Wessac

14 mei 1968

U krijgt één van onze eigen sprekers, die – zoals u misschien begrijpen zult – het een en ander wil zeggen over de Wessac. Ik hoop dat u daarmede genoegen wilt nemen.

Ik wil daarbij nog het volgende opmerken:

Volledige gegevens over de Wessac kunt u voorlopig nog niet verwachten.

Het is niet altijd even eenvoudig en gemakkelijk voor ons om u voorlichting te geven over datgene, wat in het kader van onze samenwerking met de Witte Broederschap aan de hand is. En dit jaar is het moeilijker dan ooit. Toch wil ik trachten u op deze avond en­kele gegevens te verstrekken, in de hoop dat deze zullen bedragen tot uw begrip in de komende tijd en daarnaast ongetwijfeld ook voor de verschillende moeilijkheden, die zowel in de stof als in de geest zullen blijven rijzen.

De uitstorting van kracht was bijzonder groot en bijzonder heftig. Wij hadden dat niet verwacht. Hierbij vertoonden zich kwaliteiten, overeenstemmend ongeveer met de periode wit licht zoals wij die plegen te omschrijven, nl. een aanmerkelijke verscherping van symptomen en een versnelling van ontwikkelingen.

Dit betekent aan de ene kant dat wij in het komende jaar op een toenemende mate van levenskracht kunnen rekenen. Iets wat vooral voor de mens op aarde vaak van groot belang zal zijn, gezien de te­korten aan kracht, die zo hier en daar op het ogenblik optreden. Daarnaast echter betekent het dat een zeer groot gedeelte van de geleidelijke processen, die in de afgelopen jaren haast ongemerkt kon­den plaatsvinden, nu sneller – om niet te zeggen meer explosief – zullen optreden.

In deze kracht zijn natuurlijk een aantal richtlijnen naar vo­ren gekomen en omtrent deze richtlijnen zal ik u voor zover mij moge­lijk is informatie verstrekken.

Daarnaast zijn – zoals u begrijpen zult – een groot aantal punten nog in beraad en wij kunnen zelf op dit moment niet precies over­zien wat de uiteindelijke gevolgen zullen zijn van de erkenning, die wij ditmaal hebben kunnen opdoen.

De werelden van geest en materie zijn dichter bij elkaar in de komende periode. Dit zou kunnen inhouden dat een zeer groot aan­tal mensen meer dan normaal wordt beïnvloed. Wij houden er rekening mee dat dit voor velen aanleiding zal zijn tot wat men noemt hallu­cinaties; dat daarnaast voor zeer velen zenuwstoringen en ellende daaruit zal voortkomen. Zover ik dit op het ogenblik kan overzien, zijn daar wel enkele maatregelen tegen te nemen, maar het gehele re­sultaat ongedaan maken, lijkt mij niet mogelijk.

De openbaring van andere sferen op aarde zal niet in de eer­ste plaats er één van demonische aard zijn. Maar het grote gevaar ligt wel in de sterke invloed, die de astrale sfeer zal gaan ver­tonen. De astrale sfeer – zoals u weet – omvat dus krachten en ener­gieën, die overgebracht kunnen worden in het energieveld van het menselijk denken; impulsen die onder omstandigheden gelijk komen aan een vorm van telepathie. Omgekeerd is de mens veelal – bewust of onbewust – actief in dit astraal gebied.

Deze krachten nu zijn gelijktijdig vaak het voertuig van wat men noemt: aardgebondenen en dolenden. Dat zijn namen, dat begrijpt u. Maar daar verstaan wij onder diegenen, die om welke reden dan ook zich nog aardmens gevoelen, ofschoon zij dus geen stoffelijk lichaam meer bezitten.

Er is in de afgelopen jaren alles gedaan wat mogelijk was om zoveel mogelijk entiteiten bewust te maken van hun toestand en hen dus uit deze sfeer van halfduister, van astrale bindingen, los te maken. Dit is vaak gelukt, maar niet altijd. De invloeden, die van­uit deze wereld kunnen worden verwacht, zijn vaak van gewelddadige aard. Wij menen o.m. daarin te mogen vrezen voor uitbarstingen van onredelijke haat. Vergeet niet dat in deze sfeer zeer velen nog rondzwerven, die op enigerlei wijze door de mensheid geleden hebben of op enigerlei wijze door geweld, menselijk geweld, zijn omgekomen. Beteugeling hiervan wordt overwogen, maatregelen hiervoor zullen ongetwijfeld nog wel gegeven worden. Meer kan ik hierover niet zeggen.

Er is een zeer grote behoefte – gezien dit licht – aan een zekere eerlijkheid, een zekere openheid. Elke onduidelijkheid kan tot vergaande misverstanden voeren. Wij moeten dus rekenen met onnoemlijk veel conflicten, zowel in meer geestelijke sfeer als ook in de materiële sfeer, doordat men elkaar niet begrijpt, elkaar niet verstaat. Het is duidelijk dat ook hier maatregelen genomen moeten worden, maar de vraag is welke.

Wij zijn de laatste tijd voortdurend bezig geweest met mensen te beïnvloeden, zodat zij een beter begrip zouden krijgen voor de denkbeelden van hun tegenstanders. Ik weet niet of wij in de komende periode in staat zullen zijn dit zonder meer voort te zetten. Wel neem ik aan dat van de Broederschap uit zeer bijzondere maatregelen getroffen zullen worden om het gemeenschappelijk bewustzijn van vol­keren – en misschien ook van de gehele mensheid – dus van bepaalde stimuli te voorzien. Hierdoor kan althans een enigszins predicabel gedragspatroon verkregen worden. Zou dit niet slagen, dan zou ir­rationaliteit hand over hand toenemen; en wat men wel “obscurisme” noemt (dus het vertroebelen van feiten) nog sterker toenemen dan op het ogenblik het geval is. Ik geloof dat wat dit betreft dus ook niet veel meer op dit ogenblik vermeld kan worden.

De inwijdingspraktijken, die het vorige jaar heel voorzichtig en langzaam weer zijn opgenomen, zullen voor zover mij bekend ook in het volgend jaar worden voortgezet. Hierbij zal de nadruk zeer sterk vallen op wat we toch wel mystiek kunnen noemen, daar emotionele in­houd een zeer grote rol zal spelen bij die inwijdingen en indirect dus ook weer op datgene, wat op aarde belangrijk zal zijn in het komende jaar.

Ik geloof niet dat in het komende jaar de werkelijk belangrijke ontwikkelingen rationeel zullen zijn. Zij omvatten alle een zeker on­redelijk element en zullen heel vaak in feite ideëel zijn en van de praktijk enigszins verwijderd. Voor degenen die een zekere inwijding ondergaan is dit helemaal niet zo kwaad, niet zo erg. Het zou ech­ter zeer gevaarlijk kunnen worden voor degenen, die op aarde leven en zich uit de werkelijkheid laten wegvoeren door dergelijke denk­beelden en tendensen. Maatregelen hiertegen zullen naar ik meen niet overwogen worden. En dat betekent dat u, voor zover het ideële en waanvoorstellingen betreft, in het komende jaar voor een zeer groot gedeelte op uw eigen steun, uw eigen helpers, op uw eigen bezinning ook, zult zijn aangewezen.

Typerend is het verder dat men in deze uitstorting van kracht een stimulans tot eenheid meende te onderkennen. Er is een verschil tussen eenheid en samenzijn, zoals u weet. Een samenzijn kan lichamelijk zijn; eenheid kan alleen bereikt worden door een communicatie, die eigenlijk verdergaat dan zelfs de menselijke taal mogelijk maakt. Wij vermoeden – maar weten nog niet zeker – dat hierdoor op aarde wel eens een aanmerkelijk snellere wijziging van verhoudingen plaats zou kunnen vinden, dan de mensen prettig vinden. Want hier zullen gedachten, die niet worden uitgesproken, een rol gaan spelen. Hier­door zullen mensen elkaar gaan vinden, die elkaar in feite normaler­wijze nooit zouden moeten vinden. De Fransman zegt het zo mooi: degenen die samenkomen behoren tot hen, die zijn “bien étonnés de se trouver ensemble”; die verbaasd zullen zijn te vinden, dat zij con­tact met elkaar hebben.

De ontwikkelingen voor de gehele wereld, voor zover wij deze hebben kunnen ontleden op dit moment, blijven revolutionair met voorlopig nog kleine en vaak zelfs zuiver persoonlijke acties, welke wel meelopers trekken, maar eigenlijk geen voldoende momentum gewin­nen. Naarmate het jaar verder voortschrijdt moet er echter mee gere­kend worden dat in toenemende mate ook grotere groepen actief gaan worden. Uit deze groepsactiviteiten vrezen wij dat een zeer sterk groepsegoïsme naar voren zal komen. En groepsegoïsme voert – zoals u weet – tot groepsstrijd.

Van secundair belang in dit opzicht is verder ook wel geloof ik een verandering in de tendensen van wat men klassenstrijd pleegt te noemen, de strijd tussen arm en rijk. Ik meen dat hierbij een mid­del, dat veel op afpersing gelijkt, steeds meer gebruikt zal worden. Omdat hierdoor in vele gevallen de mogelijkheid tot een redelijke groei van de mensheid zou kunnen worden benadeeld, weet ik nu reeds zeker, dat op dit terrein althans de Witte Broederschap direct zal ingrij­pen, zodra zij meent dat de bewustwordingsmogelijkheid van de mensheid als geheel of van groepen die van belang zijn, hierdoor gestoord zou worden.

Ten laatste hebben wij in deze kracht ook nog iets gevonden dat ons wijst op een zeer sterke, direct op aarde kenbare inwerking van hoge geestelijke krachten. Hoe deze kenbaarheid eruit zal zien, durf ik u nog niet te zeggen. Wij kunnen hier natuurlijk in vaagheid spreken over “tekenen”, maar dat zegt weinig. Er zullen echter vele onverwachte en bijna tegennatuurlijke gebeurtenissen plaats gaan vinden en naar ik aanneem mogen wij de eerste daarvan reeds over enkele maanden verwachten. Dit zal zowel natuurrampen omvatten, natuurver­schijnselen, alsook door bewustzijn op de mensheid veroorzaakte ver­schijnselen. Resultaten daarvan kan ik u ook niet helemaal omschrij­ven, maar wel zijn we erg bang dat geestdrijverij, pseudo-religies e.d. gebruik zullen maken van deze verschijnselen om hun eigen belangrijk­heid te etaleren. Ik ben bang dat een werkelijkheidsvervreemding op dit terrein voor de massa een ontvluchting zou kunnen worden van de werkelijkheid, waarmee zij toch moet afrekenen. De Witte Broeder­schap heeft te dien aanzien nog geen definitieve besluiten genomen; wel liggen er reeds een groot aantal – zullen we zeggen – richtlijnen, welke er op wijzen dat men dergelijke groepen wil beperken en onder omstandigheden ridiculiseren en zo de kop indrukken.

Dit is niet veel om te zeggen van een Wessac-bijeenkomst. Ik zou natuurlijk nu kunnen gaan beschrijven hoe mooi het was en hoe groot. Ik geloof niet dat dit noodzakelijk is. Dat het groot was, dat het een zekere kracht inhield, kunt u uit het voorgaande naar ik meen wel ongeveer afleiden. Kunt u dat niet, dan zult n de wer­kelijkheid toch niet kunnen begrijpen.

Maar vanuit onze Orde moeten wij hier natuurlijk bepaalde con­clusies aan verbinden voor ons eigen werk. Wij nemen aan dat wij in de komende tijd veel minder regelmatig zullen kunnen zijn in onze werkzaamheden dan tevoren. Wij hadden daar reeds rekening mee gehou­den en wij zagen onze verwachtingen hier dus alleen maar – en in versterkte mate – bevestigd. Wij kunnen daarmede niet meer een ga­rantie geven voor bv. het houden van lezingen door vaste sprekers, het verlenen van hulp of bijstand door bepaalde personen en in be­paalde vorm.

Dat vinden we erg vervelend, maar daar kunnen we weinig aan doen. Wat het zwaarst is zal het zwaarst moeten wegen. En het ziet er naar uit dat juist degenen, die met uw wereld voldoende op de hoogte zijn (zoals de sprekers, die u ook meestal kent, de entitei­ten dus die de actualiteit kennen, die weten wat er in de mens aan de hand is), voor het ingrijpen in de menselijke gedachtewereld meer geschikt zijn dan degenen, die hoofdzakelijk geestelijk werk of werk in de sferen deden. Wij zullen trachten om vervangers te vinden. En in ieder geval gaat de Orde over de gehele wereld door met het ge­ven van leringen en lezingen.

Een grote vraag is: het peil van deze lezingen. Er zijn in een Orde als de onze verschillende punten, waarmee wij rekening moe­ten houden:

  1. Het is belangrijk dat er steeds weer no­viteitswaarde is; er moet steeds iets nieuws zijn.
  2. Het is belangrijk dat elke gegeven les een actuele toepassingsmogelijkheid geeft.
  3. Het is zeer belangrijk dat de juiste sfeer wordt gevonden en gehandhaafd.

Daarnaast – zoals u weet – is het dan nog belangrijk dat een opbouw van betoog wordt bereikt, welke voor de mens redelijk aan­vaardbaar is en gelijktijdig toch zijn aandacht geboeid kan houden. En indien u mij toestaat dit op te merken: geboeidheid en de redelijkheid van een betoog zijn vaak tegengestelde waarden voor de mens.

Uit dit alles kunt u wel afleiden dat we dus aan betrekkelijk zware eisen moeten voldoen. Wij zullen trachten zoveel mogelijk het peil te handhaven of zelfs op te voeren. Wij zullen daarvoor echter meer dan in de afgelopen tijd een beroep moeten doen op de sfeer, de eenheid en de samenwerking van de aanwezigen. Wij kunnen als Orde alleen goede en juiste resultaten bereiken, wanneer bij uzelf sprake is van een grotere harmonie, een juistere geestelijke afstemming en als het even kan ook van een beetje meer materiële activiteit.

Hiermede heb ik het punt van de Orde eveneens uiteen gezet en blijven mij nog slechts enkele algemene conclusies, die meer in de richting liggen van wat u prognose pleegt te noemen.

In de komende periode zal zelfmisleiding bij zeer velen voor­komen. Er moet met zelfmisleiding, zelfbedrog, vergissingen, vergeetachtigheden e.d. gerekend worden in de komende maanden. Dat houdt in dat zeer veel mensen moeite zullen hebben zich tot de werkelijk­heid te richten. Het houdt verder in dat men zonder nu direct te­genover iedereen wantrouwend te zijn, toch zeer zeker zal moeten na­denken over alles, wat men accepteert als waar, maar ook over elke verplichting die men aangaat of elke relatie die ontstaat.

  1. Hierbij geldt dat zeker voor de komende 6 maanden voor de mees­ten van u relaties, verdragen, contracten, overeenkomsten, etc., op langere termijn voorzien en gepland, zullen voeren tot teleurstel­lingen, onverwachte verandering. Reken daarom bij het aangaan van ver­plichtingen in de eerste plaats zoveel mogelijk met de kortst mogelijke termijn.
  2. Houdt u niet te veel bezig met illusies, met toekomstige ontwikkelingen. Deze kunnen teleurstellend zijn.
  3. Wees voortdurend bereid en voorbereid t.a.v. verandering en noodzakelijke aanpassing.

Dan zijn er over het geheel van de wereld een toenemende reeks van onlusten te verwachten. Dat zal u waarschijnlijk niet verbazen. Wij moeten deze verwachten zowel in Europa alsook in Zuid-Amerika, Noord-Amerika, in Azië en zelfs in Australië. Er zijn weinig delen van de wereld, waarin die onlusten niet zullen uitbreken. Hierbij is het erg belangrijk dat u zich niet doodstaart op hetgeen er gebeurt. U hebt in deze tijd te maken met betrekkelijk kleine agitatie-groepen. De feitelijke actie en denkbeelden gaan uit van minderheden, soms zelfs van enkele personen. De acties – gewelddadig als zij mogen zijn -worden meestal door enkelen slechts bewust gewild, niet door de meerderheid.

Indien u zich laat misleiden door de gewelddadigheid, die ook waarschijnlijk, wel de hele rest van dit jaar en het begin van het vol­gend jaar overal kenbaar wordt (de nodeloze vernietiging, de balda­digheid), dan zou u een verkeerd beeld van de mensen krijgen. Rea­liseer u dat het merendeel van de mensen in deze tijd stuurloos is. Wanneer zij meedoen met dergelijke demonstraties, opstanden, etc., dan komt dit hoofdzakelijk omdat zij niet weten wat zij anders moeten doen. Het is niet zo belangrijk die onlusten te onderdrukken. Het is veel belangrijker om een inhoud te vinden voor het leven, die ook an­deren als redelijk, als juist kunnen aanvaarden. Ik zou u de raad wil­len geven u dus niet te veel bezig te houden met wat men moet doen tegen onlusten, maar vooral met het creëren vanuit uzelf van een men­taliteit, welke de noodzaak tot dit demonstreren zonder te weten waar­om, opheft.

U moet verder rekening houden met beperkte oorlogshandelingen. Dat betekent dat de vrede in Vietnam voorlopig nog niet gesloten is. Dat betekent ook dat de gewelddadigheden rond Israël toenemen. Dat houdt verder in dat strijd op meer gebieden in bv. Afrika onvermijde­lijk is. Ik noem slechts enkele punten.

Deze gewelddadigheden fungeren nog steeds als uitlaatklep. Indien u zich met een bepaalde partij te veel vereenzelvigt, zult u echter de strijdmentaliteit overdragen in uw eigen milieu. Gezien de grote beïnvloeding van de astrale wereld – en wederkerig dus ook de grote beïnvloeding van de mens op het astrale – is dit niet wenselijk. Kijk dus niet te veel naar het geweld en het onrecht. Kijk naar datgene, wat er goed gedaan kan worden. Houdt u daarmee bezig en schep zo geestelijk en astraal een zo juist mogelijke toestand.

Een gevaar dat volgens mij méér dan de komende periode van ongeveer een jaar zal blijven aanhouden, is ook wel het gevaar van zelfoverschatting. Ik zie dit niet in de kwade zin van het woord, begrijp dat wel. Maar steeds meer mensen zullen denken dat zij meer kunnen, dat zij meer moeten doen, dan hun in wezen mogelijk is. On­derneem die dingen, die voor u persoonlijk van belang zijn. Maar zo­dra het gaat om acties, waarbij anderen in ruimere mate en zeker voor langere tijd betrokken zijn, ga eerst na of u de verplichtingen, die u op u neemt, wel kunt dragen. Zou u dat niet doen, dan zou u zeer waarschijnlijk en voor uzelf en voor anderen grote verwarring kunnen veroorzaken.

Hiermede heb ik ook het één en ander gezegd omtrent de tendensen, zoals wij deze thans hebben afgelezen. Rest mij uiteindelijk nog een verklaring te geven t.a.v. datgene, wat wij als inhoud zullen gaan brengen in de komende tijd.

Wij menen dat het belangrijk is de actualiteit te blijven dienen. Dat houdt in, dat wij u zoveel mogelijk en zo actueel mogelijk voorlich­ting zullen blijven geven op velerlei terrein. De meer theoretische leringen en leerstellingen, die in het afgelopen jaar vaak zijn inge­schoven, zullen daarom voor het merendeel komen te vervallen.

Grote nadruk zal ook moeten worden gelegd op geestelijke waar­den en op magische mogelijkheden. De leer omtrent de relaties tussen mensen en mensen, mensen en krachten, werelden onderling, etc. zal daarom een groter deel gaan innemen van ons werkschema, voor zover dit – gezien de onregelmatige bezetting – mogelijk is. Ook menen wij dat het belangrijk is – gezien de mystieke tendensen, die toch zeker bestaan – bepaalde gevoelselementen in vele van onze betogen te ver­werken, wederom voor zover de bezettingsmogelijkheden ons daartoe de kans geven.

Wij willen u zeker niet confronteren met een omwenteling in de Orde. Daarvoor is het naar ik meen nog niet de tijd. Wel zullen wij u moeten confronteren met een wijziging in een deel van de inhoud der betogen en van de benaderingswijze. En daarnaast ook zullen wij u zeer waarschijnlijk in sommige kringen moeten wijzen op de noodzaak uw eigen gedrag aan te passen aan de mogelijkheden en omstandigheden.

Begrijp wel, dit alles zijn voorlopige conclusies. Definitieve besluiten en conclusies zullen nu praktisch elke dag genomen worden. Maar om dit alles in definitieve vorm te kunnen samenvatten en weer te geven, zullen wij ongetwijfeld enkele maanden nodig hebben. Het gaat hier nl. niet alleen om de besluiten, zoals deze in de Broederschap worden genomen; het gaat daarnaast om een voorlichting omtrent dat­gene, wat die besluiten voor u kunnen inhouden. Een belichting, waar­bij de voor u aanvaardbare en begrijpelijke waarden op de voorgrond ko­men, zonder dat zij hierdoor in haar geheel onvolledig of onjuist wordt.

De verwerking van die gegevens kan maanden vergen; het is ook mogelijk dat dit in enkele weken gebeurd is. Ik neem niet aan dat het Algemeen Beraad zo lang zal duren als het vorige jaar. Toch neem ik aan dat de Grote Raad zeker nog 3 weken ongeveer bijeen zal moeten zijn of in voortdurend contact zal moeten zijn, voordat dus het geheel van het schema is aangepast op grond van bestaande mogelijkheden en wenselijkheden, zoals die zijn erkend.

Dat wij daarbij rekenen op een toenemende manifestatie van wat men de goddelijke Kracht noemt, zal eens te meer voor ons een moeilijkheid betekenen bij het concretiseren van de verwachtingen en be­sluiten.

Laat u echter niet misleiden: de vaagheid, die in veel van het nu gezegde toch nog is blijven bestaan, zal juist in de komende periode – en als het even kan in de komende paar jaren – vervangen worden door zo concreet mogelijke feiten en zo concreet mogelijke weergave. De O.D.V. zoals zij bestaat in de geest is in haar hoogste leiding ervan overtuigd dat een concrete, directe en actuele voor­lichting – zij het dan in vaak meer selecte gezelschappen – zeer veel zal kunnen bijdragen tot een juistere stabilisatie van de gedachtensfeer rond de wereld en daarmede tot een beter zelfwerkzaam zijn en juister reageren van de mensheid.

Ik ga nu sluiten. U zult mij willen vergeven dat ik – gezien de actualiteit van dit alles en m.i. ook de belangrijkheid hiervan -dit in de plaats meende te mogen stellen van de leringen en beschou­wingen, die u normalerwijze in deze groep worden gegeven.