Wereld van de goden

image_pdf

9 augustus 1963

Aan het begin van onze bijeenkomst allereerst de volgende punten:

  1. Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Hou hiermee rekening.
  2. Ook heden is een gastspreker aangekondigd.
  3. De volgende week sluiting van het seizoen. Ook dan zal waarschijnlijk een gastspreker aanwezig zijn.

Dit laatste wil ik gaarne even toelichten. Deze maand is, wat werkingen en invloeden betreft, een bijzondere. De grote leiders zijn er klaarblijkelijk van overtuigd, dat het goed zal zijn, hierover wat meer mede te delen. Ons is toegezegd, dat bij de eerstkomende bijeenkomsten broeders van de grote Orde en Broederschap aanwezig zullen zijn, welke voorlichting zullen geven over de werkende invloeden en het daarbij meest juiste gedrag.

Vanuit ons standpunt hierbij nog het volgende commentaar:

Deze sprekers zijn in hun uitdrukking vaak wat abstract. Ga uit van de letterlijke betekenis van hun woorden, maar tracht na te gaan, of hieraan enige gevoelswaarde verbonden is. Dit laatste is dan het werkelijk belangrijke, zoals in de komende tijd, naar wij menen, vooral gevoelsinvloeden van beslissend belang zullen blijken te zijn voor alles wat uw persoonlijk leven betreft.

Als onderwerp voor heden koos ik een verhandeling, die uitgaat van: Wereld van de goden

Wanneer men het woord ‘goden’ gebruikt, hoort men in sommige kringen onmiddellijk een verontwaardigde kreet: dat is afgoderij. Dit vloeit voort uit het feit, dat men zich zelden bewust is, wat deze goden in de oudheid nu werkelijk betekenden, terwijl men ook niet weet, welke functie in het kosmisch bestel zij eigenlijk hebben. De priesters van de oudheid hebben dit overigens zelf altijd bemanteld, omdat het werkelijke wezen van de goden in oude tijden nu eenmaal een inwijdingsgeheim was.

De eenvoudigste en oudste opzet kennen wij allen: alles is in zichzelf ‘bezield’ , terwijl alles wat in zichzelf bezield is en grotere macht bezit, een God is. Wanneer de mens echter zover komt, dat hij over het raadsel God na gaat denken, de hemelen leert bezien en zelfs zijn geest leert uitzenden buiten eigen lichaam, ontdekt hij al snel, dat men met een dergelijke definitie niet klaar is. Men moet de kracht leren begrijpen, die van werkelijk kosmische betekenis kan zijn. Elke godheid, die door de ouden gehanteerd wordt als werkelijk belangrijk, is meer dan alleen maar een natuurkracht, ook al zal hij het uiterlijk van een natuurkracht blijven behouden. Hij is daarnaast echter ook een kosmische kracht.

Zo kennen wij bv. in Babylon, Nebu, die de god van de wijsheid wordt genoemd. Wanneer wij deze god met zijn zwaard en blauwe mantel bezien, zo lijkt hij een god als alle anderen. Zodra wij echter naar de inhoud van zijn wezen zoeken, treffen wij een zeer eigenaardige beschrijving aan:

“Hij (Nebu) is zichzelf en de hemel is zijn kleed.”

In zijn kleed staat alle gebeuren geschreven.  Dus: de sterren schrijven het gebeuren.

“Zijn zwaard is het licht, waarmee hij de tijd doorsteekt.”

De eeuwige waarheid wordt geopenbaard door het zwaard van Nebu.

“Zijn weten is de eenheid van de krachten.”

Hij is degene die de wet van evenwicht hanteert.

“Zijn macht is die van de harmonie.”

Hij is het, die strijdige krachten met elkaar in harmonie kan brengen.

“En, Hij bezit het oordeel, waaraan allen zich onderwerpen.”  Allen zijn in dit geval de goden van dit speciale pantheon.

In feite vertelt men ons hier dus, dat de wijsheid in zichzelf geen regerende godheid is. De regerende goden zijn fel, zoals in dit geval Bel, heer van storm en bliksem, zoon van de zon enz. Maar het is de wijsheid, die de krachten van leven in evenwicht brengt met de krachten van de dood, de krachten van de liefde in overeenstemming weet te brengen met de krachten van strijd.  Hij, Nebu, schept het evenwicht, dat voor het leven noodzakelijk is. Zo bezien wordt de god Nebu opeens een geheel andere figuur. Hij blijkt opeens niet een eenvoudige natuurgod te zijn, maar eerder een verpersoonlijkte eigenschap van de Scheppende God.

Op deze wijze vallen haast alle andere oude goden te duiden. Wanneer men de oude wijsgeren beziet met hun veelgoderij, wordt de verwarring voor de hedendaagse mens nog groter, omdat haast elke wijsgeer een eigen structuur gebruikt. Iedereen heeft zijn eigen wijze, om de goden voor te stellen. Iets wat zeker misleidend werkt.
In de tweede plaats geeft een ieder aan die goden een eigen plaats in de rangorde van belangrijkheid. Er is maar één godheid, die altijd een geheel eigen plaats bezit: de godheid die staat voor wijsheid. De wijsheid heeft altijd een structurele kracht in hun systeem.
Men zou het als volgt kunnen stellen: de goden zijn de kleurige deeltjes van het leven, wentelend in de caleidoscoop van het leven, waarbij de wijsheid de spiegel is, die weerkaatsend het geheel altijd weer in schone symmetrie samenvoegt. Zo bezien kan men stellen, dat de wereld van de oude goden niets anders is, dan een weerkaatsing van goddelijke wetten en krachten in alle onderlinge verhoudingen en verbindingen, die de mens zich maar voor kan stellen.

Ook de verhalen over de oude goden zijn voor de moderne westerse mens vaak wat primitief en eigenaardig. Wat bv. te denken van Isis, die gelijktijdig de moeder, de echtgenote en de dochter is van een en dezelfde godheid? Dit klinkt komisch. Maar wanneer men beseft, dat één en dezelfde goddelijke kracht in verschillende functies en uitingen op kan treden, is dit niet ontstellend, dwaas en onmogelijk. Dan kan dezelfde kracht op een bepaald ogenblik een zuivere natuurkracht zijn – originerend, de moeder – maar gelijktijdig optreden als levenskracht – instandhouding en mogelijkheid tot scheppen, de echtgenote – terwijl deze zelfde kracht bovendien voor ons nog een product van het leven kan zijn. Leven wordt tot uiting, tot een openbaring van de potentiële mogelijkheden.

Als openbaring kan men van deze kracht dus spreken als de dochter van het leven. In alle vormen is deze kracht echter verbonden met het Wezen, dat alle dingen voortbrengt. Op deze wijze wordt de, vooral seksueel eigenaardig genoemde verhouding Isis-Osiris geheel duidelijk en begrijpelijk. Moeder, echtgenote, zuster en Osiris als kind van eigen echtgenote blijken alleen de verschillende verhoudingen tussen twee krachten weer te geven, maar daarom geen beschrijving van onnatuurlijke familieverhoudingen weer te geven.

Eigenaardig doet ook vaak de beschrijving van de onderwereld aan, die bij alle oude godsdiensten terugkeert. Wij treffen daarin Proserpina, Hecate en vele andere duistere godinnen en goden. Waar wij ook een godenwereld bezien, altijd weer is er een belangrijke en machtige god van onderwereld, duisternis en dood. Maar ‘dood’ is de lekeninterpretatie. In de leer is geen sprake van de dood. De onderwereld is niet een wereld van de dood, maar van levende schimmen. Onderwereld betekent in wezen: leven in afgeslotenheid van de werkelijkheid. Wanneer er een kracht is, die leven openbaart, zo moet er ook een kracht zijn, die het leven begrenst. Zo is a.h.w. de god van de onderwereld, vaak voorgesteld als een twee-eenheid – de god en zijn gemalin – niets anders dan de micro-kosmische openbaring, waaruit de macro- kosmische, de alomvattende openbaring voor de mens kan groeien.

Uit deze voorbeelden wordt reeds duidelijk, dat de goden van de oudheid niet zo maar natuurgodjes of de beschermgoden van een bepaalde plaats zijn, ook wanneer zij misschien eens als zodanig werden beschouwd. Achter hen verschuilt zich vooral in latere tijden een zeer vérgaand begrip van de kosmos en de kosmische werkingen. Ik meen, dat men in uw dagen juist dit verscheiden zijn van de goddelijke waarden en eigenschappen wel eens uit het oog verliest, men wil God zien als de éne kracht, maar vergeet daarbij, dat deze éne Kracht zich aan de mens ongetwijfeld in duizenden verschillend beleefde vormen doet kennen. Men wil ‘het goede’ zien als een bepaalde werking en kracht, waarbij men dan maar liever vergeet, dat wat vandaag ‘goed’ kan zijn, morgen tot kwaad is geworden, dat wat voor de één een heulsap is, voor de ander rustig toch een gif kan zijn.

Het streven naar eenheid en centralisatie, die zowel in de moraal als in het geloof van deze dagen zo sterk tot uiting komen, zijn daarom vaak schadelijk voor alle werkelijkheidsbegrip. Zij brengen de mens er niet meer toe te overwegen, hoe God en de krachten van God met elkaar in evenwicht te brengen zouden zijn. Het is in uw dagen haast onmogelijk je voor te stellen, hoe de Grote God gelijktijdig twintig of meer verschillende gedaanten aan kan nemen en zichzelf in deze gedaanten kan bestrijden, laat staan dat men zich realiseren of maar voor stellen kan, dat deze strijd dan nog een doel heeft.

De oude godenwereld echter kon dit alles tot uitdrukking brengen en zelfs voor de leken aanvaardbaar maken. Het spel, dat ons doet glimlachen, heeft zijn zin. Denk eens aan Jupiter, de majestueuze oppergod, die steeds weer zijn gemalin Juno tracht te bedriegen, afdalende van zijn hemeltroon om, vergezeld door zijn bode, onder de mensen te gaan en zich aan de menselijke waarden te verlustigen. Deze speelse verhalen zijn in wezen een weergave van de goddelijke krachten, die in alle dingen tot uiting kunnen komen: God schept niet alleen maar vanuit zijn hemel. Hij schept óp de wereld. De bode, die met Hem gaat, verzinnebeeldt de band die er bestaat tussen het hoog goddelijke, de godenwereld, en de wereld van de mensen.

Wanneer wij nog even verder doorgaan hierop, zo vertellen deze verhalen ons, hoe God zich voor een ogenblik binnen de mensen kan openbaren, maar zich altijd weer terug zal trekken naar zijn hoogten. Zelfs het waarom wordt beantwoord: daar immers heeft de heersende godheid zijn gade en zijn hofhouding. Want het leven van God en de werkelijk Goddelijke waarden liggen nu eenmaal grotendeels buiten de menselijke wereld en in ieder geval buiten het begripsvermogen van de mens. Een sterveling kan de werkelijke wereld van God niet betreden. Maar soms wordt die zelfde God kenbaar onder de mensen.

Ziet u, dat in deze schijnbaar zo lichtzinnige verhalen uit de mythologie, waarden liggen, die wij ook in de christelijke leer terug kunnen vinden? Maar in uw dagen wil de mens eenvoudigweg God niet zien in deze menselijke wereld, omdat God in deze wereld veel te lastig zou zijn. Een God, die in zijn hemel blijft, daar bestaande en levende volgens de regels, die de mensen voor hem stellen, is aanvaardbaar en bruikbaar. Zo een God houdt zich tenminste op een afstand en kan de menselijke plannen en waarderingen niet verstoren, maar een God, die opeens onder de mensen verschijnt, die opeens in de mensen tot openbaring komt, is maar een lastig geval. Wat moet men daarmee beginnen, vooral, wanneer die God dan de wereld weer verlaat, maar die het product van zijn leven onder de mensen achterlaat, zodat je niet alles op zijn schouders af kunt blijven schuiven. Dan moet je maar zien, wat je daarmede doet.

In de oudheid was deze opvatting heel eenvoudig: wat uit de goden is voortgekomen, blijft ook verder aan de goden behoren. Wanneer God door u iets tot stand brengt in deze menselijke wereld, dan blijft het God, die dit gedaan heeft – niet u. Het is dan ook Gods aansprakelijkheid, niet de uwe. Dat is de oude leer.

Tegenwoordig wil men zich echter ook verantwoordelijk voelen voor alle dingen, die God in en door de mensen tot stand brengt. Men wil niet erkennen, dat God vandaag zus en morgen zo kan zijn, beschouwd vanuit een menselijk standpunt. God moet volgens de hedendaagse opvatting één en dezelfde zijn en blijven, ook in de ogen van de mensen en volgens de regels van de mensen. Daarmee wordt God ofwel een wezen, dat onmetelijk ver van de wereld van de mensen afstaat, een schimmig en vaag wezen, of – wat nog erger is – een klein en beperkt potentaat, dat vooral de menselijke feilen spiegelt in de bekrompen dictatuur, die zijn wezen zou zijn.

De inwijdingen van de oudheid gaan steeds weer uit van het feit, dat men God moet beleven. Of wij nu gaan naar de inwijdingen van Dionysius, of ons richten op de inwijdingsgebruiken van de Kelten, steeds weer vinden wij de openbaring in de veelheid, die in de mens tot beleving wordt, terwijl de beleving in de mens wordt tot een begrip en het begrip zelf weer wordt tot een macht, die in de mens besloten blijft. Daarvan vindt men in deze tijd weinig terug. Nu stelt men: de veelheid brengen wij terug tot een eenheid, die eenheid doen wij beheersen, want een eenheid, die uit veelheid voortkwam, kan zichzelf niet beheersen of kennen. Beheers deze eenheid, door macht en emotie, waarheid en woord te scheiden.

Op deze wijze zal men nooit iets van geestelijke waarde tot stand kunnen brengen. Dat zult u wel begrijpen. De rationele mens van heden glimlacht wat, wanneer hij denkt aan Thor, die weg dondert over de wereld der mensen, of aan Heimdall die als een razende rond jaagt door de Germaanse landen. Voor hem zijn dit alles sprookjes, meer niet.

Maar zijn dergelijke verhalen werkelijk wel zo dwaas? Men hoort, dat de grote god bij mensen inkeert, die geen voedsel hebben om hem aan te bieden. Hierop slacht hij de bokken, die zijn wagen trekken. De beenderen echter worden zorgvuldig bewaard en in de huid geworpen. Zo dat de bokken de volgende dag verfrist en hernieuwd herrijzen. De achtergronden beseft men niet. Toch is er veel waars in dit verhaal. ‘Eten’ wij niet elke dag weer de tijd? Keert niet elke dag de zon, de nieuwe dag weer, met nieuwe voeding voor geest en stof?

De leer, die er in ligt, luidt: zoals de dag van heden ons door het leven moet dragen, zo zal ook de dag van morgen doen. Laat ons echter van de dag van heden alle ervaringen en mogelijk- heden proeven, laat ons alle vreugden van heden plukken, laat ons elke dag tot een feest maken. Dit zal ons nooit schaden, zolang de structuur van ons leven daardoor niet wordt aan- getast. Elke nacht blijft ons immers de huid, de wereld, waarin wij leven. Rustend werpen wij de ware structuur van ons wezen terug in de wereld en zie, de dag van morgen zal even goed, even vruchtbaar, even rijk aan ervaringen zijn, als de dag van gisteren.

Zolang je de mythologische verhalen alleen maar als verhalen blijft beschouwen, zijn zij dwaas. Neem bv. Baldur, die door Loki wordt getroffen, omdat hij een bondgenootschap aangaat met alle planten en dieren, opdat zij hem niet zullen schaden, maar daarbij een enkel klein boompje vergeet: de mistletoe. Een klein ding in het leven vergeten en zelfs een God wordt kwetsbaar. Men zal geneigd zijn te stellen, dat dit geen werkelijke God meer is. Maar Baldur is de zon. De mens, die in zich het goddelijke Licht draagt, is als hij: een lichtdrager.

Wanneer de mens op de wereld rond gaat, zal hij de eeuwige waarden van zijn wezen alleen kunnen uiten door een voortdurende harmonie te vinden met alle dingen. Maar dan mag hij ook niet een enkele waarde, een enkel ding daarbij vergeten, uitsluiten of afwijzen. Want daardoor wordt zelfs de verder volmaakt levende mens kwetsbaar en zal zo uiteindelijk naar de onderwereld moeten gaan, waaruit alle goden tezamen, hem niet blijvend kunnen verlossen.

O, ik weet evengoed, als u, dat de schijnbare basis van dit verhaal een natuurcyclus is. Ik weet ook, dat dit de uitleg is, die men u in uw dagen geeft van dergelijke godenverhalen. Maar wat is de achtergrond ervan? Dacht u nu werkelijk, dat de Druïden geloofden in de goden en hun spel, zoals u dit tegenwoordig in een schoolboekje opgelepeld wordt? Neen, de wereld van de oude goden was rijker, meer vervuld van wonderlijke wijsheid, dan men zich in uw dagen voor kan stellen. Wat meer is, in zijn eenvoudige beelden stond de oude godenwereld dichter bij de werkelijkheid van leven en schepping dan veel, wat men in uw dagen als hoogste wijsheid pleegt te verkondigen of u als het enig juiste geloof pleegt aan te bevelen.

De wereld van de oude goden is een wereld, die vervuld is met geweld. De goden strijden. Zelfs de Asen bereiden zich voortdurend voor op de fimbulwinter, waarin het signaal zal klinken, dat hen voor de laatste maal tegen de zonen van de duisternis op zal doen trekken. Als de horen klinkt in de fimbulwinter, zal er een strijd worden gestreden tussen goden en demonen, opdat zomer en licht op de aarde weer mogen keren. Hoezeer lijkt deze als heidens verworpen overlevering niet op de voorspellingen in het boek der openbaringen, waarin de slag van Armageddon, de laatste strijd tussen Gog en Magog wordt aangekondigd? Laat ons dan toegeven, dat de goden van de oudheid niet slechts afgoden zijn, maar een weergave van het geopenbaarde leven. Hun menselijke handelingen hun strijd, hun gelagen, lusten, zijn alleen een weergave van waarden uit Gods werkelijkheid. De grote werkelijkheid, waarin wij allen leven. Want u leeft, ondanks alle goedwillendheid, alle schone stellingen, niet in een wereld, waarin geen strijd en geweld heersen. Zelfs indien alle mensen het geweld zouden verwerpen, zou de strijd in de natuur nog voort gaan.

Bestaat er ergens een plaats, waarin werkelijk leven bestaat en toch geen gelagen mogelijk zijn, geen vreugden en dwaasheid bestaan? Naar ik meen, bestaan alle waarden, waarover men u in de verhalen over de oude goden vertelt, ook heden nog in uw wereld. Deze dingen zullen altijd weer bestaan, zolang er leven is. Want deze dingen zijn de kentekenen van een wereld, waarin het bewustzijn worstelt om zichzelf te winnen, een leven, waarin de mens zichzelf bestrijden moet, om zichzelf zo te kunnen leren kennen. Het is de wereld, waarin men uit een samengaan opeens moet losbreken, toornen kan tegen zichzelf en anderen, zoals ook de goden doen, om voor een ogenblik waarlijk jezelf en van jezelf bewust te kunnen zijn.

In deze dagen heerst bij vele mensen het denkbeeld, dat men vóór alles goed moet doen. In de oude godenverhalen staat het er anders voor: daar gaat het er niet in de eerste plaats om, om alles goed te doen, maar in de eerste plaats gaat het er steeds weer om, om tenminste iets te doen. En dat is een groot verschil. Wanneer een Nederlander in deze dagen zich voorneemt iets eens werkelijk goed te gaan doen, zo stelt hij een studiecommissie in, die 100 jaren lang het probleem bestudeert. Daarna komt een commissie, die de voorstellen van de studiecommissie op uitvoerbaarheid test en doet men een plan ontwerpen, dat na 150 jaren tot uitvoering komt, maar dan nutteloos, verouderd en overbodig geworden is. Overdreven is dit beeld natuurlijk wel maar toch niet zonder grond van waarheid.

De goden leggen u niet op steeds weer naar volmaaktheid te zoeken, maar leggen als eerste plicht hun volgelingen op: leef en leer te leven. Dit is realistisch en in overeenstemming met de grote werkelijkheid. Hoe kan het ook anders: elke god is immers een deel, een facet van de werkelijke Godheid, een deel van de kosmos, een kosmische kracht, die een deel van het zijnde regeert. Elke god is gerepresenteerd aan de hemelen door een dansende planeet of een lichtende ster. Elke godheid heeft zijn plaats tussen de mensen, in de onderwereld en in de hemel. Want hij is universeel: een eigenschap van de Kracht, die al het zijnde doordesemt en doorademt. Hoe meer je zoekt naar de betekenis en daarbij uitgaat van de moderne opvattingen en denkwijzen, hoe moeilijker het zal worden iets te begrijpen van het oude geloof, de oude gebruiken en inwijdingen.

Maar wanneer wij nu de zaken eens anders zouden stellen?

Dan stellen wij: de oppergod is altijd weer macht, levenskracht, zonder levenskracht kan niets bestaan. Dan is er verder het verstand, uitgedrukt door een god, die bode is tussen de wereld van de goden en de wereld van de mensen, want het verstand is hetgeen, dat het de mens mogelijk maakt in eigen wereld zijn God te leren kennen. De voorstelling van deze bode doet niet zoveel ter zake; het kan een gevleugelde Hermes zijn, of een Walkure, de engel Gabriël, of zelfs Asraël, de engel van de dood. De vorm is onbelangrijk, het feit blijft echter, dat de verbinding tussen mens en God gevormd wordt door ervaring plus besef; door het verstand dus, door het denken, dat de bewuste ervaring van het Goddelijke mogelijk maakt.

Mensen die verder denken zullen misschien vragen: waarom dan steeds weer schijnbaar gelijkwaardige goden en godinnen, waarvan sommigen zelfs twee aangezichten of gestalten hebben? Het antwoord is, omdat alles in de wereld nu eenmaal uit tegendelen bestaat, omdat alles een twee-eenheid vormen. Want of wij dit nu toe willen geven of niet, alleen in de twee-eenheid, de samenwerking van tegengestelde uitersten, ontstaat kenbaarheid.

Misschien vraagt men zich af, waarom steeds weer in de oude godenverhalen grote aandacht wordt geschonken aan goden en godinnen van vruchtbaarheid. Ook hier is het antwoord van een voor uw dagen misschien verbluffende eenvoud: omdat er zonder vruchtbaarheid op uw wereld geen leven zou kunnen voortbestaan. Omdat de openbarende krachten Gods zich zeker en voor alles openbaren in de vruchtbaarheid.

Waarom altijd weer een oorlogsgod, of hij nu Mars, Ares heet of een andere naam heeft? Omdat, mijn vrienden, strijd een noodzaak is. Slechts daar waar strijd is, zal een vernieuwing, een verandering mogelijk zijn. Slechts uit veranderingen en strijd kan een ontwikkeling voortvloeien. Misschien zult u zich ook afvragen, waarom de goden van de oudheid hun rol steeds weer zo menselijk partijdig spelen. Denk maar eens aan de keuze van de schoonste, aan wie Paris de gouden appel moest geven. Zijn keuze beledigt de goden, die hem achtervolgen; evenals Helena, die hij koos. Toch deed hij eerlijk zijn best. Volgens ons is hier de wraak van de goden een directe onrechtvaardigheid. Maar het gaat er niet om, dat de mens kiest tussen de Krachten Gods volgens menselijk bewustzijn alleen. De erkenning van het eeuwige is belangrijker dan de erkenning van de tijdgebonden uiterlijkheden. De mens, die het eeuwige niet erkent, maar alleen de schijnschoonheid van het tijdelijke najaagt, zal altijd weer moeten ontdekken, dat de wraak van de goden en godinnen, dat goddelijke wetten, hem vervolgen, al koos hij volgens eigen inzicht nog zo juist. Dat is en blijft waar, ook in uw dagen.

Er is nog een eigenaardigheid, die alle godenwerelden gelijkelijk eigen schijnt te zijn. Of wij nu zien naar Indië, naar Griekenland en Rome, de Germanen of de Inca’s, de Indianen, overal vinden wij verhalen over halfgoden. De halfgod speelt in elke mythologie een rol. Men vraagt zich af, wat deze dan wel representeert. Wel, de halfgod is in wezen een mens, die begrip heeft gekregen voor de waarheid van de goden. Hij handelt niet meer uit menselijke overwegingen of krachten alleen. Of hij nu Hercules heet, of een ander naam heeft, of hij geboren werd uit de samenkomst van mens en godheid of uit mensen alleen geboren werd, maakt geen verschil uit. Of het kracht, slimheid, of wijsheid is, waardoor de rang van halfgod bereikt werd, is eveneens zonder belang.

Want elke mens draagt in zich de mogelijkheid, de waarheid van God en zijn schepping te beseffen. Elke mens kan uit de veelheid van de goddelijke openbaringen de structuur van het leven kennen. Wie het leven in zijn werkelijke betekenis heeft erkend is aan de goden gelijk geworden; hij betreedt Olympus, hem staan de hemelwerelden open. Voor hem geen noodzaak tot een aarzelend gaan over de brug van het oordeel, of een moeizame tocht langs ongekende paden en krochten naar een wereld van Licht. Voor hem is er het eigen wezen, dat, juist erkend, een deel van de Goddelijke schepping is geworden, een directe uiting van de Schepper zelf, een directe openbaring van de Allerhoogste, een facet van de Oneindige zelf. De halfgod is in feite een ingewijde, voor wie de regel kent, voor wie de krachten van het leven in waarheid kent, die onaantastbaar is geworden voor alle krachten en waarden, die niet onmiddellijk uit de openbaring Gods in eigen wezen voortvloeien.

Dit alles klinkt u waarschijnlijk verouderd en vreemd in de oren. Maar zou het werkelijk zo vreemd zijn, wanneer men in deze dagen eens zou proberen te beseffen, hoe een goddelijk evenwicht tussen vele tegengestelde krachten alle leven, ook het leven op uw wereld, vormt? Zou het werkelijk zo ouderwets en vreemd, zijn, wanneer men eens zou gaan begrijpen, dat het goede geen zin heeft zonder het kwade en omgekeerd? Het zou volgens mij niemand schaden, wanneer men eindelijk eens zou gaan beseffen, dat het niet gaat om volmaaktheid, maar om het leven, zolang men op aarde is.

Ja, eindelijk zou men toch moeten beseffen, dat het niet gaat om het veroveren van een eeuwigheid op aarde, maar in de eerste plaats om het ene ogenblik, dat men zich één kan voelen met het goddelijke, dat men één ogenblik in je bestaan voertuig van de Hoogste Krachten mag zijn en scheppen. Volgens mij zou een dergelijk begrip voor een juist leven in uw dagen heel wat belangrijker zijn dan alle vrome gebeden, alle theorieën en alle theologische betogen.

Vandaag leven, vandaag werken en handelen is belangrijker voor het welzijn van de mensheid dan alle ideale structuren die men heeft uitgedacht. Nu doen, wat gedaan moet worden, is voor de mensheid van groter belang dan alle plannen voor 3, 7, 10 of zelfs 50 jaren ver. Want men kan als mens plannen maken, maar zal nimmer weten of zij waarlijk tot uitvoering komen. Belangrijk is slechts het ene ogenblik, dat de Goddelijke krachten in en door de mens werken. Alleen dan zal de scheppende werking waarlijk bestaan, alleen dan zal waarlijk het gestelde tot volmaakte uitvoering kunnen komen.

Deze waarheid treffen wij in vele vormen steeds weer aan in de oude verhalen over de wereld en het leven van de goden. Telkens weer, wanneer een god ingaat tot de mensen, laat hij in de wereld iets achter, wanneer hij heengaat, meestal een kind. Zoals de menselijke gedachte de vorm kan geven aan de in de mens levende goddelijke kracht en zo iets tot stand kan brengen dat meer dan menselijk, dat half goddelijk is. De mens kan niets scheppen, dat in zichzelf blijvend of goddelijk is. Wel kan hij in samenwerking met het goddelijke tot stand brengen wat in zich goddelijke krachten en eigenschappen draagt en daardoor onvergankelijk is. Niet de schepper in de wereld van de mensen, maar hetgeen hij door de Goddelijke inwerking kan scheppen, is onsterfelijk. Niet hijzelf, maar wat hij voortbrengt, is blijvend deel van de godenwereld, zelfs wanneer het onder de mensen leeft en werkt.

Misschien klinkt ook dit vreemd. Toch geloof ik, dat, zo er in deze dagen mensen zijn, die de goddelijke krachten, die door hen willen werken, waarlijk kunnen verstaan, mensen die, al is het voor een enkel ogenblik, deze kracht willen aanvaarden en beleven, zich daaraan geheel gevend, iets kunnen tot stand brengen voor eigen wereld, voor astrale werelden, of zelfs voor alle werelden, dat blijvend is en de goddelijke waarheid doet voort klinken door het geheel van de schepping en alle tijden. Eén enkel ogenblik, dat de mens waarlijk met God geleefd en gewerkt heeft, zal belangrijker zijn voor de mens zelf en de schepping, dan al het goede, dat hij vanuit eigen standpunt nastreeft en al het goede, dat hij volgens eigen inzichten tot stand brengt.

Want het ogenblik, dat de mens zich één weet met zijn God, is het ene ogenblik, waarin hij iets kan scheppen, dat blijvend en onveranderlijk waar is. Door God wordt de ware vorm geopenbaard. Zelf is de mens, de geest, in feite amorf, zich voegend naar alle omstandigheden. De ouden stelden: de mens wordt door de goden gekneed in de trog van het leven, het lot van de mensen wordt geweven door de normen, die zitten op de kruisweg van de werelden. Een leven, dat niet meer aan de eisen beantwoordt, een leven, dat geen vruchten draagt, wordt afgebroken en later eventueel weer opgezet in het weefsel, zoals Ibsen zegt: omgesmolten, opdat er iets beters uit gemaakt kan worden, iets als reïncarnatie dus. Maar iets, dat eenmaal zijn waarde binnen het geheel heeft bewezen, is deel geworden van de caleidoscoop van de goddelijke krachten. Deze is deel geworden van de oneindigheid en zal daarin voortaan zijn rol vervullen als uiting van het goddelijke op bewuste wijze.

In het verre verleden bestaat het pantheon niet uit goden, die onsterfelijk en verwijderd van de mensheid tot leven kwamen, maar uit mensen, die zich de onsterfelijkheid verworven hebben. Op vele plaatsen treffen wij overleveringen aan, waarbij mensen worden opgenomen aan de hemel en daar nu als sterren zichtbaar zijn. Daaronder treffen wij mensen die wijs waren, mensen die waarlijk liefhadden. Planten en dieren zijn vaak ook een voortzetting van een beperkter leven. Een struik of bloem is een nimf, die zeer lief had, een vogel is de vorm van een mens, die misschien vluchtte voor het geweld van het leven, maar daarvoor een onsterfelijkheid terug kreeg. De mens wordt tot een eeuwig wezen. Aan het begin van alle pantheons staat dan ook niet God, maar de mens. Het is de mens, die uiting geeft aan de vele eigenschappen van de grote, onbekende God, op een wijze die voor de mensen begrijpelijk en kenbaar is. Het is de menselijke beperktheid, het menselijke leven, waaruit later beelden van de onbeperkte wereld van de goden zal ontstaan!

Misschien meent men nu, dat het dan voor de mensheid wel goed zou zijn om terug te keren naar de oude godenwerelden. Maar ik geloof niet, dat dit veel zin zou hebben. Kunt u nog op de knieën vallen en eerlijk en met volle overgave bidden tot de een of andere god of godin als Diana, Freya, Thor of anderen? Zou u nog eerlijk en overtuigd kunnen trachten Dionysius of Pan uit te spelen tegen grotere en machtiger goden? Bent u nog in staat in vol vertrouwen een god aan te roepen, opdat deze u van de vervolging door andere goden zal vrijwaren?

Het valt de moderne mens al moeilijk genoeg om in eerlijke nederigheid en vol vertrouwen zich de buigen voor de grote, alomvattende God. Daarom mogen wij wel stellen, dat de oude godenwereld gedeeltelijk is gestorven. De oude namen hebben voor de mensen van heden hun betekenis verloren, de gedachten die eens in de mens leefden, wanneer hij in zichzelf met zijn god sprak, zijn vervangen door bijgeloof en een soort spelletjes met krachten, waarvan men innerlijk niet eens gelooft dat zij geheel werkelijk zijn.

Maar de wezenlijke waarden van de oude godenwereld kunnen wij op een andere wijze toch ook in deze tijd wel doen herleven. Daarom zal ik trachten u de wereld van de goden, in dit laatste deel van mijn betoog enigszins anders voor te stellen, meer in overeenstemming met uw tijd en denken.

Stel u eens voor, dat God niet alleen maar de eenheid is, die voor ons onbegrijpelijk is, maar daarnaast een grote reeks van krachten en eigenschappen vertegenwoordigt, die wij elk voor zich wel kunnen bevatten en begrijpen. Eigenschappen en krachten overigens, die soms lijn- recht tegenover elkaar schijnen te staan, als legers voor de slag. Krachten, die niet alleen maar een eeuwige rechtvaardigheid inhouden, maar die door hun verschijningsvormen soms de ene mens schijnen te helpen, om de andere mens te bedreigen en andere verschijnselen en krachten uit te schakelen, die toch ook uit God zijn.

Stel u verder voor, dat elk van deze krachten kan worden uitgedrukt in een wet. Dan is elke wet en elke regel, ongeacht hetgeen daarin tot uiting komt, dus een uitdrukking van een bepaald facet van God. Zo men u zegt: “heb uw naasten lief”, zo zult u de bedoeling misschien kunnen begrijpen. Maar de praktijk blijft moeilijk. Wanneer men echter stelt: “door je naaste te helpen, verrijk je jezelf met verdiensten”, klinkt dit de mens al veel aangenamer in de oren en zal hij, zij het uit zelfzuchtige beweegredenen, sneller zijn naasten gaan helpen.

Het verschil is niet zo groot: wat begint als een zelfzuchtige poging zich meer verdiensten te verwerven dan anderen, wordt al snel een manier van leven. Daarmee is het doel bereikt. Want je moet leven volgens de goddelijke wetten, volgens de Eeuwige Waarheid. Je hoeft niet te stellen, dat je alles alleen maar ter liefde Gods doet.

Men komt even ver wanneer men zeggen kan: ik ken een kracht en met die kracht werk ik. Hoe men deze kracht noemt, Licht of anders, is van weinig belang. Wilt u er een naam aan geven, dan moet u natuurlijk die naam ook kennen, weten wat zij betekent. Het heeft geen zin, een naam uit te spreken – hoe groot en machtig deze ook moge zijn – wanneer in uw wezen geen begrip voor de waarden van deze naam aanwezig is. Bovendien, de naam, die u uit wilt spreken en uit kunt spreken, is nooit een weergave van het wezen Gods. Zoals het Licht, dat men erkent en beleeft, nooit het geheel van de Goddelijke waarden, van het Goddelijke Licht zal vertegenwoordigen, maar er alleen maar een – vaak beperkt – deel van zal kunnen zijn. Dit erkende deel van het goddelijke zouden wij moeten leren gebruiken om te intrigeren tegen de rest van de goddelijke krachten, die wij niet kennen.

Fraai klinkt dit natuurlijk niet. Intrigeren met de kracht van God tegen een ander deel van God? Dat is onmogelijk, zullen de vromen onmiddellijk uitroepen. De feiten van het leven spreken echter anders. Je kunt soms met bedrog, dat op zich verwerpelijk is, iets goeds tot stand brengen. Je kunt, omgekeerd, zelfs met de hoogste en meest edele waarden onheil stichten. De mens kan soms, door schijnbaar te zondigen, Licht scheppen. Je kunt soms door de duisternis tijdelijk te doen heersen er voor zorgen, dat er Licht is, wanneer Licht werkelijk noodzakelijk is.

Dit nu vergeten de mensen, toch hoort men dit in de gelijkenissen over de wijze en de dwaze maagden. De dwaze maagden lieten hun lampen branden, zij gebruikten de in hen gelegen waarden van licht, tot zij geen olie meer in de lampen, geen kracht tot het gebruiken van de lichtkrachten, meer bezaten. Toen het erop aan kwam, hadden zij dan ook niet meer de beschikking over het noodzakelijke licht. De wijze maagden daarentegen doofden hun lampen. Zij lieten het licht het licht. Het was hen voldoende te weten, dat zij het licht bezaten, maar beseften, dat het belangrijk is het licht alleen te gebruiken, wanneer het leven dit eist, wanneer het werkelijk noodzakelijk is.

Zo is er de gelijkenis van de ontrouwe rentmeester, die zich vrienden maakte uit de mammon. Die deed toch maar vreemde dingen, nietwaar? Toen zijn meester hem betrapte op misbruik van zijn gelden, had hij snel dit misbruik vergroot door tegen allen, die zijn meester iets schuldig waren te zeggen: schrijf niet zoveel, maar zoveel. Een goed heertje uit vroeger tijden. Maar Jezus vindt hem zo dwaas of slecht nog niet. Hij looft hem zelfs, omdat hij zich vrienden weet te maken uit de mammon van zijn meester.

Dit is een verhaal van oplichting en bedrog, doch zegt Jezus, dat deze mens goed heeft gehandeld. Waarom? Omdat men nu eenmaal God nooit waarlijk kan dienen, door zich een reeks menselijke regels aan te schaffen en zich daaraan te houden.

Men kan stellen: elke mens heeft kracht, elke mens heeft talenten van God gekregen. Elke mens heeft een bepaalde wet, die hem in het bijzonder beheerst. Het is immers een feit, dat uw leven steeds weer geregeerd wordt door reeksen van gebeurtenissen, die anderen niet treffen, dat er in uw leven steeds weer gevolgen en mislukkingen zijn, die anderen onder verder gelijke omstandigheden niet kennen? Blijkt daaruit alleen reeds niet, dat er voor uw leven klaarblijkelijk andere regels en wetten gelden dan voor de anderen? U kunt niet alles bereiken of doen wat anderen doen. Anderen kunnen niet alles bereiken of doen, wat u doet. Elke mens heeft een eigen wet.

Dit is niet alleen maar een zaak van geboorte uur, horoscoop of karakter. Het is werkelijk een wet, een regel, die een mens gedurende geheel zijn leven blijft beheersen. Wanneer de mens deze wet erkent, deze regel voortdurend volgt, zal hij daarbij ongetwijfeld tegen vele regels en wetten zondigen, die in de ogen van anderen heiliger en in wezen evenzeer uit het goddelijke ontstaan zijn. Maar dé regel, die het leven van de mens beheerst, is Gods werken in hem, is deel van het menselijke wezen door de wil van de Schepper. Zo kan de wet voor de een luiden: “Dien alle mensen” terwijl zij voor een ander luidt: “Beheers alle mensen”. Voor de een zal de wet zijn: “Geef al, wat gij bezit”, terwijl voor anderen zal gelden: “Vergaar alle rijkdommen, opdat gij, wanneer anderen arm zijn en van u afhankelijk, zij uit uw overvloed zullen kunnen leven.” Uiterlijk zijn deze regels tegengesteld, in wezen zijn zij natuurlijk allen een weergave van dezelfde kracht. In deze dagen zal de mens er goed aan doen zich te realiseren, wat de wet voor hem is, wat de regel, de kracht is, die zijn leven beheerst. Vroeger zou men gezegd hebben: wij moeten weten, welke god onze bijzondere beschermer is. In feite is dit hetzelfde.

Wat is dus de kracht en de wet, die uw leven beheersen in deze dagen? Want dat is de weg, die u in het leven zult moeten volgen. Dit is het middel dat u bezit, om iets te kunnen bereiken in het leven. Dit betekent, dat daardoor voor u bepaalde dingen noodzakelijk en aanvaardbaar zullen zijn, ook wanneer volgens geheel de wereld dit niet aanvaardbaar zal zijn. Want het is deel van uw wet, deel van de kracht, die uw leven beheerst en daardoor voor u het enig juiste. Leer in deze dagen uit de Al kracht te ontvangen, wat past bij uw wezen en probeer niet de totale God te beleven en te erkennen, die zich in deze periode van bestaan toch niet aan u kan openbaren. Hem kunt u niet bevatten en aanvaarden, voor u geestelijk veel bewuster geworden bent. Zo Hij zich aan u in de volheid van zijn wezen zou openbaren zou men u waarschijnlijk moeten begraven, of naar een gekkenhuis moeten brengen. Vraag daarom, streef daarom naar de openbaring van die ene vonk van het Goddelijke, die u wel kunt aanvaarden en verdragen, die ene vonk, die bij u past. Erken de regel, de wet, die uw eigen leven beheerst en probeer niet deze dan weer aan te passen aan wat anderen zijn, zeggen, of doen. Volsta met de erkenning: dit is mijn wet, dit is mijn leven.

Wanneer je dit gezegd hebt, kan men, zoals eens de heros in de oudheid een beroep deed op zijn beschermgod of godin, een beroep doen op de kracht, die binnen het Ik leeft, dan kan men alle krachten, die rond het Ik bestaan, opeens het karakter en de kracht geven, die past bij eigen wet en leven. Dan kan men zijn leven tot succes maken, geestelijk zowel als stoffelijk. Dan is men geen mens meer van ondergang en verval, maar een steeds bewuster levend wezen, dat schept en volbrengt.

Hiermede heb ik het meeste wel gezegd. Misschien vraagt u zich af, wat voor wetten er alzo zouden kunnen zijn. Er zijn, zoals u wel begrijpen zult, vele dergelijke regels en wetten. Maar een van de meest recente en belangrijke, die in deze tijd voor zeer vele mensen van kracht is, luidt als volgt:

“Wees vrij, maar dien in vrijheid allen volgens uw beste weten, zonder hun vrijheid daarom te beperken door uw streven.”

Voor anderen luidt de regel echter in deze tijd:

“Erken, dat gij gebonden zijt, acht uw banden heilig, doch bindt niemand.”

Er is een regel van kracht voor sommigen, die stelt:

“Richt u tot het hogere, opdat u zich zult mogen openbaren in het lagere.”

Toch is er ook een wet die stelt:

“Beleef de harmonie van het lagere, opdat de krachten van het hogere in u geopenbaard mogen worden.”

Dit zijn maar een paar voorbeelden. Ieder van u heeft zijn eigen wet. De door mij geciteerde en meest voorkomende wetten of regels gelden dus zeker niet voor iedereen. Dit betekent dus, dat een ieder zijn eigen regels en wetten dient te vinden en zo zijn eigen God – of beter: God op eigen wijze – moet leren dienen. Het betekent tevens, dat men zich zal moeten realiseren, dat men daarbij steeds weer in strijd zal zijn met de regels en wetten van anderen, met andere goden of delen van God. Belangrijk is ook, dat men beseft, dat deze strijd bepaald wordt door het wezen van de Schepper, niet door de mens zelf. Vergeet nooit, dat alle tegenstellingen – en dus alle strijd die daaruit voortkomt – deel is van Gods wezen. Besef ook, dat het niet onze taak is de strijd te zoeken, doch wel om de kracht te zoeken waardoor wij de strijd, die ons wordt opgelegd, kunnen volbrengen.

Vragen

  • Hoe kan men nu te weten komen, welke wet speciaal voor jou bestemd is?

Eenvoudig aan de hand van ervaringen. Vraag u eens af, waar u in het leven slaagt, waar u in het leven faalt. U zult ontdekken, dat u bepaalde dingen met de beste bedoelingen en inspanning van alle krachten niet bereiken kunt, terwijl u in andere gevallen haast zonder moeite schijnt te slagen. Vraag u af, welke instelling van uw persoon de beste resultaten geeft en vraag u eens af, hoe deze wel zou kunnen passen in het beeld van God, waarin u gelooft. Niet alleen weet u dan, wat God voor u is – wat úw God is  – maar u zult ook erkennen, dat er een bepaalde regel schijnt te bestaan in uw leven.

Deze wetmatigheid kunt u, nu zij eenmaal erkend is, voor uzelf formuleren. Zo ontdek je, wat je eigen functie in het leven is, niet wat je wil zijn of bereiken, maar wat je bent of bereiken kunt. Wanneer je ontdekt, dat je met bepaalde krachten alles kunt bereiken, met anderen daarentegen niets, zo is ook dit weer een aanwijzing. U kunt dan zeggen: wanneer ik werk met of mij beroep op een bepaalde kracht in mijn leven, dan lukt mij alles. Wat is deze kracht? Probeer te beseffen, welke kracht u helpt te slagen, onder welke omstandigheden u daarop een beroep doet enz.

Wanneer je dit alles hebt bezien, weet je ongeveer, wat de wet is, die voor u in uw leven geldt en belangrijk is. Zoals men door na te gaan, wat en wanneer alles mislukt in het leven, men beseffen kan, wat in eigen leven, hoe goed of begeerlijk het ook moge schijnen, zeker niet past. Tel hierbij niet het oordeel van anderen, maar alleen uw eigen gevoelens. Zeer eenvoudig gezegd: wanneer u erkent, wat u vreugde en succes bij uw streven brengt, heeft u alles wat harmonisch met uw eigen wezen en wet is, aangeduid. Alles wat in strijd blijkt te zijn met uw wezen en u geen succes of vreugde brengt, is strijdig met uw wezen, is niet harmonisch. Wanneer men zo ontdekt heeft, wat de voor het Ik geldende regel en kracht is, zal men tevens leren, dat deze niet alleen een vreugde en succes brengt, maar tevens op de duur een voor eigen wezen passende inwijding en bewustwording.

Filosoferen over God

Ik heb een kort ogenblik tijd voor onze gast van heden komt. Ik zou deze tijd willen gebruiken om wat te filosoferen over God. Er zijn wel mensen, die daartegen bezwaren hebben. Zij zijn bang voor het begrip God. Zij vinden een onderwerp als dit te ‘vroom’. Maar ik kan niet begrijpen, hoe men iets, dat met God in verband staat, vroom, kan noemen.

God is een naam. Een wonderlijke naam, waarvan wij eigenlijk niet eens precies weten, wat hij inhoudt. Achter het woord verschuilt zich een oneindigheid, die wij ook al niet kunnen begrijpen. Toch kunnen wij die oneindigheid voor onszelf wel verdelen in verschillende punten. Wanneer ik bv. denk aan God, dan denk ik in de eerste plaats aan het cijfer één.

  1. Eén is de Al kracht: De eeuwige en onveranderlijke, die alles omvat en alleen bestaat uit en krachtens zichzelve.

Met al die mooie woorden heb ik dan alleen maar gezegd, dat God voor mij het onbekende is, maar tevens het enige, waarop ik altijd terug zal kunnen vallen. Maar dan denk ik vooral aan God in zijn openbaring.

  1. Twee is God: Want Hij is Licht en duister, goed en kwaad, Hij is alle dingen. Hij is de omlijning en begrenzing van je leven, van je bestaan, van je ziel, van je geest, van je stof. Er is niets zonder Hem en alles is bepaald binnen de grenzen, die door zijn wezen bepaald zijn.
  1. Drie is God voor mij: Want zo Hij ons de grenzen van het leven gesteld heeft, zo heeft Hij ons ook zijn Wezen gegeven: God leeft in onze wereld. Hij is niet alleen de grens ervan, maar Zijn kracht spreekt uit alle dingen en door alle tijden tot ons. Hij is God, die ook in ons leeft, die ook voor ons bestaat en ons wezen beroert. Hij is de Lichtende Vonk, die ook door ons wezen tot uiting komt.
  1. Vier is God voor ons: Hij is het wezen der vier hemelstreken, waarbinnen ons leven bepaald is. Hij is de 4 van de begrenzing des levens, de 4 sferen van het leven die ons kenbare vormen. Hij is de 4, waarin alles wordt omschreven.
  1. Maar Hij is ook de 5: De vijf punten van leven, zijnde de hoge wereld, de bewustzijnswereld met haar twee grenzen van Licht en duister en de twee bronnen van leven, waaruit alles is voortgekomen: de chaos van de materie en het bewustzijn van de geest. Uit dit alles openbaart Hij ons zijn geheel, dat wij bv. in de voor mensen vatbare wijze kunnen uitdrukken met de vijfpuntige ster.
  1. Maar Hij is ook de 6: Want Hij is zichzelf en tevens zijn eigen tegenstrever. Hij is de bewegende kracht van het dier en de bron van het instinct. Hij is ook het bewustzijn, dat zoekt naar ontwaken. Hij is de grens van alle werelden, maar tevens het begin en het einde daar van. Zo is Hij de oneindigheid, die uitmunt in de eenheid van Zijn Wezen.
  1. En Hij is de 7: De zeven sferen heeft hij gebouwd, waarin ook de mens kan binnen gaan. 7 Treden van bewustwording heeft Hij geschapen, die ook de mens op aarde betreden kan. 7 hemelen heeft hij geschapen en de 7 hoofdkrachten, die de invloeden van de hemelen regeren. 7 is het aantal van hen, die de stralen van Zijn Licht naar de wereld dirigeren. En in alles is Hij. Daarom is Hij voor mij ook de zeven.
  1. Ook is God voor mij de 8: Want ziet: God is de oneindigheid, spiegelende in zichzelf. Hij is macrokosmos en microkosmos. Hij is de levende, die treedt voor Zichzelf. Hij is het Offer, dat zichzelf offert aan zichzelve. Hij is het bewustzijn, dat spreekt tot zichzelf en zichzelf erkent in eigen gedachten.
  1. En hij is de 9: Eén in zijn oneindigheid met Zichzelf openbaart hij zich voortdurend naar al, wat in Hem bestaat en beneden Hem ligt. Maar door al wat beneden hem ligt, openbaart hij zichzelve voortdurend opnieuw aan zichzelf.
  1. Hij is de 10: Want Hij is de voleinding van Zijn gedachte, bepaald door de eenheid van Zijn Wezen.
  1. Maar hij is ook de 11: Want Hij is de ene, die Is en zichzelf erkent in Zijn schepping. Zo is Hij, gespiegeld in Zichzelf, zich van Zichzelf bewust. En wie zal zeggen, welk het evenbeeld is?
  1. Ook de 12 is hij: Want zie: Eén is Hij in zijn Kracht en twee in de openbaring ervan, terwijl het geheel van zijn wezen steeds weer zal worden teruggeleid tot Zijn eigen wezen en erkennen.

Misschien vindt u het buitengewoon filosofisch of mystiek, om al deze getallen te noemen. Maar God leeft voor mij in alle dingen. Waarom zou ik Hem dan niet erkennen en omschrijven in de getallen, waaraan zo menigeen een andere duiding geeft? Wanneer je God zoekt in jezelf, dan kun je Hem zoeken op elke wijze, want God is in alle dingen. Zo is er niets voor mij – en niets voor u – waarin wij God niet kunnen vinden.

Maar als wij God vinden, moeten wij Hem ook openbaren. Want zo God in ons is en Hij de Ene is, die zich in ons uit, zo moeten wij de eenheid en de tegenstellingen van zijn wezen tot uiting brengen in onze wereld. Wij moeten de openbaring zijn van de God die in ons leeft. Zo is Hij in ons de 1 en de 2. Maar wij moeten ook één met de 3 zijn: De openbaring van Gods wezen door ons ‘zijn’ alleen, is niet voldoende. Wij moeten erkennen, hoe wij leven in God en in deze erkenning Gods wezen a.h.w. doen weerspiegelen in ons eigen Ik.

Ik gaf de getallen voor God. Maar ook wij zijn de getallen. Zo zijn ook wij de 4: Zoals wij de tegenstellingen kennen van de stoffelijke wereld, zo leren wij de tegenstellingen kennen in de wereld van de geest. Eerst wanneer in ons wereld en geest tot eenheid zijn geworden, wanneer in ons sferen en wereld in volmaakte harmonie samengaan, zullen wij onszelf daaruit kunnen ontplooien tot de 5 van de bewuste mens…..

Helaas, ik moet hier onderbreken en mijn onderwerp gaan beëindigen, ofschoon ik nog lange tijd voort had kunnen gaan; onze gast wordt aangemeld. Toch geloof ik met al dat spreken over God een enkel punt niet genoemd te hebben, dat toch wel zeer belangrijk is: God is alle dingen. Maar Hij zal voor ons datgene zijn, wat wij van Hem maken. Want Hij openbaart in de schepping wel Zijn volheid, maar wij erkennen van dit geheel slechts datgene, wat wij innerlijk kunnen aanvaarden en verwerken.

Zo is het voor ons een zaak in onszelf voortdurend het ogenblik van verstilling te beleven, het ogenblik van Lichtend erkennen, waarin wij weten, dat de Hoge Geest ook in ons bestaat en is. Dit is zó belangrijk, omdat wij alleen daaruit onze God kunnen leren kennen, zoals Hij voor ons bestaat en de krachten kunnen vinden, om Zijn wezen in de wereld kenbaar te maken.

Daarbij mogen wij geen enkele weg mijden. Wij mogen niet zelf bepalen wat onze God zal zijn. Wij moeten God in ons erkennen zonder Hem te binden aan andere begrenzingen van die van ons bereikt bewustzijn en zullen zijn Kracht zonder enige beperking of voorbehoud tot uiting moeten brengen.

Wij moeten trachten steeds alles te zijn, wat Hij in ons heeft gelegd. Want ik geloof dat wij, sprekende over God als mens of niet volbewuste geest, sprekende over dit onbekende, dat voortdurend rond ons is, maar al te veel vergeten, dat wij zelf deel zijn van die God.

Zoals wij steeds weer vergeten, dat wij binnen onszelf delen van het onkenbare kenbaar moeten maken, zoals wij steeds weer vergeten dat er geen al te groot verschil bestaat, tussen God, zoals wij Hem innerlijk erkennen en het ware Ik, dat wij zijn en binnen de schepping.

Wij zijn geneigd God te doen bepalen door de wereld, waarin wij leven. Maar Hij is meer dan dat. Voorlopig is Hij echter voor ons kenbaar in de gedaante van het volmaakte, afgeronde en harmonische ego, waarvan onze huidige vorm slechts een uiting is, het volmaakte ego, dat zijn juiste plaats heeft gevonden in de schepping.

Zo denkende is het voor ons allen mogelijk de onbekende God zo te leren kennen, dat, voor ons Zijn macht, Zijn Licht, Zijn wereld, werkelijk worden zonder beperkingen van tijd of ruimte, zonder zelfs de beperkingen van een menselijk zijn of een bestaan in slechts één enkele sfeer.

Onze gast is nu reeds dicht genaderd tot ons. Het wordt dan ook tijd dat ik ga eindigen. Ook wat hij brengen zal, is voor mij een van de vele uitingen van de Goddelijke Kracht binnen de schepping. U mag er dan ook van overtuigd zijn, dat zijn woorden uw volle aandacht waardig zijn. Geef hem dezelfde aandacht, die u mijn woorden waardig achtte. U mag er van overtuigd zijn dat ik met u luister naar de woorden, die onze broeder van de grote Broederschap gaat spreken.

Gastspreker: Krachten die werkzaam zijn in de nieuwe tijd

In het leven van deze tijd zijn krachten werkzaam, die, uit het hoogste geboren, vorm moeten geven aan een nieuwe tijd. Deze krachten zullen in de komende dagen de bodem van de zee beroeren. In de wateren begint het spel van verandering en vernieuwing. De kust zal aan de zee herkennen, hoezeer haar wegen veranderen.

Toch is dit maar een bijkomstig verschijnsel. Gij, die prikkelbaar zijt, lusteloos en opeens toornig, gij ondergaat hetzelfde, wat uw wereld ondergaat. Gij, die zoekt naar een nieuwe waarheid en haar niet vinden kunt, in onbesloten twijfel geneigd neer te zitten bij het oude, dat gij als niet juist erkend hebt, ook gij ondergaat diezelfde invloed, die uw wereld beroert.

Hoog in de luchten drijven wolken aan, haast onzichtbaar, gestuwd door de hoge en snelle winden. Vanuit deze wolken beroert het zaad van de verandering de aarde telkens weer. Ziet, planten en dieren zullen antwoorden hierop. Zij zullen hun gestalte veranderen. Want dit begint in deze dagen. Ook gij zult veranderen: niet uw vorm, maar uw wezen.

Zo gij uw wezen veranderen wilt in overeenstemming met dat, wat gaat komen, zodat gij tot de wereld zult kunnen zeggen “vriend” en niet “gehate vijand”, zo zult gij in uzelf keren en luisteren naar de stem die in u spreekt. Zeg niet tot deze stem: spreek mij duidelijker en geef mij een bewijs, doch zeg: spreek tot mij zonder ophouden, opdat ik eens erkennen mag, wat gij zijt.

Uit deze kracht, die in u spreekt, wordt voor u de taak geboren. De taak die u gegeven wordt is in deze wereld voortdurend een andere: wat gisteren nog was, is heden reeds verbleekt en wordt morgen aan de vergetelheid prijs gegeven. Erken dit. Leef elke dag uit de kracht van die dag, volbreng uit de krachten die de dag u geeft de taak, die in de dag is gelegen. Streef niet naar morgen en zie niet om naar gisteren, opdat uw hart niet versteend.

Wanneer gij uw taak volbrengt, vraag niet naar loon. Want zie: het loon zal u in deze dagen vaak onthouden worden. Toch zult gij uw loon verwerven, niet op de ogenblikken, dat gij meent uw verdienste als recht en loon op te mogen eisen, maar op ogenblikken dat dit loon voor uw welzijn goed en noodzakelijk is. Het loon zal u ter rechter tijd gegeven worden om uw leven te verrijken, u nieuw vertrouwen te geven en uw wezen te sterken met nieuwe krachten en moed.

Roep in deze dagen niet tot de geest, zeggende: “spreek en help ons”, maar zeg tot haar: “met u wil ik gaan uit de kracht, die in mij leeft”. Want slechts wie in deze dagen gehoorzaamt aan de kracht, die hij in zich erkent en deelt met alle wereld en sfeer, zal beantwoorden aan de eisen, die deze dagen aan alle bewustzijn op aarde stellen.

Wanneer mensen of geesten tot u komen, ziek, mismoedig en geslagen, zo zult gij tot hen zeggen: “Zie, ik ben met u. Met mijn kracht wil ik u dragen, zelfs indien wij beiden daaronder dreigen te bezwijken. “Zo zult gij uzelf geven voor de krachten van de geest en de krachten van de stof geen voorwaarden stellend, of u iets voorbehoudend, maar levend in trouw aan uw innerlijke waarheid, opdat gij de waarheid van deze dagen in uzelf zult mogen dragen.

Gij zult in deze dagen moeten leren te roepen tot uw God met nieuwe stem en nieuwe woorden. Want zie: de oude wegen zijn gesloten, de oude poorten zijn vergrendeld. Maar de nieuwe weg ligt open, de nieuwe poorten zijn reeds ontsloten. Weinigen echter kennen de nieuwe weg, weinigen slechts durven reeds nu door de poorten van de vernieuwing treden. Nu zeg ik u zoek niet meer de oude weg, zoek niet meer de oude waarheid. Want deze zijn voorbijgegaan.

Besef echter, dat het leven, de waarheid en de wijsheid van het oude u als een landkaart weergeven, waar gij moet gaan. Daaraan zult gij kunnen erkennen, welke de nieuwe weg is. Steeds duidelijker zal de nieuwe weg in uw innerlijk erkend worden, ook wanneer gij nog aarzelt haar te gaan.

Want alles gaat voort en alles ontwikkelt zich. Alle duidt u de weg en wijst u de poorten van de wijsheid, die geopend zijn. Weet, dat wat nog niet was, zal zijn, dat alles wat was, zal vergaan. Het oude is herboren, nieuw is dat, wat reeds vergetelheid scheen te oogsten. Vernieuwd is het oude doel van deze vernieuwing en alle krachten daarvan.

Indien gij niet verstaat, wat dit beduidt en mij vraagt te verduidelijken wat ik hier zeg, zo kan ik u slechts antwoorden:

Hij, die begrijpt en hoort, werk met alles, wat hem hier en zo gegeven wordt.

Dat degene, die nu reeds beseft, wat en waarvan wij tot hem spreken, zich niet laat wiegen door verdoezelingen van waarheid en als vrede vermomd krijg.

Dat men deze woorden van vrede niet ziet als de daad, noch luide kreten aanvaardt als waarheid maar leeft uit zichzelf.

Tot hen, die niet begrijpen, zeg ik: wees geduldig en wacht. Oordeel niet en vorm u geen beeld van waarheid, dat niet in uzelf bevestigd wordt door het buiten u kenbaar zijnde. Want de raadselen van heden zijn de waarheden van morgen. Ook gij zult ontwaken en leren horen, ook gij zult de ogen openen en leren zien. Tot u allen echter zeg ik: laat de vrede uit uzelf voortgaan in de wereld, opdat niet deze schijn van vrede zijn mom laat vallen en oorden van vrede maakt tot oorden van vernietiging en ondergang. Zoek in uzelf vrede, en vertrouw op de krachten van het Licht, opdat gij de werkingen van het Licht niet omvormt tot een vlam van oordeel en vernietiging.

De grote kracht heeft deze wereld reeds haar tekenen gegeven en zal haar zegel in deze dagen schrijven aan de hemel in de kleuren violet en oranje. Zij, die opwaarts schouwen, zullen het zien en beseffen: hier is het teken van de tijd die komt. Als een banier staat het in het licht van de zonsopgang geschreven, tonend het zegel van deze tijd, verkondigend de weg die deze wereld zal gaan.

Vier dagen lang zullen de hemelen uitroepen: dit is onze bestemming, en schrijven de tekens, die de wetende verstaat. Vier dagen lang zal het oude zijn vormen aan de hemel tonen, wanneer de zon ondergaat, zich tonend in de laatste stralen van licht, zeggend tot de wereld: “Zie, ik ben het, die breken zal en vergaan”.

Let op het kruis, dat in deze dagen zich zal tonen aan de westelijke hemel, het kruis van wolken, dat breekt. Want deze tekenen worden u gegeven, opdat gij weten moogt, dat wat in u leeft, de kracht is, dat het leven dat in u is, het leven is van deze tijd, terwijl alles, wat buiten u ligt, wordt gebroken. Dát echter, wat in u leeft, is onvergankelijk en bestaat voort, deel van uw wezen, deel van de eeuwigheid, deel daarom ook van de nieuwe tijd.

En zo gij zoekt in uzelf, zo zult gij erkennen, dat de nieuwe weg daar begint, waar de mensen gaan, zoekend naar bewustzijn. Deze nieuwe weg eindigt echter daar, waar de Lichtende krachten, de tronen en heerschappijen eens het lot van de mensen regelden, doch nu een bewuste mensheid willen ontvangen in vrijheid, gelijkwaardigheid en de volle Lichtende vreugden van het ware bestaan.

Het teken van het Licht, het teken van Kracht, zal niet slechts aan de hemel staan. In uzelf ge- schreven zult gij het erkennen. Uw hand zal het neerschrijven, voor gij het beseft; uw oog zal het ontdekken in vele dingen. Want de Kracht van het Licht spreekt in deze dagen tot allen, die willen horen.

Doch weet, dat dit Licht, dat loutert, verheft en reinigt, ook een zwaard is, dat alles verdelgt, wat onrein is. Dit zwaard zal alles verdelgen, wat onwaar is. De onwaarheid zal ondergaan aan zichzelf door de kracht van het Licht. Besef, dat de wetten van het Lichtende zwaard niet de wetten van de mensen zijn, maar de wet van de Scheppende kracht zelf, die op uw wereld hernieuwd geopenbaard wordt.

Om deze redenen zeg ik u: wanhoop niet aan u zelf of aan uw wereld. Betrouw op het Licht, dat in u leeft, opdat het u dient als schild tegen het kwaad en het zwaard van u wordt afgewend. Besef, dat de hemel zelf in vreugde haar tekenen schrijft. Besef dat dit het begin is van dagen van innerlijke grootheid.

Bedenk, dat dit de dagen zijn, waarop gij gewacht hebt, soms vele jaren lang. Want in deze tijd wordt de oude profetie vervuld. In deze tijd wordt het Licht hernieuwd op aarde geopenbaard. In deze dagen, nu de leraar in de stof de weg bereid heeft en is heen gegaan uit de wereld van de sterfelijken, wordt de openbaring in haar volheid de aarde gegeven. Een ieder, die aanvaarden kan, aanvaarde, opdat hij in de dagen die komen gaan, sterkte, Licht en wijsheid mag bezitten en gewapend is met het innerlijke Licht, zelfs wanneer de zon een wijle dreigt te verduisteren.

Vele dingen hebben mijn broeders en ook ik u nog te zeggen. Vele malen zullen wij u nog herinneren aan alles, wat ook nu gezegd werd. Want het is onze innigste wens, dat gij, met ons, de opgang van het nieuwe Licht bewust zult mogen beleven. Wij werken en bidden, opdat de uitstorting van krachten, die uw wereld ook nu beroert, door u ervaren zal mogen worden als een vernieuwing van uw eigen Zijn.

Want uit harmonie en eenheid zijn wij geboren, tot harmonie en eenheid keren wij terug en geen grenzen zullen er gesteld zijn tussen mens en geest, geest en mens, of tussen schepsel en God.

Drie jaren zal het Licht schijnen. Na drie jaren zal het zwaard zich tonen. Wees gij dan kinderen van het Licht, opdat de reiniging door het lichtend zwaard van waarheid, voor u mag zijn de sleutel tot een nieuwe tijd, een ontdekking van uw innerlijk wezen, een aanvaarding van de taak, die reeds deze dagen velen onder u zal worden opgelegd.

Dat gij u bewust moogt zijn van de Lichtende kracht rond u, de vreugden zult mogen kennen van het vurige Licht Gods, dat als bezielende geest de mensheid beroert en dat u de bezielende harmonie moogt erkennen, waarin geest en mens één zijn zonder grenzen.

Een volgende maal zal mijn broeder tot u spreken.

Nu zeg ik u: ga in vreugde en kracht, aanvaardend het Licht u gegeven.

image_pdf