heel anders bezien dan ik in mijn laatste incarnatie heb gedaan. En toch hebben we iets gemeen wanneer wij in de stof leven. Ja, zelfs wanneer wij ooit in de stof geleefd hebben. Want de kern van alles is het bestaan op aarde. De worsteling die je hebt met het leven. De poging om meer te lijken dan je bent. De poging om ondanks alle regels en wetten iets meer te krijgen dan je toekomt. Daarom heb ik dit aangenomen en heb getracht een paar denkbeelden te vinden die, naar ik meen, voor ons allen passen.

Als je leeft dan is het: “Hef de roemer! Kus, lach, want de nacht zonder einde is nabij.” Het leven is een voortdurende strijd tegen de dood. En altijd weer geloven wij, dat er na die dood iets k0men zal dat dan wel goed is. Maar ik heb heel wat mensen gekend die geloofden in het paradijs, tot de zevende hemel toe en toch geen haast hadden om daar te komen.

Wat is eigenlijk de zin van die strijd tegen de dood? Het is de angst voor het onbekende. En wat is het onbekende? Het grootste deel van onszelf, waarbij wij dan doen alsof het niet bestaat. Een westerling heeft eens gezegd: “Hij die geboren is, begint te sterven.” Zo gezien was het voor mij althans geen onaangenaam proces. Maar leven en sterven zijn een eenheid. Niet omdat nu eenmaal de dood volgt op de geboorte, maar eerder omdat in ons leven en dood verwrongen en vervlochten zijn tot een eenheid, gesmeed en hersmeed als een Damascener kling. En dan hebben we het geciseleerd met onze gedachten en idealen, met onze dromen. Dat is het zwaard van het leven.

Leven is macht. Zeker. Maar leven is ook een keten die je met je draagt. Leven is de glimlach in de nacht, wanneer de maan helder is, blauwe schaduwen tekent en een fluit in de verte van liefde zingt. Maar leven is ook: voortgaan in de felle dag. Gedreven door nood, behoefte, angst en dorstig, zonder water. Leven is de strijd en leven is de rust, wanneer vrienden samen roken en spreken over wat hen beweegt. De kracht van het leven is meer. Zeg, dat het een noodlot is. Zeg, dat het een God is. Zeg wat je wilt, maar het leven is meer. Meer dan de strijd en de honger, de dorst. Het is meer dan de nacht, de vreugde en de ontspanning.

Het leven is een spel van krachten. Wanneer je kijkt naar een fontein die beroerd wordt door de zon, dan zie je in de fijne druppels een band van kleur zich aftekenen. Dan kun je zeggen: die band is er niet echt. Wanneer je het water wegdraait, is het er niet meer. Als de zon weg is, dan valt het weg. Toch vraag ik mij niet af of die kleuren onecht zijn. Ik weet dat ze bestaan. Vele kleuren. Brekend licht, akkoord. Maar ook vele kleuren die kenbaar worden. Een wet die zichzelf openbaart. Het speelse water van een fontein, die een ogenblik flirt met een zonnestraal. Dat is eigenlijk leven.

Leven is de ontmoeting van de materie en een straal van het zonnige licht dat werkelijkheid heet. Wat wij zien aan verschijnselen is de openbaring van de wet, die ligt in de zon en de materie. Wanneer je beide wegneemt, blijft de wet bestaan. Indien één van beide weg is, de wet is niet geopenbaard. Komen beiden samen, dan is de wet leesbaar geworden. En het is in de wet dat wij erkennen wat wij zijn.

Is er een wet die alles omschrijft? Ik  heb er lang over nagedacht toen ik op aarde was en de filosofie gebruikte als een afleiding voor mijn schuldbewustzijn. Ik heb getracht er in te leven en ermee te leven tot ik andere werelden bereikte. Ik zeg: er is een wet. Het is een wet, die wij op duizend verschillende wijzen kunnen lezen. Maar wanneer wij zeggen: deze kleur is de wet, dan zijn wij dwazen. De werkelijke wet is het licht zelf en wanneer wij het lezen, is het ontbonden in wetten. De wetten die wij van het leven kennen zijn niets anders dan het verschijnsel van de kracht van leven.

Ik heb eens, pogende om mijn schijnbare zonden af te kopen, in weldadigheid een aalmoes gegeven aan een blinde bedelaar. En ik heb hem gevraagd: “Kun je beter zien met goud?” Zijn antwoord was: “Heer, ik zie meer dan u; omdat ik mijn ogen niet gebruik. Maar het goud stelt mij in staat om zo te blijven zien.” Ik heb hem nog een munt gegeven.

Wij zijn gel00f ik als die blinde. Wij zijn blind voor vele dingen in het leven. Voor vele dingen die onszelf betreffen. We zien niet, toch zien wij in onszelf. Ik vraag mij af wat een blinde ziet als hij ergens de schellen hoort van een karavaan. De stemmen van vreemden of misschien het geluid van een derwisj, die op zijn trommel slaat en met spreuken en wat danspassen probeert de aalmoezen te verkrijgen die hij nodig heeft. Wat ziet een blinde? De blinde kan niet anders zien dan de droombeelden die er in hem bestaan. Hij geeft een stem een gelaat. Hij geeft de karavaan gestalte ofschoon hij slechts de klokjes hoort.

Wij zijn als blinden tegenover het leven. Er komt altijd wel iemand die ons, bedelaars van de oneindigheid, een munt geeft in de vorm van wat kracht, een nieuw begrip. Zo leven wij. Maar wat wij horen, geven wij gestalte in onszelf.

Wij dansen met een geraamte en denken dat het een schoonheid is. We denken dat wij gaan langs een vuur, dat warmte geeft en het is een brand die veel vernietigt. Maar er zijn dingen die wij altijd weer erkennen. Wanneer een blinde door de soeks gaat en hij komt op een plaats waar de z0n even door de zeilen die nauwe krocht doordringt – of moet ik zeggen matten – dan weet hij: dat is de zon.

Zo zijn wij. We leven. Maar eigenlijk weten we niet goed hoe wij leven. Wat wij leven en wat wij zijn. We dromen onze dromen en wij zien onze wereld zoals wij ze willen zien. Maar dan beroert ons even het werkelijke licht. De zon. De kracht van het leven. En dan weten wij dat de zon er is. Het is een dooltocht. Een dooltocht in een vreemde stad, geleid door wat geluiden, zonder te zien wat werkelijk is. Maar gelijktijdig is het ook het verliezen van je blindheid. Want dat is de wet. De wet die zegt dat daar, waar het licht samentreft met de materie, er wetten geopenbaard zijn, dat in de openbaring iets ontstaat dat niet meer afhankelijk is van het samentreffen.

Ik weet weinig en veel. Weinig voor één die werkelijkheid kent. Veel voor de blinde die nog niet zien kan. Daarom heb ik mij afgevraagd: wat is leven? Leven is de vreugde van een dans, gestoord door het wegvallen van de lamp. Leven moet vreugde zijn, want hij die vreugdig is, aarzelt niet wanneer het licht gedoofd wordt. In hem leeft de vreugde voort. Het leven is een blijheid, die je niet mag verliezen.

Leven. Weet u wat leven is? Leven is samenzitten als de dag warm is geweest en de eerste koelte komt door de nacht. Het is zitten en stil zijn en genieten van je bestaan. Dat is werkelijk leven. Al het andere is alleen maar nodig om dat leven te vinden. Zeg niet dat uw wereld dat niet mogelijk maakt. In u is ook steeds weer een hunkering. Steeds is er weer een ogenblik dat je stil kunt zijn. Steeds is er een ogenblik dat je vreugdig kunt zijn. Maar je moet niet te veel vragen.

Wanneer de bedelaar eist dat hij op de troon zal worden verheven, verliest hij zijn hoofd. Wanneer de man die roeit in het schip eist, dat hij kapitein van een vloot zal worden, spreekt hij van van eigen ondergang. Eis niet meer dan je bent, maar vind de vreugde in wat je bent. En dan k0mt het ogenblik dat het leven zegt: hier is de nacht. Sluimer. Slaap in. Dan komt die sluipende kilte, die wordt tot een benauwdheid en dood heet. Lach dan om de dood. Want de nevel trekt weer op. De dag is koel. Het lijkt wel of de dauw als honing over de velden ligt. Dansend zijn de ritmen. Sterk de karavanen die trekken. De witte steden zijn als uit zilver gehamerd. Het hart proeft de vreugde. De dood is: herboren worden naar leven en meer dan dat. Dood is het besef van leven. Het is moeilijk te spreken met mensen die dromen van werelden, geordend, statig opeengestapeld tot een hemels verblijf met rustplaatsen voor de uitverkorenen en misschien de oordeelsweg over het zwaard dat ligt boven djenna, de hel.

Dood is leven en leven is dood. Er is alleen maar de openbaring van de wet. In onszelf vinden wij steeds meer wetten. Steeds meer gedachten, steeds meer kracht. In onszelf smelten we de kleuren samen en wij vinden het licht. Het licht dat is één woord. Een wet of alleen maar een echo van het oneindige, dat spreekt tegen de verwarring van de tijd. Lach, want het is dag. Lach om de vogel die zingt, verheug je over de zon die schijnt. Drink de volle waarden van het leven in. Geniet de weelde die er is in het leven en draag de lasten die je dragen moet in het leven. Want zo is de dood van het leven.

Wordt bevrijd van de lasten die je draagt, zie de schoonheid niet gebonden, zie de lach niet beperkt; één zee van vurige vreugde, van lichtende krachten, van vormen die versmelten, het schijnbeeld dat soms aan de hemel staat en die samen alleen maar zijn: een vreugde zo groot dat er geen woorden voor zijn. Kijk dan in je zelf. Kijk, arme blinde, naar de dromen die je werkelijkheid hebt genoemd. Kijk dromer, naar dat waaraan je voorbij bent gegaan. Besef hoe de dingen samen zijn en samenhoren en verbonden zijn, en leef. Want dat leven is de werkelijkheid van de dood.

Maar hoe moet ik u iets duidelijk maken dat u vandaag kunt gebruiken? Gelooft u aan kracht? Geloof dan aan uzelf als kracht. Wees niet bang. De dingen gaan anders dan je denkt. Schijnbaar grijpt het noodlot toe, maar je bent kracht en die kracht is juist. Die kracht is werkelijk. Zeg niet: kan ik doen? Maar zeg: ik doe. Zeg niet: is het waar? Maar zeg: is het leefbaar in mij? Voor mij? Leef het dan.

U denkt misschien: veel heb ik bereikt. Kijk niet naar wat je hebt, maar wat je nu kunt zijn. Dat is leven. U heb een oordeel over uzelf misschien. Denk er niet aan. De  kosmos oordeelt je wel. Vraag: wat kan ik geven? Wat kan ik ontvangen? Wat kan ik zien? Wees niet blind voor jezelf. Kracht. Licht. Die hebt u allemaal.

Wanneer ik spreek, spreek ik over dat wat u hebt. Niet over iets wat ik heb en u nog niet. Ik spreek over het leven. Ik spreek over de glans en de gloed die in u is. Ik spreek over de bloemen van licht die bloeien op uw lichaam, al beseft u ze niet. Ik spreek over de banden en stralen die van u uitgaan. De regenboog van wetten en feiten die is de kracht zelf, gebroken door het besef. Maar eens kerende tot zichzelf

Ik zei eens tegen iemand: “Je kunt meer.” Toen zei hij: “Ja heer.” En hij dacht waarschijnlijk: je kunt me nog meer vertellen. Ik neem het u niet kwalijk wanneer u zo zou denken .

Wilt u klein blijven, ga dan uw eigen wegen. Het leven speelt verder. Geniet van de flonkering in de fontein en vergeet het. Of besef de kracht en het licht dat je zelf hebt. Laat die straal eenvoudig uitgaan van jezelf. Besef de lichtende bloemen van geestelijk vermogen die bloeien, onzichtbaar in uw uitstraling. En leef de kracht. Leef zonder dood. Niet zonder sterven, maar zonder dood. Neem de schellen van je ogen, wees niet blind. Zie een wereld van licht, een wereld van werkelijkheid. Je leeft niet anders, maar je leeft zonder angst. Je leeft niet beter, maar je leeft bewuster als deel van al wat er bestaat.

En vind jezelf niet zo gewichtig. Ik heb het moeten leren mijzelf niet gewichtig te vinden. U zult het moeten leren. Niets ben je buiten de kracht die in je leeft. Schijn is al wat je zegt: dit heb ik gewrocht. Werkelijkheid is de kracht die door je werkt. Werkelijkheid is de kracht die je bent. De kracht die uit je straalt. De kracht die in je is. Dat is werkelijk. Dat is leven. Het andere is het beeld van een blinde, die uit de geluiden een wereld opbouwt die niet echt bestaat.

Beklaag jezelf niet. Hebt u het moeilijk gehad? Ging het niet zoals u had gedacht? Hebt u misgegrepen? U vergist? Fouten gemaakt? Vergeet het. Vandaag schijnt de zon. Vandaag verft het licht de wereld met glanzen van goud en zilver. Vergeet het vuil, vergeet al die andere dingen. Drink die kracht en je zult zien. Je beseft opeens meer. Je zult zien. De vormen worden duidelijker. Je weg wordt beter erkend en je doel is plotseling zichtbaar.

Dat is de enige gave die ik u hier kan geven. Het licht dat ik ben, het licht dat u bent, de werkelijkheid die wij zijn. De ene wet waaruit alles voortkomt. Dat is al wat ik u kan geven waaraan u wat hebt. Troosten wil ik u niet. Troost hebt u niet nodig. Prijzen wil ik u niet. Dat is onbelangrijk. Roemen zal ik u niet en ook niet vernederen. Het heeft geen zin.

Ik geef u die ene werkelijkheid: Vandaag schijnt de zon. Er is licht. Het licht in, van, door ons allen. Aanvaard dat licht en laat dat werken. En glimlach dan eens naar elkaar en verheug je er over, dat je leeft omdat de dood niet werkelijk bestaat.

image_pdf