Welles – Nietes

image_pdf

15 juli 1966

Eerst wil ik u erop wijzen, dat wij nog steeds niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Als titel voor mijn onderwerp koos ik een wat eigenaardige uitdrukking: Welles – Nietes.

Ik koos deze titel, omdat in de wereld van heden dit oude kinderspel nog steeds hartstochtelijk en ernstig wordt gespeeld. Wij hebben de gewoonte onze eigen zienswijze te beschouwen als de enig juiste. Dat wij bij het aantonen van ons ‘gelijk’ de dingen alleen maar beweren of een schijnbaar bewijs geven dat met een werkelijk bewijs niets te maken heeft, beseffen wij kennelijk niet. Wij trekken ons daarvan tenminste niets aan.

Laat mij als een sprekend en eenvoudig voorbeeld de mens nemen, die stelt: “Er is een God.

Ik geloof dat er een God is. Ik ben ervan overtuigd, dat er een God is.” Maar je kan niet werkelijk bewijzen dat er een God is. Ik heb als mens (en zelfs in vele fasen als geest) eenvoudig niet de beschikking over middelen, waardoor het mij mogelijk is zonder enige mogelijkheid tot redelijke twijfel aan te tonen dat er een God bestaat. Indien ik nu tegen iemand als bewijs zeg; maar het staat in de bijbel en die is Gods woord, of; het staat in de oude geschriften, of bekende wetenschapsmensen geloven in God, dus bestaat Hij, dan doen wij in wezen niets anders dan heel hard ‘welles’ roepen.

Indien er andere mensen zijn, die zeggen: “Wanneer er al een God is, zoals jullie zeggen, waarom is er dan zoveel hongersnood en ellende op de wereld? Waarom laat die God de dood toe? Jullie hebben daarvoor wel verklaringen, maar voor mij hakken die geen hout. Ik kan niet aan een God geloven, zeker niet op die manier. Dan heeft de ander gelijk, tenzij hij beweert dat er dus geen God bestaat.

Wat gebeurt er nu? Aanvaardt men dat de ander mogelijk gelijk kan hebben en behoudt men zich zijn oordeel voor? Neen. De gelovige noemt de ongelovige een godslasteraar en de ongelovige noemt de gelovige een bijgelovige dwaas, die in een droombeeld vlucht voor zijn eigen onzekerheid. Maar daar geen der partijen over enige mogelijkheid tot een werkelijk bewijsvoeren beschikt, is, ondanks alle fraaie woorden en filosofieën, hun strijd niet meer of minder dan een spelletje ‘welles of nietes’ zoals kinderen dit vaak gebruiken om zich tegenover anderen door te zetten.

Neem de benadering van het leven na de dood. Er bestaan gedetailleerde beschrijvingen van de hemel, de hel en het vagevuur, van Zomerland, de lotusvijvers en alle denkbare vormen van voortbestaan. Degenen, die dergelijke voorstellingen verdedigen, doen dit meestal echt van harte. Over bewijzen beschikken zij echter niet. Zij stellen bijvoorbeeld: “Dit waren ‘s werelds grootste wijzen, die dit stelden. Het kwam uit de mond van een Bodhisattva. Het antwoord is duidelijk”. Mogelijk was het een grote wijze. Maar bewijs eens dat hij gelijk had? U zegt nu wel, dat die mens een Bodhisattva werd, maar hoe wilt u dit bewijzen? Het feit dat vele of zelfs alle mensen dit zeggen, heeft geen bewijskracht. Nog niet zo lang geleden meenden immers alle mensen ook dat de zon om de aarde draait? De logische reactie is dus: “Hoe bewijst u dit? Waarop baseert u uw conclusies?” Het antwoord blijkt steeds op het zelfde neer te komen “het staat geschreven”, “het was de boeddha die dit heeft gezegd…”. Welles. Omgekeerd zijn er mensen die beweren: “Er is geen voortbestaan. Er is niets, wat duidelijk doet blijken, dat er een voortleven na de dood is, of zelfs maar mogelijk is. Je hoort natuurlijk wel eens iets van spoken en zo, maar dat is over het algemeen alleen maar een kwestie van natuurlijke verschijnselen of de fantasie van over geprikkelde oude dames…….” Wat ook in feite geen redelijk argument inhoudt, zelfs als men de wetenschap erbij haalt op honderd verschillende manieren. Er zijn in het leven zoveel verschijnselen, waarmede men geen raad weet en die men tracht weg te verklaren, zonder daarom hun werkelijk bestaan ooit aan te kunnen tasten op redelijke manier.

Een ieder die nadenkt, beseft zelfs, dat er vele onverklaarbare verschijnselen zijn, waarvan men t.m. een deel niet kan verklaren en wegverklaren, omdat de feiten door een uitleg die in zich geen bewijs is, nimmer kunnen worden aangetast. Dus dat men alles wat niet bevalt of niet passend vindt bij eigen stellingen, eenvoudig weg verklaart.

Wanneer bijvoorbeeld iemand zegt: de toenemende socialisatie in de maatschappij en de daarmede gepaard gaande verminderde persoonlijke verantwoordelijkheid als gevolg van de vermindering van de voor de persoonlijkheid werkende gevarenfactor in het sociaal verkeer bevordert verveling, misdragingen, moreel en zedelijk verval. Dan zal er altijd wel iemand zijn, die, deftig of plat, hardop ‘Nietes’ roept. Want die voelt nu toevallig wel voor een verdere socialisatie. Op dezelfde manier zien wij iemand die sterk individualistisch is ingesteld, alle zonder meer afkraken door de genoemde argumenten aan te halen. Doch ook hij kan het verband niet geheel bewijzen, geheel duidelijk maken. Ook hier blijft een spel van welles-nietes, gebaseerd op eigen voorkeur of geloof de hoofdrol spelen en zullen de werkelijke feiten en mogelijkheden er uiteindelijk minder toe doen. Deze reactie op alles wat begeerlijk is voor het ik of onaanvaardbaar lijkt vanuit eigen standpunt, is kenmerkend voor deze tijd die zich wetenschappelijk pleegt te noemen.

U kent waarschijnlijk wel een spelletje, waarin drie mensen dergelijk optreden ten aanzien van elkander demonstreerden: Een zekere politiecommissaris, een zekere burgemeester en een zekere minister. Men is daar reeds weken lang bezig om elkander een welles of een nietes toe te schreeuwen maar geen van hen is tot nu toe aan komen dragen met werkelijke bewijzen.

Het enige wat zij duidelijk maken is wel, dat geen van hen zich geheel heeft gedragen volgens de normen die men in hun geval meent aan te kunnen leggen. Duidelijk is verder, dat zij allen alleen maar met beschuldigingen en stellingen komen aandragen. Vreemd genoeg schijnt niemand te begrijpen dat zij, eerlijkheidshalve, bewijzen moeten leveren en niet met verklaringen en dergelijke kunnen volstaan.

Wanneer wij in het leven reëel en eerlijk willen streven, dan kunnen wij dit nooit doen op basis van een; ik weet het nu eenmaal en daarmede basta, of een; ik zeg dit nu eenmaal, zo is het, ik weet het, dus heeft niemand meer iets te vragen, uit. Wie eerlijk en reëel wil optreden zal, zelfs indien hij weet gelijk te hebben, dit ook op algemeen kenbare en naspeurbare gronden voor anderen moeten aantonen. Wat natuurlijk wel eens moeilijk is. Maar als het leveren van een bewijs ons te moeilijk valt, moeten wij dit toegeven en ons niet verschuilen achter rang, gezag en dergelijke. Laat ons dan eerlijk zeggen dat de ander mogelijk wel gelijk kan hebben, daar wij ons standpunt niet buiten alle twijfel kunnen bewijzen. Laat ons de rechten van de ander erkennen.

Laat ons erkennen, dat een mens evenveel recht heeft om wel in een God te geloven, als om niet in een God te geloven. Laat ons toegeven dat een mens eerlijk kan zijn en zich toch op een geheel eigen wijze een hiernamaals voor zich kan voorstellen, maar dat men evengoed kan beweren, dat dood nu eenmaal dood is. Want zolang geen bewijzen te leveren zijn, heeft elke mens een recht: Het recht een eigen mening te vormen, te denken wat hij wil en te reageren volgens de stellingen en denkwijzen, die voor het ik de meest juiste schijnen te zijn.

Je hebt het recht te geloven, zoals jij kunt geloven. Maar je hebt nimmer het recht om anderen jouw geloof eenvoudig op te leggen. Vooral wat dit laatste betreft, zit de zaak de laatste tijd nogal verkeerd. Er is bijvoorbeeld iemand die voor zich tot de conclusie komt, dat alle fietsbellen tegen verlies verzekerd moeten worden. Hij heeft de macht en dus komt er prompt een wet in die geest. Hij gaat zelfs nog verder en stelt: Daar een ieder wel op een fiets zou kunnen gaan zitten, doch de fietsen niet geregistreerd zijn en geen rijbewijzen daarvoor noodzakelijk zijn, moet een ieder maar een belasting betalen, zodat de gemeenschap dit risico kan gaan dragen. Stelt men nu dat het gevaar voor de gemeenschap niet groot is in dit geval, dat men het recht heeft eigen risico te dragen, dan wordt dit recht ontkend met de begroting: Statistisch kan worden aangetoond dat er veel te veel fietsbellen verloren gaan, die niet tijdig worden vervangen.

Misschien lijkt dit onbelangrijk en dwaas. Maar het recht om een eigen mening te hebben, om op een eigen wijze te leven, wordt hierbij wel degelijk aangetast. Ik geef nu een meer praktisch beeld. Iemand die fl. 70.000 per jaar verdient, zal zeggen: “Nu ja, economisch is het wel verantwoord dat het brood 2 centen duurder wordt. Wat is dit nu nog in een jaar. Het is per brood per jaar misschien fl. 7.50 tot fl. 8. per jaar. Dat is toch niet veel.” Zo iemand vergeet echter, dat hier een cent en daar een cent weinig is wanneer je rekent met duizenden guldens per maand, maar dat het er veel kan worden, wanneer je per week met guldens of misschien zelfs met kwartjes moet rekenen. Degenen echter, die er wat minder goed aan toe zijn, zullen tegen dergelijke acties protesteren. De tegenpartij heeft voor die argumenten geen oor, daar het toch maar om enkele guldens per jaar gaat. Er ontwikkelt zich een spelletje van nietes – welles, waarbij de feiten niet worden bepaald door bewijzen, door redelijke argumenten (ook al bewaart men de schijn van redelijkheid meestal wel) maar door de persoonlijke positie van degenen, die de macht hebben hun inzichten in de praktijk om te zetten.

Dergelijke situaties zien wij overal, zelfs bij gewone mensen. De een zegt bijvoorbeeld: “Ik zit in mijn eigen woning. Ik mag dus mijn radio zo hard laten spelen als ik wil.” De andere partij zegt dat dit niet kan, omdat hij er hinder van heeft. Waarop de eerste weer beweert, dat hij recht heeft op een persoonlijk bestaan, waarin hij zichzelf kan zijn en dus niet verplicht is met anderen rekening te houden. Beiden hebben ergens gelijk. Men blijft echter bij een nietes welles, omdat een geven van bewijs van overlast aan zou tonen, dat beiden falen door hun persoonlijk terrein niet voldoende af te zonderen van het persoonlijk terrein van anderen. In casu niet de geluidsisolatie aanbrachten, die, gezien hun eisen van persoonlijke vrijheid noodzakelijk is voor hen en daardoor ook tot hun eigen aansprakelijkheden behoort en zal nooit redelijke resultaten bereiken, wanneer men weigert rekening te houden met de feiten en zich leert onthouden van een ingrijpen in de persoonlijke sfeer, smaak, denkwijze en geloofsbeleving van anderen.

De kern van het probleem van deze dagen is wel dat men haast overal een ieder probeert te dwingen (overigens in vele gevallen ten goede en met zeer goede bedoelingen) om in te gaan in de soort hemel waarin men zelf gelooft, zonder dat men ook maar bewijzen kan, dat deze ‘hemel’ werkelijk bestaat of de eigenschappen bezit die men daaraan toekent. Paulus kan misschien eens gezegd hebben, dat wij de ‘ongelovigen’ moeten dwingen om in te gaan, maar Jezus heeft iets dergelijks nooit gezegd. Want een dergelijk optreden is misschien aanvaardbaar, ja zelfs kentekenend voor kleine tirannen, maar het is zeker geen wijze van leven en denken of handelen voor bewuste zielen.

Je mag een mens niet tegen zijn wil dwingen. Of de bron van de dwang nu één of ander schap is (een woord, dat vroeger een plank in de keuken omschreef, maar tegenwoordig eerder een bepaald soort hoofdpijn voor een bepaald soort boeren schijnt weer te geven) de dwang tot het betalen voor en ontvangen van kinderbijslag of het opleggen van een kerkbelasting.

Dwingen kan op elk terrein, met alle middelen, overal. Wat men voor men over dwang denkt dient te bedenken, is dat ons leven eigenlijk gebaseerd moet zijn op een zo groot mogelijke vrijheid en vrijwilligheid. Wanneer ik aan een God moet geloven, zal er een ogenblik komen, dat ik mij inderdaad geen leven voor kan stellen zonder die God. Dat is het resultaat van een soort hersenspoeling, maar de kans is heel groot, dat ik die God diep in mijzelf vrees en ga haten, omdat ik mij met Hem niet verbonden kan gevoelen, omdat Hij mijn God niet is.

Men kan mij een sociale zekerheid schenken, die ik in wezen niet verlang. Wanneer ik ze enige tijd heb gehad, wil ik haar niet meer missen. Ik ben te zeer aan haar voordelen gewend. Maar ergens in mij haat ik ze en alles, wat mij aan deze zogenaamde zekerheid onderdanig heeft gemaakt. Ik haat haar en degenen die mij haar geven, omdat ik het gevoel heb, dat mij daarmede iets van mijn vrijheid, van mijn mogelijkheid tot leven, is ontnomen. Ik kan de mensen een vrede opleggen, ook wanneer zij daarin geen mogelijkheid vinden zichzelf te zijn.

Maar de vrede die wordt opgelegd, brengt dan een innerlijke haat tot aanzijn, die op de duur tot een zelfvernietiging voert, omdat men een ander niet meer vernietigen kan. In deze dagen is dit alles misschien nog niet zo erg extreem merkbaar. In Nederland en het jaar 1966 zit men nog steeds aan de ‘goede kant’. Zelfs in dit land zien wij echter steeds meer mensen die weigeren elkander en de mogelijkheid dat ook de ander vanuit zijn standpunt gelijk kan hebben, te erkennen. Mensen dus, die geen tegenargumenten willen horen en hun eigen wil eenvoudig met alle middelen aan anderen op willen leggen.

Steeds meer zien wij mensen, die de werkelijkheid uit het oog verliezen, omdat zij eenvoudig weigeren te erkennen of in te zien dat er een andere wijze van denken, reageren, een andere methode om problemen te benaderen, mogelijk is. Wij zien voorbeelden daarvan bijvoorbeeld in het optreden van bepaalde geestelijken waarbij ik denk aan de universiteitskwesties in Leuven en Gent. Hier heeft de kerk ingegrepen, doch daarbij haar werkelijke taak vergeten: De kerk heeft tot taak de mens in staat te stellen te geloven en God te dienen. Het is niet haar taak uit te maken op welke wijze en onder welke omstandigheden een mens zal kunnen leren, wat hij moet denken, hoe hij zal moeten reageren. Deze dingen behoren tot het wezen en de taak van de mens zelf. Zo de kerk tot het nemen van beslissingen en het aanvaarden van een bepaalde taak bijdraagt, zo vloeit dit uit haar wezen voort, zolang zij de mens helpt beter zichzelf te zijn en zo beter de God waarin hij gelooft, te dienen. Maar de kerk kan de mens geen sociale verplichtingen opleggen. Zeker zolang zij in dit opzicht voor zich een monopolie opeist, gehoorzaamheid wenst, zal zij het tegendeel bereiken van haar doel en de mens van de kerk en dus ook van God verwijderen. In alle zaken, waarbij wereldlijke en persoonlijke zaken een rol spelen, zal de kerk dienend moeten optreden tegenover allen, die van de door haar geboden faciliteiten gebruik wenst te maken.

Ik geef u nu wel vele voorbeelden, maar met dit alles raak ik uiteindelijk alleen maar de buitenkant. Wanneer wij de binnenkant trachten te zien, kunnen wij meestal niet duidelijk meer spreken, tenzij wij van ons eigen recht en de juistheid van onze eigen erkenningen en waarderingen, ook voor anderen, geheel overtuigd zijn. Hoe minder wij zeker van onszelf zijn (innerlijk) hoe meer wij, vreemd genoeg, trachten onze wankele overtuigingen anderen op te dringen, opdat hun aanvaarding ons geloof, ons vertrouwen ons zelfvertrouwen, onze zekerheid, zal vergroten. Het is niet zo gemakkelijk in de wereld vast in je schoenen te staan.

Je bent niet zo zeker van jezelf en de waarheden die je zegt te aanvaarden, als je voorgeeft.

Daarom juist stoot je je aan vele dingen. Wij zeggen ook hier wel eens dingen waaraan de mensen zich stoten. De grote vraag daarbij is echter niet: Wil je voor jezelf alles wat gezegd werd als juist aanvaarden, maar: Kun je aanvaarden dat ook een andere benadering dan de jouwe, een andere denkwijze, recht van bestaan heeft. Wil je dus aannemen dat er meer gezichtspunten, wijzen van benadering en zelfs praktische mogelijkheden aanwezig zijn dan de enkelen die je voor jezelf hebt aanvaardt.

Kennelijk valt dit de meeste mensen zeer moeilijk. Men durft eenvoudig geen open geest te tonen en bestrijdt alles, wat afwijkt van eigen stellingen met de welles – nietes techniek en voert als argumenten aan: In de geboden staat, in de bijbel staat, de profeet zegt. Daarachter komt dan een heel verhaal en men meent de ander nu toch werkelijk bewezen te hebben dat zijn inzichten enzovoort verkeerd zijn. Daarbij vergeet men helemaal dat het erkennen van de waarde, de werkelijke waarde, desnoods van geboden, evangelie, een geloofsaanvaarding is, een persoonlijke aanvaarding, die niet met voor alle mensen gelijkelijk in hun wereld geldige bewijzen kan worden aangetoond.

Het is misschien krankzinnig in de ogen van velen om dit alles zo te stellen. Maar nu het volgende! Men doet op het ogenblik veel ter bestrijding van pornografie. Waarom echter wordt de pornografie tot pornografie? Eigenlijk omdat men zoveel taboes heeft opgebouwd, die mentaal en zelfs lichamelijk ongezond waren. Als je tegen een kind honderd malen zegt dat het uit een bepaald schaaltje niet mag snoepen, zonder daarbij een verdere voor het kind aanvaardbare en begrijpelijke reden te geven, zal het van de eerste mogelijkheid gebruik maken, om ervan te snoepen. Wanneer je de mensen vertelt dat een bepaald boek of een bepaalde alinea in een boek vies en liederlijk is, zijn er altijd mensen die willen weten of dit nu wel waar is of zelfs er plezier in krijgen. Toen men alle sterke drank verbood, werd het ineens voor zeer vele mensen een soort noodzaak de verboden sterke drank zo vaak en veel mogelijk te consumeren. Wanneer men er niet iets bijzonders van had gemaakt, zou het kind het snoepje waarschijnlijk lang zo erg niet begeerd hebben en zou de lezer van het boekje al snel zeggen: Is dat alles? Ik vind er niets aan. En de drinkers zouden heel wat matiger blijven.

Innerlijk geldt precies hetzelfde. De mens heeft nu eenmaal geleerd, dat hij bepaalde dingen niet mag doen of zeggen, men mag eigenlijk niet eens denken. Dit laatste doe je natuurlijk toch wel, maar daarover praat je met niemand.. Dat erken je nooit, zelfs niet tegenover jezelf. Want men wil nu eenmaal goed, edel, verheven zijn. Dit laatste is natuurlijk uw volste recht. Maar op het ogenblik, dat dit beeld van goedheid niets anders is dan een illusie die men voor zich en rond zich schept, wordt de deugd eerder een gevaar. Wij tekenen een vals beeld van onszelf. Verstandig is dit niet, maar zelfs dit kunnen wij verontschuldigen met de verklaring dat dit ons goed recht is. Nu gaan wij echter van de wereld eisen, dat ook zij ons, desnoods tegen alle feiten in, zal gaan aanvaarden, zoals wij onszelf prefereren te zien. En dat nu is zeker verkeerd.

Tegen de vaststellingen van de wereld, tegen de feiten in roepen wij dan: “Welles! Wij zijn wel goed, edel, geestelijk hoogstaand. Wij hebben geen slechte eigenschappen. Wat wij gedaan hebben, is alles edel, is alles vergeeflijk.” Waagt iemand het dan het niet met je eens te zijn, dan ben je op de teentjes getrapt. Dan deugt zo iemand niet meer. Dan kun je je met zo iemand niet meer bezighouden, dan is dit iemand die verderfelijke invloeden heeft op de gehele wereld, die misschien zelfs door de duivel bezeten is. En kun je dit niet waar maken, dan zijn er nog wel andere methoden om degenen, die je vreest of benijdt af te wijzen: Dan zeg je maar, dat het iemand is met homofiele neigingen of iemand, waaraan je wel kunt zien, uit welk een misdadig voorgeslacht hij stamt. Ook dan is het meestal een kwestie van welles nietes. Zelden komt men met voldoende bewijzen en nog zeldzamer zal men in dergelijke gevallen zijn beweringen in eerlijkheid toetsen aan de feiten en mogelijkheden.

Stel dat ik spreek over God. Wanneer ik eerlijk wil zijn, moet ik toegeven, dat ik niet alleen niets kan bewijzen, maar zelfs niets kan bewijzen. Ik kan niet vertellen wat die God wil, van mij of anderen. Want ik ken de God niet, ik weet het eenvoudig niet. Wanneer ik eerlijk wil zijn, kan ik alleen zeggen: God is mij een kracht, die in mij werkt en leeft. Deze kracht brengt mij er, naar ik meen, toe op een bepaalde wijze te denken en te handelen. Dat is voor mij geluk, harmonie. Maar waarom het zo is, weet ik ook niet. Ik ken God niet. God kent mij, maar ik Hem niet. Ik voel mij met God verbonden. Maar deze band ontstaat niet door mijn erkennen van Zijn wezen als geheel, doch alleen doordat Hij in Zijn grootheid alleen maar een enkel straaltje van zijn wezen naar mij uit laat gaan. Durf ik dit toe te geven met alle onzekerheden die dit impliceert, dan ben ik eerlijk. Dan zal ik toe moeten geven dat God overal en in alle dingen kan zijn. God kan uit elke leer spreken, Hij kan fluisteren in de wind, preken vanuit de stilte of ons raad en geboden toeslingeren vanuit donder en bliksem. God spreekt misschien in de sterren, die Zijn werk zijn. Voor mij althans is dit waar, zo waar als het feit, dat God spreken kan in het ruisen van het bloed door het lichaam, in het plotseling optreden van een bepaald besef.

Ik weet dat dit voor velen vreemd klinkt. Maar voor mij is het zo. Ik zeg niet, dat het voor een ieder zo zal zijn of moet zijn. Ik constateer alleen wat in mij bestaat. Indien nu een ander mij komt vertellen dat die God op een bepaalde manier leeft, misschien een bepaalde vorm heeft en van mij bepaalde dingen op een bepaalde manier eist, dat deze God bepaalde dingen menselijk en woordelijk heeft gezegd, zo mag men van mij, met mijn persoonlijk Godservaren, toch niet verwachten dat ik dit alles volmondig beaam? Ik kan alleen maar eerlijk zeggen: God is voor mij al datgene, wat als erkenning van Hem in mij bestaat.

Als U mij zegt, dat de maatschappij hervormd moet worden, zal ik in eerlijkheid antwoorden dat het volgens mij niet goed gaat, zoals het nu gaat. Mijn reactie op deze vaststelling is dan, dat ik tracht zoveel mogelijk mensen het leven wat lichter te maken. De mensen echter roepen je dan toe: dit is niet genoeg. Wij moeten organiseren. Wij moeten een politieke partij stichten. Mijn vraag luidt dan echter: en toch mijzelf blijven? Hoe kan dat? Wat moet ik dan met die organisatie doen? Ben ik zelfs maar in staat te begrijpen wat er noodzakelijk is alleen maar voor de bewoners van een stad of een dorp, wat hen gelukkig kan maken? Ik weet dit immers niet, laat staan dat ik weet wat werkelijk, in menselijke zin, goed is voor een geheel land. Hoe kan ik dan een oordeel spreken, hoe kan ik dan rechtens en oprecht een dwang op anderen uit gaan oefenen?

Men roept uit: Wij moeten het gezag centraliseren. Goed. U kunt dat oprecht als de juiste weg zien. Maar u moogt dan daarbij niet vergeten, dat u juist daardoor het gezag ook ontmenselijkt. Indien u dit weet en meent, dat dit nadeel, dit risico, dan maar aanvaard moet worden; ga uw gang. Maar verg dan niet van mij, dat ik evenzeer bereid ben dit risico te dragen, dat ik mij nederig neer zal leggen bij uw standpunt. En probeer mij vooral niet te overtuigen met uw statistieken en organisatorische redeneringen. Leven is iets anders dan een reeks van cijfers, leven is iets anders dan een reeks van stellingen of de uitdrukking van een vaste en bepaalde orde. Leven is voortdurende verandering, aanpassing en beleving. Een wet is noodzakelijk. Maar kunnen wij nu ook aannemen dat bepaalde daden, mogelijkheden, denkwijzen, voor een ieder even goed of even slecht moeten zijn, dat de betekenis in het leven van bepaalde waarden steeds dezelfde zal zijn? Ik weet het zo net nog niet.

Ik kan mij voorstellen, dat een mens op een gegeven ogenblik er goed aan doet bijvoorbeeld te stelen, omdat hij met die diefstal eigenlijk alleen maar zichzelf en het bestaan van anderen zeker stelt. In de bezetting werd dit principe algemeen erkend. Zou het dan nu niet meer gelden? Men stelde toen dat eigendomsrecht en erkenning van openbare orde weg moeten vallen tegenover de bestaande behoeften en toestanden. Is de wereld dan nu opeens geheel anders geworden? Is nu onrecht, machtsmisbruik, onmenselijkheid opeens niet meer mogelijk?

Stelen en bepaalde vormen van wetsovertreding kunnen beter zijn dan gehoorzaamheid aan de wet, ook nu. Dit betekent echter niet dat men nu maar alle eigendomsrechten mag ontkennen en uit stelen kan gaan zonder meer. Want anderen mogen en kunnen er anders over denken. Ik moet doen, wat ik juist acht, maar dan ook zonder morren de gevolgen ervan dragen.

Zodra wij het alleen in de ‘gemeenschap’ zoeken, komen er vele tegenstrijdigheden naar voren. Kijk bijvoorbeeld eens naar de huwelijkswetgeving. Moet men nu scheidingen gemakkelijk, moeilijk of onmogelijk maken? Voor elk standpunt kan men 1000 argumenten aanvoeren. Wij kunnen echter ook aannemelijk maken dat er mensen zijn voor wie geen van de aangevoerde argumenten nog van kracht kan zijn. Waarom dan aan te nemen, dat er een alles streng regulerende en voor allen gelijkelijk geldende wet op dit gebied moet zijn?

Ik geloof dat je eigenlijk in je leven (wil je niet steeds weer al je kracht verspelen in nutteloze spelletjes van ‘welles – nietes’) zult moeten beginnen, met alles zo ruim mogelijk te stellen en te zien. Zeg niet: “Er is een God”. Zeg: “Ik geloof in een God”. Zeg niet: “Elke mens heeft sociale verplichtingen”, maar zeg: “Ik, als mens besef dat ik sociale verplichtingen heb.” Laat een ander steeds zo vrij mogelijk. Wanneer je de ander eerst zo groot mogelijke vrijheid hebt gegeven, zijn recht op een eigen interpretatie en beleving van het bestaan hebt erkend (maar ook niet eerder) dien je te beginnen met zo strikt mogelijk te leven volgens de wetten, regels, mogelijkheden, die je in je zelf als de juiste erkent. Ik geloof dat je dan, juist dan, de problemen van deze tijd op kunt gaan lossen. Denk nooit, dat één mens in staat is om de problemen van alle andere mensen op te lossen. Ook niet als je bijvoorbeeld Soekarno, de Gaulle, Erhardt, Brandt, Johnson of zo heet en over grote macht beschikt. Het is eenvoudigweg onmogelijk voor allen en gelijktijdig voor allen goed te handelen. Je kunt in wezen alleen volgens jezelf en eigen erkennen zo goed mogelijk handelen.

Wanneer ik dit alles nu gezegd heb, zal u ook duidelijk worden waarom zoveel chaos in de wereld wordt toegelaten. Chaos is niet iets wat à priori bevorderd zal worden. Het is eerder het gevolg van de poging van mens en geest, waarden en dingen te binden in verhoudingen, waarin zij niet werkelijk meer kunnen bestaan. Wanneer de kosmische invloeden van buitenaf de wereld treffen en daarbij onder de mensen veel verwarring aanrichten, zo is dit niet de schuld van de kosmische krachten, het is de onzekerheid van de mens, waardoor de meest onverwachte en altijd onbeheerste reacties ontstaan. De verwarring wordt geboren uit een tekort aan zelfvertrouwen, een gebrek aan besef. Wanneer zo dadelijk weer zo hier en daar met de oorlogssabel gerammeld wordt, dan is dit niet goed. Het is een bewijs, dat men zich machteloos gevoelt. Maar het is een onvermijdelijke reactie van een mensheid (of deel van de mensheid) dat zich op eigen mogelijkheden, behoeften en noodzaken niet durft of weet te bezinnen. Voorbeeld: Wanneer de USA voor de helft van het bedrag, dat nu besteed wordt aan de strijd in Vietnam, voedsel en hulp zou geven aan een ieder die daarom persoonlijk vraagt, zou er niet alleen geen sprake zijn van een oorlog in Vietnam, maar zou zelfs China niet meer weten welke weg gevolgd moet worden om de rest van de wereld het westen af te doen wijzen.

Het is gemakkelijk, zo sprak eens iemand, deugden te prediken aan hen, die volle magen hebben. Ik denk dat Jezus dit ook al had begrepen. Waarom zou hij anders de wonderbare vermenigvuldiging van brood en vis tot stand hebben gebracht? In dat geval zou Hij zeker alleen gepredikt hebben en niet op een bepaald ogenblik, voor Hij verder ging met zijn prediking, de mensen in staat gesteld om hun buiken te vullen.

Nogmaals, je kunt niet alle mensen beoordelen aan de hand van een enkele en algemeen geldende maatstaf. Het is net zo goed zijn levensomstandigheid, die bepaalt hoe hij reageert en denkt, zowel godsdienstig als sociaal, politiek en economisch, als de ‘morele ethiek en het geloof’. Deze wereld van nu leeft nu eenmaal in een reeks van schijnbeelden, die zij zichzelf geschapen heeft. Amerika schept bijvoorbeeld voor zich het beeld van een vrijheid, die in wezen niet bestaat en in de huidige vorm van leven daar niet eens kan bestaan. Dan is er een Rusland, dat voor zijn burgers de schijn wekt van een absolute zekerheid, een overwicht op de wereld en een snelle vooruitgang, die in wezen zo niet bestaan of zelfs maar tot de mogelijkheden kan behoren. Nederland, dat voor zijn burgers (en zelfs voor de staatslieden) de schijn wekt van een voortdurend groeiende welvaart, terwijl het in wezen veel dichter bij een surseance van betalingen of een snelle en grote inflatie staat.

Realiseer u deze en dergelijke misleidingen, besef dat er vele mensen zijn, die tegen beter weten in deze leugens willen blijven geloven. Denk dan nog eens aan het optreden van kosmische invloeden, aan de kritieke perioden, die op aarde verwacht kunnen worden. Uw reactie op de voorspellingen en genoemde gevaren zal dan een heel andere zijn. U zult begrijpen, dat men als mens daaraan niets kan doen, omdat mensen niet gelijktijdig hun waandenkbeelden in stand kunnen houden en toch ontkomen aan de chaos. Men kan niet bepaalde verklaringen, zelfs tegen de feiten in, blijven herhalen en toch verwachten dat een ieder beheerst en nuchter zal reageren op de werkelijke omstandigheden. Schijn wordt zozeer tot een behoefte voor velen, dat een aantasting van een deel van de schone schijn alleen reeds genoeg is, om een chaos te ontketenen.

Indien deze chaos alleen een stoffelijke werking zou hebben, zou ik er nog vrede mee kunnen hebben, zou ik mij er niet al te zeer druk over maken. De problemen van het leven kunnen niet waarlijk en voor allen worden opgelost door neuzen te tellen en te reorganiseren, zoals bijvoorbeeld uw H.T.M. deed op gezag van een Duitse meneer. Maar op den duur komt de stoffelijke mens toch wel uit zijn problemen, mits zijn innerlijk leven gezond blijft. Naarmate je je echter meer vastklampt aan een waanbeeld, zul je ook meer menen dat dit waanbeeld waar gemaakt moet worden en in stand gehouden moet worden ten koste van alles. Je gaat dan je innerlijke waarden vervalsen, je beste innerlijke mogelijkheden tenietdoen, omdat je het waanbeeld nu eenmaal hebt vereenzelvigd met jezelf.

Er zijn bijvoorbeeld priesters, die nog steeds een God prediken, aan wiens bestaan zij innerlijk reeds lang twijfelen. Zij zijn het, die juist met bijzondere nadruk het geloof van anderen proberen af te dwingen en hen toe roepen: “Gij gelooft niet? Dan zult gij verdoemd zijn.” Zij verloochenen dan alles wat goed en menselijk is in hun wezen, omdat zij door toe te geven dat ook de ander wel eens gelijk zou kunnen hebben, zij hun status zouden verliezen, zij niet meer zouden kunnen beantwoorden aan het uiterlijke beeld dat zij van zichzelf hebben ontworpen.

Zij menen dat het poseren als een mens met buitengewone roeping, met een soort onfeilbaarheid, noodzakelijk is. Toch zou het zowel voor henzelf als voor anderen beter zijn toe te geven, dat ook zij innerlijke strijd kennen. Juist hun strijd zou velen kunnen overtuigen, die niet overtuigd kunnen worden door een gesteld gezag waaraan geen werkelijk bewijs ten grondslag ligt. Leiders zijn er op de wereld teveel. Leiders, die anderen in nederigheid proberen bij te staan, zijn er steeds te weinig. En toch zullen mensen degenen die lijden zoals zij, beter kunnen begrijpen, van hen meer aanvaarden, met hen meer harmonisch kunnen zijn.

Wij moeten als mens en geest teruggaan naar de vrijheid, een vrijheid, die wij voor anderen scheppen vanuit onszelf. Een vrijheid, waarbij wij ons niet meer zonder meer, en vast, verbinden aan iets. Het is vaak zo dwaas in de wereld: Men neemt bijvoorbeeld aan dat bepaalde ministers af zullen treden wanneer hun plannen niet volvoerd kunnen worden. Plan en mens worden hier kennelijk vereenzelvigd. Maar als die minister een vergissing kan en durft toegeven, wanneer hij een ander aanvaardbaar plan ter tafel kan brengen, zou dit echter veel beter zijn. De man kan dan beter aanblijven, want er zijn zovele dingen waarvan hij alles weet, waarmede een ander geen raad zou weten, of die een ander op een geheel andere wijze zou benaderen, zodat oneindig veel energie en geld verspild zou worden. Dit recht jezelf te verbeteren blijkt echter voor velen niet aanvaardbaar; de man kan er niets van, hij moet gaan…. Ik zeg: “Pardon, deze man heeft een fout gemaakt. Als hij eerlijk genoeg is om toe te geven dat hij een fout heeft gemaakt, is de kans groot, dat hij zijn fouten ook zal kunnen verbeteren en is hij onder de omstandigheden juist de juiste man op de juiste plaats.” Een ieder, die zelf onfeilbaarheid wil bezitten of van anderen onfeilbaarheid eist, richt hierdoor zichzelf en anderen maar al te vaak onherstelbaar ten gronde.

Deze mentaliteit en de dreiging van chaotische ontwikkelingen als volgend op de geschetste toestanden en mentaliteiten, heeft de Witte Broederschap voor grote problemen gesteld. Dat weet u trouwens. Wanneer de Witte Broederschap in de komende maanden daartegen van leer gaat trekken, dan moet u dit dan ook niet zien als een aanval op de mensheid of op de waarde van de mensheid. Wanneer er opeens vele schandalen te voorschijn komen (wat in de komende maanden haast onvermijdelijk lijkt) is dit geen pogen de mensheid tot wanhoop of wantrouwen te brengen, doch probeert men alleen de mensen duidelijk te maken, dat er nog meer kanten aan de medaille zijn dan de geadverteerde, terwijl er meer mogelijkheden zijn om een varkentje te wassen dan de algemeen bekende. De mensen zouden moeten (zij kunnen dit) leren, dat er meer mogelijkheden zijn om een bepaalde situatie te interpreteren dan de nu algemeen gangbare. Wanneer enkele personen daarbij het leven moeten laten, zo is dit betreurenswaardig, maar gezien de instelling van de mensen haast niet te vermijden. Het is bijvoorbeeld niet te vermijden, dat in de komende 6 maanden een aantal mensen, die in de wereld toch wel grote bekendheid genieten (bijvoorbeeld als vertegenwoordigers van grote staten) door ziekte en geweld uit de openbaarheid of zelfs uit het leven verdwijnen. Wanneer deze mensen het brandpunt zijn geworden van nadelig inwerkende waanvoorstellingen, is dat niet zo erg.

Wat wel aardig en misschien zelfs aanvaardbaar is, wanneer je het zo stelt, maar menigeen zal zich toch afvragen of het nog niet anders zou kunnen. Daarop kan ik maar één antwoord geven: Ondanks alle mensen met hun idealen is deze wereld nog steeds gebaseerd op het ‘eet of wordt gegeten.’ Zelfs het kind dat wordt geboren, eet de moeder uit. Meestal kan zij daar wel tegen, maar desalniettemin teert het op de kracht van een ander levend wezen. U hebt om te leven voeding nodig: Planten, dierlijk voedsel. Beide zijn levende wezens. Zo gaat het voort tot u sterft. Dan komt uw lichaam misschien in de grond terecht, om daar gegeten te worden door lagere dieren of planten. Dat zijn nu eenmaal de feiten, waaraan je ook als mens of beest niets kunt veranderen.

Het leven is een mengsel van allerhande tegenstrijdige elementen. De mens is als het ware een kerk, waarin een synthese tot stand moet komen van al die eigenaardige bestanddelen, die leven in stof, ik en kosmos in het ik uitstorten. Als er al van een eenheid sprake is, zullen wijzelf in ons die eenheid moeten maken, want rond ons bestaat er geen kenbare eenheid.

Rond ons is de uiting van het bestaan steeds verdeeldheid en strijd. De mens neemt maar al te vaak aan, dat hij in een gevormde wereld staat. Dan klopt hij op zijn borst en zegt: “Ik, homo sapiëns, ben de top….” Kennelijk kan de doorsnee mens niet begrijpen dat zijn menselijk vorm maar een klein tussenvormpje is in een veelheid van vormen. Het gaat niet om de vorm. De mens met al zijn denkbeelden van beheersing en meesterschap heeft (al geeft hij dit niet graag toe) evenveel verwarringen geschapen als opgelost. Alleen heeft hij de wanorde van de natuur verminderd en daarvoor in de plaats zijn eigen wanorde gesteld. Daarom zijn de uiterlijke bereikingen en vormen, ook de uiterlijke strijd, in wezen niet zo belangrijk.

Dat, wat ín de mens ontstaat, is werkelijk belangrijk. Het is niet belangrijk of je je een mooie voorstelling van God kunt maken. Belangrijk is het, God in jezelf zozeer te beleven, dat de waarde van het Hogere door jou tot uiting kan komen. Het is niet belangrijk of je een esoterisch systeem vol diepzinnigheden neer kunt schrijven. Het is belangrijk je eigen leven zozeer bewust te beleven in zovele verschillende fasen, dat je anderen, wanneer zij in een soortgelijke fase als jij eens kende, verkeren, begrijpen, beantwoorden en helpen kunt. De waarde van het leven ligt niet in de uiterlijkheden. Het is duidelijk, dat de Witte Broederschap juist nu er weer een kritieke periode komt, niet met uiterlijkheden rekent, maar haar aandacht op de innerlijke en geestelijke mogelijkheden richt.

Het zal u bekend zijn, dat in 1967 een crisisperiode aanbreekt, die duurt tot rond 1970. Daarna verandert er veel en ontstaan weer meer stabiele tendensen. Het is dus logisch dat de Broederschap meent dat zij de mensen moeten terugbrengen naar een beleven en erkennen van de werkelijke en essentiële waarden van het bestaan. Ook wanneer dit betekent dat er op aarde daardoor veel lijden en dood zal moeten worden aanvaard. Leven en dood in stoffelijke zin zijn maar tijdelijke verschijnselen. Maar het werkelijke ik kan niet worden vernietigd.

Indien er in de stof echter bewustzijn teloorgaat, wordt dit niet zo gemakkelijk hersteld. De vorm kan weggevaagd worden, terwijl het ik nog altijd zichzelf gelijk blijft, maar als een mens blijft leven en in de plaats van de werkelijkheid steeds meer waan gaat stellen, is hij misschien ongetelde tijden in het duister geketend door zijn eigen onvermogen de werkelijkheid te aanvaarden.

Het ingrijpen tracht vooral dit te voorkomen. Dat dit ingrijpen onder meer via klimatologische omstandigheden, aardbevingen en dergelijke geschiedt, is daarbij niet zo belangrijk. Zo staan er binnenkort weer meerdere vulkanen op uitbarsten. Het ingrijpen kan plaats vinden door het aantasten van de waarden van verschillende bevolkingsgroepen en hun welzijn, zoals dit volgens de geldende waan wordt gezien, het kan plaats vinden door schandalen te doen ontstaan, staatslieden in moeilijkheden te brengen. Er zijn zelfs een paar geestelijke hoogwaardigheidsbekleders, die grote moeilijkheden krijgen. Maar dit alles is bijkomstig.

Daarom gaat het niet. De kern van alles is de vraag of de mens, wanneer zo dadelijk grote kosmische invloeden ontstaan, die misschien zelfs tot een wereldoorlog zouden kunnen voeren (bedrieg u in dit opzicht niet, een wereldoorlog is zelfs nu niet onmogelijk), zich daartegen verzetten kan. Want een wereldoorlog kan alleen voorkomen worden wanneer de houding en denkbeelden van de mensheid veranderen. Eerder niet.

Is het een wonder dat de Broederschap redeneert: Wij moeten in ieder geval zovele illusies aantasten, zoveel van de waan vernietigen, dat de mens een klein beetje persoonlijk durft te reageren en misschien zelfs gaat beseffen, dat het wel eens beter voor hem kan zijn in sommige gevallen zich desnoods dood te laten schieten, dan na een lange tijd van ellende geestelijk en waarschijnlijk ook lichamelijk ten gronde te gaan, terwijl hij dan nog de schuld van geweld en onrecht tegenover anderen moet dragen. Het kan lang duren, voor een mens zover komt. Om een behoorlijk deel van de mensheid zover te krijgen is het nodig, dat men meer zich op de feiten baseert en afstand doet van het ellendige nietes-welles systeem, waarop nu zoveel van geloof, wereldpolitiek en economisch beleid gebaseerd wordt. Politiek en kerkelijk blijkt men de kunst te beoefenen van het gelijktijdig ja en nee zeggen, terwijl men zich daarbij baseert op stellingen, die door de feiten steeds weer worden weerlegd. Zo komt de wereld niet verder. Daarom is het onvermijdelijk, dat velen op harde wijze met de werkelijkheid worden geconfronteerd en menige illusie wredelijk wordt verstoord.

De mensen moeten eindelijk in plaats van te spelen met beweringen en onbewezen stellingen leren leven met de feiten en in begrip voor de veelheid van mogelijkheden ertoe komen hun eigen innerlijk besef waar te maken. Wat waarschijnlijk dit alles maakt tot een onderwerp, waarmede niet alle aanwezigen het eens kunnen zijn. Toch wil ik u vragen over dit alles eens na te denken en mijn beweringen eens aan de waarneembare feiten in de wereld rond u te toetsen. Ik denk dat u met ontsteltenis zult constateren dat ik meer gelijk heb, dan men misschien zichzelf in deze dagen durft toegeven, dat dit alles ook geldt ten aanzien van eigen leven en denken.

Esoterie: De menselijke psyche.

Het is de bedoeling, dat wij wat over esoterie zouden spreken. Nu heb ik daarover zo mijn eigen denkbeelden. Zij zijn uit de aard der zaak deels persoonlijk, maar ik meen dat een kennis nemen van mijn gedachten voor u een aanleiding kan zijn om uw eigen standpunt ten aanzien van de esoterie beter te definiëren.

Ik wil dan ingaan op de menselijke psyche. Want wij spreken wel van vele hoge, mooie, schone geestelijke idealen, maar zodra puntje bij paaltje komt, moet je dit alles toch uitdrukken via het stoffelijke denken. De geest speelt daarbij een rol, maar tijdens het stoffelijke leven zijn de stoffelijke eigenschappen en de beïnvloeding uit de omgeving vaak even belangrijk of belangrijker. Het is wel vreemd, dat zovele van de krachten, die men aan zuiver geestelijke werkingen pleegt toe te schrijven, hun uitdrukking en zelfs oorzaak vinden in zuiver stoffelijke waarden en middelen. Daarom meen ik, dat de mens eigenlijk niet op de goede wijze aan esoterie kan doen, wanneer hij niet eerst begrijpt, wat hij zelf is. Dit wil ik kort en eenvoudig opsommen. Kort, want het merendeel van deze punten kent u natuurlijk reeds.

Punt één: De mens heeft erfelijke eigenschappen. Deze worden overgedragen via de chromosomen, zeer ingewikkelde moleculaire constructies. Hierdoor wordt niet alleen de vorm van de verschillende cellen bepaald, maar ook hoe deze cellen zullen gaan reageren, hun onderlinge verhoudingen, sterkte, de evenwichten van afscheidingen, enzovoort.

Men kan dus erfelijk behept zijn met een bepaalde huidskleur, maar net zo goed met een bepaalde zenuwkwaal, een zwakte of sterkte van weefsel. Nu zie ik niet in, waarom deze erfelijke beïnvloeding hier stil zou blijven staan. Wij kunnen aannemen, dat erfelijke factoren wel degelijk ook voor het functioneren van de hersenen bepalend kunnen zijn, zodat langs erfelijke en zuiver materiële weg bij een mens de mogelijkheid tot scherp waarnemen en formuleren kan ontstaan, terwijl voor een ander waarneming, combinatie en reactie juist wazig en pluizig blijven.

Iemand die scherp kan nadenken, lijkt geestelijk al snel meer dan een doodeenvoudige sul.

Maar is dat wel waar? Wanneer wij voor onze geestelijke vorderingen ons alleen op ons verstand kunnen beroemen, geloof ik niet dat wij veel redenen hebben om op te scheppen. Want dat is uiteindelijk een kwestie die materieel reeds in het verleden werd vastgelegd en misschien reeds zeer vele geslachten geleden in een voorvader zijn oorsprong vond.

IJver dan misschien? Want er zijn mensen, die ijver zien als een bijzondere verdienste en dan ook altijd weer uitroepen: “Maar ik ben altijd bezig. Ik ben ijverig!” Tja, u kunt wel erg actief zijn, maar over uw geestelijke waarde zegt het weinig en een werkelijke verdienste is het meestal ook niet. Een groot deel van de zogenaamde luiheid van anderen is ook genetisch ingebouwd. In de toekomst zullen wij bijvoorbeeld de neiging tot luiheid toe zien nemen. Het is nog niet eens een werkelijke ziekte, maar eenvoudig een verandering van het interne evenwicht als gevolg van veranderende levensomstandigheden en voedingsgewoonten. Zo blijkt (ook erfelijk beïnvloed) in de laatste tijd bij de jeugd de bijnierfunctie zich, vergeleken bij het verleden, wat te wijzigen. Dus, ijver is niet direct een verdienste en het is nu niet direct een geestelijke fout wanneer je wat lui bent. Geestelijk gezien is het niet zo belangrijk dat je bepaalde kwaliteiten hebt, maar wel of je met de kwaliteiten die je hebt, het maximum weet te bereiken van het voor jou mogelijke. En met de huidige stand van wetenschap is men nog niet zo ver, dat een ander uit kan maken, wat je werkelijk maximum aan mogelijkheden en bereikingen is. Daarom heeft het ook zo weinig zin te trachten de prestaties van anderen te imiteren. Je weet immers nooit, of je de ander kunt evenaren, of jij het voor hem mogelijke wel kunt bereiken, dan wel ver zou moeten overtreffen.

Wanneer jij je maximum prestatie levert, zit je goed. Dat is het enige, wat je daar met zekerheid kunt zeggen.

Dan komen wij nu aan een tweede punt: De geestelijke vorming. Wat men op aarde geestelijke vorming pleegt te noemen, is grotendeels een presteren van de hersenen. U denkt daarover misschien als iets wat geheel vanuit de geest komt. Maar ook hier spelen stoffelijke invloeden een zeer grote, soms zelfs beslissende rol. Allereerst is daar de prenatale periode, de tijd voor de geboorte. Stel dat de moeder een ernstige zenuwschok krijgt of een lichamelijke schok. Deze wordt, via bloedsomloop, voeding en zenuwstelsel, aan het embryo overgedragen. Hierdoor ontstaat een afwijking in de denkreactie. Een dergelijke afwijking van het normaal geldende denkproces kan een leven lang blijven bestaan. Het is vastgelegd. Toch heb je aan het veroorzaken of verhinderen daarvan zelf niets of maar zeer weinig kunnen doen. Gewoonte is een al even belangrijke factor. De één wordt geboren in een omgeving, waar het brengen van mensenoffers of het snellen van koppen goed en verdienstelijk wordt geheten. De ander groeit op in een streng christelijk gezin of zoiets, terwijl iemand anders weer in een geslacht van vrijbuiters geboren wordt. Ofschoon de geest bij incarnatie wel een keuzemogelijkheid heeft, moeten wij hier toch constateren, dat de denkgewoonte de geldende moraal, het zogenaamde geweten, voortkomen uit het contact met het milieu. Deze mensen kunnen geestelijk even ver zijn. Toch handelen zij anders, denken zij anders, reageren zij op de problemen van het leven geheel anders. Ook hier kan men niet spreken van beter of minder goed, maar hoogstens van ‘anders’. Alleen al in de stof zijn zovele invloeden werkzaam, dat het dwaasheid zou zijn om een maatstaf van menselijk gedrag of leefwijze te aanvaarden, om aan de hand daarvan de innerlijke bewustwording en rijpheid te bepalen.

Punt drie brengt ons wat meer naar het terrein der metafysica. Een groot deel van wat wij de psyche plegen te noemen, blijkt afhankelijk van een vorm van energie, die men wel een soort elektriciteit zou kunnen noemen. Men kan onder meer hier spreken over een cel-elektrisch of bio-elektrisch vermogen, waardoor dus een bepaalde, niet geheel materieel kenbare energie altijd wel in het menselijke lichaam aanwezig is. Praten wij nu over de levensstromen, dan is hetgeen men vertelt over het juist dirigeren en corrigeren van deze stromen dus ergens wel waar. De energie zal zich binnen het lichaam aan de hand van de cel werking en bloedsomloop in bepaalde stromen bewegen. Neemt men een bepaalde houding aan, dan zal tussen één of meer van deze stromingen een inductiewerking mogelijk zijn, waardoor die stromen versterkt of afgeremd kunnen worden. Wat men hierover bijvoorbeeld in de yogaleringen stelt, is dus niet zo dwaas. Wanneer wij met die energie nog iets kunnen doen ook, zoals bijvoorbeeld het uitstralen van gedachten, hebben wij dus niet met een overwegend geestelijke functie te doen, daar zij grotendeels berust op het gebruik van stoffelijke, althans aan de stof ontleende krachten. Wanneer wij telekinetisch iets verplaatsen, geldt alweer hetzelfde. Ook zijn er wel mensen, die bijvoorbeeld kunnen zien wat zich in een gesloten ruimte of pakje bevindt. Dit lijkt misschien in uw ogen op een geestelijk aftasten. In feite is het een veranderen van de gevoeligheid, waarbij van de mens zelf iets uitgaat van de omschreven energie. Men kan dus zeggen dat de mens in feite een soort radar gebruikt, waarbij de doordringingskracht voor bepaalde stoffen vanuit het ik bepaald kan worden. Ook dit is in zo grote meerderheid lichamelijk, dat deze gaven nimmer gebruikt kunnen worden als een bewijs voor een hoger geestelijk bereiken of zelfs maar een aanwezig zijn van de juiste geestesgesteldheid.

Wel kunnen wij zeggen dat een mens die innerlijk harmonisch is, bepaalde gevoeligheden gemakkelijker zal ontwikkelen en bepaalde krachten gemakkelijker en sterker dan normaal zal kunnen uiten. Maar dan: Normaal voor zijn persoon. Wat dus niet betekent, dat een gebruik van dergelijke gaven ook betekent dat iemand innerlijk rustig en harmonisch is. Overigens blijken vele zogenaamde paranormale begaafdheden sterk tot uiting te komen bij mensen die overspannen of uitgeput zijn. Mensen die zeer zwak zijn of tussen leven en dood zweven, nemen vaak veel meer waar dan andere mensen. Zij zijn vaak helderziend, helderhorend.

Daarom nogmaals: Dit is zeker niet uitdrukkelijk een geestelijke activiteit. De grondslagen ervan zijn lichamelijk. Een heel groot deel van alles wat op aarde verheerlijkt wordt, vele van de ‘gaven’ aan de hand, waarvan men zijn bereikingen af wil meten, zijn materieel. Wat weer betekent, dat zij t.m. deels voortkomen uit omstandigheden, waarover men geen algehele zeggenschap kan hebben. Zij zijn dus nooit een hanteerbare maatstaf, waaraan men zichzelf of anderen ten aanzien van geestelijke waarden of gesteldheid kan afschatten of indelen.

Het volgende punt brengt ons onder meer bij de aura, de uitstraling, het astraal dubbel enzovoort. Deze dingen zijn er natuurlijk wel. Maar ook hier is de geestelijke waarde betrekkelijk. Wanneer ik bijvoorbeeld een aura ga ontleden, dan kom ik tot de conclusie dat slechts een klein deel van het waarneembare werkelijk geestelijk is. Een groot deel van hetgeen men ziet tegen het lichaam aan, is in wezen een variant van infrarood, een geschakeerde warmte uitstraling. De daarbuiten voorkomende ‘laag’ van de aura blijkt voornamelijk de werkingen van het zenuwstelsel weer te geven, terwijl op enkele punten in dit deel van de uitstraling pieken aanwezig blijken, die corresponderen met bepaalde organen en zo ook nog een in het lichaam plaatsvindende chemische reactie weergeven. De derde ‘laag’ geeft de gedachten weer en nog iets meer. Het geheel van dit deel der aura zegt ons iets over de sfeer van leven en de mentale achtergronden, maar ook dit wordt nog grotendeels lichamelijk bepaald. Daarbuiten ligt dan een gebied, waarin sprake is van een zeer flauwe en fijne uitstraling, zo fijn, dat zij voor de waarnemer vaak een ternauwernood waarneembare siddering is. Dat is dan, om de zaak eenvoudig te stellen, eerst werkelijk een deel van de uitstraling dat werkelijk uit de geest, althans uit de niet stoffelijke delen van het ik, voortkomt.

Wanneer wij spreken van het astrale deel van het ik, spreken wij over een deel van het ego, waarin ook de stoffelijke krachten van zenuwstelsel- en lichaamsprocessen aanwezig zijn, ofschoon hun vorm voornamelijk door de gedachte (bewust of onbewust) bepaald wordt. Het zogenaamde astrale heeft dus vele overeenkomsten met de materie, terwijl sprake is van een vaak uitwisselbaar zijn van de energieën van stof en astraal. Vandaar ook dat astrale manifestaties als bijvoorbeeld spookgestalten en verschijningen een grote invloed kunnen uitoefenen op een fysieke werkelijkheid. Aanwezigheid van astrale krachten kan bijvoorbeeld een luchtverplaatsing veroorzaken. Er ‘waait een wind’, ‘het tocht’. Bij dergelijke verschijnselen, krijgen wij ook te maken met onregelmatige temperatuursval, waarbij in een kamer in korte tijd voor vlak bijeen gelegen gedeelten van de ruimte verschillen van meerdere graden kunnen optreden. Er is hier sprake van een warmte-onttrekking in korte tijd, waaruit men kan concluderen dat astrale fenomenen ook gebruik kunnen maken van de vorm van energie die wij kennen als warmte of beweging.

Ik geef toe dat dit alles niet zo erg esoterisch klinkt. Toch meen ik dat je deze dingen moet weten en begrijpen voor je verder kunt gaan met goed succes. Het klinkt natuurlijk ook zonder deze kennis wel aardig: Wij doorschrijden de poorten der bewustwording, wij gaan door het doolhof van onze hartstochten (en dat is meestal nogal een doolhof!) en komen tot het punt van lering … enzovoort. Terwijl alles natuurlijk ergens wel waar is, maar toch symboliek omvat. De doolhof of tuin der hartstochten is bijvoorbeeld jullie gedachtewereld. Zij wordt niet bepaald door geestelijke problemen, maar is in wezen slechts een uitbeelding van de onevenwichtigheden die je in jezelf draagt. Vele fasen die wij in de theoretische esoterie afleggen, zijn niets anders dan een voorstelling van mogelijkheden van het ik, die materieel en desnoods nog astraal verwezenlijkt worden.

Waarmede wij aan de geest komen. Geest zijn betekent: Eenvoudig stoffelijk of onstoffelijk bestaan en in jezelf een voorstelling omtrent je eigen wezen dragen. Wat impliceert dat bewustzijn ook verankerd kan zijn in energie die niet materieel gebonden is, zoals men deze op aarde kent. Geest is een soort niet stof gebonden energie, vrije energie. Geestelijke voertuigen kunnen nog een vormbewustzijn hebben en door de beelden die zij naar anderen uitstralen, zelfs in zekere zin een gestalte aan kunnen nemen. In wezen echter is de geest een vortex van krachten, die door eigen beweging plus verschil van waarden of potenties innerlijk een begrenzing vormt ten aanzien van de ruimte rond die geest. Daarmee ben je er. Wij kunnen natuurlijk aan het begrip geest wel meer voorstellingen, voorwaarden enzovoort verbinden, maar nodig is dit niet om het wezen van een geest te omschrijven.

Als geest ben ik dus een kracht, waarin het mogelijk is verschillende dingen tijdelijk vast te leggen, zoals een draaikolk de takjes die erin komen lange tijd in zich mee kan voeren, terwijl een tak die groot genoeg is wanneer hij beneden komt, tijdelijk iets aan de wieling van het water veranderen kan, eer niet. Wanneer wij esoterisch streven, gaat het er dus niet om de tijdelijke mogelijkheden, de takjes in onze vortex van krachten te kennen. Wij moeten begrijpen dat wij een beweging zijn. Als wij weten hoe die beweging gericht is, wat haar dus versterkt en wat haar tijdelijk kan verzwakken, zijn wij weer een stap verder.

Het probleem van de geest doet mij denken aan Hamlets “To be or not to be, … to sleep…. but then, perhaps, to dream.” Rust, wij begeren rust. Maar rusten betekent ook: Overgeleverd zijn aan alles wat er in je leeft. Is dat wat in je bestaat, goed, dan is rust begeerlijk, dan is het als het ware heerlijk om te slapen. Maar ben je innerlijk verdeeld, dan is de innerlijke wereld een voortdurend botsen, een voortdurende doodsnood. Daarom is het belangrijk te weten wat je bent, wat je inhoud is.

Feiten en gebeurtenissen zijn daarbij uiteindelijk van minder belang. Belangrijk is evenwicht, is het besef, dat je een beweging bent in de ruimte. Indien je daaraan nu maar een beeld kunt verbinden (omdat je als mens nu eenmaal alles in beelden uit moet drukken) dan voel je enigszins hoe je gericht bent en zal je weten, wanneer actie noodzakelijk is en wanneer rust mogelijk wordt. Dit besef verwerven omtrent eigen wezen en noodzaken is in wezen van meer belang dan het doorwerken van alle inwijdingsfasen bij elkaar. Vergeet niet dat de inwijdingsfasen in feite niets meer of minder zijn dan het opbouwen van een menselijk begrip, waardoor je dit Ik in waarheid kunt kennen en beseffen.

Ten laatste: Indien ik mijzelf voorstel als een vortex, dan moet ik in iets anders bestaan. Ik ben een wieling in het water, een draaikolk in de goddelijke kracht. Indien ik dit weet, kan ik op den duur steeds meer van mijn bewustzijn overbrengen in hetgeen mij nu nog omringt. Wanneer de wieling ophoudt te bestaan, kan het water alles wat in de wieling was, nog verder in zich dragen.

Op een gegeven ogenblik is de energie die mijn wezen uitmaakt, opgenomen in alles, wat mij omringt en ben ik zelf dus geen afzonderlijk kenbaar en bestaand wezen meer. Ik besta nog, doch slechts als de erkenning van alles wat de wieling, de vortex, is geweest. Wat overblijft is het bewustzijn in het geheel.

Een definitie van het ik is niet meer mogelijk zoals een druppel water in een oceaan kan bestaan, zonder dat het mogelijk is deze druppel nog van alle andere druppels of van de oceaan zelfs te onderscheiden. Het is mogelijk dat er eens weer een wieling ontstaat, waarvan ik deel ben. Dan daal ik weer af tot een wereld der begrenzing, wordt tot een gerichte beweging. Het is dan zelfs mogelijk dat ik eens weer in een stoffelijke vorm zal bestaan. Het is een soort eeuwige kringloop. Degenen die dit op aarde gewichtig willen maken, vergeten meestal een ding: Dat alle geestelijke werkingen, mogelijkheden, bestaanswaarden van het ik ergens in wezen evenzeer uit een bron stammen, evenmin geheel beheerst kunnen worden of bepaald als alle lichamelijke eigenschappen.

Het enige wat wij kunnen doen, is onszelf, ons bestaand wezen, zozeer te beheersen, dat het aan de behoeften en noodzaken van onze ogenblikkelijke bestaansvorm of fase zoveel mogelijk tegemoet komt. Wij brengen daarom juist ons leven en onze innerlijke harmonie zoveel mogelijk in overeenstemming met onze eigenschappen en mogelijkheden, dit is volgens mij ware esoterie: Het vinden van de innerlijke harmonie en eenheid.

image_pdf