De wereld – De levende krachten

De wereld 1973 – 1974

Inleiding

De wereld is iets anders dan de aarde. Als wij het hebben over de aarde of, als we dichterlijk zijn, over de aardkloot, waarin mogelijk ook nog een waardering zit, dan hebben wij het over het bolletje waarover de mensen zo druk doordraven. Maar op het ogenblik dat we zeggen “wereld”, dan hebben wij het over alles. Over de ecologie, over het leven van de aarde zelf, over de wonderlijke harmonie die tussen de elementen be­staat, over het vreemde werken van de verschillende trillingen die de aarde beroeren en die in de aarde werkzaam zijn. Wij hebben het net zo goed over het weer, de dieren en de planten als over de mensen, want de wereld is één geheel. Die wereld bepaalt eigenlijk alles, juist door het geheel dat ze is.

Het lijkt misschien eenvoudig om te zeggen: Wij mensen, koningen der schepping. Ja, ja. Nu is het waar dat we in vele koninklijke families enige decadentie wel hebben kunnen ontdekken, maar desondanks…… is de mens nu wel helemaal vrij? Is hij de heerser? Hij wordt bepaald door de wereld waarin hij leeft. Er was eens iemand die heeft uitgeroepen: “Als de mens in niets vrij is, zo is hij tenminste vrij in datgene wat hij wil.” Maar ook dat is niet waar. Want alles wat je wilt, dus wat je eigenlijk begeert en wat je je voorstelt, is weer gebaseerd op wat je kent, wat je bent; en dat wordt bepaald door de wereld. Zeker, je hebt vrijheid. Maar die vrijheid is een zeer beperkte. En juist omdat die vrijheid zo beperkt is, moet je begrijpen dat je wezen alleen kan bestaan in een samenspel met alle andere factoren, die tezamen dan je wereld uitmaken.

Wat wij in deze reeks lezingen hopen aan te tonen is dat u werkelijk deel bent van die wereld, dat u er zich niet zonder meer bovenuit kunt werken en dat u zelfs geestelijk, in zekere mate althans, gebonden blijft aan het wezen dat de wereld als geheel is. Een wereld dat is een bestaan. Het is een opeenvolging van elementen, bewustwordingen, vormvariaties, waarin toch altijd weer de kern (de per­soonlijkheid van de wereld) tot uitdrukking komt. Nu kunt u wel zeggen: als mens heb ik er niets mee te maken, maar als het erop aankomt zit u eraan vast, ook geestelijk. Want uw ervaringen zijn gebaseerd op de persoonlijkheid die Wereld heet, op die vreemde bezielende kracht van de aarde, die coördinerend werkt op alle verschijnselen die we in de materie kennen. Die ervaringen kunt u alleen opdoen. En dat betekent dat u alleen daarmee een bepaald soort bewustwording kunt doormaken. Daarom is het project dat wij ons hebben voorgenomen om aan te stippen: het nagaan van de wereld, eigenlijk een veel te grote taak. Wij zullen ons moeten beperken tot bepaalde facetten van die totaliteit. En omdat u men­sen bent en ik mens ben geweest, zullen wij daarin een beetje chauvinistisch de mens in vele gevallen op de voorgrond moeten schuiven. Want het is vanuit de mens dat de wereld voor u beleefbaar is. Het is vanuit de mens dat de wereld voor u haar vorm en gestalte krijgt.

 

 

uit de cursus ‘De wereld’ (hoofdstuk 1) – oktober 1973

De levende krachten

De aarde is bezield. Dat heeft u al vaak gehoord. Misschien gelooft u het, misschien gelooft u het niet, maar deze aarde is een levend wezen, niet een organisme zoals u zich dat voorstelt. U zou zich met enige fan­tasie misschien nog een wezen kunnen indenken waarin magma als bloed door diens aderen stuwt. Die aderen worden dan gevormd door de breuklijnen tussen de grote aardschorsen e.d.. Maar zo mooi kunnen we de vergelijking niet maken als we bij de werkelijkheid blijven.

De aarde is ontstaan. In haar ontstaan heeft ze een bepaald bewe­gingsmomentum gekregen. Door dat momentum heeft ze een veld gegenereerd dat meer bevat dan het u bekende aardmagnetische; het houdt onder meer verschillende structuureigenschappen in, welke met die aarde zijn verbonden. Het houdt zwaartekracht en zelfs massaverplaatsingen in. Deze velden tezamen zou men misschien kunnen beschouwen als iets wat bijna elektrisch is.

Dat bijna elektrische veld nu ervaart, het registreert veranderingen en wat meer is, het verkrijgt door die veranderingen eigenschappen, een bewustzijn. Dit bewustzijn kan bezield worden. Die bezieling is overigens een feit. Alles wat nu verder op en aan de aarde is kan afzonderlijk functioneren. Als we een vergelijking willen maken, dan kunnen we zeggen: kijk eens naar een wit bloedlichaampje in een menselijke ader. Het is een deeltje met een specifiek leven, met een eigen taak, een eigen stuwkracht dat op een heel vreemde manier reageert, we weten niet precies hoe en waarom, op gebeurtenissen in het zenuwstelsel, waarmee direct gezien de aderen toch niet zo erg veel te maken hebben. Dat noemen we dan maar de wonderen van een menselijk lichaam.

De aarde heeft ook zoveel functies, die er ook deel van zijn en die toch afzonderlijk schijnen op te treden. Nu begrijp ik wel dat een bloed­lichaampje voor u een stipje is dat u alleen onder een microscoop kunt zien. Maar vergeet niet dat een enorme verplaatsing in de atmosfeer, die voor de aarde in vergelijking net zo groot is als voor u dat bloed­lichaampje, een heel behoorlijke wervelstorm kan zijn. Daarom zijn we geneigd de functies van dat wezen Aarde met zijn belichaming afzonderlijk te bespreken.

Wij noemen die functies dan natuurgeesten. Wij splitsen ze, we ver­tellen precies hoe ze zijn, hoe ze bezield zijn en hoe ze werken. In de prak­tijk is het een beetje anders. De aarde bepaalt de functie. Maar daar die functie ten aanzien van de mens zoveel omvattend is, zoveel mogelijkheden inhoudt, bestaat er in die functie een veel groter eigen besef dan bijvoorbeeld in het witte bloedlichaampje. Het is niet meer alleen een ingebouwd be­sef, maar door de levensduur een ervaringsbesef; en ook hier komt een zekere bezielingsmogelijkheid wel aan de orde. Echter alleen van een be­zieling die zich ondergeschikt maakt aan wat de aarde is.

Nu zijn er heel veel functies. Een paar daarvan zijn de elementen. De bewoners ervan noemen wij elementalen, omdat zij als krachtveld func­tioneren maar gelijktijdig zelfs een specifiek ‘ik’ denken bezitten. Het is dus logisch dat ze in een astrale wereld ook een eigen vorm hebben. En hier hebben we nu iets wonderlijks.

Wij hebben te maken met een wereld die bestaat uit de bezielende factor van de aarde, waarvan de functies als afzonderlijke wezens optre­den in een andere dimensie dan waarin de aarde normaal bestaat. En dat maakt de zaak erg ingewikkeld. We kunnen wel zeggen dat de luchtgeesten dit en de watergeesten dat doen, maar in de praktijk is het zo dat de lucht- en de watergeesten alleen kunnen functioneren binnen het geheel van de uitstraling van de aarde met haar ritme, met haar verandering. En daarmede komen we aan een wetmatigheid die voor alle natuurkrachten geldt, maar evenzeer voor alle leven dat op aarde kan bestaan. Daarmee heb ik dan het eerste punt al gemaakt.

Ik weet precies hoe het gaat. Als mens zeg je: wij bouwen steden. Zo zijn ze, maar goed, u bouwt ze. Wij hebben als mens de atoombom ge­schapen. Maar had u de atoombom kunnen scheppen als de aarde zelf daar­toe niet de mogelijkheden had gegeven? Eén kleine verandering in het stra­lingsveld van de aarde en uw atoomsplijting is onmogelijk geworden en ook uw atoomfusie wordt in feite een onmogelijkheid. Dus laten we a.u.b. voor­zichtig zijn.

De krachten die op de aarde inwerken moeten we zien, voor zover ze gebonden zijn aan de materie, als één geheel, dat zich in vele personificaties aan ons voordoet. Maar daarmee zijn we er nog niet, want de aarde heeft ook nog relaties met de zon en andere planeten. Er zijn misschien relaties met andere sterren. En dan kunnen we ons ook nog voorstellen dat er stralingen in de kosmos zijn, die niet direct afkomstig zijn van een ster, maar die op een andere wijze ontstaan, die eerder liggen in de rich­ting van radiofrequentie dan van een lichtfrequentie. En wie weet zijn er nog heel wat andere frequenties te vinden in de kosmos. Frequenties die men tot nu toe nog niet heeft gemeten, omdat ze zo moeilijk meetbaar zijn. Al die dingen komen op de aarde af.

Wij zijn dan geneigd te zeggen: Maar wij zijn mensen. Wij, mensen, reage­ren op die straling. Dat is de eenvoudigste voorstelling. In de praktijk kunnen wij niet op die straling reageren, als de aarde als geheel niet daarop reageert. Wij zijn deel van de aarde, zeker wat ons stoffelijk wezen betreft. En dat houdt in dat iets wat de aarde niet werkelijk beroert ons niet kan beroeren op stoffelijk niveau. U ziet dat de schets een beetje anders is dan u gewend bent.

In een poging dit alles te illustreren, het volgende: wanneer de aarde zich werkelijk begint te vormen, dan denken wij aan wereldzeeën. Die zijn er echter niet. De wereldzee kan niet bestaan, omdat er een te grote hitte-energie is. Je zou kunnen zeggen, de vuurfactor in het evenwicht van de wereld is te groot. En wanneer er een wereldzee komt, dan is die zelfs niet te vergelijken met de verontreinigde oceanen van van­daag, want wat daar allemaal in opgelost is en in drijft is bijna on­voorstelbaar! Het is gewoon een mineraal-papje dat met de afkoeling van de aarde langzaam dunner wordt. De factor water is op dat moment nog atmos­feer, want wat er aan H20 verbindingen is ontstaan, is door de temperatuur gasvormig geworden. Pas wanneer de afkoeling van de aarde nog verder gaat, ontstaat het kritieke stadium; dan hebben wij te maken met wolken. Nu kan dat evenwicht oneindig lang blijven bestaan. Maar nu reageert de zon.

De zon heeft gewoon een uitbarsting. Die uitbarstingen zijn er vaak ge­weest en zullen nog wel meer voorkomen. Nu is echter het evenwicht kritiek. Er ontstaat een sterke verhitting van de buitenste laag van het wolkendek, onmiddellijk gevolgd door een betrekkelijk grote afkoeling daarvan. Condens ontstaat niet beneden, maar aan de bovenste grens van de troposfeer. De druppels die er komen brengen een lawine effect teweeg, en ineens zijn er wél oceanen en daarmee enorme spanningen in de aardkorst.

Die aardkorst moet een nieuw evenwicht vinden, want de aarde kan zo niet blijven bestaan. Haar totale momentum verandert. De massa van de kern ten aanzien van de atmosfeer verandert. Dus wat gebeurt er? De aarde wijzigt haar polariteit; het veld verandert. Dit veld heeft al wat geleerd, want het begint nu een regelmatige fluctuatie: het wordt sterker en het wordt minder sterk. Nu komt er nog zo een uitbarsting. Niet zo erg als de eerste misschien, maar met veel hardere straling (gamma- en beta-straling) en gelijktijdig is de aarde toevallig net aan een grote uitademing toe; haar eigen veld is zwak. Het resultaat is een sterke beïnvloeding van de aarde en zo ontstaat het eerste leven.

U ziet dat het hier een kwestie is van een samenwerken van allerlei omstandigheden. Maar bepalend voor de gehele cyclus die ik u beschrijf is de eigen toestand van de aarde. Indien de aarde magnetisch sterk was ge­weest op het ogenblik van die zonne-uitbarsting, dan was er geen half leven ontstaan, in laten we zeggen de rommel, die toen nog de wereldzee uit ­maakte. Indien de aarde daardoor en ook door de neerslag niet zou zijn ver­traagd in haar rotatie, dan zou het vulkanisme zich anders hebben ontwik­keld en was er minder kans dat we met continenten te maken zouden krijgen zoals nu.

De aarde is zelf in die tijd nog niet evenwichtig en dat betekent dat haar draaiing ook niet erg regelmatig is. Er is bijvoorbeeld een variatie in dagduur, welke in die rotatie vergeleken met de huidige tijd loopt van 16 uur 3 minuten tot 16 uur 14 minuten. Dus dat is per dag een aardig verschil van versnelling en vertraging. Daardoor ontstaan er kernspanningen in de aarde, want die wil evenwichtig zijn. Wat zegt nu die aarde? Mijn kernkracht is het enige dat ik kan gebruiken. Die kern wordt dus ac­tiever. Er ontstaat een veel sterker magnetisch veld en daardoor een ster­kere wisselwerking tussen aarde en omgeving. Wat gebeurt er nu? Het continent komt onder druk te staan. Het verschuift langzaam in de richting van een groter evenwicht.

Maar er is nog meer aan de gang. In deze periode, waarin al leven is en alles aan het begin staat, zijn daar bovendien plotseling grote veran­deringen. En verandering betekent bewustwording, ook voor de krachten die in de elementen leven.

Een elementaal in de beginperiode is niets anders dan een ijl wolkje dat een vaag besef heeft. Maar door die vele veranderingen komt er een relatiebesef. Dat relatiebesef wordt tot een persoonlijkheidsbegrip. Als we over een Djinn spreken, dan is hij daar eigenlijk ontstaan.

De eerste bewoners van deze wereld zijn in wezen functies van de we­reld, die een dermate eigen besef hebben ontwikkeld vanuit hun functie dat ze als astraal zelfstandige wezens kunnen optreden. Zij zijn het die voor een groot gedeelte mede aansprakelijk zijn wanneer de soorten zich ontwikkelen. Die soorten ontstaan schijnbaar door toeval. Maar het is wel wonderlijk dat dat toeval op bepaalde momenten optreedt en een evolutie in een bepaalde richting als het ware afdwingt. Gaan we nu kijken wat er aan de hand is, dan zien we dat een geestelijk besef samenwerkt met de functies van de aarde om de condities te scheppen waardoor iets, wat u evolutie noemt, mogelijk is. Zo is het in het begin geweest.

Op het ogenblik leeft u in uw wereld. Een wereld met veel industrie, met enorm veel mensen. Die mensen zijn zo talrijk dat je eigenlijk geen ver­gelijking durft maken met die vroegere wereld. Maar wat is er dan veranderd?

De aarde heeft nog steeds dezelfde persoonlijkheid. Wij kunnen nog steeds constateren dat er fluctuaties zijn in het aardmagnetisch veld. Wij kunnen nog steeds constateren dat bepaalde natuurfuncties zich zo gedragen dat ze een soort eigen persoonlijkheid hebben. Ik vind het bijvoorbeeld opvallend dat men de verschillende wervelstormen meisjesnamen geeft. Natuurlijk is dat door mannen gedaan, maar het zegt wel iets over de verhoudingen zoals ze tegenwoordig in uw wereld bestaan. Hier hebben we dus ook te maken met be­zielde factoren. En de planeten zijn er ook nog steeds en ze hebben ook nog steeds invloed. Op de zon hebben nog voortdurend die uitbarstingen plaats. Denkt u nu werkelijk dat u, omdat u mens bent, daar niets mee te maken heeft?

De krachten, die op de wereld inwerken, zijn van velerlei aard. En de krachten, die op de mensheid inwerken, zijn nog veel talrijker. Ik kan in het korte bestek van een les niet volledig zijn, maar mag ik u eens op het vol­gende wijzen?

Als wij kijken naar de banen die de planeten rond de zon maken, dan liggen die in een bepaald vlak. Dat wil zeggen de verschuivingshoek van die banen t.o.v. elkaar is betrekkelijk gering; die bestrijkt misschien 60 graden van de 360 graden. Er is maar één planeet met een afwijkende baan. Hoe komt dat? Zou dat misschien betekenen dat het zonnestelsel zelf ook weer een stabiliteit nastreeft en dat de aarde aan deze stabili­teitsdrang van het geheel is onderworpen? Als dit zo is, dan moeten wij toegeven dat zelfs de geest van de aarde of de ziel van de aarde niet vrij is. Ook deze wordt bepaald. En als die al wordt bepaald, zou dan de mens zich kunnen onttrekken aan dezelfde krachten, die de aarde met haar ge­drag, met haar ritme, met haar rotatie bepalen? Dat lijkt mij toch wel onwaarschijnlijk!

Maar de kosmische krachten dan? Dat is een veel tragere kwestie. Iemand heeft eens gezegd: Als de zon één woord zegt tegen een andere ster, dan duurt dat wel een paar honderd jaar. En dat is ook zo. Maar de trillingen ondergaan we ook op aarde. Nu blijkt dat er:

  1. trillingen zijn waarvoor de mens gevoelig is
  2. trillingen waarvoor de mens niet bewust gevoelig is
  3. trillingen waarvoor de mens ongevoelig is.

Het aantal trillingen waarvoor de mens ongevoelig is, is kleiner dan men denkt. De mens denkt al heel gauw: trilling, dat is wat ik hoor, misschien nog wat ik zie, maar wat ik ruik is heel wat anders. Dit laatste is niet zo. In het Amazone gebied leeft een vreemde mot. Dat beestje ziet eruit als een wonderlijk stuk boomschors. Als het zich open plooit heeft het nog een heel mooie tekening ook. Nu is gebleken dat de prikkel van het vrouw­tje voor het mannetje een geurstof is. Het is ook gebleken, men heeft proeven daarmee genomen, dat op een afstand van 100 km een mannetje een vrouwtje in de ontvankelijkheidstoestand ruikt en daar naar toe gaat. Toch stinkt ze heus niet zo erg.

Hier is sprake van iets wat wij als geur definiëren, maar waarbij toch nog iets anders een rol speelt. Een uitstraling misschien, een trilling, een soort super radiosignaal dat geur-idee overbrengt? En als we dan toch bezig zijn, waarom zouden wij dan niet meteen toegeven dat er bij vele dieren en ook mensen vormen van empathie voorkomen, die kennelijk in de richting gaan van emotionele telepathie. Mensen voelen aan. Ze weten niet waarom. Mensen voelen soms iets aan op zeer grote afstand. Men heeft daarvan vol­doende voorbeelden verzameld om dat als redelijk vaststaand te beschouwen. Hoe komt dat? Is hier dan sprake van zoiets als een trilling? Zou het mo­gelijk zijn dat ook hier een soort vibratie bestaat?

Dan gaan we nog een stapje verder. Er is een verhaal dat vaak wordt verteld. Ergens in de Veld (Zuid-Afrika) komt een Bosjesman bij een boer en zegt hem: Er zijn ontzettend veel mensen gestorven. Dat en dat gebeurt er, want ze rijden met ijzeren wagentjes om te sterven. Dat zou nu niets bijzonders zijn geweest, als niet later de boer had ontdekt dat, praktisch op het­zelfde moment dat de Zoeloe hem dat vertelde, Generaal Joffre zijn tegen­offensief begon met de taxi’s van Parijs. Nu kunt u zeggen dat die man aangesloten was op de televisie, maar die was er toen niet. Hoe kan dat dan? Dat was ESP (extra sensor perception). Dat klinkt schitterend. Of we maken het paranormaal. Maar als het voor die man bestaat, dan betekent dat, dat er iets bestaat waardoor dat mogelijk is. Een trilling? Is het dan altijd noodzakelijk dat die trilling voortkomt uit iets wat op aarde gebeurt? Is het dan niet denkbaar dat er vanuit de kos­mos dingen komen die je ook beïnvloeden, maar waar je de beelden niet bij hebt, omdat ze niet menselijk zijn?

Als je even nadenkt, dan moet er enorm veel zijn wat de mens wel er­vaart, maar wat hij niet in zijn bewustzijn kan omzetten, dus niet tot deel van een redelijk denken maken. Waar die invloeden vandaan komen is dan een speculatieve kwestie, maar ze zijn er. Het blijkt dat er mensen zijn die erop reageren, wanneer die invloeden op aarde werkzaam zijn. Verder blijkt, vreemd genoeg, dat praktisch alle invloeden die van buitenaf komen, wan­neer ze op aarde kenbaar worden in het gedrag van de mensen, zich aanpas­sen aan de omloop van de aarde. Dit gaat meestal oost-west. Deze invloe­den zijn kennelijk mede gebonden aan het ritme van de aarde. De rotatie van de aarde schijnt daarbij een grote rol te spelen, misschien wel omdat het samenhangt met het veld van de aarde.

Nu ga ik het een en ander stellen. Er zijn onmetelijk veel invloeden mogelijk. Een deel daarvan, dat zui­ver geestelijk is, laat ik buiten beschouwing. Het merendeel van die in­vloeden zal echter mede stoffelijk zijn, ook al worden ze niet als zodanig ervaren. Ze zijn niet zozeer door hun kracht bepaald als wel door de wijze waarop die kracht zich manifesteert. Het is iets wat wij bij gebrek aan beter dan maar trillingsgetal, soms ook stralingsintensiteit noemen, of­schoon dat laatste weer kracht veronderstelt en dat is weer niet waar. Al deze invloeden komen echter in het veld van de aarde. Het resultaat daarvan is niet de eigenschap van die kracht zonder meer, het is de sa­menwerking van de energie, de persoonlijkheid van de aarde en de inkomen­de krachten. Zo wordt de wereld geschapen door de grondeigenschappen die de aarde heeft en de reactie die deze aarde toont op, of mogelijk maakt met, van buiten komende invloeden.

Met dit alles ben ik gekomen tot de eindconclusie van deze eerste les. De mens is gebonden aan de kwaliteiten en eigenschappen van de aarde voor zover het stoffelijke of half stoffelijke impulsen betreft. Hij is ge­bonden aan het optreden van krachten in de invloedssfeer van de mens, die als persoonlijkheden kunnen functioneren, maar die desalniettemin direct verbonden zijn met de kwaliteiten van dit wezen Aarde.

Al deze krachten en energieën gaan de beheersing van de mens en soms zelfs zijn kenvermogen te boven. De mens is dus bepaald door zijn wereld. Zelfs de veranderingen, die hij in zijn wereld bewerkstelligt, zijn alleen maar verschuivingen van evenwicht waarbij de compensatie vanuit de aarde steeds weer bepaalt hoe de einduitslag zal zijn. De mens is niet zo vrij als hij wel denkt.

Is oorlog onvermijdelijk?

Er is een bekend gezegde: “Vrede op aarde heerst er pas, wanneer de laatste mens rond zich kijkt in de leegte.” Dat klinkt wel erg pessimistisch, maar we vergeten één ding. Het hele leven op aarde is gebaseerd op strijdelementen. Alleen oorlog is een ge­organiseerde strijd tussen grote groeperingen, terwijl het normale leven in feite een strijd is tussen eenlingen. Daarin ligt het grote verschil. Als wij ons afvragen, of oorlog onvermijdelijk is, dan moeten wij ons eerst eens afvragen hoe het eigenlijk zit. Dankzij de inleider van vanavond heb ik de mogelijkheid om een beetje in de historie terug te gaan.

Oorlog was in het begin bij de mensen een oorlog tegen de elementen. Zij vochten tegen de grote monsters die rond hen waren, en dat waren er nogal wat, want de mens was er eerder dan men veronderstelde. Zij vochten om het leven te behouden. Langzaam maar zeker kregen de mensen een eigen jachtgebied. Dat is niets bijzonders, alle dieren hebben een eigen jachtgebied, zelfs een muis. Ook een vogel heeft zijn eigen jachtterrein. Die heeft een terrein waar hij slaapt (zijn woonterrein) en elders heeft hij zijn prooi- of jachtterrein. Voor beide is hij heel zorgvuldig. Dat be­schermt hij tegen iedereen, vooral als het er niet een van zijn eigen soort is.

Ik denk dat dat bij de mens eveneens een rol is gaan spelen. Ze hadden een eigen gebied waarin ze hun jachtmogelijkheden hadden. Daar kenden ze alles. En nu kwam er een vreemdeling, die hun jacht zou kunnen verstoren, dus hun mogelijkheid tot leven. Daarom moest hij ofwel in de groep worden opgenomen, dan wel hij moest eruit worden gewerkt. Zo is er strijd ontstaan tussen een groep mensen die geen levensonderhoud meer konden vinden op hun eigen terrein en die een ander gebied wilden hebben waar al een stam woonde.

De eerste stamoorlogen vertonen dus gewoon dezelfde strijdelementen, die wij bij bepaalde kudden zien. Dit komt bijvoorbeeld bij de wilde honden voor. Wanneer de dingo op een gegeven moment onvoldoende prooi vindt, gaat hij trekken. Maar hij trekt dan met het gehele roedel. Die wilde honden komen dan op een terrein waar reeds andere zijn. En wat gebeurt er nu? Er ont­staat een strijd, die onder de wilde honden meestal wordt uitgevochten tussen de leiders van de groepen.

Hetzelfde zien wij bij bavianen. Bij deze dieren is het het oudste mannetje, de leider van de stam, dat tezamen met drie of vier van de sterkste stamgenoten vecht tegen een ongeveer gelijk aantal van de stam, die zijn terrein wil binnentrekken. En wat meer is, er bestaan bepaalde egards, als men elkaar duidelijk wil maken dat men niet van plan is dat gebied in beslag te nemen. Er wordt dan vaak doortocht verleend.

Zo moet het bij de mensen ook ongeveer zijn geweest. Maar langzaam maar zeker gingen de mensen steeds grotere gemeenschappen stichten en op een gegeven ogenblik waren er mensen die een terrein voor zichzelf opeisten.

Kijk eens naar bijvoorbeeld Egypte. Daar waren woestijnstammen die naar het Nijldal trokken, omdat daar in een bepaald jaargetijde meer mogelijkheden waren om eten te vinden. Maar er waren ook mensen die daar woonden en landbouw bedreven. Toen moest er dus om dat gebied gevochten worden. Zo ontstonden er een aantal heren die een paar sterke knapen rond zich verzamelden. Als er dan een vreemdeling in de buurt kwam, sloegen ze die knock-out of ze joegen hem weg. Zo ontstond er een gezagsverhouding. Maar toen deze heren zover waren gekomen dat ze het terrein beheersten met alle mensen daarop (dat waren hun onderdanen geworden), toen moesten ze zo nu en dan een reden hebben om te vechten, opdat de onderdanen blij zouden blijven met de bescherming die de vorst, zoals hij zich waarschijn­lijk heeft genoemd, aan hen gaf. Want dat is de moeilijkheid. Zodra er een gouvernement is, of dat nu in een stam is, in een kleine gemeenschap of in een grote, probeert die regering te bewijzen dat het noodzakelijk is om te strijden. Om dat te doen creëert het problemen, die het alleen zelf kan oplossen.

Daarmee heb ik iets gezegd dat erg belangrijk is als wij aan oorlog denken. Oorlog gaat uit van groepen, die iets willen veroveren, om welke reden dan ook, omdat ze niet meer tevreden zijn met hun bestaan. Oorlog voeren ook groepen die hun gebied verdedigen. En ten laatste, oor­log gaat uit van groeperingen die zich baseren op een mate van macht en geweld en die een regering hebben die geneigd is om die macht en dat ge­weld voortdurend tot uiting te brengen om daardoor het eigen bestaan te rechtvaardigen.

U leeft in een maatschappij. Nu heeft ‘maatschappij’ als woord reeds heel veel betekenissen. Maatschappij kan een vereniging zijn. ‘Maatschappij Onderling Kunstgenot’ bijvoorbeeld is een harmonievereniging die in de buurt van Leuven is gevestigd en waarin nogal eens vals getoeterd wordt in de hoop in de prijzen te vallen. Er is de maatschappij geweest tot exploitatie van ijzeren spoorwegen. Dan hebben we ook nog de maatschappij waarvoor maat­schappelijke werkers nodig zijn. U weet wat een maatschappelijk werker is? Dat is iemand die probeert de onredelijkheid die door de maatschappij wordt veroorzaakt zodanig te verzachten dat iedereen zich beschermd voelt achter de maatschappij, die in wezen die bescherming aan een groot aantal van haar leden onthoudt. Daar hebben wij het hele begrip.

Een maatschappij is altijd een soort exploitatie principe. Een maatschap­pij kan echter alleen exploiteren, indien er iets te exploiteren valt. En wie wordt er in de maatschappij geëxploiteerd? Dat is de burger. Dus is het logisch dat de burger voortdurend een reden moet hebben om zich te laten exploiteren. Die reden is dan de dreiging van buitenaf waartegen de maatschappij bescherming geeft.

Dan kan de maatschappij zeer religieus zijn. Zij beschermt u dan tegen de goddeloosheid van de buitenwereld en helpt u zo om gemakkelijker in de hemel te komen door u niet te laten lastig vallen door die hellehonden, die buiten deze maatschappij leven. Dan ontstaan er instanties als de Inquisitie. De Inquisitie bestaat nog steeds, alleen heeft ze een andere vorm gekregen. Vroeger heette het Inquisitie, omdat ze de mensen verbrand­den. Tegenwoordig heet het hersenspoeling, omdat ze alleen de mentale en morele capaciteiten van een mens trachten te verbranden, maar in feite is het nog dezelfde heksenjacht.

Nu kunnen we zeggen: dat is geen oorlog. Maar dan vraag ik u, wat is het dan wel? Oorlog is strijd; dat is het gebruik van geweld. Ook op dit ogenblik, terwijl de wereld zogenaamd in vrede leeft, is er een voortdurende strijd tussen de verschillende systemen, die ieder op zich moeten waarmaken dat ze goed zijn, maar die dat alleen kunnen doen door een ander zwart te maken. Het is als met een buurvrouw, die weet dat haar eigen deugd niet helemaal onbevlekt is gebleven en die roddelt over een ieder die in de omgeving is, in de hoop daardoor zelf toch nog als een toonbeeld van deugd te pronk te kunnen staan. Op die manier ontstaat wat men noemt de propaganda.

Nu zijn er mensen die zeggen: ach, het is allemaal niet zo erg. Als iedereen nu maar zo sterk is dat een ander hem niet meer durft aanval­len, dan krijgen we wel vrede. Ik ben het daar helaas niet mee eens.

Ten eerste: de neiging om de macht tot vernietiging steeds groter te maken, betekent nog niet dat die macht niet gebruikt zal worden.

Ten tweede: de onderdrukking van het element ‘wij zijn beter”’, kun je daarmee niet bewerkstelligen. Integendeel, juist door de angst voor de macht van de tegenstander bevorder je naar buiten toe misschien een wat vreedzamer gedrag (honden denken over hun tegenstanders net zo, die draaien ook om elkaar heen), maar naar binnen toe krijg je juist de ver­kettering van het andere en de ander in veel sterkere mate. En daarin ligt nu het grote gevaar. Want een mens zal zeker in de strijd nimmer rationeel reageren. Een mens kan eenvoudig niet alles overwegen en bedenken. Hij beschikt in de eerste plaats niet over de feiten en in de tweede plaats heeft hij de capaciteiten niet.

Als wij weten dat zelfs generaals niet in staat zijn het wezen van een veldslag te overzien, zodat hun overwinningen over het algemeen voortkomen uit de denkfouten die ze hebben gemaakt, dan moeten we toch wel toegeven dat een groot gedeelte van alles wat met strijd en oorlog te maken heeft mede gebaseerd is op instincten en emotie. En een emotie kan zo sterk zijn dat de vernietiging van het eigen ik niet meer belangrijk is, omdat je meent daardoor iets wat groter en belangrijker is dan jezelf bent te beschermen. En daarmee heb je dan het grote gevaar geschapen.

Een atoombom wordt gebruikt op het ogenblik dat iemand meent dat het beter is zelf te gronde te gaan dan te dulden dat een ander denkbeeld of een andere macht domineert. Degenen die regeren weten dat natuurlijk wel. Het is een bekend verschijnsel, alle regeringen hebben uitstekende schuil­kelders; die kunnen zelfs een atoomoorlog wel weerstaan, nemen ze aan, maar het zou zo ongezellig zijn, want dan hebben ze niemand meer om over te re­geren. Daarom trachten ze andere wapens te gebruiken.

Op dit ogenblik is er bijvoorbeeld een economische veldslag aan de gang. Die veldslag lijkt misschien heel erg vriendelijk te verlopen, maar als men goed nagaat wat er gebeurt, dan ziet men dat twee, of eigenlijk drie, belangengroepen elk voor zich trachten relaties te krijgen in de wereld waardoor ze de handel kunnen gaan beheersen, waardoor ze de zeggenschap krijgen over de materialen die er zijn en bovendien de mentaliteit van de mensen kun­nen beïnvloeden. Hun oorlog is dan misschien meer economisch en commercieel, maar de wapens die ze gebruiken zijn net zo reëel. Van een werkelijke vrede is zelden of nooit sprake.

Denkt u niet dat dat iets bijzonders is. Zolang er mensen zijn, die het hebben over een rot-jood, een vuile neger, die Surinamer gebruiken als een scheldwoord, is oorlog onvermijdelijk, omdat de mens gewoon niet bereid is een gelijkwaardigheid en een mogelijkheid tot samenwerking te postuleren. Hij acht dan zijn eigenbelang aangetast en daarmede heb ik de vraag eigenlijk al beantwoord.

Misschien is het ook wel aardig eens na te gaan hoe oorlogen in het verleden tot stand zijn gekomen. Laten we beginnen met de oorlogen van Akad (een stamhoofd in Mesopo­tamië). Akad voerde oorlog omdat hij krijgers had. Zij kregen maar een betrek­kelijk kleine beloning. Hij had hen, bij wijze van spreken, alleen in de kost. Het onderdak was niet al te best en als ze konden vechten, dan kon­den ze plunderen. Wat ze konden plunderen dat was hun beloning. Om dus zijn krijgers te kunnen behouden moest hij oorlog voeren.

Dan is er een ander interessant voorbeeld: Alexander de Grote. Deze begon een oorlog oorspronkelijk alleen om een burenruzie uit de wereld te helpen en daarom drong hij Azië binnen. Dat was een kwestie van, onder meer, wat handelsbelangen rond de Middellandse Zee enz.. Maar toen hij eenmaal was be­gonnen had hij een heel groot rijk. Als hij daarin al zijn mannetjes had los­gelaten, dan waren dat allemaal kleine Satrapen geworden, die voor heer hadden gespeeld. Met als gevolg dat ze op een gegeven ogenblik natuurlijk afgeslacht zouden worden. En wat had hij, Alexander, dan verder moeten doen? Dus nam hij de eden van trouw af, hij sloot een verbond en trok verder. Dat lukte hem tot hij in India kwam. Maar in India waren zijn mannen ook een beetje moe geworden. Ze wilden eigenlijk wel weer naar huis. Alexander had zijn mensen niet meer in de hand en daardoor moest hij ze meer tijd laten om zich te amuseren. En och, in India is het voor iemand die het voor het zeggen heeft nog steeds heel aangenaam. Daaraan kunnen alle regeerders niets veranderen. Dus de manschappen verslapten en toen moest de terugweg beginnen. Die terugtocht was voor Alexander echter niet helemaal aanvaardbaar en daardoor ging hij eraan te gronde. Dat is de tocht van Alexander de Grote. Een oorlog, die in feite begonnen is om het leger bij elkaar te houden, omdat de vorst zijn macht niet teveel wilde versnipperen.

Een ander voorbeeld. Attila de Hun of de Gesel Gods, zoals men hem noemde. De mensen hebben zo nu en dan een gesel Gods nodig, want dan kun­nen ze niet zeggen dat het hun eigen schuld is dat ze falen. God is er al­tijd om ons te zegenen, onze wapens te zegenen en de verantwoordelijkheid te dragen als we falen. Dat was toen ook het geval. Maar bij Attila lag de zaak zo: hij regeerde over een nomadenstam. Ze moesten dus verder trekken. En verder trekken betekende oorlog voeren. Oorlog voeren kun je op twee manieren doen. Je kunt een volk onderwerpen en daarbij de strijders als potentiële tegenstander laten bestaan of je kunt dat volk inlijven. Attila was voor inlijven. Daardoor kreeg hij een steeds groter leger dat echter gevoed moest worden en dus moest hij weer verder trekken. Hierdoor werd hij voortdurend met andere machten geconfronteerd. Dat was een grote uitdaging. Er was veel te plunderen en te verdie­nen, dus gingen ze verder.

Dit is iets wat we altijd zien. Zelfs de romantiek van de Krimoorlog (de oorlog tegen de Turken) was niet zo romantisch als het lijkt. Het ging hier om een keiharde krachtmeting tussen belangengroepen. Mensen die het ging om handel, om het exploiteren van bepaalde gebieden. Maar het werd toen nog verkocht als iets ridderlijks. De charge van de Lichte Brigade bijvoorbeeld is de grootste waanzin die je je kunt voorstellen. U heeft allemaal wel dat gedicht gelezen, neem ik aan. Bij deze charge van de Lichte Brigade valt weer op dat het erom gaat: niet wat doe ik, maar doe ik. De mentaliteit is: ik denk niet, een ander denkt. Ik volbreng. “Theirs was not to reason why, theirs was just to do and die”. Daarin ligt eigenlijk het hele oorlogs­wezen in opgesloten.

Kijkt u naar de oorlog van 1914-1918. In wezen was de dood van de aarts­hertog helemaal niet zo belangrijk. Dat was te betreuren, maar het was een kwestie van één man. Degenen die daar een oorlog om begonnen, deden dat alleen omdat ze dachten dat ze er sterker en rijker door zouden worden. Die oorlog was doodgewoon begonnen omdat men legers had, omdat men niet te­vreden was met de eigen positie in de wereld en omdat de soldaten nog steeds dezelfde mentaliteit hadden. “Theirs was not to reason why, theirs was just to do and die”. Ze hadden alleen maar te gehoorzamen en te sterven. En die­zelfde dwaasheid zien wij herhaald, elke keer weer.

Kijk naar de Hitler-periode. Kijk naar de wijze waarop mensen zijn ingezet zowel door de Engelsen, de Amerikanen als door de Duitsers, de Italia­nen, de Russen en de Polen. Hier was het niet alleen maar een kwestie van zelfbehoud. Het was voor de Russen bijvoorbeeld niet alleen maar dat hun gebied werd aangetast, want waar de Duitsers binnentreden, werden ze heel vaak binnengehaald. Er waren Russen die onmiddellijk met hen wilden meevechten. Ze hebben een heel leger gehad. Het was doodgewoon, men kon niet afstappen van zijn gelijk, van zijn macht. Die macht was het belangrijkste. Tussen Rus­land en Duitsland werd een verdrag gesloten waarvan beide partners wisten dat het geen stand zou houden. Er werd komedie gespeeld. Doodgewoon omdat ze betekenis in de wereld wilden hebben. En wie kijkt naar de komedie van Malta, realiseert zich nog eens te meer wat oorlog is.

Oorlog is altijd weer een betrekkelijk kleine groep die uit persoonlijke overwegingen, uit bepaalde belangenbeschouwingen, besluit dat een an­der een kopje kleiner moet worden gemaakt. En dan roepen ze het hele volk bij elkaar met idealen, krijgsliederen, met schitterende muziek en ze sturen ze er op uit. “Theirs was not to reason why, theirs was just to do and die”. U moet mij vergeven dat ik die regels elke keer weer herhaal, want dat is het wezen van de oorlog.

Zodra de mens voor zichzelf denkt, zodra de mens bereid is om zelf volledig de aansprakelijkheid te aanvaarden voor zijn leven, is er geen oor­log meer, maar dan is er weer geweld op een ander terrein. Dan krijgen we de strijd tussen twee zakenlieden. En als ze het niet af kunnen met gewone concurrentie, dan schiet de een de ander misschien overhoop. Maar dat ligt op een kleiner niveau en het kan gemakkelijker verwerkt worden. Er ontstaat misschien een ‘code de duel’, een code van tweestrijd, zoals die in de zuidelijke staten van de USA zo lang heeft bestaan. Daar had men inderdaad een bepaalde gedragscode.

Als iemand je ergerde om de een of andere reden, dan kon je hem bele­digen. Als hij beledigd was, dan was hij verplicht met je te vechten en het ging er maar om wie het beste schoot of wie het best met de degen was. Dan werd door te doden het probleem onderling opgelost. Dat is ook de ver­klaring waarom de soldaten van het Zuiden zo ontzettend moedig waren, maar gelijktijdig niet opkonden tegen de Yankee-discipline. Je ziet het zo uitge­tekend. Als de mensen zelf vechten zijn ze onderling tot grote gewelddadig­heden in staat, maar gelijktijdig hebben ze een meer persoonlijke benadering van de strijd. Ze denken erover na en dientengevolge zijn ze minder bruikbaar voor een oorlog, die alleen maar goed kan verlopen als er een perfecte discipline onder de manschappen bestaat. Natuurlijk, er zijn altijd vrijbuiters geweest. In de tijd van de Zuidelijken waren er bepaalde rebellengroepen, die tot ver achter de linies van de USA-army werkten. Ze hielden daar rooftochten en brachten hele legerkorpsen in verwarring. Die rebellen brach­ten nu het meest tot stand, meer dan de generaals.

Als wij kijken naar de situatie in Europa tijdens de Duitse bezetting, dan zullen we moeten toegeven dat de aquis (Franse verzetgroep) niet zo sterk georganiseerd werkte en heel vaak mede op persoonlijk gewin uit was. Zij hebben echter de mogelijkheid voor de legers geschapen om te komen tot D-day; om te komen tot een reëel resultaat, zonder dat was het niet moge­lijk geweest zonder eveneens Europa geheel te vernietigen. En dat had nie­mand geheel aangedurfd, want er waren op het vasteland teveel zakelijke be­langen van de Amerikanen en de Engelsen. Als u het zo beziet, gaat u be­grijpen wat het wezen van de oorlog is.

Een mens leeft in een wereld waarin het strijdelement zelf deel is van het bestaan, het onvermijdelijke deel van de zelfhandhavingsdrang, die is ingeschapen. Op welke manier je het uitvecht, dat kan verschillen naar gelang van de mogelijkheden en de belangen die je hebt, maar strijd zal er altijd zijn.

 Zolang de mens de neiging heeft om in zo groot mogelijke groepen en zonder verder zelf na te denken bepaalde conflicten te willen beslissen met geweld, zal er oorlog zijn. Eerst wanneer de maatschappij vervalt tot een zo grote anarchie, dat het wordt teruggebracht tot een gevecht van mens tegen mens, komt hij misschien verder.

Ik zou het zo gemakkelijk vinden als de mensen wat oorlog betreft zo verstandig waren als bijvoorbeeld de bavianen. Daar zijn het leiders die vech­ten, als er gevochten moet worden. Pas wanneer die in vol gevecht zijn ge­wikkeld, bestaat de mogelijkheid dat de lagere rangen zich in het gevecht gaan mengen.

Ik zie het al, Nixon en Breznjev samen in een grote arena (uitver­kocht natuurlijk) met hun ministers erbij die het gaan uitmaken: het pistool, het machinepistool, de degen of wat anders. Als één verslagen is, wordt automatisch de sterkte van de andere partij erkend. Maar dan zouden veel mensen zeggen: dit past mij niet, want ik sta voor …….. en dan noemt u maar op, Rusland, Amerika, de democratie, de vrijheid, de arbeidersgemeenschap enz. enz.. En dan willen zij ook vechten.

Oorlog bij de mensen is het wonderlijke mengsel van de drang tot zelfbehoud en ideologieën, die meestal niet op de werkelijkheid stoelen. En zolang ideologieën de mens kunnen brengen tot een schaapachtig gedrag waarbij hij niet redeneert, niet nadenkt, niet vanuit zich overweegt en een bewuste keuze doet, maar zich onderwerpt aan het gezag van anderen, zal er oorlog zijn. En dat betekent, dat oorlog voorlopig nog wel onvermijdelijk blijft.

Liefde

Een mens spreekt van liefde. Hij droomt van een eenheid waarin hij niet meer alleen is, omdat hij zichzelf herbeleeft in een ander of in het andere. Wij zijn zo eenzaam als wij mens zijn. Diep in ons zijn onze werkelijke gedachten en wij durven ze niet altijd uit te spreken. Onze werkelijke ge­voelens durven we niet altijd te uiten. Wat wij naar buiten toe tonen is maar een klein deel van wat wij zijn en wij zouden toch zo graag volledig willen leven. Wij zouden een echo willen vinden in een ander van dat wat wij zijn en daarom zoeken wij daarvoor iets wat wij liefde noemen.

Maar wat is liefde? Soms denkt men liefde is een lijfelijk contact. Ongetwijfeld kan het dat zijn, de verzekering vinden door je lichaam dat je niet alleen bent. Maar het kan ook zijn het gewoon opgaan in datgene wat rond je is. Je kunt een landschap liefhebben of een stad, een kleur, een melodie, dat wat tot je doordringt, wat de diepe kern in jezelf ge­rust stelt en zegt: je bent niet alleen. Liefde is onze vlucht voor een eenzaamheid, die wij vrezen en die niet eens werkelijk bestaat.

Wij zoeken. Wij zoeken naar een mens. Wij zoeken naar een God. Wij zoeken naar de zin van het bestaan. En zodra wij ons verbonden weten met iets, zelfs al is de vorm die wij eraan geven een illusie, dan houdt het vragen op. Dan is die leegte weg, dan antwoordt onze wereld ons en heeft ons bestaan voor ons betekenis gekregen, dan zijn wij iets. Het is alsof wij beseffen dat wij niets kunnen zijn zonder deel te zijn van de totaliteit waaruit wij voortkomen. Daarom verlangen wij naar liefde. Daarom zeggen wij dat God liefde is. Daarom zeggen wij dat je je naaste moet liefhebben, dat je de wereld moet liefhebben. Want die liefde is onze vlucht voor de eenzaamheid, die voortkomt uit het onbewust zijn van een wezen dat niet volledig zichzelf kan of durft zijn.

Zo leven we door de liefde naar een werkelijkheid toe. Een werkelijk­heid waarin we niet alleen onszelf zullen openbaren voor wat we zijn, maar vooral zullen beseffen dat datgene wat wij werkelijk zijn betekenis heeft voor anderen, dat de wereld antwoordt op onze werkelijkheid en dat onze werkelijkheid en die van anderen samen gesmolten een betekenis heeft zo groot, dat wij er slechts aarzelend over durven dromen. Dat is voor mij liefde.

Heb ik hiermede niet iets gezegd dat eigenlijk aansluit bij oorlog? Weet u waarom liefde vaak een halve oorlog is? Omdat je bang bent om datgene bewust kenbaar te maken wat je weet te zijn. Als je daarvoor niet meer bang bent, dan blijft er alleen liefde zonder strijd over; dan is het een aanvaarding. Misschien is het wel eens goed als u vindt dat u liefde te kort komt, dat de wereld te kort schiet in liefde (mensenliefde of naastenliefde) om daar dan even aan te denken en te zeggen: ach, die mens is zo bang voor datgene wat hij is dat hij geen contact weet te vinden met een wereld die hem zou kunnen aanvaarden. Hij veroordeelt zichzelf, arme mens. Daarom vecht hij zo hard.