Werking en nut van bezweringen

 ‘Geestelijke wetenschappen’ (hoofdstuk 9) – juni 1969

Werking en nut van bezweringen

In de magie worden we regelmatig geconfronteerd met allerlei formules en bezweringen, waarvan men aanneemt dat ze een buitengewoon sterke werking zullen hebben, ook in de geestelijke gebieden. Men neemt aan dat middels deze bezweringen niet alleen krachten op aarde gebonden kunnen worden, maar dat daarnaast de mogelijkheid bestaat om krachten uit andere werelden te dwingen zich op aarde te manifesteren, of omgekeerd, om vanuit de aarde bepaalde werkingen in andere werelden tot stand te brengen.
Een groot gedeelte van hetgeen men omtrent bezweringen gelooft, is bijgeloof. Indien wij ons echter realiseren hoe bepaalde formules, die de bezwering zeer nabij komen, eveneens worden gebruikt in meer esoterische zin, dan krijgen we misschien een beeld dat toch bruikbaar is en waarmee we inderdaad ook praktisch iets kunnen bereiken.
Misschien kent u geen voorbeelden van dit laatste. Ik wil u dan herinneren aan het gebruik van bepaalde herhalingsgebeden in sommige kerken: het rozenhoedje bij de katholieken, de herhaling van de bekende formule ‘kleinood in de lotusbloem’ in de Tibetaanse kerk, het herhalen van bepaalde formules in Zen en in andere godsdiensten.
Indien wij nl. beginnen een begrip repetitief te herhalen (dus elke herhaling op zichzelf zien als één schakel in een schijnbaar oneindige reeks), dan kunnen wij de spreuk vereenzelvigen met voorstellingen. Wij kunnen voor onszelf daaraan directieven verbinden en er ontstaat iets, wat lijkt op een vorm van zelf‑hypnose.
Als men gehypnotiseerd is, kunnen bepaalde waarden en waarnemingen, mits men dit accepteert, zodanig worden verschoven dat hierdoor de wereld een ander uiterlijk krijgt en daarmee ook de eigen ervaringen een andere inhoud. Wat men nu doet bij bezweringstechnieken zowel als bij de eeuwigdurende herhalingen in bepaalde meer esoterische systemen, is niets anders dan het scheppen van een dragende kracht (een soort draaggolf) voor bepaalde voorstellingen, die daarop door het eigen gedachteleven kunnen worden geënt.
Als ik bezig ben met het eeuwigdurende ‘Om mane padme hum’, dan doe ik niets anders dan mij in een toestand van versuffing brengen. Maar hierdoor schakel ik ook alle begrenzingen van de normale menselijke wereld uit. Daarnaast openbaar ik aan mijzelf, aan de hand van mijn denken en geloof, voortdurend nieuwe facetten van de wereld, die voor mij in de spreuk is gelegen. Daarmee komen er krachten vrij.
De bekende klank ‘Aum’, die ook afzonderlijk wel wordt gebruikt als krachtbron, is een sleutelbegrip dat zowel esoterisch als magisch betekenis heeft. Als het ‘Aum’ normaal wordt gebruikt, dan geeft het een vibratie, die een groot gedeelte van de zenuwcentra in het lichaam in beweging brengt. Het krijgt door de zelfsuggestie en zelfs door de zelfhypnose een inhoud, waardoor ook bepaalde chakra’s gaan werken en zo is het zeker niet ondenkbaar dat iemand stenen opheft of misschien zichzelf door de lucht laat vliegen, alleen door deze klank. Want de kern van alle magie, en eigenlijk ook van de esoterie, is wel dat we leven in een wereld, die we niet zien zoals hij is.
De wereld is opgebouwd uit onze voorstellingen. De werkelijkheid, die er achter ligt, is voor ons niet kenbaar. De beperkingen, die voor ons ten aanzien van die werkelijkheid bestaan, worden door onze voorstellingen bepaald. Indien je van dat standpunt uitgaat, begin je zo langzamerhand ook te beseffen waarom eigenlijk de magische formule of de bezweringsrite zo’n grote invloed kan hebben. Indien er een contact met de geest mogelijk is, dan moet dat mogelijk zijn zonder enige formule. Maar als de mens, die dat niet helemaal kan begrijpen, bang is (dat is ook mogelijk) dat daardoor zijn eigen wereldbeeld zodanig wordt verstoord, dat hij niet meer in die wereld reëel zal kunnen leven volgens zichzelf, dm kan hij de sleutel van de bezweringsformule gebruiken.
Nu kunnen we die formules op duizend‑en‑één manier behandelen. We kennen haar over het algemeen in de eerste plaats in aaneensluitende rijen van afzonderlijke formuleringen, meestal een bede of aankondiging; in de tweede plaats, wat men noemt, het verzoek, een bede meer specifiek gericht; en in de derde plaats: het bevel.
Bij het bevel zien we ook nog een eigenaardig verschijnsel, nl. dat degene, die het bevel geeft, op dat ogenblik niet spreekt in zijn persoon. Wij kennen formules zoals b.v. “In de naam van de almachtige God, smeek ik U…” en dan volgen er een aantal namen….., “komt en hoort…” enz. Maar een ogenblik later spreekt men in het vervolg van diezelfde formule: “Ik, die het gezag draag (in feite: ik, die ben in dit opzicht de almachtige God), zeg en beveel U…..” en dan volgen weer die namen. Hierdoor wordt de persoon totaal anders georiënteerd.
In de zeer oude en misschien wel enigszins vergeten magie van b.v. de Babyloniërs komen formules voor, waarbij de priester begint met nederig neer te knielen voor een altaar, daarna opstaat om namens de God in het altaar zich te wenden tot de gelovigen en dan op een gegeven ogenblik verandert in die God en spreekt met de stem van die God. Iets is daarvan nog overgebleven, want menig priester beweert eigenlijk ook dat hij Gods woord spreekt. Dat is een heel flauwe afschaduwing van het meer directe gezag, dat men bij die plechtigheden in Babylon voor zich opeiste. Vreemd was daarbij, dat bepaalde priesters (o.a. van Nabu en van nog een paar goden) in staat waren tijdens die toestand buitengewone dingen te doen. Ze profeteerden, ze zagen op afstand, ze waren in contact met geesten en wisten zelfs iemand de dood aan te doen op afstand. Praktijken, die we tegenwoordig alleen nog maar in de groene‑magie verwachten, in de richting van de goena‑goena, voodoo enz. Toen waren zij deel van een godsdienst, gebaseerd op bezwering.
Het nut van de bezwering is dus in de eerste plaats wel het doen wegval­len van belemmeringen of van grenzen. Maar daarnaast geloof ik dat je toch het aspect van de mens, die zichzelf niet meer is, die zichzelf vergeet, die van persona verandert, moet beschouwen als een van de meest belangrijke facetten. De mens, die zijn eigen persoonlijkheid prijsgeeft en daarvoor een andere persoonlijkheid aanneemt, verandert nl. van gedrag. Dat kunnen we al zien in een normale wereld. Wanneer u iemand heeft, die voortdurend in armoede leeft, die armelijk is gekleed, dan zien we dat hij ofwel zeer rebels dan wel zeer onderdanig is tegenover eenieder, die het beter heeft. Trek diezelfde man een ander kostuum aan of diezelfde vrouw een moderne japon, geef hun voldoende geld en voordat je het weet, is hun hele gedragspatroon veranderd, maar ook hun waardering. Ze bewegen zich anders. Ze weten zich op een andere manier te doen gelden. Ze blijken ‑‑ ook als hun bezit helemaal niet reëel is en eigenlijk geleend ‑ ineens zeggenschap te hebben over anderen. Ze worden eerbiedig bejegend door mensen, die hen vroeger van de deur hebben weggejaagd.
Kijk, die verandering is natuurlijk maar heel gering, subtiel en psycholo­gisch verklaarbaar. Maar wat men wel eens over het hoofd ziet, is dat niet het bezit en niet het kleed op zichzelf bepalend zijn, maar dat het het gedrag van de persoon zelf is, dat zich wijzigt en daardoor dus de verhouding tot de wereld.
Als wij een bezwering gebruiken en wij veranderen daarbij onze persoonlijke relatie tot de wereld, dan zal ons gedrag, maar daarmee ook ons vermogen, in de wereld anders komen te liggen. Zo kunnen we dus constateren dat de praktische werking van de bezwering wel in de eerste plaats een totale ommekeer is van de persoonlijke houding; en daarmee een totaal andere mogelijkheid tot het wekken van reacties in de wereld.
Daarnaast hebben we de bekende contacten met de geest. En men kan erover denken zoals men wil, ik geloof niet dat er een definitieve oplossing is te geven.
Als ik nl. een demon oproep, zoals bij bijzondere bezweringen gebeurt, dan roep ik in feite iets op volgens mijn eigen voorstelling. Vergeet niet, door de bezweringsformule bent u in een situatie gekomen van auto‑hypnose. Dat wil zeggen dat u datgene, wat u niet woorden en met gebaren tracht te bezweren, gelijktijdig als een ervaring aan uzelf oplegt. En dan is het heel goed mogelijk dat u gruwelijke duivels ziet verschijnen, terwijl anderen niets zien. Dan is het heel goed mogelijk dat u contracten sluit met demonen of geladen wordt met krachten van lichtende geesten, zonder dat een ander er iets van merkt. Maar ‑ en dat is nu weer typerend ‑ voor uzelf is dat op dat ogenblik inderdaad waar.
Als we experimenteren met hypnose, dan zien wij dat een sujet, dat geen piano kan spelen, er niet toe kan worden gebracht om onder invloed van de hypnotiseur piano te spelen; d.w.z. ze hameren er wel op en ze vinden het zelf wel erg mooi, maar voor de rest is het toch wel een belediging voor de gehoorzenuwen. Maar als nu blijkt, dat iemand een klein beetje piano kan spelen, hij heeft dus enige vaardigheid, dan kan ineens dat bevel resulteren in een improvisatie, die misschien technisch niet helemaal vlekkeloos is, maar die toch verbluft en ver ligt boven het normale kunnen van de persoon. En daar moeten we het hier zoeken.
Als ik mij een demon suggereer in de bezwering, dan suggereer ik mij ook dat die demon mij bepaalde krachten geeft. Als ik in mij ook maar een beginsel van de kracht draag, die ik mij suggereer, zal mijn mogelijkheid om daarvan gebruik te maken aanmerkelijk groter worden dan voorstelbaar was.
De tweede conclusie mag dus luiden: Het nut van de bezwering is vooral ook het doen wegvallen van belemmeringen en begrenzingen, waardoor de persoonlijkheid ten volle haar capaciteit kan ontplooien en in die ontplooiing niet meer wordt belemmerd door het gevoel, dat de buitenwereld deze zal kritiseren of afkeuren.
Er is nog een derde facet: Een mens is deel van een totale wereld, niet alleen van de menselijke. Een zuiver stoffelijke mens zonder ziel zal natuurlijk alleen stoffelijke eigenschappen kunnen doen ontwaken. Maar zelfs de parapsychologie maakt al duidelijk (dat is toch een menselijke wetenschap), dat er heel wat meer bestaat, dat er buiten‑zintuiglijke mogelijkheden bestaan. We denken daarbij o.m. aan telepathie, proscopie enz. maar ook aan verschijnselen als telekinese: het veroorzaken van transporten. Dit zijn alleen nog maar fenomenen, waarvan de resultaten stoffelijk constateerbaar zijn. Het is dus niet zo onredelijk om aan te nemen dat de mens als totaliteit veel meer omvat dan het zuiver stoffelijke.
Het geloofsartikel, dat de mens behoort tot alle sferen, deel uitmaakt van alle werelden, ook als hij zich daarvan niet bewust is, wordt hierdoor wel niet onderstreept en bevestigd, maar dan toch wel aannemelijker gemaakt.
Ik stel nu dat ik door de bezwering niet slechts stoffelijke veranderingen tot stand breng, maar ook op al die andere niveaus van waarneming en vermogen, die behoren tot het menselijk zijn. De geestelijke, de psychische eigenschappen, die normaal verborgen blijven, kunnen worden gewekt. Als zij gewekt zijn, kan ik er ook mee werken. Het is alsof onder een enorme suggestie een soort paralyse ongedaan wordt gemaakt. We zouden dus moeten stellen dat de bezweringsformule ons vaak ook de mogelijkheid geeft ‑ zeker als we daaraan volledig geloven ‑ om onze capaciteiten op een ander dan stoffelijk terrein zodanig te stimuleren dat we daarmee bewust kunnen werken, ook indien wij – daar dit redelijk voor ons niet helemaal aanvaardbaar is ‑ die werkingen toeschrijven aan iets anders. En daarmee zitten we alleen nog maar in de gewone, de logische bezweringstechniek.
Natuurlijk, er zijn mogelijkheden om met bepaalde entiteiten contact te krijgen. Die contacten berusten in hoofdzaak op een harmonie en niet op een dwang, die van een bepaalde formule uitgaat. U kunt me geloven of niet, maar al tekent u het Grootzegel van Salomo en dreigt u een demon ermee, u kunt er werkelijk geen geest mee onderdrukken. Alleen indien u de geheimen kent ‑ en dat is in feite een samenvloeien van de verschillende grote en kleine Arcana (van het leven dus) ‑ indien u de inhoud van het Zegel kent, dan heeft u door de geestelijke inhoud, die in het symbool ligt, werkelijk zeggingskracht ermee. Anders niet. Het ding doet verder niets. Maar indien u daarin vertrouwt, dan kunt u vaak een geest accepteren waar u hem anders niet kunt accepteren. Op deze manier kun je dus zeggen dat de in feite nutteloze delen van de bezweringsformule dan toch ons zelfvertrouwen groter maken en vooral ons incasseringsvermogen. Wij dringen door in een wereld, die zodanig irreëel is geworden, dat willekeurig toegekende waarden voor ons werkelijkheid worden; en dat we op grond van deze werkelijkheid ‑ al dan niet door geesten of andere mensen gedeeld – handelen op een wijze, die ons in de geestelijke werelden grotere harmonische mogelijkheden en daarmee ook grotere kans op het onttrekken van krachten en het verwerven van medewerking zal geven. Hierdoor is de bezweringsformule bovendien dus ook nog het middel om onze eigen bestaande werkingen en contacten in allerhande sferen te activeren en op die niveaus tot harmonische werking of erkenning te komen.
Het klinkt misschien wat vreemd als ik nu beweer dat esoterisch de formule een gelijksoortige werking heeft. De bezweringsformule is niet alleen maar het middel om fenomenen te veroorzaken. Het is het middel ‑ dat hebben we zo juist gezien ‑ om de eigen persoonlijkheid in een andere toestand te brengen. Maar als die toestand hogere waarden van het ‘ik’ en hogere sferen omvat, zal ook de zelferkenning op deze niveaus kunnen plaatsvinden, die normalerwijze uitgesloten is. Daarom kan men de bezweringsformule nooit en te nimmer beschouwen als een middel om alleen naar buiten toe werking te veroorzaken, het is wel degelijk een middel, dat men ook naar binnen toe gebruikt.
Indien u meent dat u door boze geesten wordt geplaagd, dan behoeft dat helemaal niet waar te zijn. Het kan zijn dat u innerlijk verdeeld is, een geestelijke storing, misschien een psychisch conflict, dat door u ‑ omdat u het als zodanig niet kunt aanvaarden ‑ Wordt geprojecteerd in de vervolging door geesten, demonen, duistere mensen enz. Als u nu begint de magische formule te gebruiken, dan zult u eigenlijk helemaal niets kunnen bereiken, want er is niets reëels. Maar die magische formule laat u het gevoel krijgen, dat dit te beheersen is. En als u dan bewust naar uzelf wilt kijken ‑ en dat gebeurt inderdaad wel ‑ dan gaat u zien waar de kwetsbaarheid ligt. U zegt: Die geesten, demonen of tovenaars kunnen mij op dit punt aanvallen. Indien ik dat kan verdedigen, ben ik dus onkwetsbaar. En daardoor herstelt u uw innerlijke harmonie. Het verschijnsel, dat werd geprojecteerd als komende van een bron van buitenaf, verdwijnt eveneens en u zegt: Ik heb met mijn bezweringen en de gevolgen daarvan deze boze krachten buiten mij overwonnen. Dat is helemaal niet waar. U heeft alleen innerlijk een nieuw evenwicht gevonden.
Ik vraag mij daarom af, waarom men ook in de zuivere esoterie niet meer bewust gebruik maakt hiervan. Door deze formules, die overal worden gebruikt (o.a. bij de Jezuïeten bestaat er een bepaalde discipline, die gebaseerd is op de voortdurende herhaling van bepaalde bevelen, van bepaalde spreuken in het Latijn, waarbij o.a. “God is liefde”, “Jezus is onze verlosser” e.d. te pas komen), deze herhalingen brengt men zichzelf in die hypnose. Men heeft er ook wel een zekere verwachting van. Maar indien men dat nu eens zou uitbreiden, niet alleen tot een onderwerping (dus het ondergaan van invloeden, waarmee je wakker wordt) maar ook tot een zelfstandig uitgaan naar hogere krachten en invloeden, dan geloof ik dat het besef van het hogere ‘ik’ inderdaad veel gemakkelijker ontwikkeld zou worden. Het is niet zo moeilijk om iemand zover te krijgen, dat hij door allerhande suggestieve processen in een toestand van verrukking komt te verkeren. Dat is via hypnose bereikbaar. Maar die verrukkingstoestand dan niet alleen te ondergaan als een woordloos iets maar als iets wat inzicht geeft, een belichting van je eigen wezen en je mogelijkheden, dat kun je alleen verkrijgen indien je in de formulering deze mogelijkheid opneemt; indien je dus weet dat dit het resultaat zal zijn.
Er zijn allerlei riten. We kennen ze o.m van de maçonnerie, van bepaalde Rozenkruisersgroepen.Theosofen hebben soms ook dergelijke bijeenkomsten, de meeste kerken hebben ze, zelfs de Revivalists gebruiken het, de lieden die het christelijk geloof in de mensen weer even komen opwekken, zo gezegd de wek­kers van het christelijk geweten. Zij allen gebruiken dergelijke technieken. Maar zij doen het eigenlijk allemaal een klein beetje beperkt. Het is natuurlijk heel goed om een mens te laten zien dat er een verlossing is (zoals de Revi­valist doet) en hem dan te confronteren met zijn eigen onvolledigheid.
We hebben in de eerste plaats een zeer suggestieve invloed, waardoor men het gevoel heeft dat die kracht zal compenseren voor de eigen tekortkomingen. Daarnaast kan men zelfs zover gaan dat de mens zichzelf één gaat voelen met Jezus, zich daarmee in zoverre vereenzelvigt dat zijn gedragspatroon, maar ook zijn geestelijke mogelijkheden, soms veranderen.
Een ritueel van een Loge kan in vele gevallen inhouden dat men door het zoeken naar wat er achter de formule ligt, een gevoel krijgt van grotere verbondenheid met iets. Je kunt het echter nooit definiëren. Indien dat iets definieerbaar zou worden, zou men ontdekken dat dit te maken heeft o.m. met­ het openbloeien van de verschillende chakra’s die, zoals u weet, lobben van vier tot 144‑bladig hebben. Dus 144 harmonische factoren of 4, 16, enz. factoren, dat zijn de eenvoudigste.
Nu is de harmonie, die wij met een bezweringsformule kunnen krijgen, zeker voor een groot gedeelte afhankelijk van de associatie. Daarbij moeten we echter ook de geluidswaarde niet verwerpen. Er zijn hiervan voorbeelden te geven. Gezien het feit, dat het op schrift gesteld moet worden, kan ik dat helaas niet volledig doen; maar om u er één te geven:

“Ik beveel u in de naam van de almachtige God.”

“In Namen des almachtigen Gottes, befehle ich Ihnen,”

“In the name of the allmighty God, I say to thee: obey.”

Het komt allemaal op hetzelfde neer. Elk heeft een afzonderlijke klankwaarde. Terwijl de inhoud praktisch gelijk is, is de klankwaarde totaal verschillend. Dat betekent dus dat ook bij de mens op een andere manier stimuli in het li­chaam worden gewekt. Bij de bezwering nl. wordt de mens dan ook lichamelijk gestimuleerd. Dat is in de eerste plaats natuurlijk een kwestie van interne secreties. We weten dat sommige klanken een zeer sterke stimulans voor de schildklier kunnen vormen. Andere werken in op de hypofyse. Er zijn verster­kingen van de bijnier‑functies mogelijk. Er zijn veranderingen in het tempo van de bloedsomloop te bereiken. De zenuwgevoeligheid kan worden veranderd. Kortom, het gehele lichaam kan dus voor een groot gedeelte door klank beheerst worden.
Die beheersing is natuurlijk op zichzelf niet zo belangrijk. Hoogstens zou het therapeutisch belangrijk kunnen zijn voor een medicus. Misschien weet u dat men de laatste tijd reeds verschillende geluiden gebruikt om daarmee een resultaat te verkrijgen. Er is een tandarts geweest die begon met het geluid van Niagara Falls door koptelefoons te laten horen aan zijn patiënten in plaats van verdoving. Het bleek dat dit geluid eveneens als een verdoving diende: de mensen namelijk voelden niets. Hij ging toen verder en kwam tot de conclusie dat ook het reciteren van sommige gedichten, het zingen van liederen (bij voorkeur door een bas of bas‑bariton) in staat was eenzelfde effect te verschaffen, waarbij niet ‑ zoals bij het geluid van de Niagara Falls ‑ alleen de geluidssterkte bepalend was. Er zijn sindsdien ook nog proeven genomen (o.a. in Amerika, in Italië) met bepaalde achtergrondmuziek om te zien hoe een mens daarop reageert. Het blijkt dan dat b.v. wondgenezing door een bepaalde soort muziek inderdaad kan worden bevorderd. Het is niet algemeen aanvaard, ik zeg het erbij. Het wordt zelfs hier en daar medisch bestreden, maar de resultaten zijn er dan toch.
Dan heeft u ongetwijfeld ook kunnen horen dat er koeien zijn, die op de muziek van Beethoven buitengewoon gunstig reageren met bijzondere melkgift. Ze voelen zich kennelijk extra vruchtbaar. Fluitmuziek zou invloed hebben op het groeiproces o.a. van gierst. Er zijn daarmee proeven genomen in India.
Wat ik hier zeg, is nog helemaal niet zo dwaas, als u misschien zou denken. Het is erg vooruitlopend op alles wat de mens weet.
Indien ik dus weetcdat ik die stimuli voor het lichaam kan veroorzaken, dan weet ik tevens dat b.v. een vergroting van de schildklierwerking of een vergroting van bepaalde andere werkingen in het lichaam een verandering van emotie, van gesteldheid, zelfs van ontvankelijkheid tegenover de wereld met zich kan brengen. De receptiviteit, de spontaniteit kunnen daardoor sterke wijzigingen ondergaan. Indien mijn bezweringsformule dit nu lichamelijk doet, daarbij geestelijk een verandering tot stand brengt en ik heb een voorstelling van hetgeen ik geestelijk wil bereiken, dan zal ik dus ook lichamelijk verscherpt ondergaan wat er zich op een geestelijk vlak afspeelt. Dan volgt hieruit, indien we dit alles accepteren, dat het dus mogelijk is juist door het gebruikmaken van dergelijke formules (hoofdzakelijk klankformules) te komen tot een sterkere overdracht van belevingen op niet‑stoffelijk niveau naar het stoffelijk bewustzijn, het waakbewustzijn zelfs.
Dergelijke overdrachten zouden bijzonder belangrijk kunnen zijn voor de mensen, die zichzelf willen leren kennen. Want eerst indien je beseft hoeveel andere werelden en sferen ‑ om niet te spreken over levensvormen uit het ver­leden en uit de toekomst ‑ meespelen in alles wat je nu bent, denkt en doet, zal het mogelijk zijn om in dit normale stoffelijke leven het juiste evenwicht te vinden en de juiste harmonie met de waarden, die nu voor jou positief zijn.
Gaan wij verder dan dit, dan kunnen we echter ook onszelf verslaan. Indien ik mijn suggestie te sterk gedetailleerd uitwerk, moet ik er rekening mee houden dat ik in die toestand van autohypnose alleen nog ervaar ‑ en dan als werkelijkheid ‑ wat ik zelf heb ontworpen. Zoals ik ook bij het magische gebruik van een formule de geest en de krachten zie verschijnen, die ik zelf verwacht en daarbij tevens gebonden ben aan de eigenschappen, die ik daaraan heb toegekend.
Als ik in de esoterie die beperking niet vergroot (dus de detaillering achterwege laat) en werk met een algemeen beeld, dan zal ik toch details invullen; deze details echter zullen reële zijn, die het totaalbeeld, waarvan ik uitga, veel dichter naar een kosmische realiteit toe brengen. Je kunt veel dichter bij de werkelijkheid komen, indien je niet te ver gaat.
Het gebruik van formules, bezweringsformules, vaste spreuken met een bepaalde associatieve waarde, is in vele gevallen aanbevelenswaard. Maar men moet wel begrijpen, dat het geen panaceeën zijn, waarmee alles tot stand te brengen is. Integendeel, indien we hiermee te ver gaan en er te grote betekenis en waarde aan gaan hechten, dan vervreemden wij niet alleen van de stoffelijke werkelijkheid, maar ook van onze eigen geestelijke werkelijkheid. Onze reacties en veronderstellingen worden vals en onze hele wereld schijnt in strijd met hetgeen we innerlijk beleven.
De taak van de mens is echter om een zo groot mogelijke harmonie (eenheid, éénklank) te vinden tussen zijn stoffelijk ervaren, zijn stoffelijk bestaan en de in hem levende geestelijke waarden. Hoe groter die eenheid is en hoe praktischer die tot uitdrukking komt op elk niveau van bestaan, des te groter de bewustwording en daarmee des te sterker ook het contact met de eeuwigheid.
Er is over dit alles natuurlijk nog heel wat te vertellen, als we willen vervallen in de beschrijvingen van plechtigheden.
Jezus in de woestijn gebruikt bij bepaalde gelegenheden magische formules. Als we dan de woorden van die formules ontleden, ontdekken we daarin o.m. nog Egyptische woorden. We zien dus dat kennelijk daarin een invloed uit andere landen een rol heeft gespeeld. Maar die formules waren eerder noodzakelijk voor Jezus om degenen, die rond hem waren, tot harmonie te brengen, op de juiste wijze te stimuleren, tot eenheid te brengen zodat zij, wat hij noemde, het Koninkrijk Gods een ogenblik konden ondergaan, dan voor hemzelf om daardoor macht uit te oefenen.
We weten dat andere priesters (b.v. Melchizedek) de gewoonte hadden om bepaalde magische formules luidkeels uit te spreken voor een offerande. Niet zozeer omdat die offerande daardoor nu een bijzondere betekenis zou krijgen, maar omdat de mensen door een eerbied voor de vaak onbegrijpelijke spreuk, door hun gevoel van verbondenheid en onderworpenheid deel konden hebben aan datgene, wat door een offerande werd uitgedrukt.
Je zou een hele geschiedenis moeten weergeven, gaande van die eerste mens, die met onverstaanbare pruttelgeluiden iets imiteerde, wat eigenlijk de stem van het Hoogste moest voorstellen tot misschien deze dagen, waarin lege woorden vaak galmen om een gevoel van verbondenheid of waarde te suggereren waar dat ‑ althans materieel ‑ niet aanwezig is. Het ontwerpen van een dergelijke geschiedenis en het uitspreken ervan zou te lange tijd vergen. Maar u kunt voor uzelf voorbeelden hieruit putten, die u een beter inzicht geven in alles wat er gebeurt.
Als u ziet dat b.v. oud‑Nederlands een totaal andere klankwaarde en een andere betekenis heeft dan uw huidig Nederlands, dan zal u dit misschien op de gedachte brengen dat er dus ook een verandering in de verhouding mens-wereld en mens‑kosmos moet zijn ontstaan. Want de stimulerende klank krijgt een andere betekenis. Misschien dat hierdoor kan worden verklaard dat de mens in het verleden zijn vroomheid zoveel intenser kon beleven dan de mens van vandaag. Andere klanken, andere invloeden, andere suggestieve beelden.
In deze tijd, waarin men alles wil verklaren, is alles teveel gestipuleerd, teveel uitgewerkt en daardoor óf onbereikbaar of een illusie geworden, waaraan men zich verder niet meer kan onttrekken, omdat men haar zichzelf heeft opgelegd. Als u nagaat hoe zelfs nu nog bepaalde boeken in een niet meer te verstane taal worden gereciteerd (sommige boeddhistische monniken maken zich daaraan schuldig en ook bij de brahmanen vinden we het), dan zult u zich waarschijnlijk afvragen: waarom? Hier is de klankbetekenis belangrijk. Het gaat er niet om wat er met die woorden precies wordt gezegd, als men b.v. Sanskriet spreekt; het heeft zelfs met de oude taal weinig meer te maken. Het gaat erom wat men associeert met een klankenreeks, die op zichzelf magisch is.
Het lezen van bepaalde geschriften van Boeddha door de Lama’s, de Lamaïstisch‑boeddhistische groepen, die u meer in het Noorden aantreft, heeft ook weer een dergelijk karakter. Het intoneren van de woorden is belangrijker dan het begrijpen ervan. Maar het reciteren (dat overigens door elkaar gaat, want honderd monniken deden dat met elkaar door ieder een blad te nemen en daarmee dan maar gelijk te beginnen, dan zijn ze eerder klaar) alleen, de associatie plus die klankenwaarden, heeft kennelijk op de gelovige een bijzondere invloed.
Niet alleen bij de Tibetanen, maar ook bij sommige andere volkeren bestaan er z.g. doodswoorden. Dat zijn klanken, die alleen worden gebruikt, als een mens op sterven ligt. Het dient om die mens sneller vrij te maken van zijn li­chaam, zodat de geest gemakkelijker heengaat en ‑ dat zeggen ze er dan wel niet bij, maar het is de bedoeling ‑ de levenden niet zozeer zal storen. Dat die woorden werkelijk een sleutel zouden zijn voor de eeuwigheid, is natuur­lijk een illusie. Maar indien de stervende eraan gelooft, indien zijn omgeving eraan gelooft en die klank bovendien lichamelijk een zekere ontspanning tot stand brengt, dan zou hierdoor zeker niet alleen het sterven zelf (het licha­melijk proces) vereenvoudigd kunnen worden, maar daarnaast zou dus de geestelijke voorstelling, die in het stervensuur een steeds grotere invloed krijgt op de overgaande ziel, een karakteristiek gaan vertonen, waardoor de aanvaarding van een geestelijke wereld eenvoudiger is. Er zijn voorbeelden te over. Van de mens, die met klanken de regen beweegt om neer te vallen, tot de mens die de dieren met bepaalde geluiden weet te lokken, zien we het principe van de bezwering overal terugkeren. Zelfs de dompteur in een hedendaags circus heeft zijn eigen timbre. Hij gebruikt niet zijn normale stem. Hij zet een bijzondere stem op en dan behoeft hij niet hard te spreken. Maar hij wekt bepaalde associaties bij de dieren en hij stimuleert ze op een bepaalde wijze.
Dit is het uitgangspunt voor eenieder, die zich wil oriënteren ten aanzien van de praktische waarde van bezweringen, de esoterische en magische mogelijkheden, die daarin zijn gelegen.
Laat u nimmer verblinden door de formule als zijnde zelf werkzaam. Ze is pas werkzaam door u. Laat u nooit vertellen dat de woorden op een papiertje zonder meer werking hebben, zoals bij een amulet. Die woorden, ook als u niet weet wat ze betekenen, krijgen betekenis indien daardoor uw houding ten aanzien van de wereld of de geest wordt gewijzigd.
Dit beseffende kan men misschien ondanks alles ‑ en dan bewust – gebruik gaan maken van bezwering, de bezweringsformule, de bezweringstechniek, dit zowel om de eigen innerlijke werkelijkheid beter te leren kennen, als wel om bepaalde resultaten op aarde mogelijk te maken, die zonder dit misschien moeilijker of niet bereikbaar zouden zijn.

Filosofieën

Wat is het geluid van de stilte? Wat is de inhoud van het Niets? Wat zijn de krachten van de bewegingloosheid? Schijnbaar vragen, waarmee je weinig kunt doen. Maar vragen, die ‑ als je ze begint te overdenken – je ongetwijfeld allerhande nieuwe en schonere mogelijkheden geven om de wereld te beschouwen.
Een mens kan niet leven in zijn werkelijkheid, indien hij die niet kan verklaren. Maar het verklaren van die werkelijkheid eist ook van hem dat hij tracht door te dringen in het schijnbaar onbegrijpelijke. Het hele geestelijke leven is een voortdurende ontdekkingsreis, waarbij men niet slechts tracht te omschrijven wat mogelijk is en wat bestaat, maar dit tracht te doorvoelen.
Het geluid van de stilte is het geluid dat je zelf maakt. Het geluid van de stilte is het geluid van het leven van de toehoorder. Wie van u ooit een absolute stilte heeft meegemaakt, weet hoe het kloppen van het hart, het ruisen van het bloed op de duur een overstelpend lawaai kan worden.
Wanneer wij leven in het Niet en wij zien het Niet, dan is het voor ons de omgeving, waarin wij bestaan. Onze relatie met het onbekende wordt het best weergegeven door het Niet. Het zijn van het Niet kan het best worden omschreven als de afwezigheid van erkenning in onszelf. Wij moeten voortdurend alles op onszelf betrekken; zonder dat wij dit doen is er voor ons geen mogelijkheid tot erkennen en nadenken. Maar als wij b.v. vragen naar de krachten van de stilte en van het stilstaande en het niet‑bewegende, dan vragen wij in feite naar potentie in plaats van uiting. En daarmee komen wij tot de conclusie dat ons eigen wezen eveneens voor een groot gedeelte potentie is en niet uiting.
Als wij zoeken naar het onbekende ‘ik’ van de mens, dan zoeken wij in feite niet naar de verklaring van zijn uitingen, maar naar de mogelijkheden, welke in die mens schuilen. Op deze wijze filosofeert men verder en komt men voor zichzelf langzaam maar zeker tot een omschrijving van wat b.v. de mens moet zijn.
Een omschrijving van de mens is altijd filosofisch. Je kunt geen mens werkelijk definiëren, omdat het begrip ‘mens’ slechts een verzamelnaam is voor allerhande volkomen differente bewustzijnsvormen, normen en zelfs verschijnselen. Maar wil ik weten wat mens is, dan moet ik nadenken over mijzelf. Wat is mens in de relatie tot mijzelf?
Spreek ik over God, dan kan ik heel mooie betogen gaan opbouwen over al hetgeen er mogelijk is in de wereld. Maar wil ik komen tot de werkelijke definitie van de schijnbaar onmogelijke Godheid, deze onbegrijpelijke niet te vatten waarde, dan kan ik zeggen: God is een kracht, die ik in mij erken. En de erkenning van die kracht in mij kan ik omschrijven. Ikzelf ben de meetstok, waarmee ik mijn wereld meet. Mijn besef is de redelijkheid van de wereld, die ik ontmoet. Mijn vermogen tot erkennen bepaalt wat de wereld rond mij bevat. Daarom is het goed om zo nu en dan stil te zijn.
Oude filosofen hadden de gewoonte om zich in de eenzaamheid terug te trekken en b.v. gezeten op een berg te schouwen naar de wolken, naar de dalen of zich te verdiepen in de weerspiegeling van de hemel in een vijver. Schijnbaar deden zij niets, maar op die ogenblikken waren zij buitengewoon actief. Want de relatie tussen die schijnbaar stille wereld en het eigen ‘ik’ moest worden gedefinieerd.
Het definiëren van je wezen, van je bestaan is zo moeilijk, indien je daarbij probeert uit te gaan van algemene waarden, zodra je jezelf als maatstaf neemt voor alle dingen en van daaruit voor jezelf bepaalt wat die wereld voor je betekent. Dan heb je niet slechts een waarheid geconstateerd, die voor jou altijd bestaat, maar je hebt daarnaast eindelijk naam gegeven aan het leven.
In de bijbel is een van de eerste dingen die Adam doet: alle dingen een naam geven, benoemen, opdat hij kan omschrijven, kan onderscheiden. Die namen bestaan niet, de dingen wel. Hij geeft er namen aan, die omschrijven wat ze voor hem zijn. Een verhaal ongetwijfeld, een gelijkenis. Maar doen wij eigenlijk niet precies hetzelfde? Wij zouden ,om onze wereld te kunnen kennen, aan alle dingen namen moeten geven, die uitdrukken wat ze voor óns betekenen. En daar die namen nu eenmaal reeds gegeven zijn, moeten wij trachten de naam los te maken van het algemene begrip om ons te realiseren: wat is dit voor mij?
Als ik zeg: wolk, dan moet ik mij niet afvragen wat men onder wolk natuurkundig verstaat. Dan moet ik mij afvragen: wat betekent het voor mij? Dan alleen kan ik ermee leven en werken. Zodra ik terugval op een algemene definitie, een maatstaf die buiten mij bestaat, ben ik machteloos. Ik word dan geregeerd door de wereld buiten mij. Wie voor zich de normen aanvaardt, die de wereld buiten hem heeft gesteld, zonder ze zelf te controleren, te beleven en zich daar tegenover op te stellen en een bepaalde norm voor zichzelf te bepalen, die leeft niet werkelijk; hij wordt geleefd. Als ik in een stroom meedrijf en ik laat mij door die stroom aanspoelen waar ze mij wenst aan te spoelen en weer meenemen waar ze mij wenst mee te ne­men, dan kan ik toch niet zeggen: ik reis. Ik kan zeggen dat ik word verplaatst. Maar ons leven is reizen. Wij gaan van de allereerste verwonderde erkenning van het bestaan naar de algemene erkenning, die dat bestaan omschrijven en van daaruit moeten wij verdergaan naar onze persoonlijke definitie van het be­staan. Dan pas kunnen wij bepalen wat het bestaan voor ons is en onze eigen richting binnen het bestaan aangeven.
In het Westen heeft men getracht alles te normaliseren. 0ngetwijfeld met goede bedoelingen. Maar als men spreekt over één god en niet over goden, dan schept men goden naast de god. Als men spreekt over één systeem dat waar is en alle andere zijn onwaar, dan schept men in de aanvaarding van het systeem de noodzaak voor de mens om voor zich een persoonlijk systeem te vinden, waardoor het systeem dragelijk blijkt. Er is geen erkenningsmogelijkheid meer van relatie naar buiten toe. Indien wij een mens filosofisch bezien, dan kunnen wij aannemen dat hij eigenlijk, zoals hij tot uiting komt, niet veel meer is dan een heel klein stukje van een ijsberg, dat ‑ boven water uitstekend ‑ kenbaar is geworden, terwijl daaronder de werkelijkheid ligt, de gevaarlijke werkelijkheid. Als een schip in een gebied moet varen, waarin ijsbergen drijven, dan kijkt zij niet alleen naar de toppen uit. Zij zorgt dat zij alles ruim baan geeft, want onder water liggen de werkelijke gevaren.
Indien wij in de wereld alleen op het zichtbare afgaan, dan zullen wij dit werkelijke, dat niet onmiddellijk algemeen constateerbaar en kenbaar is, niet beseffen. En dat zijn de klippen, waarop het leven kan stuklopen. Dat zijn de mogelijkheden, die niet worden gebruikt. Dat zijn de contacten, die nooit waar worden, omdat wij niet beseffen. Dat is het toeval, dat ons regeert. Willen wij weten wat wij zelf zijn, dan zullen wij eerst moeten erkennen wat er onder de oppervlakte bestaat. Niet alleen maar een algemene stelling, dat als 1/3 van ons wezen bewustzijn is 2/3 onderbewustzijn moet zijn, maar een erkenning wat het onderbewustzijn is: een uitbreiding plus verdieping van hetgeen wij bewustzijn noemen. Dan moeten wij erkennen dat het onderbewustzijn juist daardoor in de buitenwereld een veel grotere invloed heeft dan het zichtbare. Het zichtbare heeft een genormaliseerde reactie teweeg gebracht. Maar het onzichtbare, dat onbewuste deel van het eigen wezen, komt ook met die buitenwereld in contact. Niet helemaal kenbaar, maar het veroorzaakt de rampen, die we niet begrijpen. Het veroorzaakt de mogelijkheden en de contacten, waarvan wij niet beseffen dat ze zouden kunnen plaatsvinden. Ja meer, het veroorzaakt voor ons die vreemde verwijdering tussen uiterlijkheden, omdat wij het werkelijke contact niet kunnen beseffen, dat op een ander niveau is gemaakt.
Mijn voorbeeld is uiteraard onvolledig. Toch geloof ik dat ik u een kleine voorstelling geef van datgene, wat wij filosofisch kunnen nagaan en zien: wat de mens in het verborgene is. De werking, waardoor hij de oppervlakteverschijnselen beïnvloedt zonder kenbaar te zijn.
De mens, die zichzelf kent, beheerst zijn wereld. Want hij weet dat hij zelf het geluid en de stilte is. Hij weet dat hij zelf de beweging, de motivator is van de kracht, die berust in het stilstaande, in het ledige, in het bewegingloze. Hij begrijpt tenslotte dat hij zelf alle dingen tot stand kan brengen.
Natuurlijk, het is moeilijk om uit deze genormaliseerde wereld terug te keren naar deze filosofische beschouwing van het eigen wezen, deze erkenning van het onbekende. Maar hoe kan men zich vrijmaken van de onbegrepen drijfveer en van de wereld, zonder eerst die moeizame tocht te ondernemen?
Filosofie is niet alleen maar het opbouwen van veronderstellingen omtrent het bekende. Het is het middel om door te dringen in het onbekende door het vinden van persoonlijke waarden in plaats van de normen, die men algemeen hanteert.
Elke mens zou voor zich een eigen taal moeten hebben, want alleen in een eigen taal kun je volledig uitdrukken wat je bent. Een kind kan met zijn geluiden beter weergeven wat het is en wat het voelt dan de mens met tienduizend woorden. Het kind echter, heeft een beperkt scala van gevoelens, een beperkt scala ook van erkenningen. De mens echter omvat bijna een geheel heelal. En hij beschikt nu over de taal om dat uit te drukken, zelfs voor zichzelf. Hij wil alles terugbrengen tot de woorden en begrippen, die men hem heeft geleerd. Hij wil alles herleiden tot de norm van de wereld, waarin hij leeft. Ja, hij is bang om de norm van die wereld te verlaten en eenzaam te staan, ergens verlaten aan een bergwand, terwijl beneden hem de wereld verder reist. Hij wil misschien ‘Übermensch’ worden, zoals Nietzsche die heeft geschilderd. Maar dan alleen om terug te gaan en te tonen hoe groot hij geworden is.

Wij moeten niet trachten groter te worden om terug te keren in de wereld. Wij moeten groter worden door ons beter besef van onszelf in onze wereld. Wie tracht de scheiding van werelden en sferen te beschouwen, kan geen menselijke woorden vinden. Zelfs de beschrijving, die wij u soms trachten te geven van een bepaalde sfeer of wereld of van een toestand, is bekrompen, beperkt, onvolledig en eigenlijk onjuist. Want er zijn geen woorden voor om te zeggen wat gezegd moet worden. Er is geen redelijke denkwijze te vinden, die een volkomen analogie geeft met de werkelijkheid van een andere wereld. En u 1ééft in andere werelden!
In u zijn krachten werkzaam uit andere werelden. Ja, u leeft voor een groot gedeelte uit dat onbewuste gedeelte van uw bestaan, waarvan uw stoffelijke verschijningsvorm maar zo’n heel klein zichtbaar deel is geworden. Dan zou u moeten leren om ‑ misschien met een eigen taal, in ieder geval door het loslaten van de beperking van menselijke begrippen en van menselijke redelijkheid soms ‑ uzelf te vinden. Niet onredelijk zijn tegenover uw wereld, maar de rede in uw zelferkenning loslaten.
Het is moeilijk om jezelf te hergroeperen en jezelf te zien zoals je bent. Maar laat ons eerlijk zijn: is er één wet, die voor u allen geldt? Ja, misschien die, dat u geboren zijt en sterven zult. En zelfs die wet is niet onbeperkt geldend. Want hij, die het geheim van de levenskracht bemeestert, hij bepaalt immers zelf hoe lang hij zal leven. Maar al het andere?
Wat is er waar van uw godsdienst? Wat is er waar van uw moraal? Wat is er waar van uw visie op de wereld, op de noodzaken van het menselijk leven? Wat is waar? Hoe weinig is werkelijk waar? Hoe weinig is werkelijk waar voor ú? En toch kan alleen de mens, die uit zichzelf en uit de diepte van zichzelf kan putten, ooit begrijpen wat hij betekent in de wereld, bepalen hoe en wat hij kan zijn in de wereld. De hulpeloosheid van de mens is een schrijn, die hij voor zichzelf optrekt in een werkelijkheid. De gebondenheid van de mens aan alle dingen in de materie is een uitvloeisel van die redelijke beschouwing van zichzelf en zijn wereld; niet van de feitelijke mogelijkheden van zijn bestaan.
U ziet, met gedachten kun je tot ontstellende ontdekkingen komen. De ontstellende ontdekking dat voor niemand een bepaalde regel algemeen geldend kan zijn in zijn relatie tot anderen. Dat geen enkele regel van het Al rond u onbeperkt en volledig gelijkluidend ook voor u geldend kan zijn, behalve misschien een goddelijke wet. Om te begrijpen wat je bent als mens, moet je begrijpen dat je slechts deel van de mensheid kunt zijn, indien je eerst mens kunt zijn zonder de mensheid.
Mens‑zijn is een persoonlijk conditie, een toestand van besef, niet een gedragsnorm of een vormbepaling. Mens‑zijn met de mensheid kun je eerst, indien je het menselijke, het waarlijke, dat in jezelf bestaat, tot uitdrukking weet te brengen. En dan zijn vormen, tijd en ruimte niet meer bepalend.
Zo bouw ik voor u een soort toverpaleisje van woorden. Een toverpaleis, dat soms met één slag verandert in een spooktempel of een spookhuis; dat ligt aan uzelf. De meest mensen zijn bang om los te laten wat zij redelijk noemen. Ze zijn bang om het niet‑redelijke, het niet‑gegroepeerde onbekende eerst op zichzelf te laten inwerken, het voor zichzelf een naam te geven en voor zichzelf eruit te putten en ermee te werken. Ze willen eerst van buitenaf de bevestiging hebben.
Maar wie kan u bevestigen wat gij zijt, indien gij uzelf niet kent? Indien iemand u zegt: “Dit zijt gij” en gij aanvaardt het, dan aanvaardt gij het beeld dat de ander heeft ontworpen, niet de werkelijkheid omtrent uw eigen wezen. “Dit zijt gij” zou kunnen slaan op alle dingen. Deze bloem zijt gij, die wolk die daar drijft, het huis dat daar staat, de aarde die beeft, de zee die kusten verslindt. Gij zijt het allemaal, in zekere zin en op een bepaalde wijze. Besef, wat gij zijt door uw verbondenheden, maar ook de verbondenheden, die niet redelijk zijn. Dan eerst zult u in staat zijn om werkelijk te leven.
Als ik u in het begin confronteerde met een paar van die eigenaardige spreuken, dan deed ik dat om duidelijk te maken hoeveel raadselen er zijn. Maar niemand kan ze voor u beantwoorden. Zeker, ik heb getracht een kleine en onvolledige beantwoording te geven van twee punten. Gij hebt misschien die zonder meer willen aanvaarden en gezegd: Zo is het waar. Maar is het voor ú waar?
De wijze, die zich terugtrok om te mediteren en te filosoferen om voor zichzelf een besef omtrent zichzelf en zijn wereld op te bouwen, hij zocht de werkelijkheid, waaraan men in het uiterlijk leven voorbijgaat. Daarom kan een filosofie zo uitermate belangrijk zijn, indien het een besefte, een bewuste, uit jezelf voortkomende filosofie is. Daarom kan het zoeken naar het antwoord op schijnbaar onredelijke vragen zo belangrijk zijn. Niet omdat het antwoord op de vraag wordt gevonden, maar omdat je iets omtrent jezelf leert. Want niemand kan een wereld leren kennen, indien hij zichzelf niet kent. Niemand kan de wereld leren beheersen, indien hij zichzelf niet beheerst. En niemand kan een eeuwigheid beseffen, voordat hij zijn eigen tijdsbegrip heeft overwonnen. Deze filosofie kunt u zelf, op uw eigen wijze verruimen.
Dit zijn mijn gedachten, onvolledig in woorden weergegeven. Wat zijn uw gedachten?

De steen der wijzen

De alchemist brouwt alle dingen samen. En uit al dat samenkomt: de sulfers en de kracht, bouwt hij de steen van macht en het besef, waaruit hij zichzelve al openbaart. Maar is hij zelf niet de steen, waar kan hij dan zijn macht nog geven?

De dromer zoekt het magisch woord, dat al onthult, dat alle waarheid geeft en spreekt en macht tot leven geeft. Maar wat kan hem dat woord ooit helpen, als hij niet zelf besef van zich en van het leven heeft?

De dwaas zoekt naar de grote macht, die alle raadselen onthult en alle problemen verdwijnen doet. En toch, hoe slaagt iets dergelijks ooit, indien de mens nog niet beseft dat zelve hij zijn problemen oplossen moet?

U spreekt van een Steen der Wijzen. Een woord met een magische klank. Maar dat woord kan alleen in uzelf worden tot werkelijk magisch begrip. Gijzelf omvat immers eeuwigheid. Gijzelf voegt samen perioden van tijd in vele vormen en vele normen. Gij zijt een wezen van vele werelden. En vele gedachten en krachten smelten in u samen tot de eenheid, die tijdloos en eeuwig is. Hoe kunt gij dan buiten uzelf een Steen der Wijzen zoeken? Hoe kunt gij uit boeken leren wat niet reeds in uzelf bestaat? Hoe kunt gij in het leven ontdekken en waarmaken wat niet eerst in u geboren werd als een besef omtrent wat in uzelf was?

De sulfer is de kracht van leven, maar ook besef en deel van geestelijk bestaan en eeuwigheid, overwinning van de waan. Als ge die versmelt in het vuur van werkelijke kracht en hartstocht en denken en ze tezamen elkander laat verteren, totdat werkelijkheid overblijft, als ge uit de gedachten datgene wat ge schrijft, datgene wat ge spreekt tezamen brengt tot woord het woord breekt en uit het stamelen dat er overblijft, één klank de waarheid wordt, hoe kunt ge spreken?
De Steen der Wijzen is een woord van dwazen. Want slechts wie zich in zichzelf vindt, vindt wijsheid zonder steen. En wie zichzelf harmonisch dan bepaalt in het leven van de sferen, van de kosmos en alle zijn, hij brengt in zichzelf in brandpunt de eeuwige macht en kracht. Hij is de steen, de lens, die als vermogen geen grenzen kent, behalve die van de werkelijkheid, die het Al heeft bepaald.

Wie Steen der Wijzen is, spreekt niet van wijsheid. Hij is de wijsheid, die alle krachten samenvoegt. Maar wie de Steen der Wijzen zich begeert, zoekt buiten zich te vinden wat in hemzelf verborgen is.