Wat Jezus werkelijk heeft gezegd

20 december 1959

Wij zijn zo langzamerhand gekomen in de dagen voor Kerstmis en dat betekent dat wij onwillekeurig onze aandacht richten op de gebeurtenissen, die  zoals dat heet  met een verlossing samenhangen. Over het kerstverhaal spreken we over een week wel eens: maar er zijn veel kleine factoren, die ons bij het bezien van het kerstfeest doen denken aan: wat zeggen de grote Goddelijke achtergronden. Als u het Oude Testament leest, ziet u daarin keer op keer een profetie. Wij vinden profetieën over de komende verlosser, de Messias, maar als je ze helemaal goed naleest, dan wringt er iets. Je kunt ze wel zo uitleggen, dat ze bij elkaar terecht komen, dat ze elkaar bevestigen, maar dan moet je toch een vertaling gebruiken, die niet helemaal zuiver is, omdat je niet de meest waarschijnlijke in de context neemt, maar steeds de woordvertaling leest aan de hand van de toekomstige profetieën, die je dus al kent. Het is tamelijk lastig om daaruit alleen te distilleren dat een Goddelijke kracht gedurende jaren en jaren, vele eeuwen zelfs, voortdurend heeft verkondigd, dat Jezus de Messias zou zijn. Ik wil er hier alleen maar even op wijzen. Per slot van rekening denken de Joden aan hun Messias en geloven in iemand, die als Vorst des Vrede:  dat staat uitdrukkelijk ook in Jesaja vermeld  als Vorst des Vrede: zal verlossen. En wat zegt Jezus even nadrukkelijk? “Want niet ben ik gekomen om u de vrede te brengen,  doch ik breng u het zwaard en het geweld, omdat alleen door de strijd de bewustwording in mijn Vader, het inzicht in de Eeuwigheid verworven kan worden.” (De vertaling is vrij, maar de betekenis is volkomen juist.) Hier zijn strijdigheden die bij ons onwillekeurig de vraag doen rijzen: Wat is de Messias in de zin van het Oude Testament en wat is hij werkelijk? Om dit duidelijk te maken wil ik enerzijds vertellen over de verwachtingen, die de Joden hadden van hun Messias, anderzijds iets over Jezus  werkelijke lering.

In de oudheid geloofden de Joden niet zozeer aan een voortbestaan als wel aan een herrijzenis. Men zou sterven: maar eens, in de verre toekomst, wanneer de verlosser kwam, zouden de doden opstaan. Wij vinden dat nog even in de Openbaringen, waarin wordt gesproken over de laatste grote strijd tussen licht en duister, en over de geraamten, die daar bijeen liggen en die plotseling allemaal opstaan en beginnen te leven. Dat is precies dezelfde gedachtegang, dood en herleving door de komst van de verlosser en uit die herleving een oordeel, naar welks oordeel men waarschijnlijk op aarde  rustig zal voortleven, terwijl degenen die veroordeeld zijn ergens in een duister of een niet verdwijnen. De hel met al haar felle kleuren, haar vlammen haar duivels met hun toastvorkjes en al wat er bij hoort, zijn pas later gekomen. Hier is een reeks van legenden langzaam maar zeker vervlochten met oude Goden, zodat wij bv. in de vork, die de duivel hanteert, eerder iets zien van een attribuut van de oude zeegoden dan werkelijk iets, demonisch. Er is dus een gedachtegang van sterven, uitgeblust  zijn en herleven. De Messiasverwachting wordt daar onmiddellijk mee verbonden. Jezus zal  zijn de Verlosser van de doden. Vandaar dat in de Evangeliën staat dat de graven openscheurden en de doden rondgingen. Dat behoeft helemaal niet gebeurd te zijn bij Jezus kruisdood, maar men verwachtte dat. En als hij de Messias was volgens het Joodse geloof, dan moest daar uitdrukkelijk een herrijzen van de doden plaatsvinden. Iedereen verwachtte het. En u weet hoe dat gaat, zelfs met vliegende schotels. Een vliegenpoepje op een verrekijker en wij hebben weer een vliegende schotel verhaal. Zo was het daar ook. Een onweer, een beetje regen en we hadden onmiddellijk de bevende aarde, de graven die opensplijten en al wat er bij hoort. Er zit een typisch element van overdrijving is.

Het is deze Jezus, deze Messias, die geboren zou zijn in Bethlehem. Maar ik stel uitdrukkelijk, dat dit niet de Messias was, die het volk der Joden verwachtte. En wel om de volgende reden: Volgens de profeten zou Jezus stammen uit de stam van David en David alleen.  Volgens het christendom stamt Jezus uit Maria en de Heilige Geest. In de tweede plaats: Volgens het Jodendom zou dit kind geboren worden als een vorst. De plaats Bethlehem werd nooit genoemd. Wel werd gewezen op een bepaalde constellatie, een bepaald sterrenkundig feit, dat inderdaad tijdens Jezus  geboorte voorkwam. Jezus zelve spreekt over zichzelf als “het einde van het Oude Verbond”. Maar de Messias zou de bekroning zijn van het verbond met God. Een heel verschil. Jezus zegt van zichzelf: “Ik ben u de weg tot de Vader.” De Messias zou zijn de stoffelijke uitdrukking van Gods gezag op aarde. Er is een betrekkelijk grote reeks van verschillende strijdigheden, vooral als wij luisteren naar hetgeen van Jezus leer niet of niet volledig werd opgetekend: zijn leer, zoals hij die verkondigde aan zijn discipelen. (Een leer waar het christendom erg bang voor is, vandaar dat men deze steeds verwerp en ook de overleveringen, die daarvan bestaan,  steeds als bijgeloof of maakwerk probeert weg te schuiven.)

Als men Jezus letterlijk vraagt: “Zijt gij het, die wij verwachten?” dan zegt hij van zichzelf: “Niet mij hebt gij verwacht, want gij kent mij niet. Ik was voor Abraham was en ik zal zijn nadat”  en dan kun je hier waarschijnlijk invullen het Jodendom of Jeruzalem is ondergegaan. “In al deze dingen ben ik de kracht mijns Vaders, want ik kom voor de wereld.” En dat houdt dus in, dat hij erbij zegt: “Ik kom niet voor een enkele mens, ik kom niet voor een enkel volk, ik kom voor de wereld.” Later heeft men geprobeerd ook dat passend te maken door te zeggen: “De hele wereld is Israël.” Maar dat kan niet waar zijn. In de eerste plaats is Israël maar één stam. We kunnen zeggen: Voor het volk der Joden. Dat is ook niet waar. We zouden kunnen zeggen: Voor de kinderen van Adam. En dan zou het volgens de legende waar kunnen zijn, maar dat heb ik nog nergens aangetroffen. Het is dus wel logisch, dat wij gaan stellen: Jezus is niet de Messias, die door de Joden wordt verwacht.

Waarom ik daar zo op hamer? Dat kerstfeest en al wat erbij hoort, doet de golven van sentiment in de hele christelijke wereld weer oplaaien. En men vergeet dan juist het onderscheid te maken tussen de verlosser (ofwel de weg, de Christusgeest op aarde) en de Messias. Want het is toch logisch, dat ergens te enigerlei tijd ofwel het hele volk der Joden zou ondergaan en geen van de kinderen Abrahams meer zou leven op deze aarde: dan wel dat zij, nu nog verspreid onder de volkeren, een macht vinden en een vorst.

De gehele ontwikkeling van het Joodse volk is haast onlogisch. De terugkeer naar Israël, gepaard gaande met wreedheden – laten we dat niet vergeten – gepaard gaande met groot onrecht, is anderzijds toch weer een poging het volk te hernieuwen. En in verschillende gestalten, zoals die van Ben Goerion, vinden wij ongetwijfeld een aanduiding van de eigenaardige karaktereigenschappen. Ben Goerion is een groot man, maar toch geen staatsman. Ben Goerion is koppig en bekwaam, toch geen werkelijke leider van zijn volk. Hij heeft iets van die oude vorsten en aartsvaders, die eens naar men zegt het volk der Joden geregeerd hebben, toen het volk nog groot was, toen Salomo’s tempel nog stond in al zijn glorie. Ik stel mij voor dat uit dit volk te enigerlei tijd een verlosser komt. Niet een verlosser van de wereld, maar een vorst van het Jodendom. Het lijkt wel, of de vorsten hebben afgedaan in deze wereld  deze wereld van presidenten, parlementen, van praatcolleges overal. Men denkt niet meer aan een vorstelijk recht als aan een van God gegeven recht. Toch zijn er aan alle kanten dictatoren en komen er steeds meer. Overal steekt de dictatuur de kop op. Er is maar één middel om die dictatuur af te wijzen en dat is: even sterke en machtige persoonlijkheden daar tegenover stellen. Maar wij kunnen die nooit stellen als een dictator. We kunnen hen hoogstens stellen als vorst, dus een uit God geboren leider voor het volk. Een dictator vergoddelijkt zichzelf en vernietigt zo de samenhang met de eeuwigheid, met het geestelijk leven. Dat is niet aanvaardbaar. Maar als een exponent van diezelfde geestelijke kracht en datzelfde geestelijk leven kan iemand als leider (als regeerder) worden aanvaard.

Op deze wijze stel ik mij voor dat er inderdaad een Messias zal komen. Misschien zal het geen Joods wereldrijk zijn, tenminste niet zoals de ouden dat gedroomd hebben, maar het zal ongetwijfeld een rijk zijn met zijn eigen krachten en zijn eigen grootheid. En het zal mij helemaal niet verbazen, als deze Messias inderdaad uit het geslacht David stamt. Want ook nu zijn de nakomelingen van David nog niet uitgestorven, ook nu nog zijn er reine delen van Davids geslacht.

Laten we nu eens stellen dat die Messias eens komt, zou dat in strijd zijn met Jezus leven en leer? “Ik kom om u de weg te tonen tot mijn Vader:” dat is niet: “Ik ben gekomen om u te bevrijden.” Zeker, de theologie van Paulus heeft zo langzamerhand van Jezus iemand gemaakt, die de zondelasten der wereld draagt en die dus werkelijk een soort vergeestelijkte Messiasrol op zich neemt. Maar laten wij niet vergeten: dat zegt Jezus niet, maar Paulus. Saulus van Tarsus, een Jood, die de christenen vervolgt met grote haat. Saulus van Tarsus, wel geschoold in de verschillende leerstellingen en haast ongelovig ten aanzien van een voortbestaan. Deze bekeerde Saulus moet een verband brengen tussen de enige verwachting, waar hij dan nog in geloofd heeft: de Messias, die – wanneer hij gestorven is – hem zal opwekken uit de dood en hem deel zal doen hebben aan zijn rijk (volksgeloof, want het staat nergens geschreven) en Jezus. Jezus, die hem als een licht openbaart de weg tot God.

Ja en dan ga je alle elementen aan elkaar plakken. Maar neem mij niet kwalijk, als ik iemand heb, die een beetje behoorlijk gezet is en tamelijk joviaal, ik plak hem een baard aan, zet hem een muts op en geef hem een teugel met belletjes eraan, is dat dan een kerstman? Als ik verschillende delen bij  elkaar pas, die niet bij elkaar horen, kan ik dan met recht zeggen: “Dit is de waarheid?” Ik geloof het niet.

Jezus nu speelt op zichzelf nooit voor God.  Wel zegt hij in sommige gevallen, zoals in een der Evangeliën duidelijk vermeld: “Niet ik ben het, die tot u spreek, doch het is de Vader, die tot u spreekt door mij.” Jezus neemt hier een zuiver kenbare bemiddelingsfunctie waar. Hij is het medium, de mediator, tussen het Goddelijke, de Goddelijke waarheid en de mensheid. Maar hij zegt nooit: “Ik ben God.” En hij zegt nooit: “Ik ben de zoon, Gods.”  “Want men zal de zoon des mensen uitdrijven en doden.” Dat zegt hij wel van zichzelf. Wat zegt Jezus dan nog meer van zichzelf? “Ik heb mijn taak gevonden en ik moet heengaan.” als hij afscheid neemt van Maria. Tegen Johannes: “Ik aanvaard van u deze doop in waarheid.” Klinkt dat als een verlosser? Klinkt dat als een Goddelijk wezen?

Later heeft men gezegd, dat Jezus de doop heeft ingesteld, want hij heeft zich laten dopen in de Jordaan. Voor mij een volkomen onlogische conclusie overigens. Want als hier de koningin een kroketje gaat eten, heeft zij dan daarmede een sacramentele handeling voor elke Nederlander ingesteld, zodat om een goed Nederlander te zijn, politiek, men dus elke avond een kroketje moet gaan eten? Dat zou toch dwaas zijn, nietwaar? Jezus laat zich dopen door Johannes, hij bekent zich als vrij van de wetten van de tempel. En van de tempeldienaren vooral.

Hij gaat leerlingen zoeken en hij doet dat zeer duidelijk op een eenvoudige manier. Hij gaat naar iemand toe, bv. Simon Petrus en zegt: “Laat uw netten achter en volg mij.” Petrus kijkt hem eens aan en denkt: “Dat klopt wel.” en gaat mee. Maar als diezelfde Petrus later tegen Jezus zegt: “Heer, zijt gij de verlosser, die ons beloofd is?” dan zegt Jezus hem niet: “Ik ben die verlosser.” maar hij zegt letterlijk: “Ik ben u gegeven tot een licht en een leidsman. Ik geef u de kracht des Vaders. En het licht des Vaders is in mij zodat ge kunt komen tot het Koninkrijk Gods en het licht des Vaders, gaande uwe wegen.” Hij zegt helemaal niet: “Ik ben de verlosser.” Hij laat Petrus in die illusie. Als Petrus dat met alle geweld wil, mag hij dat rustig denken. Jezus heeft er geen bezwaar tegen. Hij is niet de Messias, de bevrijder van het rijk dus hij is – zoals hij duidelijk zegt – iemand, die het Koninkrijk Gods brengt.

En dat Koninkrijk Gods wordt dan geïnterpreteerd als een koninkrijk op aarde. Natuurlijk, hun volk is Gods volk en als er een koninkrijk Gods is, dan is het logisch dat dat a.h.w. een groot keizerrijk wordt op aarde met als middelpunt de tempel en als gezag de priesters en de rechteren Israëls. Ze denken er niet verder over na, maar Jezus zegt het nooit. Er is slechts één uitzondering. En dat is als ze voor het gerecht – beter gezegd voor het Sanhedrin – Jezus vragen; “Zijt gij de zoon Gods?”, Jezus daar heel diplomatiek op antwoordt: “Gij zegt het.” Als u tegen mij zegt: “Je bent gek” en ik zeg tegen u: “U zegt het,” heb ik u dan gelijk gegeven? Heb ik dan iets bekend of erkend?

Jezus erkent en bekent niets. Ja, wat meer is, als hij spreekt met zijn kleine kring van apostelen, dan zegt hij dingen, die ons overtuigen dat hij zich niet beschouwt als de Messias van Israël maar als het licht des Vaders. Hij spreekt n.l. ondermeer onderweg met hen, kort nadat zij te Kapernaüm gerust hebben. En dat gesprek gaat natuurlijk over dingen, die belangrijk zijn. Het volk loopt hem na, en automatisch komt Judas en zegt: “Meester, er zijn zovelen die u volgen en zoveel wordt ons geboden.” Hij bedoelt “Ik kan gauw een krijgskas bij elkaar krijgen. “Wanneer zult ge in uw rechten treden?” En dat is heel logisch. Judas zit maar te wachten, totdat hij zoiets als rijkskanselier wordt van de grootvorst Jezus. En dan geeft Jezus hem een heel typisch antwoord: “Dat, wat ik moet zijn op deze wereld volgens de wil mijns Vaders, ben ik. Ik ben niet geroepen om heerscharen aan te voeren, noch om slaven te bevrijden, doch slechts om u het pad te tonen van de vrije geest en het Koninkrijk Gods.” Had hij dat Koninkrijk Gods er nu niet bijgehaald, dan had Judas misschien gezegd: tabe. Dan had hij het wel geloofd. Maar dat Koninkrijk Gods, dat kon niet anders zijn dan het keizerrijk? En zo zijn ook de apostelen in hun illusies verstrikt. Zelfs Johannes vraagt hem – en dat is kort voor Palmzondag, dus voor de intocht in Jeruzalem -: “Heer, hoe zullen wij dit rijk des geestes kenbaar maken?” Jezus heeft hem gesproken over het rijk van de geest, waarin God regeert. En dan geeft Jezus hem dit antwoord en dat schokt zelfs Johannes even: “Zullen wij niet gaan in de stilte, zoals de God onzer Vaderen sprak in de stilte? Niet in het recht en niet in het gezag, doch slechts in de liefde, die de Schepper heeft voor Zijn schepselen, vinden. wij geborgenheid. Daarom zeg ik u, Johannes, mijn broeder, draag uit de liefde Gods en beleer alle volkeren, opdat zij in zich vinden de waarheid, die is het rijk mijns Vaders.” Dan kijkt Johannes hem aan, alsof hij zeggen wil: “Ja, maar nu moet je toch eindelijk eens voor de draad komen.” en dan zegt hij hetzelfde, dat anderen zo  vaak hebben gezegd: “Heer, zijt gij de Messias?” En dan zegt Jezus letterlijk: “Als een bevrijder ben ik u gezonden, doch niet van de banden van Rome, van de banden der slavernij: doch om u te bevrijden van de banden des geestes, zodat gij – niet verblind – kunt zien en ingaan en het loon uwer werken kunt ontvangen.” Het is gelukkig voor ons, dat Johannes hier aan het woord was, want Johannes was niet iemand, die direct naar beloningen keek. Daarom, toen hij zei: “Heer, wat is het loon van mijn werken dan?” gaf Jezus een antwoord, dat ik zo dadelijk in onze termen zal herhalen. “De  Vader is één met hen, die streven in Zijn naam en werken naar Zijn wil. Het loon is dit.” En Johannes begrijpt maar de anderen niet. De anderen zouden verder willen vragen, maar Jezus wijst hen af. Weet u hoe wij dat tegenwoordig zouden zeggen?

De mens, die God dient in al Zijn aspecten, zal alleen hierdoor reeds het bewustzijn verwerven, waardoor hij één kan zijn met het totaal der scheppende Kracht, als geopenbaard in alle dingen: en niet meer deelhebbend aan de schepping als een persoonlijkheid maar als een deel van het Goddelijke, zal hij ervaren het totaal der schepping in elke handeling, in elke daad, bestaande zonder eind. En dat is eigenlijk de waarheid.

Het is dit kind, waarvan men zo dadelijk de geboortedag herdenkt. Het is dit kind, dat in de plaats is gekomen van de terugkerende zon, van het rijzende licht. Het is dit kind, dat in de plaats moet treden van Balder, van Osiris, van alle Goden, die licht, zon en kracht brengen. Dat in de plaats moet treden van de grote Bel. Dat in de plaats treedt van de verre Goden van het noorden. Want zo hebben de kerken het gewild. En hierin ligt een onbewuste symboliek. Want men denkt dat Jezus is de enige leer, de enige weg, de enige waarheid. Maar onbewust heeft men hem in de plaats gesteld van alle Goden des lichts, die er ooit geweest zijn. En geloof me, die Goden des lichts zijn even belangrijk of even onbelangrijk als Jezus.

Belangrijk is alleen dat God Zich openbaart in het licht. Het gaat niet om de leer, de wijze waarop men tot het licht gaat, het gaat om het licht zelf. Het is heel iets anders dan een bevrijding of een overheersing. Het is heel iets anders dan het Koninkrijk Gods op deze aarde, geleid door een vorst, die onfeilbaar is in alle besluiten van kerkelijke aard.

Dit is Gods licht geopenbaard in velen, geopenbaard laatstelijk door Jezus Christus in een voor de wereld kenbare volheid. Geen Messias  of verlosser, maar een “lichtbrenger”. Waarlijk, men zou Jezus eenvoudiger de naam kunnen geven van Lucifer, dan van Messias, want Lucifer was de lichtdrager. En moge deze naam dan door de legenden en de trots van een wezen in een ver verleden in een euvelen geur zijn gekomen, Jezus was dit: de lichtdrager van zijn tijd en het licht nog van de jaren van heden,

Vrienden, ik zou willen zeggen, als wij zo dadelijk aan het kerstfeest beginnen (en dat doet u allemaal, de een met “Stille nacht, heilige nacht”, een ander met een extra gift voor de armen en nog een ander met een extra dutje), maar…..als u aan dat kerstfeest begint, denk dan niet aan dat Kindeke dat gekomen is om ons te redden. Want dan vervalt u in  de daadloosheid, dan geeft u zich over aan de legende. Denk aan het Kind, waaruit de kracht des lichts geopenbaard zou zijn.  En zo er ooit een licht gestraald heeft rond de ster van Bethlehem, van de ster boven de stal tot in de stal zelve, als er een lichtgloed uit het kind zelf is voortgekomen, dan is dit niet het teken van vorstelijke waardigheid of macht, maar de erkenning van het licht van een ziel, die in staat is het totaal van de Goddelijke liefde te aanvaarden en verder te dragen tot zijn uiterste consequenties. Denk niet aan het Kindeke Jezus als aan een sentimenteel en verheerlijkend ietsje, maar probeer eraan te denken als aan de komst van het licht. Misschien dat dan de duisternis van uw eigen tijden u ook herinnert aan de komst van het licht. Want eerst als in het midden van de winter de kilte het meest bar is en de  koude het grootst, als de winterstormen komen en steeds zullen gaan regeren, dan komt het eerste teken van het licht. Dus ook voor deze dagen, nu de stormen nog hevig zijn, het eerste licht reeds komt en meer en meer toeneemt, totdat er een nieuwe zomer zal zijn voor de mensheid.

Vrienden, dit was een beetje een ongebruikelijk betoog. Sommigen uwer zullen het zelfs areligieus vinden. Het is niet mijn bedoeling om een Godsdienst aan te tasten of te vernietigen, maar wel om u aan te duiden, dat er een grondwaarde is, die verder gaat dan een bepaalde godsdienst. Een grondwaarde, die geldt voor alle mensen op aarde en waarbij de uiterlijke vorm onbelangrijk is.

o-o-o-o-o

Als ik al deze overwegingen omtrent Kerstmis hoor, dan denk ik zo uit mijzelf aan dat belangrijke licht, waarover mijn voorganger het had. En misschien dat ik dan ook fouten maak, als ik mijn eigen zienswijze aan u voorleg, maar  één ding ben ik het met hem eens: belangrijker dingen dan het licht zelve kunnen wij nergens vinden.

Stel u voor dat God schept. Hoe staat het geschreven?

“In den beginne was het Woord, het Woord was in God en het Woord was God.”

Een trilling, een klank, een ijlheid, maar met scheppende werking. En wat vinden wij onmiddellijk erop volgend? En de Heer zei: “Het worde Licht.” En het was Licht.” Typisch, als je dat zo bekijkt. Voor alle dingen schept God licht. Licht, de essence van het leven. Doof de zon en wat zal er op uw eigen wereld bestaan? Niets, U niet, geen plant, geen leven. Doof het licht van de sterren en wat blijft er over van een heelal? Ga verder. Neem het licht weg van de geest en vraag u af waar zij nog kan gaan. Waar zij nog werkelijkheid kan vinden. Waar zij nog God kan vinden. Er zou niets meer zijn.

Als Brahma’s nacht het licht der sterren dooft en het licht voor de geest, dan nog draagt de geest in zich licht. Als alle uiterlijkheid schijnt teniet te gaan, dan nog leeft in onszelf de vonk van leven en bewustzijn: Goddelijk Licht. Het licht is het belangrijkste. Zonder licht geen leven en bestaan. Het licht is niet God Zelve, maar het is voor ons Zijn direct kenbare openbaring en uiting.

Kerstfeest is een feest van licht. Maar hoe kunnen wij een feest van licht vieren, indien dit licht niet in onszelf bestaat? Kan er een kerstfeest worden gevierd, waarin de kaarsvlammen de plaats innemen van het innerlijk weten en de innerlijke vreugde? Neen, wij moeten ons richten tot het Licht zelf. Maar dat Licht is niet, mijne vrienden, voor ons de eeuwige waarheid of de eeuwige zaligheid. Het licht is voor ons de erkenning binnen God. In het Goddelijk Licht wordt ons de waarheid getoond omtrent eigen wezen en het wezen en zijn van anderen. In het Goddelijk licht wordt de essence van ons bestaan klaar en helder ons voorgelegd. Wij hebben een taak, wij hebben een plicht, een vorm en gestalte, die dwingt te gaan langs de wegen, die juist de onze en niet andere wegen zijn.

U zult zich afvragen wat ik hier over dat Licht allemaal wil zeggen. Het is niet veel, want wij willen het medium niet te zwaar gaan belasten. Een paar punten zou ik graag aan uw aandacht onderwerpen, juist nu Kerstmis naderbij komt.

Indien wij weten omtrent God, zullen wij dan niet veel zuiverder begrijpen wat de wereld is? Een onbezield bestaan is voor ons een spel van toeval, een soort schaakspel, waarbij vreemde krachten als natuur en noodlot de zetten met elkaar afwisselen en voor ons, pionnen op het bord, alleen maar de dood, ja, dan ook werkelijk alleen de dood blijft.

Maar stel dat er een God is, een God die leeft in elke vorm. Dan moet elke beweging van het noodlot, elke kracht, die we ontmoeten in de wereld en die van uit de wereld tot ons komt, niet slechts zijn een schaakzet, maar een deel van ons wezen en onze werkelijkheid. Het licht is de erkenning. En ik wil graag accepteren, dat Jezus het licht is, waarin wij onszelf kunnen erkennen voor wat wij zijn: zoals zijn leven zelfs in de verwrongen vorm der overleveringen  ongetwijfeld een beeld is van hetgeen wij zouden kunnen zijn. Hetgeen wij zouden kunnen zijn maar niet zijn. Het onthullend licht, dat ons de werkelijkheid toont omtrent onszelf en daarmede tevens onze gebreken, onze tekortkomingen en onze mogelijkheden.

Wat geeft het of wij de wereld volmaakt maken, als wij zelf niet deugen. Wat heeft het voor zin iets te doen voor de wereld, als je daarmede jezelf niet maakt tot een deel van die  wereld. Het is gemakkelijk genoeg aan uiterlijke waarden te blijven hangen en je misschien voor te stellen, dat bon maintien en al wat erbij hoort het werkelijke licht van beschaving en cultuur is. Maar als je verder kijkt, zie je dat dit niet waar is. Jezus toont ons in zijn leven de intensiteit van éénwording met de Schepping. Daardoor weten we voor onszelf dat we al deze bijkomstigheden, deze komedie (als u me toestaat, het zo te noemen), opzij moeten zetten om daarvoor in de plaats te vinden de waarheid van ons eigen wezen, de werkelijkheid vanuit de wereld, de ervaring die waar is.

Voor mij is kerstfeest niets anders dan een aansporing. Een aansporing om de waarheid, die steeds weer in het eigen wezen geboren wordt, niet te verloochenen en voorbij te gaan. Want ge weet omtrent uzelf wat ge zijt en ge weet veel van het lot dat u wacht. Over het algemeen bemantelt ge het en laat ge dat Licht sterven. Slechts wie de werkelijkheid aanvaardt zoals ze is, zonder dromen en zonder illusie, maar met een waar begrip van de belangrijkheid, die hij/zij heeft in het bestaan, kan werkelijk deel worden van God en van de Schepping. Voor mij is het Goddelijk Licht (en daarmee zeker ook het kerstgebeuren) in Jezus’ leven al een aanduiding van onze eigen mogelijkheden. Ja, eerder nog het vermogen om zelfstandig en vanuit onszelf God en ons eigen wezen te erkennen, dan de leidraad of de regering, die ons moet voeren naar een eeuwige zaligheid, waar engelen met zoetgevooisde stem zullen zingen en het kinderverhaal der Schepping opnieuw begint. Mij lijkt het, dat Gods Licht en Jezus’ leer beide in de eerste plaats willen zijn: het felle licht, dat de mens met zichzelf confronteert. Het lijkt mij, dat de vele openbaringen, door ongetelde eeuwen gegeven aan de mensheid, niet in de eerste plaats zijn de heerlijke raadselspreuken, waardoor je kunt verwachten eens bevrijd te worden van eigen aansprakelijkheid, maar de richtlijnen, langs welke men kan komen tot een volledig begrijpen en dragen van die aansprakelijkheid. Het licht der eeuwen, het licht der waarheid, de straal van Goddelijk Licht in onze harten, zijn niet de oplossing van het raadsel, maar de duiding van de weg, waarlangs wijzelf het raadsel van ons bestaan kunnen oplossen, om onze juiste plaats en verhouding te vinden in en t.o.v. onze Gods de eenheid met het totaal van het geschapene en de Kracht in ons om de wil van het totaal in elk deel van de Schepping te openbaren. Voor mij is kerstfeest daarvan hoofdzakelijk het feest.

Ik zou zeggen, vrienden, leef van binnen een heel klein beetje met dat licht, overeet je niet aan kerstkrans, kerstgans en al wat daarbij hoort en laat je niet te veel ontroeren door een “Stille nacht, heilige nacht”, hoe mooi het ook klinkt. Maar zoek naar licht in jezelf, opdat je beseffen zult wat Kerstmis en wat Bethlehem, wat Christus en Jezus betekenen voor de mensen van de wereld.

0-0-0-0-0-0-0-0

DE  LICHTBRENGER

Er is vaak een duisternis in ons en in ons leven, waardoor wij niet meer beseffen wat waar is. Het lijden van het eigen “ik” en dat van anderen overspoelt ons. We zien het noodlot van de wereld fel getekend in zwarte schaduwen tegen de vurig rijzende paddenstoelen van de atoomzuilen. En wij vragen ons af wat het voor zin heeft om te leven. Het is zo moeilijk – zelfs wanneer je op aarde gelooft aan een voortbestaan – toch nog iets te bouwen, dat waarde heeft voor jezelf en voor die wereld te allen tijde. En dan soms – je weet niet hoe –  is er een licht in jezelf.

Misschien spreekt u van een Lichtbrenger, misschien spreekt u van Jezus Christus, van hem, die geboren werd in Bethlehem en sterven moest buiten Jeruzalem aan het kruis. Maar hoe ge ook spreekt en denkt, de Brenger van het licht zelve is meer dan dit. Want toen in het begin, in het eerste duister, de eerste vonk als een ziel werd uitgezonden, toen werd de Lichtbrenger zelve geopenbaard. Want hij is God, Hij is het Alscheppend Vermogen, de Vader van het Al, het Eerste Gebeuren. En licht is Hij geweest door alle tijden heen en licht heeft Hij gebracht aan de mensen door de stemmen van profeten. Hij heeft zich geopenbaard in de toorn van het natuurlijk gebeuren. Hij heeft werelddelen doen verzwelgen en doen rijzen. Hij heeft nieuwe sterren aan de hemel geplaatst en heeft ze gedoofd, tot de kille koelte van het Al ze als zwarte stippen verzwolg. Hij, de brenger van licht, is de kracht der eeuwigheid zelf.

Als wij soms voor een ogenblik open kunnen staan – onbeperkt en onbegrensd – voor de volheid van Zijn wezen en openbaring, dan herleeft het licht in ons, dat Hij ons schonk. Dan klinkt in ons de zilveren, ja, gulden klankenregen van de ziel. Dan fluistert het woord der oneindigheid voort en wordt ons een licht geboren, dat als een aureool zich uitspreidt rond ons wezen en ons de wereld doet zien met verbaasde ogen in een nieuwe gestalte, in een nieuwe vorm en gedaante.

Lichtbrenger is God, God zelve: en Zijn licht heeft Hij gemaakt tot een heirleger van lichtende kracht. Uit Zich brengt Hij voort wat wij noemen: engelen, hiërarchieën, tronen en heerschappijen. Uit Zich brengt Hij voort de kern van de mens. En in dit alles brandt gelijkelijk Zijn licht. Zijn woord en Zijn licht weerkaatst in alle dingen.

Kunnen wij Hem, Die dit licht heeft gebracht, omschrijven?

Kunnen wij in de vele vormen, waarin Hij de mens benadert, waarin Hij Zich in de geest openbaart, iets zeggen van de grote Werkelijkheid?

Is het ons mogelijk iets te doen zien, te doen erkennen, te bewijzen, dat verdergaat dan het licht in onszelf?

De Lichtbrenger mag en kan ik u niet omschrijven, vrienden. Want Hij, die het licht brengt en is, Hij is God. Hij is onmetelijk en oneindig. Maar de Lichtbrenger beroert ons wezen. En soms zal in ons zelf voor een ogenblik een gedachte aan kracht geboren worden, zullen wij doorzien onze eigen illusies en de illusies van de wereld. Soms zullen wij weten machtig te zijn en klein tegelijk. En in dit gevoel zullen wij iets vinden van het licht en dan spreken van uit ons wezen de bede: “Heer, wij danken u voor ons leven. Uw wil geschiede met ons, want Gij zijt het goede, Gij zijt het ware en het juiste. In Uw licht en Uw werkelijkheid, Heer, laat ons bestaan volgens Uw wil.”

Wanneer dat gebed, woordeloos vaak als alleen een flits van gevoelen, in ons ontstaat en uit ons spreekt, dan is de Lichtbrenger in ons. Dan vliegt het licht van de ziel tot de kern van het Goddelijk Zijn en keert terug, lichtender en sterker dan ooit tevoren. Dan blust het aards gebeuren uit, als simpel schimmenspel van nevel en wolken, tekenend schaduwen in de zon. Dan komt daarvoor in de plaats de felheid, de eenheid met Licht, waardoor wij worden tot gulden kracht, dragend al wat ons te dragen wordt gegeven. Meer nog, herstellend datgene, wat wij herstellen kunnen, opdat de wolken verdreven zullen worden en de gulden werkelijkheid Gods, geopenbaard in het licht dat Hijzelf ons brengt, moge treden in de plaats van de waan, die zo vaak een mensen lot somber, treurig en zorgelijk doet schijnen.

Laat dan onze God ons het Licht brengen. Niet het licht van Kerstmis, maar het Licht der eeuwigheid. Opdat wij  in dit Licht erkennend de waarheid  mogen ingaan tot de grote vrede, waarin is waarheid en verrukking, het wezen Gods, het wezen des Lichts zelve. Vanwaar wij misschien eens zullen uitgaan, zelf lichtdragers en lichtbrengers, als deel van Dat, waarheen wij thans nog streven.

 Ik wens u toe, dat  of de dagen duister zijn of licht  in uzelf het licht steeds sterker worde, opdat u meester zij over datgene, wat u thans als een noodlot schijnt te regeren.