Wereld

 16 november 1954

Wereld!

Wentel wiekende bol, die dwaalt door de oneindigheid. Gekust door het licht der zon.

Geremd steeds door de tijd, de gebeurtenissen. Gaande van duister tot duister. Geboren uit nietigheid en gaande tot niets. Wereld! Ogenblik van bestaan in een Al. Dat in zijn weidsheid al omvattend wordt. De werkelijkheid van de kleinen, de machtelozen, die leven. Geketend op deze wervelende zandkorrel, het strand der sterren. Mensen leven op de wereld. Mensen, goede mensen, slechte mensen en mensen. Die niet weten, wat zij zijn en wat zij willen.

Mensen, die belangrijk doend hun eigen zaken nagaan. Die kerken stichten en scholen, huizen bouwen en gevangenissen. Mensen, die dromen van oneindigheid en niets merken van de eeuwige baan, die zij trekken door de ruimte. Mensen, die dromen van meer dan de sterren.

Mensen, die dromen van een wereld, zo groots en zo machtig. Dat zij het al omvaamt.

Die zichzelve stellen, als naast de scheppende macht tronend en regerend. De eerste ministers in een kosmische staatshuishouding.

Dwaze waan, groots bewustzijn, vreemd verlangen.

Waarom zullen deze nietigheden, levend op een nietigheid in het grote dromen van de troon Gods?

Is deze aarde dan meer grootser of belangrijker dan al het andere, wat daar rond wervelt en spoelt in deze zee van duisternis? Neen, er zijn vele planeten.

Op vele planeten leven wezens, die hun eigen wegen trachten te gaan. En onbewust van het grootse en het werkelijke vaak zichzelf denken tot deel van het grote Al, zijn?

Aan de grote ruimte en regeerders van verstand en vernuft. Waarom dan, oh wereld, de grootsheidwaan uwer schepselen? Herinnert gij u dan misschien de tijd, toen gij nog niet waart. Een klomp, log wentelend om een zon, die telkenmale weer haar vurige tongen naar u uit zal strekken? Droomt gij van de tijd dat gij waart een lichtvoetige gedachte, die snelde door de ruimte?

Droomt gij van het ogenblik, dat uw baan volbracht zal zijn. Van het moment, dat het laatst van uw duister bestaan is opgegaan in de fijnste delen en niet meer kenbaar is in het Al?

Van het moment, dat de herinnering aan wat gij waart de enige werkelijkheid zal zijn, die uw wezen nog bepaalt. Wereld, gij streeft en gij droomt. Wereld, gij denkt de werkelijkheid te kennen. Maar wereld, gij verlangt naar de stille verborgenheid van een gedachte, die voortkomt uit een God. En daarom geeft gij, wat op u leeft, dit bewustzijn, Daarom  schenkt gij uw kracht en uw vermogen van denken en redeneren. Daarom laat gij kerken bouwen en scholen, aan de mensen.

Daarom dwingt gij hen tot wreedheid en angst, tot vreugd, en gulheid. Wereld. Gij droomt van het moment, dat gij uzelve zult kennen, dat is uw droom.

In een Al, wat op u leeft, schuilt dezelfde droom, maar zomin, als gij uzelve durft te erkennen:

Ik ben slechts een ogenblik in de tijd, zomin als gij uzelf durft zeggen:

Ik ben de mindere in de grootse broederschap van de levende krachten. Zomin wilt gij uw mensen toelaten om te zeggen van het Al, ziet, ik ben nietig; ik ben klein. Daarom spiegelt gij hen de grootsheid voor.

Daarom vult gij hun denken en hun wezen met uwe kracht en uwe gedachten. Zolang gij ze vreest, deze wezens uit u gesproten, o aarde, zult gij hen kwellen en zolang gij ze kwelt, zullen ook zij u vrezen. Maar eens zullen er geen wezens meer zijn om te kwellen, Dan zult gij, wereld, langzaam verblussend. Een laatste wervelende gang maken.

En moeten vlieden in het duister, of opgaan in de zon. Erken dat voor uzelve, wereld en geef het aan uw schepselen, opdat zij zullen weten en begrijpen.

Dat, al lijkt de wereld groot, al lijkt de mens belangrijk en eeuwig, toch het moment moet komen van de keuze. Het moment van het vlieden in het duister, onbewegelijk star, domp en zonder leven,

Of het zich stoten in de zon, het licht, want een andere weg bestaat er niet. Een andere weg bestaat er niet voor mensen. Bestaat er niet voor planeten, bestaat er niet voor sterren.

Aanvaard het, of verstar, dat is de keuze, die de eeuwigheid u allen voorlegt, o, gij, wereld der mensen, hoe vaak verstart gij niet in uw denken? Hoe vaak probeert gij niet uzelf voor te praten. Dat gij het nu toch wel weet. En dat uw vorm de uiteindelijke, de volmaakte, de reële is? En toch komt er het moment, dat gij zult moeten kiezen. Sterven in een uiting en  leven in bewustzijn of leven in uiting en bewustzijn, maar niet meer zijn uzelve. Zijn deel van een spieënde zon, die haar stralen doet gaan door een groter Al, een grotere wereld. Leven brengend, omarmend, ontvangend. Leven vragend, scheppend en verdoemend. En toch slechts uitende zichzelve. De volledigheid van eigen zijn. De wereld, wereld van mensen, die aarde genoemd wordt, is uw wezen en uw lot, gij kunt ze niet ontgaan.

Gij zult deze weg ten einde toe moeten volbrengen, zoals wij allen ze volbrengen, of we willen of niet.

Maar het is goed te weten, dat uit de afgezonderdheid en de kleine zelfgewichtigheid, die op dit moment nog ons bestaan beheerst.

Eenmaal geboren zal worden de bevrijding van het Scheppend Licht.

Laten we dan niet vragen, hoe zal ik zijn en wat zal ik zijn, maar zeggen: Het werkzame zijn, dat zich uit, is het mijne. Dit is mij genoeg. Deel ben ik van wat leeft, wat werkt, wat schept en vernietigt. Een deel daarvan wil ik blijven tot in de zon, wereld.