Werkelijkheidszin

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Inzicht 2’ (hoofdstuk 3) – december 1963

Op het ogenblik dat wij van uit onszelf zoeken naar waarheid, worden wij geconfronteerd met onze beperkingen. Deze beperkingen bestaan voor ons krachtens de zintuigen waarmee wij waarnemen en krachtens het voorstellings- en denkvermogen, dat is gebaseerd op stoffelijke waarden en vormen. Het zal u duidelijk zijn, dat – gezien het feit dat het menselijk denken nog geen tiende van de scala van op aarde waarneembare feiten en verschijnselen dekt – de werkelijkheid, die de mens kent wel zeer beperkt moet blijven. Ik geloof dus dat wij verstandig doen ons eerst af te vragen: Wat is het tekort bij de mens? En dat is dan kort geformuleerd:

  1. Zijn denken is over het algemeen een woorddenken. Zelfs bij een beelddenken formaliseert hij het beeld volgens eigen gewoonten.
  2. De mens zoekt zekerheid. Op het ogenblik dat hij wordt geplaatst voor het ongewisse, zal hij trachten dit terzijde te schuiven om daarvoor in de plaats een zekerheid, of zelfs maar een schijn van zekerheid te zoeken.
  3. De zintuiglijkheid van de mens betekent ook een belemmering van zijn directe stoffelijke vermogens. Daar hij zijn leven op zijn stoffelijke vermogens baseert, is hij op zijn minst huiverig om andere capaciteiten te gebruiken en vaak zal hij zich niet realiseren wanneer deze werkzaam zijn.
  4. De onzichtbare wereld wordt door hem niet verstaan als een werkelijkheid, maar slechts als een afschaduwing (desnoods een verheerlijkte afschaduwing) van eigen wereld. Hij komt dus niet tot concepten die verdergaan dan het normaal menselijke, eventueel gesublimeerd.

Met deze punten heb ik getracht beknopt weer te geven wat het tekort is. Maar wij hebben ook de mogelijkheden nodig. En dan stel ik weer: De mogelijkheden voor de mens zijn:

  1. Een denken, dat zich niet houdt aan erkende regels en daardoor tussen de op zichzelf bekende feiten nog niet gekende associaties, verbindingen of relatie kan ontdekken. Het resultaat is een verandering van zijn wereldbeeld en vaak een vergroting van zijn technische mogelijkheden.
  2. Hij is in staat zijn direct visuele waarnemingen (ook zijn zintuiglijke waarnemingen trouwens) over het algemeen aan te vullen met niet direct zintuiglijke waarnemingen en komt zo tot wat men kan noemen: intuïtie. Zolang deze intuïtie zuiver wordt gevolgd, blijkt zij zekerder te zijn dan menig zintuiglijke of zelfs beredeneerd logische vaststelling. Vervalsing manifesteert zich op het ogenblik, dat men het intuïtief erkende in een schema van het redelijke wil voegen.
  3. De mens kan – gezien het feit dat hij in een wereld leeft, welke meer verschijnselen omvat dan voor hem direct kenbaar zijn – in zich het vermogen ontwikkelen om deze verschijnselen aan te voelen en mede te associëren binnen zijn gekende wereld. Hij kan op deze wijze komen tot precognitie (voorweten) en kan verder bepaalde vormen van sensitiviteit ontwikkelen.
  4. De mens kan, doordat hij zelf een scheppend denkvermogen heeft, ontsnappen aan de beperkingen die de materie hem oplegt. Hij doodt daarbij weliswaar een wereld, die door de stoffelijke voorstelling nog wordt bepaald, maar die – omdat zij geen redelijkheid, noch enige regel meer kent – vaak een zuiverder weerkaatsing is van de feiten dan elke zintuiglijk waargenomen wereld.

Dit zijn punten; en punten zijn altijd vervelend. Maar het is noodzakelijk om vooraf vast te stellen wat voor de mens noodzakelijk is en ook welke hinderpalen hij op zijn weg zal vinden.

Mystiek is een verloren-gaan. Het is een afstand-doen van elke beperking van je eigen wereld; ja, zelfs van vele concepten omtrent het “ik”. Eenzaam en verlaten sta je midden in de grote stroom der tijd en je ondergaat niet-gekende werkingen. Uitdrukken kun je deze moeilijk, maar je voelt je één met vele krachten, die tot op dat ogenblik voor jou niet kenbaar waren. Je blijkt in deze toestand van mystieke verrukking ook over capaciteiten te beschikken, die je normalerwijze niet schijnt te hebben, want je bent nu door het terzijde stellen van jezelf en eigenlijk zelfs van je wereld, gekomen in een toestand waarin alles, wat in het Al bestaat – middellijk of onmiddellijk – invloed op je heeft. Je leeft in de mystieke beleving – in de grote werkelijkheid.

Maar deze beleving moet worden omgezet. Je kunt haar soms als een emotie vasthouden, maar in de meeste gevallen wil je er een vorm aan geven en je gaat dan deze dingen verklaren. In de verklaring verliezen zij echter hun verbondenheid met de kosmos. Ze worden weer een menselijk schema, een menselijk denken. En heel vaak wordt een mystieke beleving zover ontleed, dat men slechts met het ijzerdraad der rede weer een samenhang kan scheppen, waarbij echter het levend element verloren is gegaan.

We moeten ons dus realiseren, dat de mystiek ons volkomen losmaakt van elke wet, elke weg, elke voorstelling, elke taak, elke verplichting of mogelijkheid, die wij kennen. Op dat ogenblik zijn wij niets. Maar in dat niets beginnen wij voor het eerst waarlijk te leven. Dat leven is zo moeilijk te omschrijven, dat men altijd naar gelijkenissen moet grijpen. En misschien kan ik het best de volgende vergelijking nemen.

De mens die zich normaal wetmatig beweegt, is nu als een stofje in een lichtstraal geworden; dansend op de lichtdruk (de warreling van de lucht), reagerend op de kleinste verschijnselen en tekens, die normalerwijze niet worden gekend. Let wel, ik heb u dus niet gezegd dat wij in de mystieke beleving God vinden. Dat is zo onze manier om het te zeggen.

Ik heb u alleen gezegd, dat u vrij wordt van uw beperking. Maar als wij komen te staan tegenover het voor ons niet-kenbare, dan geven wij daaraan nu eenmaal een grote naam; wij kennen daaraan een persoonlijkheid toe. Dat wil niet zeggen, dat er niet ergens een God bestaat. Dat wil ook niet zeggen, dat er niet ergens engelen, geesten, Meesters e.d. zijn. Het wil alleen maar zeggen, dat de mystieke beleving op zichzelf niet noodzakelijkerwijze met één van hen behoeft samen te hangen. Het is een teloorgaan.

En wat zien wij dan? Het leven is intens. Terwijl naar buiten toe een zekere ongevoeligheid optreedt, is de sensitiviteit van binnen opgevoerd tot het uiterste. De kleinste emotie overweldigt je. Alles gaat echter niet volgens schema. De tijd staat stil of raast verder, onregelmatig.

In de beleving springen wij van de ene scène naar de andere, als in een droom. Zoals u weet, heeft de droom vele onregelmatigheden. Wij zien onszelf het ene ogenblik rustig gezeten in een stoel om een ogenblik later op te staan en te ontdekken, dat wij ons in een motorboot of in een auto bevinden. Wij dromen het ene ogenblik, dat wij wandelen en het volgend moment vliegen wij door de lucht; en als we ons verheugen in de vlucht, dan vallen we alweer. Deze eigenaardigheid is dus niet alleen eigen aan de droom, maar aan alles wat behoort tot de werkelijke wereld; want in de werkelijke wereld bestaat er geen systematiek: de volgorde, die op aarde nu eenmaal noodzakelijk is.

Dan rijst de vraag, of de mystieke beleving ergens mogelijkheden in zich bergt voor de eigen wereld. Ook hier voel ik mij genoopt naar gelijkenissen te grijpen.

Wanneer ik diamanten heb die in een grote leemput liggen uitgezaaid, dan kan ik mij deze door naarstig werken ongetwijfeld verschaffen. Als ik echter van diamant tot diamant kan flitsen en ik zou de diamanten kunnen meenemen, dan kan ik zonder de zware arbeid van het uitgraven van de leemput en in kortere tijd ook de diamanten vergaren. Ik heb alleen geen verklaring voor mijn bezit; het is onverklaarbaar geworden.

Dat is nu hetzelfde wat we met de mystiek doen. De mysticus gaat niet, zoals men wel eens aanneemt, alleen maar naar andere werelden. Hij maakt deel uit van een heelal, waarin zijn eigen wereld voortdurend een factor blijft. Hij zal zich door de juiste instelling de verschillende krachten en mogelijkheden, die er in dit Al bestaan, kunnen verschaffen. Hij absorbeert krachten en weten op een wijze die niet normaal is. Hij beschikt over kennis van bepaalde punten, maar de tussenliggende ontwikkeling ontbreekt. Er is geen sprake meer van een logische feitenkennis; er is sprake van een inspiratief aangevoeld kennen of weten, waardoor het mogelijk is om heel veel te associëren, wat een ander in een mensenleven nog niet weet samen te brengen; en dit vermogen blijft ook in de hersenen achter.

De mystieke beleving brengt dus niet alleen maar een ogenblik van ontrukt-zijn. Neen, ze brengt bepaalde coördinaties en associaties, ja, zelfs een zeker feitenmateriaal, welke voor de persoon in kwestie belangrijk kunnen zijn.

U zult zeggen dat dit wel mooi is. Maar hoe controleert men dit? Dat is heel moeilijk. Men kan mystiek niet controleren. Op het ogenblik dat ik tracht controle uit te oefenen op de mystieke beleving of zelfs op haar gevolgen, verstoor ik haar samenhang. Dat is precies hetzelfde als u wilt weten hoe een eekhoorn eigenlijk klimt en daarvoor het dier op een plank bindt en het opensnijdt. U kunt het in zijn onderdelen ontleden, maar u kunt het nooit meer tot leven brengen.

De mystiek staat dus los van de rede; en dat brengt een grote moeilijkheid mee. Want wij kunnen de feiten dus wel voor onszelf gebruiken, maar tegenover de wereld zijn ze niet aantoonbaar.

Misschien vraagt u zich nu af, waarom wij na relativiteit e.d. nu plotseling naar de mystiek gaan. Ik zal trachten het u duidelijk te maken.

Indien u zich eenmaal realiseert dat alles relatief is, d.w.z. dat er geen zekerheid, geen vast oordeel mogelijk is en als u zich verder hebt gerealiseerd dat uw vermogens ook maar een zeer relatieve waarde hebben, dat uw rede maar zeer relatief is in haar betekenis, dan kunt u overgaan tot het aanvaarden van een andere en hogere levenskracht. Die levenskracht ligt buiten het menselijk terrein. Zij kan invloed uitoefenen op datgene, wat men binnen het menselijk en redelijk terrein tot stand brengt, maar zij kan daar nooit werkelijk toe behoren. Willen wij ons deze kracht eigen maken, dan blijkt verder dat wij in direct contact zijn met elke invloed die er op onze eigen wereld bestaat of op haar inwerkt. Dat betekent in deze dagen een contact met alle krachten en entiteiten, die nu op deze wereld trachten weer een verandering en een verbetering door te voeren. U zult zich daarvan niet bewust zijn, maar het contact betekent voor u: kracht.

Ik wil echter erop wijzen, dat men niet om wille van die kracht of van het contact aan mystiek mag gaan doen, want dan hebben wij wederom een regel gesteld; en zoals ik u reeds heb betoogd, de mystiek is, niet-redelijk. Ze is volledig praktisch bruikbaar, maar ze is niet-redelijk. Op het ogenblik dat wij ons begeven op het terrein der mystiek, kennen wij geen enkele zekerheid, geen enkele regel, geen enkele wet. Wij geven onszelf a.h.w. prijs aan het ongewisse. En in dit “ons prijsgeven” vinden wij een relatie die niet te verklaren is. Zij kan soms menselijke aspecten hebben, soms zuiver geestelijk zijn. Zij berust uitdrukkelijk niet op een persoonlijke relatie in verleden of in toekomst. Zij berust uitdrukkelijk alleen op een harmonisch-zijn; een behoren tot dezelfde werking, tot dezelfde straal van licht.

Wanneer dit optreedt, dan moet u zich realiseren dat deze mystiek uw dagelijks leven beïnvloedt, maar dat elke rationalisatie ervan weer gevaarlijk is. Een mens, die gebruik maken wil van de hoogste krachten, kan dat doen. Op het ogenblik echter dat hij deze grote krachten gaat verklaren, vallen ze weg.

Een blinde, die blind geboren is, heeft het misschien niet gemakkelijk, maar één die zag en nu plotseling blind wordt en toch wil doen alsof hij ziet, heeft het wel bijzonder zwaar. Het is deze toestand, waarin men steeds weer komt te verkeren, indien men boven eigen krachten uitgrijpend, iets beredeneerd tot stand gaat brengen. Onthoud dat goed. In deze dagen is dat van belang!

U zult zich afvragen: Hoe kom ik dan tot deze mystieke beleving? Ik kan u alleen één raad geven: Zoek de mystieke beleving door middel van contemplatie. Beschouw iets (desnoods zintuiglijk) en probeer alles te vergeten behalve dit ene. Wees bv. een chrysant of een vogel. Wees dat wat ge u voorstelt en tracht daarmee geheel één te zijn en maak u los van uzelf. Probeer niet te denken of een motivering te geven voor uw contemplatie. Het is voldoende dat ge tracht niet uzelf te zijn. Indien ge erkent, dat alle krachten in het Al deel van u zijn, dan zult ge dit deel-zijn van alle krachten ervaren.

Wanneer u aan deze mystieke beleving toe bent, dan komt u tot een verandering van uw betekenis in het leven. Je kunt op aarde ontzettend veel voor anderen doen. Je spant je daarvoor in, je geeft je heel veel moeite, maar ergens is het nooit genoeg, en je weet dat je ergens tekort schiet. Het is dan ook niet de mysticus, die streeft naar het goede. Het is de mysticus, die het goede is. Er komt een ogenblik dat je bestaan alleen voldoende is om het goede tot stand te brengen. Ge weet niet eens of het goed of kwaad is wat ge tot stand brengt, maar het ontstaat en ge beleeft het. En in deze beleving is uw waarde voor de wereld gelegen.

Twintig jaar geleden zou dit alles weinig zin hebben gehad. Men zou daardoor misschien alleen aan de problemen van zijn wereld ontvlucht zijn. Men zou weinig mogelijkheden hebben gevonden om uit deze mystieke beleving de juiste vorm van kracht te putten. In deze dagen is dit wel mogelijk. We kunnen in deze dagen – ongeacht de schokken, die wij persoonlijk ondergaan – soms veel meer opbrengen aan innerlijke zekerheid en kracht, zonder het te formuleren, dan 50 jaar geleden of 50 jaar later misschien mogelijk zou zijn. Er in dus in de tijd a.h.w. een moment, waarop die harmonische mogelijkheid voor de mens het grootst is. Dat is deze en de volgende maand en dan is het voorlopig weer voorbij.

Wat wij eenmaal hebben geleerd over het mystiek contact gaat niet teloor. Men zou dus mogen stellen: De mystieke beleving, die eens tot stand is gekomen, kan een voortdurende binding vormen tussen de mens en de werkelijkheid. Op het ogenblik echter, dat men a.h.w. een lange weg moet gaan om de juiste mystieke instelling te vinden en de juiste beleving te ondergaan, zal men – zoals duidelijk is – vaak falen. De mogelijkheid tot slagen is op het ogenblik echter groot.

Wat speelt hierin verder een rol? In de eerste plaats zullen wij zien, dat de mens op een gegeven moment met zichzelf, met zijn wijze van leven en werken in strijd komt. Dit is onder de invloeden van deze tijd een normaal verschijnsel. U zoekt dan iets anders of iets nieuws te vinden, maar niets slaagt, niets lukt.

Sommigen reageren daarop door lichamelijk ziek te worden; anderen worden door voortdurende onlustgevoelens bevangen. Kortom, men voelt zich disharmonisch. Een omzetting vergt een onderbreking of zelfs een afbreken van dat wat was. In dit omzettingsproces wordt u dus vanzelf daaraan onderworpen. Maar even losgeslagen van alles, wat uw wereld aangenaam en belangrijk maakt, is het ook gemakkelijker uzelf te vergeten. En deze zelfvergetelheid is zeer belangrijk. Wat de mystiek zelf betreft, kunnen wij nog het volgende zeggen:

  1. Waar alles in God en God in alles is, is er geen enkele wijze van leven, werken of streven, die buiten het contact met het Goddelijke ligt. Maar wijzelf moeten ons hiervan bewust zijn, willen wij dit contact feitelijk erkennen en ondergaan.
  2. De mens zal zijn mystiek beleven altijd weer baseren op een verwachting. Het is een fantasiewereld, waarin hij zijn eerste schreden zet. Een wereld waarin alles mogelijk is; een wereld waarin hij ontkomt aan zijn beperkingen; een wereld waarin zijn fouten en nadelen wegvallen en zijn deugden plotseling stijgen tot een onvoorstelbaar groot geheel. Dit is niet realistisch. Maar is het dan noodzakelijk om realistisch te zijn volgens menselijk denken? Ik meen te mogen stellen dat het z.g. realistisch menselijk denken zelfs direct in strijd is met de ware geestelijke beleving.
  3. Dan wil ik opmerken, dat de mens elk middel kan aangrijpen om tot deze belevingen te komen. Anders gezegd: de uiterlijke vormen der mystiek zijn velerlei en kennen zeer vele, misschien wel onooglijke uitgangspunten. Maar wanneer het punt van uitgang wordt gebruikt om een verliezen van het “ik”-bewustzijn tot stand te brengen en daarvoor in de plaats een gevoel van algehele verbondenheid met het Al te stellen, dan zal van uit elk willekeurig beginpunt hetzelfde doel worden bereikt. Dit doel is, wat men zou kunnen noemen: de cirkel van levenskracht.
  4. Ten laatste moeten wij erop wijzen, dat ofschoon de mystiek buiten de godsdienst niet wordt erkend als een nuttig apparaat, als een mogelijkheid tot kennen en bereiken, zij in zich het vermogen bezit de mens zelf desnoods zelfs lichamelijk om te vormen. Ze verandert het totaal van zijn mentale mogelijkheden. Ze brengt hem tot een andere realisatie van de wereld. En zo zal het mystiek beleven dus voor de mens kunnen betekenen, dat hij zich enerzijds enigszins afzondert van zijn medemensen en anderzijds gelijktijdig echter doordringend in de waarheid – ook in die van hun leven – die zijzelf nog niet beseffen.

De cirkel des levens is een van de belangrijkste punten van de mystiek. Niet alleen in de menselijke voorstelling, maar ook in de directe beleving. Want er is een ogenblik dat alles gelijk is. Hoe wij het ook beschouwen, elk punt is verschillend en toch gelijk aan elk ander punt. Er bestaat een gelijkwaardigheid, zelfs daar waar geen vergelijkbaarheid optreedt. Bevindt het “ik” zich binnen deze cirkel, dan is alles in de schepping – ongeacht de verschillen van het “ik” – gelijkwaardig; d.w.z. dat het kennen van één punt inhoudt de mogelijkheid tot het herkennen en realiseren van alle punten; dat de harmonie met één punt bereikt, de harmonie met alle punten betekent; dat een werking bereikt op één vlak een werking betekent op alle vlakken. En dit nu is het belangrijke. Wij zijn dus ongeacht onze persoonlijke beperking, ongeacht de gebondenheid – aan sfeer of wereld – in contact met het gehele Al, met alle bewustzijn dat er in bestaat, met elke wereld die daarin voorkomt en kunnen krachtens datgene wat wij uit onze eigen wereld kennen, dezelfde krachten in dit gehele Al beseffen en de reacties, die er in deze werelden, in deze entiteiten bestaat, op onze wereld eveneens aflezen.

Het resultaat is dus een gecorrigeerd wereldbeeld. Een wereldbeeld dat door de hersenen moeilijk zal worden aanvaard, maar dat het innerlijk weten (het gevoel) voortdurend weer projecteert. Zodra wij in deze mystieke beleving staan, zijn wij niet gebonden aan enigerlei punt van uitgang, van beleving, van geloof. Alles is gelijkwaardig geworden en in deze gelijkwaardigheid staan wij in een middelpunt, want elke actie en reactie weerspiegelen zich in ons wezen. Daarom stelt men wel, dat de perfecte mystieke beleving is: de beleving van de eeuwigheid.

Nu zult u beseffen, dat uw eigen wereld niet direct evenwichtig is. Daarbij zult u beseffen, dat ook uw eigen wezen onevenwichtig moet zijn. Maar het is voor u als mens zeer moeilijk om daarover een enigszins objectief oordeel te vellen. Alles is relatief; het moet in verhoudingen worden gezien, maar wij gebruiken onze eigen maatstaf en houden ons daaraan vast.

Komen wij nu in deze mystieke beleving, dan wordt ons een standpunt gegeven dat niet voortvloeit uit een bepaalde wereld, maar dat de erkenning inhoudt van een toestand op elk vlak van weten, van beleven, van besef en van mogelijkheid. Er wordt ons dus duidelijk gemaakt, waarom wij onevenwichtig zijn en daarmede wordt ons ook de mogelijkheid gegeven dat evenwicht te herstellen. Er wordt ons duidelijk gemaakt wat de werkelijke fout van onze wereld is; en daarmee wordt voor ons de mogelijkheid geschapen om deze ten dele, misschien zelfs geheel te herstellen.

Wat voor de mysticus echter zeer belangrijk is, is het volgende: alleen daar iets bereiken, waar voor hem een relatie bestaat. Er moet dus een erkenning zijn van de persoonlijkheid. Een zekere vorm van harmonie, zou u misschien zeggen, maar dat is niet helemaal juist. Want zelfs de tegenstander, die mij erkent, ligt binnen mijn bereik. Slechts degenen, die mij niet in waarheid willen erkennen of willen zien, liggen buiten mijn bereik. En dat is dus een zeer interessant punt.

Wilt u in deze moderne tijd iets tot stand brengen, wetend hoe wankel het hele evenwicht is, waarop uw leven, ja, zelfs uw rede en uw gehele wereldbestaan zijn gebaseerd, dan zult u dus om werkelijk iets tot stand te kunnen brengen eigenlijk moeten terugkeren tot deze mystieke weg, deze mystieke beleving. De vorm, die u daarvoor vindt, is onbelangrijk. Belangrijk is, dat u een volkomen zelfvergetelheid bereikt, die dus ook een niet-bewust zijn van uw eigen wereld inhoudt. Op het ogenblik dat dit kan worden bereikt, heeft men de eerste stap gezet op een weg, die het “ik” voortdurend aanvult, verrijkt en corrigeert; en heeft men de zelfstandige weg tot bewustwording gevonden, waarbij onze formuleringen slechts een eenvoudig hulpmiddel kunnen zijn om te komen tot een meer verstandelijk aanvaardbare uitdrukking van hetgeen innerlijk bestaat.

Uit dit alles is u dus gebleken, dat er andere begrippen bestaan voor werkelijkheid en werkelijkheidszin dan de normale uitleg van deze woorden schijnt te impliceren. Toch moeten wij ergens de werkelijkheid vinden; en die ligt op ons zuiver persoonlijk vlak. Wij kunnen een werkelijkheid niet volledig met een ander delen. Ergens zijn we altijd toch weer alleen. Laat ons beginnen dit te aanvaarden.

Werkelijkheidszin en werkelijkheid betekenen: aanvaarden dat je altijd ergens alleen blijft. En onmiddellijk daarop volgt, dat deze eenzaamheid op zichzelf geen nadeel behoeft te zijn, indien wij leren haar op de juiste wijze te gebruiken. Dat, wat wij in deze eenzaamheid zijn nl. is: niet alleen geïsoleerd van contact met anderen, het is ook beschermd tegen contact met anderen. Wij moeten in deze kleine hoek van ons wezen trachten een eigen kracht, een eigen wereldbeeld op te bouwen; iets wat we dus nooit werkelijk kunnen openbaren, maar waaruit wij steeds kunnen putten, wanneer ons normaal contact met de wereld schijnt tekort te schieten.

Als wij van uit deze geheime innerlijke eenzaamheid tot de wereld gaan, blijkt vervolgens dat het begrip, dat wij van onze wereld hebben, zich van het ene ogenblik op het andere wijzigt. Er zijn mensen die traag zijn. De trage mensen zeggen 70 jaar precies hetzelfde. We hebben mensen die zeer beweeglijk zijn. Ze zeggen vandaag dit en morgen dat, of zelfs het ene uur dit en het volgende uur dat. Maar in het tweede geval behoeft er geen sprake te zijn van een verschuiving van waarden of van een verlaten van standpunt. Het is goed dit te begrijpen, niet alleen als u met uzelf bezig bent maar ook met anderen.

Het is mogelijk een medaille voortdurend om te draaien en zo schijnbaar tegenstrijdige aspecten te zien. Zolang echter het “ik” beseft, dat er sprake is van een eenheid, komt men van uit deze schijnbare tegenspraak slechts tot een juistere definitie van datgene waarmee men werkt, wat men hanteert, wat men overweegt.

Het is zeer belangrijk dat u zich dit realiseert. Want om tot de werkelijkheid te komen moeten we niet alleen de kenbare zijde, maar ook de niet-gekende zijde trachten te vinden. Wij weten dat er een hiaat blijft. Want zoals wij eenzaam zijn, ergens, zijn ook alle andere schepselen eenzaam, ergens. Er is een punt, waar het “ik” niet kan worden gedeeld met een ander, waar een “ik” zich niet geheel kan openbaren aan een wereld of misschien aan zichzelf.

Dit wetend en aannemend, kunnen wij dan toch stellen: De werkelijkheid ligt niet in de erkenning van tegenstellingen bij anderen, maar in het vinden van de verbindende factor daartussen. Wij moeten uitgaan van het standpunt dat zelfs de grootste tegenstrijdigheden ergens zin hebben. Kunnen wij datgene wat verbindt vinden, dan hebben wij het wezen. Want de beeldenaar van de munt en de muntzijde zijn tezamen eigenlijk maar een stempel ingedrukt in het materiaal. En dit materiaal is belangrijker dan al het andere. Ook hier zal onze waardering ergens relatief blijven. Want er is altijd nog weer een andere benadering mogelijk. Maar voor ons is er een erkenning van wezen; en deze wezenserkenning maakt het ons mogelijk a.h.w. de mystieke beleving te ondergaan en ook in anderen te projecteren.

Want wij kunnen niet eenzaam blijven in die delen van het leven, die de werkelijke harmonie, het kosmisch geheel uitmaakt. Namen en krachten spelen daarbij geen rol, tenzij wij voor onszelf het gekende moeten formuleren, alleen dan hebben ze zin. Verder zijn ze zonder betekenis en zinloos.

Het gaat er niet om een naam of wat het idee is, wat de uiting van een mens of van een God is. Het gaat er om wat de essentiële band is tussen deze dingen.

Die essentiële band kunnen we vinden. Juist in deze dagen is die mogelijkheid misschien wat groter dan anders, omdat wij feller en sneller met tegenspraken, met conflicten en contrasten worden geconfronteerd dan anders. Maar we zullen dit altijd kunnen doen. En dan mogen we niet uitgaan van ons eigen denken alleen – ik zeg het nogmaals – we moeten niet uitgaan van het beredeneerde maar van het intuïtieve. We moeten proberen de beredeneringen, de verklaring en zelfs de verontschuldiging uit te sluiten. Constateer en onderga; en daaruit te proeven wat de essentiële waarde is. Want uit al deze tweeledigheden, dit eeuwig heersend dualisme der verschijnselen, kunnen wij de essentie vinden.

En zoals de werkelijkheid van de Schepper ligt tussen de duivel en de God, die de mensen hebben geschapen, zo ligt de werkelijkheid van een wezen of van een gedachte misschien tussen de uitersten van bewering en tegenspraak. De erkenning ervan betekent werkelijkheid vinden of de werkelijkheid benaderen.

U zult het met mij eens zijn, dat een verklaring die wordt afgelegd geen enkele zin heeft, mits zij is gebaseerd op feiten of vooruit loopt op feiten. We weten ook dat dit zelden geheel het geval is. Laat ons dan de tegenspraken beschouwen en wij weten wat wij kunnen verwachten. Laat ons dan zoeken naar dat eigenaardige punt, waar alles in balans is, in onszelf en in anderen, opdat wij zullen weten wat onze juiste houding, onze juiste beleving, onze juiste mogelijkheid is.

Het is gemakkelijk genoeg te zeggen dat u zeer vele fouten hebt. Ongetwijfeld. Maar u weet zelf ook wel dat u soms deugden hebt. (Als u het niet wist, dan heb ik het u hiermede vermeld.) Tussen uw deugden en uw fouten, zoals u ze zelf ziet en zoals de wereld die ziet, ligt uw wezen. En dit wezen tot werkelijkheid maken en niet alleen maar de uiterlijkheden, dat is het vinden van harmonie, kracht en betekenis in uw wereld. Dat wil zeggen: de begrenzingen terzijde stellen, waardoor je bepaalde geestelijke waarden en krachten misschien niet ontmoet, waardoor je bepaalde uitdrukkingen niet voor jezelf of voor anderen vindt.

Het wil ook zeggen: de beperkingen opheffen; de remming, waardoor de kracht in je tekort schiet, voor jezelf en voor anderen. Het ontsluiten van jezelf ligt in die benadering van de werkelijkheid.

Maar de werkelijkheid is niet redelijk. Ze kan alleen worden benaderd in dit mystiek jezelf verliezen, in het ondergaan der dingen. Hebt u dit punt erkend en streeft u ernaar uzelf te zijn – niet in het uiterste van vandaag of van gisteren, maar in de perfecte uiting van uw persoonlijkheid, de essentie van uw wezen – dan zult u ontdekken dat het mystiek leven en beleven eigenlijk een meer reëel leven is, een realistischer werken met alle krachten, die u ter beschikking staan, een spontaner en misschien vreugdiger ondergaan van de wereld, maar gelijktijdig ook even spontaan en vreugdig uzelf in die wereld plaatsen.

Er komt een ogenblik dat iedere mens zijn conclusie zal moeten trekken omtrent zichzelf en omtrent zijn betekenis. En als we dan beginnen met de beperkingen te zien en niet de mogelijkheden, dan bereiken we niets.

Er komt een ogenblik dat wij met ons innerlijk zoeken en werken een reëel punt vinden. Een werkelijkheid die altijd waar blijft, wat er ook gebeurt. Een werkelijkheid die niet alleen maar een theorie is, maar die in elk feit weer kenbaar wordt. Op dat ogenblik hebben wij ons onttrokken aan de bekrompen menselijke realiteit. Op dat ogenblik heeft de mens zich deelgenoot gemaakt van de grote werkingen, de grote harmonieën. Op dat ogenblik – en niet voordien – zal hij leren waarlijk als mens te leven, maar gelijktijdig ook waarlijk één te zijn met de grote krachten in de geest. Gelijkheid is een belangrijk punt en ik geloof niet verkeerd te doen, als ik hier één van onze Broeders citeer, die zei:

“Denk niet dat hij, die tot u komt uit de geest van u eerbied en respect vraagt. Zelfs God, Die Zich wendt tot de mens vraagt geen aanbidding. Men vraagt gezelschap. Men vraagt de verbreking van eenzaamheid, opdat er eens, in plaats van een smeekbede of een voortdurend beroep, kome een mens, een wezen, dat kan zeggen: vriend, broeder.
Want zelfs God heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, opdat de mens zich tot Zijn hoogte zou kunnen verheffen.”

Als we de mystici van het verleden mogen geloven, verlangt elke kracht niet naar slaven maar naar gelijken.

Kijkt u eens, hierin ligt het essentiële punt, zeker van deze dagen. Op het ogenblik dat u zich blijft beroepen op meesters, op geestelijke leiders, op hogere krachten, bent u een bedelaar, een lastig kind. Men zal u helpen wanneer het mogelijk is, maar waarlijk niet met vreugde. Op het ogenblik echter, dat u – vrijgemaakt van deze zelfgeschapen beperkingen, van deze door zintuigen veroorzaakte bekrompenheid en begrenzing – één kunt zijn met het Al – mystieke – dan kunt ge waarlijk zeggen: “broeder”. En dat wil zeggen dat de werkelijkheid nu pas kenbaar wordt. De zin van uw eigen leven en dat van anderen, de betekenis van alle dingen. Dat wil zeggen dat je buiten het redelijke om de vrede vindt, waarin alle krachten van het Al tot openbaring komen.

Vormen van mystiek

Er zijn eigenlijk mystici geweest vanaf het begin der wereld. En wij moeten eerlijk toegeven, dat de doorsnee‑mysticus aanvankelijk vooral een zelfzoeker is geweest. Want in een wereld, waarin zo ontzettend veel onbekend is en waarin je zelf onzeker bent, zoek je als mens al heel vlug een weg om in contact te komen met het Hogere. En juist als je wat minder weet, is het gemakkelijk dit te doen door jezelf uit te schakelen.

Wanneer wij dus de eerste vorm van mystiek beschouwen, dan komen wij terecht bij mensen, die half toverdokters half priesters zijn, mensen, die stemmen uit de geest horen, die leiding geven aan hun volk, die profeteren en die aan de andere kant zelf niet goed weten wat ze doen. In hun tijd wordt de mystiek voor het eerst geformuleerd in overleveringen. Hierbij gaan ze uit van kleine vertellingen, verhalen met een verborgen betekenis, die van vader op zoon worden overgeleverd. Het is een dergelijke overlevering, die ons het zeer mystieke verhaal van de schepping heeft bezorgd, dat u tegenwoordig in het Oude Testament kunt lezen.

Na deze eerste mystici, die eigenlijk zelf niet goed wisten wat ze deden, kwamen er anderen. Zij waren wetenschappelijk wel geïnteresseerd. Voor hen was de wereld iets, dat je moest onderzoeken. Maar hoe kun je een wereld onderzoeken met weinig kennis? Je kunt alleen maar doordringen in het wezen der dingen. En zo zien wij dat deze mensen proberen door te dringen in het wezen van plant en dier, van de mens, van de krachten der natuur en tenslotte ook in de sterrenhemel. En daarmee wordt een zeer bijzondere vorm van mystiek geboren. Een vorm nl., waarbij de beschouwing van de sterrenhemel, de meditatie over weerkaatsingen daarvan de mens wegvoeren van zijn wereld.

Als u het verhaal van Icarus leest, dan denkt u misschien alleen aan een gelijkenis; maar het is meer dan dat. De mens in die dagen tracht zich los te scheuren van zichzelf en van zijn wereld. Hij wil zijn onsterfelijkheid, zijn begrip voor hogere waarden vinden door zijn wereld geheel te verlaten.

Deze mystici proberen zich a.h.w. buiten de wereld te plaatsen. Ze staan ergens tussen zon en maan en schouwen op de wereld neer, maar begrijpen haar niet. En als ze niet begrijpen, dan vergeten ze al heel snel dat je in deze toestand verre moet blijven van de gedachten die de wereld regeren. Kom je te dichtbij, dan is de wisselwerking met de mens gevaarlijk en word je zelf daardoor geschaad en je schaadt de mensen. Ga je te ver, dan kom je in contact met krachten die je niet kunt verwerken. Je schroeit je vleugels. Deze mystici komen dan tot de conclusie dat de mens niet rijp is voor de onvervormde mystiek, tenzij hij eerst een zekere mate van weten en zelfbeheersing heeft gevonden.

De daaruit voortkomende vorm is die van de scholing. Nu kent u allen het begrip van esoterische scholing, inwijdingsscholen e.d.. Hier wordt de mens geconfronteerd met zijn eigen wereld; maar de betekenis van alles verandert. Alles krijgt een symbolische achtergrond; en zo vervreemd hij a.h.w. van de werkelijkheid, terwijl hij toch deel ervan uitmaakt.

Hij breekt een blad van een boom af, maar gelijktijdig breekt hij in zichzelf een deel van zijn fouten weg. Hij richt een staak op; en de schaduw, die de zon werpt wanneer zij rijst, is zijn eigen wezen, dat door de zonnegod van die dagen wordt gedragen door wereld en sferen en Al.

Op deze manier is het werkelijk mogelijk een bepaalde mate van mystiek bewustzijn te bereiken. Want zodra de gewone handelingen van het leven voor de mens een andere betekenis krijgen, vallen ze buiten het normale kader. Als eten en drinken niet meer het tot zich nemen van voeding zijn, maar een uitdrukking van een verbondenheid of zelfs een offer aan een grotere kracht, dan vinden wij daarin dus iets, waarbij de smaak van de maaltijd minder belangrijk is, maar waarbij het in de eerste plaats gaat om het feit van het maal.

Wanneer we dansen en de dans is niet in de eerste plaats het uitleven van het lichaam in beweging, maar het is geworden tot een met het lichaam omschrijven van dingen, die ergens ongezien opgenomen zijn, dan wordt de eigen gesteldheid daardoor beïnvloed. Zo ontstaat er een vorm van mystiek, die is gebaseerd op rituelen, op leringen, op overleveringen en op geheimen (die soms helemaal geen geheimen zijn) en krijgen we mensen, die langzaam maar zeker beseffen dat ze de eenzaamheid moeten zoeken.

Die zoekers naar eenzaamheid doen het allen op hun eigen manier. Wij zien aan de ene kant de zoekende mens die zwerft. Van hem vinden we een aardig beeld geschetst in bv. de Zwanenridder-legende. Het is iemand, die zoekt naar de Graal. Iemand, die – in een Graalburcht wonend – moet terugkeren naar de wereld; maar hij mag daarin niet zichzelf zijn. Zodra zijn naam word genoemd, moet hij verdwijnen.

Dit is de mysticus, die als zijn taak in de wereld ziet: het uitdragen van zijn innerlijk besef, maar hij mag dit besef niet uitdragen van uit zijn persoonlijkheid. Zodra hij om zichzelf is erkend, houdt zijn werkzaamheid op.

Ik meen dat het deze vorm van mystiek is, die een groot gedeelte van de ontwikkeling in bv. India heeft bepaald en die ook van buitengewoon groot belang is geweest o.m. in Ierland en Engeland. Een gewijzigde vorm ervan vinden wij in de zwervende heiligen, die wij ook in Amerika aantroffen. Bij hen allen gaat het hierom: in de wereld kan ik, wanneer ik niet mijzelf ben maar slechts een gezondene, alle dingen beleven; niet van uit mijzelf maar van uit een goddelijk standpunt. Ik ben gelijktijdig de eenvoudige, trekkende jager en de Manitu die over de wereld gaat. Ik ben een dwaas en gelijktijdig wijsgeer. Ik ben een held en gelijktijdig toch ook weer de geestelijke zoeker te midden van alle geweld.

Wanneer wij bv. de Ramayana nemen, dan vinden wij hierin wonderlijke voorbeelden van deze denkwijzen. U moet echter niet menen dat dit een bepaalde vorm van mystiek werken is, waarin een wijsheid wordt verkondigd. Neen, het is eerder een poging om vast te leggen, hoe de mens heeft gezocht. En in het verhaal zijn dan zijn conclusies verwerkt.

Ook dit duurt lange tijd voort; en er zijn mensen, die het verder gaan zoeken. Ze komen tot de conclusie dat alles een werkelijke betekenis en een verborgen betekenis heeft. Hier ontstaan de eerste kabbalisten.

De eerste kabbala (de Babylonische kabbala dus, die van belang was) toont ons de methode om een schriftteken, een bepaald symbool, om te buigen tot een vaste betekenis. Want ergens – zo zegt de mysticus – moet er een heelal zijn, waarin alle waarden vast zijn. Wij als mens vertekenen deze waarden en daarom moeten wij met onze berekeningen, maar ook wel degelijk met ons innerlijk gevoelen, met ons zoeken, terugkeren tot die werkelijkheid. En zo probeert de mysticus de grondwaarde van alles te leren kennen.

Hij draagt dat later over aan de kabbalisten van het Moorse rijk, aan de Joden (die er ook een rol in spelen, hoewel het voornamelijk de Moren zijn, die deze kunst bevorderen) en van daaruit komt ze o.m. naar Europa.

De betekenis ervan gaat langzamerhand teloor. Want als ik een heelal ken, geef ik aan alles een naam. Die naam sluit de werkelijke naam in zich. Als ik alle namen van de mystieke kabbala zou berekenen, dan zou ik tot de conclusie moeten komen, dat ze in een aantal hoofdgroepen uiteenvallen, dat sommige alleen maar een kwadratuur vormen van een andere naam, zodat ze a.h.w. een versterkte werking betekenen. Op deze manier heeft de mens dus getracht om de oneindige wereld terug te brengen tot enkele reële waarden, zodat hij ze als mens kan begrijpen en kan hanteren. Maar ook hier blijft hij toch weer voor het raadsel staan.

Ondertussen zijn die zwervers ook een andere kant uitgegaan. Zij zijn tot de conclusie gekomen, dat de mens leeft in stof en geest; en dat stof en geest moeten samenwerken. “Zoals men het lichaam oefent”, zo roepen ze uit, “Zo moet men de geest scholen, opdat ze tenslotte in een beheerst lichaam vrij genoeg zijn om de waarheid rond haar te ervaren.”

Wij zien dat verschillende soorten oefeningen worden opgebouwd, die wij o.m. onder de naam, yoga aantreffen. We zien de op meditatie gebaseerde methode ontstaan, die ook katholieke Orden volgen.

Deze mensen zoeken ergens hun God. Maar om die God te vinden moeten zij zichzelf verlaten en ze weten dat dit moeilijk is. Zij zoeken daarom een bepaalde lichamelijke beheersing, waardoor het lichaam een gewoontedier wordt dat alle bevelen van de geest kan volgen, opdat zij door het juiste gebruik van dit lichaam zich kan onttrekken aan de werkelijkheid.

De kluizenaars, de heiligen, die zich in woestijnen en bergen terugtrokken, zijn vooral in het begin de mensen die deze school volgen. Maar al heel snel zien we ook hier een vervalsing komen. Men vergist zich. Men gaat het middel voor het doel zien. Er komen mensen die in hun bekwaamheid om zichzelf te pijnigen en deze pijn te dragen, menen iets te bereiken. Het is logisch dat dezen geen werkelijke mystiek kennen; en dat de zuilen-heilige van de oudheid ongetwijfeld een bezienswaardigheid was, maar dat hij wat betekenis betreft, hier waarschijnlijk wel is blijven stilstaan.

Nu komen wij aan de tijd dat de wereld wat groter wordt. Elke eeuw breidt de wereld zich uit. Steeds meer landen en volkeren komen met elkaar in contact. En juist de mens die de mystieke beleving zoekt, ontdekt dat er andere wegen zijn. We vinden een wonderlijk mengsel van westerse en oosterse mystiek. We vinden systemen, die – gebouwd op een logica of een schijnlogica – ten doel hebben om de mens een oneindigheidsbeleving te doen ondergaan. Ik meen dat wij ook hier moeten begrijpen, waarom dat zo vaak geheel verkeerd afloopt. De mystiek op zichzelf is een bevrijding. Het is het verliezen van alle grenzen. Dat wil zeggen, dat de geest niet aarzelt om te vragen. Als een kracht u zegt: “Ik ben God,” dan mag de geest rustig zeggen: “Is dat waar? En waarom?” Er is geen eerbied in de mysticus. Dat klinkt u misschien dwaas in de oren, maar de mysticus moet juist in het hoogste a.h.w. zichzelf kunnen zijn. Hij moet in zijn wezen het begrip van het hoogste – ook al kan hij dat stoffelijk misschien niet altijd volgen – proberen te omvamen; er mag geen grens zijn.

Maar degenen die deze mystieke stelsels (of zoals men ze later graag noemde; esoterische stelsels) hebben opgebouwd en die mystiek hebben vastgelegd in kerken, hebben getracht een wet te scheppen. En zo onmogelijk als het is om vrede te krijgen door vechten, even onmogelijk is het om door regels een vrijheid van regels te verkrijgen. Zo onmogelijk is het is door menselijk op te bouwen wat in zichzelf niet meer menselijk en niet meer logisch is, even onmogelijk is het met verstandelijke middelen een systeem op te bouwen, waarmee de niet-redelijke wereld kenbaar wordt. Je kunt haar verklaren met zo’n systeem, maar je kunt haar niet beleven.

En zo zien wij dat een vorm van overdrachtelijkheid hand over hand toeneemt. Men zegt niet meer: “Ikzelf ga op.” Men zegt: “Iets gaat op.” Men kan dat doen door het uitspreken van een zegen: “De geest Gods dale over u neer.” Wij kunnen het ook doen door een offer te brengen. De priester offert brood en wijn. Hij nuttigt dit en wij doen er wel een beetje aan mee. Maar waar blijft eigenlijk de vereenzelviging van het “ik” met het Grote? Die blijft weg. De vraag blijft weg en daarom faalt men.

Toch is het eigenaardig te zien, hoe de mystiek in deze dagen vat heeft op de mensen. Wanneer u in een kerk komt (een katholieke kerk, een oud-katholieke kerk, een moskee of een hindoetempel), dan zult u daar een eigenaardige sfeer aantreffen. Er leeft iets, wat men niet kan omschrijven. De doorsnee-mens ondergaat dit dankbaar als de tegenwoordigheid van God. Maar is het dan voldoende om die tegenwoordigheid vast te stellen? Eigenlijk zou je moeten zeggen: Neen. De mens moet van uit zichzelf die God ontmoeten; en dan pas is het goed. Dat is geen trots, helemaal niet. Het is alleen het tot werkelijkheid maken van die dingen. Er zijn mensen die dit doen. En men zou de moderne mysticus misschien het best als volgt kunnen omschrijven:

Een mens, die schijnbaar een redelijk systeem hanteert, maar die diep in zich hongert naar een verklaring van het onbekende. En daarom geeft hij zich over aan het onbekende. Hij wil het onbekende worden. Hij wil op een gegeven ogenblik alle lessen en sleutels achter zich laten en trekt zich terug in een sanctum, een heiligdom. Een heiligdom, dat helemaal geen kerk behoeft te zijn, maar dat soms alleen maar is: de afzondering van gesloten ogen. Maar een heiligdom, waarin hij de wereld achter zich laat. En in die eenzaamheid gaat hij uit. Hij grijpt niet naar de verklaring van het leven, hij zoekt zelfs niet naar de verklaring van zijn eigen bestaan, of naar de redelijkheid ervan. Hij vraagt zich niet af: “Zal ik eeuwig leven of zal ik sterven en uitgeblust zijn?” Hij vraagt zich alleen af: “Leeft het? Leef ik?” En in die vraag bestaat er geen wereld voor hem buiten zichzelf; want van alles wat er bestaat wil hij deelzijn. In één flits wil hij de eeuwigheid ondergaan; en dan keert hij terug naar zijn systeem.

De mysticus van tegenwoordig is zelden een profeet, vaak echter een filosoof. Hij zal over het algemeen proberen de mensen duidelijk te maken, hoe ze – uitgaande van een redelijk systeem van denken en werken – kunnen komen tot een ander beleven, maar hij geeft hun niet de hulpmiddelen die zij daarvoor nodig schijnen te hebben. Hij spreekt niet over een goddelijke Kracht, als hij weet dat er eigenlijk het Niets is. Hij zegt: Het Niets. En de mens die het zich niet kan voorstellen, moet proberen zich in het niets te verliezen tot hij het zelf vult; en dan zal hij weten wat het Niets is.

Op deze manier hebben we in de moderne mystiek dus de neiging gekregen om – uitgaande van het bekende – ons daarvan los te maken maar gelijktijdig een gedachtegang te volgen, die weer in de materie is uit te drukken. Het is een voortdurende zelfontdekking. En dat je bij die zelfontdekking heel vaak teruggrijpt naar de oude paradoxen en strijdigheden, die het ontstaan van menige kerk en mystieke school hebben gevormd, dat is eigenlijk maar al te duidelijk. Want hoe kan ik zeggen dat ik ergens een liefde heb gevonden, die groter is dan alle dingen? Wanneer ik zeg dat het God is, Die mij liefheeft of Jezus Christus, ja, dan kan ik dat voor de mens aannemelijk maken. Maar kan ik zeggen, dat ik en Hij en al die anderen samen die liefde zijn? Die liefde zien ze niet in zichzelf. Ik kan vertellen dat er een miraculeuze kracht is die neerdaalt. En dat is volledig waar, ergens. Maar ik ben zelf ergens ook die kracht. En dat is nu juist het moeilijke in deze dagen, want de mensen willen het graag berekenen.

Wanneer wij zien hoe er systemen worden opgebouwd, soms fantastische systemen van mystiek denken, dan worden wij al heel gauw overbluft. Dan zeggen we tegen onszelf: “Ja maar, dit moet het dan toch wel zijn. Het is zo mooi, het is zo ingewikkeld. Als dat nu nog niet waar is, dan weet ik het niet.” Maar de praktijk is anders. Juist omdat wij ons verliezen in al dat ingewikkelde, kunnen wij onszelf niet in de waarheid verliezen.

Hiermee is een aardig verhaal verbonden. Er was een man, die wilde van John Dee een geheim leren. John Dee was nl. door een Poolse graaf in de gevangenis gegooid, omdat hij geen goud had gemaakt, zoals hij had gezegd te kunnen doen. (Waaruit wel blijkt dat John Dee nu ook weer niet helemaal zuiver op de graat was, onder ons gezegd en gezwegen.) Deze John Dee verscheen toen plotseling buiten zijn gevangenis en niemand kon erachter komen hoe hij dat had klaargespeeld.

Er was iemand die hem heel veel goud beloofde (waarmee hij overigens ook zijn vrijheid heeft gekocht) om dit geheim te leren. Dee zei tegen de man: “Goed, eerst dat geld hier en kom nu maar mee.” Hij liep toen zeven maal op verschillende manieren in de kerker heen en weer…. en hij was weg; hij stond buiten. Toen zei de ander: “Kan ik dat nu ook niet doen?” “Zeker,” zei John Dee, “loop maar met mij mee.” En hij begon weer te lopen. Maar hij liep niet op precies dezelfde manier; en weer stonden ze allebei buiten. De man vroeg toen; “Hoe kun je dat nu doen?” Dee antwoordde: “Wanneer ik denk aan buiten, dan lijkt het mij dat de weg zo gaat en dan loop ik dus hier de weg die naar buiten voert. Want het geeft niet, hoe ik hem loop, als ik hem naar loop; en dan kom ik vanzelf buiten.”

U begrijpt wel dat daarover heel veel ellende is geweest. Want hij had dat kunstje nu wel aan de edelman geleerd, maar deze viel ook in ongenade en werd opgesloten. En dus probeerde hij het kunstje ook. Maar hij ging zich eerst afvragen, hoe die weg dan eigenlijk wel zou zijn. En daarom is hij nooit buiten gekomen. Hij had al zijn geld voor niets uitgegeven. Dit is een kleine illustratieve anekdote. Want het gaat ons allemaal precies eender.

Wanneer wij die mystici zien, dan zijn er bij die op een gegeven ogenblik zichzelf verliezen. Zij spreken dan niet meer uit zichzelf, maar uit het Onbekende, de stem Gods, goed, geef het maar een naam. Zij doen dingen die fantastisch zijn. Ze doen doodgewoon wonderen of het niets is. Maar als ze erover zouden hebben nagedacht, dan hadden ze het nooit hebben kunnen doen. En alles wat ze als systeem hebben achtergelaten, dat is wel de weg. Maar als we erover gaan nadenken, hoe wij die weg moeten gaan, dan kunnen wij hem niet gaan.

Ik geloof dat dat het drama is voor de moderne mens. Want juist nu die wereld zoveel bekender is geworden en de einder zo onnoemelijk veel groter, is ook de behoefte om verder te reizen, om meer te ervaren, groter geworden. Of je stompt af en je tracht je van die wijde, ruime wereld af te sluiten, of je probeert zelfs aan de beperkingen van die weidsheid te ontkomen. In het laatste geval ben je ergens mysticus; misschien met getallen omdat je al cijferende meent het Al te kunnen veroveren. Een ander met gebeden en een derde weer op een andere manier. Maar jammer is dat je altijd vergeet, dat je de afstand moet afleggen – het geeft niet waar en hoe – die ligt tussen jou en je doel. En als je dat volledig juist doet, dan ben je daar waar je wilt wezen. Maar dat vergeten de mensen. Het is de weg die hen zozeer boeit, dat ze vergeten dat de bestemming het belangrijkste is.

Wanneer u van hier naar huis gaat, gaat u dan net zolang nadenken over alle mogelijke wegen, tot u ze werkelijk overlegt hebt en de beste hebt gekozen? Ik ben bang dat u dan vannacht niet meer thuis komt. Op dezelfde manier ontneemt de mens zichzelf vaak de mogelijkheid om thuis te komen in geestelijk opzicht. Dat hij daarbij vele mystieke belevingen heeft, is ongetwijfeld waar. Maar het zijn geen belevingen van werkelijke betekenis.

In de oudheid zijn er mensen geweest die dit inderdaad bereikten. We vinden hen onder de Chinezen, zo goed als onder de Grieken, de Engelsen, de Fransen en zelfs onder de Nederlanders. Mensen die verder kunnen komen dan ze zelf weten. Mensen die ergens wonderlijke figuren worden, waarmee de geschiedenis niet goed raad weet. Of die maar liever worden vergeten en tot legenden of mythe worden verklaard, of tot oplichter zoals Giuseppe Balsamo of als de graaf de St. Germain.

Maar altijd weer – en dat moeten wij goed onthouden! – zijn degenen die werkelijk bereiken, niet in staat om ons het systeem te leren. Ze kunnen ons zeggen: “Ga met ons mee,” en dan geven ze je het resultaat. Maar als ze weg zijn, is het resultaat er niet meer. En wat roepen we dan? Precies hetzelfde als de Poolse edelman, die in ongenade gevallen en gevangen genomen was. Toen deze merkte, dat hij – denkende over de weg – niet uit zijn kerker kon wegkomen, riep hij uit: “Wat is die John Dee een oplichter geweest.” Toch was dat niet waar. Hij was misschien een machteloze in zeker opzicht, maar een oplichter was hij niet.

Kijk, vrienden, als wij alle systemen en vormen van mystiek nagaan, dan komen ze op hetzelfde neer. Ergens willen wij de beperking van ons eigen wezen verbreken. Ergens willen wij aanvaard zijn. We weten niet eens waardoor, maar wij willen aanvaard zijn, we willen erbij horen. Wij willen dat zijn en dat hebben wat een ander heeft en wat een ander is. Daarmee beginnen we allemaal. En als we dat nu wat verder zoeken dan iemand, die het alleen in een koekje en een kopje thee zoekt, dan is dat alleen maar een kwestie dat wij misschien van die dingen genoeg hebben. En dan komt er een ogenblik dat je het “ik” kunt vergeten. Er komt een ogenblik dat het onderzoek, dat het pogen, je zozeer boeit dat je vergeet dat je zelf bent. En op dat ogenblik is de poging zelf een methode geworden van zelfexpressie zonder zelfbewustzijn.

Het klinkt misschien krankzinnig, als ik u vertel dat er mensen zijn geweest, die homunculi wilden maken (die kunstmatige mannetjes, die – als we sommige recepten mogen geloven – wordt gedistilleerd uit rottend mannelijk zaad). Zelfs Paracelsus geeft, als ik mij niet vergis, daarvan nog een aanduiding en ook in de Faust-verhalen vindt u het terug. Goethe heeft er in zijn klassieke Walpurgisnacht op gezinspeeld. Maar als je het goed bekijkt, dan zijn die mensen ergens (ze hebben nooit een kunstmatige mens gemaakt, ook geen Golem) soms zover gekomen, dat hun hele laboratorium en al hun proeven alleen maar een middel waren om zich in iets te vergeten. En zij vonden iets, dat veel meer was dan de kunstmatige mens: zij vonden de werkelijke mens in zichzelf.

Zo wordt de alchemie van een weg van experiment tot een zuiver mystieke weg. En dan kan men op het ogenblik trachten na te gaan wat het allemaal heeft betekend; wat de Rode Leeuw en wat de Gouden Leeuw zijn geweest, wat de Zilveren Draak eigenlijk betekent. Een ieder zoekt dan naar de achtergrond. Maar soms is die achtergrond er niet eens.

Die mensen hebben met hun geheimtaal oorspronkelijk slechts recepten willen uitwisselen. Het ging er om het eeuwige leven te vinden, het levenswater te brouwen, de steen der wijzen te ontdekken. Het ging er om kunstmatig leven te scheppen en goud te maken uit waardeloos materiaal. Maar halverwege heeft men zichzelf in de taak vergeten; en toen vond men iets wat geestelijk goud was. Maar men kan het niet neerschrijven. Het enige wat men kon nalaten, was een recept dat eigenlijk nooit zal kunnen werken; een chemisch recept als men het goed bekijkt, een magisch recept. Degenen die het recept volgen komen nergens. Zij die het overwegen ook niet. Maar degenen die zich in het experiment verliezen wel.

Het is dan ook typisch dat er onder de alchemisten – en er zijn er heel wat geweest – enkelen zijn zoals Giovanni Papiani, die op een gegeven ogenblik van experimentator heel iets anders worden. Deze mens was berucht als goudmaker. Op zekere dag kwam hij naar buiten en toen zei: “Het is net, of meester Giovanni is veranderd.” Giovanni ging naar een blinde toe en genas hem. En men zegt dat hij vele mensen heeft genezen en dat hij soms precies het juiste woord op de juiste plaats heeft gezegd, totdat hij op een gegeven ogenblik tegen een Spaanse edelman aanliep, een zekere Taldoza. Deze man werd ook aan zichzelf onthuld en schrok daar zo van, dat hij de onthuller aan zijn rapier prikte. Hij is daaraan overleden; misschien blij dat hij nu eindelijk van alle belemmeringen ontheven was en dus de bereikte kennis alleen maar voor zichzelf behoefde te doorleven.

Zo zou ik u heel veel anekdoten en verhalen kunnen vertellen. Maar als we het tot de kern van de zaak terugbreng, dan komt het hierop neer: Het geeft niet welk systeem wij volgen, want het systeem brengt ons nergens. Ook het systeem van de Orde niet, als het er op aankomt. Het kan je helpen zelf iets te vinden waarin je je kunt zijn, dat is waar. Het kan je helpen om bepaalde krachten in je wereld te activeren, dat is ook waar, Maar om de mystieke perfectie te bereiken, de mystieke unie met Al, daartoe brengt het niet. Want wie denkt over de weg, kan hem niet meer gaan. De mystiek is iets dat voortvloeit uit een bepaalde taak, waardoor ze voor jezelf kosmisch wordt, omdat je er geen rol meer in speelt.

In de tweede plaats kun je dat ook zo formuleren: Wanneer wij beginnen met de mystiek, dan moeten wij bereid zijn onze redelijke werkelijkheid achter ons te laten. Want als we die twee tezamen willen houden, dan is het net of je een grijsaard van 98 laat trouwen met een jonge bloem van 18. Dat is geen juiste verhouding en dat brengt meestal geen vruchten voort.

Je kunt verstandiger doen en zeggen: Ik kies mij een bepaalde taak, een bepaalde weg of een bepaalde methode, het geeft niet welke. Wanneer je die doorzet ten koste van alles, dan bereik je iets. Maar probeer a.u.b. nooit een compromis te sluiten; dan ontstaat er een schijn-mystiek, een mysterie-beleving die geen zin heeft.

Het laatste en misschien meest praktische punt voor u allen is dit: Wanneer u graag zelf méér wilt worden, iets machtiger of iets groter, meer dan een ander, belangrijker dan een ander of meer gelijk wilt hebben dan een ander, dan moet u nooit aan de mystiek beginnen. Want als je aan de mystiek begint, dan eindig je met geen gelijk te hebben, geen meerdere te zijn, maar deel te zijn van de fouten van anderen en daardoor juist ook een begrip te hebben voor alle anderen. Uit dat begrip breng je dan misschien iets tot stand. Maar wat je tot stand brengt, doe je niet meer voor jezelf of door jezelf. Want degene die werkelijk de grote mystieke eenheid heeft gevonden, is eigenlijk voor zichzelf daadloos en deelnameloos. Wat tot uiting komt is eigenlijk het totaal wat hij beseft, niet hijzelf. Dit is eigenlijk een waarschuwing: Zo gij deze weg gaat voor uzelf voert zij naar de beerput. Gaat gij haar om wille van het Grote dat belangrijker is dan alles, dan voert het u naar een punt, waar ge uzelf verliest en daardoor voor het eerst uzelf zijt.