Werkelijkheid en realiteit

18 januari 1957

Wat is werkelijkheid, wat is realiteit? Ik wil dit onderwerp beginnen met een kleine gelijkenis. Er waren eens twee mensen. Beiden wilden zij een huis bouwen. Zo spraken zij tot elkaar en zeiden: “Wanneer jij mij helpt, dan zal ik jou helpen”. Al werkende spraken zij over de vraag: wat is nu werkelijkheid? De een zei tot de ander: “Indien ik mijn hamer op je voet laat vallen, is dat voor jou werkelijkheid”. De ander bestreed dit, waarop de eerste de hamer inderdaad liet vallen. Helaas verbiedt uw eerwaardig aanzien mij de woorden te herhalen, waarmee de tweede dit zeer tastbaar argument beantwoordde. Nog rijkelijker vloeiden zijn woorden echter toen de eerste hem zei: “Nu eerst is dit beeld, waarover wij spraken, je tot werkelijkheid geworden”.

Met deze kleine parabel tracht ik u duidelijk te maken dat werkelijkheid voor ons niet datgene is dat wij ons voor kunnen stellen, maar datgene wat wij aan de lijve ondervinden. Duizenden dreigingen van onheil betekenen uiteindelijk niets, enkel iets waarover je kunt denken, waarover je filosofeert, waarvoor je misschien vreest. Maar onderga je een slag in het leven, dan weet je eerst wat het werkelijk betekent. Niet slechts deze ene keer maar voor alle tijden. Met het vallen van deze ene hamer werden voor deze spreker bij het in aanbouw zijnde huis uiteindelijk alle vallende hamers in de wereld tot werkelijkheid. Dan weet je eerst wat het werkelijk betekent.

Niet slechts voor deze ene maal, maar voor alle tijden. Met het vallen van deze ene hamer werden voor deze tweede spreker bij het in aanbouw zijnde huis uiteindelijk alle vallende hamers in de wereld tot werkelijkheid.

Wanneer een mens spreekt over realiteit, is hij geneigd aan te nemen, dat al hetgeen voor hem bevattelijk of zichtbaar is, reëel is. Met een tweede gelijkenis hoop ik u duidelijk te maken, dat dit zeker niet altijd het geval hoeft te zijn.

Iemand moest een verre weg afleggen. Tijdens zijn reis zag hij een medereiziger, die zich in dezelfde richting spoedde. “Laat ons samen gaan” sprak nu de eerste tot de tweede. “Zo zullen wij sterker zijn en niet zo snel door rovers worden overvallen”. De tweede nu was de roverhoofdman, die met zijn benden die weg onveilig maakte. De tweede stond het samengaan redelijk toe. Maar de roverhoofdman was zo zeer gespannen op het doel van zijn eigen reis, dat hij de schamele bezittingen van zijn gezel spaarde, evenals diens leven. Toen zij het doel van hun reis bereikt hadden, zei de eerste, staande voor een Khan, tot de tweede: “Ziet u nu hoe goed het is, dat op de weg twee mensen samen gaan. Want dan durven de rovers hen niet te benaderen”.

Wanneer een mens in zijn leven bepaalde dingen als waar aanneemt, omdat hij ze nu eenmaal zo beleefd heeft, dan vergeet hij vaak, dat door het als algemeen geldend stellen van zijn ervaringen, hij waarden mede insluit in zijn betoog, die hij noch kent noch overzien kan.

Wanneer men u zegt – en dit is een term, die in deze dagen nogal vaak gebruikt wordt –: “De politieke spanningen zijn onrustbarend, doch er bestaat geen reden om te vrezen dat….” en hier volgen dan reeksen van dingen, die binnenkort dan toch gebeuren. Toch geeft men u een beredeneerd voorbeeld. U weet nu uit ervaring al, dat men dan tracht u gerust te stellen. Het genoemde feit is mogelijk reëel door u te ervaren en na te gaan. Maar het geheel betreft ook andere, niet na te zoeken waarden. Daarom is het geheel niet reëel.

Nu kunt u mij verwijten, evenals Lao Tse dit een leraar verweet: “Dit zeggende kan uw betoog voor mij geen werkelijkheid zijn”. De leraar echter, die de wijsgeer wel had herkend, zei hem: “Inderdaad, werkelijkheid wordt voor u mijn wijsheid eerst, wanneer zij in de uwe is vervat”. Zo gaat het ongetwijfeld met al wat wij spreken, al wat wij denken en doen. Alleen dat wordt voor ons werkelijkheid, wat wij werkelijk beleefd hebben, of voor onszelf weten en geloven.

Werkelijk is voor ons alleen, wat wij aan den lijve hebben ervaren en persoonlijk hebben doorgemaakt. Nu bestaan er echter mensen, die niet slechts één, doch vele malen op deze wereld als mens geleefd hebben. Deze vragen zich dan vaak af: “Hoe komt het, dat ik dit ken, dit weet, terwijl ik het toch niet ontmoet of beleefd heb?”. Indien wij blijven bij de definitie van de werkelijkheid, zoals die u wordt voorgelegd, zouden zij moeten zeggen: “Dit alles, wat slechts in mij leeft, is niet werkelijk”. Maar in feite bestaat er in ons een persoonlijke werkelijkheid: onze voorstelling van leven en bestaan. Zolang u niet geheel weet wie en wat uzelf bent, zolang u dit wezen niet met alle ervaren en levensfasen kent, hoe kunt u beweren zelfs omtrent uzelf te weten, wat werkelijk is, wat voor u althans reëel bestaat? U kunt zich alleen beroepen op wat uzelf overkomen is en zelfs daar nog alleen in zoverre het zich op uzelf betrekt.

Uw groot verstand heeft ongetwijfeld de punten al omvat, die ik met dit laatste duidelijk wil maken. Indien volgens uw oordeel mijn tong niet geslaagd is in haar armzalige pogingen simpele gedachten in woorden om te zetten, kunt u mij opdragen, de gemaakte fout zo goed mogelijk te herstellen.

Uw hoffelijk zwijgende glimlach vleit mij. In sommigen van u meen ik echter de vraag te zien opkomen of deze hoffelijkheid wel werkelijk is? Laat mij toe u uw raadsel ontsluieren en u mededelen, wat u zelf ongetwijfeld evenzeer zou kunnen vaststellen. Maar zelfs uw wijsheid kan niet helemaal in mijn wezen doordringen. Mijn hoffelijkheid is reëel, daar ik daarmee wil aantonen, hoe ik u evenzeer eer en waardeer als mijzelf. Zo ik u al in woorden hoog boven mij verhef, neem ik daarbij uw grote nederigheid mee in rekening. Zo zult u, uzelf vernederend, uzelf toch nog kennen in mijn woorden.

Ik zou u nog graag een parabel vertellen over een meer kosmisch gebeuren, die ook een meer kosmische werkelijkheid belicht. De oude Chun Tsu, die uit de Chou-dynastie stamde en een lange tijd op aarde had gedroomd, werd opgeroepen tot het hof van de hemelse keizer. Hij zei dan tot de hemelse keizer: “Zie, hoe goed ik op aarde heb geleefd, hoe edel ik ben geweest in mijn gedragingen. Wijs mij dus de plaats aan uw hof, die mij toekomt”. De hemelse keizer zei hem echter: “Gij waart edel, omdat gij uzelf te hoog achte om laag te zijn. Zo bergt uw edelmoedigheid geen verdienste. Gij waart geleerd. Doch hebt gij niet slechts datgene geleerd, wat in de klassieken geschreven staat? Uw geleerdheid was slechts een weten omtrent wat anderen eens dachten. Daarin zie ik geen verdienste”. Reeds wilde de keizer Chun verwijzen naar de buitenste werelden, toen een kleine god, die vaak op aarde vertoefde, zich tot hem wendde en sprak: “Verheven en machtige heerser. Verwaardig u zich, mij te aanhoren. Ik heb heer Chun gezien toen zijn dragers met zijn draagstoel struikelden en zo ook een kind bespatten met modder. Heer Chun verweet zijn dragers niet alleen, dat zij hem hadden laten vallen, doch ook, dat zij daarbij een kind gedeerd hadden”. De hemelse keizer streelde eens zijn baard, dacht na en sprak: “Eenmaal dus heeft deze mens een waarheid gezien, die groter was dan hijzelf”. Zich wendende tot heer Chun zei hij hem: “Ga naar mijn tuinen in het Westen. Ik stel u hierbij aan tot mijn tweede hulp-hovenier. Op het ogenblik, dat u daar geleerd hebt de bloesem der mensen te waarderen en te begrijpen, kunt u wederom voor mij verschijnen. Want dan kunnen de gedachten van anderen u misschien worden tot een bron van eigen wijsheid”.

Wanneer wij ons beroepen op hetgeen wij zijn, zullen wij vaak onze eigen eigenschappen beschouwen als verdiensten. Dan zal men zeggen: “Heb ik niet altijd geleefd naar de geboden en de wet”, of “Heb ik niet altijd gestreefd naar geestelijke bewustwording” en dit zien als een werkelijke verdienste, een werkelijke bewustwording. Maar dit alles is eerst werkelijk, wanneer het voortvloeit uit onze eenheid met het Al, dus geheel natuurlijk. Buiten dit is het geen werkelijke verdienste, of bewustwording. In een vergetelheid tegenover het “ik” schuilt vaak meer waarheid en waarde dan in alle streven.

Tot degenen onder u, die nu menen te moeten zeggen: “Maar hoe moeten wij dan verder komen”, geef ik het volgende antwoord: – niet uit mijzelf heb ik dit; het is deel van de wijsheid die ik mocht putten uit het bewustzijn van anderen – “Indien gij uzelf vergeet en toch anderen kent, ziet het oog van de Machtige, Die alle dingen schept met (en) door u een deel van de Schepping. In de eenheid met Zijn Almacht wordt u verheven boven uzelf. Doch indien u slechts op uzelf schouwt en slechts vanuit uzelf op anderen, hoe kan het beeld dan verder doordringen dan de begrensdheid, die u als alle schepping eigen is? Hoe zullen wij ooit hoger kunnen stijgen dan ons “ik”, indien wij slechts vanuit onszelf oordelen?”. U ziet,  hoe onze werkelijkheid simpel en eenvoudig wegsmelt onder onze handen. Er blijft ons weinig over. Want al wat je waardeert in je leven, is niet reëel. De realiteit is datgene, wat buiten je bestaat en niet slechts dat, wat in verband staat met wat je binnen jezelf ervaart. Toch moet je wel degelijk zelf beleven.

Nu kunnen wij over de eerste gelijkenis – uw lang en oud geheugen zal zich deze nog duidelijk herinneren – zeggen, dat de ontmoeting tussen voet en hamer het element “ervaring” illustreerde. Maar de reactie daarop, die uw aanzienlijkheid en mijn bescheidenheid mij verboden u uitvoerig mede te delen, was de uiting van een onbewustzijn. Daar het bewuste zich in dit element op het ogenblik van de ervaring terugtrok en daarvoor in de plaats het gevoel trad, kwam een reactie die ook in wijze en veelheid van woordkeuze, de bewuste waarden van het “ik” te boven kon gaan. Hieruit volgt dan wel, dat de gevoelswereld verder reikt dan bewust denken en handelen ooit kunnen doen in de werkelijkheid van de persoon.

In mijn belachelijk voorbeeld, waarbij een stoffelijk gevoel de aanleiding werd tot een werkelijkheidservaring, vinden wij een waarde, die ook op hoger plan is door te voeren, wanneer wij zeggen: “Al hetgeen ik werkelijk beleef, doet mij in de beleving mijn “ik” tijdelijk vergeten, behalve zover dit met de beleving in verband staat”. Hiermee realiseer ik dus een ogenblik een zuivere waarde van de Schepping. Zo benadert men dan in dit ogenblik van beleving de Goddelijke Waarden, die binnen de beleving van dit moment behouden liggen. Het ogenblik van ervaring maakt het mogelijk, grotere Waarden te doorleven en te behouden in het volgende ogenblik van zelfvergetelheid. Zo ontstaat in ons de schatkamer van herinneringen en waarden, die gedachten wekken, ja, uiteindelijk ook gedachteloze ogenblikken schept, waarin u één kunt zijn met uw eigen wereld en dus met de kosmos, die als ondergrond van de verschijnselen, deel van uw wereld uitmaakt. Ongetwijfeld zult u allen zelf naar deze waarheid zoeken. Onthoudt daarbij echter dit – sta mij toe, ook hier wederom een parabel te gebruiken – :  Eens, toen de geesten der zeven winden tezamen waren, schiepen zij gezamenlijk vier tovervoorwerpen. Eén daarvan was een grote kristallen bol, geladen met een wonderlijke eigenschap. Zij wierpen nu hun gaven op aarde, opdat de stervelingen daardoor ofwel tot de onsterfelijken – de goden – zouden kunnen stijgen, dan wel aan hun eigen nietigheden ten onder zouden gaan. De bol nu werd gevonden door een jonge man. Zichzelf in de bol aanschouwende, zag hij nu, dat hij zo(wel) in de bol leefde als daarbuiten. Hij beschouwde zijn beeld aandachtig, denkende: “Hoe schoon ben ik, hoe slank zijn mijn leden, hoe waardig is mijn uiterlijk, hoe gepast mijn kleed”. Doch – nader beschouwende – zag hij vol ontsteltenis, dat zijn beeld in de bol door een straat schreed en in de modder viel. Het stemde hem treurig. De volgende dag snelde hij vol waardige haast naar een groot en machtige beschermer. Hij struikelde en bevuilde zich met het vuil van de straat, juist zoals hij dit reeds de dag tevoren in de bol had gezien.

Deze jonge man was geen dwaas. Zo zei hij zichzelf – nadat hij van de eerste ontsteltenis was bekomen -: “Voortaan zal ik elke dag in deze bol schouwen en mij zo onttrekken aan de mogelijke onaangenaamheden, die mij wachten”. Zodra hij echter trachtte dit ook werkelijk te doen, verscheen in een droom hem de geest van de westenwind, die hem zei: “Ontwijk het lot door uzelf geschapen en zie waar u belanden zult”. De jonge man zag zichzelf opeens ouder, beladen met een schandkraag op weg naar een openbare plaats van terechtstelling. Zozeer vreesde hij dit onwaardig lot, dat hij de bol niet meer durfde aanschouwen. Dit duurde totdat hij ziek werd.

Hij schouwde wederom in de diepten van de bol. Zichzelf daarin genezen ziende, strevende en werkende, dacht hij na. Daarna sprak hij tot zichzelf: “Niet opdat ik tijd en gebeurtenissen veranderen zou, is mij deze gave geworden, doch opdat ik leer en begrijp mijzelf te zien met andere ogen”. Voortaan beschouwde hij zichzelf als een vreemdeling in de bol. Daardoor zag hij zichzelf bij alles wat hij beleefde met de ogen van de omstanders. Zo begreep hij ook, waar hij werkelijk slaagde en waar hij faalde.

Toen nu, in een vermomming de dood tot hem kwam – zoals hij tot ieder van ons komt of kwam – en hem zei: “Het is tijd, heer; mijn sampan ligt klaar, opdat wij zullen varen op de eeuwige stroom”, lachte de jonge man en antwoordde: “Waarom zou ik met u gaan. Ik, die niets ben in de ogen van anderen”. “Maar u bent even werkelijk als alle anderen”, zei de dood . De jongeman glimlachte en toonde de dood zijn bol. “Ziet u, dat deze bol mij in de glans niet weerkaatst?” De dood echter sprak: “In deze bol zie ik een licht. Dit licht bent u als werkelijkheid. Daarom dient u mij te volgen”. Toen werd de jonge man tot een Licht. De dood trachtte het te doven, maar met al zijn macht kon hij de gloed niet blussen. De astrologen bepaalden een gunstige dag voor de begrafenis, want een beeld van de jonge man was achtergebleven. Toen de stoet met muzikanten en gehuurde klaagvrouwen rijkelijk aangevuld, door de straten trok om zijn resten toe te vertrouwen aan de grond zijner vaderen, flonkerde er boven een ogenblik een glimlachend licht aan de hemel. Op aarde zag men het en sprak: “Ziet, een ster groet de dag en ons allen” Maar in de godenwereld zei men: “Zie het Licht. Er is een nieuwe God geboren”. De meest wijze onder hen sprak het uit: “Deze mens kende zichzelf als door het eren van anderen. Zo overwon hij de dood en had hij de waan gebannen. De werkelijkheid is nu zijn rijk.

Dit verhaal is zeer oud. Voor het eerst werd het lang geleden verteld door Fu Chien, een dichter van grote waarde. In dit verhaal tekende hij zijn beeld van de mensen. Wanneer je weet, wat je betekent voor anderen, ken je je eigen betekenis. Dan weet je ook pas, wat je werkelijk betekent voor degenen die rond je zijn. Niet zoals je misschien denkt: een zelf bestuurde kracht in een wereld, die gekend wordt. Dit ben je slechts voor jezelf. Maar voor anderen ben je een werktuig van ongekende machten in een wereld, die geheel anders is, dan je denkt. Je wordt tot de volbrenger van een Goddelijk Oordeel, tot de brenger van door jezelf mee begrepen, of verwachte zegeningen. Begrijp je dit echter, weet je wat je werkelijk betekent in de wereld van anderen, dan weet je ook, dat je doel bent van hogere krachten. Eén zijnde met deze kracht en bewust van deze eenheid straalt echter je bewustzijn met de kracht van een zon. Wie zichzelf zichzelf echter zo kent, zal die zich misschien nog onderwerpen aan de schijn, ondergaan in onbegrepen waan? Neen! Boven alles zal hij zijn, ook in de wereld van de goden. Zo wordende tot een God der Goden voltrekt de mens de waarden van zichzelf door geheel de schepping en door alle werelden. Dit is werkelijkheid. Misschien kunt u nu beseffen, waarom ik vanavond dit woord”realiteit” in het bijzonder wilde belichten en behandelen, dat ik speciaal met u wilde spreken over de waarden daarvan.

Achter alle voorstellingen die wij kennen schuilt een wereld, een grote werkelijkheid. De vraag is: hoe zullen wij deze leren kennen en waarderen, wanneer wij onszelf nog steeds beschouwen en waarderen volgens onze eigen inzichten. Zegt niet het oude spreekwoord: de rechter oordeelt over zijn bijzit en glimlacht; de rechter oordeelt over zijn vijand en schenkt de dood. Zo zijn wij ook. Hard in ons oordeel over anderen, zacht in ons oordeel over onszelf en over diegenen die ons lief zijn. Daardoor juist zijn wij nog dwazen. Zodra wij ons realiseren, hoe wij een werktuig van het Goddelijke zijn in de wereld van anderen, dat wij naast ons persoonlijk beleven – zij het onbewust – gelijk een Goddelijke taak vervullen, dan leren wij onze eigen waan te laten en daarvoor de grote waarheid te aanvaarden. Dan bestaat er voor ons geen grens meer dan de Wil van het Goddelijke, die in ons wordt tot een Lichtende Kracht. De waarheid erkennende worden wij door deze Goddelijke Kracht tot een Licht, een zon die uitstraalt in de wereld van de geestelijke groten.

Mag ik aan het einde van deze beschouwingen de hoop uitspreken dat ik noch uw grote wijsheid onderschat, noch het uitdrukkingsvermogen van mijn woorden overschat heb? Sta mij verder toe u de wens uit te spreken dat u, in het kleine dat thans nog uw werkelijkheid vormt, zult leren de Grote Werkelijkheid te aanschouwen.

Wij zullen besluiten met “het Schone Woord”.

Het is schoon zichzelf te overwinnen.

Indien ik slaaf ben van mijzelven,

ben ik de slaaf van zelf-geschapen waan

en wordt mij het daaglijks bestaan

tot een keten, die mij drukt.

Overwin ik echter eens mijzelve,

dan breek ik de keten stuk,

die, zwaar, het leven mij deed dragen,

zonder vreugde en geluk.

Bevrijd ik mijzelve van alle waan,

Mijzelf overwinnend, onbevreesd,

kan ik mijn wegen verder gaan

met alle vreugden steeds.

Het meest vrijdom van smart en vrij van waan.

Overwinnende mijzelve,

proef ik eerst des levens wijn,

waar ik vreugde aller dagen,

mijzelf en één met God kan zijn.

Dit is het strijden waard.

Wil heden nog beginnen

en gij ervaart gelijk wie het deed:

Het is schoon zichzelf te overwinnen.

Wie tegen zichzelf strijdt uit liefde voor de werkelijkheid en het licht, niet strijdende uit haat tegen zijn wereld en zichzelf, zal het Goddelijke Licht in zich ervaren als prijs van zijn strijd. Vooral krijgt men echter het besef: wat mij vervreemde van de wereld en mijn God waren mijn eigen fouten.

Daarom bevestig ik deze spreuk: zalig is het zichzelf te overwinnen. Want daarmee zeg ik immers gelijktijdig: wie zichzelf herwint vindt daarmede het besef van het Goddelijke Licht, dat in ons allen leeft. Hiermede heb ik het mijne over dit citaat gezegd. Alleen dit zou ik er nog aan toe willen voegen:  Zelfoverwinning betekent voor ons het uitdrukken in de wereld van ons innerlijk weten. De strijd in ons ontbrandt immers door het verschil tussen bewustzijn en drang.

Waar het bewustzijn zegeviert, is een opgang tot God wel zeker. Zolang echter het dierlijke in de mens, de begeertevorm, over de geest blijft regeren, zullen wij – ondanks alle bewustzijn – nooit op kunnen gaan tot Hogere Wereld, omdat wij gebonden zijn door dingen, die buiten onze wereld geen enkele betekenis hebben.

Daarom eindig ik met de wens, dat u allen in staat zult zijn uw innerlijk weten uit te drukken in uw wereld, elke dag weer, in elke sfeer, waarin u ooit zult vertoeven.