Werken met de tweede werkelijkheid

image_pdf

1 maart 1968

Met één ding moet u rekening houden: Wij zijn niet alwetend, niet onfeilbaar, denkt dus zelf na en vorm u zelf een oordeel.

Wanneer wij spreken over de tweede werkelijkheid, zo lijkt het mij beter dit begrip eerst te verduidelijken. De mens leeft in wat hij beschouwt als de realiteit. In zichzelf draagt hij echter ook een voorstellingswereld, die voor hem onder omstandigheden als een werkelijkheid beleefd kan worden. Dit is dan een tweede werkelijkheid. Deze tweede werkelijkheid kan een zeer grote invloed hebben op het gedrag van de mens binnen de normale wereld. Zo wij deze tweede werkelijkheid en haar mogelijkheden, dan ook willen ontleden, zullen wij uit moeten gaan van een regel, die u, naar ik hoop, zonder meer zult willen aanvaarden: Alles, wat ik als werkelijkheid voor mijzelf beleef, is voor mij werkelijkheid, ook wanneer het niet behoort tot de wereld en de realiteit, die ik met anderen pleeg te delen.

Een mens, die het gevoel heeft geheel machteloos te zijn, zal al snel er toe komen een beroep te doen op God, of op andere, volgens hem hogere instanties. De minister, de Kamerleden, een heilige, kunnen als hogere instantie fungeren. In zeer vele gevallen is het beroep op zo een instantie in feite – gezien de gekoesterde verwachtingen – deels imaginair. Wanneer men zelf immers de zaak negatief benadert, kan men moeilijk verwachten, dat in de wereld zowel als in eigen houding door het beroep op de instantie opeens iets zal veranderen. Blijft men zich geheel baseren op de met anderen gedeelde werkelijkheid, dan blijkt het beroep in dergelijke gevallen nutteloos. Anders wordt het, wanneer de mens werkelijk, geheel en oprecht vertrouwt in de kracht, die hij aanroept. Dan blijkt de dokter de kwaal vaak met wat gekleurd water reeds te kunnen genezen en zal een beroep op de instanties een verandering in het gedrag van de vrager tot stand brengen, waardoor ook zijn omstandigheden zich blijken te wijzigen – zelfs zonder dat de instanties werkelijk iets doen. Een beroep op God blijkt eveneens, wanneer men daarin vast gelooft, in staat te zijn de omstandigheden van een mens geheel te veranderen of een ziekte te genezen.

In deze gevallen speelt de factor, die ik tweede werkelijkheid noem, kennelijk een rol. Het lijkt mij niet mogelijk deze gehele zaak af te doen met termen als zelfsuggestie, zelfhypnose en dergelijks. Er is meer, daarom moeten wij ook veronderstellen, dat er meer dan alleen een suggestieve kracht aan het werk is. Een hypnose of suggestie zou kunnen helpen om de mens hetgeen hij normaal reeds is of kan, beter te doen zijn of te volbrengen. Het is met deze waarden mogelijk een gevoel van innerlijke zekerheid te scheppen, spanningen in het ik te wijzigen of weg te nemen. Maar instanties die veel verder gaan – en in feite voor de leek bovennatuurlijk lijken – zou men m.i. daarmede toch niet gemakkelijk kunnen bereiken dunkt mij. Er zijn vele voorbeelden van schijnbaar onmogelijke resultaten te geven. Ik zal mij tot een tweetal bepalen.

Het eerste voorbeeld vond plaats in België. Een kind wordt met een ernstige afwijking aan een long geboren. Men spreekt van een gat in de long. Dit gebrek wordt medisch geconstateerd en ongeneeslijk geacht. Wel denkt men er over om bij toenemende moeilijkheden bij de ademhaling, deze ene long geheel stil te leggen. De ouders zijn gelovig. Zij gaan naar iemand van wie zij aannemen, dat hij kan “genezen”. Deze persoon zelf gelooft dit overigens ook. Het kind geneest.

Röntgenfoto’s, genomen met een tussenpauze van rond 6 maanden, tonen op de eerste foto het bestaan van het longgebrek aan – dit was reeds eerder op dergelijke wijze geschied – terwijl op de laatste foto niets meer van de fout te zien is. Men kan dit natuurlijk wegverklaren door te stellen, dat er bij de eerste opnames fouten zijn gemaakt. Maar dan moet men ook veronderstellen, dat meerdere specialisten en dokters dezelfde fout hebben gemaakt. Men kan ook stellen, dat sprake is van een werkelijke genezing. Aan te nemen, dat hierbij suggestie op het kind de oorzaak is, lijkt onzinnig. Voorstelbaar is wel, dat een kind, zoals elke mens, beschikt over mogelijkheden en reserves, die gewoonlijk niet worden aangesproken, tenzij middels stimuli op zodanig sublimaal vlak, dat geen rationele verklaring mogelijk is. Hier kan men stellen: In de tweede werkelijkheid erkent men de genezing en de mogelijkheid tot genezen – die redelijk moet worden verworpen – waarop de genezing ook in de menselijke werkelijkheid manifest wordt.

Het tweede geval speelt zich af in Engeland en werd daar vastgelegd in de analen van de “society for psychical research”. De hoofdpersoon is altijd neerslachtig: schijnt door ongeluk te worden vervolgd en geldt als “accident prone”. Hij komt uiteindelijk in een krot te wonen, waarin het heet te spoken. Deze mens is lichamelijk en geestelijk de ondergang nabij, wanneer op verzoek van een familielid, dat meent, dat het spook hieraan debet is, een medium en een magnetiseur – met anderen – daar een bezoek brengen. Een stoffelijke oorzaak voor de verschijnselen wordt niet gevonden, maar bij een tweede bezoek voeren de twee paranormaal begaafden van het gezelschap een “strijd met een duistere geest”. Overigens blijkt later, dat toch een stoffelijke oorzaak bestaat voor de aan een spook geweten verschijnselen. Maar nu het eigenaardige. De man in kwestie heeft vertrouwen in hetgeen de twee begaafden hebben volbracht. Hij voelt zich van een zware druk bevrijd. Bij het derde bezoek – waarbij de oorzaak van de verschijnselen uiteindelijk werd gevonden – bleek de man niet alleen niet meer “accident-prone” te zijn, maar hij blijkt ook veel wilskrachtiger te zijn dan men hem ooit kende. Zijn lichamelijke toestand verbetert zich zeer snel, zijn kracht neemt toe. Hij blijkt opeens te beschikken over zekere begaafdheid, waardoor het hem mogelijk is als schrijver een redelijke boterham te verdienen. De “ontmaskering van het spook” blijkt hierop geen invloed te hebben gehad.

Nu is het bekend, dat er mensen zijn, die ongelukken aan schijnen te trekken. Maar dat men daarvan af kan komen middels het bovenstaand geschetste proces, past niet binnen een rationele uitleg, vooral wanneer men beseft, dat de paranormaal begaafden zich in geen geval met de mens zelf hebben bezig gehouden. Zelfs indien wij rekening houden met de uitleg, die een psychiater in dit geval ongetwijfeld zou geven, is m.i. geen voldoende redelijke verklaring te geven voor het bijzonder snelle herstel van de patiënt, de gehele verandering van diens aard en gedrag plus het opeens ontstaan van een begaafdheid. Men kan het bovennatuurlijke aspect, dat men aan de zaak wilde geven, wel weg verklaren, maar gezien de voorgeschiedenis van deze mens zal men moeten constateren, dat er desalniettemin iets heeft plaats gehad, dat buiten de algemeen en redelijk erkende mogelijkheden ligt, iets dat logisch niet verwacht of bepaald kan worden. Toch is in de feiten het bestaan van een dergelijke – niet geheel redelijk te verklaren – inwerking, onloochenbaar gedemonstreerd. Ik noem ook dit een werking van de tweede werkelijkheid. Want indien logisch niet reële invloeden, suggesties, voorstellingen op het ik een reële voor anderen kenbare invloed hebben, mag ik dit toch wel een werkelijkheid van het ego noemen.

En met deze voorbeelden hoop ik te hebben aangetoond, dat ik niet ten onrechte spreek over een “‘tweede werkelijkheid”.

Dan moeten wij eens nagaan, of deze tweede werkelijkheid misschien voor de mens bruikbaar is. Bewust bruikbaar wel te verstaan. Daartoe constateer ik allereerst, dat bepaalde punten steeds weer op de voorgrond treden, overal waar iets, wat men aan een tweede werkelijkheid kan wijten, voorkomt.

  1. Er is altijd een grote tegenstelling tussen de door als mensen gezamenlijk beleefde werkelijkheid en de eigen werkelijkheid – de tweede realiteit – waarin de mens verkeert en van waaruit hij kennelijk beïnvloedingen kan ondergaan.
  2. In alle gevallen is er, zij het soms via derden, een sterke gebondenheid met het probleem kenbaar. Er is sprake van een concentratie op het probleem in de mens zelf, of op zijn onmiddellijke nabijheid.
  3. In het ik, of in de omgeving van het ik, blijkt een intens beschouwen van de omstandigheden – men zou hier zelfs van een vorm van meditatie kunnen spreken – eveneens een rol te spelen.

Wil men tot een praktisch gebruiken van de mogelijkheden, die in de tweede werkelijkheid zouden kunnen liggen, komen, dan zal men zeker rekening moeten houden met de punten, die ik hier opnoemde. Ik stel daarom dat een ieder, die een praktisch gebruik – bewust – van een tweede werkelijkheid nastreeft, allereerst bereid moet zijn om het oordeel en de normen van anderen tijdelijk voor zich ter zijde te stellen. Hij moet bereid zijn een zuiver persoonlijke norm-ervaring te aanvaarden, zelfs indien deze onlogisch, onredelijk of aan alle gangbare normen tegengesteld lijkt, zolang zij in het Ik maar verankerd blijkt te zijn. Ook zal men in zich de mogelijkheid en bereidheid moeten bezitten, of in zich voorstellingen op te bouwen of ernstig te bezien, die afwijken van alles wat in de mensenwereld als mogelijkheid wordt genoemd of logisch heet.

Men zal zich met een zekere gedrevenheid op dergelijke beelden, voorstellingen enz. moeten kunnen concentreren. Daarom zal de normale mens een tweede werkelijkheid alleen kunnen gebruiken, wanneer hij zelf zekere spanningen ondergaat. De oorzaak daarvan is minder belangrijk. Maar indien er geen voldoende drijfveren zijn om desnoods alles te aanvaarden, te verwachten, te willen, al lijkt het ook onmogelijk, zal immers een benaderen van de tweede werkelijkheid, door een te zeer teruggrijpen op de normen van het eigen menselijk bestaan, onmogelijk worden of t.e.m. de uitwerkingen daarvan tot een minimum terug brengen. Dan wordt de tweede werkelijkheid in wezen een soort spelletje met de fantasie. Tot een ernstig verwerpen van de normaal gedachtewaarden van de mensenwereld komt een mens eerst dan, wanneer hij onder een zodanige hoogspanning staat, dat hij al het andere kan vergeten, zodra zijn doel of probleem ter sprake komt. Verder blijkt, dat de meditatieve factor, die wij in deze gevallen steeds weer aantreffen, niet in de eerste plaats het overwegen van wensen betreft, maar eerder een – zij het vaak zeer persoonlijke en eenzijdige – beschouwing omvat van dat, wat is.

Steeds weer zien wij, dat de mens invloeden en krachten ondergaat zonder ze te beseffen. Dit speelt ook een rol bij z.g. paranormale werkingen. Zelfs bij suggestie en hypnose blijkt een niet beseffen van de werking, de invloed, noodzakelijk te zijn om tot goede resultaten te komen. Daarom moet men de krachten, die vanuit een tweede werkelijkheid als actieve factor optreden nimmer zoeken te herkennen en te ontleden. Men zou als regel moeten stellen:

  1. Niet het proces, maar de resultaten zijn belangrijk. Bezie daarom de z.g. tweede werkelijkheid, nooit als iets, wat apart staat van uw eigen werkelijkheid, maar zie haar als een – zij het persoonlijk – deel van uw wereld.
  1. Baseer uw benadering van de tweede werkelijkheid nimmer op wensen, maar op de werkelijke erkenning van hetgeen voor u of volgens u onjuist is. Streef in dit verband altijd naar een verandering in het gekende, nimmer naar het bereiken van iets, dat u in feite nog niet werkelijk kent.
  2. Leer uw eigen wereld, zowel de gebreken als de mogelijkheden daarvan, meditatief te beschouwen. Dit betekent: onderga deze, ontleedt ze en beschouw ze niet alleen als iets zuiver persoonlijks, maar zie ze altijd als deel van de wereld, een onontkoombaar iets dat uit uw “werkelijke wereld” voortvloeit desnoods.
  3. Doe een beroep op het onbekende, om wijzigingen tot stand te brengen, maar beroep u op het onbekende in een vorm, waarin u gelooft, waarvan u volledig aan kunt nemen dat zij bestaat en waarvan u zeker meent te kunnen zijn, dat zij de gewenste macht ook heeft.

Met deze opsomming van factoren hebben wij niet allen de tweede werkelijkheid beter omschreven, maar tevens een praktische procedure kunnen omschrijven, volgens welke deze tweede werkelijkheid geactiveerd zou kunnen worden.

De grote moeilijkheid in het door mij geschetste proces is voor de mens die bewust hiermede wil werken, is de meditatie en het geloof. Deze twee waarden baren steeds weer moeilijkheden, terwijl de rest van, het beschreven proces als vanzelf zich voltrekt.

Daarom het volgende:

Geloof kan men – in dit verband – nimmer baseren op iets, wat men alleen maar hoopt.

Geloven is een bevestigen van het zelf in het onredelijke. Wanneer ik dus spreek over een geloven aan een kracht, zo kan dit nooit een kracht zijn, waarvan men mij wel eens heeft gesproken, maar zal het altijd weer iets moeten zijn, waarvan ik innerlijk zeker ben dat het er ook is.

In welke voorstelling men een dergelijke geloofswaarde uitdrukt, of men er nu een jonge prins van maakt of een oude heer op een troon bv., doet daarbij niet ter zake. De voorstelling dient alleen maar om de geloofswaarde beter te kunnen beseffen op redelijk vlak. Maar men moet zich zeker voelen, dat de kracht, die men daarmede symboliseert, werkelijk bestaat. Hierbij is het zelfs niet belangrijk, dat deze waarde buiten de eigen wereld wordt gezocht. Men kan – indien men in de macht daarvan gelooft – even goed een beroep doen op de liefde, de rechtvaardigheid of de menselijke waardigheid als op iets anders – alweer, zover het dit onderwerp betreft.

Zolang men in die waarde werkelijke gelooft, en gevoelt daarop een beroep te mogen en kunnen doen, zonder zich verder af te vragen, of redelijkerwijze een werking verwacht kan worden, zoals ik mij voorstel of wens, is een benadering van de krachten, die schuilgaan achter deze tweede werkelijkheid, gevonden.

Men heeft dan een kracht gevonden, waarin de gedachte als agens, als actie verwekkende invloed, werken kan. De meditatieve omschrijving van de niet gewenste delen der menselijke werkelijkheid – steeds in verband met eigen ik – bepalen dan de eventuele werkingspatronen van de gewekte krachten.

Bij de meditatie is de moeilijkheid, dat men zich daarvan allerhande voorstellingen maakt en deze steeds hoog-buitenaards of t.e.m. filosofisch van aard acht. De doorsnee mens mediteert heel wat; meer dan hij beseft. Sommigen mediteren zelfs, wanneer zij de krant lezen: “Daar gaan alweer soldaten naar Vietnam. Stel je eens voor, wat dit alles betekent voor die mensen, voor de wereld….. Het zou toch ook anders kunnen…..” Dit is een vorm van meditatie.

Meditatie is niet slechts een voortdurend in jezelf uitbraken van hooggestemde leuzen , waar je eigenlijk de betekenis niet van beseft.

Meditatie betekent doodgewoon: beschouwen. Mediteren is beschouwelijk waarnemen, ondergaan, beseffen. Meer niet.

Zoals ik u reeds zei, moet men steeds uitgaan van de werkelijkheid. D.w.z. de werkelijkheid, zoals men die zelf kent. Want er zijn altijd wel problemen, waarvan een ander meent, dat je je er niets van moet aantrekken, omdat het niets bijzonders is, of die een ander brengen tot een: “ik heb eerbied voor je, dat je dit zo weet te dragen…”. Maar trek u zich van dergelijke meningen van anderen maar niets aan. In beide gevallen bestaat de kans, dat zij u maar – desnoods met goede bedoelingen – wat voorpraten en in de tweede plaats hebt u nu eenmaal niet te maken met hetgeen een ander denkt omtrent uw wezen en problemen, maar alleen met hetgeen uzelf daaromtrent denkt en beseft.

Overweeg, wat eigenlijk fout is, niet, wat je wel zou willen. Er zijn zoveel dingen, die je wel zou willen, dat je bij een nagaan van je wensen zelden of nooit tot een voldoende concreet omlijnd beeld zult komen. Ga daarom liever na, wat de fouten zijn, die je in jezelf of je verhouding tot de wereld erkent. Ook in dit laatste geval kan men niet spreken van een geheel rationeel proces: De emoties spelen ook hier een grote rol. Maar de emotionele voorstellingen enz. beletten niet, dat men voor zich zeer duidelijk beseft, wat men bovenal wil veranderen.

Zoals men in andere vormen van meditatie zichzelf tracht duidelijk te maken, hoe men zelf de dingen beleeft – dus niet, hoe zij in feite wel zijn.

De gehele procedure is in wezen nogal eenvoudig, wanneer men maar bereid is het onbekende – deze tweede werkelijkheid – in volle overtuiging als een actieve factor in het menselijke bestaan en eigen bestaan te aanvaarden. Wanneer ik naar beste weten precies omschrijf, wat er volgens mij fout is, zal ik mede, zij het minder bewust, aangeven, wat voor mij en volgens mij goed is. Wanneer ik constateer, waar de ziekte zetelt, bepaal ik indirect ook wat volgens mij nog gezond is. Men brengt zo in het eigen denken een verdeling stand van goed en kwaad.

Hierbij beseft men vooral de onevenwichtigheden in eigen bestaan en wezen. Deze nu kan men compenseren door dit beroep op een andere kracht.

U meent misschien, dat – gezien vanuit dit onderwerp – het constateren van een ziekte betekent, dat men krachten aanwendt om de ziekte geheel uit te roeien. Maar dat is eigenlijk niet waar: men brengt eenvoudig zodanige levenskracht in zich of in anderen tot actie, zodat de kwaal – eerst in haar verschijnselen en vaak ook later in haar oorzaken – wordt aangetast en verdwijnt. Men vernietigt, niet bewust, iets, maar zoekt eerder een voor het ik aanvaardbaar evenwicht. Wanneer iemand zich door een boze geest bezeten acht of meent door het ongeluk achtervolgd te worden, zo gaat het er niet in de eerste plaats om een eind te maken aan die verschijnselen. Men zal eerder dienen te begrijpen, wat er ontbreekt in die persoon. Dat kan kracht, voorstellingsvermogen, zijn. Zodra beseft wordt, wat het gebrek – in casu meestal ook de oorzaak – is, is het mogelijk door het beroep op de onbekende kracht een positieve kracht aan te voeren, die een evenwicht herstelt.

De tweede werkelijkheid vult a.h.w. de menselijke werkelijkheid aan. Niet op een buitengewoon spectaculaire wijze misschien, maar toch op een wijze, die voor het leven en evenwicht tussen geest en stof van groot belang is.

Bedenkt, dat er vele mensen zijn, die een droom kennen en deze voortdurend najagen. Het resultaat is dat zij zelden bereiken, wat zij wensen. Maar er zijn, ook mensen, die voortdurend nadenken over de punten, waarop zij zelf tekort schieten t.a.v. hetgeen zij willen bereiken.

Deze mensen slagen er meestal wel in, hetgeen zij nastreven te bereiken. Nu lijkt het misschien niet logisch, dat de ene wijze van erkennen van noodzaak een beter gevolg met zich brengt dan de andere wijze van erkenning. Toch blijkt dit steeds weer waar te zijn. De uitleg, die ik u daarvoor biedt, is de volgende: de mens, die een fout erkent, zal een corrigerende werking tot stand gaan brengen, terwijl de mens, die alleen aan het gewenste goede denkt, niet er toe komt de negatieve werkingen in eigen wezen en stromingen in de wereld, die het waarmaken van de wens beletten, op te heffen, of van hun werking te beroven.

De functie, die de tweede werkelijkheid voor praktische doeleinden heeft, kan het beste worden aangeduid als krachtreservoir. Om zweven te voorkomen, zal ik de meest logische uitleg kiezen:

U leeft in de maatschappij. U hebt een bepaalde opvoeding genoten. U doet een bepaald werk – misschien zelfs zeer goed. De vraag is echter niet, wat u door opvoeding enz. meent te kunnen, maar wat u misschien nog méér zou kunnen doen en beleven. U bezit waarschijnlijk een grote reeks vaardigheden, die u zelden of nooit gebruikt. U hebt meer denkcapaciteiten dan u gemeenlijk gebruikt.

Zelfs uw spieren hebben veel meer actievermogen, dan u er ooit van pleegt te eisen. Het beroep op de tweede werkelijkheid schakelt de beperkingen, die opvoeding en gewoonte tot stand plegen te brengen, grotendeels uit. Door het aanvaarden dat er ergens een onbekende kracht bestaat, die mijn in eigen wereld erkende tekorten kan compenseren, activeer ik a.h.w. in mijzelf reeds vele niet besefte eigenschappen en mogelijkheden.

Stel nu, dat dit verder gaat dan alleen de stof, zodat astrale werelden, levenskrachten, sferen, mede een rol kunnen gaan spelen. Dan kan ik verder zeggen: de totaliteit van het ego omvat zoveel mogelijkheden en werelden, meer dan wordt beseft en normaal geuit, dat het beroep op de tweede werkelijkheid – deze wereld, waarin alles mogelijk is – de gehele mens er toe kan brengen iets van zijn normaal niet gebruikte of besefte mogelijkheden op geestelijk gebied te activeren.

U weet misschien reeds, dat in noodsituaties de mens over vele onverwachte capaciteiten beschikken kan. Ik wil mij niet ophouden met voorbeelden omtrent verlamden, die opeens bleken te kunnen lopen of veel meer doen, dan mogelijk werd geacht, omdat zij een ogenblik hun beperkingen vergaten. Ik wijs u slechts op het feit, dat een mens onder spanning – bv. oorlogsomstandigheden – niet meer normaal denkt over zijn mogelijkheden, waardoor hij komt tot prestaties, die voor deze zelfde mens in normalere omstandigheden voor het ik niet denkbaar zijn. Is er misschien iemand in de zaal, die op een fiets zonder banden eens heen en terug naar Groningen is gereden om wat aardappelen te halen? Toen kon het, deden velen het, ofschoon zij veel slechter gevoed waren en in feite minder krachten hadden dan nu. Toch zouden dezelfde, die dit in de oorlog deden, het waarschijnlijk nu voor onmogelijk houden en zeker niet in staat zijn het, zoals eens, in enkele dagen te volbrengen. Vergeet niet, dat er mensen zijn, die onder druk van omstandigheden een dergelijke reis in 3 à 4 dagen wisten te volbrengen, incl. de tijd, die zij voor het drijven van ruilhandel nodig hadden. Theoretisch zouden zeer velen van die mensen een dergelijke prestatie nooit kunnen leveren, zonder daaraan te sterven. Onder de abnormale omstandigheden, konden zij echter dit alles en vaak zelfs nog veel meer. Geen rust na de thuiskomst, maar onmiddellijke verdere activiteit kwam vaak voor.

Mensen in nood, die normaal niet schijnen te kunnen rekenen, of dit slechts langzaam kunnen, blijken onder spanning opeens zeer snel en goed te kunnen rekenen. Zij weten manipulaties te volbrengen, die geniaal zijn. Ik weet bv. dat een hoofdboekhouder van een bank in Nederland, die toen het faillissement van zijn bank in feite reeds onafwendbaar scheen, met getallen in zeer korte tijd zijn boeken wist te vervalsen en daarbij zo fantastisch nauwkeurig en met overzicht werkte, dat het meer dan één en een half jaar kostte om met meerdere mensen uit te vinden, wat er nu eigenlijk verkeerd was. Men sprak van een geniale opzet. Toch stond de man in kwestie bekend als een zeer secuur, maar langzaam rekenaar. Zo stond hij zeker niet bekend als een man met fantasie, en toch volbracht hij de gehele vervalsing – tussen zijn normale werk door – in minder dan 6 weken. De superieuren van deze man beschouwden hem als een zeer systematisch en betrouwbaar mens. Wat dan ook bleek!

Deze voorbeelden maken wel duidelijk, dat een mens vaak veel meer kan presteren, dan hij zelf voor mogelijk zou houden. Dan moet ook u meer kunnen zijn, meer kunnen volbrengen, dan u normalerwijze durfde en voor uzelf mogelijk acht. Door het beroep op de tweede werkelijkheid schakelt u niet slechts een nieuwe kracht in, maar schakelt u ook de beperkingen van uw denken t.a.v. het voor het ik mogelijke uit. Denkbeelden als: Dat doet men niet, dat kan ik toch niet, enz. vallen weg. Enerzijds vallen bij het omschreven proces dus de remmingen weg, die de mens in zijn mogelijkheden plegen te beperken, terwijl u anderzijds alle capaciteiten van geest en stof activeert. Naarmate de spanning, waaronder de mens verkeert, groter is, zal de drang om alle krachten en capaciteiten te gebruiken eveneens groter worden, terwijl door de spanning tevens veel van het normaal geldende voorbehoud weg valt.

Dit verklaart, dat juist de mensen, welke onder grote morele of materiële druk staan, de meest spectaculaire prestaties plegen te verrichten.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Kunnen wij iets doen, om de noodzakelijke spanning op te wekken?

Neen. Gemeenlijk niet. Bovendien zult u, wanneer dergelijke spanningen niet aanwezig zijn, geen behoefte hebben aan het werken met de tweede werkelijkheid en normaal in staat zijn, binnen het kader van eigen redelijk vermogen en reageren, uw zaken te regelen.

De spanning dient dus voort te komen uit de bestaande omstandigheden. Wanneer u een dergelijk spanning zelf wilt opwekken, tracht u de zaak kunstmatig tot stand te brengen. U weet dit echter zelf zeer goed. Je hebt dan niet meer te maken met een contact met de werkelijkheid, maar eerder met magie of een fantasie, wat tot teleurstellingen voert, omdat u redelijk niet kunt aanvaarden, wat u zelf stelt en zo niet in uzelf en de krachten kunt geloven.

  • Wanneer men bij een ongeluk opeens snel en juist ingrijpt zonder zelf te weten hoe, heeft dit dan ook met de tweede werkelijkheid te maken?

In zekere zin wel. Je zou kunnen zeggen, dat alle overprestatie onder spanning voortkomt uit een besef, dat niet tot de normale werkelijkheid van de mens gerekend kan worden en als zodanig kan worden gesteld voort te komen uit in het Ik levende beelden en wensen. Dit is dan wel degelijk deel van hetgeen wij hebben omschreven als tweede werkelijkheid.

  • Maar bij dergelijke spanningen reageert men toch onbewust?

Voor zover het waakbewustzijn daarbij is betrokken, hebt u gelijk. Maar elke spanning ontstaat in feite door het bewustzijn van omstandigheden in uw met anderen gedeelde werkelijkheid. Het gaat dus om besefte omstandigheden, waarbij uw eigen mogelijkheden in uw wereld en de eisen, die die wereld u stelt, betrokken zullen zijn. Bij een dergelijke, vaak instinctief genoemde reactie blijkt, dat de mens zich niet bezig houdt met het tot stand brengen van een gewenste toestand, maar in feite een bestaande wantoestand of een gevaar tracht te bestrijden. Het gevolg is, dat hij – zonder te denken aan gevolgen – het gewenste en mogelijke resultaat vaak bereikt. Reageert men logisch, dan is meestal vluchten het gevolg. Zodra men echter gelooft aan waarden of verplichtingen, die in feite buiten eigen logica en redelijkheid liggen, zal de tweede werkelijkheid als aanvullende kracht optreden. Een emotioneel beroep op iets, wat innerlijk als waar erkend wordt – zonder te egoïstische bijbedoelingen – vormt een stimulans waardoor normaal niet besefte krachten van het ik worden gemobiliseerd en niet alleen maar optreden tegen de als ongewenst gekende situatie of werking, maar daarnaast er toe bijdragen, dat de voor het ik als meest juist of harmonisch geldende oplossing wordt gerealiseerd. Bij de beoordeling van de resultaten dient men echter wel te beseffen, dat sommige vormen van rampen bij mensen wel een doodswens tot gevolg kunnen hebben, zodat zij in wezen hun eigen dood denken en waarmaken.

  • Ik begrijp nog niet, waarom die spanningen altijd uit de wereld moeten worden ondervonden. Bestaat er geen meer normale weg, waarbij langzaam de grens van eigen werkelijkheid overschreden kan worden?

U begrijpt er kennelijk niet veel van, vriend. Wanneer u immers langs meditatieve weg uw werkelijkheidsbewustzijn uitbreidt, zult u een grotere werkelijkheid erkennen en daarin voortdurend leven, maar schept u dan geen contact met een tweede, als van de norm gescheiden ervaren werkelijkheid? De tweede werkelijkheid wordt juist zo genoemd, omdat zij altijd onlogisch, irreëel blijft vanuit het standpunt van de gemeenschap, zowel als van de normaal reagerende en denkende mens in eigen wereld.

Hiermede kom ik aan het derde deel van mijn betoog. Ieder van u kent een wereld van fantasie. Uw fantasie is meestal een uitbreiding van uw normale werkelijkheid. U kunt echter nooit iets fantaseren, dat geheel afwijkt van uw eigen wereld. U fantaseert wel dingen, die voor u onmogelijk zijn of in een dergelijke vorm onmogelijk zijn, maar elke fantasie blijft zozeer verbonden met de mogelijkheden, voorstellingen en feiten van uw eigen wereld, dat het gestelde zo geweest had kunnen zijn of zo zou kunnen worden.

In dromen hebben wij met een soortgelijk effect te maken: In de droomwereld worden wij niet geconfronteerd met waarden, die geheel buiten de normaal gekende omgaan, maar met voorstellingen en feiten, die ook in de normale werkelijkheid bij u een rol spelen.

Wel worden delen van uw normale werkelijkheid in de droom vaak op een zonderlinge wijze tot een bijna krankzinnig geheel samengevoegd. De als normaal en consequent erkende samenhangen ontbreken vaak. De werelden van droom en fantasie vormen in feite de wereld, waarin de mens zijn werkelijkheid zelf tracht te herscheppen.

Een mens, die iets uitvindt, begint altijd weer eerst te fantaseren. Wanneer hij de fantastische voorstelling ver genoeg ontwikkeld heeft, tracht hij haar binnen het kader van het normale denken en de algemeen geldende logica te formuleren. Daarna zal hij dan weer trachten aan de gevonden formulering meer feitelijk gestalte te geven. Op soortgelijke wijze werkt een musicus, een schilder, een schrijver. Zelfs een zakenman, die het zakendoen op een geheel nieuwe wijze gaat benaderen – zoals bv. degene, die het eerste postorderbedrijf stichtte – zal daarover eerst dromen en – of fantaseren. Dan eerst wordt het mogelijk het nieuwe of eigene vanuit de wereld van eigen niet rationeel schijnend denken over te brengen in de eigen, rationele werkelijkheid. Er is dus een verschil tussen de tweede werkelijkheid en het normale dagelijks bestaan. Men zou de tweede werkelijkheid potentie mogen noemen, als het dagelijkse bestaan als actie wordt beschouwd. Datgene, wat de mens in de tweede werkelijkheid beseft, is niet onmogelijk, maar hij zal in eigen wereld eerst over de krachten, middelen, inzichten, of reacties moeten gaan beschikken, om het in de tweede werkelijkheid bestaande ook in de wereld waar te kunnen maken.

Tussen de tweede werkelijkheid en de wereld van de mensen moet dus het proces van realisatie in een vertaling in redelijke algemeen aanvaarde stellingen, passende binnen de normen van de wereld, liggen. Dit is echter een beperking, daar de menselijke rede, gewoonten, enz. veelal het in de tweede werkelijkheid geziene of ontvangene niet als aanvaardbaar en mogelijk erkennen. De mens houdt niet van deze beperktheid, maar kan aan eigen begrenzende inzichten moeilijk ontkomen. Daarom, bouwt hij vaak, als deel van zijn tweede werkelijkheid, een soort magische gestalte op. Deze God, beschermgeest enz. is dan – volgens het geloof van de mens daarin – bereid de mens bij te staan op die ogenblikken, waar volgens de normen van eigen wereld en denken men tekort zou moeten schieten. Deze figuur heeft dan in de ogen van de mens zoveel kracht, dat bij een beroep op deze figuur een suppleren van eigen tekortkomingen, gebrek aan krachten enz., zonder redelijke en met de wil mede gerichte wijze tot stand kan komen. Hierbij moet worden opgemerkt, dat dergelijke in feite denkbeeldige figuren een grote mate van werkelijkheid kunnen verkrijgen, wanneer men zich lang genoeg met de voorstelling bezig houdt. Zij worden dan astrale schillen, geladen met de potentie, die men in gedachten aan de figuur heeft toegekend. Hierdoor is dergelijke figuren de mogelijkheid gegeven, ook zonder een impuls vanuit de mens, soms in te grijpen.

Zij zullen dit echter altijd slechts kunnen doen volgens de krachten en gerichtheid, die de mens aan hen in de eerste plaats heeft toegekend.

Een mens, die in zijn wereld met krachten uit de tweede werkelijkheid wil werken, maar niet altijd in staat is het negatieve eerst te gaan overwegen om hieruit de noodzaak tot actie af te leiden, zal dit veelal tot stand kunnen brengen door een dergelijke fantasiefiguur te creëren.

Dit beeld uit eigen denken blijkt dan vaak in staat, de processen van redelijk denken, reageren enz. te vervangen. In de wereld van het onbewuste weet de mens immers reeds lang, voor hij dit redelijk kan beseffen, welke fouten en tekorten er voor en volgens hem bestaan. Hij kent de situatie onbewust beter dan ooit bewust denkbaar is. De fantasiefiguur maakt het nu mogelijk de overdracht van onbewuste naar bewuste erkenning, die bij een bewust gebruiken van de tweede werkelijkheid noodzakelijk is, te elimineren. Aan deze aantrekkelijk schijnende procedure zijn echter gevaren verbonden.

Men zal op den duur deze fantasiefiguur haast als werkelijker en machtiger dan eigen ik gaan beschouwen. Deze zelfgeschapen gestalte gaat dan de mens domineren en ook diens redelijk denken en normaal leven in eigen wereld geheel beheersen. Vanaf het ogenblik, dat dit gebeurt, zal deze figuur de tekorten van het stoffelijk ik niet meer aan kunnen vullen, maar integendeel op eenzijdige wijze via de – door het ik ingelegde – eigenschappen van de figuur het bestaan zodanig gaan beheersen, dat nieuwe problemen ontstaan, die men als mens – en later zelfs als geest – niet meer met een zelfstandig oordeel en besef kan benaderen.

Hierdoor kan men daarin dan niet meer ingrijpen. De almacht, die de mens vaak aan een dergelijke projectie toekent, maakt het dan ook onmogelijk op den duur de gevolgen van een beheerst worden door de projectie ongedaan te maken. Wanneer men dus met een dergelijke projectie wil werken of reeds werkt, is het belangrijk zich regelmatig te realiseren, wat er eigenlijk aan de hand is. Besef steeds, dat het stoffelijke ik met al zijn erkende onvolmaaktheden, toch de figuur beheerst en die in feite voortbrengt.

Indien de projectie zozeer deel van de werkelijkheid gaat worden, dat men er mee meent te leven, deze meent te zien en te horen, mag de projectie niet langer worden gehandhaafd. Via redelijke processen, meditatie en wilsinspanning moet men trachten de figuur weer tot niet te maken. Heeft men tijd om dit proces meerdere malen te herhalen, dan kan men dezelfde projectie enkele malen bewust opbouwen en te niet doen. Hierdoor zal het gehele bewustzijn – incl. het onbewuste – weten, dat hier alleen sprake is van iets, wat men zelf beheerst. Hebt u geen tijd hiervoor, dan is het beter desnoods een andere figuur op te bouwen. Hierdoor kunt u een beheerst worden vermijden, dat, omdat de oorzaak daarvan voor andere mensen in het onredelijke vlak ligt, in uw wereld het beeld van krankzinnigheid vaak benadert of bereikt.

Ik zal nu het geheel nogmaals kort voor u samenvatten:

  1. Het geheel van de in mij berustende geestelijke en materiële mogelijkheden wordt in dit zogenaamde normale leven door het Ik maar zelden gerealiseerd. Het mij beroepen op een kracht buiten de wetten, normen en redelijke processen van eigen wereld staande, zal – of deze kracht wel dan niet werkelijk bestaat – het mogelijk maken te ontkomen aan de grenzen die men zichzelf heeft gesteld volgens de normen en begrippen van eigen wereld, zodat men het geheel van eigen vermogens ongeacht gewoonten en voorbehoud zal kunnen gebruiken. De figuur of kracht, waarop ik mij beroep, is voor mij dan altijd deel van de eigen innerlijke of levende werkelijkheid. Zij kan echter het gehele gedrag, de mogelijkheden en vermogens van het ik in de als normaal geldende algemene werkelijkheid mede bepalen.
  1. Alle meditatieve processen, die in dit verband bestaan, zullen gericht moeten blijven op de erkende werkelijkheid, niet op veronderstelde werelden of mogelijkheden. Wie alleen mediteert over de waarden, die in de tweede werkelijkheid bestaan, zal de realiteit, waarin hij als mens leeft, steeds verder uit het oog verliezen. Hij, die mediteert over dat, wat binnen de normale wereld bestaat en daarbij de hiaten en pluspunten daarvan erkent, zal hierdoor de stimulans verkrijgen, welke het hem mogelijk maakt in de tweede werkelijkheid aanvulling van krachten, besef enz. te vinden voor de erkende tekorten in eigen wereld. Mede wordt hierdoor een juiste gerichtheid van de werkelijke vermogens, mogelijkheden en geestelijke krachten van het ik verkregen, zodat het langs deze weg mogelijk zal zijn zo juist en groot mogelijke resultaten te verkrijgen.
  2. Elk beroep op God, een geest, of een dergelijk iets, zal in feite altijd een beroep zijn op een voorstelling, die in het eigen Ik – tweede werkelijkheid – bestaat. Daarom zal geen enkel antwoord van een dergelijke kracht te boven kunnen gaan aan datgene, wat men in zichzelf, bewust of onbewust, als mogelijkheid en vermogen waarlijk erkent. Wie zich geheel van eigen wezen bewust is, zal daarom, stoffelijk gezien, oneindige vermogens kunnen bezitten, maar niet meer van een tweede werkelijkheid kunnen spreken. Naarmate men zich van zichzelf, zijn geestelijk erfdeel en bestaan minder bewust is, zal men zonder een beroep op het onredelijke dan ook minder kunnen bereiken.
  1. De tweede werkelijkheid is niet bestemd en kan niet met vrucht gebruikt worden, om normale moeilijkheden in het aardse bestaan op te heffen. Zij biedt hiertoe zelfs geen voldoende mogelijkheden. De tweede werkelijkheid is eerder bestemd, om alles, wat voor het eigen denken in eigen wereld niet doenlijk, onbereikbaar of onmogelijk schijnt, maar wat toch als noodzaak gevoeld wordt, voor zich waar te maken. Naarmate het gevolg van noodzaak in het ik toeneemt, zal een spanning in het ik ontstaan, waardoor deze tweede werkelijkheid beter wordt beseft of aangevoeld en zo ook sterker als kracht, inspiratieve werking enz. binnen het ik geactiveerd kan worden.

Wie het dagelijkse leven wil veranderen, zal dit dan ook nooit vanuit de tweede werkelijkheid moeten benaderen. Men dient te beseffen, dat naast het normale dagelijkse leven een andere werkelijkheid in het ik bestaat, en aanvaarden, dat de mogelijkheden daarvan – doordat zij de normen die in het dagelijkse leven als grens worden erkend, te buiten gaat, juist waar zijn streven of noodzaak de erkende mogelijkheden van eigen wereld te buiten schijnt te gaan – de mens vele mogelijkheden en krachten kan schenken, die hij meent niet te bezitten.

Tot zover het onderwerp zelf. Er waren echter nog enige moeilijkheden in uw begrip, waarop ik even in wil gaan.

Vele mensen beschouwen namelijk meditatie als een middel, om een andere werkelijkheid te betreden en te leren kennen. Maar u leeft in uw eigen wereld. U kunt dus wel uw besef van de eigen wereld middels meditatie aanmerkelijk vergroten. Hoe groter het inzicht in eigen wereld wordt, hoe duidelijker men erkent, wat men daarin mag verwachten en wat daarin noodzakelijk is. Meditatie is dan ook als middel, om het beseffen van de wereld waarin men leeft en van eigen wezen, zeer belangrijk. Zodra men die meditatie echter gaat gebruiken om een tweede werkelijkheid te scheppen en als waar te gaan beleven, die in feite van het normale leven los staat, vervreemdt men zichzelf van de werkelijkheid. Men kan dan niet meer denken in de termen van begrip en waardering, die rationeel hanteerbaar – en beheersbaar – zijn, maar in termen van vergelijking, waarbij een van de factoren niet meer rationeel of beheersbaar is. De totale reactie zal dan ook niet meer rationeel zijn. De eigen wereld wordt niet alleen onjuist benaderd, maar zal ook niet meer waarlijk en juist worden beleefd en beseft, waardoor de bewustwordingswaarde van het verblijf in de stof aanmerkelijk afneemt.

Meditatie, die slechts het bovenzinnelijke ten doel heeft – zoals in bepaalde Indische meditatietechnieken wel gebeurt – zal, tenzij zij wordt aangevuld met andere disciplines, alleen maar een vervreemden van de wereld ten gevolge hebben. Een betere aanpassing aan die wereld, de behoeften van het eigen ik enz. is dan ook hiervan niet te verwachten. Ik wil met dit alles niet beweren, dat meditatie, die het stoffelijke te boven gaat, geheel geen waarde zou kunnen bezitten. Ik stel slechts, dat zij waardevol kan zijn binnen een systeem, maar dodelijk kan worden, indien men haar los tracht te maken uit dit systeem, omdat dan de eigen werkelijkheid en daarmede eigen mogelijkheid en kracht in de eigen wereld, die men toch werkelijk van node heeft, geheel teniet worden gedaan.

Bij meditatie dient men dus volgens mij uit te gaan van het volgende: alles wat ik overweeg, zelfs wanneer het een z.g. abstract begrip is, zal ik moeten overwegen in samenhang met de werkelijkheid.

Voorbeeld: Wanneer u denkt over vrede, moet u niet denken aan een soort hemel, waarin Picassoduifjes ronddartelen met engeltjes, of een wereld zonder geweld, maar u moet denken aan bv. Vietnam. Wanneer u mediteert over rechtvaardigheid, moet u niet denken aan een soort eeuwige rechter, die de bokjes en schaapjes voortdurend zit te scheiden, maar aan de wijze, waarop u zelf onrecht doet aan anderen in de wereld, het onrecht, dat u kent in uw wereld en de wijze, waarop men altijd weer recht en rechtvaardigheid tracht te ontgaan. Wie wil denken over de waarheid, moet niet over het absolute mediteren, maar allereerst eens trachten na te gaan, wat er nu wel en niet waar is in de wereld waarin men leeft. Je kunt als mens het begrip waarheid alleen werkelijk beleven, wanneer men het redelijk weet te benaderen. Mystiek benaderen geeft misschien gevoelswaarden, maar geen inzicht.

Meditatie is een kwestie van redelijk besef. Een meditatie moet juist worden gehanteerd. Dan geeft zij aan het groter wordende redelijke besef een emotionele inhoud, waardoor het geheel van het bereikte wel hoger komt te liggen dan op het zuiver redelijke vlak, maar het Ik steeds zich bewust blijft van en in contact blijft met de redelijke aspecten van eigen wereld. Een mens, die aan zichzelf tracht te ontvluchten, door zich een andere wereld te creëren, zal daarmee nog niet de eigen wereld en werkelijkheid achter zich kunnen laten. Het gevolg is, dat hij, levende vanuit een niet werkelijk wereldbesef steeds weer in conflict komt met zichzelf, met de wereld, waarin hij leeft. Hij zal als gevolg van dit alles er als mens of geest zeker niet bewuster of gelukkiger op worden. Maar de mens die vanuit zijn eigen wereld en denkende omtrent de eigen wereld zich een groter besef opbouwt, zal ontdekken, dat – mede door de emotionele inhoud van dit alles – zijn begrip voor eigen wereld en bestaan steeds meer kosmisch, steeds meer alomvattend gaat worden. Dan is het verworven besef een sleutel, die zowel op de eigen wereld en werkelijkheid van toepassing is, als op de vele andere werelden van bestaan die hij zal leren kennen en alle waarden en begrippen, die, ofschoon voor anderen nog niet geheel kenbaar, zich voor hem in de eigen wereld steeds meer kenbaar gaan manifesteren.

 Dit wordt dan het einde van mijn bijdrage – besef dat een tweede werkelijkheid nimmer een middel biedt om aan uw problemen te ontvluchten, of u aan de eigen wereld te onttrekken, maar wel dienstbaar kan worden gemaakt aan de behoefte om in eigen wereld eigen erkende mogelijkheden aan te vullen, de eigen wereld en eigen wezen beter te leren kennen enz. Dit alles, mits men beseft steeds uit te moeten gaan als mens van redelijke begrippen en altijd de probleemstelling en erkenning baseert op eigen wereld, ervaring en erkenning, vermijdende zich bij dit alles ooit te baseren op een andere, geponeerde werkelijkheid, die dan, doordat zij als anders wordt gezien, u en uw denken geheel losmaakt van de werkelijkheid, waarin u leeft.

  • Ontevredenheid en ongeduld veroorzaken spanningen. Zou men dan ook die kunnen gebruiken om de tweede werkelijkheid te activeren?

Ontevredenheid en ongeduld zijn daartoe zeker te gebruiken, mits men over zelfbeheersing beschikt. Vergeet daarbij niet, dat ontevredenheid en ongeduld in vele gevallen eerder instinctieve dan bewuste reacties zijn. Wanneer ik weet, waarom ik ongeduldig ben en mijzelf gelijktijdig weet te dwingen dit ongeduld niet verder te uiten dan nu noodzakelijk en opportuun is, zal ik beseffen, wat verder noodzakelijk is. Daar ik echter de tekortkomingen van mijzelf en anderen wel degelijk geheel en redelijk besef, kan ik in dit geval een beroep doen op de tweede werkelijkheid – zij het door een mij beroepen op God of iets anders.

Bij ontevredenheid geldt vaak hetzelfde. Vele mensen zijn ontevreden zonder te beseffen, waarover zij nu in feite ontevreden zijn. Zij realiseren zich niet, waar de bron van dit gevoel voor hen schuilt. Wanneer u dit gevoel zover weet te ontleden, dat u ook werkelijk weet, waarmee en waarom u ontevreden bent, zal het u niet alleen mogelijk zijn de gevolgen van dit ontevreden zijn binnen redelijke perken te houden, zodat zij in uw eigen wereld geen belemmering kan worden voor een bewust streven en handelen, maar zult u bovendien een compensatie vinden voor die ontevredenheid en, waar deze stoffelijk niet te bereiken valt, voor het verwezenlijken van het noodzakelijke wederom een beroep doen op de tweede werkelijkheid, op niet normaal aanvaarde vermogens, krachten en mogelijkheden. Het zal u nu duidelijk zijn, dat ook deze spanningen, mits juist benaderd, dienstig kunnen zijn om de tweede werkelijkheid in te schakelen en resultaten te bereiken.

  • U stelt, dat meditatie kan bijdragen tot een juister kennen van de werkelijkheid, maar ook tot een losraken der werkelijkheid. De tweede werkelijkheid is echter wel degelijk benaderbaar door de juiste vorm van mediteren. Kan men nu, desnoods buiten de rede om, niet toch tot een werkelijkheidssynthese komen?

Ik heb uitdrukkelijk gesteld, dat voor het actief maken van de tweede werkelijkheid het noodzakelijk is, dat er sprake is van een volgens eigen wereld, niet redelijke of redelijk aantoonbare kracht, mogelijkheid of wereld, waarin het ik echter als zekerheid gelooft.

Verder stelde ik, dat voor het activeren van de tweede werkelijkheid de mens spanningen van node heeft. Deze spanningen zijn inderdaad noodzakelijk: Zij kunnen dan ook nooit kunstmatig worden opgewekt, maar dienen voort te vloeien uit eigen wereldbesef en het aanvoelen van noodzaken, die, naar redelijke normen gedacht, door het ik niet zonder meer in die wereld waar kunnen worden gemaakt. Er is geen andere weg.

Daarnaast stelde ik, dat meditatie kan voeren tot het beschrijven van een tweede werkelijkheid, maar daar het besef daarvan dan vaak geen directe of erkende relatie met de eigen wereld meer zal hebben, onbruikbaar pleegt te zijn zover het kracht verwerven enz. betreft, terwijl zij daarnaast voor uw redelijk bestaan in eigen wereld gevaarlijk wordt, omdat zij u zal ontrukken aan de erkenning van de voor u geldende realiteiten van eigen wereld.

Verder stelde ik dat een vorm van meditatie, die uitgaat van de eigen wereld, over het algemeen een uitbreiding van besef tot gevolg zal hebben, waardoor de eigen wereld groter wordt en beter wordt begrepen. Hier is dan sprake van een uitbreiding van de voor het ik normale werkelijkheid, die voor anderen misschien niet redelijk vatbaar is en daarom door hen nog tweede werkelijkheid wordt geheten, maar die u geheel redelijk kunt beseffen en waarmede en waarin u geheel bewust en redelijk kunt werken.

Een andere keus hebt u niet. Er bestaat geen vorm van werken of mediteren, waardoor u een tweede werkelijkheid kunt benaderen en activeren, zonder dat er spanningen zijn. Zelfs de magie berust op het oproepen en doen verdwijnen van spanningen. Een meditatie, die tekorten doet beseffen, kan alleen voeren tot een werkelijke inspanning, wanneer er spanningen bestaan, welke langs emotionele weg het aanvoeren van kracht enz. uit de tweede werkelijkheid mogelijk maken.

  • Het verhaal, dat eenieder geleid wordt door een hogere macht en van de wieg tot het graf een geleide- of beschermgeest bij zich heeft, is dus eigenlijk een fabel?

In deze vorm is het een fabel. Bescherm- en geleidegeesten bestaan wel, maar zijn niet scheppingen, die u steeds vergezellen van de wieg tot het graf als een soort schepping van Drees. Soms kunnen aantallen van hen gelijktijdig of afwisselend optreden. Gedurende delen van uw leven kunt u zonder beschermgeest zijn, en er zijn zelfs mensen, die geen geleidegeesten hebben – ofschoon dit zelden voorkomt.

  • Onder hoge spanningen worden superprestaties geleverd, die verklaar kunnen worden door de tweede werkelijkheid. Dat is echter maar een ogenblik. Kan dit nu steeds weer gebeuren, bv. tijdens een oorlog, zonder dat het zenuwstelsel van de mens daaraan ten gronde gaat?

De zenuwenergie van de mens wordt verteerd door de problemen en tegenstellingen in eigen wezen, niet door het verwezenlijken van iets, wat in feite boven de norm van eigen kunnen schijnt te liggen. Indien iemand dus innerlijk niet te zeer gespannen is, kan worden aangenomen, dat hij tot een zeer lange tijd achtereen optredende overprestaties in staat is, zonder dat het zenuwstelsel daaronder te veel lijdt. Ik geef echter meteen toe, dat dit laatste maar zeer zelden voor zal komen, omdat de meeste mensen nu eenmaal niet in staat zijn, na het bereiken van de overprestatie, de spanning en tegenstrijdige gevoelens, waaruit zij tot de prestatie kwamen, achter zich te laten. De meeste mensen leven nog te veel met hun angsten en gevoelens van onlust, na het veranderen van de toestand.

Het verleden en de verwachtingen voor de toekomst beheersen dan met hun strijdige interpretatiemogelijkheden, te zeer ik om vanuit het heden steeds weer eigen verwachtingen en bestrevingen aan te passen aan het bereikte.

Indien echter dit laatste bereikt zou kunnen worden door een mens is het denkbaar dat in een leven van 60 jaren gedurende 30 jaren een zeer belangrijke overprestatie wordt geleverd, waarbij gedurende rond 6 jaren zelfs prestaties die voor anderen geheel bovennatuurlijk schijnen, zonder dat het zenuwstelsel de levenskracht enz., hierdoor ook maar enigszins worden aangetast.

Nogmaals wil ik verder opmerken dat de 2de werkelijkheid steeds zal bestaan uit het in wezen voorstelbare. Zij is een deel van de eigen geestelijke en materiële werkelijkheid en haar mogelijkheden, ofschoon dit in de huidige toestand door het ik niet wordt aanvaard. Een harmonisch mens zal die krachten, mogelijkheden enz., die men normaal een 2de werkelijkheid zal noemen, voor zich zonder meer als werkelijkheid beseffen en hanteren. Dit is voor zo iemand zo normaal dat hij zich, evenals iemand die een bepaalde kennis of gave bezit, zich steeds weer er over zal kunnen verwonderen, dat anderen dit niet beseffen en gebruiken.

Ten slotte: Ik besef zeer zeker dat met een onderwerp als dit; behandeld in rond één uur, niet een ieder geheel tevreden kan worden gesteld. Ik ben echter dankbaar voor uw vele reacties die belangstelling voor het onderwerp deden blijken.

Daarom moet u nog maar eens nalezen wat ik heb gezegd. Ik heb zo concreet als mogelijk – helaas nog vaag, daar iedere mens toch anders reageert en denkt – aangegeven, wat de 2de werkelijkheid is, wat men er mee kan doen en hoe. Ook waarschuwde ik u voor enkele gevaren.

Overweeg uw eigen moeilijkheden en mogelijkheden dan eens in verband met dit onderwerp.

Het zou mij niet verbazen wanneer u zou ontdekken, dat de 2de werkelijkheid voor u in uw leven en streven van groot belang kan zijn.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie in de vorm van vragen

Wanneer ik in dit 2de deel van de bijeenkomst tracht wat met u te filosoferen, doe ik dit in de verwachting, dat u eens na zult denken over de problemen die voor u uit mijn beschouwingen ongetwijfeld voort kunnen vloeien Ik stel mijzelf eenvoudig wat vragen:

Hoe weet ik bv. dat ik werkelijk besta? Ik denk, ik ben mij van mijn bestaan bewust. Maar is dit mijn eigen bewustzijn, of is dit een bewustzijn van een ander, dat mij dit alles voorspiegelt?

Ik weet het eigenlijk niet zeker.

Ik kan niet zeggen, dat iets werkelijkheid is. Ik kan ten hoogste zeggen dat het voor mij werkelijk is. Dit betekent, dat ik in mijn leven als geest en mens voortdurend geconfronteerd wordt met de relativiteit van alle waarden.

Anderzijds wordt ik ook steeds geconfronteerd met de mogelijke onjuistheid van alles, wat ik denk, doe of maar vermoed in mijn bestaan.

Wil ik mijn God benaderen, dan neem ik aan, dat de God werkelijk bestaat. Maar ik weet niet zeker, dat Hij er is. Neem ik aan, dat de wereld rond mij zelfstandig en onafhankelijk van mij bestaat, zo neem ik dit maar aan, Ik weet het echter niet zeker.

Ik kan dit alles waar, waarschijnlijk, mogelijk noemen, maar in feite kan ik alleen uitgaan van mij zelf en van de dingen die voor mij concreet beleefbaar zijn.

Beleven is een woord, waarbij ik ook even stil wil staan. Wanneer ik iets beleef, betekent dit n.l. twee dingen: Ik onderga het en ik besef het. Ondergaan betekent een verandering aan mij, in mij of buiten mij.

Beseffen, betekent, dat deze verandering door mij wordt geregistreerd als zodanig, dus dat ik een vergelijking trek met een andere toestand.

Wanneer ik goed nadenk, is het gehele proces van beleven, evenals de bewustwording niet veel anders dan het maken van vergelijkingen. Maar hoe weet ik, dat de maatstaf, de waarde, die ik als vergelijkingspunt gebruik, juist is?

Wanneer ik spreek van iets, wat, zedelijk juist of onjuist is, betekent dit, dat ik van zedelijkheid een bepaalde opvatting heb. Ik kan echter niet zeggen, dat deze juist is voor de wereld waarin ik leef, of zelfs in het heelal. Ik kan alleen maar stellen, dat deze maatstaf voor mij de juiste is. Voor mij bestaat deze maatstaf, ik leef haar. Maar verder is de zaak maar relatief, want deze-zelfde maatstaf behoeft niet voor een ieder gelijkelijk te bestaan.

Wanneer ik nog een schrede verder wil gaan in deze richting, rijst mij de vraag, of stoffelijk dan wel geestelijk bestaan een werkelijkheid is, omdat ik het als zodanig onderga.

De mogelijkheid is even groot dat ik het geheel verkeerd versta, zodat dit leven alleen maar de uiting is van iets, wat ik geheel niet kan beseffen en mijn beleven slechts een erkennen is van iets, wat ik niet begrijp.

Stel ik, dat geest en stof werkelijk bestaan, dan blijft mij nog steeds de vraag of ik de gehele werkelijkheid van mijn leven zie, dan wel een flauwe weerkaatsing van misschien slechts een klein deel van dit werkelijke bestaan.

Het is natuurlijk moeilijk, ja onmogelijk, op deze veronderstellingen en vragen in te gaan. Elk antwoord dat men tracht daarop te geven of te vinden zal immers relatief zijn en eerder een uitdrukking zijn van de verhouding tussen mijn persoonlijkheid en de wereld?

Wanneer ik zeg, dat ik God ken, is dit voor mij een waarheid, want ik onderga deze macht en kracht. Of het voor anderen echter evenzeer waar zal zijn, weet ik eenvoudig niet.

Wanneer ik stel, dat ik mijn wezen ervaar als iets, wat meerdere werelden omvat, spreek ik de waarheid, daar ik deze verschillende werelden werkelijk beleef en kan beleven. Zij beïnvloeden mij, ik onderga de waarden van die wereld, trek steeds vergelijkingen, t.a.v. de waarden, die ik in deze vele werelden aantrof en zal zo steeds weer nieuwe mogelijkheden gaan veronderstellen.

Maar of dit voor een ander ook zo zal zijn, weet ik eigenlijk niet.

Dit is een belangrijk punt: Ik ben eigenlijk van niets zeker. Ik kan slechts hetgeen ik als werkelijkheid beleef, met enige zekerheid beschrijven, beschouwen en dan nog slechts op grond van hetgeen ik zelf beleef. Daarom lijkt het mij moeilijk in de wereld te gaan werken en mijn visie en denken aan die wereld op te leggen. Het lijkt mij moeilijk om mensen te gaan bekeren. Het is moeilijk om geesten naar het Licht te gaan brengen via bepaalde methoden.

Ik heb het gevoel, dat de werkelijke betekenis van ons wezen niet ligt in voorstellingen en leringen, maar eerder in een zekere harmonie. Ik bekeer niet iemand, maar ik kan met de ander – zo deze al werkelijk bestaat en niet slechts een fragment van mijn eigen bewustzijn is – zover komen, dat wij harmonisch zijn, zodat ik het bewustzijn van de ander deel en de ander mijn bewustzijn met mij deelt.

Dan kan er een toestand ontstaan, waarin wij het t.a.v. al dan niet reële waarden ten dele eens zijn. Ten dele, want geheel zal ik een ander wezen, wanneer dit werkelijk bestaat, naar ik meen, nooit begrijpen. Wanneer ik in de wereld werk, weet ik niet, of ik daarin iets tot stand breng, ik weet zelfs niet, of hetgeen ik mij voorstel te doen en te bereiken, wel deel is van een werkelijkheid. Ik weet slechts, dat ik beantwoord aan mijzelf.

Dit schept problemen, dat geef ik graag toe. Het zijn verder, dat besef ik zeer wel, problemen, waarmede mens en geest zich meestal liever niet bezig zullen houden – of zij nu deel zijn van mij of werkelijkheid – omdat hierdoor een onzekerheid wordt geschapen, welke alle waarden aantast, die men voor zich pleegt te stellen.

Je hoort steeds weer over allerhande waarheden en waarden, die eeuwig en onveranderlijk heten te zijn. Maar zijn zij dit wel? Voor ons ja. Maar voor anderen? Zeker ben ik daarvan nooit. Dan heb ik ook niet het recht een ander te zeggen, hoe hij leven moet, zoals een ander niet het recht heeft mij te zeggen, hoe ik leven moet. Ik heb niet het recht anderen te zeggen, wat God wil en hoe God is. Want ik weet immers niet, of hij die God wel kan erkennen en leven, zoals ik dit doe? Ik heb natuurlijk het recht om naar beste weten mijn God, zoals ik deze meen te kennen, in de wereld te openbaren door mijn gedrag, door mijn leven en daden binnen hetgeen ik als werkelijkheid beschouw.

Maar velen zullen op een dergelijke tirade wel reageren met een: Dit is hol geklets. Ik kan voor hun reactie wel enigszins voelen. Want wij moeten immers weten, waar wij naar toe gaan, niet waar? Wij moeten met een vast doel voor ogen in het leven streven. Maar een vast doel, een vaste bestemming enz., kunnen wij ons alleen maar voorstellen, denken, wanneer wij alles zien als bestaande in een vaste relatie met al het andere. Wij gaan op naar de bewustwording, maar dit kunnen wij alleen, wanneer wij aannemen, dat wij dit gezamenlijk kunnen doen en volgens een vaste, voor iedereen ongeveer gelijke procedure. Zelfs wanneer wij geneigd zijn, afwijkingen van ons eigen denken in anderen te tolereren, hebben wij toch altijd een oordeel daarover. Wat de een zegt, is volgens ons hoog en belangrijk, wat de ander zegt lijkt ons laag, bekrompen enz. Dus is het zo…. .

Is dat wel waar? Is wat u waarheid noemt, wel gelijk aan hetgeen die ander waarheid noemt en als zodanig beleeft? Zelfs indien wij aannemen, dat die ander werkelijk bestaat en niet een uiting is van de eigen irritatie door, of om iets, kunnen wij geen gelijkwaardigheid van werkelijkheid en werkelijkheidsbesef aannemen. Een ieder leeft in een eigen werkelijkheid en kent daarin eigen maatstaven en wetten. Ik meen, dat wij dit van toepassing mogen verklaren op esoterie en magie, zowel als op de alledaagse werkelijkheid. Men verwacht van anderen steeds weer voor eigen denken en doen goedkeurig, tolerantie dan wel gebod te krijgen, zoals wij verwachten, dat God ons wetten stelt, die voor allen gelijk zijn, en van ons ongeacht eigen wezen en omstandigheden een algehele onderwerping aan die geboden eist.

Maar dit alles zijn toch, wanneer wij eerlijk zijn, zelfs in ons eigen wereldbesef, geen waarheden zonder meer. Het zijn denkbeelden, mijnentwege idee-fixen. Voel ik deze dingen als waarheid aan, daarom mag ik nog niet stellen, dat dit voor anderen zo is, of zelfs maar ooit zal kunnen zijn.

Ik kan in mijzelf toch wel waarheden en waarden aanvaarden, zonder daarmede gelijktijdig genoodzaakt te zijn van alle anderen te eisen, dat zij zonder meer het bestaan daarvan zullen erkennen en aanvaarden. Wanneer ik werk met de waarden die ik bezit, of die het leven mij gegeven heeft, moet ik daarom nog niet uitgaan van het standpunt, dat niemand het anders mag doen of beseffen. Indien ik een verschil van reactie, denken enz., bij anderen zie, moet ik dit eerder beschouwen als een in mij besefte tegenstelling. Dan pas kan ik zelf en in mijzelf daarmede iets doen. Esoterie is volgens mij niets anders dan het voortdurend erkennen van het wezen van eigen bestaan, geloof, standpunt. Het is het werken met eigen besef, dat kan voeren tot het begrijpen van het anderen, omdat hun wezen, zodra ik het besef, toch ook weer deel uitmaakt van mijzelf.

Het klinkt de meesten onder u te abstract? Ik zal het eenvoudiger gaan maken:

De ene mens denkt materieel logisch, de ander denkt abstract. Weer anderen denken misschien hoog geestelijk, esoterisch, bekrompen, gelovig enz. Ik zelf ben natuurlijk normaal en beschouw mijzelf als criterium voor alle anderen. Want dit doet, al dan niet bewust, elke mens en elke geest. Ik zal delen van het esoterisch denken van anderen verwerpen, maar evenzeer iets in het geloof van de ander of de materialistische beschouwing van een derde.

Men zal nu geneigd zijn dit te zien als een oordeel over de ander. Maar het is eerlijker en beter dergelijke beoordelingen te beschouwen als een omschrijving van eigen wezen. Juist omdat er een grote onzekerheid, een onbewijsbaarheid blijft bestaan ergens in mij en t.a.v. mijn bestaan zowel als alle waarden, die ik buiten mij veronderstel, kan ik slechts waarheid kennen t.a.v. mijzelf en is alles, wat ik beleef, onderga en constateer, alleen waardeerbaar – in relatie tot mijzelf. In de materie kan men deze stelregel natuurlijk niet handhaven. Ik begrijp dit heel goed. Toch geloof ik, dat een mens, die leert denken op deze wijze en de onzekerheden van eigen bestaan en waardering leert aanvaarden met alle relativering van alle waarden, een beter begrip zal krijgen van zichzelf en minder in strijd zal geraken met zijn “wereld”. Hij zal zichzelf beter leren kennen, maar ook de wereld gaan begrijpen en haar niet meer zien als iets, wat men moet bestrijden of verbeteren, maar als iets, wat in de persoonlijkheid zelf bestaat.

Ik ben er van overtuigd, dat een mens, die God wil kennen, die God alleen in zichzelf vinden kan. Buiten zichzelf kan hij alleen de manifestatie ontmoeten van dezelfde God, die in hem leeft. Alle manifestaties buiten mij zijn slechts verschijningsvormen van de God, die in mij leeft. Dit is een geloofspunt, dat ik niet kan bewijzen. Voor mij is het waar, voor u misschien niet.

Maar zo ik al zover durf gaan, moet ik nog verder gaan: Ik kan niet volstaan met de stelling, dat dit wel eens waar zou kunnen zijn, maar zal ook realistisch genoeg moeten zijn om voor mijzelf te erkennen, dat elke ervaring, elke motivering, deel zijnde van mijzelf zowel als deel van mijn werelderkenning, zowel als elke daad en verhouding t.a.v. de wereld of met de wereld, alleen door mijzelf en vanuit mijzelf bepaald kan worden.

Dit betekent, dat ik van de wereld geen initiatieven kan verwachten. De wereld is het antwoord op mijn wezen, op mijn initiatieven, niet alleen de bewust en denkend genomen initiatieven, maar ook op al datgene, wat ik onbewust of bijna onbewust in de wereld breng. Ik ben oorzaak en gelijktijdig gevolg. Datgene, wat mijn wereld bepaalt, ben ik, daar ik in wezen mijn wereld ben zoals ik haar besef. Dan moet ik ook niet trachten alleen vanuit de wereld mijzelf te bepalen, maar vooral ook vanuit mijzelf trachten de wereld te bepalen.

Dit laatste kan ik alleen doen door zelf zo bewust mogelijk te zijn t.a.v. die wereld. Er is niets, dat mij kan beïnvloeden, tenzij het leeft in mijzelf. Logisch is dan ook de stelling, dat ik door mijn daden, gedachten, motieven, beredeneringen, zelf bepaal, wat de wereld en het leven voor mij zijn. Daarom kan ik nooit stellen, dat de wereld iets is, waarvoor ik geen aansprakelijkheid draag. Ik ben voor de gehele wereld mede aansprakelijk. Al denk ik een korrel zand te zijn, daar ik het gehele strand kan beseffen, ben ik in wezen het strand. De korrel zand in de oneindigheid, waarmede ik als denkbeeld speel, is in feite slechts de limitering van mijn aansprakelijkheden tegenover mijzelf en het geheel dat ik besef.

Vergeef mij, wanneer ik wat diepzinnig schijn. Ik wilde u eens een paar problemen voorleggen, dingen, waarover je toch eens moet nadenken: Men zal zelf en reëel een houding moeten bepalen tegenover het leven en de wereld. En ik meen op uw wereld zo hier en daar een vervreemding van de werkelijkheid te moeten constateren – wat inhoudt, dat zij in mij als mogelijkheid bestaat, daar ik ze anders niet zou kunnen constateren. Ik meen, dat de mens van heden te veel aan de wereld buiten het ik alle initiatieven over laat en zich te veel beschouwt als een machteloze, een door het geheel bepaalde factor. En dat zou betekenen, dat hij zich door het niet besefte deel van eigen Ik vooral laat beheersen. M.i. moeten wij echter trachten in de wereld te werken, met wat wij wel beseffen en beheersen.

Denk niet, dat ik met dit alles uw werkelijkheid wil ontkennen. Ik stel vragen, maar poneer geen stellingen. Wel stel ik: Zelferkenning is de reactie op de wereld, en alles wat uit de wereld tot je terug komt en beseft wordt, is deel van jezelf.

image_pdf