De wereld als zodanig

16 december 1968

Laat mij beginnen met het zo te stellen: De wereld is een illusie, die op werkelijkheid is gebaseerd. We weten allemaal dat onze visie op de wereld niet 100 % juist kan zijn. Maar we zijn toch geneigd aan te nemen dat wat achter die wereld ligt ‑ zeker als we in de stof vertoeven ‑ een onveranderlijke werkelijkheid is. En juist daardoor komen we eigenlijk steeds weer in moeilijkheden. De flexibiliteit van bv. het menselijk geweten schijnt helaas nog niet te zijn doorgedrongen tot het menselijk verstand. En toch is juist daar een enorm aanpassingsvermogen noodzakelijk.

De aarde is een bol; dat zullen we dan maar aannemen. De aarde draait rond de zon. We weten niet beter; het zal wel waar zijn. Zon en aarde bewegen zich in een bepaalde richting door de ruimte; alles lijkt erop dat het waar kan zijn. En zo kan ik doorgaan.

Maar op een gegeven ogenblik moet je als mens komen tot een aantal vaste stellingen. Laten we bv. de geometrie nemen of desnoods de eenvoudige rekenkunde, 1+1=2 zo zegt men; dat kan niet anders zijn. En daarmee hebben we eigenlijk een wereld geschapen, die in het denken toch gefixeerd is. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat 1+1 bv. 100 kan zijn. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat wit en zwart geen tegenstellingen zijn, maar in feite slechts de aanvulling van elkander en samen daarmee een totaal nieuw begrip uitdrukken. Wat we nodig hebben zijn nieuwe begrippen.

Dat de wereld, zoals ze op het ogenblik bestaat, ruimschoots in moeilijkheden zit, juist door haar onvermogen om te komen tot een werkelijk nieuwe formulering van begrippen, die bij de wereld passen, zal iedereen wel hebben bemerkt. Wij zijn daarentegen als mens ‑ en ook vaak als geest ‑ altijd bereid om elke nieuwe stelling of nieuwe erkenning hoe dan ook in te voegen in ons eigen systeem van denken. Om u een voorbeeld te geven:

Het christendom is gebaseerd op het Evangelium. Het Evangelium is een leer, van buitengewoon grote vrijheid voor de mens, maar ook van een buitengewoon grote persoonlijke aansprakelijkheid. Het is een leer zonder wetten. Het is gelijktijdig een leer, die een aantal desiderata stelt, waar je volgens je begrip jezelf op moet oriënteren. Dat was voor de mens niet aanvaardbaar. We zien dat al bij Paulus. En automatisch gaat die mens dan verder zoeken naar de wetten. Wij ontdekken dat het christendom in feite zijn ­opbouw en zijn spelregels voor een heel groot percentage baseert op en ontleent aan het oude Testament. Dit is een van de vele voorbeelden van aanpassing, die ik u kan geven, Het zou allemaal niet zo erg zijn, indien daarbij dan toch van een voortdurende ontwikkeling sprake was. Maar de fout, die men maakt, is dat men aanneemt dat elke omwenteling gelijktijdig een ontwikkeling is.

Men zegt bv.: Het was een vooruitgang, toen de ridderstand werd verslagen en de handelaren in het zadel kwamen. Maar dat was niet waar. Want even daarna was er een regentenregering, waarin de regenten even verwaand en verzekerd van zichzelf in hun roeping en rechtschapenheid waren als de ridders van voorheen.

Men heeft gezegd: We moeten een einde maken aan de standenregering. En er kwam een regering, die inderdaad de laagsten aan het gezag bracht en de hoogsten tot een minderwaardige stand bepaalde. Hier werden dus de waarden wel omgekeerd, maar de werkelijke verhoudingen werden niet veranderd.

Als wij trachten in onszelf de waarheid te vinden, dan gaan we op ongeveer gelijke wijze te werk. Wij zoeken niet naar de totaal nieuwe mogelijkheid, de totaal nieuwe kracht, we proberen het oude opnieuw in te passen in onze ontdekkingen. We zijn bereid idealen prijs te geven, maar we kiezen dan automatisch andere idealen, die we verheffen tot dezelfde hoogte als het oude ideaal. Het is duidelijk dat een geestelijke vernieuwing van deze wereld dus los zal moeten komen te staan van het menselijk denken; en dat is in een materialistische tijd heel moeilijk.

Een van onze vrienden heeft lang geleden eens geconstateerd dat godsdienst eigenlijk de meest uitgesproken vorm van op niets gebaseerd materialisme is. En hij zat heel dicht bij de werkelijkheid. Want de hele opbouw van God, van hemel, de ideeën omtrent beloningen en bestraffingen zijn op de materie gebaseerd. De machten, die worden ontleend aan dit geheel, zijn stoffelijke machten en krachten. Er is geen hemels bezit. Er is een materieel bezit gevormd. Dit is een van de moeilijkheden op deze wereld, waarmee men te worstelen krijgt, wanneer er een hernieuwing van leer of van inzicht komt.

De Wereldleraar, die op deze wereld werkzaam is geweest, heeft natuurlijk geprobeerd om alles toch weer in een nieuw kader te brengend om a.h.w. de mens vrij te maken juist van dit gebonden‑zijn aan wat reeds was. Hij zal daarin mogelijk enigszins slagen en zeker zal hij de weg voorbereiden van andere en nog grotere krachten, die op deze wereld hun rol zullen spelen. Voor ons als groep, die zich wil bezighouden met esoterie, met magie, met de achtergronden van het geestelijk bestaan, is het misschien weleens goed om na te gaan wat de feiten van dit aardse bestaan zijn, en dan op grond daarvan ons een visie te vormen t.a.v. de betekenis van leringen van bv. Jezus of van een nieuwe Wereldleraar.

Weest u niet bang dat dit een godsdienstig betoog wordt. Ik geloof dat je God dient door te bestaan en dat alles wat je méér tracht te doen om God te dienen in feite een vervreemding is van God en een verhoging van eigen eerbied voor jezelf. En daar hebben we geen behoefte aan.

Er is een God, weten we dat er een God is? Neen. Inderdaad, we weten het niet. We voelen dat er iets moet zijn; en dat “iets” noemen we God. Anders gezegd: God, de basis van alle godsdienstig beleven, is een emotie, niet een feit.

Er is een voortbestaan. We hebben daarvoor een aantal halve bewijzen. Maar weten we nu werkelijk, of er een voortbestaan is, zoals men dat op aarde aanneemt? Neen. Weten wij, of dit voortbestaan er voor iedereen is. In feite: neen. Indien wij desalniettemin reïncarnatie aannemen of geloven in een hemel en een hel, indien wij geloven in een Zomerland en geestelijke sferen, dan is dat geen kwestie van feiten, van weten; het is een kwestie van emotie.

Wij zeggen, dat het leven op aarde zinvol is. Voor onszelf kan dat natuurlijk waar zijn. Maar om die zinvolheid in de totaliteit te bepalen hebben we niet de nodige middelen. Wij menen wel dat ons leven betekenis heeft, maar weten doen we het niet. Maar we hebben het gevoel, dat het zo zou moeten zijn Wederom: emotie.

Wij geloven (m.a.w. emotioneel nemen wij aan) dat de aarde een bepaalde evolutie doormaakt; dat het er dus steeds beter zal worden. Is dat waar? Als we helemaal eerlijk zijn, wijzen de feiten een andere richting uit. Toch hebben we het idee dat de wereld morgen beter zal zijn. Emotie.

Wij hebben het denkbeeld dat er systemen bestaan, waardoor je de mensheid kunt veranderen en verbeteren. Is dat een feit? Tot nu toe hebben alle systemen (godsdienstige en andere) gefaald. Toch geloven wij dat het wel mogelijk moet zijn. Waarom? Emotie. En toch zijn al die dingen voor elke mens juist de basis van het bestaan op deze wereld. De oudere mens, die streeft en werkt en zwoegt, opdat zijn kinderen het beter zullen hebben, die weet niet eens wat dat “beter” eigenlijk moet inhouden, zeker niet voor die kinderen.

Toch heeft hij een zeer bepaald denkbeeld; hij streeft in een zeer bepaalde richting. Er is eigenlijk een soort emotioneel zelfbedrog aan de gang.

Als we zuiver materialistisch willen redeneren, moeten we zeggen: Alles waarover een zo grote twijfel bestaat, moeten we terzijde leggen, willen we geestelijk gaan redeneren, dan komen we op een ander, volgens de aardse beschouwing even gevaarlijk punt, nl.: Al hetgeen ik aanvoel als een emotionele waarheid of juistheid, is waar. Ook dat is heel gevaarlijk en ook daar kunnen misleidingen optreden. Als ik dus probeer om in mijzelf te streven op deze wereld van u of in een andere wereld, dan begin ik al onder zeer ongunstige omstandigheden. Ik begin met een aanvaarding van het onlogische, omdat mijn gevoel mij daartoe brengt; en dan tot een materieel reële uitdrukking van op zich onlogische feiten, zonder dat ik daartoe werkelijk materiële redenen heb. En dan ga ik nog een stap verder: Op grond van dit alles wens ik mijn wereld in een bepaalde vorm te brengen of te zien, zonder dat ik daartoe de macht heb. Dat is een waarheid.

Nu komt er een mens als Jezus. Hij zegt dat God onze Vader is: Een goede Vader, een liefdevolle Vader. De wereld kan geen liefdevolle God aanvaarden. Want een liefdevolle God zou voor de zondaar en de deugdzame immers evenveel begrip en waardering moeten kunnen opbrengen. Dat is ondenkbaar. Dus: God mag geen liefdevolle God zijn. God zou als Vader, als Kracht die ons omgeeft, als een zeker Principe (weer een emotioneel principe ‑ vader is eigenlijk ook een emotioneel principe) dus dichtbij ons moeten staan. Maar een God, die dichtbij is, daarmee kun je niet marchanderen, die kun je niet bedriegen. Dus: staat God ver van ons af. Een God, die al te concreet is, is voor ons eigenlijk niet helemaal aanvaardbaar. Want een God, die al te concreet is, heeft meer gezag dan wij met ons verstand. Een God, die al te abstract is echter, geeft ons weer te weinig houvast om regels aan anderen op te leggen. Dus is hij ook niet aanvaardbaar. God is een soort amorf wezen, een kosmische amfibie, die – naar gelang het nodig is ‑ optreedt als een strenge, strikte vorm of als een vage vorm van welwillend licht.

Jezus leert ons, dat God de beloning niet bepaalt aan de hand van de arbeid. Er zijn daarvoor vele gelijkenissen, bv. die van de arbeiders in de wijngaard. Hij zegt dus eigenlijk tegen de mensen: Of je nu voor God je hele leven werkt of één minuut, maakt geen verschil uit. God bepaalt je loon. Dat is voor de mens natuurlijk onaanvaardbaar.

Jezus leert de mensen verder dat ze elkander moeten liefhebben. Hij gaat zelfs verder: hij leert hen dat ze ook hun vijanden moeten liefhebben. Maar een vijand, die je liefhebt, is geen vijand meer. Een mens, die geen vijand heeft, moet alle aansprakelijkheden zelf dragen; hij kan ze op niemand afschuiven. Dus is er geen feitelijke naastenliefde en heeft de mens vijanden nodig.

Ik hoop met deze voorbeelden duidelijk te hebben gemaakt, waar de moeilijkheid ligt. De moeilijkheid ligt bij de gefixeerde vorm ven werelderkenning, waaraan alles moet worden aangepast. Terwijl gelijktijdig deze werelderkenning niet een volledig feitelijk redelijke is, maar een emotioneel redelijke, waarbij de feiten weleens een beetje kunnen worden verdraaid.

Nu komt de nieuwe Wereldleraar en brengt een leer, die eigenlijk aan de ene kant zeer dicht bij de mens ligt. Hij zegt heel rustig: Als je met een bepaalde formule iets kunt bepalen op aarde, dan moet je dat ook kunnen doen in de hemel. Als je gezag hebt op aarde en je kent daar bepaalde waarden aan toe, dan moet je aannemen dat dit gezag ook in de hemel bestaat. Je kunt geen verschil maken. Hij zegt tegen de mens: Het is belangrijk om vrij te zijn. Maar hij voert die vrijheid heel wat verder door dan voor de doorsneemens aanvaardbaar is.

Hij spreekt niet alleen van de vrijheid van de persoonlijke aansprakelijkheid (maatschappelijk natuurlijk iets ondenkbaars) maar hij gaat nog een beetje verder. Hij zegt eigenlijk dat de mens dus helemaal geen verplichtingen en helemaal geen bezit kan hebben. Hij kan alleen datgene hebben, wat in hemzelf leeft.

Dat wordt dan een uitermate droevige geschiedenis, want welke mens op aarde is bereid om genoegen te nemen met datgene wat alleen in hemzelf leeft. Vooral wanneer je het niet kunt rechtvaardigen door te wijzen op de goederen die hij bezit, of de wijze waarop hij goed met zijn medemensen omgaat.

Het nieuwe denken, dat deze Wereldleraar wil brengen en wat ook Jezus eigenlijk al op aarde heeft gebracht en wat dat betreft ook de Boeddha, is niet alleen maar, zoals de mens het pleegt uit te drukken, een kwestie van offers brengen en van onthechting. Het is eenvoudig een totaal nieuw denken, waarbij je niet meer uitgaat van “wat is mijn maatschappelijke ­verantwoordelijkheid, wat is mijn aansprakelijkheid tegenover dit of dat?” Maar waarbij de mens eenvoudig moet uitgaan van datgene, wat voor hem werkelijk bestaat. En daarbij mag hij zich dan nog niet laten belemmeren door allerhande ideeën als bv. vaderlandsliefde, goedheid voor kinderen; eerbied voor de ouderen en al die dingen meer. Hij moet vanuit zichzelf leven. Een mens, die uit zichzelf moet leven, moet zichzelve de wet zijn. En daar komt de grote moeilijkheid.

Als ik de wet in mijzelf zoek, dan weet ik heus wel wat voor mij goed en niet goed is; wat ik wel en wat ik niet zou willen of kunnen doen. Dat is helemaal geen wonder, dat weet ik wel. Maar ik kan er blind en doof voor zijn, zolang ik daarbij kan hanteren: wetboeken, kerkelijke wetten, Gods geboden of iets anders. Mijzelf erkennen voor wat ik ben, is een van de moeilijkste zaken, zelfs indien het alleen maar gaat om de erkenning van wat volgens mij goed en niet goed is. Het is natuurlijk gemakkelijk te zeggen: Dat goed en niet goed is een emotionele kwestie. Ja, maar uw hele leven is in feite op emoties gebaseerd. De basis van uw maatschappij; van uw waardering voor hetgeen er in de wereld gebeurt, is een emotionele, geen feitelijke. Indien u feitelijk redeneert, dan moet u zeggen: Het is eigenlijk goed dat er overal zoveel mensen sterven. Het is jammer voor die mensen natuurlijk, maar hierdoor wordt in ieder geval die enorme bevolkingsgroei een klein beetje afgeremd. U zegt dat niet, want u hecht zelf aan het leven; en daardoor is het leven u heilig. Naarmate u meer om uw leven geeft, zult u ook het leven hoger gaan tellen bij anderen.

En vreemd genoeg zult u gelijktijdig menen dat het belangrijker is om het leven van die anderen ook te kunnen vernietigen. Een eigenaardig dualisme. Dat komt alleen, omdat u niet durft terugvallen op uw persoonlijke wet. Die persoonlijke wet zou alle zekerheid ongedaan maken.

De Wereldleraar zegt ons dat de enige zekerheid, die een mens bezit is, dat hij leeft op een wijze, waarmee hij het zelf eens is. Maar dan kan alles goed zijn op de wereld. Er behoeft geen kwaad te bestaan. Als er geen kwaad bestaat, waarom moet je dan leven, zoals je doet? Dan heb je al die offers voor niets gebracht. Daarom ontwijkt de mens.

Als men nagaat wat er op het ogenblik op de wereld gebeurt, dan wordt men getroffen door allerhande eigenaardige tegenstrijdigheden. Enerzijds is iedereen ervoor om voor de armen een beter leefmilieu te scheppen, zoals dat heet; een leefklimaat, een betere levensstandaard. Men heeft het over de rechten van de mens (artikelen, die nog niemand werkelijk ten uitvoer heeft durven brengen, zelfs geen van de ondertekenende staten). Maar men wil daarvoor niet de bestaande zekerheden prijsgeven.

Een nieuwe leer op deze wereld zou dus in de eerste plaats bestaan in het prijsgeven van de zekerheid. Durf onzeker te zijn. Dat klinkt misschien een beetje vreemd, want een onzeker mens ‑ zo denkt men ‑ moet een ongelukkig mens zijn. Maar als de onzekerheid, die je eigenlijk in je leven toch wel aanvoelt als een bestaande waarde, nu eens wordt geaccepteerd in plaats van dat je wanhopig probeert haar aan alle kanten te bestrijden. Als ze het principe van je leven zou kunnen worden, zou je dan niet emotioneel veel dichter bij de werkelijkheid staan, die dan niet meer emotioneel geïnterpreteerd is? Want dan kun je alles van die werkelijkheid aanvaarden zoals het is. Je ontwijkt het niet. Ik geloof dat dit op zichzelf al een heel belangrijk punt is. Maar je moet nog een stap verder gaan.

Indien ik aanvaard dat er een onzekerheid is en ik ga innerlijk zoeken naar een hoger begrip of een hogere waarde, dan moet ik ook accepteren dat die ergens kan zijn in mij of overal. Ik behoef niet meer op een bepaalde gerichte manier te gaan streven. Ik behoef mijzelf slechts te beleven. En als het hogere er is (aanwezig, geuit of wat dan ook), dan zal dat hogere worden erkend. Ik behoef in mijn medemens niet te zoeken naar zijn fouten; ik moet beginnen met hem te accepteren zoals hij is. Maar als men dat tegenwoordig doet, dan doet men dat nog altijd met een zeker voorbehoud. Zoiets als: Nou ja, het is wel een goeie kerel, maar toch wel een rare snijboon. Kijk, daar moeten we vanaf. Of het een goeie kerel is weten we eigenlijk niet. Maar als ik innerlijk alle dingen zo ga aanvaarden dat ze door een toeval desnoods opeens iets kunnen worden en daarna gelijktijdig een ogenblik weer het tegendeel zouden kunnen worden, als ik het zekerheidsprincipe ga prijsgeven, dan krijg ik niet alleen deze voortdurende fluïde aanpassing aan al wat er emotioneel en reëel in en rond mij bestaat, maar ik krijg daarbij ook een begrip van de essentie van mijn wezen. Want datgene, wat ik in dat onzekerheidsprincipe nu hier en dan daar meen te ontdekken, wat overal is en wat ik steeds weer dreig te verliezen, dat is de basis van mijn wezen. Het is steeds de projectie van mijzelf die ik overal terugvind.

Ik zal dan in mijn innerlijk leven niet meer behoeven te zoeken naar een God op een bepaalde manier, met een bepaalde rite, met een bepaalde werking. Ik behoef alleen maar te erkennen, dat ik ben zoals ik ben … en ik heb die totaliteit waarnaar ik zoek. Ik behoef niet meer te zoeken naar procedures voor een bovennatuurlijke macht of een magie. Op een zeker ogenblik is voor mij emotioneel (want het blijft altijd weer de emotie, die een rol speelt) een bepaalde handeling, een bepaald woord, een bepaalde toestand de uitdrukking van een macht. Op dat ogenblik is het voor mij een waarheid. Maar zodra ik tracht het te continueren, verliest het zijn waarde. Dat onzekerheidsprincipe, indien we het accepteren, maakt het ons mogelijk ons daarbij aan te passen

U vindt het heel normaal dat de zon vandaag schijnt en dat zij nu hier is en zich langzaam verplaatst; dat waar zo‑even zonlicht was, schaduw is gekomen. Maar een mens, die in zich naar God zoekt, houdt geen rekening met deze progressie van de dingen in en rond hem, die misschien ergens bestaat. De mogelijkheid ervan ontbeert hij zelfs. Hij heeft één keer op deze ene plek licht gevonden; dus moet daar eeuwig licht zijn. Als hij zelf faalt om een tweede keer op datzelfde punt licht te ontdekken, dan zegt hij niet: Dat licht zal ergens anders zijn; dan zegt hij: Ik heb gefaald. Als hij één keer kracht heeft weten te ontwikkelen op een bepaalde manier en de volgende keer lukt het niet, dan zegt hij: Ik heb een fout gemaakt in de procedure. Hij zegt niet: Ik had de kracht ergens anders moeten zoeken.

Indien deze wereld zich verder moet ontwikkelen, dan zal ze van haar zekerheidsprincipe afstand moeten doen, hoe pijnlijk dat dan ook voor de menigte is, hoe moeilijk dat in geestelijk opzicht ook is en hoe moeilijk dat ook materieel en maatschappelijk zal zijn. Ze zal moeten komen tot datgene, wat de Wereldleraar omschreef als “Het in voortdurende vrijheid mijzelf zijn, en mijzelf erkennende mijn wereld vormen.”

Ik weet niet, of u berijpt wat dat betekent: in vrijheid mijzelf zijn. Er is niets dat bepaalt hoe ik mijzelf moet zien. Ik erken mijzelf, hoe dan ook. En dat wat ik ben, helpt mij om mijn wereld te vormen. Wat ik in mijn wereld erken, ben ik ergens zelve; het leert me ook weer de andere aspecten van mijzelf te zien. In plaats van een vaste plaats op aarde te zijn, die op het ogenblik wacht dat er weer een zonnestraal komt, word ik zelve de zon, die de aarde beschijnt, nu zus dan zo, in een eigen gang door de hemel.

De verhouding met de medemens wordt daarmee ooit een totaal andere. Wat ik voor een medemens ben, kan van ogenblik tot ogenblik veranderen. Er bestaan geen dingen als eeuwige liefde, eeuwige rechtvaardigheid. Tenminste niet zodra ik probeer ze te omschrijven. Een werkelijke liefde is een voortdurend veranderend aspect van persoonlijkheidserkenning. Een werkelijke rechtvaardigheid is een voortdurende wijziging van regel, omdat elk nieuw aspect de regel wijzigt. En in mijzelf moet dat evenzeer een rol spelen uit de aard der zaak. Want een mens, die nog in deze wereld moet kunnen leven, mag niet gebonden zijn door grenzen. En waar moet je die grenzen trekken. Het is aardig te zeggen: Ik moet die grenzen trekken op zakelijk terrein. Ik moet eerlijk zijn in zaken. Dat is uw zaak. En als u eerlijk bent, er is geen zakenman, die te allen tijde volledig eerlijk is. Erken dat en u zult begrijpen dat uw z.g. eerlijkheid in zaken in feite niets anders is dan een voortdurend aanpassingsproces aan uw behoeften en aan de mogelijkheden, die anderen u bieden.

Zedelijkheid. We hebben zedenwetten. Natuurlijk die zijn er. Maar die zedenwetten veranderen van ogenblik tot ogenblik. Er is een tijd geweest, dat het voor een vorst een zeer eerzame ‑ om niet te zeggen een bijna noodzakelijke ‑ kwestie was om er een maîtresse op na te houden. Waarom zou dat toen goed en eerbaar zijn geweest ‑ zelfs in de ogen van de kerk ‑ en zou het tegenwoordig niet eerbaar zijn?

Adam en Eva werden in het paradijs geschapen. Er was geen enkele Dior of een andere figuur, die hen kon kleden. Waarom zou datgene, wat toen goed was, nu verkeerd zijn? Zeker, er zijn heel veel redenen te geven, waarom het toch niet zo helemaal acceptabel zou zijn. Maar komen die redenen voort uit het ogenblik of vormen ze een wet? En dan komt je tot de conclusie: zij komen voort uit een erkenning, uit een behoefte van het ogenblik. Zij zijn geen feitelijke wet. Zij zijn een behoefte, die wij als wet uitdrukken om op deze manier voor onszelf een soort garantie, een soort zekerheid te scheppen, die toch nooit werkelijk bestaat.

Als we zover zijn, kunnen we weer een stapje verder gaan. Dan moeten wij zeggen: Begin ik met de onzekerheid te aanvaarden, dan moet ik die niet alleen aanvaarden voor en vanuit mijzelf; ik moet die eveneens vanuit al het andere rond mij aanvaarden: Er is geen vaste maatstaf en geen vaste basis, behalve dat ik zelf leef en dat mijn leven een voortdurende uitdrukking is van al hetgeen er maar in mij kan bestaan. Steeds wisselende samenstellingen, steeds wisselende aspecten.

Als de wereld terugkeert tot leven, dan krijgt ineens al datgene wat nu het onbewezene is, een andere, persoonlijke waarde. Natuurlijk, als u zegt: Er is reïncarnatie, dan is dat in feite een emotionele verklaring. Redelijk is ze niet. Maar als die emotionaliteit mij helpt aan feiten die concreet bruikbaar zijn, dan heb ik daarmee niet bewezen dat er reïncarnatie bestaat (die fout maken de meeste mensen), maar ik heb bewezen dat er voor mij een relatie bestaat, die in het begrip reïncarnatie omschrijfbaar is. Ik kan honderd levens in het verleden hebben doorgemaakt. Zolang die levens vandaag voor mij geen kenbare rol spelen, zijn ze onbelangrijk. Dan is de hele leer van reïncarnatie onbelangrijk. Pas als het heden voor mij een gekende voortzetting wordt van het verleden en ik put in het heden uit de feiten en mogelijkheden van het verleden, is het voor mij een feit geworden. Dat is nog steeds een emotioneel feit, geen redelijk feit, want ik kan het niet verstandelijk verklaren. Ik kan het alleen rationaliseren, Maar dan kan ik dus uit de emotionele realiteit voor mij veel goeds putten; ik kan er veel mee doen.

Die emotionele realiteit geeft mij dan ook iets, wat de achtergrond van mijn wezen schijnt te zijn. Als ik God ontmoet, dan is daarmee het bestaan van God nog niet bewezen. Ik heb alleen een emotie in mijzelf, die ik uitdruk als het ontmoeten van God. Maar wanneer die ontmoeting met God voor mij kracht, inzicht betekent en een nieuwe waarde van het leven, dan kan ik eruit putten.

En dan moet ik beseffen, dat de realisatie van die ontmoeting met God elk ogenblik kan veranderen, maar dat hetgeen ik er op dit moment uit put voor mij werkelijkheid is.

Dan kom ik tot een paar conclusies, die ik dan zo eenvoudig mogelijk zal trachten te geven:

  1. De enige zekerheid, die bestaat, is de onzekerheid van alles,
  2. De enige wet, die bestaat, is de wetteloosheid, die door mij emotioneel voortdurend wordt beperkt.
  3. De enige waarheid, die bestaat, is mijn emotionele erkenning, geënt op de beleefbaarheid.
  4. De enige innerlijke ontwikkeling die bestaat is de erkenning van mijzelf in de voortdurende veranderlijkheid van alles.

Deze punten kunt u overigens nog eens afzonderlijk overwegen. Ze zijn soms voor meditatie zeer goed bruikbaar. Vanuit deze constateringen komen we dan weer tot een paar, meer omschrijvende regels.

  1. De niet‑bewijsbare waarden, als God en voortbestaan, zijn voor mij pas werkelijkheid, indien ze niet meer de verklaring van hetgeen ik doe betekenen, maar voor mij de inhoud en kracht vormen, waaruit ik handel. Op het ogenblik dat uit een dergelijk begrip voor mij geen kracht, geen extra mogelijkheid voortkomt, heb ik te maken met een idee-fixe die voor mij nutteloos is en mij zal belemmeren mijn werkelijke mogelijkheden te realiseren.
  2. Mijn benadering van de medemens kan nimmer gebaseerd zijn op mijn visie van die medemens, zonder gelijktijdig die medemens onrecht te doen. Toch zal elke erkenning van de medemens op een bepaald moment voor mij een communicatiemogelijkheid inhouden. Laat mij dan voortdurend uitgaan van hetgeen ik per moment in de medemens erken en daarop reageren; voortdurend bereid mij aan te passen en te veranderen in mijn reacties. Ik zal dan niet meer spreken tegen gefixeerde beelden, die niet werkelijk bestaan, maar ik zal ‑ zij het in kleine delen ‑ contact hebben met de levende werkelijkheid van een ander, die voortdurend bestaat en zich openbaart.
  3. Wanneer ik in mij een hogere waarde bereik of een ontdekking doe, dan kan deze alleen worden uitgedrukt, indien ik daarmee voor mijzelf een resultaat verwerf. Het resultaat kan nooit hetzelfde zijn. Op het ogenblik dat ik meen een voortdurende herhaling nodig te hebben, frustreer ik mijzelf in het waarmaken van een feitelijke, een voor mij blijvende innerlijke bereiking.
  4. Alle krachten van de eeuwigheid en alle samenhangen daartussen zijn voor de mens en de geest slechts uit te drukken als een verstandelijk opgebouwde gelijkenis, waarin de essentie van de werkelijkheid een rol speelt, maar waarbij het beeld nimmer de totale verschijningsmogelijkheid omschrijft.

Als u ook deze punten hebt geaccepteerd, dan zullen we daaruit nog even een paar heel eenvoudige praktische conclusies trekken:

Als u honderd keer de waarheid hebt gehoord langs een bepaalde weg (of dat nu door een prediker is, uit een heilig boek, via een medium, een geestelijke meester, een inspiratie, dan betekent dat nog niet, dat de 101e keer ook waarheid zal geven. Daar moet je alles afzonderlijk proeven. De mens, die bereid is om niets als volledig zeker aan te nemen, zal door zijn vermogen tot twijfelen ogenblikkelijke zekerheden gemakkelijker bereiken en niet de vergissing maken daarop voort te bouwen zonder andere mogelijkheden te erkennen,

In uw geestelijk bestaan betekent dat; dat wat vandaag voor u de volledige waarheid is, morgen anders kan zijn. Maar dan moet u ook bereid zijn om die verandering te accepteren. Voor uzelf is dat de enige weg.

Als u mensen kunt genezen op een bepaalde manier, dan zal dat 10.000 keer goed gaan; de 10.001e keer gaat het niet meer. Dan heeft u geen gaven verloren en heeft u niet te maken met disharmonieën van een bepaald aspect of wat dan ook, want dat is een mooie verklaring ervoor. Dan heeft u doodgewoon te maken met de noodzaak om een andere benadering te vinden. Kunt u die niet vinden, dan is uw werk waarschijnlijk afgelopen. U moet u geestelijk voortdurend aan kunnen passen aan de noodzaak en de behoefte. Kunt u dat niet meer, dan kunt u ook niet meer erop rekenen, dat u regelmatig kunt genezen e.d. uit geestelijke krachten.

Als u in uw leven maatstaven hanteert (en dat doet u allemaal), dan moet u begrijpen dat die maatstaven alleen op een ogenblik kunnen gelden. Van daad tot daad, van toestand tot toestand, zou u moeten nagaan, of die regel eigenlijk wel passend is. In de praktijk kunt u dat niet. Maar als er belangrijke beslissingen te nemen zijn of als u komt te staan voor totaal andere of nieuwe mogelijkheden, als uw denkbeelden een verandering ondergaan, dan is het toch wel tijd om eens even na te gaan of alles, wat u nu als een regel of een zekerheid heeft aangenomen, dat werkelijk wel was of niet. Dan zal u ook duidelijk zijn geworden dat we niet kunnen bouwen op datgene wat anderen ons vertellen.

Maar dat is ook helemaal niet nodig. Wij bouwen nl. in feite nooit op wat anderen ons zeggen, maar alleen op hetgeen wijzelf daaromtrent denken. Laten we dus eerlijk zijn.

Alles wat men ons zegt ‑ van welke kant dan ook (of dat van de geest komt, van de stof, van de wetenschap of van een idioot) ‑ dient slechts als een stimulans om zelf een mening, een oordeel te vormen. Laten we dan elk oordeel op een zodanige manier vormen, dat het past bij het ogenblik, waarin we leven. Laten we niet proberen te leven in een hiernamaals of op basis van wat we zijn geweest. Laten we gewoon proberen te leven op basis van datgene, wat nu kenbaar is, wat nu waar gemaakt kan worden. Als we dat doen, komen we in de richting van dat nieuwe denken dat m.i. voor een vernieuwing van deze wereld een noodzaak is.

Waar de vormen steeds meer verschillen van de feiten, moet er iets breken. Wanneer men als mens de vormen en de feiten niet kan ontlopen, breekt men zelf. Maar de mens, die begrijpt dat de vormen onbelangrijk zijn en dat de feiten alleen vandaag gelden, maar morgen ook anders kunnen zijn, die kan leven. Een beleven van een grotere kosmos, van een eeuwige werkelijkheid, van hogere werelden of hoe u het noemen wilt is alleen mogelijk van moment tot moment. En als we daarbij een instelling moeten vinden, dan kunnen we die ‑ geloof ik ‑ voor de hele wereld en voor de hele toekomst omschrijven in termen als:

  1. Alles is veranderlijk, ook ikzelf. Maar in de verandering moet ik trachten al, wat ik erken in relatie tot mijzelf, goedwillend, met genegenheid, met liefde te benaderen,
  2. In deze onzekerheid moet ik mij voortdurend aanpassen aan de mogelijkheden van elk ogenblik en moet ik trachten daarin het beste te doen dat zich aan mij als zodanig vertoont.
  3. Er zijn geen beperkingen of begrenzingen buiten die, welke in mij liggen. Laat mij dan niet de fout maken aan te nemen dat de grenzen of beperkingen, die voor mij of in mij bestaan, voor anderen eveneens zullen bestaan. Door te erkennen dat de wereld voor iedere mens een andere is, zal ik ook kunnen erkennen dat ik zelf voortdurend anders kan en mag reageren in mijn wereld; en door dit verschillend reageren de waarheid, die in die wereld schuilt, meer benader dan vanuit alle striktheid en eenzijdigheid.

Nu zult u zich afvragen: Waarom deze inleiding? U weet het allemaal, we zitten dicht tegen de Kerst aan. Men is op het ogenblik bezig met hulst, mistletoe, de kerstbomen, het kerstkribbetje, de kerststolletjes, tot de kerstrollade toe. In deze kersttijd heerst zo vaak een wat verkeerd begrepen emotionaliteit onder de mensen. Er is een emotie, die enorm veel goed zou kunnen doen, indien we maar zouden weten hoe we met die emotie moesten leven. Dan zou die niet meer los staan van de werkelijkheid; ze zou er deel van worden. Aangezien we een gastspreker hebben, die juist over deze vernieuwing van geestelijk denken het een en ander te vertellen heeft, was het geloof ik wel het juiste moment om hier weer eens even op terug te komen. Denk niet dat dit allemaal psychologisch erg fout is om het zo te zeggen. Natuurlijk, de mensen zijn rustiger, indien ze zekerheden krijgen voorgeschoteld. Maar ze moeten toch leven met de onzekerheid. De kunst om de mens in de wereld te maken tot wat hij behoort te zijn, is niet hem te sussen met zekerheden, die niet bestaan, maar te confronteren met de mogelijkheden, die er voor hem reëel bestaan, juist in de onzekerheid die hem voortdurend omringt. Ik ben ervan overtuigd dat onze gastspreker dat op zijn eigen wijze zal belichten en u zo duidelijk zal maken wat voor krachten en mogelijkheden en emoties er allemaal bestaan. Hoe hij dat zal doen, weet ik niet. Ik heb in ieder geval mijn best gedaan om u een basis te geven, waardoor u zijn betoog zult kunnen begrijpen en misschien gelijktijdig ook weer eens een nieuwe visie kunt krijgen op veel van hetgeen hier altijd wordt of werd gezegd.

de Gastspreker

Uw leven is in de eerste plaats bewust bestaan. De kern van alle dingen ligt voor ons niet in wat geweest is of wat er komen gaat. Het is het ogenblik zelve, waarin wij beseffen wat wij zijn. De grote misvorming van al hetgeen je kent en weet, meent te weten, komt tot stand bij het terugdenken.

Als ik terugdenk aan hetgeen geweest is, maak ik daarvan iets, wat eigenlijk niet echt is, wat nooit bestaan heeft. En als ik vooruitdenk aan datgene wat gaat komen, dan schep ik iets wat nooit zo zal zijn, omdat ik ook hier weer te zeer in mijn eigen wereldje leef. Maar wij bestaan in de totaliteit als delen van een groot geheel. Je kunt niet beweren dat de mensheid eigenlijk maar één mens is. Maar je kunt wel zeggen dat de mensheid, zoals ze vandaag bestaat, gedreven wordt door dezelfde verlangens, dezelfde onzekerheden, dezelfde moeilijkheden ook in de ervaring van het bestaan. Er zijn eigenlijk geen verschillen, want het bewustzijn, de emotionele achtergrond van de mensen, is allemaal een beetje hetzelfde. En daardoor ontstaat een eenheid, waarin de mensheid als geheel toch wel uitgedrukt kan worden.

Nu is het voor mij wat moeilijk om alles precies te zeggen wat ik wil zeggen. De woorden zijn zo moeilijk te vinden en ze zijn ook zo onvolkomen.

Maar laten wij het zo stellen: wanneer u beantwoordt aan hetgeen er in die totale mensheid op het ogenblik leeft, dan heeft u ook een antwoord uit alle mensen, omdat daarin hetzelfde bestaat.

 Als wij allen een verschillende taal zouden spreken en er zou een gemeenschappelijke taal bestaan, die iedereen enigszins kan verstaan, dan zouden we ondanks de verschillen door het gebruik van deze gemeenschappelijke taal elkaar toch leren begrijpen. We zouden met elkaar kunnen converseren ‑ zij het beperkt.

Zo is het nu met de totale mensheid. We hebben allen een andere taal, een ander gedachteleven, maar we worden gedreven door dezelfde kracht, dezelfde emotionaliteit. Op verschillende niveaus en in verschillende vormen worden we geconfronteerd met gelijke problemen. Deze dingen vormen de gezamenlijke taal, waardoor we elkaar leren verstaan. Wanneer ik dus probeer om de wereld van vandaag en misschien ook vanmorgen een beetje te doen beseffen, dan moeten we daarvan uitgaan.

Er is iets wat ons allemaal kwelt. Voor u is dat misschien het idee van de onderontwikkelde gebieden. Maar voor die onderontwikkelde gebieden is het net zozeer hun eigen onderontwikkeld zijn in de ogen van anderen. Indien u dat beseft, dan kunt u met elkaar spreken.

Er zijn mensen die beweren dat ze hun naaste ontzettend liefhebben. Maar de liefde voor de naaste is in deze dagen eigenlijk onpersoonlijk. Ze is een vorm van een soort verachting voor de ander. De erkenning van iets, wat de ander minder is of heeft dan jij, is de aanleiding tot de naastenliefde, die je voor hem voelt. En dat is verkeerd. We moeten dus proberen om de naaste niet lief te hebben omdat hij anders is dan wij, maar om datgene wat hij eigenlijk precies als wij heeft. Precies, zoals wij het zelf erkennen, leeft in die ander het probleem.

Het probleem van een godsdienst bestaat zo goed bij de heiden, die een afgodsbeeldje aanbidt als bij degene, die zich afvraagt of de kerk van Rome op het ogenblik nog wel deugt. En het probleem van de gemeenschap, die zich voortdurend verandert, ligt heus niet alleen bij de studentenopstanden hier of in een of ander land in Europa. Ze ligt evenzeer ergens in een primitief land, waar de jongeren ineens naar de radio willen luisteren in plaats van naar de liederen van de ouderen. Wanneer je gaat begrijpen wat je met de anderen verbindt, kun je de anderen werkelijk liefhebben, zodra je zoekt naar het verschil dat er is, dan ontstaat iets wat wel naastenliefde lijkt, maar wat in feite een soort minachting is, of zelfs een verwrongen vorm van haat, hetzij voor jezelf hetzij voor de anderen. Wij moeten dus proberen om onze naastenliefde op de juiste manier te beleven.

Maar een wereld die alleen maar uit naastenliefde bestaat, is een dwaze wereld. Die naastenliefde is wel noodzakelijk. Als ze echter alleen zou bestaan zonder meer, dan zou ze een suikerzoet gekweel en gefemel tot stand brengen, waarmee niemand werkelijk meer iets doet. Wanneer we elkaar begrijpen en als we samenwerken daar, waar we elkaar verstaan, dan kunnen we wel enorm veel tot stand brengen, maar we kunnen nooit meer datgene, wat we méér hebben dan de ander laten gelden.

Als iemand rijk is en de ander is arm en de rijke begrijpt de arme zozeer, dat hij met de arme bonen gaat eten, dan zal hij niet meer in staat zijn om op een gegeven ogenblik te zeggen: Nu kan ik de arme helpen om ook eens een keer kip te eten, of vlees of wat anders. Kijk, dit is een groot probleem. Het probleem van uw eigen tijd en van de toekomst.

Wij willen geestelijk leven en streven. Wij willen geestelijk leven en werken. Maar wij kunnen alleen de ware geestelijke krachten tot uiting brengen, indien we eerst het contact hebben gevonden met de mensheid, waarin we bestaan, met de geestelijke entiteiten, die rond ons bestaan.

God is alleen maar te begrijpen door de totaliteit van alle dingen. En daarmee zit eigenlijk de hele wereld vast, zodra wij dus dat extra, dat wij hebben, niet durven gebruiken. En daarom zal gelden:

Benader je naaste op het niveau dat je met die naaste gemeen hebt; en ontwikkel voor jezelf al hetgeen je uit jezelf kunt ontwikkelen, zodanig dat je daarmee het gemeenschappelijk niveau kunt verrijken, zonder daarbij ooit te denken dat je de meerdere of de mindere van een ander bent.

Dat we veel gemeen hebben en dat we eigenlijk allemaal dezelfde zijn, ach dat wilt u wel geloven. Of je nu leeft in de hoogste sferen, die voor u alleen nog maar een verblindend magnesiumvuur zijn, of dat je nu leeft op de wereld, je bent een entiteit, een persoonlijkheid. En op dezelfde manier, waarop een mens op aarde die vorm van naastenliefde, die gemeenschappelijke taal moet vinden, zo moeten wij die vinden vanuit de hoogste wereld en moet een ander die vinden vanuit de laagste wereld. We moeten ergens iets vinden, dat ons verbindt. Daarnaast moeten we toch onszelf blijven.

De denkwijze, die voor u belangrijk is in deze tijd en misschien nog veel meer voor de komende dagen, datgene waarvoor ik tezamen met zoveel voorname andere groten voortdurend probeer te strijden, is eigenlijk in de eerste plaats wel deze communicatie, dit contact.

Om te leven op de wereld moet je deel zijn van die wereld en gelijktijdig voor jezelf al wat je meer bent dan hetgeen je in die wereld erkent, gebruiken om de wereld meer wereld te maken. Als je in een sfeer leeft, dan moet je eerst leven in contact met die sfeer en door die sfeer met alles, waarmee contact is te krijgen. Daarnaast moet je proberen het meerdere wat je zelf meent te zijn of te kunnen zijn tot uiting te brengen in die sfeer of in die andere werelden, zonder dat je het de anderen oplegt of opdringt.

Het ware besef van een geestelijke waarheid of van een nieuwe kracht is als een regen, die vruchtbaarheid geeft aan de aarde. Maar vergeet niet, brood wordt niet gemaakt van water, het wordt gemaakt van graan. De regen kan het graan goed doen wassen. Wat wij geestelijk meer bezitten, wat we meer kunnen zijn en weten dan wat in deze gemeenschap tot uitdrukking kan worden gebracht, dat is de regen die neerdaalt en vruchtbaarheid geeft aan datgene, wat we gezamenlijk bezitten. Het heeft geen zin ons te beroepen op de zon, zoals ze eens in het verleden hebben gedaan, en tegen de zon te zeggen: Matig uw stralen, opdat onze oogst niet verbrandt: We moeten zelf de wolken vormen, die ontstaan door de zon, gedreven door de zon zelf de schaduw en het vocht geven, die noodzakelijk zijn om tezamen met die zon het graan tot rijping te brengen. En dit geldt voor de zielen zo goed als voor de materiële omstandigheden.

U bent uzelf. U bent een eigen wezen. Er is niemand die u kan zeggen wat u moet zijn. Er is niemand die u kan zeggen wat uw einddoel moet zijn.

Er is niemand die u kan zeggen wat uw voorgeschiedenis zou moeten zijn. U bent uzelf, een zelfstandige eenheid in een oneindigheid van mogelijkheden. Uzelf zijn is het belangrijkste. Want als u uzelf bent, dan leeft u in één of meer werelden. En elke wereld brengt haar eigen mogelijkheden met zich.

In uw stoffelijke wereld bestaan er machines, verschillende wetenschappen, nieuwe krachten en mogelijkheden. Er bestaan chemische middelen. Er bestaat alles, wat u zich maar denken kunt. En als u ze innerlijk beseft, dan mag u voor de uitdrukking van dit alles gebruik maken.

U leeft in de stof. U bent een geest. Moet u daarom leven als geest? Of moet u bewust als geest, met hetgeen u stoffelijk heeft, alle mogelijkheden die u als stof bezit, uitdrukken in wat u bent als geest? Dit is de kern.

O, te leven in liefde is natuurlijk een mooie zin. Jezelf terugtrekken uit de wereld uit liefde voor God is een schitterende frase. Het kan voor een enkel mens misschien juist zijn, maar hoe kan het juist zijn voor iedereen? Wat voor de één bewonderenswaard is, is voor een ander verachtelijk.

Wij hebben een gemeenschappelijke taal. Wij hebben wat we noemen de feiten van onze wereld. En in die feiten moeten we elkaar benaderen en samenwerken. Ons geloof, ons denken datgene wat ons brengt tot de uitspraak die we doen, tot de taal die we a.h.w. hanteren is niet van belang; het is van belang wat we zijn. Het is beter één ogenblik als mens harmonisch te zijn met één enkele mens dan 10.000 jaar over harmonie te mediteren. Het is beter één keer desnoods met grove woorden iets recht te zetten dan 1000 maal te bidden dat de fouten dezer aarde verholpen zullen worden.

Wij denken ook in deze tijd ergens aan God. God is een vreemd wezen geworden. Het is een onbekende Kracht geworden, natuurlijk. Maar God is licht en God is leven ‑ voor onszelf, ergens; en we weten niet eens hoe. God is een noodzaak, omdat we ons het bestaan niet zonder God kunnen denken. Het is het begin van alle dingen. Laten we dan die God beschouwen als de bron, de oorzaak, maar laten we werken met hetgeen die God ons heeft gegeven. Laten we niet proberen omwille van die God beperkingen op te leggen aan datgene, wat ons als mogelijkheid is gegeven. Laten wij niet uit de taal, die wij bezitten om met anderen te spreken, die woorden schrappen, die we vaak zo hard van node hebben om onszelf duidelijk te maken alleen maar omdat er ergens een God is. God heeft ons die woorden gegeven.

Laten we niet bang zijn om fabrieken te bouwen die noodzakelijk zijn. Maar laten we die fabrieken dan zo bouwen dat die fabrieken werken met de mensen, vóór de mensen; dat iedereen daarin vreugde kan hebben; dat iedereen het zo goed mogelijk kan aanvaarden, dat er niemand is die zal zeggen: Dit is volkomen nutteloos. Of laten we geestelijk bouwen en geestelijk streven zoveel als we willen, maar laten we er toch voor zorgen, dat hetgeen we bouwen dan iets is, wat voor iedereen van belang is; iets, wat ook in de gemeenschappelijke taal met anderen een zekere zin, een zekere inhoud kan geven. Mensen, die van elkaar weglopen omdat ze elkaar niet begrijpen zijn dwazen.

U ziet alweer, we hebben veel gemeen: ik hoest, u hoest. Een prikkel en een taal misschien ook. Want u denkt daarover wellicht als een storing of als iets, wat eigenlijk voorkomen had moeten worden. Maar is het niet menselijk? Hoort het niet tot de menselijke wereld? Dan moet het betekenis hebben. Dan moet het voor ons betekenen, dat al is het nog zo onbenullig en onbelangrijk, het toch ergens past in ons allen en voor ons allen. We moeten niet onmiddellijk zeggen: Dat past er niet bij. We moeten proberen het erbij te betrekken. We moeten niet afwijzen. We moeten aanvaarden, steeds maar weer aanvaarden. Niet met een voorbehoud of met een gevoel van opofferingsgezindheid; we moeten aanvaarden, omdat die aanvaarding voor ons logisch is; omdat dat de enige methode is om iets te beleven in werkelijkheid, om werkelijkheid te vinden.

Mensen, die alleen erop uit zijn om God te vinden en de aarde daaraan ondergeschikt maken, zullen God niet vinden. Want God leeft in die aarde zo goed als ergens anders. Hoe kunnen ze die God vinden?

Mensen, die proberen om de aarde tot een paradijs te maken en niet aan God denken, zullen ergens een fout maken. Want ergens is die Godheid in de mensen een levende kracht, een emotie, een noodzaak, zonder welke ze het niet kunnen stellen. En als je die God wegvaagt, dan breekt er iets; dan kan de maatschappij niet meer alleen verder. Maar je moet geen bepáálde God stellen. Je moet eenvoudig die vaagheid accepteren. Die God, die voor jou vorm en gestalte krijgt en waarover je kunt spreken in de gemeenschappelijke termen, juist door de vaagheid, waarin Hij bij alle anderen bestaat.

In deze dagen zijn de mensen verdeeld. De jongeren begrijpen de ouderen niet en de ouderen begrijpen de jongeren niet. De linksen begrijpen de rechtsen niet, de blanken begrijpen de zwarten niet, enz. Maar waar komt die verdeeldheid uit voort? Omdat ze denken anders te zijn. Ze willen anders zijn. Wat heeft het voor belang, of je anders bent dan een ander, als je jezelf maar bent. Wat heeft het voor belang dat jouw denkbeelden of jouw uitingen origineel zijn? Ze zijn toch al eerder voorgekomen; misschien in deze wereld reeds 1000 maal en in andere werelden 10.000 maal. Je kunt niet origineel zijn, je kunt jezelf zijn. Maar als je jezelf bent en je begrijpt dat de ander ook zichzelf is, dan kun je met elkaar wel iets bereiken. De ouderen kunnen iets bereiken, indien ze begrijpen wat de jongeren zijn voor zichzelf en zeggen: Toch is er iets, waarin we moeten samenwerken. De jongeren kunnen met de ouderen opschieten, wanneer ze niet meer beginnen te zeggen: Die ouderen deugen niet, maar zeggen: Wat hebben die ouderen, waarmee we kunnen samenwerken; en ze gaan daarmee verder. En dan vormt zich een geloof, bouwt er zich een eenheid. Dan komt de mensheid inderdaad tot die verbondenheid, tot die band, die niet denkbaar is zonder al deze dingen. En die band hebben we nodig.

Stel u eens een wereld voor, waarin de wereldbevolking zich nog eens verdrievoudigd heeft. Een wereld, waarin geen oerwoud meer bestaat, hoogstens een stadspark. Een wereld, waarin alles is volgebouwd. Een wereld, waarin alles nuttig is gemaakt aan het bestaan van de mensheid. En stel u dan mensen voor, die zo verschillend denken als u. Mensen, die hun vooroordelen hebben, die beter of meer willen zijn dan een ander. Lieve mensen, dan komen jullie terecht in een stalen hel, in een wereld waarin niemand meer zichzelf durft en kan zijn. Een gereglementeerde wereld, waarin je alleen kunt leven, indien je niet durft denken en alleen maar handelt als anderen je zeggen te handelen.

Ik zeg niet dat die wereldbevolking zo zal toenemen, natuurlijk niet. Maar stel u het eens voor: zoveel mensen, dat u maar een paar vierkante meter voor uzelf hebt. Dat u eigenlijk nooit werkelijk alleen kunt zijn. Dat u wordt omringd door het bijenkorfgeruis van al die andere mensen die rond u leven en die moeten bestaan zoals u. En stel u dan voor dat u zo gescheiden staat van die mensen zoals nu. U zou geen mens meer zijn. Wat meer is, u zou geen levende geest meer zijn. U zou niet meer weten hoe ergens een God te vinden.

U zou niet meer weten wat naastenliefde is. U zou niet meer weten wat medelijden is. U zou niets meer weten, behalve een paar voorschriften. En die kant dreigt het soms uit te gaan, zelfs al is de wereldbevolking nog niet zo talrijk.

Moeten we dan niet iets doen? Moeten we dan niet grijpen naar een nieuwe leer, een nieuwe rede, een nieuwe mogelijkheid?

Wij moeten leven, geest en stof. Leven: bewust bestaan, Dat is onze wet, dat is onze noodzaak. Dat is een stelregel die op het ogenblik belangrijker is dan al het andere. En wij moeten leven en bestaan met de ander. Niet alleen, want dat kunnen we niet. We moeten niet bestaan, wereldje voor wereldje, sfeertje voor sfeertje, stadje voor stadje. We moeten bestaan als een totaliteit van geest en mens, van wereld, alle dingen samen. En dat kunnen we alleen met die gemeenschappelijke taal. Dat kunnen we alleen, indien we zelf volledig vrij kunnen zijn, indien wij ons durven uitleven en durven zijn zoals we zijn. En daarnaast dan toch de ander begrijpen, omdat er iets is dat ons met die ander verenigt, ook al heeft hij een heel andere achtergrond en een heel andere wereld dan wij.

Naastenliefde is niet het vinden van een bepaalde godsdienst, waarin je dan buitengewoon dienstbaar wordt aan anderen. De werkelijke naastenliefde van deze tijd is eigenlijk bijna een goed begrepen zichzelf beschermen en helpen. De naastenliefde van morgen moet er een worden van een je bewust zijn van hetgeen je bindt aan anderen. Een bewustzijnstoestand moet je naastenliefde zijn, niet alleen maar een vreemde emotie gebaseerd op de een of andere godsdienstige wet, waarin je zelf niet eens helemaal durft geloven.

Eeuwigheid moet niet iets zijn, wat je krijgt als een beloning, Het moet een deel zijn van je werkelijk leven. De voortdurende wisseling van vormen en gedaanten, van sferen en werelden, waar men doorheen gaat, moet voor u niet zijn een aantal afgesloten episoden zoals hoofdstukken in een boek, elk voor zich zorgvuldig afgesloten en afgedekt. Het moet zijn één continuïteit van bestaan, één levend ervaren in de voortdurende wisselende mogelijkheden van de eeuwigheid, een voortdurend samengaan, van elkaar afgaan en weer samenkomen op duizend verschillende wijzen van alle mogelijkheden, die er maar denkbaar zijn. Zodat steeds weer in de caleidoscoop van een eigen besef er nieuwe mogelijkheden ontstaan, zodat steeds ook weer dat “ik” in zijn gemeenschappelijke taal toch weer iets van het nieuwe, van het andere kan inbrengen.

Mensen, die medelijden hebben met andere mensen, hebben dat heel vaak omdat ze bang zijn voor hetgeen de anderen moeten lijden. Maar dat is geen medelijden meer. Dat is een vorm van bedekt zelfbeklag en zelfverheerlijking.

De mensen van vandaag die zo buitengewoon goed zijn voor al die anderen die nood lijden, zij voelen zich alleen maar schuldig, omdat ze het zelf zo goed hebben en bang zijn dat ze het slechter zouden kunnen krijgen. Dat is geen vorm van medelijden. Medelijden dat is beseffen dat de ander lijdt; eraan doen wat je kunt en dan verdergaan zonder meer. Dat is geen kwestie van goed zijn, dat is natuurlijk bestaan.

De communicatie tussen mens en mens ligt vooral op het gebied van de behoefte. Als de een voedsel heeft en de ander heeft behoefte aan voedsel, dan zullen ze elkaar begrijpen. Zodra het voedsel betreft, dan behoren ze elkaar te begrijpen. Zo moet de wereld groeien.

Het nieuwe geestelijke besef moet zijn: de wereld die vanuit het innerlijk wordt gebouwd, uit de volledige vrijheid van het innerlijk. En dat kan alleen, indien je begint met vrij te zijn. Er is geen goddelijke wet die u zegt wat u moet zijn. Er zijn mensen die het u zeggen in de naam van God. Maar die mensen zeggen niet wat God wil dat u zult zijn. Ze zeggen wat zij menen dat u zou moeten zijn; omdat zij zichzelf zijn. Begrijp die mensen. Respecteer ze, omdat ze eerlijk zijn. En wees uzelf, omdat dat de enige wijze is om uzelf te respecteren en God te respecteren.

Ga van daaruit verder, zoek de oneindigheden te vinden, de lichtende, levende krachten, die dan misschien een illusie schijnen vanuit een stoffelijk standpunt, maar die een steeds reëler binding vormen tussen u en andere werelden en sferen.

Spreek niet alleen over inwijding als een plotseling opengaan van grote poorten, het binnengaan in nieuwe werelden. Begrijp dat u steeds moet groeien, steeds moet leven, elk ogenblik weer. En dat elke dag en elk moment van uw bestaan (indien u beseft te bestaan en als uzelf bestaat) u nieuwe krachten geeft en nieuwe mogelijkheden biedt. Vandaag ziet u alleen uw eigen wereld. Morgen misschien een hemelsfeer. Wat maakt dat voor verschil uit? Het is één wereld. Gij zijt het die daarin leeft. Leef uzelve.

En dan, wat moeten we doen aan al die problemen van de wereld, waarin ze in dit moment is gewikkeld? Niet strijden? Ach, niet strijden is dwaasheid, want de mens die niet strijdt, verloochent zichzelf. Strijd is een deel van uw wezen. Maar dan zo strijden, dat eenieder kan begrijpen dat u strijdt en waarom u strijdt. Niet met valse redenen, met vals eerbetoon misschien. Niet voor dwaasheden. Maar strijden omdat het niet anders kan, omdat het in je wezen ligt. Niet handelen omdat het zo hoort, of omdat het lekker precies iets anders is dan iedereen van je verwacht. Gewoon alleen maar handelen, omdat het deel is van je wezen op dit moment.

Waar zijn, jezelf waar maken dat betekent de eeuwigheid en de totaliteit van zijn, waartoe je behoort, samenballen in dat ene moment, waarin je leeft.

Dat wil zeggen: steeds weer de oneindigheid kennen en daaruit putten. O, die oneindigheid waaruit je put, mag een illusie heten. Het is niet belangrijk hoe u denkt over een hiernamaals. Het is belangrijk hoe u denkt over het heden. Maar hoe kunt u in waarheid denken aan het heden indien u geketend bent aan allerhande dingen?

Als u een klein bezit hebt, dat u ten koste van alles zeker wilt stellen? Wanneer u uw tijd zo goed mogelijk wilt gebruiken en daardoor geen oog hebt voor zoveel? Als u uw verplichtingen tegenover de medemensen zo trouw probeert te volbrengen, dat u anderen het slachtoffer ervan maakt? Wat is dat voor leven? Dan bent u geketend op 10.000 wijzen. De meesten van u zijn geketend zoals in het verhaal Gulliver door de Lilliputters was vastgesnoerd met haardunne snoeren, maar toch onverbrekelijk, omdat het er zoveel waren. Snoer na snoer, haar na haar moet breken. Vrijheid kan niet onmiddellijk komen.

Ze zou een ramp kunnen zijn. Maar men moet zelve vrijer worden. Men moet steeds meer weten: dit ben ik; dit is op dit moment mijn wezen, mijn leven; zo moet ik waar zijn. En dan, waarde vrienden, verandert de wereld, dan veranderen alle dingen.

De mensheid is niet geschapen om hier als insecten door de modder te kruipen. De mensheid is niet geschapen om met holle, lege woorden en grote ideeën, eigen onrust en onzekerheid te verbergen. De mensheid is geschapen om vrij te staan, zonder iets, zonder enig bezit, zonder enige ketens in een totaliteit en in die totaliteit te leven wat hij zelf is. Maar dan moet hij ook vanuit zichzelf elk moment, elke tijdelijke keten kunnen accepteren. Doch hij mag haar nooit als blijvend zien.

Een mens, die op elk ogenblik antwoord kan geven op elke behoefte die hij erkent, is een goed mens. Hij is een mens van morgen. Hij is een mens van de totaliteit. Een mens, die één keer een verplichting ziet, haar erkent en er zich aan vastklampt, hij weeft een spinnenweb. En als de oneindigheid met haar waarheden dat web beroert, dan komt hij erop af als een spin om ze te verslinden en te maken tot deel van zichzelf. Dat is toch niet de zin van het bestaan?

De zin van het bestaan is vrij worden. En vrij worden betekent waarheid vinden in jezelf. En waarheid vinden in jezelf, is alleen maar mogelijk door waarlijk jezelf te leven, door niet jezelf te ontkennen.

De leer van morgen is nog steeds de leer van naastenliefde van gisteren. Maar het is een andere vorm van naastenliefde dan nu wordt gepredikt. Het is de wederkerige erkenning. Het is het besef dat de relatie, de noodzaak inhoudt en dat de noodzaak de relatie inhoudt. Dat de erkenning op zichzelf het feit constitueert.

Indien u zover kunt komen, gaan de volgende schreden van deze wereld snel. Dan zal men al heel gauw de beperkingen afschaffen, die tussen wereld en wereld liggen. Dan zal men niet meer spreken over profeten en mediums en al die dingen meer. Dan zal men eenvoudig erkennen: er is een andere wereld en die wereld spreekt met ons in onze taal. Maar wij moeten met die andere wereld ook spreken in de beste taal die wij kennen. Er zal een wisselwerking zijn. Dan is er geen sprake meer van: ik dool een ogenblik door een vreemde sfeer, uitgetreden en verheerlijkt. Maar er zal de kwestie zijn van: als ik behoefte heb aan een bepaald weten, een bepaalde erkenning of een bepaald beleven, dan spreek ik de taal van de eeuwigheid en ik ben in die wereld of sfeer voor zover dat nodig is en verder niet. Dan leef je eeuwig, onbegrensd. En dat eeuwige, onbegrensde leven is het enige wat voor de mensheid van vandaag mogelijk is, tenzij zij zich wil vernietigen.

Als je glas neemt, dat hard, taai en sterk is en doorzichtig, (een kristal misschien) en je laat het steeds meer afkoelen tot de onbeweeglijkheid de laatste taaiheid heeft verstard, dan is één tikje met een vinger genoeg om dat sterke glas in 10.000 splinters uiteen te doen barsten.

Als de mensheid verstaat, als zij in haar besef, in haar wijze van persoonlijk leven, denken en zijn steeds meer verhardt, steeds meer zichzelf begint te worden in een en dezelfde lijn, dan komt er een ogenblik dat één kleine wanklank die mensheid wegvaagt. Splinters. Alleen nog maar goed om weggeworpen te worden. Dat moet worden voorkomen. Daarom moeten wij onszelf vinden.

Die vernietiging is niet iets van een verre toekomst of iets wat in een verleden mogelijk was. Het is vandaag. Het bestaat nu. De krachten, die gaan komen, zullen proberen die vrijheid waardig te maken, u te leren dat men niet kan leven door anderen te dwingen, maar dat men alleen kan leven door zelf te zijn.

Wanneer de krachten die komen, proberen u die waarheid te geven, dan is het de vraag, of u antwoord zult geven of niet. Maar indien u esoterisch wilt streven (en men heeft mij gezegd het is een esoterisch gezelschap, waar je naar toe gaat), dan moet u toch wel in de eerste plaats leren om deze vrijheid te vinden. Om naastenliefde te vinden in haar ware zin. Om de eenheid met God te vinden. Om jezelf te zijn in de ware zin van het woord.

Alle mooie leuzen in de hele wereld zijn niets waard, indien de mens er zelf niet achter staat. Al de kleine angsten, die u terughouden om te zijn wat u zou willen zijn. Al die kleine voorbehouden, al die regeltjes, die op zichzelf zo onbelangrijk schijnen te zijn, waaraan u zich dan maar houdt, omdat het zoveel gemakkelijker is, ze hebben u vastgeketend aan iets, wat u niet kent en niet moogt zijn: tot gebonden, geketende wezens. En u moet vrij zijn.

Alle rituelen, alle stellingen en alle filosofieën tezamen, wanneer u ze allemaal neemt als een vaste zekerheid en u erin inkapselt, die maken u tot een onbeweeglijk standbeeld van een mogelijke geestelijke waarheid. Daar waar u de levende waarheid zelf zou moeten zijn: een licht, dat uitstraalt tot in de oneindigheid.

Daarom heb ik de moeite genomen om vandaag eens even met u te komen praten. En waarschijnlijk denkt u nu wel: het is een opgewonden standje. Ach, ik ben anders niet zo. Maar ik keer ook weer een klein beetje terug naar de oude vorm. De oude vorm houdt altijd weer in, een zekere beweeglijkheid. Ik word getroffen door de wereld. En dan kost het me heel veel moeite om toch niet boos te zijn op de wereld, omdat ik mezelf eigenlijk niet helemaal erken. Als u dat nu maar kunt onthouden, dan heb ik misschien toch iets duidelijk kunnen maken.

Natuurlijk, wat we met elkaar delen is eigenlijk nog te onvolkomen. Het is een taal die nog te weinig woorden heeft. Maar we zullen elkaar beter leren begrijpen. Wij begrijpen elkaar nu misschien al beter. We zullen ergens een contact vinden dat niet gebonden is aan tijd en aan plaats. Een taal die elk ogenblik werkelijk kan zijn. Laten we het daar dan op houden.

Laten we niet proberen een verschil op te bouwen van hoge geesten en lage geesten, van mensen en geestelijke wijsheden. Laten we niet proberen om iets op te bouwen van de juiste weg van leven en de juiste wet. Laten we proberen op te bouwen het “zijn” en de communicatie van het “zijn”. De erkenning, waardoor je ‑ mens en geest ‑ een eenheid kunt vormen, die dichter staat bij een goddelijke werkelijkheid dan al het andere. Laat ons proberen te vinden, die ene mogelijkheid tot openbaring van al wat in ons leeft en ook van wat er in anderen kan bestaan, zodat wij in vrijheid met elkander kunnen streven.

Laat ons proberen onze medemensen zozeer te aanvaarden en zelfs te begrijpen dat we hen niet meer oordelen, maar dat wij met hen, mens kunnen zijn. Als u dat op aarde leert, dan leert u dat ook voor de geest. Want wat geldt voor de mens, geldt ook voor de geest. En wat geldt voor de geest, geldt voor de totaliteit. We staan soms enkele schreden van die totaliteit af. En steeds vallen we weer terug, omdat we onszelf willen zijn, of niet willen begrijpen hoeveel we gemeen hebben met al het andere.

Dat is alles wat ik vandaag wil zeggen. Misschien geen grote waarheid, maar het is een dringende waarheid in deze dagen. Ik zal eraan verder werken dat die waarheid wordt beseft, waar ik maar kan. Probeert u die waarheid, voor zover u haar kunt beseffen, voor uzelf te uiten en uit te dragen. En moge het Licht u beschermen, waarin ge gelooft en u kracht geven. Moge al datgene wat u als waarheid en mogelijkheid en waardigheid in u draagt, u helpen om uzelf te zijn, zo dat u het kunt zijn met alle leven samen. Dan zult u bewust bestaan.

CREATIVITEIT

Het ongevormde niets hangt in de duisternis.

En in mij is een denken en geen besef nog;

en toch ben ik mijzelve.

Ik vorm uit mijzelve de stof,

ik vorm uit mijzelve een licht

en zie in mijzelve een duisternis;

en ik verricht: erkenning van mijzelf.

Ik zoek in de oneindigheid.

En ’t nu gevormde duister

en ’t nu gevormde licht tezamen

worden krachten, gericht op mij:

tegenstanders, strijdend om een wezen,

dat vrij wil zijn.

Ik neem het licht, ik neem het duister,

ik geef het eigen namen,

ik meng de krachten samen,

en ben niet meer hun slaaf, maar vrij:

de meester van het licht en van de duisternis;

omdat ik ben een deel van Dat Wat eeuwig is,

voordat er licht of duister was.

Ik ben de kracht, die wonden slaat en doodt.

Ik ben de kracht die deed herleven, elke wond genas.

Ik ben het licht, …. en duisternis.

Ik ben oneindigheid, en toch een wezen in de tijd.

Ik leef in werelden, oneindig vele

en speel toch slechts een enkele wereld maar te zijn.

Ik ben oneindigheid . En klein toch in mijzelve.

Want zie, ik ben oneindigheid;

en uit mij breng ik beelden voort

en vul de eindigheid van ’t eigen zijn,

tot zij oneindig wordt.

Dat is mijn creativiteit.

’t Tekort van zijn, dat vang ik op

door ’t mengen van hetgeen ik ken

door ’t mengen van hetgeen ik ben.

Totdat d’essentie van het zijn

ook weer uit mij ontstaat;

en ze, uit ’t ongevormde Niets

opnieuw besef ontstaat

dat licht en duister schept

en uit zichzelve groeit.   (Bron: de Stem.)