Wat is werkelijkheid?

SVGZ  – 18 september 1964

Op het eerste gezicht misschien een vreemde vraag. U zult zeggen: wij zijn werkelijk, de zon, de maan, de sterren zijn werkelijk. Misschien voegt u daar nog enkele abstracties aan toe, waarvan u het bestaan niet kunt bewijzen door te zeggen: God is werkelijk, de geest is werkelijk enz. Maar hoeveel van wat wij in de stof – en misschien ook in de geest – zien als werkelijkheid, berust uiteindelijk op onze persoonlijke benadering van het leven en van de fenomenen. Wij gaan uit van regels. Dit is m.i. haast inherent aan het menselijk denken.

Wanneer je op aarde geboren wordt, ben je misschien nog een vrijbuiter, je hebt misschien nog herinneringen aan de sferen in je. Als je op aarde begint, wil je alles aanvaarden. Maar de wereld wil jou niet geheel aanvaarden, wil jouw beeld van de werkelijkheid niet geheel aanvaarden. Naarmate je meer in staat bent om je eigen persoonlijkheid kenbaar te maken, zal de omgeving steeds meer van die persoonlijke werkelijkheid verwerpen. Een kind zegt bv.: ik zag een kabouter. De ouders reageren met een: “kabouters bestaan alleen in sprookjes, nu moet je niet fantaseren”. Toch zou dit kind wel degelijk iets gezien kunnen hebben, dat op een kabouter leek. Het kind zegt: “ik heb in de tuin met een meisje gespeeld, niemand anders kan haar zien, maar het was toch zo lief, het zag er zo en zo uit.” Is dit meisje nu werkelijk, zoals de ouderen aannemen, alleen maar een fantasiegestalte? Of heeft het kind misschien iets waargenomen, wat op een ander vlak ligt, zoals een geest bijvoorbeeld?

Met dergelijke voorbeelden kunnen wij desnoods nog wel even doorgaan. Op deze manier begint men dus reeds tegen het kind te zeggen: dít is werkelijkheid, maar dát niet. Ook lichamelijk beïnvloedt de werkelijkheid van de ouderen het kind: vele kinderen worden ambidextrous geboren. Het kan dus beide handen gelijkelijk gebruiken. Wanneer het kind echter rond 8 jaar oud is, is het reeds uitgesproken rechtshandig. Slechts enkelen blijven links de voorkeur geven, wat in de meeste gevallen een gevolg is van geboorte en erfelijkheid. De meeste mensen worden echter eenzijdig ontwikkeld. Hier zou men kunnen zeggen, dat de werkelijkheid dus niet is, dat men met de rechterhand inderdaad beter kan werken dan met de linkerhand, maar dat men eenvoudig alleen maar leert met de rechter de voornaamste taken te volbrengen, terwijl de linkerhand veel minder oefening krijgt.

Wanneer wij deze vergelijking van mogelijk en aanvaarde praktijk eens verder voortzetten, wordt het m.i. een zeer moeilijke zaak om te bewijzen, dat alles nu ook inderdaad – volgens wezen en natuur – zo is, als men het voorstelt.

Onvoldoende mogelijkheid tot vergelijking van eigen indrukken met die van anderen speelt bij de vervalsing van de werkelijkheid eveneens een rol. Ik geef u een voorbeeld.

Er is een bepaalde kleur rood. Iedereen spreekt hier van rood. Maar ziet ook iedereen werkelijk hetzelfde? Met kleurproeven kan men bewijzen, dat er in kleurperceptie zeer grote verschillen onder de mensen bestaan. Dit betekent o.m., dat bv. een zonsopgang of ondergang voor de één een geheel andere waarde heeft, emotioneel en zintuiglijk feitelijk, dan voor een ander. Toch spreekt men er over, of de ervaring en mogelijkheid voor eenieder dezelfde zou zijn.

Bij de mensheid bestaat een neiging tot normalisatie, niet slechts van ervaringen en de uitdrukking daarvoor, maar ook van kennis. Wanneer een kind komt met een vraag, waarmee de groteren geen raad weten, dan luidt het antwoord vaak: daarvoor ben je nog te klein. Wanneer het kind daarop komt met een eigen inzicht en oplossing, zal de reactie in 1 van de 10 gevallen zijn: “Kind, je bent nog veel te klein om daarvan iets af te weten. Zo is het in ieder geval niet. Later, wanneer je groot genoeg bent, zal ik je wel eens vertellen, hoe het dan wel is.” Toch kan het kind wel degelijk iets gezien of ontdekt hebben, wat feitelijk waar is. Maar de oudere wil niet in zijn gezag en zekerheid worden aangetast.

In de historie ontmoeten wij dergelijke voorbeelden. Iemand stelt dat de wereld draait. Maar hij moet het terugnemen. Dit is niet aanvaardbaar. De wereld is plat, zij is het middelpunt van het Al. Zij staat stil en alle andere hemellichamen bewegen rond haar. Later heeft men ontdekt, dat de eerste stelling de juiste was. Overigens had men dit reeds duizend jaren eerder al gesteld. De mensen van die tijd konden dit denkbeeld eenvoudig niet aanvaarden. Zij meenden, dat een dergelijk beeld hun godsdienst en maatschappij in de war zou gooien, dat het hun persoonlijke zekerheid aan zou tasten. Iets zit daar overigens wel in: wanneer je een mens in een labyrint zet, zo heeft hij verstand genoeg om zich een uitweg te zoeken. Voorzie echter nu dit labyrint van zonder enige regelmaat optredende veranderingen, dichtslaande kleppen enz. Dan zal deze mens na enige tijd waanzinnig worden. Waarom? Om de doodeenvoudige reden, dat elke regel en regelmaat in zijn milieu ontbreekt, zodat hij geen houvast meer weet te vinden voor zijn redelijk denken. Zijn reactie is daarop op den duur om alle reden en zelfs ook alle feiten te verwerpen.

U vraagt zich nu waarschijnlijk af, wat dit alles te maken heeft met deze tijd, met geestelijk werk. Laat ons daarom maar beginnen bij het begin: stellingen, denkbeelden, leringen, verklaringen zijn nog niet zonder meer deel van de werkelijkheid. Men zegt: er is een God. Deze God woont in de hemel. Deze God is almachtig, algoed, alomtegenwoordig enz. Met hetzelfde recht en op grond van even goede rationalisaties kan ik echter stellen, dat er geen God en geen hemel is. Of, er is wel een kracht, maar deze beantwoordt niet aan die God van jullie. Deze kracht is niet algoed en niet op de wijze, waarop jullie dit zien alomtegenwoordig als persoonlijkheid. Let wel, dit is niet mijn stelling, maar ik kan het gegeven aanvaardbaar maken. Wanneer ik dit doe, zal men mij aanvallen. Niet omdat ik deze stellingen poneer, of God laster – al neemt men die schijn aan – maar omdat ik waarden, waarop de mens zijn bestaan heeft gebouwd, aantast.

Zeg ik: deze maatschappij deugt niet, dan geeft eenieder mij wel enigszins gelijk. Stel ik, dat de fouten van de maatschappij op bepaalde punten liggen, zo zal men mij misschien ook nog wel gelijk geven of vrijheid van mening toestaan. Op het ogenblik echter, dat ik mijn stellingen in de praktijk om wil zetten, ben ik echter voor de meeste mensen hun grootste vijand. Waarom? Omdat zij op deze andere, volgens mij betere wijze, niet zouden kunnen leven. O, zij zouden zo misschien zelfs beter en prettiger kunnen leven, maar men durft het eenvoudig niet aan. Want wanneer het gekende maatschappelijk bestel valt, is voor velen alle zekerheid weg.

Er zijn in de loop der tijden op aarde voldoende proeven genomen, om zelfs stoffelijk een beeld te kunnen verkrijgen van alles, wat er gebeurt wanneer vaste regels en achtergronden bij de mens gaan ontbreken. Men heeft o.m. proeven genomen met marmotten, ratten en apen. Deze dieren bezitten een zekere mate van intelligentie. Wanneer je hen aan een onredelijke, voor hen niet te begrijpen reeks van hinderpalen onderwerpt, die in hun eigen levensdrift of belang ingrijpen, steeds maar weer, zodat elke vaste stelling ontbreekt, worden zij waanzinnig, onredelijk agressief, of stellen daden die in wezen zelfmoord betekenen. Bij deze proeven wijzigde men steeds het milieu.

Waar zo-even nog een bodem van glas was, is nu opeens een diepte. Het dier loopt door droge grond, keert zich om, om terug te gaan en moet ontdekken dat het water is geworden. Klappen slaan toe, zodat gangen verdwijnen en andere te voorschijn komen. De dieren blijken alle pogen op te geven, krankzinnig te worden enz. De mens, die meer dan het dier gebonden is aan de beelden die bestaan in zijn verstand en dus ook meer gebonden blijkt te zijn aan het in hem bestaande concept van de werkelijkheid, blijkt op dit terrein nog veel kwetsbaarder en door het onverwachte en onverklaarbare nog veel eerder aangetast te worden.

Dit werpt een interessant licht op de vraag: wat is nu de werkelijkheid?

In ieder geval is het zeker niet datgene, wat de mensen er van maken. De werkelijkheid is in wezen iets, wat door de mens niet geheel gedefinieerd kan worden, al ware het alleen, omdat hij niet alle verschijnselen en mogelijkheden durft aanvaarden en definiëren.

Mensen grijpen bij alles, ook bij ontdekking of beschouwing van het nieuwe, graag terug op alles, waarvan zij weten, dat het er reeds is en reeds door anderen als juist erkend is. Alle menselijk denken, wetenschap, filosofie en zelfs esoterie, zo goed als wetenschap, worden door de mensen opgebouwd aan de hand van vroegere stellingen, reeds eerder bewezen feiten, gebruiken enz. Kortom, men gaat steeds uit van wat reeds bestaat. De mens breidt zowel voortdurend het wereldbeeld uit, dat hij heeft, maar is kennelijk niet in staat daarbij opeens een geheel nieuw punt te verwerken. Treedt het toch op, dan wordt het gerationaliseerd, verdraaid, ontkend, tot het resterende van de niet te ontkennen feiten ingeperkt kan worden binnen het reeds bestaande.

Een wetenschapsmens blijkt bv. een zeer eenzijdige fantasie te bezitten. De mensen van de wetenschap zullen hier onmiddellijk tegen protesteren door op te merken, dat zij dan toch maar vele dingen hebben uitgevonden, vele nieuwe dingen en begrippen hebben ontwikkeld. Het antwoord, dat ik daarop kan geven, vinden zij beledigend, niet aangenaam enz., al is het nog zo eenvoudig. Dit antwoord zal dan luiden: Inderdaad, vrienden, uw intellect kan vaak zeer groot zijn en zal zelfs vaak een zeer uitgebreid gebied van menselijke kennis en verschijnselen kunnen omvatten. Maar het is net een waaier: het punt van uitgang, het punt, waar alles om draait, is steeds weer, dat, wat u geleerd hebt, de stellingen die anderen reeds poneerden, en niet alleen alles, wat u zelf ervaren of onderzocht hebt. U breidt inderdaad uw concept van de wereld én begrip voor de wereld steeds meer uit. U slaat de waaier open, tot zij bijna geheel uw wereld omvat. Wat u echter niet wenst te doen, niet schijnt te kunnen doen, is de orthodoxe wegen van kennis en onderzoek verlaten om een geheel nieuw punt van uitgang te zoeken. Degenen, die dit wel trachten te doen, worden door u als oplichters, onwetenschappelijke denkers, fantasten, beunhazen een dergelijke afgewezen. Hierdoor gaat u aan vele aspecten van leven en wereld voorbij, die toch wel degelijk aanwezig zijn. Daarom weigeren velen van u proeven te nemen, die toch uiteindelijk wel degelijk resultaten zouden kunnen afwerpen. Daarom weigert u mogelijkheden in overweging te nemen die niet geheel schijnen te stroken met uw denkrichting, zelfs indien daarin vele nieuwe en grote mogelijkheden voor u en de mensheid schuil zouden gaan.

Ik hoop, met het voorgaande voldoende te hebben aangetoond, dat het begrip werkelijkheid, zoals de mens dit hanteert, in wezen uitermate subjectief is, voortvloeit uit zijn gemeenschapsbeleving en niet noodzakelijkerwijze hoeft overeen te stemmen met de werkelijke feiten en mogelijkheden van zijn wereld, van de werkelijkheid waarin hij in wezen toch bestaat.

Ik kom nu aan het tweede deel van mijn betoog, waarbij wij uitgaan van een geheel ander standpunt: Wanneer de wereld van de mens, de vermogens van de mens en de levenskracht zowel als het waarnemingsvermogen van de mens en vele andere in zijn leven van het hoogste belang zijnde waarden in feite grotendeels bepaald worden door het menselijke bewustzijn en vanuit dit bewustzijn beïnvloedbaar zijn, zo moet ook worden aangenomen, dat een wijziging in het bewustzijn niet slechts een subjectieve, maar wel degelijk ook een objectieve waarde zal bezitten en o.m. een waarnemen van altijd aanwezige, maar tot dan toe voor de mens niet kenbare fenomenen zal betekenen.

Voorbeeld: Iemand is krankzinnig. Het is daarbij niet belangrijk, of wij spreken over een vorm van paranoia, een schizoïde achtervolgingswaan, of een andere beeld van ziekte. De lijders ondergaan en zien voortdurend dingen, die er niet zijn. De gezonde mens kan in bepaalde gevallen de verschijnselen en ervaringen van de zieke imiteren door het nemen van bepaalde giffen. Denk hierbij aan de proeven met extract van moederkoren. Is nu, hetgeen men in deze toestand ziet en beleeft, deel van de realiteit of niet?

Vanuit menselijk standpunt zal men onmiddellijk zeggen, dat hier alleen maar sprake is van waanbeelden. Maar met evenveel recht kan men stellen, dat dit werkingen en beelden zijn, die normalerwijze bestaan en dus deel uitmaken van de werkelijkheid, maar door de normmens eenvoudig niet worden gekend, zodat de kennis, de referentiemogelijkheid ontbreekt, waardoor men zich te midden van deze verschijnselen zou kunnen oriënteren. Angst e.d. zouden dan voortkomen uit het beleven van een onredelijk labyrint- zie voorgaand deel van het betoog. De erkenningen, die optreden bij het gebruik van al dan niet ritueel gebruikte middelen als peyote, hasjiesj, doet de mensen eveneens binnentreden in een soort andere wereld. Nu kan men wel stellen, dat deze wereld niet reëel is en met de realiteit alleen door de fantasie en onderbewustzijn gebonden blijft, maar welk bewijs kan men hiervoor objectief aanvoeren? Geen enkel.

Toch kennen de mensen een bewijs voor het niet reëel zijn van dit alles. Er is – zo stelt men – nog nooit iets, wat in een dergelijke toestand werd beleefd, later ook kenbaar waar geworden. Over de juistheid van deze verklaring valt overigens te strijden, denk aan voorspellingen, gedaan onder invloed van verdovende middelen. Ik laat dit echter terzijde en vraag: wanneer mensen een demon ontmoeten in deze omstandigheden, en als gevolg hiervan toch werkelijk sterven, is dit dan werkelijk? Men antwoordt dan: de dood wel. Maar al het andere is niet reëel en speelt zich alleen in het innerlijk van de mens af. Wat mij in de verleiding brengt te vragen: wanneer de dood reëel is, waarom dan de oorzaak daarvan niet?

Ik zou dan nu ook een stelling willen gaan ontwikkelen, die in de oren van velen wel erg rebels moet klinken: datgene, wat men in zichzelf denkt en werkelijk gelooft, is – ook wat de gevolgen in de met anderen gedeelde werkelijkheid betreft – waar.

Misschien lijkt u deze stelling zeer eenvoudig, zij heeft echter verstrekkende consequenties. Er zijn onder u veel mensen, die zeggen, dat zij toch wel graag nu zelf eens de geest zouden willen zien. Maar innerlijk geloven zij niet, dat zij dit kunnen. Zij zouden wel willen, maar achten het diep in zichzelf onmogelijk. D.w.z., dat het voor hen inderdaad onmogelijk is, daar zij, door hun innerlijke gevoelens en benadering, zichzelf eenvoudigweg beletten een waarneming te doen.

Anderen stellen: ik zou mijn medemensen graag willen kunnen genezen, maar ik kan het nu eenmaal niet. Waarom niet? Omdat zij er in wezen niet in geloven. Zieken stellen: ik zou best door de geest – of door God, een heilige enz. – genezen willen worden. Tja, als dat nu eens mogelijk was, als dit nu eens waar kon zijn. Maar eigenlijk geloven zij in deze mogelijkheid niet. Hun onderbewustzijn verwerpt een onredelijk ingrijpen in hun leven, hun persoonlijk bestaan. En dus gebeurt, het ook niet.

Dit confronteert ons met een eigenaardig feit: een groot deel van de christelijke wereld gelooft werkelijk, dat Jezus in staat was om doden op te wekken, melaatsheid onmiddellijk en ter plaatste te genezen – een ziekte, waaraan men in het beginstadium tegenwoordig wel veel kan doen, maar welke toch met alle moderne middelen zeker niet een, twee, drie weggenomen kan worden – en vele soortgelijke wonderen. Men neemt aan dat dit werkelijk is gebeurd, dat Jezus dit kon.

Wanneer ik echter zou stellen, dat deze wijze van genezen dus een werkelijkheid moet zijn, een mogelijkheid, die ook nu nog bestaat, dat het exclusief verbinden van deze mogelijkheid aan de persoon van Jezus alleen maar een rationalisatie is, wordt men boos. Zeker, wanneer ik stel, dat er een proces en een gebruik van krachten bestaat dat volkomen menselijk moet zijn, maar dat Jezus wel kende, terwijl de kennis daarvan nu ontbreekt.

Uit deze en soortgelijke verwerpingen van mogelijkheden voor het Ik, terwijl men deze wel voor anderen wil erkennen, of bij anderen normaal acht, blijkt iets, wat ik een gebrek aan fantasie zou willen noemen, een gebrek aan een voldoende intens voorstellingsvermogen en geloof, dat de mens hierdoor belemmerd wordt in zijn mogelijkheden, en bepaalde krachten eenvoudig geen deel kan of wenst te maken van zijn “werkelijkheid”.

Zeg nu niet, dat dit alles niet meer kan, dat de redelijkheid van deze dagen eenvoudigweg deze oude “wonderen” uitsluit. Ik denk aan de werkelijk grote ontdekkers van uw wetenschap. James Watt zat naar een ketel kokend water te kijken. Ik meen tenminste, dat hij het was, die de stoomkracht het eerste ontdekte. Archimedes zat in het bad, slipte misschien wel over een stukje zeep en realiseerde zich opeens de tegendruk, die hij ondervond door het water, een vermindering van zijn gewicht, die het hem mogelijk maakte deze tegendruk juist te omschrijven en te kennen. Stoomkracht, tegendruk van water en vele andere ontdekkingen bestonden wel degelijk, vóór zij ontdekt werden. Maar de mens zag ze eenvoudig niet en kon er dus ook geen bewust gebruik van maken.

De ontdekkers komen tot hun erkenning eigenlijk door een toeval, niet als gevolg van laboratoriumonderzoek of een voortdurend streven, maar komen tot hun erkenning door een openstaan voor feiten, waaraan zij normalerwijze voorbij zouden gaan. Hierin vinden zij eerst de idee, maar tevens ook het vermogen, door het bewust verdergaan op de plotselinge realisatie, het erkende om te zetten in een bruikbare en voor alle mensen bestaande werkelijkheid. Wanneer een mens een verschijnsel eenmaal kan demonstreren, blijken de anderen niet onmiddellijk de feiten te erkennen, maar eerder voor de vraag te staan, of zij het gevondene wel als waar en werkelijk kunnen aanvaarden.

Zolang het een mechanische kwestie is, iets, wat buiten het Ik ligt, zal de mens over het algemeen het nieuwe gaarne accepteren. Zodra het processen betreft, die zich binnen hemzelf zouden moeten voltrekken, stelt hij onmiddellijk: maar dat kan ik toch niet? Want nu is er een persoonlijke aansprakelijkheid aan verbonden, die moeilijk aanvaardbaar blijkt.

Een stoommachine kun je eenvoudig bouwen. Wanneer de constructie niet voldoet, is het een fout in de opzet, of nog liever in materieel e.d. Wanneer de mens in zich weet en met krachten moet omgaan, die alleen in hemzelf gewekt en gebruikt kunnen worden, moet hij bij een falen zichzelf alleen de schuld geven en zo zijn vertrouwen in eigen grootheid beschamen. De mens zal daarom alle werkingen, die binnen het Ik moeten optreden en door hemzelf beheerst en gewekt moeten worden, met wantrouwen bezien en bij voorkeur verwerpen. Want hierdoor wordt zijn zekerheid van leven en denken aangetast.

Stel, dat het menselijk denken in staat is een – hoe onbelangrijk ook zijnde – punt voor zich geheel te aanvaarden, dat niet behoort tot de algemeen aanvaarde werkelijkheid, zonder daarbij de behoefte te kennen, het bestaan daarvan aan zich en anderen te bewijzen, zonder daarover te reëel te redeneren, of het als een uitzonderlijk iets te zien. Zo iemand aanvaardt het bewuste punt als normaal deel van zijn bestaan en is daardoor ook in staat met de bewuste kracht of mogelijkheid praktisch iets te doen.

Ik wil nu niet verder gaan preken over de betrekkelijk eenvoudige verschijnselen van deze aard als vuurloop, beperkte levitatie, wandelen op water enz. of massasuggestie e.d. Er zijn op aarde enkelingen, die deze “kunsten” schijnen te beheersen. Zij plegen deze mogelijkheden als een normaal deel van eigen bestaan te beschouwen. Voor hen zijn deze mogelijkheden volkomen werkelijk, hoezeer dit voor anderen onbegrijpelijk, onwerkelijk zal zijn, iets, wat zij niet kunnen gebruiken en noodzakelijkerwijze voor zichzelf weg moeten verklaren om niet door gevoelens van onzekerheid geplaagd te worden.

Hieruit volgt – ik stel het eenvoudig – verder: slechts datgene, waarin ik ook innerlijk geheel en zonder voorbehoud geloof en beschouw als normaal deel van de wereld en mijn bestaan, kan ik tot werkelijkheid maken. Al datgene, wat voor mij onaanvaardbaar is, zal onwerkelijk blijven en kan in mijn leven geen werkelijke rol spelen.

Daarom kiest de mens uit een geheel van mogelijkheden, die veel groter zal zijn dan door de mensen wordt beseft, slechts die elementen die voor het Ik belangrijk zijn en bouwt zich zo een werkelijkheid op, die bijna geheel van de eigen persoonlijkheid afhankelijk is. In 9 van de 10 gevallen ontdekt de mens steeds weer, dat de werkelijkheid, waarin hij gelooft en leeft, voor hem niet geheel aanvaardbaar, betrouwbaar, gelukbrengend is, maar weigert toch eigen denken en mentaliteit, eigen geloof aan de werkelijkheid, daarom ook maar iets te veranderen. Liever vlucht hij, dan toe te geven, dat naast hetgeen waarop hij eigen leven baseert, ook iets anders nog waarde heeft of toe te geven, dat wat hij de vaste waarde der werkelijkheid noemt, veranderlijk is, dat het hem bekende slechts een enkele factor is in een hem verder nog onbekende vergelijking.

Indien dit alles voor u aanvaardbaar is, kom ik nu tot het hoofdpunt van ons inleidend betoog van deze avond: Op grond van het voorgaande moeten wij aannemen, dat de innerlijke verandering van de mens ook gepaard zal gaan met een verandering van uiterlijk wezen, uiterlijke mogelijkheden en omstandigheden. Wanneer er een nieuwe tijd komt, zal de werkelijkheid, die de gemeenschap als zodanig aanvaardt, voorlopig niet veel veranderen. Maar de gemeenschap zal toch op den duur – door demonstratie – bepaalde dingen moeten gaan aanvaarden, die vroeger als onmogelijk of als niet bestaand werden beschouwd. Hierdoor zal niet alleen het leven van de gemeenschap of de leden van die gemeenschap veranderingen ondergaan, maar verandert ook voor hen de gehele wereld, waarin zij leven.

Wanneer de mensen zich één kunnen gevoelen met de elementen, zullen zij in water niet meer kunnen verdrinken, zal er geen storm meer zijn, die hen kan deren en geen vuur hen meer kunnen branden, geen aarde hen verwerpen of verslinden. Dit is een stoutmoedige bewering, maar zij berust op waarheid. In deze dagen, met alle onlust, onrust, verveling, vermoeidheid, is de ontevredenheid met dat, wat men nog de werkelijkheid noemt, bij velen groot.

Waarom durft echter niemand de vraag te stellen: “Is dit dan wel alles de werkelijkheid? Is er niet iets anders wat belangrijker of juister is? Zijn er geen regels, die belangrijker en groter zijn, dan de dingen waarop wij, geleid door menselijke overtuigingen en stellingen, nu menen ons leven te moeten baseren? Zijn er misschien in mij nog mogelijkheden of waarden, die ik nog niet besef, maar die, wanneer ik ze actief zou kunnen gebruiken mijn verveling, machteloosheid enz. veranderen kan?”

De mens, die zich dit afvraagt, zal uit de aard der zaak ook vaak balanceren op de rand van de waanzin. Wij mogen dit niet vergeten. Want de mens, die eenmaal de onzekerheid van alle dingen heeft beseft, kan nu wel trachten zich een eigen wereld te vormen, maar hij zal daarin zonder twijfel en geheel moeten geloven, wil hij in staat zijn deze ook waar te maken.

Je kunt dus nooit zonder meer de werkelijkheid, die je nu kent, geheel verwerpen en er een andere werkelijkheid voor in de plaats stellen. Wat men echter wel kan doen, is het volgende:

Spoor in deze nu door u erkende en aanvaarde werkelijkheid de factoren op, die u de meeste  disharmonie, vermoeidheid e.d. doen beleven. Over het algemeen blijkt, dat men deze waarden in hoofdzaak kan herleiden tot waarderingen, de verhouding tot anderen en opvattingen omtrent eigen belangrijkheid en plaats binnen het maatschappelijk bestel, terwijl daarnaast ook de vergelijkingen van eigen Ik met anderen – vergelijkingen, die overigens zelden actueel en juist zijn – een grote rol plegen te spelen. Alleen reeds door op deze punten het eigen Ik wat te veranderen en te trachten iets te vinden, wat aanvaardbaar blijft voor het gehele wezen, terwijl het veel van het onaanvaardbare of onaangename teniet doet, zal de mens zich een wereld kunnen scheppen, een werkelijkheid, die – ofschoon eveneens subjectief – beter beantwoordt aan zijn wezen. Dan zijn de krachten, die nu in en rond de wereld optreden voor deze mensen niet meer storend, maar eenvoudig mogelijkheden.  Dan is de wereld van heden opeens niet meer een kwestie van problemen, maar eenvoudig een terrein, waarin de zelferkenning voortdurend vreugdiger verder gaat.

Dat klinkt allemaal als een leuze. In vele gevallen kan dit alles echter reeds bereikt worden door de verschillende waarden in het leven op een andere wijze tegenover elkander te stellen. Dit wordt misschien duidelijker, wanneer ik een eenvoudige formule als voorbeeld geef. Bv. A = R : V . Ik kan dan met dezelfde waarden ook formuleren R = A x V, of V = R : A. De uitkomst is in elk van deze gevallen een andere, ofschoon de waarden, waarmee ik werk en hun onderlinge verhouding steeds dezelfde zal blijven.

Zoals men deze hergroepering van feiten in de mathematica gebruikt, zou men ze ook in het dagelijkse leven moeten durven gebruiken. Wanneer blijkt, dat de uitkomst van eigen leven en denken niet aanvaardbaar is, moet men trachten de waarden te beseffen, waaruit deze onvrede voortkomt. Dan zal men juist deze onvrede tot een werkzame factor in plaats van een uitkomst kunnen maken en, alleen door een andere groepering van de als vaststaand aangenomen waarden van eigen leven, reeds tot een ander en voor het Ik vaak meer bevredigend resultaat kunnen komen.

Wanneer ik in het leven mij dingen kan voorstellen, die niet bestaan in mijn werkelijkheid en mij deze zelfs zo intens kan voorstellen, dat zij voor mij, tijdelijk nog blijvend echt worden, wordt het denkbeeld een voor mij hanteerbare werkelijkheid, waarmee ik de verdere werkelijkheid kan beïnvloeden, waarmede ik invloed kan uitoefenen op anderen, krachten kan ontlenen en diensten van kan eisen. Kortom: deze fantasie is voor het Ik een factor binnen de werkelijkheid, die met anderen gedeeld wordt, zodat de betekenis van de gemeenschappelijke werkelijkheid voor het Ik een wijziging als gevolg hiervan zal ondergaan. Overigens is dit geen nieuw denkbeeld, want een scholing hierin behoorde tot voor kort tot sommige scholingen in yoga, die in Azië onderwezen werden.

Misschien vindt u dit alles nog te moeilijk. Ik zal dan ook proberen nu de zaak heel simpel te stellen: Elke mens heeft de God, die hij verdient. Voor hem is er geen werkelijke God, die beleefd kan worden. Hij beleeft en ondergaat slechts de God, waarin hij gelooft. Gelooft hij dus in een God, die toornig en wraakzuchtig is, zo zal de toorn en wraak van zijn Meester hem ook voortdurend treffen. Gelooft hij echter aan een liefdevolle God, zo zal de liefde van zijn God hem voortdurend tot steun en kracht zijn, waar anderen aan de toorn en wraakzucht van hun God misschien reeds ten onder zouden gaan.

Het is belangrijk, dat wij dus leren te geloven in de God, die bij ons past. Zo gelooft ook elke mens aan een bepaalde zin van zijn leven. Zodra wij de zin van het leven voor ons formuleren volgens de normen van de gemeenschap, kunnen wij aan de zo gestelde eisen niet volledig voldoen. Ons eigen wezen is namelijk ofwel in staat tot prestaties boven deze norm, dan wel blijven eigen bekwaamheden en mogelijkheden ver onder de algemeen geldende normen. In beide gevallen is men – dankzij het gevormde wereldbeeld – gedoemd tot onvrede en moeilijkheden krachtens de persoonlijke mogelijkheden en eigenschappen.

Wanneer ik echter als de werkelijke zin van mijn leven de relatie tussen ik en mensheid beschouw – verder hoeft men nog niet te gaan – zo resulteert dit in een voortdurend bewust zinrijk leven, waarin steeds een reden tot handelen aanwezig is, een dadendrang, die voert tot resultaten en voortkomt uit de werkelijkheid van eigen wezen. De zin van het leven, de taak van de mens, zijn in wezen waarden, die het ik zelf bepaalt aan de hand van eigen persoonlijkheid en vermogens. De zin van het leven en de eigen taak in het leven is niet te bepalen aan de hand van andere normen dan de genoemde.

Wanneer ik een persoonlijke norm hanteer – hoe subjectief of misschien dwaas deze ook in de ogen van anderen kan zijn – zullen de resultaten daarvan voor het Ik werkelijk en bevredigend zijn. Wanneer ik, uitgaande van kennis of wetenschap van anderen, tracht een stelling op te bouwen, belet ik door het gestelde maar al te vaak mijzelf van eigen denken, weten en mogelijkheden te profiteren en eigen vermogens geheel en juist in te schakelen. De uitkomst die wordt verkregen, is dan altijd beperkt en slechts zelden van blijvende waarde voor eigen wezen. Gaat men geheel af op de intuïtie, zo zal men wel juist kunnen reageren en handelen, maar weet niet, waarom men handelt. Ook hier zal een zekere onvrede ontstaan en in vele gevallen een storing van verhoudingen en mogelijkheden als gevolg van een op zich juiste beslissing.

Daarom is het noodzakelijk alle bestaande kennis en alle bestaande wetten voorlopig te aanvaarden, zonder deze ooit als vaste norm of waarheid te hanteren. Zij mogen hoogstens dienen als punt van vergelijking of desnoods soms van uitgang voor een persoonlijk denken en streven. Zolang men eigen innerlijk wezen durft vergelijken met alles, wat er voor het Ik kenbaar in de wereld bestaat, heeft men, dankzij dit vergelijken, de mogelijkheid zich aan zichzelf te verklaren en zichzelf zowel als anderen kunnen verklaren, waarom men handelt en voelt zoals men doet, terwijl daarnaast een redelijk besef van alle mogelijkheden tot handelen kan worden verkregen.

Gaat men dus uit van buiten het Ik gestelde stellingen, zo belemmert men de ontwikkeling van eigen persoonlijkheid. Gaat men uit van zijn intuïtie zonder meer, zo zal men in de meeste gevallen niet in staat zijn eigen gedrag, behoeven en leven te kennen en aan zichzelf duidelijk te maken. Men blijft dan qua bewustzijn en innerlijk leven onbevredigd, kent geen vrede en zal vanuit het standpunt van de wereld en de geest vaak iemand blijven, die ongelukkig is en weinig of geen werkelijke kansen heeft.

In deze dagen is het voor de mensheid uitermate belangrijk, dat zij leert zich aan snel wijzigende omstandigheden en mogelijkheden aan te passen. Nu past men zich uiteindelijk altijd wel enigszins aan: naarmate er meer gevaarlijke bromfietsers en automobilisten in het verkeer komen, zullen er meer voetgangers voorzichtig worden. Dit is echter niet de aanpassing, die ik bedoel. Men moet eenvoudig uitgaan van de feiten, zoals men die zelf kent, zelf ervaart, niet van de regels of stellingen, die verkondigd worden. Er bestaat geen wet, geen geloof, geen wetenschap, die waarlijk zinvol kan zijn voor u en in de werkelijkheid voor u een blijvende betekenis kan hebben, tenzij het een wet, kennis, wetenschap, of geloof is, welke mede voortkomt uit en deel uitmaakt van eigen wezen.

Om het eigen wezen de zekerheid te verschaffen die het zo nodig heeft, is dit noodzakelijk. Want de mens, die een avontuur begint, bv. die begint met het ontwikkelen van paranormale gaven, zal een controle zoeken: wie streven wil uit een geloof, zoekt een God om hem te helpen. Wanneer het geloof niet is in God zelf of boven zintuiglijke waarden, zo zal men de behoefte aan een controle of een bijstand van het bovennatuurlijke voor zichzelf vaak ontkennen. Denk hierbij maar eens aan die piloot, die met een brandende machine naar beneden kwam, terwijl hij heel geen middel bezat als een parachute of zo, om zich in veiligheid te brengen. De man drukte op alle knoppen binnen zijn bereik en mompelde: “God, sta mij bij”. Toen hierdoor een brandblusinstallatie begon te werken, waarvan de aanwezigheid hem onbekend was en het mogelijk bleek de machine veilig aan de grond te zetten sprak hij: “Goed dat de firma die blusser had ingebouwd en ik tegenwoordigheid van geest genoeg had.” De firma en ik. Want toe te geven dat mogelijk God daadwerkelijk zou hebben ingegrepen, durfde hij niet. Een God, die ver weg is en zich niet onmiddellijk in de zaken van de mens moeit, kan men wel aanvaarden, maar een God, die onmiddellijk in kan grijpen en kennelijk van alle menselijke beden en behoeften op de hoogte is, neemt de mens te veel van zijn zekerheid en zelfvertrouwen.

Toch zullen wij moeten leren met God als een actieve en onmiddellijke werkelijkheid te leven, hoe fantastisch onze God dan misschien ook moge zijn in de ogen van anderen. Wij moeten niet uitgaan van menselijke begrippen, van deugd en zonden, van hemel en hel, wij moeten uitgaan van God. God moet voor ons de zekerheid vormen, datgene, waarop wij ons steeds weer beroepen durven, met vertrouwen op onmiddellijk ingrijpen. Het beeld, dat wij van God hebben, moeten wij voortdurend voor onszelf meer waar, meer werkelijk, meer deel van alledag, van de werkelijkheid van eigen leven maken. Want hebben wij deze Bron van Kracht gevonden, dan kunnen wij een wereld aanvaarden, waarin de schijnwerkelijkheid van de mensen uiteenvalt, zonder dat ons dit beroert, ons tot vernietigen dringt of tot waanzin kan voeren. Weet u wel, dat de meeste oorlogen, de meeste gewelddaden van de mensen niet zijn voortgekomen uit de noodzaak, die men later als reden daartoe gaf, maar dat deze dingen steeds weer voortkomen uit de onzekerheid van de mens, uit de behoefte eigen waardigheid en macht aan zich en de wereld te bewijzen? Er waren en zijn zelfs mensen, die duizenden medemensen doden om zichzelf daardoor te bewijzen, dat zij werkelijk leven.

Wat is dat voor een wereld? Een wereld waarin dit alles steeds verder gaat, een wereld, waarin de jeugd tracht zichzelf eigen macht en waarde te tonen, door zinloos anderen aan te vallen, waarin staatslieden trachten hun staatsmanschap en macht te bewijzen, door volkomen irreële eisen te stellen. Of door een spel te spelen, zoals een zekere patriarch, die de gehele wereld in gevaar brengt en een geheel volk, misschien zelfs enige volkeren op wil offeren om eigen zin en belangrijkheid door te zetten.

Wat is dat voor een wereld? Is dat dan de werkelijkheid? Misschien meent u, dat dit inderdaad de werkelijkheid is. Ik zeg echter: neen. Dit is niet dé werkelijkheid. Dit is de waan der mensen.

Maar de mens, die leert terug te grijpen op die ene zekerheid, die hij innerlijk heeft: “God leeft in mij, ik ben deel van het Goddelijke en van daaruit heeft mijn bestaan zin, heeft alles zin”, kan elke omstandigheid gebruiken zonder zich te bekommeren om verheffing of vernedering in de ogen van anderen. Hij zal steeds rijker worden aan innerlijke en uiterlijke mogelijkheden en steeds meer Kracht vinden.

Zo iemand kan alle impulsen van een nieuwe tijd in zich opnemen, zonder daardoor minder gelukkig of minder vrij te zijn, zo iemand kan de grote tegenstellingen tussen gisteren en morgen overbruggen, zonder dat hij zelf daarbij ook maar iets werkelijk hoeft te veranderen tegen eigen wezen en bewustwording in.

Hier ligt de kern van de komende tijd. Ik zal u met dit alles niet al te lang meer bezig houden. Maar in deze dagen zijn er voortdurend conflicten en moeilijkheden. Ook voor u. Er zijn dingen, die je eigenlijk niet meer aan kunt. Getallen, die je razend maken, belastingen, waar je niet meer tegenop kunt, een vereenzaming, waardoor je geen raad meer weet, gevoelens van verlatenheid en doelloosheid, een gevoel, dat niets meer werkelijk zin heeft. In deze zaal zijn voor elk genoemd punt wel enkele mensen, die daaraan lijden. Daarom juist vraag ik u: is het dan misschien de moeite voor u waard niet eens die schijnwerkelijkheid met zijn slechts schijnbaar objectieve waarden en beoordelingen eens opzij de zetten en daarvoor in de plaats een subjectieve werkelijkheid op te bouwen, waarin je harmonisch kunt zijn?

Geloof mij: het is in deze dagen belangrijker dat een mens veerkracht heeft, dat hij gelukkig is en anderen een zekere mate van geluk kan geven, dan dat hij alles volgens de regels doet. Het is in deze dagen belangrijk, dat je je aan kunt passen bij de gebeurtenissen en dat je in staat bent uit alle gebeuren het goede naar voren te brengen, zelfs wanneer je dit doet uit wat anderen een krankzinnige denkwijze of dwaze fantasie noemen. Dit is belangrijker, dan een zich aan alle regels blijven houden en daarbij ten onder gaan.

De wereld van vandaag kan niet gered worden door hen, die zich aan alle bestaande regels en stellingen willen houden, door hen die steeds maar meer wetten maken om het oude nog overeind te kunnen houden, door hen, die alles zouden willen doen, om bestaande stellingen nog wat te kunnen handhaven en bestaande gezagsverhoudingen nog wat uit te kunnen breiden. De gezondheid van de menselijke wereld kan alleen gered worden door mensen met een innerlijke zekerheid, een zekere flexibiliteit van denken en leven, waardoor voor hen geen angst of waanzin dreigt, wanneer alle tot nu toe geldende maatstaven en gebruiken opeens weg dreigen te vallen.

Een mens, die zichzelf heeft als maatstaf en zijn God heeft als zekerheid, en zo handelende vanuit eigen werkelijkheid de Kracht vindt in zichzelf, is meester van deze wereld, meester over de veranderingen op deze wereld. Hij is het begin van het nieuwe, van een nieuw ras misschien zelfs, van nieuwe ontplooiingen van de mensheid. Anderen lopen gevaar zichzelf ten gronde te richten. Wanneer men u dus vraagt: “Wat is werkelijkheid?”, antwoordt dan niet: “Dat wat wij als werkelijk zien”, maar zeg: “Dat, waar ik in mijzelf zo volledig in kan geloven, dat ik het ook voortdurend durf uiten en gebruiken als normaal deel van mijn leven”.

* Wat vandaag voor mij nog werkelijkheid is, kan morgen voor mij reeds waan zijn geworden. Werkelijkheid lijkt mij dus wel een heel variabele grootheid.

Werkelijkheid buiten het Goddelijke is altijd een subjectieve waarde. Zolang uw begrip van werkelijkheid gebonden is aan de wereld der mensen rond u, wijzigt zij zich echter niet van vandaag op morgen. Ten hoogste plaatst deze werkelijkheid zich ten opzichte van u persoonlijk anders. Het is dus niet zo, dat de zonde van heden de deugd van morgen wordt in de menselijke werkelijkheid. Wel echter zal, wat een zonde is bij de verliezer, vaak een deugd worden genoemd bij de overwinnaar.

Wanneer je in jezelf een werkelijkheid hebt, waarin je volledig gelooft – onverschillig welke werkelijkheid dit dan is – zal je daardoor een werkelijkheid in je dragen, die zich niet stoort aan veranderingen in de wereld, en die steeds zich geheel aanpast bij de geestelijke omstandig- heden, alle nieuwe factoren in zich op kan nemen zonder daartegen in verzet te komen en niet gebonden blijft aan alles, wat bestaat of wordt opgebouwd, maar als enige binding kent: de relatie tussen Ik en God, Ik en wereld, Ik en mensheid of de delen van die mensheid.

Deze werkelijkheid verandert niet. Voorbeeld: Wanneer een moeder haar kind werkelijk lief heeft, zal zij het lief hebben onverschillig of het verstand heeft of dom is, of het knap is of misdadig, of het succes kent of mislukkingen. Haar werkelijkheid in deze is niet het uiterlijk, de maatschappelijke of persoonlijke waarde van het kind, maar de verhouding tussen het Ik en het kind, dat dit Ik heeft voortgebracht. Voor de moeder is dit een onveranderlijke werkelijkheid. Wij kunnen, aan de hand van uiterlijke zaken, stellen, dat het kind de liefde van de moeder niet waard is, maar voor de moeder blijft haar kind altijd haar liefde waard. De reden: dat deze liefde uit het eigen Ik komt. Wanneer iets dergelijks niet is gebaseerd op bijvoorbeeld instincten als instandhouding van het ras e.d., maar op geestelijke waarden, dan is er in ons een maatstaf, die niet verandert en waaraan alle uiterlijke veranderingen van omstandigheden niets af kunnen doen of toe kunnen voegen. D.w.z. dat wij hier steeds over een bron van Kracht beschikken, dat onze prestaties hierdoor voortdurend worden beïnvloed en bepaald. Draagt men innerlijk de rust met zich, dan zal men bv. in alle omstandigheden over de nodige rust en kalmte kunnen beschikken, ongeacht de uiterlijke toestanden.

Vergeet daarbij niet, dat het voorstellingsvermogen ook op de prestaties van de mens, zijn mogelijkheden in de stof, een zeer grote invloed kunnen hebben. Eerst wanneer de voorstelling tijdelijk verdrongen wordt, verandert het prestatievermogen.

Bijvoorbeeld: Iemand “kan niet lopen”. De wereld erkent, dat dit waar is. Het huis vliegt in brand. De eerste, die met grote spongen naar buiten snelt, is de invalide…, dit is feitelijk, dit is werkelijk gebeurd.

Ander voorbeeld: een mens beweert, dat hij maar een bepaald tempo lopen kan, zelfs al zou hij anders willen. Hij komt in een revolutie terecht. De kogels vliegen hem om de oren. Hij ontwikkelt nu een snelheid, die zelfs een olympisch record te boven gaat. Hij houdt deze snelheid vol gedurende een tijd welke, volgens zijn lichamelijke conditie en de geldende opvattingen, helemaal onmogelijk zou zijn. Men zal daarvan maar weinig schadelijke gevolgen ondervinden, tenzij men onmiddellijk na de prestatie in staat is zich te ontspannen en zich zo het ongebruikelijke onmiddellijk te realiseren. Het is duidelijk, dat de mentale houding als beperking van eigen kunnen hierbij een grote rol speelt. Onder invloed van het instinct zonder redelijke reactie blijkt in vele gevallen stoffelijk het prestatievermogen veel groter te zijn, de lichamelijke weerstand ook veel groter te zijn, dan door eigen denken van de mens normaal aanvaard wordt. U hebt een voorbeeld van iemand, die zijn eigen theoretische beperkingen nog niet heeft erkend, een zekere Tiemen Groen, een fietser. Men spreekt hier van een natuurtalent. Maar dit is niet het enige: de man heeft zich eenvoudig het begrip nog niet aan laten trainen, dat hij iets niet kan. De meeste mensen laten zich echter wel beperkingen aanpraten, zowel op lichamelijk als mentaal gebied. Daardoor maken zij het zich onmogelijk hun maximale prestatie ook tot werkelijkheid te maken.

De mens die in zich een maatstaf draagt, die niet meer uitgaat van mogelijk of onmogelijk, maar alleen nog maar van eigen Ik en de relatie van dit Ik tot de wereld, dan zullen deze beperkingen weg vallen, zowel lichamelijk als geestelijk. Dan kan men dus zijn werkelijke maximum wel bereiken. De maatstaven van de buitenwereld mogen nu van dag tot dag veranderen, evenals de verhoudingen daarin, zonder dat dit invloed heeft op het Ik. Dit stelt nu, doorschemerend in prestaties, vermogen en denken, een vaste verhouding tussen Ik en kosmos, waarbij alle verschijnselen en verrassende veranderingen in de wereld onbelangrijk en vaak zelfs enigszins onwerkelijk worden.

*Maar als ik nu verander? Dat kan toch?

U bent een eeuwig wezen, dit wil zeggen, dat u in de ziel een vast aantal mogelijkheden bezit. Dit bent u in wezen, u kunt nooit meer worden dan dit. Uw wezen zal dus nimmer minder bevatten, dan dit totaal, ofschoon in de meeste gevallen slechts een klein deel hiervan gelijktijdig wordt geuit. Geestelijk gezien kunt u dus niet veranderen, maar slechts anders ervaren. Stoffelijk is men beperkt. De mens is zonder vleugels geboren en zal nooit werkelijk zelf kunnen vliegen. Hij zal hoogstens een machine uit kunnen vinden, waarmee hij vliegen kan. Stel dat u lichamelijk zo zou veranderen, dat u wel zou kunnen vliegen. Uw leven zou dan geheel anders worden, maar geestelijk, innerlijk zou u dezelfde blijven. Maar zoiets gebeurt niet.

Wat wel gebeurt, is een veranderen van de situatie waarin uw eeuwige en altijd gelijke wezen zich tijdens een beperkte uiting bevindt. Zolang het wezen zich op de buitenwereld oriënteert, zal het steeds weer trachten aan die buitenwereld tegemoet te komen. Het gevolg is, dat het zichzelf steeds weer onderdrukt, maar door een veranderen van de uiterlijke verhouding steeds weer andere delen van eigen werkelijk Ik naar de achtergrond verdringt. Dit noemt men dan: “veranderen”.

De mens, die leeft uit een geestelijke werkelijkheid, blijft zichzelf echter gelijk onder alle omstandigheden. Een voorbeeld hiervan vindt u, wanneer u de evangeliën leest. Daar wordt u geconfronteerd met Jezus, die als mens zichzelf gelijk blijft, wat er ook gebeurt. Hij is steeds de- zelfde. Dit bedoelde ik duidelijk te maken. Vind de innerlijke band met God, vind de werkelijkheid, die boven alle verschijnselen staat. Geloof daarin volledig, ga er in op en al het andere wordt bijkomstig. Dan is ook uw wezen in werkelijkheid onveranderlijk en is bewust – ofschoon misschien niet geheel van zichzelf bewust – eeuwig geworden, zoals de relatie tussen u en uw Schepper eeuwig is. Hoe abstract dit ook moge klinken in uw oren, het heeft zeker ook praktische mogelijkheden voor alle mensen.

 * Het is moeilijk te aanvaarden, dat – bij een leiding, zoals u die beschrijft – op de  wereld toegelaten zou worden, wat daar toch steeds weer aan verschrikkelijks plaatsvindt.

Dit gebeuren is menselijke werkelijkheid en kosmisch gezien geen onveranderlijk feit dat buiten de mens om bestaat en buiten de mens om gecorrigeerd kan worden. Het zijn de mensen gezamenlijk, die de menselijke werkelijkheid tot stand brengen. Slechts wanneer deze menselijke werkelijkheid helemaal niet past in een Hogere Werkelijkheid, zoals die van de aarde of de zon, kan op dit vlak een strijd of een menselijke wezen uitgeblust worden. Maar zelfs dan gaat de strijd, bestaat die mens, op een ander vlak nog precies zo voort.

Wanneer u niets meer heeft te vragen, wil ik nu afsluiten. U zult menen, dat mijn betoog vol zit met pessimisme. Want men wordt pessimistisch, wanneer men denkt aan de wereld van vandaag. Maar zou juist in een wereld als de huidige, de mens niet sneller moe worden van zijn kunstmatig gehandhaafde schijnwerkelijkheid?   “Wat is de werkelijkheid?” zal tot een vraag worden, die men zich meer en meer stellen zal. Nu reeds vraagt men zich af – ook op Cyprus en elders – of de idealen van een zekere patriarch wel identiek zijn met het door hem gestelde. In de verhouding tussen mens en gezag, tussen mens en wetenschap, zelfs in de godsdienst, klinkt reeds nu steeds meer de vraag: wat is de waarheid? Wat is hier de werkelijkheid? De mensen zoeken. Als een mens eenmaal begint te zoeken en ontdekt, dat er maar één werkelijke, blijvende toevlucht is: het Ik, de God in dit Ik en zo de relatie tussen Ik en kosmos, zo zullen wij misschien wel vele wonderlijke verschijnselen te zien krijgen, maar zekerlijk komt hieruit ook de oplossing voor de duisternis van vandaag voort.

Vergeet niet dat, wanneer er een zware donderbui hangt, het kan schijnen, of de gehele dag duister zal zijn, maar een enkel vlaagje wind, en men ziet de zon alweer. Ik meen, dat op soortgelijke wijze een snelle verdrijving van het duister, dat nu de wereld nog schijnt te regeren, mogelijk is. Maar dan zal de mens zijn concept van werkelijkheid en belangrijke waarden toch wel wat moeten veranderen.

DE INNERLIJKE WAARHEID EN DE INNERLIJKE WEG

Wij kennen onszelf innerlijk niet. Elke ontdekking die wij in onszelf doen, is voor ons een nieuwe beleving. Het avontuur van de innerlijke bewustwording, de rijping, waarbij langzaam maar zeker het gehele wezen met alle voertuigen tot één geheel wordt, lijkt mij dan ook wel een van de meest lonende elementen in ons leven. De waarheid van het Ik, hoe beperkt zij ook moge zijn, garandeert ons de samenhang van ons wezen en van ons bestaan. Dat wat ik ben, waarlijk en innerlijk, op dit moment, bepaalt voor mij al datgene, wat ik innerlijk en uiterlijk beleef. Het bepaalt voor mij de mogelijkheden tot uitbreiding van bewustzijn, gebruik van gaven, van eventuele incarnatie en al datgene, wat daarbij verder nog te pas komt. De regels, die je hiervoor op kunt stellen, zijn over het algemeen wat vaag: wij moeten namelijk zelf onze interpretatie vinden van de waarheden, die kosmisch bestaan. Toch wil ik het wagen ook vandaag enkele van deze regels naar voren te schuiven.

Allereerst dan het volgende:

De kern van mijn wezen is deel van een Goddelijke Kracht die, zich openbarende, uitgaat van de kern van alle Zijn en daartoe terugkeert. Alle voertuigen, die ik bezit, zijn slechts spiegelingen van deze werkelijkheid. Hierbij wordt de belangrijkheid van ons kernwezen bepaald en gelijk- tijdig de irrealiteit van alle voertuigen gesteld t.o.v. de kosmische werkelijkheid.

Dan is er een tweede regel, waarin wij kunnen zeggen: Het geheel van ons wezen drukt zich niet uit in een geformuleerde of te formuleren erkenning, doch in een gevoelservaring, waarbij welbehagen harmonie en het onbehagen disharmonie aanduidt. Harmonie is de kern van ons wezen, zodat alle onbehagen op zich de directe oorzaak kan zijn tot erkennen en ‘redress’, tot verbetering en herstel. Uit welke regel valt af te leiden, dat, in tegenstelling met wat vaak wordt geponeerd, lijden, smart en ongeluk niet nood- zakelijker wijze deel uitmaken van het leven des mensen en niet behoren tot het leren op aarde, dat onvermijdelijk is. Wanneer wij leren steeds te streven naar een voortdurend welbehagen zonder enige twijfel, zonder enig voorbehoud, zo zullen wij in dit welbehagen de harmonie vinden, die de uiterlijke vormen verenigt met de kern van ons zijn.  De toestand van rust, die dan optreedt, zal op den duur het actief beleven van de vele spiegel- vormen overbodig kunnen maken.

Als derde regel hebben wij een korte en eenvoudige, maar toch wel zeer veelzeggende formulering:  “Als deel van God kan ik slechts de eeuwige kracht uiten. Zoek ik mijzelf te uiten, zo besef ik slechts niet, wat in mij leeft.”

Zo een mooie spreuk moet je ook weer uit kunnen werken. Dan komt het hierop neer: ik kan nooit iets anders zijn, dan ik binnen de Schepper ben. Mijn wezensaard en wezenstrekken zijn vastgelegd. Zij behoren niet tot mijn persoonlijke responsabiliteit. Maar het gebruik, dat ik daarvan maak, behoort wel tot mijn eigen verantwoordelijkheden. Want, door op de juiste wijze te leven, zal ik de grote waarheid tot uiting brengen. Ik zal daarmee niet alleen gelukkig zijn, maar ook voor mijzelf volmaakt kunnen worden. Er is dan voor mij geen scheiding meer tussen het totaal der schepping en mijzelf. Het ligt ver van je af, wanneer je het zo beziet.

Gelukkig dan ook, dat voorstellingen van de mens en de geest door een regel wel eens beter kunnen worden gevormd. Het lijkt ons ver van onze werkelijkheid te staan, dit alles. Maar: God is tijdloos. Alle tijd vloeit voort uit bewustzijn of achtereenvolgende ervaringenreeks. Daarom is de tijd nimmer een werkelijk deel van ons wezen. Zij is slechts onze realisatie van dat, wat in ons bestaat.

Dit is een mooie zin, die bovendien troost bevat. Wanneer wij zoveel moeite kennen in ons streven om volmaakt te worden en zoveel tegenslagen kennen in stoffelijk en geestelijk streven, zo geeft ons deze spreuk de troost, dat tijd niet belangrijk is, dat wij alleen slaven van de tijd zijn, omdat wij de moed nog niet hebben om de tijd tot onze dienaar te maken. De tijd is een beheersbare factor. Kosmisch gezien bewustzijn of een gebrek daarvan, daarom is het niet belangrijk, of wij over iets één eeuw of tien eeuwen doen. Belangrijk is slechts, dat onze relatie met het voortduren zo juist mogelijk blijft. En juist daarbij blijkt tijd een minder belangrijke rol te spelen, dan men misschien zou veronderstellen. Wat u vandaag ook bent, hoe moeilijk het u ook gaat, het is geen reden om te treuren. Je moet jezelf alleen maar steeds zeggen: “Ik heb geen haast.”

Aan deze kosmische wijsheid voeg ik een regeltje van mijzelf toe:  “Hoe meer haast je hebt, hoe meer fouten je maakt”. Daarom is het een dwaas, die zich laat  haasten, maar het is een wijze, die alle dingen voor zich op de zo juist mogelijke wijze volbrengt, zonder daarbij te vragen naar tijd of moeite.

Misschien voelt u hierdoor iets van mijn eigen instelling aan. Want onder al deze regels is er één, die voor mij het summum is, het grote mysterie, uitgedrukt op een, naar ik meen, voor ons begrijpelijke wijze:  “Ik ben volmaakt en moet slechts zelf weten, waaruit deze volmaaktheid bestaat, om tot rust te komen. Wat ik verwerpen moet, is nimmer mijn wezen of een deel daarvan, maar slechts de illusies, waarmee ik mijzelf en mijn wereld omkleed.”

Ook op aarde werd deze wijsheid gegeven. Zij behoort tot de vroeg-boeddhistische leringen. Mij persoonlijk spreekt dit alles zozeer aan, omdat ik hierin de zin van mijn leven erken. Wanneer ik alleen maar het slachtoffer zou zijn van een eeuwig wentelend wiel van het noodlot, zou ik mij willen verzetten tegen de Kracht, die mij tot stand heeft gebracht. Want Hij heeft mij voortgebracht en ik meen, dat Hem dit een zekere verantwoordelijkheid oplegt. Zou ik alleen maar van incarnatie tot incarnatie moeten spoelen om te leren, dan zou ik vragen: God, waarom geef je mij niet alle materiaal bij de schepping meteen mee. Dan ben ik er tenminste vanaf. Nu ik echter begrijp dat mijn verschijningsvorm niet mijn eigenlijke wezen is, dat ik de volmaaktheid reeds bezit, valt alle twijfel en verwijt weg.

De mens zelf is het die zijn eeuwige karma, zijn noodlot, zijn eeuwige kringloop schept. Hij is het zelf, die zich ongenoegen en lijden schept en misschien zelfs werelden en gestalten schept, waarin hij zich niet thuis voelt, die hem verwijderen van dat, wat hij zou willen zijn. Er is geen enkele kracht, die mij dit aandoet. Ik doe dit alles zelf. Juist door dit besef voel ik mij gesterkt. Want wanneer dit alles valt binnen mijn eigen bevoegdheid, moet ik onmetelijk sterk zijn.   De innerlijk weg is mij dan niet meer alleen het vaak haast radeloos zoeken naar het Grote, Geheim, maar een ontwaken tot het bewustzijn van eigen kracht, eigen vermogen, van mijn werkelijk leven. Heb je dit bereikt, dan ben je meester over alle dingen, dan kan ‘de bittere’ zijn legioen op je afzenden en je verandert daardoor niet. Dan kan de natuur je bedreigen of beschermen, en aan het Ik verandert niets. Innerlijke waarheid is eeuwig, onveranderlijk, en dit is de kern van mijn bestaan.

Ik zou hierover gaarne nog meer zeggen, maar onze gast van heden kondigt zich aan, zodat ik nu mijn onderwerp moet gaan afsluiten.

De zin van mijn leven schijnt mij de vreugde te zijn. Niet een hedonistische vrijheid, want daarin zou ik mijzelf niet werkelijk gelukkig voelen, maar de vreugde die in mij geboren wordt, wanneer ik in overeenstemming met mijn ware grote Ik, leef en reageer. Het leven is mij een grote lusttuin, waarin ik wandel, het Paradijs, dat niet verloren ging door een wrede uitwijzing van een plaats, maar verloren ging, doordat de rede haar vlammend zwaard stelde tussen het ware begrip van geluk en de mens.

Vrienden, zowel de innerlijke weg als de weg van daden moet voeren tot geluk, tot vreugde, tot kracht. Wanneer je die dingen er niet uit gewint, werk je nog niet met je werkelijke Ik. Omdat de werkelijke vreugde, het paradijs, slechts door de haarbrede grens van menselijk vooroordeel enz. van ons gescheiden is, droom ik altijd van het ogenblik, dat deze grens geheel weg zal vallen. Als je weet, hoe in de onvolmaakte werelden en sferen de vreugde reeds groot kan zijn, hoe groot moet dan de paradijselijke eenheid met alle dingen niet zijn als vreugde.

Daarmee moet ik eindigen. Ik kan u geen voorlichting geven over onze gast van heden, die ik niet ken. Ik druk daarom slechts de hoop uit, dat zijn boodschap voor u Licht zal betekenen en een groei van begrip voor eigen vermogens, zelfs het vermogen tot gelukkig zijn.

GASTSPREKER

LICHT

Vrienden.

In een tijd, die duister schijnt, wil ik spreken van Licht. Want ziet, er is een Licht rond deze wereld, dat steeds groeiend, de duisternis terugdringt in haastige strijd tot een hopeloze vlucht. De dagen van Licht komen ook voor u naderbij. Laat u door de verwarringen van deze dagen niet beroeren.

Wees gerust en stil in uzelf. Draag dat, wat het leven onvermijdelijk te dragen geeft. Gij zult in het Licht uw kracht vinden.

De Grote Broederschap en haar leden wenden zich in deze dagen, die zo vaak kritiek dreigen te worden, steeds sterker tot de Bron van hun Kracht, tot de Bron van alle Licht, die – voor kortere tijd misschien – deze wereld zo dicht benadert.

De Groten en Lichtenden, die ons zijn voorgegaan, de Meesters en Krachten, die leven achter de spiegel van verblindend licht, zijn opnieuw gekomen tot de sferen en de wereld.

Waar het duister dreigt, zal hun Licht sterkte zijn, waar dwaasheid de mensheid dreigt te doen ondergaan, zal hun kracht rede en verlossing kunnen brengen.

De dagen, die gaan aanbreken, dragen crisis met zich. Op velerlei terrein wordt de mensheid geconfronteerd met zichzelf en met zijn fouten.

Zeer vele groeperingen, die gezamenlijk geïncarneerd zijn in deze dagen om dit mee te kunnen beleven, zullen hieruit een grote geestelijke oogst winnen.

De wereld is niet slechts zo dicht bevolkt, omdat de mens zich zo slechts kan bedwingen. Zij is ook dicht bevolkt, omdat dit kritieke punt in de geschiedenis van de mensheid en van dit ras voor hen belangrijk was buiten alle dingen.

Ook gij behoort tot die groepen, tot verschillende groepen misschien, maar ook gij zijt gekomen om uit deze tijd te leren en nieuwe kracht te vinden.

Voor velen geldt, dat het bewustzijn gesloten is voor deze oude waarden. Toch zeg ik u, namens de Broederschap en – zover mij dit is toegestaan – ook namens de hoogste krachten die werkzaam zijn: de komende dagen brengen in verwarring het zaad van Licht. De komende tijden zijn niet slechts een ondergangsdreiging op uw wereld, zij zijn de komst van een nieuwe gedachte, een nieuwe waarde en een kracht, die alle menselijk denken nog te boven gaat.

Vreest niet. Want zo gij waarlijk oprecht streeft, zal u geen hulp geweigerd worden, waar gij deze werkelijk behoeft.

Geen poort zal u afgesloten zijn, indien gij werkelijk begeert deze te doorschrijden.

Juist de grote werkzaamheid van allen, die streven naar de verlichting van de mensheid en de voltooiing van deze levenscyclus, zal ook u in staat stellen meer te bereiken, dan gij mogelijk acht.

Nu ziet gij het Licht misschien nog niet en toch trekt zich reeds de kracht van het Licht samen rond ons allen. De krachten, die in u werkzaam zijn, meer dan de woorden, die ik tot u spreek, zullen u bij staan in de dagen die komen.

Indien gij gevoelt, dat gij uw gedrag of denken moet wijzigen, doe zulks en doe het spoedig. Indien gij gevoelt, dat nu het ogenblik is gekomen, om de Krachten des Lichts actief werkzaam te maken voor uzelf en anderen, aarzel niet.

Want de golf van schijnbare verwarring en ontbinding, die in de komende dagen rond de wereld gaat, is gelijktijdig de openbaring van nieuwe krachten en vermogens.

Weest sterk in uw geloof aan een Lichtende God, aan een Levende Kracht.

Weest rustig in uzelf in de wetenschap, dat het verleden kan worden uitgewist in de krachten van heden en de duisternis van eens kan herboren worden tot een rustige schemering, een eeuwig Licht.

Deze boodschap breng ik u niet namens mijzelf alleen. Want de Kracht, die gij God noemt en de weerspiegeling van deze krachten, zoals zij leven in de kosmos, in de zon en in de aarde, zijn thans gekomen tot een punt, waarop zij gezamenlijk pulseren en harmonisch werkzaam zijn. Het is daarom ook uit deze Krachten en van deze krachten, dat ik speek.

Indien gij voorbereid zijt op dat, wat in uw persoonlijk leven, in uw eigen bestaan reeds op dit ogenblik zich gaat wijzigen, in denken en gevoelen, in beleven en mogelijkheden, zo zult gij de krachten van het Eeuwige Licht erkennen en, deze aanvaardend, zult gij het ongedachte werkelijkheid zien worden, zult gij de onrust zien verdwijnen en zult gij weten, dat ik waarheid spreek, indien ik zeg: “Krachten van het Licht nemen toe. De waarde, die eeuwig is, openbaart zich steeds sterker. In deze dagen van verandering, zij het Licht u een teken en een kracht, zoals het thans is met ons. Wie het ervaart, neme het in zich, niet het bewarende als een Schat, maar het met zich dragende als een baken op de weg.”