Wereldgodsdiensten voor en tegen

Een wereldgodsdienst kunnen we beschouwen als een gemeenschap van mensen, die hun geloof ‑ op zich misschien verschillend ‑ baseren op een gelijk heilig boek of op een gelijk aantal openbaringen.

Er zijn heel veel godsdiensten in deze wereld. Onder wereldgods­diensten zouden we kunnen rekenen: het christendom, daarnaast het hindoeïsme, het boeddhisme en de islam. Er zijn natuurlijk meer godsdiensten, maar men moet ergens de zaak beperken. Zen zou men er misschien bij kunnen nemen, maar dat is een filosofisch‑boeddhistisch systeem en als zodanig komt het m.i. voor een wereldgodsdienst eigenlijk niet in aanmerking.

De godsdiensten hebben elk hun eigen kenmerken. Het christendom bv. waarover een schrijver, een zekere mijnheer France, opmerkte, dat God het christendom had ingesteld en de duivel er toen onmiddellijk een paus bij deed. Je zou kunnen zeggen, dat God daarop repliceerde de met een hervorming, waarop onmiddellijk kerkenraden en dergelijke ‑ stellingen in het leven werden geroepen. Er is altijd een strijd geweest, niet alleen in het christendom in alle Wereldgodsdiensten, tussen leer en gezag. Dat klinkt op het eerste gehoor misschien wat vreemd, maar als wij die godsdiensten bezien, dan valt op dat ze ergens de mensen een aanknopingspunt geven. Door de gelijksoortige benadering van het onzienbare ‑ hoe fabuleus benadering verder ook moge zijn ‑ kan men met elkaar gemakkelijker contact krijgen. Het nadeel is echter, dat er altijd mensen zijn, die menen dat zij de zaak moeten reguleren en dat zij een gezag moeten zoeken, zich niet beperkt tot het zuiver houden van de leer, zoals dat heet, maar dat vooral langzaam maar zeker tot een machtsapparaat wordt, niet alleen de religieuze praxis beïnvloedt, maar daarnaast ook uit­grijpt naar politieke en soms zelfs wereldmacht. Er is veel vóór en is veel tegen te zeggen.

Misschien verbaast het u, dat ik het judaïsme niet afzonderlijk genoemd. Ofschoon over de wereld zeer verbreid, mogen we toch deze leer niet beschouwen als een wereldgodsdienst. We kunnen haar slechts in dit verband beschouwen, indien we uitgaan van het christendom, daarmee heeft zij een zeer sterke verwantschap door de nadruk, die ook in het christendom wordt gelegd op het Oude Testament. Als ik kijk naar de manier, waarop in het christendom de macht een rol heeft gespeeld, dan valt op: machtsstrijd ongeveer 200 jaar na Christus’ dood begonnen, sedertdien nog niet ten einde. Vele slachtoffers. Grote zelfverheffing bij de christenen en daardoor een benaderen van anderen als minderwaardig; iets, wat in tegenspraak is met de leer zelf.

Gaan we kijken naar bv. de hindoeleer, dan zien we hoe daar de heldenverhalen vooral een grote rol spelen. Er zijn ongetwijfeld filosofische achtergronden, maar voor de gewone hindoe spreken toch eigenlijk bepaalde goden en daarnaast de Ramayana wel de sterkste taal. De mensen zoeken hier een persoonlijke verbondenheid met de oneindigheid. Door hun veelgodendom hebben ze eigenlijk een bijzondere afkeer van elk ééngodendom, dat zich te nadrukkelijk manifesteert. Men kan in de hindoeleer een godsdienst wel accepteren (een god meer of minder maakt weinig uit; kijk naar het Pantheon van Rome), maar aan de andere kant wil men niet dat er pressie wordt uitgeoefend; iets wat zelfs in deze tijd tot grote wreedheden aanleiding heeft gegeven. Denkt u maar aan de geschiedenis Oost‑Pakistan. De hindoe zelf is enigszins fatalistisch. Hij is daarbij niet geneigd alleen op zuiver religieuze basis te reageren. In de hindoeleer krijgt de godsdienst pas betekenis, indien hij op politiek vlak wordt gebracht, maar wordt dan door velen niet meer als zuiver godsdienstig erkend.

Anders ligt het in het boeddhisme waar we te maken hebben met een leer van absolute onthechting, van ontzegging, van een vrijstaan van de wereld. Hier blijkt de leer gevoerd te hebben tot het ontstaan van kasten, die zich niet alleen zeer met de wereld bezighouden, maar die ‑ meestal vanuit het monniksgewaad ‑ zelfs met geweld opereren., Ook bezittingen zijn niet vreemd aan deze monniken, die toch armoede hebben beloofd. Wat dat betreft zijn ze net als vele christelijke kloosters zeer rijk. Bepaalde vechtsporten hebben hun ontstaan te danken aan lamaïstische monniken, die hun bezit en hun karavanen wilden beschermen. En lamaïsten zijn boeddhisten.

Wat betreft de islam, dit is een godsdienst, die met een oorlog is begonnen. De openbaring van Mohammed (in die tijd sjerif in Medina) voert tot een godsdienstoorlog: een oorlog tegen het veelgodendom. De heilige oorlog is veel later ook nog gebruikt. Denk aan het massacrum bij Khartoem. Denk aan de aanvallen van bepaalde islamitische stammen op het Engelse gezag in Brits Indië. Denk echter ook aan de oorlog, zoals die op het ogenblik bestaat tussen islamitische staten en Israël. Er is maar één ware leer. Er is maar één profeet en een ieder, die deze niet aanvaardt, moet dan met alle middelen ‑ en geweld is hier een van de meer aanvaardbare ‑ tot die aanvaarding worden gebracht. Wat een enorme zelfverheffing van de mens!

De geschiedenis leert ons dat een wereldgodsdienst veel goeds heeft. Zo zien we dat betrekkelijk kort na de eerste zegepraal van de islam de kalifaten ontstaan. En wat er aan Moorse en Arabische cultuur is vastgelegd en ontwikkeld in deze periode, mag worden vergeleken met de hoogtepunten van de Europese beschaving. De wetenschap bloeit. De bouwkunst bereikt nieuwe hoogtepunten. Zelfs de sociale ontwikkeling is ‑ gezien de tijd en de omgeving ‑ zeker niet verwerpelijk. De ridderlijkheid van de voorname krijgslieden doet ons denken aan de verhalen over het Hof van Koning Arthur. We moeten ons goed realiseren, dat deze godsdienst niet alleen een stempel drukt op de mensen door hun geloof, hun gedrag te beïnvloeden, maar dat hij daarnaast een cultuur tot stand brengt en dat een verbreiding van kennis hierdoor plaatsvindt, En zijn er ook wel zaken, die we minder aangenaam vinden als bv. de slavenhouderij, zo moeten we onmiddellijk opmerken, dat er christenen zijn, die voor de zwarte bevolking in de Ver. Staten hebben gezorgd. Dat waren ook slaven. Dus we hebben zeker niet iets af te keuren in de islám wat we ergens anders ook aantreffen. Slavernij bestaat zelfs onder de boeddhisten. Bij de hindoes bestaat een soort slavernij, die op kaste is gebaseerd. Overal hetzelfde.

Maar gaat u eens kijken bij de hindoeleer. Wat heeft ze niet een enorme tempels opgeleverd. Wat is de bouwkunst, de sierkunst niet schoon. Wat zijn er geen wijze en belangrijke geschriften nagelaten. Ik geloof, dat zelfs de staatsorde, zoals deze in de Indische rijken vooral bestaat, haar weerga nauwelijks kan vinden. Zouden we verder willen gaan, dan zouden we moeten zoeken naar de laoïstische opvattingen van China. En dan moeten we opmerken, dat de elementen van o.a. de hindoeleer ten aanzien van voorbestemming en kaste een zeer sterke invloed hebben op de meer mondane filosofieën in China. Het christendom is belangrijk voor de kerstening, dat is waar. De kloosters hebben vaak in moeilijke tijden de kennis bewaard, die nog heden uw overbeschaafde wereld voortdurend dient. Zij zijn het, die de eerste scholen hebben gesticht. Zij zijn het, die de eerste proeven hebben gedaan op het gebied van landbouw. Zij zijn de kruidkundigen geweest van Europa. De kloosterlingen waren niet alleen maar predikers, ze waren ook beschaafder.

Maar ook de boeddhisten hebben datzelfde tot stand gebracht. Ook zij hebben kennis overgedragen. Ook zij zijn het geweest ‑ en dat geldt vooral voor de periode van ongeveer 700 tot 1200 na Chr. – die werkelijk een nieuwe cultuur, een nieuwe beschaving hebben gebracht over een zeer groot gedeelte van de Aziatische wereld. Ook Indonesië draagt nog steeds de sporen daarvan. We moeten ons realiseren: de grote wereldgodsdiensten hebben dus veel goeds gedaan, maar het tegen van die wereldgodsdiensten is geloof ik wel, dat zij niet uitgaan van een meer realistisch standpunt.

Er is een godsvoorstelling. Akkoord. Maar die godsvoorstelling gaat gepaard met een voorstelling omtrent het noodzakelijke, het onvermijdelijke levenspatroon op aarde. Dat levenspatroon is echter ontworpen in tijden, die zo sterk van de huidige verschillen, dat men daarmee eenvoudig geen rekening kan houden. Ook hier blijkt weer dat een godsdienst, die vele goden kent t.a.v. een wat reëlere aanpassing toch wel wat gemakkelijker functioneert dan een meer rigide structuur als bv. de christelijke of de islamitische. Ik denk hier aan beperking van bevolkingsaantal; iets wat voor de wereld nu noodzakelijk is. Die beperking blijkt gemakkelijker te kunnen worden doorgevoerd in de hindoegebieden dan elders. Waarom? Omdat de vereenzelviging met de god en het levenspatroon blind maakt voor de werkelijkheid, waarin men leeft.

Elke godsdienst heeft een wereldvervreemdend effect. Hij brengt je n.l. tot opvattingen, instellingen en zienswijzen, die niet op feiten zijn gebaseerd en daardoor tot een aanpassen van de feiten aan hetgeen jij wilt zien. Als liefde blind maakt, dan kunnen we zeggen dat godsdienst – zeker fervent beleden ‑ vaak dubbel blind maakt. En daarom: alles, wat deze godsdiensten positief tot stand hebben gebracht, ligt in het verleden. De wereldgodsdiensten van vandaag brengen geen positieve waarden meer. Het christendom brengt geen nieuwe waarden meer in deze wereld. Integendeel, zij remt de noodzakelijke aanpassingen aan de moderne condities af.

De islam, juist door de instelling, door de leer, maakt het onmogelijk dat men tot een zekere verdraagzaamheid komt, die in een overbevolkte wereld als de uwe onvermijdelijk is. Het geloof aan een krachtig ingrijpen van de goden brengt de mensen in de hindoestreken ertoe om teveel te betrouwen op anderen, op voorvechters en te weinig op zichzelf.

De boeddhisten zijn vaak te blind voor de strijd, die vele machten op aarde voortdurend voeren om handel, grondstoffen of grondgebied. Ze zien te sterk ideële stellingen. Ze vereenzelvigen zich daarmee vaak ook teveel en worden zo eigenlijk tot gevaarlijke elementen in een maatschappij, die op dit moment juist aanpassing van node heeft. Men gelooft bij vele boeddhisten enerzijds niet aan ontzegging, terwijl men anderzijds wel aan het onvermijdelijke gelooft. Ik meen, dat deze beide zienswijzen tezamen fataal kunnen zijn.

Ik heb hiermee een zeer oppervlakkig beeld gegeven van voor en tegen, dat is duidelijk. Maar laten we proberen de situaties na te gaan; Er is in Europa sprake van een vergrijzing van de bevolking. Een groot gedeelte van de maatregelen, die in dit verband worden ge­nomen, voeren echter gelijktijdig tot bevolkingsuitbreiding. Er is geen bevolkingsevenwicht bereikbaar, omdat naar christelijke opvatting God verbiedt zulks te doen. Diezelfde God verbiedt de mens zich te amuseren én te ontspannen volgens de mogelijkheden die Hij biedt. Ik zou zeggen; als er televisie is, dan heeft God dat goed gevonden, dus mag een mens daarnaar kijken. Maar daar is men het in christelijke kringen vaak niet mee eens. Het geloof wordt zo tot een keurslijf, waarin de mens wordt geperst en dat gelijktijdig strijdig is met zijn stoffelijke noodzaken, mogelijkheden en behoeften in zijn Innerlijk leven.

Het is duidelijk, dat de godsdienst als zodanig daardoor spanningen oproept, die gevaarlijk kunnen worden. Ik meen, dat een groot ge­deelte van de misbruiken en spanningen op aarde, ja zelfs van de prak­tijken van bepaalde dictaturen voortkomt uit godsdienstige overweging. In dit verband wil ik er even op wijzen, dat het (of leninisme) ook door velen godsdienstig wordt beleefd en als zodanig dus ook als godsdienst mag worden beschouwd. Ook hier zien wij, dat men liever de belangen van een gehele bevolking opoffert dan toe te geven dat het systeem op een bepaald punt faalt. Wij zien, dat de godsdiensten precies hetzelfde doen. De verschillende Concilies van de Kerk van Rome hebben aangetoond, dat ‑ ongeacht de visie, die bij velen (ook prelaten van deze kerk) aanwezig is ‑ het geheel, geredigeerd door een gezagsorgaan (wat we dan maar het Vaticaan zullen noemen) weigert te reageren op werkelijke behoeften en werkelijke noodzaken. We zien steeds kleine concessies, die in het beeld van het geheel geen betekenis hebben.

Gaan we kijken naar de islam, dan blijkt ook hier een soortgelijke tendens te bestaan. Ook nu nog zijn de wetgeleerden er, verklaarders (de oelama’s), de verschillende sjerifs, mullahs e.d. de werkelijke auto­riteiten. Zij verkondigen de ware leer. En wie de leer niet aanvaardt, is een heiden. Hij moet worden uitgeworpen uit de maatschappij. Hij deugt niet. Hij is minderwaardig. Hij moet vervolgd worden. Zij maken uit wat juist is. Zij vertellen u hoe u moet leven en wat wel en niet mogelijk is. Zij zijn indirect aansprakelijk voor bv. een zeer laat op gang komen van de bevloeiing van onvruchtbare gebieden. Ik weet, dat o.m. Egypte hiermee een begin heeft gemaakt, maar wil u eraan herinneren dat reeds in 1700 pogingen in die richting werden gedaan, dat projecten in die richting bovendien in 1880 er ook waren en dat vele van die plannen zijn mislukt alleen omdat men meende, dat dit strijdig was met de wil van Allah. Dwaasheden? Ja. Gevaarlijke dwaasheden. Dwaasheden, die nog veel gevaarlijker worden, als we te maken krijgen met een wereld, waarin de groepen zich niet van elkaar kunnen afzonderen.

Als ik van mijn standpunt uit de wereldgodsdiensten beoordeel ‑ en ik geef toe: dit is een beoordeling vanuit een bepaald standpunt, mijn standpunt ‑ dan moet ik zeggen dat zij het goede, dat zij in het verleden hebben gedaan, allang teniet hebben gedaan in de moderne maatschappij. Dat zij het vele, dat zij de mens ook aan meer geestelijke en bovenzinnelijke mogelijkheden hebben geboden voor een groot deel hebben opgezet in een harde korst van onmenselijkheid, die de menselijke ziel maar al te vaak belet de waarheid te vinden. Ik meen, dat de wereldgodsdiensten in deze tijd eerder een gevaar voor de mensheid zijn dan een zegen.

Is er dan niets goeds te zeggen over de godsdienst? Ach ja, natuurlijk. Het geloof lijkt me voor de mens noodzakelijk en onvermijdelijk. De mens kan niet leven, zonder dat de bovenzinnelijke werkelijkheid in zijn bestaan ‑ hoe dan ook ‑ mede tot uitdrukking komt. Het geloof geeft hem daarvoor een systeem. Het geeft hem zekerheden en richtlijnen, die hem kunnen helpen zijn innerlijke belevingen, de stromingen van zijn geest en zijn verstand te kanaliseren tot het ogenblik, dat hij zelfstandig kan worden. Als zodanig zijn ze nuttig. Op het ogenblik echter, dat die zelfstandigheid komt, zegt men maar al te vaak “dit mag niet”.

De kerken geven ons een beeld van God. God op zichzelf is voor mij een waarheid. God is. Maar hoe God is en wat God precies wil met Zijn schepping, schijnt men beter te weten naarmate men verder komt af te staan van de verkondiger van de leer, waarop een geloof is gebaseerd. Dat is heel vreemd. De mens schept voortdurend zijn eigen God. En die God wordt uitdrukkelijker gevormd, meer voorzien van eigenschappen, wensen en wil naarmate de mens verder van God af staat. Ik meen, dat de mens vanuit zichzelf tot God moet komen. Wat het christendom betreft, we lezen in de geschriften, die toch als goed en heilig worden aanvaard, dat Jezus vele wonderen heeft gedaan, maar ook dat zijn apostelen dat deden uit zijn naam en de naam des Vaders. We vernemen daarnaast uit de verschillende geschriften, dat ook de vroege christenen verschillende wonderen wisten te doen. Het wonder is nu uitgebannen.

De Boeddha was een man, die wonderen deed (onopvallender misschien dan Jezus), maar die ook vele vreemde dingen tot stand bracht; die zijn wijsheid putte uit de aldag en niet uit een boek; die in zijn vergelijkingen uitging van de mensen waarmee hij sprak, niet van de theoretisch juiste formulering. Wat is er over van het boeddhisme? Heel veel leeg gepraat. Een systeem, dat niets te maken heeft met een weg. Een systeem, dat het hek is dat rond de menselijke ziel wordt gezet. En zelfs uit de vaagheid van voorstelling omtrent het hiernamaals (u kunt dat bij verschillende takken van het boeddhisme op velerlei manieren horen: een zenonees boeddhist bv. zal over het algemeen zeggen, dat er geen hiernamaals, dat er alleen één bestaan is en dat je in dit bestaan moet komen tot de erkenning van het Niet) moeten we ook concluderen; die mensen bedoelen het wel goed zoals elke godsdienstverkondiger het wel redelijk goed meent. Maar ze vergeten één ding: men moet rekening met wat er in de mens leeft. Als je dat niet doet, als je dat allemaal wilt onderwerpen aan een steriele woordwaarheid, dan dood je wat er in de mens leeft.

De islám strijdt over de interpretatie van de verschillende soera’s, over de gezagsvolgorde van bepaalde persoonlijkheden; men kiest zelfs al voor Ali of voor Hoessein. Al deze mensen strijden alweer om uiterlijkheden, terwijl de werkelijke openbaring een verandering van gedrag is, een verandering van de benadering van de wereld. En zo in de kalifaten nog enigszins een weerspiegeling daarvan te vinden is, als we enkele jaren verder gaan en komen in de jaren 1400, 1500, dan blijft er alleen nog maar de rationalisatie over van roverij. Het klinkt vreemd, maar het is waar.

Bij de hindoes dan? Hindoes hebben grote wijsheid, maar wat doen ze ermee? Zij blijven in hun kasten opgesloten. Ze hokken in de modder. Maar weinigen van hen vinden een geestelijke weg om tot vrijheid te komen. En als we dan kijken naar grote coryfeeën, die toch juist in deze volkeren bijzondere dingen hebben gedaan (we denken bv. aan Mahatma Ghandi) dan moeten we toch constateren dat zij zich hoogstens met de symptomen hebben beziggehouden, niet met de essentie. Bij een hindoe mag je God vinden op je eigen manier. Maar je God is iemand, die je losweekt van de mensen, die eisen aan je stelt, die je beperkt in je mens‑zijn en die ‑ als je je niet aan die beperking onderwerpt ‑ zich op je wreekt, niet alleen door je geestelijk maar ook door je stoffelijk voortdurend te treffen. Dat is eigenlijk niet zoveel moois. Toch heeft de mens geloof nodig.

De wereldgodsdiensten zijn gevaarlijker naarmate ze in handen komen van mensen, wier waardering voor eigen persoonlijkheid en eigen bereiking meer verbonden blijkt aan de rigiditeit van de religieuze structuur. De paus zal zich over het algemeen voelen als de top van de kerkelijke adel. En mag hij voor zichzelf zeggen; “God, ik ben een zondaar” zo zal hij gelijktijdig voor zichzelf toch zeggen; “maar ik ben door Gods genade meer dan alle anderen”. Deze zelfverheffing kunnen ze niet prijsgeven; ze moeten haar handhaven met elk middel. Het brengt hen ertoe hun medemensen op te offeren aan een beeld van zichzelf.

Als u gaat kijken wat er bij de boeddhisten gebeurt, dan zult u zien hoe bepaalde monniken (kloostervoogden, dus belangrijke monniken) een rol hebben gespeeld in de strijd. Niet alleen de strijd van de Tibetanen tegen China, maar wel degelijk ook in de politieke strijd van de boeddhisten in de verschillende landen. Waarom? Omdat voor hen dit de manier is om duidelijk te maken dat zij belangrijk zijn, dat zij groot zijn. Zodra je een hiërarchische opbouw krijgt in een godsdienst, krijg je ook te maken met belangrijkheidzoekers. Zodra je een dergelijke structuur bovendien losweekt van de wereld, krijg je te maken met men­sen, die ook voor zichzelf nog zekerheid zoeken en daarom als bolwerk tegen de wereld de regel beschouwen, de woordwaarheid van de leer, die zij anderen ten koste van alles willen opleggen. Mensen, die een bepaalde gedraging op zichzelf niet zullen afkeuren, maar die het feit, dal zij die gedraging kunnen afkeuren, zien als het bewijs van hun eigen belangrijkheid. Zeer vele verkondigers van de leer in de wereldgodsdiensten zijn, als we hen op de keper beschouwen en hun onderbewustzijn mede in aanmerking nemen, geen werkelijke gelovigen. Zij geloven slechts in hun belangrijkheid, niet zozeer in hun God. Hun leer is voor hen het wapen, waarmee zij hun belangrijkheid verdedigen tegen de wereld, niet slechts een openbaring, waarin zij worden ondergedompeld en tot een nieuw besef worden geroepen. Hoe groter de groep is, des te gevaarlijker ze wordt.

Wat dat betreft kunnen we denken aan een kleinere groep, die misschien in haar denken en optreden symptomatisch is voor datgene, wat in grote wereldreligies juist door de diversiteit van groepen daarbinnen minder snel naar voren komt.

Laat ons eens kijken naar Jehovah’s Getuigen. Voor hen bestaat er maar één waarheid: hun eigen waarheid. Er bestaat maar één mogelijkheid om een bijbeltekst te verklaren: de hunne. Er bestaat maar één mogelijkheid om uitverkoren te worden: in praktijk brengen wat hun wordt geleerd. Er bestaat kortom, maar één ding voor hen: door dressuur iemand worden, die niet behoort tot de gewone mensheid. Dat zij daarbij grote offers brengen en juist door hun wijze van optreden een groot respect kunnen afdwingen, doet niets terzake, als we uitgaan van hun enorme gebondenheid, van de persoonlijkheidvernietigende uitwerking, die het geloof op velen van hen schijnt te hebben.

In de wereldgodsdiensten gebeurt dit veel omvangrijker. Daar wijkt men nog veel verder af van de realiteit. Maar omdat het door zo velen gelijktijdig wordt aanvaard, valt het niet zo op. Een kleine sekte kun je uitlachen. Dan kun je zeggen: Ach, jullie met je zwarte-kousen-kerk, of zo iets. Een wereldgodsdienst, die tientallen miljoenen mensen over de gehele wereld in haar macht heeft, heeft soortgelijke regels; alleen ze vallen niet zo op, want er zijn zoveel mensen, die zich eraan houden, dat het bijna een mode wordt.

Ik meen, dat de wereldgodsdiensten naast de steun, die ze geven – ook nu nog ‑ de positieve waarden wakker zullen roepen. Maar ze hebben ook het grote nadeel de menselijke persoonlijkheid te isoleren, niet alleen van haar medemensen of een deel van haar medemensen, maar ook van haar geestelijke waarheid en innerlijke kracht. Elke godsdienst heeft zijn eigen filosofen. Wij hebben zelfs in het leninisme partijfilosofen. Zo hebben de kerken hun theologen, hun ver­klaarders van de leer, hun brahmanen, hun bijzondere mensen. Waarom?

De waarheid van de leer is eenvoudig, maar ze stelt eisen; Er zijn mensen nodig, die gelijktijdig die eisen kunnen wegpraten, ze kunnen aanpassen aan datgene, wat op dit moment ‑ gezien de machtsverhou­dingen voor de gemeenschap en de kerk het best, het aanvaardbaarst lijkt, maar die daarnaast ‑ en dat is erg belangrijk ‑ de mens steeds sterker weten te binden. Als je door spitsvondige denkers gebonden moet worden aan een waarheid, die je zelf niet beleeft, dan zou je je zo’n beetje moeten voelen als een slachtoffer van wilde indianen gebonden aan een martelpaal, wachtend op het ogenblik, dat de eerste tomahawk gaat flitsen en je tenslotte gescalpeerd en gemarteld zult worden. Het geestelijk keurslijf is bezwaarlijk.

Wat moet ik er meer over zeggen. Ik kan natuurlijk zeggen, dat ik in vele opzichten de voorkeur geef aan het christendom, maar dan bedoel ik daarmee: de mentaliteit, de leefwijze die in het christendom wordt verkondigd. Maar ik moet er onmiddellijk aan toevoegen, dat deze werkelijke leefwijze, gebaseerd op de leer van Jezus, niet eens zo heel veel afwijkt van datgene, wat wordt geleerd door Mohammed en dat we ook niet al te grote verschillen in gedragsregels t.a.v. de wereld kunnen vinden bij Boeddha. Zelfs de oude leringen van de hindoes brengen vele van diezelfde eigenschappen op de voorgrond.

De wijzen van leven, die de wereldgodsdiensten aan ons voorleggen, verschillen niet zoveel. Wat blijft er dan nog over? Het verschil van structuur, het verschil van macht? Het lijkt mij wel eens, dat theologen van verschillende denominatie God door een gehaktmolen hebben gedraaid om elk klein stukje afzonderlijk ten toon te kunnen stellen als enige en onvergankelijke waarheid. In een tijd als deze, waarin de wereld voortdurend tekort schiet, waarin blijkt dat de wereldgodsdiensten alleen maar bijdragen tot ver­dere verwarring, zou de mens moeten kunnen terugkeren tot zijn innerlijke menselijke waarheid, die hem, het innerlijk geestelijk contact met God mo­gelijk maakt. Indien dit niet gebeurt, indien de massa voortgaat in een vermoeid materialisme de kerk ten hoogste met de mond nog enige aan­dacht waardig te keuren, dan komt dit omdat de kerken de geestelijke or­ganen van de mens verlamd hebben. Dat geldt voor alle kerken, voor alle wereldgodsdiensten. Belangrijke leringen, maar dode geesten. Mooie sys­temen, maar weinig werkelijk kosmische belevingen. En toch moet de mens groeien naar de kosmos.

Alle wereldgodsdiensten zouden het eens moeten zijn over de volgende regels:

Gij kunt geen waardig mens zijn zolang gij aan een ander de waardigheid van het mens‑zijn ontzegt.

Gij kunt uw God niet dienen zolang gij uw medemens schaadt.

Gij kunt geen geestelijke waarheid vinden zolang gij tracht de geest in woorden vast te leggen.

Gij kunt God niet ontmoeten, tenzij gij openstaat voor God en ook wacht op Zijn boodschap.

Als ze allemaal die regels zouden aannemen en zouden zeggen “de rest is onbelangrijk”, dan zouden de wereldgodsdiensten gezamenlijk een enorme macht ten goede hebben. Maar ze prefereren worstelingen om macht, om aanzien. Worstelingen, die zelfs van provincie tot provincie verschillende richtingen en verschillende organisaties tot stand brengen. In een kerk, die in Nederland toch wel belangrijk is (de Kerk van Rome) twist men over de vraag of men het oudlatijns ritueel moet volgen dan wel op een meer volkse en eenvoudige wijze de kerkelijke riten mag celebreren. Maar geen van hen heeft eraan gedacht, dat christenen ook de natuur niet mogen ontheiligen en verontreinigen en Gods schepping veranderen in een brij van vieze, vuile zouten, afscheidingen en dampen die het leven dit God heeft geschapen, het leven dat ander leven mogelijk maakt, steeds verder doden.

Ik heb de mens horen spreken over de waarheid, waarmee je edelmoedig moet zijn tegen de armen. Maar ik heb nog niet gehoord, dat de islamieten in Pakistan iets van hun bezit willen offeren om de hindoes die ze gekweld, achtervolgd en vermoord hebben althans enig soelaas te geven. Ik heb bij de hindoes gehoord over de noodzaak in jezelf de eerlijke, open eigenschappen te ontwikkelen, waardoor je als held kunt vechten voor anderen. Maar ik heb nog niet ontdekt dat er helden zijn, die voor anderen vechten. Men vecht hoogstens voor zichzelf en probeert dat een ander te laten doen.

Boeddha heeft gezegd, dat je alle bezittingen moet vergeten, dat je los moet zijn van de wereld en haar banden. Maar ik heb nog niet ontdekt, dat er in de boeddhistische landen enige neiging is om het vergaren van kapitaal, zelfs ten koste van bijna verhongerende massa’s, terzijde te schuiven.

De wereldgodsdiensten hebben gefaald. Er moet iets nieuws komen. Er is teveel tégen hen. Er zijn ook argumenten vóór hen op te sommen, inderdaad, maar die liggen in het verleden. De waarheid van gisteren, die vandaag niet meer bestaat, mag de houding van de mens vandaag niet meer bepalen. Het goede, dat eens werd gedaan en nu tot een vloek wordt, moet worden erkend, maar gelijktijdig moet de vloek ongedaan worden gemaakt, ook indien dat betekent dat we de bron van die zegeningen moeten dichtgooien. Ik heb geloof ik hiermee duidelijk gezegd wat er in een inleiding over dit onderwerp te zeggen is. Misschien vraagt u zich af, waarom ik zo weinig specifieks heb gezegd over de verschillende godsdiensten. U zou in de vele geschriften over de zienswijzen van die godsdiensten overal kennis kunnen nemen. Het is hier niet mijn plaats om een hele bibliotheek samen te vatten in enkele zinnen. Maar de werkelijke betekenis ervan voor de mens wordt bijna nergens genoemd. Daarom was het wel mijn taak deze naar voren te brengen.

Laat mij ten laatste nog zeggen, dat een mens, die geestelijk verlicht is, niet de behoefte voelt zich in een discipline te laten vangen, omdat hij in zich de goddelijke discipline ervaart, die voor hem de natuurlijke wijze van leven, handelen en denken is en tevens de voortdurende relatie met de Oneindigheid.

Deze dingen werden wel gepretendeerd in de godsdiensten maar de praktijk wijst uit dat zij ze niet brengen. Laten we dan de léér aanvaarden en heiligen, maar niet het systeem. Laten we de wereldreligies afdanken, opdat eindelijk de mens met zijn eigen godsdienstige, maar bovenal zijn eigen geestelijke mogelijkheden tot ontplooiing zal kunnen komen.

**************************************

*  Heeft het optreden van de Wereldleraar, over wie u enige tijd ge­leden het een en ander heeft medegedeeld, de bedoeling verbetering te brengen in de droeve resultaten van de wereldgodsdiensten?

Dat is bijna impliciet in zijn uitspraken, zou ik zeggen. We moeten ons realiseren, dat de wereldleraar alles heeft gedaan om te voorkomen, dat zijn optreden een nieuwe godsdienst in het leven zou roepen. Dat op zichzelf maakt al duidelijk, dat hij eerder de be­doeling heeft om met zijn denkwijzen en filosofieën, zijn benadering van het leven en de verschijnselen van dit leven door te dringen in die godsdiensten. Zijn leer heeft niet ten doel om andere leringen ten val te brengen of te verdringen, maar eerder om in die andere leringen door te dringen en ze zo eigenlijk tegen hun wil in terug te brengen tot een meer reële benadering van de grote problemen van leven en eeuwigheid. Ik denk, dat dit een voldoende antwoord is.

*  En zijn daarvan resultaten te verwachten?

Indien u rekening houdt met de ontwikkeling zoals die op dit mo­ment in bijna alle wereldgodsdiensten plaatsvindt, dan zult u ‑ zeker als u zich de uitspraken van de Wereldleraar een ogenblik te binnen brengt, ik meen dat ze zelfs bij u gebundeld zijn ‑ ontdekken, dat veel van hetgeen hij heeft gezegd en geleerd nu, zonder dat de bron bekend schijnt te zijn, ineens aan het opleven is in de meest verschillende re­ligieuze gemeenschappen. Ik geloof, dat dit al voldoende duidelijk maakt dat het niet iets is dat ééns invloed zal hebben, maar dat nu onmiddel­lijk reeds inwerkt. Ik mag hier nog verwijzen naar onze uitspraken, die wij wat dit be­treft een ongeveer 6½  jaar geleden hebben gedaan. Wij hebben toen gezegd, dat in de jaren 1972 – ’73 die leer steeds kenbaarder op de voorgrond zou komen en steeds meer uitspraken van de wereldleraar overal zouden worden geciteerd, zonder dat overigens zijn persoonlijkheid veel meer be­kendheid zou krijgen.

*  Denkt u dat er eens een tijd komt, dat er geen officiële godsdiensten zullen bestaan?

Indien de mensheid zichzelf niet op korte termijn zodanig decimeert dat we weer een primitieve behoefte aan godsdienst krijgen als rationa­lisatie van het gebeuren waaraan men zich schuldig voelt, zo meen ik dat in enkele honderden jaren officiële godsdiensten voor het meren­deel verdwenen zullen zijn of onbelangrijker geworden dan de sekten van deze dagen. We moeten er echter wel rekening mee houden, dat de denk­beelden en de godsdienstige opvattingen in kleinere kring toch nog wel een 700 jaar zullen bestaan. Maar ze zullen absoluut verdwijnen. Dat is ook begrijpelijk, want de ontwikkeling van de mens heeft het nu zover gebracht, dat hij het merendeel van de raadselen in de natuur niet meer behoeft te personifiëren; dat hij in zich steeds meer mogelijkheden ont­dekt (de Aquarius‑periode brengt dat ook weer met zich mee), waardoor hij ook geen behoefte meer heeft aan een omschrijving van de wijze, waar­op anderen dit eens hebben gedaan. Hij zal zich meer gaan richten op zijn persoonlijke, zijn innerlijke erkenningen en mogelijkheden. En daarbij is, zoals ik in mijn inleiding reeds heb gezegd, een godsdienst over het algemeen meer een hinderpaal dan een hulpmiddel.

*  Wilt u iets vertellen over het ontstaan van het hindoeïsme? Zijn de brahmanen voortgekomen uit veroveraars, die de oorspronkelijke bewoners hun leer hebben opgelegd?

Neen, dat is niet helemaal juist. We moeten dan teruggaan tot on­geveer 2000 v. Christus, de periode, waarin Ur een grote stad was en Uruk pas in opkomst. In die tijd waren er vele kleine stadstaten, vele kleine vorsten, vele volkeren en ook vele afzonderlijke leringen. In diezelfde periode echter ging een rijk, van ons standpunt uit gezien wat noordelijker gelegen aan de zuidflank van de Gobi, te gronde doordat daar een te streng gereglementeerd leven was. Dit voerde o.m. tot verwaarlozing, zullen we maar zeggen, van natuurlijke hulpmiddelen. Er ontstond daar toen een enorme strijd, die door natuurverschijnselen werd bevorderd. Er sloegen o.a. grote meteorieten in. Die volkeren vluchtten toen voor een deel. Ze hadden echter machtsmiddelen. Ze waren zeer goede krijgers, voor die tijd redelijk wetenschappelijk onderlegd, kenden een beperkte vorm van schrift, vermoedelijk nog enigszins ontleend aan de Atlantiden. Deze groep trok naar het zuiden. Hun verhalen en legenden vervlochten zich vervolgens met het geloof van al die verschillende staatjes. Dan moet u niet vergeten, dat bijna elke stad een eigen God had en dat elke vorst nog weer bijzondere beschermers en helden onder zijn voorgeslacht meende te mogen tellen, als hij zelf tenminste geen god of van halfgoddelijke origine was. Het resultaat was dus een groot aantal goden. Die vele goden gingen ‑ juist bij de stand der geleerden ‑ wel enige weerstand wekken. Er moest een reden voor gevonden worden. En dan zien we de belangrijkheid van de goden in overeenstemming komen met de rijken, welke die goden vereren, U kunt zich dat misschien wel voorstellen.

Op deze manier ontstaat er een rangorde van goden. Als die rangorde eenmaal is ontstaan, gaan de denkers zeggen: Wat is de oorsprong? Zo krijgen we dus een samenvoeging van allerhande legenden: het karnen van de wereldzee en dergelijke. In aan de hand daarvan dus ook de sociale gebruiken van de op zich zeer absolutistische staat, waaruit deze “stand” is gevlucht.

Deze mensen huwen bij anderen in. Het is hetzelfde verschijnsel dat we zien bij o.m. de Atlantiden in Zuid‑Amerika; een langzaam opgenomen worden in de bevolking. Alleen hun gebruiken en sociale indeling zijn dermate bruikbaar in die periode, dat ze gehandhaafd blijven. Zo krijgen we dan – en dat is typerend voor een priesterstaat ‑ dat de wijze (ook wel de tweemaal-geborene, dat is eigenlijk een brahmaan) boven de krijgskaste staat. In de meeste andere landen zijn de krijgers de eersten. Hier niet. De krijger staat daaronder als volvoerder, dan komt de handelaar (degene die de grenzen overtrekt) en daar weer onder de boer. Degenen, die niet tot deze standen behoren zijn de dienstbaren, de slaven; en dat wordt later de stand der uitgeworpenen, de paria’s.

Nu vatten de wijzen al die overleveringen samen; En zo ontstaan de eerste grote boeken, die we samengevoegd vinden in de Vedanten. Deze worden dan weer tot leerstof voor de brahmaanse stand, die hieruit weer regels voor eigen leven – maar ook voor dat van andere stand ‑ en gaat distilleren. De legenden worden langzamerhand voorbeelden voor wetgeving. Zo hebben we dan eigenlijk een vermenging gekregen van legenden, geloof en sociale ordening. Dat is dan het hindoeïsme. In dit hindoeïsme treden verscheidene keren grote hervormers op; dus persoonlijkheden, die de filosofische inhoud vernieuwen zonder daarmee het sociale systeem aan te tasten. Dit wordt dan weer bij die boeken gevoegd en zo ontstaat er een wijsgerige literatuur van zeer hoge orde en ook een meergodendom, daar alle vroegere goden zijn samengevat. Iets dergelijks zien wij in een meer afwijkender ontwikkeling o.m. in Griekenland.

In Griekenland worden de vele goden eigenlijk samengevoegd door de schrijvers, die hen tot familie maken. Door hen in deze familiale verhouding te stellen, maken ze gelijktijdig, de eenheid mogelijk en vergroten de samenwerking tussen de verschillende afzonderlijke staten en landstreken. In het hindoeïsme echter hebben we in de eerste plaats te maken met een filosofische samenvoeging. En dan blijkt, dat verschillende goden en godinnen langzaam maar zeker hun identiteit t.a. v. een bepaalde plaats verliezen en daarvoor vaak tweezijdige of soms meerzijdige beel­den worden van filosofische aard, waarmee aspecten van het leven kun­nen worden verklaard, zoals Kali, de godin van de vruchtbaarheid en Kali‑Durga de godin van de dood.

Het zal u duidelijk zijn, dat we hiermee te maken krijgen met een sociaal systeem, dat religieus wordt verklaard. De filosofie, die langzaam maar zeker als de basis van dit alles wordt beschouwd, is daarvan eerder een product. Deze filosofie heeft dan ook een geldig­heid, die ver uitgaat boven het systeem, waarin het is ontstaan en kan als zodanig dus voor het westen belangrijk zijn, terwijl de hindoe­leer op zichzelf voor het westen toch wel minder belangrijk is.

Is het christendom de meest gewelddadige der wereldgodsdiensten? Ik denk hierbij aan het koloniseren plus bekeren en ook aan de laatste twee wereldoorlogen, die in de christelijke cultuurkring zijn begonnen. Ik geloof, dat wat de laatste vraag betreft er een fout is gemaakt. Die oorlogen zijn niet in de christelijke cultuurkring ontstaan, maar in de politiek‑westerse cultuurkring. Als we Duitsland zien als origine van de laatste wereldoorlog, dan moeten we zeggen, dat de Duitse ideo­logie juist niet christelijk was. Het was eerder een teruggrijpen naar de Germaanse mythos. Men moet erg voorzichtig zijn met een dergelijke formulering.

Of het christendom de meest gewelddadige godsdienst is? Indien we alleen op feiten afgaan, zou men dat kunnen veronderstellen. Maar men vergeet daarbij één ding, dat de christelijke wereld de snelste ontwikke­ling heeft doorgemaakt. Dat wil zeggen, dat de bakermat van het chris­tendom (als zodanig wil ik West‑Europa toch wel beschouwen) technolo­gisch, commercieel en politiek ver vooruit is gekomen op de andere ge­bieden waar de godsdiensten een eigen karakter hebben. Het resultaat was dus, dat de macht bij de christenen lag. Maar als we zeggen, dat de christenen met hun bekeren zoveel geweld hebben gebruikt, dan wil ik u toch wel herinneren aan de methoden van de moslims rond 1500 en ook nog veel later, toen de giaur (de ongelovige hond) de mogelijkheid kreeg om de islam te omhelzen, wat hij dan moest doen door het uitspreken van “Lâ ilaha illa…” enz. de bekende geloofsformule uit de eerste soera van de koran. Als hij dat niet deed, werd hij veelal vermoord. In 1700 is dat vermoorden er een beetje uit, omdat slaven kostbaar zijn. Ze worden dan doodgewerkt; dus ongeveer wat men in bepaalde concentratiekampen soms heeft gedaan. Ik geloof niet, dat je dat als geweldloosheid kunt beschouwen.

De boeddhisten zijn minder gewelddadig dan de christenen en de islamieten. Van de hindoes kunnen we zeggen, dat zij in het verleden, dus in hun grote tijd, veroveringsoorlogen hebben gevoerd, waarbij ze even­eens de aanvaarding van hun goden en vooral van hun denksysteem met geweld hebben opgelegd. In mindere mate hebben ook bepaalde boeddhis­tische vorsten dat gedaan. Maar de islam en het christendom acht ik wat gewelddadigheid betreft ongeveer gelijk. Ik kan dus niet zeggen, dat het christendom het ergst is. We kunnen wel zeggen, dat het christendom de mooiste uitvlucht voor gewelddadigheden is geweest voor de mensen, die de grootste macht hebben gehad in de westerse wereld in de laatste 14 á 1500 jaar.

*  Alle wereldgodsdiensten – maar ook als geloof beleden politieke systemen – kennen heilige boeken en plaatsen, martelaren, massale bijeen­komsten met extatisch ritueel, ketters, dogma’s enz. Is dit een nood­zakelijk en onvermijdelijk grond‑ of oerpatroon? Van de mensheid?

Ja. Er zijn verschillende dingen, waarmee u dan rekening moet houden. In de eerste plaats moeten we teruggaan tot de oergeschiedenis van de mensheid, toen het recht van de sterkste moest plaatsmaken voor het recht van de sterkste, die werd gesteund door de geesten, of de voorvaderen. De beslissingen te dien aanzien werden steeds genomen op voor die tijd massale bijeenkomsten, waarbij zich rituelen afspeelden en bepaalde bovenzinnelijke krachten werden aangeroepen. Tegenstanders werden uitgestoten en vermoord. In latere tijden en dan komen we reeds in de beschaving, werden ze wel gevangen genomen en gemarteld of als slaven gebruikt. We hebben hier dus wel te maken met een grondpatroon.

Het is zo, dat de mens in de massa, zijn identiteit gemakkelijker verliest. Het massale ritueel (geliefd bij vele godsdiensten en politieke richtingen) heeft het grote voordeel dat de mens zijn persoonlijkheid tijdelijk verliest en komt tot een kritiekloos ondergaan van datgene, wat de regisseur heeft bepaald. Als we even terugdenken aan het verleden, dan vinden we dat bv. ook de priesters van Amon‑Ré in Egypte de massaliteit van hun vertonin­gen juist gebruikten om daardoor de aanvaarding van hun macht af te dwingen. Ze hadden vaak trucjes. Denk maar aan de (in Thebe was dat) geheimzinnig openzwaaiende deuren, als het altaarvuur werd aangestoken. Denk aan de geheimzinnigheid van de lichtval, vaak ook nog met weerkaatsing, waardoor godenbeelden plotseling verlicht konden worden. Denk aan de vorm waarin massaorakels werden gegeven; aan het bezoek van goden. Altijd weer gelegenheden, waarbij de mens wordt overspoeld door een veel­heid van gebeuren, een massaliteit, die hij niet meer in detail kan over­ zien en begrijpen. Hij kan de totaliteit aanvaarden en ondergaan. Dat is één van de principes van massabeheersing.

In deze tijd gebruikt men ook wel andere dingen daarvoor. Denk aan bv. de grote sportwedstrijden. Dat is in feite ook een soort ritueel: de wedstrijd. Er is massaliteit, een groot aantal aanwezigen. Daar is een bepaalde bedoeling bij ‑ of het nu Ajax is of Feyenoord of Celtic of een andere club ‑ maar daarbij verliezen ze alle redelijkheid en ook de regels van het spel uit het oog. Ze beleven niet een wedstrijd, maar een overwinning. En als er geen reële overwinning mogelijk is, dan kun je die simuleren. De godsdiensten doen dat heel vaak in offerdiensten of met bijzon­dere lezingen, die meestal door ritme, muziek, soms door vuurwerk wor­den onderstreept. De politieke groeperingen doen dit heel vaak door het roepen van slogans door spreekkoren, eveneens muziek en daarbij machts­vertoon. Hiermee wordt dus bereikt, dat de mens net als vroeger wordt gereduceerd tot een deel van de stam, dat geen eigen recht of persoon­lijkheid meer erkent op dat ogenblik. Ik meen, dat ‑ bewust of onbewust ‑ door alle tijden heen grote groe­pen en grote machten (ook wereldse machten, Karel de Grote en ook ande­re vorsten hebben dat over het geheel genomen vaak gedaan) het vertoon hebben gebruikt om een isolement van het “ik” te veroorzaken en daarmee een massaal accept van zaken, die bij een kritisch denken niet aanvaardbaar zijn. Ik geloof, dat u dat nu nog vindt. Per slot van rekening als in Nederland de gouden koets uitrijdt, is dat dan ook niet het oproepen van het schouwspel, de verblinding, waardoor de inhoud van de Troonrede minder kritisch kan werden beschouwd (dat hoopt men althans) en senti­menten in de plaats komen van redelijke ontleding. U ziet, dat dit wel een grondeigenschap van de mensen is. Maar ik geloof niet dat men zover mag gaan om te zeggen, dat het alleen een oereigenschap is van religies en als religie beleefde politieke systemen. Ik denk, dat dit in alle menselijke relaties een rol speelt, zodra het gaat om het handhaven van macht in een groep.

*  Hoe staat u daar tegenover dat de kerk wel optreedt als boeman. Dat ze bv. de mensen of hele volksdelen weerhoudt om dingen te doen, die niet goed zijn.

Ja, dat is op zichzelf natuurlijk niet goed.

*  Maar toch vindt het plaats.

Dat vindt niet alleen daar plaats. U zegt, dat de kerken dat doen. Doet de staat dat niet? Ik geloof, dat we ons altijd weer moe­ten realiseren, dat we te maken hebben met qua aantal geringe groe­peringen, die middels pretenties, bedreigingen, ook indien ze die niet reëel kunnen uitvoeren, proberen de gedragsnormen van de meer­derheid volgens hun eigen inzicht te bepalen. Dit is naar ik meen een verschijnsel, dat ‑ zoals het vorige ‑ behoort bij de menselijke, uiting. Ik acht het niet goed. Dat is iets anders. Ik meen, dat het bv. verkeerd is om iemand verkeersregels te geven. Ik vind, dat het maatschappelijk juister is om hem voor verkeersschade aansprakelijk te stellen: maar dan ook ten volle en tot het laatste pond. Ik meen, dat dat van de algemene, de zeer sterk getrapte wetgeving uit den boze is ‑ al is het alleen maar omdat ze steeds onduidelijker wordt en daardoor onrecht schept ‑ en dat je te maken moet hebben met enkele regels voor gedrag, maar die dan ook helemaal moet handhaven. Men moet dus af van de mystieke dreiging en daarvoor in de plaats zetten een factuele verhouding. Dat acht ik inderdaad juister. De kerk heeft die machtsmiddelen tegenwoordig niet meer. En omdat ze niet meer zoals vroeger kan beschikken over legers of tenminste een Inquisitie, zal ze waarschijnlijk ‑ de hel als dreigement ‑ te hulp roepen om op deze wijze iets te bereiken.

Vergeet u één ding niet: Overal waar er een wat complexere samen­leving beslaat, zien wij dat kleine groepen alles proberen om de meer­derheid in haar gedrag te bestemmen. Ik vind dat volledig onjuist. Ik geloof, dat een mens recht moet hebben op zijn eigen leven volgens zijn eigen maatstaven zolang hij ‑ en dat is een heel belangrijk punt! ‑ deze niet aan anderen opdringt of anderen daarmee lastig valt. Ik meen, dat dit voor de gehele ontwikkeling van de mens juister is, dat het heel veel psychische en neurotische spanningen zal doen weg­ vallen en daarvoor in de plaats een grotere normaliteit, een grotere menselijkheid ten gevolge zal hebben. Maar als een kerk zegt. “Mijn normen zijn niet juist”, dan geeft zij daarmee toe: ik ben te betwijfelen. En als je begint te twijfelen, dan twijfel je in de eerste plaats aan de rest van het gezag dat zij zich toekent, aan de geestelijke vermogens of voorrechten, die men zich toe­ kent en tenslotte ook aan de leer zoals die wordt verkondigd. En als een kerk een dergelijke twijfel toelaat, dan heeft ze zichzelf a.h.w. uitgeroeid; dat kan dus niet.

Elk groot lichaam heeft de neiging zichzelf in stand te houden Als we bv. kijken naar Nederland, dan zien wij dat de technocratische ontwikkelingen hebben geleid tot een grote hoeveelheid overtollige regerings‑ en andere organen, welke zichzelf voortdurend trachten in stand te houden en zelfs aan te vullen, dus te vergroten, omdat dit de enige manier is om te voorkomen dat de overtolligheid bekend wordt. Maar als men dit in een staat ziet, dan moet men zich realiseren dat een dergelijke motivering in nog veel grotere mate geldt voor het idee logisch systeem. Want de staat der Nederlanden blijft wel bestaan. ook indien een aantal overbodige ministers, staatssecretarissen, referendarissen en dergelijken zo langzamerhand op de keien zouden komen te staan. Maar als dat in de kerk gebeurt, dan is er geen werkelijke rijk om op te­rug te vallen; er is geen realiteit. Er is alleen een abstractie, de leer. En die leer vervaagt, als er geen gelovigen zijn. Daarom is het zo enorm belangrijk voor een religie en een systeem dat daarop gelijkt ‑ onverschillig om welke redenen ‑ dat de mythos ten koste van alles wordt gehandhaafd; en dat kan men alleen doen door voortdurend pressie uit te oefenen. Die pressie moet dan natuurlijk in overeenstemming zijn met het gepredikte systeem of de gepredikte leer, maar het is op zich­ zelf niet belangrijk welke elementen daarbij de voorkeur krijgen zolang­ die pressie bestaat, en daardoor de aanvaarding en de instandhouding van de leer of het systeem bevordert.

*  Betekent godsdienst in wezen eigenlijk niet God dienen? Dus een zekere levenshouding?

Dat zou het moeten betekenen. Als de godsdiensten God zouden die­nen, zouden ze een mens minder beheersen en meer dienstig zijn. Het is echter zo, dat de godsdienst God gebruikt als reden tot rege­ren. De dienst, die men aan God bewijst, is het zich toe-eigenen van gezag en macht op grond waarvan men eisen aan anderen stelt, Ik ge­loof, dat we deze karakteristiek van het begrip “godsdienst”, factueel moeten aanvaarden, ook als ik u toegeef dat het woord is ontstaan uit de samenvoeging van de begrippen God en dienen.

*  Dus het doet er niet toe in welke verpakking dit gaat, als de juiste levenshouding maar wordt uitgevoerd?

Op het ogenblik, dat u uit eigen ervaring en zo al niet volledig duidelijk met woorden dan toch met feiten bewijsbaar kunt aantonen wat God is en daarnaast duidelijk kunt maken dat Hij ook nog iets anders kan zijn, zou er reden zijn om een bepaalde visie aan anderen voor te leggen. Maar aangezien ik meen dat niemand zijn eigen visie werkelijk en volledig kan aanvaarden, geloof ik ook dat geen enkel systeem nodig is, omdat m.i. de doorsnee‑mens ergens in zich een relatie voelt met het Onbekende, of hij dit nu het volk, de toekomst of God noemt. Ik meen dat het deze relatie is, waardoor de mens in zich tot mystieke ervaringen en belevingen komt. Ook ben ik van mening, dat hieruit zijn hogere drijfveren worden geboren en ten laatste, dat hij aan dit in­nerlijk gevoel vermogens ontleent, die de normale menselijke prestatie veelal te boven gaan.

Dan kunnen we het onderwerp nu gaan besluiten.

Uit uw vraagstelling meen ik op te maken dat de meesten van u de door mij gelanceerde stelling, dat de wereldgodsdiensten, zoals ze nu bestaan, op zich schadelijk zijn voor de mensheid, wel zullen hebben on­derschreven. Het is echter niet voldoende om met een dergelijke stelling te komen. Laat mij daarom eindigen met u mijn visie te geven omtrent de relatie mens ‑ God, zoals ik die juist acht en die volgens mij door de wereldgodsdiensten wordt geremd en soms zelfs belemmerd. In de mens ligt niet slechts de honger naar het onbekende, maar er ligt in hem ook een aanvoelen, waardoor zijn beleven van de feitelijke omstandigheden op aarde een zekere inhoud verkrijgt, die aan het erkend redelijke te boven pleegt te gaan. Waarmee ik niet meer en niet minder heb gezegd, dan dat de mens meer kan dan redelijk verklaarbaar is, maar dit slechts kan door een gevoel van innerlijke verbondenheid met íets wat niet bekend is. Volgens mij is deze relatie met het Onbekende ‑ of we dat nu God noemen of het een andere naam geven ‑ dus voor de mens de methode om zichzelf meer waar te maken.

Jezelf waarmaken betekent voor jezelf vrede vinden. Als je vrede hebt met jezelf, vind je harmonie met de wereld en sta je dus ook open voor alle krachten en invloeden, die daarin kunnen optreden. Het is dit openstaan voor de wereld, waardoor de mens leert ‑ zelfs zuiver mentaal. Het is dit openstaan voor invloeden, voor krachten, waardoor de mens innerlijk rijper wordt en juist door zijn verbonden zijn daarmee ‑ of door het bepalen van een standpunt‑ te dien aanzien zijn vermogen om zichzelf te kennen en de wereld te beheersen ‑ voor zover het hem zelf betreft ‑ vergroot. De mens, die het slachtoffer is van omstandigheden, geregeerd wordt door een noodlot of sterk gebonden is aan algemeen gel­dende regels en opvattingen, is altijd een mens, die ‑ juist omdat hij niet zichzelf kan zijn ‑ ongelukkig is.

Het is vreemd, dat zoveel godsdiensten de nadruk leggen op het ongelukkig zijn van de mens. Ik meen, dat de mens niet wordt geboren op aarde om in ellende te boeten voor een zonde, die eens verre voorvaders op wat nudistische wijze in een paradijs bedreven zouden hebben. Ik meen, dat de mens zijn geestelijke relatie met de Oneindigheid heeft, waartoe hij behoort, en dat hij ook in de stoffelijke vorm die relatie juist moet beseffen en waarmaken; dat hij gelukkig moet zijn. Dat wil zeggen: harmonisch moet zijn met de wereld, waarin hij leeft en met de werelden, waartoe hij niet volledig redelijk bewust verder behoort. Voor mij is de inhoud van het leven harmonie, geluk, vrede. Het is vaak moeilijk, omdat je uitgaat van beperkte maatstaven. Maar als je innerlijk grijpt naar hogere waarden, dan besef je ineens dat het zo ook aanvaardbaar is, dat het kan. En dan vind je daarin weer nieuwe stimuli om jezelf te kennen, om je wereld beter te begrijpen en daardoor toch, ook weer een groter geluk.

Wat als menselijk geluk wordt gepredikt ‑ ook door de grote godsdiensten ‑ is vaak een isolement, dat voert tot eenzaamheid of geba­seerd is op eenzaamheid. De mens is niet geschapen om eenzaam te zijn. De geest leeft niet in de stof om begrensd te worden tegenover anderen. Integendeel, de mens leeft juist om één te zijn met anderen. Niet op een beperkt stoffelijk vlak, maar in een wederkerigheid van begrip, in een aanvaarding, in een verstaan. En als je dit verstaan, dit begrip vindt, dan vind je daardoor in jezelf een zekere levensvreugde. Iets wat meer is dan vreugde alleen, omdat het zijn excessieve uitdrukkingen, zijn ge­voelens van relaties snel verliest, maar daarvoor in de plaats een rustige eenheid doet ontstaan, die ik harmonie noem. Een mens kan niet harmonisch zijn, als hij leeft als een weerbarstig dier, gedreven in de richting van bepaalde handelingen en daden, voortgejaagd door de dreigende zweep van hel en verdoemenis. Een mens kan niet harmonisch zijn, indien al zijn daden worden getoetst aan waarden, die hij zelf niet eens begrijpt. Een mens moet bewust harmonisch kunnen leven.

De wereldgodsdiensten door hun poging de massa te beïnvloeden, de leer te stellen als een criterium voor alle dingen, beletten de mens zichzelf te zijn. Ze geven hem een schijn van harmonie, die een ogenblik duurt om onmiddellijk te worden vervangen door de enorme angst voor eigen zondigheid. Ze doen de mens vluchten in formules in plaats van te leven vanuit begrippen. Dit zijn bezwaren, die ik – naar ik meen – terecht koester.

Maatschappelijk gezien zijn de wereldreligies natuurlijk van belang geweest. Maatschappelijk gezien hebben ze ook nu nog zeer grote invloed en bepalen ze het verloop van gebeurtenissen in vele landen op een wijze, die men zich ternauwernood kan voorstellen. Maar doen zij dit terecht? Mijns inziens niet. Ze hebben bijgedragen tot de vele gevaren, die de mensheid op dit ogenblik bedreigen vanuit zichzelf. Ze hebben bijgedragen tot waanvoorstellingen, die niets meer te maken hebben met menselijkheid, met medemenselijkheid of zelfs Godsbegrip in jezelf, maar alleen met de vage angst voor een verdoeming, die door mensen zou moeten worden uitgesproken en bevestigd. Als er iets dwazer is dan een mens, die zich het recht aanmatigt op Gods rechtersstoel te zitten, dan moet u het mij vertellen.

Ik geloof in het dienen van God. Maar ik meen, dat je God alleen kunt dienen, als je Hem persoonlijk beseft. Op het ogenblik, dat een ander je moet vertellen hoe je God moet dienen, is er geen relatie tussen jou en God. Dan lijkt het mij betrekkelijk dwaas om voor een kracht, die misschien maar een fictie blijkt te zijn, je hele leven te laten bepalen. Ik meen, dat je in jezelf God wel degelijk kunt vinden. Evenals ik meen, dat je God nodig hebt en ‑ dit erkennende ‑ in jezelf Hem zult aantreffen met vele krachten, machten en mogelijkheden, waarvan je nooit hebt gedroomd.

Ik geloof in een uitdrukking van de goddelijke harmonie in je leven. Niet in de halfzachte gelatenheid, die tot martelaarschap voert om onbelangrijke dingen. Niet in het strijdvaardig zijn, totdat je alle anderen in een zee van bloed hebt gesmoord, zoals sommige profeten hebben gedaan.

Ik geloof in een harmonie van God, die je vindt door de veelzijdigheid Gods weerspiegeld te zien in alle facetten van de schepping en te leren met deze vele facetten te leven, daarin een eigen plaats in te nemen, die onaantastbaar wordt door de waarheid, die ze voor jou innerlijk heeft.

Misschien ben ik wat te ver gegaan in de poging mijn standpunt nader uiteen te zetten. U heeft in uzelf krachten en mogelijkheden, die onmetelijk groot zijn en die meestal alleen worden beperkt en geremd of verdwenen schijnen te zijn door uw neiging anderen te beoordelen naar uw maatstaven. U moet anderen niet beoordelen. U moet anderen aanvaarden en met hen een harmonie zoeken, hoe dan ook. Dat is het belangrijkste dat er bestaat. Een wereldgodsdienst en een machtsstructuur kunnen dit nooit werkelijk bevorderen. Daarom pleit ik voor een Gods-beleven, dat niet is gebaseerd op machtsstructuren, waarbij elk heilig boek voor een mens een rol kan spelen zo hij persoonlijk hierin een omschrijving vindt voor zijn relatie net God, maar waarbij niets van deze boeken, openbarin­gen, leringen of wat ze anders ook mogen zijn, gelding heeft ten aanzien van het gedrag van anderen, die deze ervaring niet kennen. Mens, wees uzelf. Vind de waarheid in uzelf. Vind de harmonie uit deze waarheid met het niet‑omschrevene, dat gij aanvoelt en open­baar dit in uw wereld. Daarmee dient gij God waarlijk, openbaart gij uw wezen ten volle en vindt gij de geestelijke rijpheid, die mede uw doel is bij een incarnatie in de materie.