Werkgroepen uit de geest

image_pdf

29 juni 1960

Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar. Alwetendheid is binnen de Schepping praktisch onmogelijk. Men vraagt ons vaak dingen, die God alleen kan weten, bv.: Waarom heeft God de Schepping geschapen? Dat is iets, wat wij ook niet weten. Ook kunnen wij wel eens een fout maken, ook al trachten wij het maken van fouten te beperken en te voorkomen, zover het ons mogelijk is. Overigens maken wij niet veel fouten. Mijn onderwerp voor vandaag luidt: Werkgroepen uit de geest.

Het zal u duidelijk zijn geworden, dat in de geest vele verschillende groeperingen bestaan. Het samenkomen van geesten is, evenals hun samenwerken, in hoofdzaak afhankelijk van een onderlinge harmonie en begrip. Ook gelijkluidendheid van denkbeelden speelt wel degelijk een rol hierbij. Dit laatste betekent niet, dat je het nu ook op alle punten met elkaar eens moet zijn, maar om gezamenlijk iets goeds tot stand te brengen, moet je toch wel een bepaalde visie hebben op eigen toestand, op de mogelijkheden, die je bezit en de wijze, waarop de aarde daarvan het best zou kunnen profiteren. Dit heeft geleid tot het ontstaan van vele verschillende groeperingen in de geest. De ODV is één daarvan. Ik ben gelukkig daarbij te kunnen voegen: En niet een van de kleinsten. Naast onze groep kennen wij duizenden groepen van soortgelijke geaardheid. De moeilijkheden, waarop wij stuiten, wanneer wij vanuit de geest in de stof gaan werken, zijn wel allereerst het vinden van een juiste benadering. Wij voor ons hebben dus als benadering genomen het spreken, het geven van lezingen en het houden van cursussen. Anderen zoeken het meer in de persoonlijke boodschap, of in iets, wat te dicht bij zuivere godsdienst staat: Een religieuze benadering.

Van al deze groepen kan worden gezegd, dat zij op het hoogste niveau toch elkaar benaderen. Wanneer een groep geestelijk werkelijk wat in de melk te brokkelen heeft, dan zullen daarbij altijd enkele entiteiten behoren, die tot een zeer hoge sfeer behoren. Dezen zijn losgekomen van de aardse schillen, waardoor zij in staat zijn elkaar te begrijpen, te benaderen en met elkaar samen te werken. In feite is, gezien vanuit de geest, de grote reeks van verschillende groeperingen te herleiden tot een aantal takken van één grote bond. U verwacht waarschijnlijk, dat ik nu ook weer zal gaan spreken over de Witte Broederschap, maar juist deze wil ik vandaag eens buiten beschouwing laten, daar zij in haar organisatievorm – belangrijker en groter zijnde dan de meeste groeperingen, die ik ken – toch de stof op een andere wijze heeft betrokken in haar werken, dan wij uit de geest plegen te doen.

Wat tracht een geestelijke werkgroep of groepering over het algemeen tot stand te brengen? In de eerste plaats tracht zij de zeden van de mens aan te passen aan de werkelijkheid. Zij kan daarbij uitgaan van een zuiver godsdienstig standpunt, ofwel eerder zoeken in esoterie en filosofie. Daarnaast kan men ook uitgaan van de zuiver persoonlijke leiding. Dan is het verder belangrijk voor ons, dat wij op aarde de mensen leed kunnen besparen. Het zal u duidelijk zijn, dat wij – wanneer wij eenmaal tot het Licht gekomen zijn – een zeker gevoel van verbondenheid met u hebben. Zoals je over het algemeen binnen de familie niet gaarne iemand tot gebrek laat komen, of in nood laat verkeren, wanneer je er iets tegen zou kunnen doen, zo zullen wij in al deze groeperingen trachten de mensen te helpen en zelfs trachten te voorkomen, dat zij de vingers branden. Daarbij kennen wij de zogenaamde reële waarschuwing, die gebaseerd is op feitelijke en onvermijdelijke toestanden; de voorwaardelijke waarschuwing die een toestand betreft, die gerealiseerd kan worden, en zelfs – ofschoon wij in onze groep ons daaraan niet schuldig maken – wel de bedrieglijke waarschuwing, waarbij een volkomen fictief feit wordt gebruikt om de mensen door de waarschuwing een op zich zeer ernstige en reële toestand in te doen zien.

Een derde streven, dat wij bij alle groepen gelijkelijk vinden, is het streven om de mensheid de overgang zo gemakkelijk mogelijk te maken. Misschien is daar ook wel enig eigenbelang bij, want het is moeilijk een mens na de overgang tot bewustzijn te brengen, wanneer hij een te gefixeerde voorstelling heeft van het hiernamaals, of te zeer aan de materie gebonden is.

Wanneer iemand overgaat, die wij hebben kunnen voorbereiden, zal deze na betrekkelijk korte tijd in staat zijn het Licht te aanvaarden. Niet alleen wordt deze persoon daardoor veel leed bespaard, maar hij zal daardoor ook snel in kracht kunnen winnen en daardoor weer in staat zijn voor anderen goed te gaan doen. Dat goed zou ik overigens graag tussen aanhalingstekens plaatsen. Want dit goed is, gezien vanuit de geest zelf, goed, en hoeft niet zonder meer kosmisch en overal “goed” te worden geheten.

Natuurlijk is deze schets zeer globaal. Om inzicht te krijgen in het werken der groepen moet men echter ook de benadering vanuit de geest leren begrijpen: Wanneer je tracht te exclusief te zijn, waardoor je je blijft richten op mensen met een zeer groot geestelijk besef, zul je alleen een betrekkelijk kleine groep kunnen benaderen en helpen. Wanneer een zeer grote groep in de geest zich daaraan blijft wijden, zal zij daardoor vaak in het vervullen van haar plichten tegenover de rest van de mensheid te kort schieten. Dat desondanks dergelijke groepen bestaan, is niet te wijten aan het feit, dat deze geesten het gemakkelijker willen hebben. Ieder van de geestelijke groepen zoekt immers een terrein, waarop zij meent het beste te kunnen werken en het meeste te kunnen bereiken.

In onze groep trachten wij – en wij menen daarin ook wel te slagen – onze ideeën over leefwijze en onze denkwijze niet alleen voor het vrouwelijke element aanvaardbaar te maken, maar ook voor de zich veel nuchterder achtende man. In de tweede plaats trachten wij bij ons werk vooral mensen te betrekken, die hebben geleerd om na te denken. Dat betekent voor ons, dat het werk moeilijker wordt. Hoe scherper immers jullie intellect is, hoe voorzichtiger wij moeten zijn in alles, wat wij zeggen en doen. Naar ons inzien bestaat er een grote lacune in het spiritisme. Zij is gelegen daar, waar men zoekt naar een reeks voor de gemiddelde mens nog aanvaardbare stellingen, die geen bindende aanvaarding van bepaalde religieuze stellingen, dan wel spiritistische of spiritualistische stellingen inhouden. Over het algemeen loopt het werk van groeperingen als de onze op een grenslijn. Wij denken bv. op een wijze, die u godsdienstig zult noemen. Maar wij kennen geen godsdienst. Wij zijn ongetwijfeld redelijk en logisch, maar gaan in onze stellingen vaak veel verder dan menselijke rede en logica mogelijk maken. Wij zijn zeer ontspannen in ons werk en spreken met evenveel genoegen over een vliegende schotel, de toekomende ontwikkeling van de mechanisatie en de esoterie. Wij trachten dit alles even goed te doen, want voor ons ligt in alle dingen eenzelfde band met God en de kosmische werkelijkheid geborgen.

Degene, die zich op een enkeling richt – de selecte groep dus bouwt – kan dit niet doen. Hij moet zo veel mogelijk elementen uit trachten te schakelen, i.p.v. – zoals wij – een zo groot gemiddelde van verstandelijke vermogens aan te willen trekken. Dit maakt op zich de vorming van groepjesgeest, een soort chauvinisme e.d. zeer gemakkelijk. In dergelijke kleine groepen krijgen wij maar al te vaak te maken met een soort uitverkiezingsgedachte, terwijl van een feitelijke inwijding weinig of geen sprake is. Dit doet niets af of toe aan de geest, die daar spreekt.

Mijn opmerkingen zijn hier gericht op die mens, die op deze wijze benaderd wordt. Voordat wij kunnen gaan spreken tot iemand, die niet geleerd heeft te denken, zal het noodzakelijk zijn deze mens tot nadenken te brengen. Er zijn dan ook verschillende geestelijke werkgroepen, die juist deze taak op zich hebben genomen. Zij werken met zuiver persoonlijke mededelingen, die zo mogelijk verbluffend moeten zijn. Zij trachten mediums te krijgen, die beschikbaar zijn voor helderziende waarnemingen etc. Heel vaak grenst hun werk aan waarzeggerij, maar zij brengen daarmede de mens tot een innerlijk oproer. Voor hem klinkt hier door: Dit bestaat dus toch!

Hieruit volgt vaak een zekere overtuiging. Daarom mag het werken van dergelijke groepen geestelijk zeker niet lager worden aangeslagen dan het werken van bv. onze groep, of zelfs meer exclusieve groepen. Het werk, dat zij doen, neemt een zeer belangrijke plaats in bij ons pogen de mensheid in de juiste richting te leiden.

Is er eenmaal een bewustzijn van het bestaan van de geest gewekt, dan blijkt het voor de mens vaak zeer moeilijk om afstand te doen van bepaalde religieuze opvattingen, die van kind af aan opgenomen werden. Dientengevolge zien wij geestelijke groeperingen, die zich op een bepaalde religieuze basis handhaven. Zij blijven daar ook bij en gaan niet verder. Opvallend is hier, dat wij – vergelijkenderwijze gerekend – zowel de vrolijke vroomheid van het Leger des Heils vinden, als de zeer theologische vroomheid, die gemengd kan worden met de nodige esoterie. In uw omgeving zal het werken van deze groepen hoofdzakelijk Christelijk zijn. Groepen, die ditzelfde op bv. boeddhistische grondslag trachten te doen, bestaan evengoed. Wat wij zoeken is de mens, onverschillig tot welke groep hij behoort. Wat wij van die mens verlangen, is steeds weer hetzelfde: Een vrijer worden van de stoffelijke maatstaven en een dieper ingaan op de geestelijke werkelijkheid. Dat deze groepen bestaan, weet u, of u kunt dit controleren. Dat u op de een of andere manier deze groeperingen uit de geest zelf zult kunnen gebruiken om geestelijk verder te kunnen komen, zal u duidelijk zijn. U blijft immers niet altijd dezelfde?

Daarom zult u zelfs binnen de O.D.V. – die overigens wel een zeer ruime scala van benaderingen heeft – misschien niet altijd kunnen vinden, wat u persoonlijk boeit en aantrekt. Toch is dit laatste noodzakelijk. U moet uzelf steeds bij het werk betrokken voelen, u moet er bij horen.

Hebt u dit gevoel van toebehoren, van geboeid zijn niet meer, dan is het bruikbaar zijn van de groep ten einde. Vandaar, dat ik nog even wil doorgaan over het werken vanuit de geest en daarnaast de nadruk ook wil leggen op onze Orde en haar werk. Want juist aan het einde van een werkjaar, dat geestelijk vruchtbaar is geweest – ongeacht de moeilijkheden, die stoffelijk misschien zijn opgetreden – voel je de behoefte deze dingen nog eens onder de aandacht te brengen.

Voor ons in de geest is het Licht altijd weer het symbool van geluk en vrede. Tevens wordt het ons, tot een behoefte. Je kunt niet meer zonder Licht. Hoe u overigens de uitdrukking “het Licht” wilt vertalen moet u zelf weten, want het is zeker niet alleen het licht van de zon. De term stamt uit de Oudheid, toen Goden als de Hemelmoeder, Chnum, de zon met zijn stralen voor de mens de veruiterlijking waren van het verborgen leven. Wanneer u in Zomerland komt en daar de manifestaties van de hogere geest ziet, zult u bemerken, dat deze vaak kan worden omschreven als een lichtende gestalte en haast nog vaker als een lichtende zuil. Lichtend, en niet voor niets.

Want juist in dit Lichtende concentreert zich het geluk, het verheven zijn. Komt u in hogere sferen, dan zult u bemerken, dat ook hier de idee Licht een grote rol speelt. De behoefte aan Licht, de honger naar Licht is zeker ook de uitdrukking van onze behoefte aan eenheid.

Op zich is het verschijnsel misschien mooi, het beleven zelf misschien angstwekkend. Maar het belangrijkste, wat wij daarin kunnen vinden, is toch wel de idee van verbondenheid met elkaar en met het hele Al. De mens, die dit Licht ooit heeft mogen beleven, weet, wat ik hiermede bedoel. Het is een samenvloeien van alle kosmische krachten, van alle kosmisch weten, zodat je verheven schijnt boven alle Zijn en als de Schepper voor een kort ogenblik het geheel kunt overzien. Deze momenten zijn kort, ook voor de geest. Hoe meer wij ook Licht aan anderen brengen, hoe meer wij de intensiteit van weten en dienen bij anderen kunnen doen ontwaken, hoe Lichter het voor ons allen wordt.

Er zijn mensen, die dit streven van de geest wel eens verkeerd begrijpen. Zij denken, dat het  ons er om te doen zou kunnen zijn enkel te stijgen. Zolang ik alleen omhoog streef, zelfs tot in de hoogste bereiking, zal ik steeds weer terugvallen op hetgeen ik ben. Innerlijk zal ik misschien rijker zijn. Gelijktijdig zal ik een veel grotere honger kennen naar datgene, dat voor mij nog niet blijvend kan zijn. Slechts wanneer het niveau van het geheel, waartoe ik behoor, hoger wordt, wanneer wij allen tezamen a.h.w. het peil der Elohim weten te bereiken, komen wij tot een ogenblik van intens beleven, dat niet meer hoeft te worden onderbroken en waaruit wij buiten onze eigen wil niet meer kunnen worden uitgeworpen. Hoe hoger je bent in de geest, hoe duidelijker je beseft, dat dit niet alleen maar een wijze maatregel, of wet van de Schepper is, maar dat dit verschijnsel zelfs inherent is aan de aard van de Schepping zelf. Wij behoren samen; wij vormen een eenheid.

Nu moet u niet denken, dat het gehele Al op deze wijze samen behoort, maar de mensheid – van haar begin tot haar einde – behoort wel degelijk samen. Een deel van de dieren en plantenwereld is in deze eenheid mede besloten. Je zou kunnen zeggen, dat dit alles een departement vormt van een groot kosmisch regime. Wanneer binnen de gehele afdeling voldoende homogeniteit bereikt wordt, is voor het geheel de maximale openbaring bereikbaar en voortdurend te handhaven. Niemand kan dit hoge punt zonder meer en alleen bereiken. Wat wel mogelijk is voor mens en geest, is het in jezelf erkennen van de werkelijkheid en het Licht, zover als deze in jezelf zijn geopenbaard. Wij noemen dit dan het Koninkrijk Gods. Juist wanneer je dit mag kennen en beleven, wordt je je van de beperkingen van je eigen wezen eens te meer bewust en zou je verder willen gaan.

Het is dit alles, wat de hoogste geest er zeker mede toe brengt zich steeds weer voor de wereld op te offeren en zich te wijden aan een mensheid, aan schepselen, die zelf hieraan misschien geen belang hechten, maar toch deel vormen van het geheel en zo voor het geheel toch belangrijk zijn. Zo streef je, naarmate je hoger komt, ook intenser naar het ogenblik van voltooiing. Het is maar goed, dat wij daarbij de menselijke tijd niet meer kennen, want anders zou deze tijd ons lang vallen. Zoals wij zijn, blijven onze dagen gevuld met werk, met studie, met onderzoeken, het observeren van de wereld en het zoeken naar zielen, die in het duister zijn, kortom, met alles, wat je je maar kunt denken i.v.m. de eeuwigheid en de werkingen der sferen. De kleinere geest zal over het algemeen dit alles nog niet helemaal kunnen doorleven. Weten kan men dit alles. Maar zoals u op aarde al weet, je hebt niets aan alle kennis, aan alle wetenschap en wijsheid, wanneer je deze niet uitdrukt in de praktijk. Voor de kleinere geest begint nu de praktijk het eerst. Deze staat dan onder leiding van een hogere geest, die men als leider aanvaardt, omdat zij zo Licht is. Zo ontstaan de geestelijke groeperingen, zo ontstaat het werk, dat hier op aarde in zovele vormen wordt gebracht. Ook wij zijn ons bewust van de noodzaak één te zijn. Niet één te zijn alleen met u als mensen, maar één te zijn met alles, wat behoort tot ons wezen in de Schepping. Misschien beter te zeggen: Eén te zijn met alles, dat behoort tot het wezen, waartoe ook wij in de Schepping behoren.

Zo kom je tot het zoeken van een eigen taak. Die taak wordt in het begin aan je voorgelegd in de zin van: Als je eens lust hebt, kun je ook wel eens iets doen! Vaak begin je dan aarzelend aan je eerste opdracht. Hoe meer je door het werk wordt gegrepen, hoe meer je de volheid ervaart, die het in je schept. Dan wil je meer en beter doen en zou je de allerhoogste krachten willen vragen: “Zegt Gij mij nu, God, hoe ik dit moet doen?” God zegt dan niets. Hij laat ons bemerken, dat wij het op onze eigen wijze moeten doen, dat wij zelf moeten proberen iets tot stand te brengen. Dan handelt ieder naar zijn beste weten. Neem bv. onze Orde. Ofschoon zij in haar begin reeds voor Christus geboorte bestond, is zij op dit terrein eerst 60, 70 jaren werkzaam. Wij zijn internationaal georiënteerd; d.w.z., dat wij niet met een bepaalde groep alleen werken, of ons beperken tot het werken in een bepaald land. Wij werken in zoveel mogelijk landen met zoveel mogelijk onderling niet afhankelijke groepen. Hierdoor trachten wij te voorkomen, dat ons werk zou kunnen worden gefrustreerd door menselijk onbegrip, het wegvallen van een bepaald medium, het ontstaan van politieke verdeeldheid met alle gevolgen van dien, etc. Wij werken over een betrekkelijk groot oppervlak. In ons spreken blijft de indeling overal ongeveer gelijk. Wij gaan uit van een opbouw.

U moet goed beseffen, dat voor ons ras, geloof, of huidskleur, niets uitmaken. Wat wij willen is de mensheid helpen. Om die mensheid te kunnen helpen, moeten wij de mensheid er toe brengen zich te willen laten helpen. Het is nodig, dat de mens leert zich open te stellen. In onze groep bestaat dan ook een afdeling, die men zou kunnen vergelijken met een soort VVV. Men geeft informatie, hulp, e.d. Onze sprekers maken vaak deel uit van die afdeling. Zij kunnen u soms helpen, wanneer u met een kleinigheid onthand zit. Zij zullen u trachten te inspireren, wanneer u het juiste woord niet kunt vinden op het ogenblik, dat dit nodig blijkt. Zij helpen de dichters, de schrijvers en de musici, staan schilder en beeldhouwer terzijde, fluisteren soms op een preekstoel, of op een politieke vergadering de enkele woorden, die noodzakelijk zijn om de mensen te treffen en iets beter te maken.

Onverschillig wie onze hulp nodig heeft – ook wanneer hij nooit van de O.D.V. heeft gehoord – en in denken en streven overeenkomt met hetgeen wij binnen het groot kosmisch geheel als onze taak hebben uitgekozen, wordt door ons bijgestaan en geholpen. Ook het geven van geestelijke krachten aan zieken – zover ons mogelijk – behoort mede tot deze taak. Een uitgebreide reeks van werkzaamheden, die ons gelukkig geestelijk veel voldoening geven. Het aantal leden, dat de O.D.V. aan onze zijde heeft kunnen verwerven, bedraagt op het ogenblik aan actief werkzame geesten, ongeveer 3 à 4.000. Dit is een betrekkelijk rijke oogst. Daarnaast hebben wij nog reeksen kandidaten, die op het ogenblik nog niet zo ver zijn, dat zij binnen onze groep willen of kunnen werken. Deze groep staat a.h.w. onder ons toezicht en krijgt een opleiding, waardoor dezen later met ons verder zullen kunnen gaan.

Er is heel wat werk te doen. Werk, waar u als mens misschien licht over denkt. Werk, waar men soms religieuze bezwaren tegen meent te mogen opperen. Gezien dit laatste zou ik graag weer eens duidelijk maken, wat onze groep in de eerste plaats, maar daarnaast vele andere groepen, denken en geloven.

In de eerste plaats geloven wij, dat de kosmos één is en niet in twee delen gesplitst kan worden. Dit betekent, dat er één God is, tot Wie wij allen zullen komen. D.w.z., dat er één Kracht is, waarin uiteindelijk alle Licht en duister terug zullen vallen.

Eén-zijn is er, waarin wij allen tot voltooiing komen, zolang er een Schepping is, zal het diepste duister bestaan, maar geen ziel zal in het duister hoeven te vertoeven, wanneer zijzelf het Licht begeert.

Wij geloven in de grote Meesters. Daaronder zijn er, waarvan u nooit gehoord hebt, of wier meesterschap wat vreemd u in de oren klinkt.

Wij kennen de Drie-eenheid der Oudheid en erkennen deze als even waar, als de moderne Drie-eenheid.

Wij geloven in Jezus Christus als een lichtende Geest, Die een weg heeft geopenbaard voor de mensheid, maar evenzeer in de Boeddha als een Lichtende Kracht, die eveneens een weg heeft geopenbaard voor de mensheid. Want de tijden veranderen, en de mensen. Vele zijn de wegen, die voor de mens tot God voeren.

Wij geloven, dat er een alles overheersende liefdesmacht is, die steeds zich op aarde zal blijven manifesteren, tot de laatste dag van het Zijn toe. Een liefdesmacht, die steeds tot de mensheid zal blijven spreken met vele stemmen, tot zij de eenheid heeft leren vinden, die voor ons de kosmos is. De eenheid, die voor ons de uitdrukking is van het wezen Gods.

Wij geloven nog meerdere dingen, maar dit is de hoofdzaak.

Er zijn er in de geest ook, die stilstaan, wanneer zij hebben gezegd, dat zij geloven in Jezus Christus, zoals er zijn, die alleen willen geloven in de Boeddha. Er bestaan groepen, die elk begrip van meesterschap terzijde willen gooien; er zijn er, die alleen slechts dienstbaar willen zijn aan de nieuwe wereldleraar.

Hoe groot ook de verschillen, toch verenigt één ding ons allen: Het geloof in de Goddelijke liefde die geen uitverkiezing kent en geen eeuwige verwerping. Een Goddelijke liefde, die alles, wat uit God geschapen is, ook tot God terug zal doen gaan.

Dit is voor ons het belangrijkste. Misschien is het voor u wat vreemd, wanneer ik zo spreek over een geloof. Toch zijn alle geestelijke groeperingen, al die werkgroepen in de geest, juist daardoor tot stand gekomen. Zo goed als u gelooft, dat u nooit kunt bewijzen, hebben ook wij een dergelijke wetenschap, die in onze wereld vaak heel wat bewijsbaarder is, dan in de uwe. Zo goed als u uw noden en behoeften heeft, zo hebben wij onze noden en behoeften. Maar bovenal hebben wij het bewustzijn, dat er een Kracht is, die ons altijd bij kan staan, een Kracht, waarvoor men op aarde maar al te vaak oren en ogen sluit, die men maar al te vaak uit het hart verjaagt, omdat men te veel “zichzelf wil zijn”.

De werkgroepen uit de geest leven uit hun geloof. Zij werken en streven voor dit geloof. Zij brengen er ook offers voor, waarvan u zich op aarde geen voorstelling kunt maken.  Vergelijkenderwijze zou dit het offer kunnen zijn van een miljonair, die alles aan de armen geeft en zelf als een bedelaar blijft leven, opdat niemand zal kunnen zeggen, dat hij steeds weer tot zijn eigen glorie terug kan keren en alleen maar een aalmoes geeft. Zo is het een offer van de Lichtende Krachten die mens worden en de aarde betreden in een beperkte vorm, afgesloten van hun eigen, Lichtende wereld, om zó de mensen te kunnen dienen. Zo zijn ook de offers van de Lichtende Krachten die, i.p.v. zich te vermeien in oneindige schoonheid, die voor hen in hun wereld gevangen is, zich steeds weer bezig houden met het bezien, helpen van en werken voor een mensheid, die lang niet altijd een verheffende aanblik biedt. Dit laatste zeker niet voor een geest, die zo vele beweegredenen kan zien, die voor de mensen verborgen blijven.

Ik zeg u dit niet, opdat u ons er dankbaar voor zou zijn. Ik zeg u dit alleen, opdat u zou begrijpen, waarom al die geesten steeds weer tot u komen. Of die geest nu spreekt als een dominee, of misschien een meester is van Lichtende Kracht, of die geest een spottend praatje houdt, gekruid met aardige anekdoten, of een zwaarwichtige lezing, hun beweegreden is alleen deze en geen andere. Alle groeperingen in de geest, die het Licht kennen, kunnen komen tot de mensheid met een verloochenen van hun eigen belangen, gedreven door het begrip van eenheid en dienende liefde; alleen dat kan ons allen, mensen en geesten gelijkelijk, verheffen tot een waarlijk inzicht in de Lichtende waarheid der Schepping. Dit alleen is de weg, langs welke wij ons erfdeel binnen het Goddelijke kunnen aanvaarden.

Indien ik wat emotioneel spreek, zo zult u mij dit vergeven, en begrijpen, dat deze dingen mij na aan het hart liggen. Degenen, die andere geestelijke groeperingen kennen, moeten het ons ook niet euvel duiden, dat wij juist daarover niet teveel praten. Het is heus niet, dat wij concurrenten zijn, maar met waarlijk recht van spreken kan ik alleen zeggen, wat wij in onze groep denken en zijn.

Wanneer iemand anders het woord wenst, zullen wij hem dit altijd geven. Het komt in de kleinere bijeenkomsten vaak genoeg voor, dat wij het woord geven aan sprekers, die niet tot onze groep behoren. Sprekers, die een andere leef- of zienswijze hebben. Wij zullen ook hen altijd welkom heten, ook al menen wij wel van onze zijde uit, ook onze visie op het door hen gestelde te mogen belichten. Ieder heeft recht op zijn eigen mening. Niemand is in staat een ander voldoende te doorgronden om te kunnen zeggen: “Zo en niet anders is hij”, of: “Zo is het en niet anders”. Indien ik u de idee heb gegeven, dat u één bent met ons – en niet de Orde, maar de wereld van de Lichtende Geest – dan doet u ons misschien wel eens het genoegen een beroep op ons te doen. Vraagt u het desnoods niet aan ons, vraag het maar aan God. Dan komen wij heus wel. Vraag niet met angst in uw hart aan God u te helpen tegen de geest.

Daarmede brengt u alleen in uzelf een strijd tot stand, die vele droeve ervaringen met zich brengt, voor u zult beseffen, dat God, Gods Licht en de vele werelden der Lichtende geesten één zijn.

Vragen

  • Sprekende over de mensheid als geheel betrok u daarbij een deel van de dieren en plantenwereld. Waar ligt volgens u de grens?

De grens ligt op het punt, waar, bij hernieuwing van de cyclus en afsluiten van deze mensheid in deze vorm, door dieren en planten nog geen voldoende geestelijk peil werd bereikt, om zich aan een verdere stoffelijke ontwikkeling te onttrekken. Een kwestie van bewustzijn.

  • In het boeddhisme gelooft men dat degenen die bereikt hebben, van hun bereiking afstand doen om de mensen op aarde verder te helpen.

In het Christendom gelooft men hetzelfde. Is Jezus niet de neergedaalde Zoon Gods, Die neerdaalt om voor de mensen als mens te leven en aan het kruis te sterven? De wijze van zegging is anders, de inhoud is hetzelfde. Deze inhoud zal overigens altijd dezelfde zijn, overal, omdat deze dingen nu eenmaal waar zijn.

Ik zal meteen antwoord geven op een vraag, die hier bij sommigen schijnt te rijzen: waarom wij ons niet allereerst tot de grote massa richten? Om de massa onmiddellijk in beroering te brengen, is zeer moeilijk, tenzij men voor die massa de volle aansprakelijkheid neemt en een voortdurende reeks van directieven blijft geven, gesterkt door juiste prognoses, waardoor de massa blindelings gaat volgen. Slechts zo kan men de grote massa krijgen. Vandaar dat degenen, die de massa beïnvloeden, steeds weer dezelfde waarden trachten te gebruiken, want ook zij doen steeds een beroep op de behoefte van de massa aan zekerheid, vaste leiding.

Daarnaast geeft men de massa beloften en zoveel mogelijk stoffelijke waarden, opdat die massa blindelings zal blijven volgen. Wij verlangen geen blinde massa, maar een wetende, een ziende massa. Wij menen dit het beste tot stand te brengen door die massa te doordesemen. Ook Jezus spreekt over de zuurdesem en noemt Zijn leerlingen het zout der aarde. Het is de bedoeling, dat een in verhouding klein aantal mensen, door ons voldoende bereikt, bewust, of zonder dat zij dit zelf merken, een grote invloed uitoefenen op de wereld. Dit kan. Onze pogingen om – als vergelijk – het gistingsvermogen en het gistgehalte bij onze bezoekers op te wekken, worden geboren uit de behoefte om binnen de massa in deze kritieke tijd zoveel mogelijk tot stand te brengen, wat goed is, opdat deze nieuwe periode op aarde een gezegende zal zijn, waarbij de geest zijn rechten kan krijgen en stoffelijk geweld, of een stoffelijke noodzaak tot ondergang vermeden kan worden.

  • U sprak over de dood van Christus aan het kruis. Indiërs zeggen, dat Hij schijndood is geweest en verder heeft geleefd in Kashmir.

Die verklaring stamt van de Mohammedanen. Dit kunt u vaak horen van de sprekers voor de Ahmadiyya Moslim Missie. Het argument is niet juist. Inderdaad is een profeet Jezus bij Kashmir begraven. Zijn graf bestaat nog. Maar dit was niet Jezus van Nazareth. Men schijnt te vergeten, dat Jezus en Joshua als namen veel voorkwamen in die dagen. Joshua was een ver-Egyptisch beeld van Jezus, een naam, die ouder was. Velen, die Jezus heetten, waren profeten. De Jezus, die Christus wordt genoemd, is inderdaad gestorven op de Schedelplaats, op Golgotha. Hij werd door leerlingen en Zijn Moeder met oogluikende toelating van het kruis afgenomen. Onder de leerlingen bevond zich slechts één apostel: Johannes. Jezus werd te rusten gelegd in het graf van Jozef, de Arimatheër. Hij is uit dit graf verdwenen. Al onze onderzoekingen in de geest geven duidelijk aan, dat Jezus door Zijn bereikt geestelijk vermogen dit lichaam vervluchtigde, een transmutatieproces. Vrijwillig is Hij tot de wereld teruggekeerd, maar kon Zich daar niet helemaal handhaven. Hij verslapte een keer geheel: De Verheerlijking op de berg Thabor, om, toen Zijn taak voltooid was, geheel over te gaan in de toestand, die Hij na Zijn dood reeds had bereikt. Men noemt dit de Hemelvaart.

Het is m.i. onjuist Jezus als de Enige, of Eniggeboren Zoon Gods te vereren, daar dit slechts een afleiding is van oude gebruiken. In de enkele geschriften, die ons zijn gebleven uit de tijd van Ichnaton, blijkt ons, dat hij zich o.m. Anch en Aton noemde en Wa-Aton, de enige zoon van Aton en de vreugde van Aton. Dit gebruik heeft het Christendom voortgezet, mogelijkerwijze onder invloed van Egyptenaren en Grieken. Verder meen ik er op te mogen wijzen, dat in het begin van het Christendom het leerstuk van Jezus Goddelijkheid niet algemeen aanvaard werd en de Afrikaanse roeringen als schismatieken werden veroordeeld en zelfs in de ban gedaan, omdat het Italiaans Christendom de aanvaarding van dit leerstuk, dat Jezus Goddelijkheid vaststelt, boven al begeerde. Deze leerstelling van Jezus Goddelijkheid was daar erg belangrijk, omdat dit praktisch het enige hanteerbare argument was in de strijd tegen de Mitrasdienst, die daar nog machtig was.

Het nagaan van deze punten is overigens moeilijk. Het is erg gevaarlijk over deze dingen te spreken. Wanneer ik zeg, dat Jezus geen God was, heb ik de gehele moderne Christenheid tegen. Toch spreek ik alleen maar de waarheid. Er is maar één God. Jezus was ongetwijfeld deel van die God. Maar ook wij zijn deel van die God, ook wij kunnen zonder Gods Licht en Gods kracht niet leven. Dat Jezus bewuster was van God dan wij, staat buiten elke twijfel. Hij Zelf noemt Zich niet de Zoon Gods. Laat ons daarover niet te veel strijden. Wat belangrijker is voor geheel de wereld, voor de Moslim, zowel als voor de boeddhist, de protestant en de katholiek, is niet, hoe Jezus precies heeft geleefd, wat Hij precies was en hoe Hij precies is gestorven.

Belangrijk is, dat de leer, die Hij heeft nagelaten, de leer, die bij een volgen daarvan proefondervindelijk aantoont juist te zijn, steeds meer in de praktijk wordt gebracht.

Er zijn zeer vele wegen tot God, maar al deze wegen komen op een bepaald punt samen, op de kosmische liefde, binnen welke liefde de mens moet leren afstand te doen van elk begeren en elke vrees. Niet om anders te zijn dan mens, maar om niet meer gedreven te worden door angst of begeren en zo vrijelijk, meester zijnde over zichzelf, te kunnen beantwoorden aan hetgeen hij als zijn kosmische bestemming aanvoelt. Dat is de kern van het ware Christendom. Men tracht te strijden. Over die strijd horen we soms vele onverkwikkelijke dingen. Mohammed was een kameeldrijver, die bovendien nog een epilepticus was. Inderdaad, dit is waar. Wij kunnen aantonen, dat vele profeten epileptici waren. Dit geldt niet alleen voor het Oude Testament. Ook in de levens der heiligen kunnen wij aanwijzingen vinden, dat enkelen van hen, die om hun wijze uitspraken zeer gewaardeerd werden, epileptici waren. Als argument is dit niet veel waard. Mohammed zou tot in de hemelen zijn opgestegen enz. Heeft hij ooit iets gezegd, dat met de kern van het Judaïsme, of het christendom in strijd was? Hij heeft een leer gebracht, die paste voor zijn tijd en zijn volk. Zeker, maar omdat hij die leer voor zijn volk bracht, is hij niet minder of meer dan Jezus. Jezus bracht Zijn leer, evenals Mohammed, weliswaar sprekende tot heel de wereld, maar toch in de eerste plaats voor zijn eigen volk. Jezus leer wordt verkondigd in de taal van de Galileeërs. Zijn beelden en gelijkenissen zijn genomen uit het leven van het joodse volk in die dagen. Zijn benadering van problemen is er een van Zijn tijd en wordt beïnvloed door de politiek van Zijn tijd. Desondanks is Hij een Licht, een waarheid en een weg, zoals Mohammed op zijn wijze ook was.

De mensen, die uit een godsdienst een wapen trachten te smeden, of een troon, waarop zij zich kunnen zetten om over anderen te oordelen, zijn de dwazen, die aan de waarheid ten onder gaan, want de leraren en meesters op deze wereld, of zij nu de groten zijn of kleineren, trachten de mensheid slechts één wapen te geven en niet meer: Het wapen van een leer, waardoor de mens zichzelf kan bestrijden en ontkomen kan aan de verwarring van angsten en begeerten, van verklaringen en het weg verklaren van feiten, zodat hij iets kan vinden van Gods waarheid, die in hem leeft. Dat is de waarheid van het christendom, maar ook de waarheid van praktisch elk geloof.

Ieder denkt en doet op zijn manier, maar de mens, die werkelijk intens gelooft, die daarbij angsten en begeerten weet te overwinnen, kent het Goddelijk Licht. Indien u het Goddelijke Licht kent, zeg mij dan, wat een menselijke gestalte, een menselijk oordeel, of het leven op dit of dat stukje van een planeet in de eeuwigheid voor verschil uit kan maken. Wat kan in de waarheid, het al dan niet in de geschiedenisboeken staan van een bepaalde waarheid, voor verschil maken?

Ik denk soms, dat de mensen graag willen twisten over de vraag, of Jezus al dan niet leefde, al dan niet gestorven is, of Mohammed al dan niet de waarheid kende, of de Boeddha nu werkelijk wel heeft bestaan, alleen maar om te voorkomen, dat zij zich geconfronteerd zien met een leer, die zij moeten aanvaarden; dat zij t.o. een leefregel komen te staan, die zij moeten aanvaarden.

Wanneer u over een straatweg gaat, vraagt u zich dan af, wie die weg gebouwd heeft en hoe hij gebouwd werd? Wanneer zij naar uw doel voert, weigert u dan toch die weg te gaan, wanneer geen historicus in staat is te zeggen, wie het eerst haar loop heeft bepaald?

De leraren brengen u wegen tot vrijheid, tot Licht en tot inzicht. Zult u dan vanuit uw menselijk standpunt deze wegen ontkennen en u daarvan onthouden, omdat uw menselijk verstand niet in staat is te begrijpen, hoe de Goddelijke liefde zich in vele gestalten uit, voortdurend weer, in heel het Al en hoe ook de aarde daaruit de dragers der waarheid ziet komen, de hogen van geest, die zich opofferen om de mensheid te wijzen op de enige werkelijkheid, die is: Rechtvaardigheid, aanvaarding van de wil Gods en de Goddelijke liefde, ook in eigen leven uitgedrukt? Dat was het probleem, dat door deze vraag werd aangesneden. Waarom zouden zendelingen elkaar bestrijden? Waarom zouden de Boeddhisten, die hier komen, iets anders verlangen dan een begrip voor de waarde, die ook u nog heeft? Waarom zouden de Islamieten hier trachten de Christenen van de onwaarheid van hun stellingen te overtuigen? Is het niet belangrijker, dat men beseft , dat er een Broederschap bestaat, ook tussen de Moslim en de Christen?

Laten de grote geloven op deze wereld eens leren samen te werken en zo het goede tot stand te brengen, dat in hun eigen leer van hen geëist wordt. Laten zij de mensheid leren de weg te gaan, die toch heus niet zoveel anders is bij de verschillende meesters. Dan zal de aarde wel beslissen, wat de uiteindelijke waarheid is. Dan zal de mensheid, vrij geworden van stoffelijke banden, kunnen zien, wat de stoffelijke waarheid is: God, Goddelijke wil, Goddelijke wet, vele malen geuit, vele malen verschillend geuit en toch in wezen altijd gelijk. Goddelijke liefdemacht, steeds weer geopenbaard in de termen, waarin de mensen en de tijd het kunnen begrijpen. Dit is de wijze, waarop de mensheid tenminste iets beter kan van worden en iets los kan komen van haar te veel met zichzelf bezig zijn. Voor ons in de geest is ook dit een deel van onze taak.

Trachten wij niet steeds u aan te tonen, dat niet de aard van de weg belangrijk is, maar wel het bereiken van het doel? Tonen wij u niet steeds weer aan, dat het niet belangrijk is, wie iets heeft gezegd, wanneer het maar waar is?

Dat is misschien wel een van de grote kentekenen van onze Orde; dat wij trachten buiten elk dogma de mens te brengen tot waarheid. U mag uw eigen dogma’s gebruiken en geloven, zoveel u wilt, maar u mag ze nooit maken tot een keten om anderen, die een andere weg zouden willen gaan, tegen te houden. Neem uw dogmata en wees er gelukkig mee. Neem uw problemen en tracht daaruit waarheid te vinden. Maar eis niet, dat een ander precies uw wegen gaat en uw zijde van denken volgt. Tracht alleen elke andere mens te bewijzen, dat in u God werkelijk leeft, dat in u de Goddelijke liefde is, die op den duur een begrijpen en verstaan mogelijk maakt, ongeacht de verschillen van geloof, taal, ras en volk. Dat is hetgeen, waar het op aan komt. Als ik mij niet vergis, is dit ook de kern van Jezus leer.

  • Wat is het onderbewuste?

Het onderbewuste is het deel van het menselijke denken, dat niet onmiddellijk toegankelijk is voor zijn denken, of herinneringsvermogen en voor een groot deel daarvoor ook nooit toegankelijk zal zijn, zodat er in het onderbewuste geen sprake is van kenbare of kennelijke redenen, ofschoon het onderbewuste wel op bewuste redenering invloed uitoefent. In het onderbewustzijn zijn bevat: Naast het stoffelijke herinneringsvermogen, het onderbewuste, ook verschillende factoren die wij rubriceren als bovenbewustzijn en werkingen van de eigen geest.

  • Ik had mij dit voorgesteld als een driehoek: het onbewuste, daarbij het onderbewuste en het bovenbewuste.

Het onbewuste is het totaal van het menselijke, uitgezonderd dat deel wat redelijk aanvaardbaar gemaakt kan worden door eigen denken. Daarom is het niet goed mogelijk het onbewuste in een driehoek te verwarren. Het bevat immens een niet gerealiseerd deel van het bewuste leven. Het onderbewuste definiëren wij op bovenstaande wijze om te voorkomen, dat men zich zou gaan vergissen en dan het bovenbewuste als een aparte factor zou definiëren. Van buiten de geest gezien maakt het bovenbewustzijn deel uit van het onderbewuste, terwijl deze factoren tezamen met geestelijke invloeden en instinctieve factoren, dan weer het onbewuste vormen. Het is een omvattende reeks.

  • Hebben onze huisdieren, bv. paarden, een Zomerland, of hebben zij, als deel van de schepping, een eigen sfeer, of een lichtende sfeer?

Waar het beleven van een lichtende sfeer afhankelijk is van het bereikte bewustzijn, kan worden gesteld, dat voor de meeste dieren het bereiken van zelfs een mentale sfeer betrekkelijk moeilijk is. Huisdieren, die tot een genegenheid of liefde komen, waarbij zij hun eigen wezen, al is dit slechts ten dele, achterstellen bij een ander en hoger wezen, komen hierdoor in een hogere sfeer van bewustzijn. Zij kunnen dan, in relatie tot hetgeen zij hebben liefgehad, blijven voortbestaan in een Zomerland en deel eraan hebben. Dit deelhebben er aan is niet als menselijk te zien, terwijl het contact hebben daarmee steeds voortkomt uit, en gaat middels, het centrum van hun genegenheid.

  • Is iemand, die hier krankzinnig was, al of niet tijdelijk, na de overgang direct weer normaal?

Het ligt er aan, wat u onder normaal verstaat. In de praktijk is het zo, dat elke mens praktisch abnormaal, of a-normaal is tijdens zijn stoffelijke leven, dit ongeacht het feit, dat hij al dan niet krankzinnig kan worden geheten volgens de geldende menselijke maatstaven. Aan de norm beantwoordt niemand. Daarom is het logisch, dat ook na de overgang niemand aan een vaste norm beantwoordt. Vandaar dat er vele verschillende sferen zijn, waarbij wij vooral in de lagere sferen vele afzonderlijke werelden zien, waarin men dan leeft. Iemand, die op aarde krankzinnig is geworden door ziekte, zal, na het wegvallen van deze ziekte, onmiddellijk zijn normale persoonlijkheid hervatten, met een behouden van de ervaringen, die tijdens de periode van krankzinnigheid werden opgedaan. In sommige gevallen betekent dit zelfs, dat de krankzinnige hoger kan staan dan een normaal mens onmiddellijk na zijn overgang. Dit geldt zeker lang niet altijd. Is de krankzinnigheid mede veroorzaakt door eigen fouten in leven en denken, dan zullen de lasten hiervan worden ondergaan en zal men, wat u zou noemen onder het begeerde of normale peil blijven en in een meer duistere sfeer vertoeven, tot men deze fouten heeft overwonnen en zo het leven in de Lichtende Zomerlanden kan aanvaarden.

  • Hoe kan men een fout teniet doen in donkere sferen?

Door het erkennen van deze fout, het toegeven, dat deze fout bestaat, voor jezelf en daarbij het aanvaarden van het op zich pijnlijke Licht, waarin de fout onthuld wordt, maar waarin het tevens mogelijk wordt de fout te compenseren.

  • Zonder handelingen of werkzaamheden?

Ongetwijfeld kan de poging tot compensatie reeksen van handelingen en pogingen tot werkzaam zijn inhouden. Maar het eerste is de noodzaak tot het erkennen van de fout. De duistere sfeer is niet duister door gebrek aan Licht, maar is duister, omdat men, hetzij, omdat men bepaalde feiten als overgang niet wil aanvaarden, hetzij, dat men bepaalde waarden in het Lichtende het Licht voor zich steeds buiten sluit. Elke aanvaarding van het Licht op zich is dan in het begin algemeen pijnlijk of verblindend. Men moet gewennen aan een grotere waarheid dan men in de stof beleefde. Deze waarheid houdt in, dat degenen die het Licht aanvaarden, ook in staat zijn hun fouten te overzien en geheel te beseffen. In de erkenning van het Licht vinden wij ook voldoende waarheid om te beseffen, hoe wij een compensatie kunnen scheppen voor deze fouten, hoe wij ons verder kunnen vervolmaken en tevens in de keten van oorzaak en gevolg datgene, wat niet wenselijk is – gezien de Lichtsfeer, waarin men vertoeft – zodanig te wijzigen, dat een wel wenselijk gevolg is gewonnen.

  • Wat is negatieve materie?

Negatieve materie is een vorm van materie, waarin de krachtverhoudingen en de wervelingen van kracht binnen de kleinste deeltjes, zowel als de omloopbanen van de kleine delen onderling, evenals hun relatie van lading, geheel tegengesteld is aan hetgeen hier als materie is gekend. Als zodanig is negatieve materie een vorm van materie, die ten gronde zou gaan op het ogenblik, dat zij met positieve materie in aanraking komt. Voor de mens blijft zij als zodanig een hypothese, die moeilijk of niet bewezen kan worden dan langs theoretische weg.

Het is onmogelijk negatieve materie te vervaardigen in voor onderzoek ook voldoende hoeveelheden. Het is wel reeds mogelijk enkele kleinste delen daarvan reeds nu bij wijze van proef te doen ontstaan, waarbij het gevaar bestaat, dat deze materie, die zeer snel vervalt, over zal gaan bij enig contact met positieve materie in gloeiing en kracht. Deze kracht kan dan weer worden omgezet in positieve materie. Eenvoudig gezegd: Negatieve materie is iets, wat voor u minder dan niets is, maar in zich dezelfde waarden kan bergen, als uw eigen wereld die kent.

image_pdf