Wegen tot inwijding en bewustwording

19 februari 1961

Zoals u weet, zijn er duizenden wegen die alle tot inwijding en bewustwording voeren. Je zou die wegen kunnen onderscheiden in de wegen van verstand, van magie, en van gevoel. Het is typisch, dat vooral in deze tijd de meeste mensen grijpen naar de gevoelsweg, terwijl degenen, die aandacht wij den aan het verstand, in de minderheid zijn. Dat impliceert natuurlijk, dat de wegen die wat harder zijn, wat minder aangenaam aandoen, voor de meesten buiten beschouwing blijven.

We bevinden ons echter in een periode van vernieuwing, van ontwikkeling, en het is dus goed om nog even na te gaan, welke gedachtegangen er o.m. dus tijdens het ontstaan, en de wording van de mensheid zijn geweest op dit terrein, Dan wijs ik allereerst op de primitievere weg, die magisch is. Op het ogenblik dat wij erkennen dat er goden of krachten zijn die hoger staan dan wij zelve, kunnen wij een proces beginnen van identificatie met deze persoonlijkheden.

Hoe hoger mijn God, hoe gemakkelijker het mij lijkt mijn doel te bereiken, ook als het in feite niet waar is. Een dergelijke inwijdingsweg vergt een terzijde stelling van het ik en ook voor een groot gedeelte van het persoonlijk denken. Daarvoor in de plaats komt het voortdurende pogen om, ja, ik zou willen zeggen, meester te zijn over de krachten der natuur en de entiteiten, die daarin leven. Deze wegen gaan dus uit van een bepaalde godheid, van een magische sleutel en eigenaardig genoeg ook van bv. beheersing door middel van klank, van assimiliteiten, overheersing, kortom door middel van gelijkenis.

Deze weg bestaat natuurlijk ook in deze dagen nog, maar in haar volledige magische intentie is zij voor de mens van deze dagen niet geschikt. Wat daar nog van geschikt blijft, krijgt een heel andere vorm. Ik denk hier onwillekeurig aan onze nieuwe wereldleraar, die in zijn betogen o.m, omtrent fakirisme en een bepaald deel van het Soefisme opmerkte: “Wij moeten wel begrijpen, dat geen mens zijn eigen weten terzijde kan zetten om zo een eenvoudige weg te volgen, Een elk moet uitgaan van zijn eigen wezen, zijn eigen persoonlijkheid. Hij moet daarbij rekening houden met al hetgeen hij kent en al hetgeen hij zeker meent te weten. Daarnaast moet hij in staat zijn, zijn geloof enigszins te omschrijven. Eerst degene die aan al deze voorwaarden voldoet, kan verdergaan.”

En hij vervolgt dan, ofschoon dat binnen mijn onderwerp eigenlijk niet hoort:

“In de tijd waarin gij leeft, zult gij dus een weg moeten gaan, waar bij uw eigen weten een zeer grote rol speelt, uw eigen beheersing van de wereld, uw zakelijkheid de nadruk krijgt, ook in het geestelijke. Slechts zo zult ge in staat zijn uw God eerlijk en oprecht te benaderen. Er is een voortdurende band tussen de kracht Gods en elke mens. Voor de moderne mens moet deze echter in het gevoel beleefd worden. Vanuit de gevoelswereld komt men dan tot een weten, een voortdurend groeiende ervaring die het mogelijk maakt reeds tijdens een stoffelijk verblijf, (Jezus zegde:”tijdens ons leven op aarde,” de nieuwe wereldmeester drukt het uit: “ons wereldlijk bestaan,” termen te over dus) te komen tot een zodanige wetende en bewuste identificatie met de Grote Kracht, dat wij van daaruit de goddelijke wetten in onszelf erkennen. Een toespeling dus op de weg die voor deze tijd de meest aanvaardbare is.”

Maar ik heb ook nog gesproken over de verstandelijke wegen. Een weg van het verstand, mijne vrienden, zult u altijd moeten beschouwen op de volgende wijze: Het weten van de mens staat voor grenzen. Het menselijk bewustzijn en denken kan niet buiten de grenzen van de menselijke wereld gaan. Degene, die de verstandelijke weg volgt, zoekt dan ook zijn God te identificeren met stoffelijke verschijnselen. Hoe meer hij de stoffelijke wetten, de natuurkrachten en de verschijnselen met zijn God identificeert en deze begrijpt, hoe dichter hij zich bij zijn God gevoelt. Hij aanvaardt deze godheid, want hij begrijpt heel wel, dat hij krachtens zijn verstandelijke middelen, zijn redelijk bewustzijn, niet in staat is die God te beheersen. Hij zal in het denken echter trachten zijn geloof omtrent hogere krachten mee te verwerken op een zo redelijk mogelijke wijze, gebaseerd verder op de filosofieën, die veelal door mensen voor hem zijn ontwikkeld.

Deze wegen kunnen dus wel zeer verschillend zijn, want u weet zelf wel wat voor verschillende filosofische richtingen er in de wereld bestaan. Maar alle hebben ze één ding gemeen: ze worden begrensd door het menselijk bewustzijn en voeren dan ook m.i. niet tot de hoogte waartoe de magische weg de mens kan brengen. Onze wereldleraar merkt hierover op:

“Het weten is niet voldoende. De mens die leeft naar zijn eigen weg en middelen zal misschien iets van de goddelijke kracht kunnen ontdekken, maar hoe kan men één zijn met de scheppende kracht zelve, indien men tracht deze te definiëren aan de hand van het menselijk bewustzijn en het menselijk begrip? Daarom zeg ik u: Geen openbaring, geen redelijke verklaring (wij zouden daar waarschijnlijk zeggen: theologie ook), geen enkel kennen van de menselijke zienswijze kan u tot een volmaakte bereiking voeren. Het is noodzakelijk, buiten het menselijk kennen om, de onmetelijke liefdeskracht van het goddelijke te aanvaarden, de zinrijkheid van het leven, ook buiten menselijk begrip om, als zekerheid te stellen, wil men kunnen ontkomen aan zichzelf en zo de grotere vrijheid van het goddelijke vinden.”

U begrijpt; de vertaling is wat verkort, maar het is een aardige aanduiding dus van de zienswijze, die wij bij de wereldmeester vinden en m.i, tevens een goed oordeel over de zuiver redelijke weg.

De laatste groep van inwijdingswegen noemen wij wel de inwijdingswegen van het gevoel. Het gevoel is een moeilijke zaak, want hier spelen begrippen als onderbewustzijn, identificatieverlangens, uitdrukking van eenheidsgevoelens enz. een zeer grote rol. U zou het ’t beste misschien als volgt kunnen stellen: De mens zal emotioneel vele dingen in zich kennen of aanvoelen, die hij noch redelijk bewijzen, noch magisch gebruiken kan. Indien hij zich echter op deze gevoelswereld baseert en vandaar uit werkt naar een redelijk uitdrukken van zijn gevoelens binnen zijn eigen wereld, zo betekent dit gevoelsbeleven een vervulling. Bij deze vervulling van het leven, die dus ook metterdaad tot uitdrukking komt, zal hij zich alleen emotioneel en zonder werkelijk begrip of omschrijving één kunnen voelen met grotere krachten, hij zal nimmer zeggen: Ik ben meester, ik handel vanuit mijzelf. Maar geleid door deze emotionele drang plus zijn aanvoelen van de lichtende juistheid daarvan, komt ook deze mens tot het uitdrukken van een goddelijke kracht. Hij doet dit als volkomen dienend element en vraagt zich daarbij verder niet af in hoeverre deze diensten, die hij aan God bewijst, of meent te bewijzen, zin hebben of niet.

Voor de mens, die de emotionele weg volgt, is alleen de aanvaarding van het feit : “God werkt door mij” voldoende. Het schijnt dat deze weg of deze wegen in de moderne tijd bijzonder belangrijk beginnen te worden. Onze nieuwe wereldleraar merkt o.m. op (ik doe een greep uit zijn vele verklaringen in dit opzicht):

“Wie in zich het gevoel heeft één te zijn met hogere krachten, wie zich innerlijk beschermd weet door hogere krachten en gedragen door een vermogen groter dan het zijne, behoeft deze dingen niet te omschrijven. Het is onmogelijk de werkelijke godheid te definiëren, maar waar elke mens een deel van de godheid in zich draagt, waar elke mens verbonden is met de godheid, met vele onkennelijke draden en banden, zo zal die mens zijn grootste bereiking vaak in het gevoel vinden.”

Hier duidt Hij dus op bepaalde praktijken, die tegenwoordig in het Oosten nog al eens worden verworpen als zijnde te instinctief en teveel uitgaande van laten we maar zeggen bijgeloof, niet waar, onredelijk geloof. Een andere keer gaat hij het volgende opmerken:

“Gij zegt tot mij: Ik wil weten, maar hoe kunt ge datgene weten wat werkelijk is? Is niet de kracht, die mij gezonden heeft, als een oceaan en zijt gij niet als een klein en beperkt vat? Hoe kan een oceaan in een vat gegoten worden? Hoe kan het begrip van de werkelijkheid bevat zijn binnen de mens, of zelfs binnen een vrijere geest? Gij kunt niet het geheel omvatten, maar indien de oceaan in zich een deel afstaat van zijn wezen aan het vat en het vat erkent dat als oceaan, zo is er toch een eenheid geboren.” Hij bedoelt hiermee te zeggen (althans m.i.), dat wanneer wij in onszelf het goddelijk licht erkennen, we nog niet in staat zijn om het goddelijk licht als geheel te omvatten of te begrijpen, en juist de moderne tijd met haar behoefte van classificeren, rubriceren en definiëren, moet dus eigenlijk wel haar redelijkheid achterlaten en zij mag zelfs niet zoeken naar het magische element hierin, waar haar dat op het ogenblik praktisch vreemd is. Nee, zij moet beseffen:“Ik draag in mij een deel van het goddelijke en kan, doordat dit deel in mij leeft, deel hebben aan het totaal goddelijke dat ik niet begrijp.” Een alweer zeer interessante stelling en daarnaast, naar ik meen, een redelijke aanduiding van het pad dat de mensheid zal inslaan.

Hij heeft natuurlijk vele beschouwingen gegeven over dergelijke onderwerpen. Ik wil uit die veelheid nog slechts één keuze doen. ”Gij vraagt u af, of men het recht heeft alle middelen van een moderne maatschappij te gebruiken, indien men zich innerlijk alleen op de godheid baseert. Ik zeg u echter: “Indien gij, de rede slechts voor uw eigen leven erkennende, het goddelijke wilt aanvaarden in al wat op uw wereld is en geschiedt, zo zult gij de harmonie die daaruit ontstaat in u als een gevoelswaarde ervaren en daardoor komen tot een juistheid van handelen en denken, die zich weerkaatst in het redelijk hanteren van de middelen, die uw eigen wereld u ter beschikking stelt.”

Dit laatste vind ik een geniale oplossing. Bij al deze wegen van inwijding, van nadenken, van zoeken naar werkelijkheid, is er haast geen enkele, die ons in staat stelt om alle faculteiten gelijktijdig te gebruiken en toch één bepaalde weg te gaan. Vandaar, dat zoveel van de z.g. inwijdingspaden wat hybridisch zijn en wij bv. vinden het alchemisme dat uiteen gaat vallen in een zuivere theorie en een poging tot praktijk; dat is vinden de visie van de oude magiërs, die uiteindelijk uiteen gaat vallen in wetenschap, in bijgeloof, in verbeelding van godenverhalen enz. Er is altijd een splitsing tussen deze richtingen, maar wat onze nieuwe wereldmeester daar zegt, maakt het ons mogelijk om het normale, redelijke bestaan te handhaven, óók als mens desnoods; alle middelen van een eigen wereld of een eigen sfeer volkomen bewust en redelijk te hanteren, maar toch daarnaast de eenheid met het goddelijke te vinden en door die eenheid met het goddelijke ook het magisch effect, dus de boven het ik uitgaande beheersing, te presteren wanneer dat noodzakelijk is.

De gedachtegang, die hieraan ten grondslag ligt, is natuurlijk oud, heel oud. Wij vinden hier weer terug de idee: “In alle dingen is God en er is niets wat buiten God en zonder God en zonder deel te zijn van de goddelijke kracht ook maar kan bestaan.” Deze visie is oud, maar ze wordt op een nieuwe wijze in de praktijk gebracht. De vernieuwing ligt hier vooral in het stellen van een redelijk element. Het redelijk element, dat zoals u zult beseffen, tot nog toe zelfs door de godsdienst werd uitgeschakeld. De godsdienst zegt op een gegeven ogenblik:”Zo is het!”

De nieuwe wereldleraar zegt dat niet, Hij zegt: “Gij zult moeten zoeken hoe het is volgens uw rede, maar ge zult uw rede en uw redelijkheid moeten doen steunen op uw innerlijk gevoel van éénheid met God.” En wanneer deze gevoelsmatige beleving van het goddelijke en het zo putten van krachten uit net goddelijke, u in staat stelt tot pogingen, die eigenlijk onredelijk schijnen, zult ge ontdekken, dat er dus naast uw redelijkheid een magisch of bovennatuurlijk element bestaat, dat wel degelijk in uw leven ingrijpt en u helpen kan. Geen dogmatiek, maar een leer van ervaring, die gebaseerd is op het gevoel van de mens, plus zijn redelijk besef van zijn wereld.

Nu komen we hier natuurlijk wel eventjes op een wat gevaarlijk terrein. Het is eenvoudig genoeg om te gaan zeggen: Nu ja, de rede, dat is de wetenschap van de mensen en wat er verder bij hoort, maar wij kennen bv. mensen die aan een bepaalde vorm van kabbalistiek, van magie, van astrologie, een redelijke betekenis toekennen, die ze niet voor het geheel van de wereld bezit. We zouden ons af moeten vragen: Moeten we dan deze elementen als niet redelijk zijnde verwerpen voorlopig?

Ik meen niet dat onze wereldleraar dit heeft bedoeld. Hij stelt n.l. niet, dat wij de rede en de redelijkheid van de totale wereld moeten aanvaarden, maar dat wij onze rede moeten gebruiken en daarbij komt een persoonlijk element in het geding. Er is wel eens gezegd: Er zijn zoveel paden tot inwijding als er mensen zijn op de wereld. Of dit nu helemaal juist is, durf ik niet te zeggen, maar het is wel zeker, dat praktisch elke mens een ander besef heeft o.m. van wat redelijk is, en deze redelijkheid kan niet genormaliseerd worden.

Voor de ene mens is de invloed van de sterren een onloochenbaar feit, voor de ander een bijgelovigheid, die ten hoogste door enkele toevalligheden een schijnbaar recht van bestaan aantoont, maar dit nooit feitelijk bezit. Beiden moeten echter tot God komen en we zouden wel dwaas zijn, wanneer we als eis zouden stellen: Om tot inwijding te komen moet je dus eerst je astrologie aanvaarden. Andere voorbeelden in dezelfde zin kunt u zelf toevoegen.

De kwestie, die ook heel erg belangrijk wordt voor ons, is natuurlijk de wijze waarop wij in God geloven. Het is eenvoudig te zeggen dat je gevoelswereld je dan voor een groot gedeelte mag en moet leiden, in samenwerking dus met het redelijke, maar vraag u nu eens af, of het wel mogelijk is die gevoelswereld juist te definiëren t.o.v. van God. Er zijn mensen die God vrezen. Het woord Godvrezend heeft lange tijd een zeer aangename roep gehad. Een godvrezend mens was een goed mens, maar is een mens, die God vreest, iemand die de makkelijkste, de grootste intensiteit van gevoelsbeleving kan vinden t.o.v. van God?

Ik geloof juist dat vrees in feite een je op een afstand houden impliceert. Iemand, die God vreest, kan volgens mij niet zover komen. Ik kan me vergissen. Toch moet ook dit een pad zijn, ook dit is een weg tot inwijding.

De gedachte aan God als een grote liefdeskracht is natuurlijk voor ons gemakkelijker aanvaardbaar en ze brengt ons dichter tot God dan welk ander beeld ook. Wij voelen een grotere eenheid en wij nemen juist door het stellen van deze liefde aan, dat al hetgeen uit schijnbare toevalligheden met en rond ons gebeurt, zin heeft, zijn betekenis heeft. Maar het schijnt dat deze weg niet de enige en misschien zelfs niet eens de allerbeste is. We kunnen ten hoogste zeggen: voor een bepaalde tijd kan zij goed zijn. Onze wereldleraar merkte op (het was tamelijk noordelijk in Achter Indië): “Dezelfde godin die gij eert, vreest gij. Gij roept haar aan voor vruchtbaarheid en geboorte en gij vreest haar en offert haar door doden. Dit is voor u misschien een weg, maar zo lang een God twee gezichten heeft, zult gij niet met beide één kunnen zijn. Vandaar dat ik u zeg: zo gij geloven wilt, geloof aan één van beide. Beter is het u aan de godin des doods en der verschrikking te geloven met uitsluiting van het andere, dan aan twee gezichten van die godheid te geloven; want indien gij twee zijden van de godheid ziet of wilt zien, wanneer ge uw gevoelens op twee wijzen tot de godheid dirigeert, zo stelt gij in uzelf een strijdigheid en zult ge nooit één van de twee facetten volledig beleven. Boven echter al uw goden staat de God uit wie al is voortgekomen (dat is dus tevens een beroep op een bepaalde Hindoe mythologie), in Hem is het scheppende; wees met dit scheppende één en vraag u niet af welke goden in uw leven ingrijpen, wetend dat zonder deze Ene dit niet mogelijk zou zijn.” En dan zou ik weer een volgend citaat daar onmiddellijk op willen laten volgen:“Jezus, die gij een groot profeet noemt, heeft u geleerd dat God een God van liefde is. De profeet, wiens leer gij volgt, heeft u gezegd dat rechtvaardigheid en de vrede tussen mensen de wil zijn van de Schepper en de beproeving van de rechtvaardige. Deze dingen strijden niet met elkaar. Indien gij erkent, dat het voor de mens meest kenbare, meest aanvaardbare en innerlijk best bruikbare facet van de godheid een onmetelijke liefde is, die zonder ophouden de mens beschermt en in stand houdt, hem tevens roepend tot een beter leven, zo zult ge van daaruit uw wereld kunnen beschouwen in een nieuw licht. Het licht dat gij in uw wereld vindt, bepaalt uw handelingen en schreden en helpt u zo wel degelijk de juiste weg te vinden naar het paradijs, waarvan ge spreekt.”

Ik geloof vrienden, dat we hier de kern hebben van de inwijdingsweg van deze dagen. Een kern, die misschien niet zo gemakkelijk door mij wordt uitgedrukt, omdat ik te veel ontledend denk, en zoals u weet is een weg, die uiteindelijk op het gevoel gebaseerd is, voor een redelijke omschrijving slechts zeer ten dele vatbaar. Eén van onze broeders heeft zich dan ook beschikbaar gesteld om juist dit aspect van de moderne inwijdingsweg zo dadelijk voor u duidelijk te maken.

Vóór ik echter van u ga, moet ik nog nadrukkelijk op enkele punten wijzen, die in de moderne maatschappij steeds weer op de voorgrond treden en belangrijk zijn. In de eerste plaats: Ook de rede zal u zeggen dat met uitersten niets verworven kan worden. Een mens, die in eigen leven tot het uiterste gaat zonder enig voorbehoud, zal op stoffelijk en redelijk grondvlak bemerken, dat hij uiteindelijk faalt. Wij kunnen nooit redelijk tot het uiterste gaan. Slechts in onredelijkheid bestaat deze mogelijkheid zonder fatale gevolgen. In de tweede plaats: Een wereld, die zo complex is als de uwe en tevens onderhevig aan zovele niet redelijk definieerbare invloeden als de uwe op het ogenblik, vergt van de mens een zeer snel omstellen van het ik en een dus voortdurend aanpassen van het redelijke, de redelijke verklaring en zelfs de onderbewuste reactie aan de feitelijke situatie. Slechts wie zich voortdurend aanpast, en niet blijft voortbouwen aan een ideaal dat te oud is, slechts wie zich een doel stelt, maar bereid is dit doel te wijzigen in samenwerking in verband met de omstandigheden, zal in het leven zelve tot resultaten komen. Dit geldt eveneens voor alle redelijke processen die met de bewustwording van de geest in verband staan.

Ten derde en ten laatste: Alle zoeken naar oneindigheid, al het zoeken naar een ontvluchting vooral in een meer geestelijke wereld, zullen moeten mislukken, omdat de oneindigheid tevens in de eindigheid van uw bestaan is uitgedrukt. Door uw eigen leven of slechts een deel daarvan te verwerpen, verwerpt gij dus een deel van de oneindigheid; gij beperkt haar en maakt de werkelijke openbaring van het goddelijke binnen u op niet redelijke wijze daarmee onmogelijk. Het is noodzakelijk het eigen leven ook zo redelijk mogelijk te aanvaarden, zich met denken en rede, evenals metterdaad, voortdurend te richten op de feitelijke toestand, deze niet verwerpende, maar steeds gebruikende als bouwsteen om tot een betere en juistere levensharmonie te komen. Eerst wie zo handelt, zal ook het oneindige voor zich erkennen. Voor het tweede deel van deze lezing geef ik dus het woord over aan een andere spreker, die zal trachten u duidelijk te maken wat de gevoelsweg in deze tijd kan zijn, zich daarbij, naar ik meen, baserend op de christelijke denk- en geloofswijze, maar toch ook het element van bovennatuurlijke krachten openbaring daarbij niet buiten beschouwing latend.

o-o-o-o-o

Wanneer wij in de moderne tijd de weg van het gevoel en het gevoelsleven willen bezien als mogelijkheid tot inwijding, zo komen wij onmiddellijk te staan voor het belangrijkste vraagstuk van elke mens en het merendeel van de geest.

Allereerst staan wij n.l. voor de vraag: Hoe aanvaarden wij God, hoe geloven wij in God, hoe dicht voelen wij ons bij God? En dan kan ik daar natuurlijk geen algemeen antwoord op geven, maar ik kan trachten u iets duidelijk te maken van de inwerkingen van het goddelijke, die ikzelf heb ondergaan en die ik ook in zovele anderen heb kunnen constateren. Wij weten dat God ligt buiten ons begrip, maar buiten ons begrip wil nog niet zeggen buiten ons bereik. De zuigeling in de wieg weet niet wat de moeder precies is en beseft het ook maar ten halve; toch weet hij zich te koesteren in de zekerheid van de moeder. Men voelt aan, hoe dit kind deze onbekende wereld ziet, en daaruit de moeder als beschermster, als deel van zijn wezen, aanvaardt. En dit blijft zo gedurende de hele kindertijd. Toch weet het kind niet. Het wordt door de moeder ongetwijfeld soms bestraft en het zal niet begrijpen waarom de ene maal zijn krijten met een lieflijk gebaar, met een liedje en wat sussen wordt beantwoord en een volgende keer met een: “nou, dan schreeuw je maar,” Het kind begrijpt dat niet, maar het voelt in zich de zekerheid: hier bij moeder ben ik veilig.

Ik geloof, dat dit de kern is tot onze benadering tot de goddelijke liefde. We kennen God niet; we staan evenals een pasgeboren kind volkomen onwetend tegenover het Grote Wezen, dat de schepping heeft voortgebracht. We begrijpen niet, waarom in ons leven al die verschijnselen optreden, waarom we vandaag ziekte kennen en morgen gezondheid. Waarom er vandaag wanhoop is en morgen vreugde. We beseffen niet, waarom God ons soms zo kennelijk schijnt te beschermen en voort te geleiden, waarom Hij soms zo tot ons spreekt, dat we Hem in ons menen te horen en het volgende ogenblik ons alleen laat. We begrijpen het niet, maar we voelen in onszelf toch wel aan, dat er een kracht is, waaraan we ons toe moeten vertrouwen. We kunnen deze kracht niet afwijzen, want dan staan we alleen en we zijn alleen machteloos.

In deze eigenaardige mengeling van eigenbelang, erkenning van eigen onvermogen, van onbegrip en behoefte, ontstaat dan onze band met de goddelijke liefde. Want het enige wat wij kunnen begrijpen is de benadering van God tot ons wezen. Zoals het kind geen redenen kent, maar aanvoelt als een uitstraling: Nu is moeder er, nu is er liefde in mijn omgeving, nu is er bescherming, nu ben ik zeker, zo gaat het ook ons. En dan mogen we ons hoge geest noemen, of beweren dat we maar klein zijn van bewustzijn en alleen maar mens, maar altijd weer blijft ditzelfde element een rol spelen. Wij voelen aan, dat God ons lief heeft. Wanneer we eerlijk zijn, dan geven we toe: God schenkt ons buitengewoon veel, een rijkdom, die niet te overzien is. Dat er een blauwe hemel is of een nog winterse dag, die aan de lente herinnert, of het de snelheid is en de wind tegen je gezicht, wanneer je in een open auto zit, of het de genoeglijkheid is van de medemensen die je ontmoet, de genegenheid die je plotseling ontdekt, altijd weer moet je zeggen: daarachter schuilt toch de goddelijke kracht, de goddelijke liefde, want dat is het enige waar we werkelijk op kunnen vertrouwen. Alles is voorbijgaand, alles is tijdelijk, alles is maar een moment in de eeuwigheid buiten dit Ene. Er is maar één ding voor ons blijvend: de bescherming die we van onze godheid verwachten.

In een wereld, die onzeker is, een wereld waarin de revolutie door dreiging van oorlog en atoomgevaar voortdurend weer je zenuwgestel schokt, waarin je je steeds weer af staat te vragen: hoelang zal deze wereld zo nog voortbestaan, een wereld waarin je niet meer zeker bent omtrent de mogelijkheid van bezit, een wereld waarin je eigenlijk niets meer weet, blijft juist deze liefde Gods als een vaste factor, een vast baken in je leven bestaan.

Je kunt die God buitenmate liefhebben, maar het is, geloof ik, nog belangrijker dat je God toestaat om je lief te hebben. D.w.z. dat, als God Zijn liefde openbaart, je er innerlijk antwoord op moet geven. Dat je niet boos wordt, wanneer er eens een keer een rechtzetting plaats heeft, wanneer er eens een keer een straf is, wanneer eens een keer niet alles slaagt zoals jij met je kinderlijk verstand zou wensen. Overgave aan het goddelijke maakt het God mogelijk ons werkelijk lief te hebben en Zijn liefdeskracht ons werkelijk te openbaren.

Dit lijkt mij het meest belangrijke van deze moderne tijd en van deze moderne weg. Ge voelt het zelf aan vrienden, ergens is een kracht die je steunt. Wanneer je helemaal alleen bent en niet meer weet, waarheen je te keren en te wenden, dan kun je, wanneer je aanvaarden wilt wat is, juist daar die éne kracht die God altijd vinden, altijd die warmte in je hart, die zekerheid, die kracht zelfs die je plotseling weer schijnt te doortintelen, die je méér maakt dan je uit jezelf ooit zou kunnen zijn. Op die God meet je een beroep durven doen. Juist wanneer je een pad van inwijding gaat, een pad naar een geestelijke volwassenheid, zul je die God moeten aanvaarden. Men zegt wel eens zo: “Mother knows best.” Moeder weet het het beste, laten wij dat dan vervangen in ons leven, in ons denken door: God weet het ’t beste, God weet het beter dan wij alle maal. Wij hebben geen recht om ons tegen God te verzetten en wanneer God ons eigen pogen, ons eigen ideaal van leven corrigeert, dan moeten we dat aanvaarden, want dat heeft zin, dat heeft reden.

Wanneer we zo kunnen leven, dan hebben we de eerste basis gelegd voor een inwijding langs een weg van het gevoel, die, zoals mijn voorganger terecht opmerkte, niet de rode en de magie zonder meer uitsluit, naar deze slechts als voortbrengsel ziet en als begeleidingsverschijnsel van de innerlijke aanvaarding en de innerlijke kracht. Heb je deze eerste schrede gedaan, heb je die grondslag gelegd, dan komt onwillekeurig een tweede punt in het geding, een tweede kracht. Want op het ogenblik dat ik God aanvaard (daar kan ik niets aan doen, dat kan ik ook niet verhinderen) ontstaat een eenheid tussen mij en God. Op het ogenblik dat ik alle verzet vergeet, voor de stofmens dus alle stoffelijke leed, alle stoffelijke zorg, alle stoffelijke pijn voor een ogenblik kan verliezen, al is het nog maar zo kort, dan heb ik in dat ogenblik God in mij. Hij zal wel altijd in mij bestaan en ik geloof heel graag, dat wij allen uit God geschapen zijn en altijd uit God bestaan en voortbestaan in Zijn kracht alleen, maar wanneer het verzet in ons geheel is opgehouden, geheel terzijde is gesteld, dan juist (en dat weet ik zeker) dan openbaart zich in ons kenbaar, al is het maar als een emotie, als een gevoel, God. Te leren deze momenten van stille vrede, van vervuld zijn, te beleven, lijkt mij dan een belangrijke schrede verder op het pad.

Want slechts de mens die God voortdurend beleeft, kan leren God zozeer te vertrouwen, dat hij Diens wil vanuit de gevoelswereld en zonder redelijk element gaat volgen. God heeft natuurlijk een wil. We weten misschien niet precies hoe Gods wil is, precies, ach, nee; maar we weten wel dat er in ons krachten zijn, die ons voortjagen, die ons dringen in een bepaalde richting; we weten, dat er in ons elementen zijn die ons kwaad schijnen en andere, die ons goed schijnen. We weten dat die waarden heel vaak wisselen: wat vandaag goed lijkt, lijkt morgen kwaad en omgekeerd. We weten dat wanneer iets ons volkomen goed lijkt, volkomen goed schijnt en wij in onszelf refererende aan God geen weerstand daartegen vinden, dit een deel mag genoemd worden van het goddelijk wezen en de goddelijke wetten en de goddelijke wil.

Op die manier kun je dus een metterdaad vervullen van die goddelijke wil tot stand brengen, dan kun je redelijk nog wel eens zeggen: Het was misschien beter anders geweest, maar dat is rede en de rede kan alleen verklaringen gebruiken en zo kan niet eens werkelijk met de feiten overweg. Dit begrijpende zeggen we: Ja goed, vanuit ons standpunt zou het beter zijn geweest als het anders was geweest, maar we moeten in onszelf toch aanvaarden: toen was dat goed, ik heb toen gehandeld, zoals ik dacht dat het goed was en als het de vruchten niet heeft afgeworpen, die ik er redelijk van verwachtte, dan is dat Gods wil. God in Zijn liefde heeft dit voor iets beters bestemd. Hij heeft dingen tot stand gebracht, die wij niet kunnen overzien, maar ze zijn er.

Dat klinkt moeilijk, het is een soort mystiek misschien, maar geloof me vrienden, in een wereld, waarin de rede je geen uitweg meer laat, in een wereld, waar het stoffelijk bestaan je onzeker maakt, in een wereld waarin je innerlijk voortdurend verward bent, omdat je soms niet meer weet wat juist en onjuist is, heb je geen andere uitweg. Om tot die werkelijkheid te komen moet je beginnen om die goddelijke liefde te aanvaarden en erin te vertrouwen zonder meer. En vanuit die aanvaarding moet je heel langzaam, maar zeker, de vervulling van de goddelijke wil per moment opbouwen, Ik zeg er uitdrukkelijk bij: per moment, want op het ogenblik dat we na gaan denken, op het ogenblik dat we gaan redeneren over de dingen, dan zien ze er al weer anders uit. Voor onszelf en ons eigen leven mogen we denken, mogen we zo redelijk zijn als we willen, dan mogen we ons voortdurend bezighouden met elk redelijk element wat er maar bestaat, mogen we voortdurend doordringen, in alles wat geregistreerd kan worden en wat er bij hoort. Maar zodra het gaat om dingen die verder reiken dan het ik, die verder werken in een eeuwigheid, vrienden, kunnen we niet volstaan met die rede, dat weten we veel te goed.

Daarom, op het moment dat we iets als goddelijke wil erkennen, zullen we trachten het te verwerkelijken, zullen we het aanvaarden zo goed als we kunnen en zullen we er later niet meer over spreken of het goed of kwaad was. Dat was Gods wil. God in Zijn liefde heeft ons geleid. Ons enig criterium is: Voelen wij dat God in zijn liefde mét ons is in deze dingen? Zo bouw je een weg van belevingen op, die langzaam maar zeker gebieden voor je opent van het paranormale. Je gaat misschien dromen van andere werelden, je maakt kennis met andere entiteiten die niet reëel zijn en misschien als een soort schimmige droom eerst op je toekomen. Dan vraag je je ook daar weer af: Vind ik hierin God, vind ik hierin Gods liefde? En zo ja, aanvaard ze, niet met ophef, zo van ik heb iets bijzonders gevonden, en niet met gewichtigheid van: Dat kan Ik, nee, zo héél gewoon. Je bent het zelf niet, die daarin zich uiten wil of openbaart, dat is God, dat is de goddelijke liefdeskracht, die in je werkt.

Zo groeit dan je wezen en er komt een ogenblik dat je geen verschil meer weet te vinden tussen gevoel en tussen rede, tussen het magische element en het verstandelijke, nuchtere. Je weet alleen, dat al die dingen werken naar één doel. Je voelt in jezelf steeds meer de openbaring van een groot macht en dat te bereiken is de beste inwijdingsweg die er in deze dagen bestaat.

Let wel, ik zeg niet tegen u: Heb God lief, want dat is soms verduveld moeilijk, maar ik zeg tegen u: Laat toe dat God u lief heeft, verzet u niet tegen God en de goddelijke liefde. Aanvaard, wat er gebeurt; wanneer ge er niet tegenop kunt, wanneer ge uw eigen wil niet door kunt zetten, zeg dan desnoods:”Ik vind het jammer,” maar zeg niet: “Waarom wordt mij dit ontnomen?” Zeg: “God heeft dit bepaald en daarom heeft het zin en daarom is het goed.” Ga van dat standpunt uit. U zult zien dat u dan in deze moderne wereld met al zijn verwarringen, met al zijn schijn van hopeloosheid en z’n zoeken naar nieuwe wegen en nieuwe uitdrukking, niet alleen past, maar dat ge een doel hebt, dat uw leven zin heeft. U zult ontdekken, dat ge juist dan in uw aanvaarding van die liefdeskracht groot kunt zijn.

Dat zou misschien genoeg zijn, maar ik wil u nog één waarschuwing geven en neem die wel tor harte: Spreek niet met anderen over deze dingen, beleef ze en laat het daarbij goed zijn. Jubel niet tot anderen uit: “God heeft me lief,” want een ander zal u niet kunnen begrijpen. Zeg niet tegen een ander: “Je moet de goddelijke wil aanvaarden, want God heeft je lief,” want die ander kan er anders over denken. Probeer alleen datgene wat je in jezelf voelt als goddelijke liefdeskracht en wat je daarnaast gevoelsmatig en redelijk als Zijn wil en de mogelijkheid van je leven erkent, tot uiting te brengen. Doe dat alleen en ge zult zien, vrienden, dat u ook met de medemensen een eenheid vindt die veel verder gaat dan elke stoffelijke voorstelling van liefde, dat je komt tot een harmonie en een elkaar begrijpen en daardoor elkaar werkelijk helpen, elkaar werkelijk aanvaarden.

Meer heb ik dan ook niet te zeggen. Ik hoop niet dat het een teleurstelling is, dat ik niet meer nieuws heb gezegd, maar er zijn nu eenmaal waarheden, die niet voldoende herhaald kunnen worden, of er nu zon is buiten of regen. Er zijn feiten die steeds weer en steeds in een andere vorm moeten worden voorgelegd, omdat het u alleen zó mogelijk is er een oordeel over te vellen en in volkomen vrijheid en naar wij hopen ook in eenheid met de liefde kracht Gods, uw eigen wegen te gaan.

o-o-o-o-o

Dienende liefde

Ik zou haast zeggen: kan liefde wel dienen? Waar werkelijke liefde is, daar spreek je niet meer van dienen, nietwaar? Dan is het: liefde is een je één voelen met. Als je de wereld lief hebt en je doet iets voor de wereld, dan doe je het uiteindelijk net zo goed voor jezelf. Dat is geen egoïsme, maar die wereld en jij zijn één, want je hebt die wereld lief. En als je een mens dient, omdat je die mens lief hebt, dan is dat geen werkelijke dienst. De mensen begrijpen het soms zo verkeerd.

O, neem me niet kwalijk, dat ik die dienende liefde misschien wat anders uitleg dan u had bedoeld, maar laten we nu eens eerlijk zijn: wanneer je werkelijk van iemand houdt en je zorgt voor zo iemand, op jouw manier en naar je beste weten, dan doe je dat toch volkomen natuurlijk en logisch? Dat is toch geen verdienste? Dat is toch een deel van je eigen geluk? Het feit, dat je mag geven is, wanneer er sprake is van liefde, op zichzelf al een vreugde, een verheffing, een intensivering van je eigen leven, je eigen gevoel. Dan kunnen we zeggen: Ja, we hebben God lief en omwille van die goddelijke liefde gaan we de mensheid dienen. Dat is heel mooi gezegd, maar als wij God werkelijk liefhebben, dan spreken we niet meer over dienen, dan leven wij God in de wereld en daardoor zijn wij bezig aan de mensheid.

Weet u, het is zo: liefde wordt op aarde nog wel eens een beetje beperkt gezien. Dat gaat zo, ik zou haast zeggen, van lits jumeaux tot twijfelaar en verder houdt het op, maar werkelijke liefde is identificatie van wezen, een je één voelen met iets, wat normaal als buiten je staat beschouwd wordt, aanvaarden als een volledig deel van jezelf, dat is ware liefde. Geen onderscheid meer maken tussen jezelf en dat andere, en dan is dat dienen daarbij niet meer dan het dienen wat je jezelf ook doet, een natuurlijk verschijnsel. Neem me dus niet kwalijk dat ik het dienende in dit geval een ogenblik terzijde stel en dat ik daarvoor in de plaats ga zetten alleen maar: Liefde, maar dan in kosmische zin. Dat mag toch wel?

Liefde

Licht en licht, die met elkaar versmelten tot een plek van helderheid.

Tijd en tijd, die saam gekomen eeuwigheid worden en elk elkander kennen in zichzelf.

Een mens, die in liefde de schepping aanvaardt en één met die schepping plots alles beleeft en niet zijn eigen wezen geeft voor de schepping, maar één is met al wat is geschapen, omdat de Schepper in hem leeft. Een band van mens tot mens misschien, van geest tot mens, een samengaan van zijn en leven, geen geven of nemen, maar een Eenheid.

Het leven, waarin de liefde bestaat is als twee kleine stromen, die samenvloeien worden tot rivier, machtiger en groter. Een rivier die aanzwelt en voedt de onmetelijke oceaan. Liefde is het bestaan waarin het ik zichzelf erkent en toch zich zelve heeft vergeten, omdat het ’t weten van anders zijn niet meer erkent. Goddelijke liefde en kosmische liefde dat is eenheid van duister en licht tezamen genomen en opgeheven tot een begrip alleen, waarin geen uiting meer bestaat en alles samen gaat in éénheid.

Kosmische liefde is een mens en een god saam geworden tot één. Nooit eenzaam, nooit alleen, verbonden door deze band. En nimmer meer te scheiden.

Dan wordt menselijk lijden goddelijk licht en goddelijk licht wordt menselijke vreugd.

Ouderdom wordt eeuwige jeugd en jeugd het oude weten van ongekende tijden.

Erken de liefde, zoals zij werkelijk bestaat. Het wegvallen van grenzen, scheidsmuren die neer worden geslagen.

Een erkennen als deel van jezelf, van dat wat je mint. Maar ook erkend worden als deel van een ander. Wie zo leven kan en de liefde ervaart, wie zo gaat door de tijd en het rad van de tijd, wie zo de strijd aanvaardt en het lijden, de vreugde, de overgang, die kent in zich de harmonische en melodische zang van eeuwigheid, weerklinkend uit het gaan der sterren. Die ziet van verre zichzelf komen, om ’t eigen ik weer te ontmoeten, te groeten en voort te gaan.

Eén met het zijnde, eeuwig bestaan voor een ogenblik gekristalliseerd in een kleine vorm.

Maar dan vermeerderd tot in onmetelijkheid. Liefde is voor een mens op aarde niet bewust te dienen. Maar het uit zich geven, omdat dit ’t ik zelve is, voedende het ik met leven vanuit het ik, niet meer.

Dat wil zeggen je daden niet geven als genade, maar ze geven als het recht, als iets dat je jezelf niet ontzegt en daar om anderen niet kunt onthouden, die deel zijn van jezelf. Voor de mens is liefde de werkelijkheid, die het hogere in zich voelt en aanvaardt en zich niet afvraagt: Wat is dit waard voor mij alleen? Maar slechts het geheel beschouwt. Uit werkelijke liefde wordt zelfs in een kleine, schijnbaar zo eindige mens het oneindige opgebouwd en troont ook God in al zijn heerlijkheid. Want waar de liefde heerst en het ik zich met onmetelijkheid verbindt, valt elke grens, daar is alleen nog schijn van wereld zijn, schijn van mens. Maar in de werkelijkheid slechts God en goddelijk wezen.

Ja, dat is natuurlijk ook een visie. U zult zeggen: het is moeilijk om dat te verwerkelijken, maar laat ons eerlijk zijn. Als je werkelijk lief hebt, dan maak je toch geen onderscheid? Dan vraag je je toch niet af: wat ben ik en wat is de ander? Dan zeg je wij. Laat ons leren om dat ook te zeggen tegen onze God. Dan zullen we door die God één zijn met de mensheid, Dan is er ook sprake van wij en niet van ik.

En een mens, die door de liefde van het aanvaarden het ik zijn als een beeld verliest en niet meer verdeeld is tegen zichzelf zo, kan delven in de diepste diepten van zijn wezen en zonder vrezen vinden éénheid met alles, want liefde kent geen vazallen, maar slechts gelijken. Wie uit liefde anderen geeft en anderen dient, kan slechts verrijken zichzelf door wat hij anderen geeft. Want al wat wordt gegeven is slechts aan het ik gegeven. Zo geef u zelf aan God, verrijk uzelf met uzelf, uw leven met de goddelijke kracht.

Dat is de beste raad die ik u kan geven.  Heb de wereld lief, dien de wereld, zoals je jezelf dient, en spreek niet over dienst, maar wees gelukkig; want in dat geluk van een liefde, die voor zichzelf niets vraagt, vind je God en als je God vindt, hoef je niet verder meer te gaan.