Wetenschap en tovenarij

image_pdf

3 augustus 1962

Alwetend of onfeilbaar zijn wij niet. Wij hopen dan ook, dat u zelfstandig na zult denken. Mijn onderwerp voor heden is: Wetenschap en tovenarij.

Laten wij allereerst eens gaan kijken bij een ernstige zieke. Mannen, met gefronste voorhoofden, lopen rond en fluisteren tot elkaar in een vreemde, onbekende taal. Soms steken zij de hoofden bij elkaar en schijnen gezamenlijk een spreuk te herhalen. Dan – als bij een rituele dans – snellen enkelen weer naar het bed van de lijder terug. Met vreemde voorwerpen wordt de patiënt beroerd. Ook dit doet denken aan een ritueel. Dan vormen zij opnieuw een groepje, fluisteren weer hun onverstaanbare woorden, waarop een van hen zich tot de andere aanwezigen wendt en hen plechtig verzekert, dat alles in orde zal komen. Meent u misschien, dat dit de beschrijving is van de werkzaamheden van stamtovenaars? U vergist zich. Ik beschreef slechts een consult van meerdere specialisten in uw moderne wereld. Hun kennis, hun werkwijze, hun gedrag is gebaseerd op wetenschap. Wanneer ik nu zou hebben gesteld, dat het wel een bijeenkomst van toverdokters betrof, zo zouden velen onder u onmiddellijk hebben uitgeroepen: “Dat dacht ik al. Dit is natuurlijk tovenarij”, want het gedrag op zich, de wijze van werken is niet zo verschillend, wanneer wij de aankleding en het effectbejag, dat de tovenaar vooral, maar toch ook bepaalde mensen van de wetenschap wel kenmerkt, eens even terzijde laten. Daarom lijkt het mij verstandig allereerst eens te zien, wat deze tovenarij en die wetenschap eigenlijk gemeen hebben.

Wetenschap is gebaseerd op kennis, maar de tovenarij ook, want men tovert maar niet zo een eind weg. Om resultaten te kunnen boeken, dient men dan eerst de wetten en regels te vinden en te kennen, die de grondslag van de magie – de tovenarij – vormen. Nu zal men mij onmiddellijk tegen kunnen werpen, dat de tovenaar vele middelen gebruikt, die geen werkelijke waarde hebben, maar ten hoogste door middel van zijn magie enige waarde of betekenis verkrijgen. Wat moeten wij nu denken van een dokter, een man van de wetenschap, die u een broodpilletje voorschrijft, waarvan bepaalde klachten ook weggaan?…Toch is het een onschuldig deeg met een smaakje dat geen werkelijke betekenis of waarde heeft voor de genezing vanuit een zuiver materieel standpunt. Hetzelfde geldt voor een drankje, dat hoofdzakelijk bestaat uit aqua distillata, waaraan een kleur en/of smaak gevend element is toegevoegd. De betekenis van de middelen kan dus niet – zelfs niet bij de wetenschap – alleen worden afgemeten aan de onmiddellijke en stoffelijke waarde. Aan de andere kant gebruikt menige tovenaar middelen, die later in gewijzigde vorm door de wetenschappelijke geneeskunde worden overgenomen.

Verder blijkt, dat zowel de tovenaar als de man van de wetenschap gebruik maken van hulpmiddelen en wel volgens vaste regels en wetten. De tovenaar doet dit misschien op een bepaalde wijze, omdat het door hem gebruikte ritueel nu eenmaal zo is; de wetenschapsmens daarentegen doet dit, omdat de ervaring hem geleerd heeft, dat het gebruik van bepaalde instrumenten en het handhaven van een vaste volgorde van handgrepen enz. voor het bereiken van het begeerde resultaat uitermate belangrijk is. Bij het gebruiken van middelen en het zich houden aan bepaalde wetten en regels zal de rest van de wereld de tovenaar misschien verwijten, dat zijn wijze van werken zinloos is, dat de door hem gevolgde regels niet werkelijk bestaan. Maar dit hoeft hem – en ook ons voorlopig – niet verder te interesseren. Want ook de wetenschapsmens hanteert vaak waarden, die hij niet werkelijk kent, stellingen, waarvan de waarheid niet wetenschappelijk bewijsbaar is. Zo werkt men bv. met de vierde dimensie, ofschoon nog niemand in staat is gebleken deze dimensie te betreden, of er een direct gebruik van te maken. De wetenschapsmens trekt zich van dit feit niets aan, omdat deze stelling, die vierde dimensie, enz., voor hem een duidelijke en niet door andere feiten volledig weersproken verklaring geven van bepaalde fenomenen, zodat hij nieuwe formules en werkwijzen kan afleiden, dank zij het door hem gestelde.

Ondanks de vele parallellen, die wij kunnen trekken tussen de wetenschap en de magie, bestaat er tussen deze beide een zeer belangrijk onderscheid. De wetenschap gaat uit van hetgeen de mens denkt, vaststelt en waarneemt, waarbij de wetenschappelijk gevormde mens zich verder baseert op herhaalbare fenomenen, waardoor hij zijn ervaringen aan anderen kan demonstreren. De tovenaar baseert zich op zijn geloof en alles, wat hij uit dit geloof tot werkelijkheid kan maken, op een wijze, die dit althans meerdere malen voor anderen, zowel als hemzelf, waarneembaar maakt. M.a.w.: de tovenaar gaat uit van een onbekende wereld, terwijl de wetenschappelijk gevormde mens alleen van het gekende uitgaat en uit mag gaan. Voor de rest zijn beide vormen van werken aan elkaar gewaagd.

Misschien zijn er onder u, die menen, dat ik met deze stelling aan het belang en de waardigheid van de wetenschap tekort doe. Mag ik u er dan aan herinneren, dat nog niet lang geleden in een universiteit een lezing werd gehouden door een belangrijke gast, een dokter professor uit Wenen. Deze hield de academische schare – waaronder meerdere docenten van naam – bezig met een lezing, die hoofdzakelijk bestond uit reeksen van onbegrijpelijke uitdrukkingen.

Iedereen knikte belangstellend, overtuigd, dat hier wetenschappelijke waarheid werd gebracht. Later bleek, dat de geleerde uit Wenen maar een doodgewone student was, die het gehele gezelschap bij de neus genomen had, terwijl de “wetenschappelijke lezing” uit een schitterende samenvoeging van geleerd klinkende nonsens bleek te bestaan. Ik zou u meer van deze voorbeelden kunnen geven. Er zijn nu eenmaal vele punten, zowel in wetenschap als in de tovenarij, die ernstig worden genomen, maar in feite alleen maar onzin zijn. Laten wij vanavond de wetenschap niet al te ernstig, de tovenarij niet al te licht beschouwen. Uiteindelijk zijn deze beide waarden telgen uit hetzelfde geslacht.

Wanneer wij de geschiedenis van de wetenschap in het verleden nagaan, komen wij tot eigenaardige ontdekkingen. De wetenschap is gegroeid uit de tovenarij, die het oerprincipe is van de wetenschap. Reeds 6.000 jaar geleden hield men zich bezig met het genezen van zieken op meer georganiseerde wijze. Er werden in tempels, de verzamelcentra van de ernstige zieken, vele waarnemingen en ontdekkingen gedaan, waaraan later de geneeskunde veel heeft gehad, ja, zonder welke zij haar huidige peil niet had kunnen bereiken. Vierduizend jaar geleden werden reeds trepanaties uitgevoerd, was er iets bekend omtrent de eigenschappen van het bloed, de werking van het hart, de kracht van stoom enz. enz.; terwijl men vage vermoedens had omtrent werking en bestaan van een zenuwstelsel, experimenteerde men met hypnose, suggestie en men nam proeven op psychologisch en zelfs psychiatrisch terrein. Weliswaar werden al deze ontdekkingen ingepast in een godsdienstig systeem en de gevolgtrekkingen, die daaruit getrokken werden, hadden merendeels een zuiver magisch karakter. Maar zonder dit alles zou er waarschijnlijk in het heden geen geneeskunde geweest zijn.

Het waren tovenaars, die in de Sinaïwoestijn voor het eerst koper wisten te smelten en te bewerken, zo een speerpunt vervaardigend – en later ook zwaarden – die sterker waren dan alle tot dan bekende wapens. In bepaalde delen van deze woestijn komt n.l. een verpoederd kopererts, een koperhoudend zand, voor. Door de ontdekking van het proces van metaal smelten en gieten werden deze eerste tovenaars de voorgangers van talloze smeden, die hun wetenschap, hun beroepskennis, dan ook doordesemden met godsdienstige rituelen en beschouwden als een vorm van tovenarij, waarin men ingewijd moest worden, niet als een handwerk, waarin men leerling moest worden. Veel later wordt ook het staal van Damascus – dat beroemd was om zijn zwaarden en maliënkolders – op rituele wijze vervaardigd. Deze staalsoort wordt eerst met veel moeite later door de metallurgen geïmiteerd. Bij het bewerken van het staal ging men in Damascus uit van het standpunt, dat het aanroepen van geesten belangrijk was, terwijl de eigenschappen van een zwaard bv. alleen goed konden zijn, wanneer daaraan de essence van bepaalde grotere krachten in de geestenwereld werden toegevoegd. Dit geschiedde door het koelen van de gloeiende staal in bepaalde oliën. Daarom stel ik, dat ook de metallurgie aan de oude tovenaars heel wat te danken heeft…

De eerste sterrenkundigen zochten de wil van de Goden en het lot van de mensen uit de sterren af te lezen. Zij waren astrologen; toch zijn deze het, die de grondslagen legden voor de astronomie door hun studie van het wezen en de loop van zon, maan, planeten en sterren. Zij waren het, die in Ur reeds de eerste tabellen ontwikkelden, waarmee men zelfs nu nog, bepaalde progressies en veranderingen in het Al kan vaststellen. De astronomie is aan deze tovenaars en wichelaars dank schuldig, want zonder hen had zij nooit kunnen ontstaan. Zelfs de filosofie – ofschoon wij deze misschien geen directe wetenschap mogen noemen – is gegroeid uit de behoeften van de mens de bovennatuurlijke samenhangen te begrijpen en een systeem te erkennen in de krachten, waarmee de tovenaar werkte. De eerste filosofieën werden ontworpen om de mensen een verklaring te geven voor vele verschijnselen, die zonder deze verklaring angstwekkend en onbegrijpelijk zouden blijven.

De wetenschap mag dan ook niet alleen maar dankbaar zijn, dat er tovenaars zijn geweest in het verleden, maar zij dient te beseffen, dat zij haar grootste en belangrijkste vooruitgang steeds weer heeft geboekt in tijden, dat tovenarij, magie en esoterie overheersten en de boventoon voerden in de samenleving, daarbij staande boven de normaal menselijke redelijkheid. Tot in het nabije verleden blijkt dit waar. De chemie heeft bv. uit het werk van de alchemisten de kennis verkregen, waarmee men zowel kolen als atomen weet te ontbinden in deze dagen. Door alchemisten werd het buskruit uitgevonden, maar ook de eerste reeks van werkelijk houdbare kunstmatige kleurstoffen en menig belangrijk geneesmiddel. De werking van zwavel in bepaalde samenvoegingen – voorlopers van de hedendaagse sulfapreparaten – werd door alchemisten ontdekt.

Daarom durf ik na dit alles te stellen, dat de tovenarij weliswaar niet uitgaat van de menselijk erkende wetten en feiten, dat zij weliswaar heel vaak zal falen, maar dat zonder haar geen verdere wetenschappelijke ontwikkeling mogelijk is. Het is de op geloof, inspiratie, innerlijk weten gebaseerde onderzoeking, die in wezen de mensheid verder draagt. Ik ben mij ervan bewust, dat vooral vele zwoegende onderzoekers dit een stoutmoedige verklaring zullen noemen. Want wanneer ik tegen iemand, die aan een vorm van niet algemeen erkend of mogelijk geacht onderzoek doet op wetenschappelijke basis, zeg, dat hij in feite vaak handelt als een tovenaar, ja, zelfs eigenlijk een moderne tovenaar is, dan zal men mij een gek noemen.

Want zolang alles uiterlijk binnen het kader van de menselijke rede blijft, hoe gezocht de rationalisatie dan ook moge zijn, mag ik het geen tovenarij noemen. Toch is er dan ook vaak sprake van een mens, die mogelijkheden aanvoelt en alleen krachtens dit gevoel onderzoekt, daarbij middelen gebruikende, waarover nog niemand eerder maar heeft gedacht. Het toeval speelt opvallend vaak bij dergelijke onderzoekingen een zeer grote rol, maar werkelijke resultaten behalen alleen degenen, die dit ingrijpen van het toeval ook nu nog zien als een vingerwijzing van de Goden. Zoals de tovenaars in het verleden deden. Het blijken juist dergelijke haast onredelijk experimenterende mensen te zijn, die in de wetenschap werkelijk vernieuwingen tot stand brengen. De anderen doen eigenlijk niets anders dan het al bereikte verder catalogiseren en nieuwe toepassingen van bekende mogelijkheden vervolmaken.

De wetenschap geeft betrouwbaarheid, controleerbaarheid, maar het eigenaardige geloof, het werken met andere, dan op het ogenblik reeds als zuiver natuurlijk erkende krachten, de tovenarij en alle daaraan verwante onderzoekingen, zullen de werkelijke mijlpalen van de menselijke vooruitgang vormen. Volgens mij kan er geen directe scheiding worden gemaakt tussen wetenschap en tovenarij, dan in het brein van verwaande en misschien zelfs door hun eigen dogmatiek wat verwarde mensen, die alles, wat zij uit het onbegrepene zich zien manifesteren, bestrijden om het – wanneer het eenmaal aanvaard moet worden – opeens te rationaliseren en hetgeen tot op dat ogenblik humbug en tovenarij heette, met trots een nieuwe bereiking van de menselijke wetenschap te noemen. Ook de magiërs van deze dagen hebben voor zich en hun werkzaamheden andere namen bedacht, misschien zijn zij bang voor de glimlach van hun omgeving, of de minachting van de gemeenschap.

Wanneer wij, nu de tovenarij eens nader gaan bezien, valt ons allereerst wel op, dat deze tovenarij wel degelijk werkt met een aantal vaste wetten en daarvan afgeleide regels. Wanneer wij de magische praktijken bezien, dan kunnen wij zowel in het verre verleden schouwen, als de eigen tijd beschouwen. Wij kunnen zowel naar de primitieven zien, als naar de vertegenwoordigers van de magie in grote beschavingen, maar altijd weer blijken bepaalde wetten en regels gelijkelijk aanwezig te zijn en worden bepaalde magische werken op dezelfde basis volbracht. Onder meer blijkt daarbij de leer een belangrijke rol te spelen, die stelt, dat alle eigenschappen en krachten overdrachtelijk zijn en kunnen worden overgebracht op andere waarden, voorwerpen en krachten. Daarnaast vinden wij overal de opvatting, dat bepaalde werkingen in de stof gebruikt kunnen worden om bepaalde reacties van het bovennatuurlijke, of door de mens niet beheersbare, natuurkrachten te wekken. In andere gevallen blijkt men overal gebruik te maken van bepaalde voorwerpen, geuren, bewegingen, die voor het slagen van een magische arbeid noodzakelijk worden geacht, zonder dat zij met het gestelde doel een kenbaar verband hebben, dan wel direct betrokken zijn bij de magische werkingen. Daarnaast blijkt een reeks van samenvoegingen belangrijk te zijn. Overal treffen wij het gebruik aan van oude talen, van oude klanken en werkingen, het samenvoegen vooral ook van bepaalde kosmische werkingen of tendenzen, die – op de juiste wijze geuit, en naar voren gebracht – zeer bijzondere resultaten mogelijk blijken te maken. Ook verdeling van vlakken blijken belangrijk te zijn. De symmetrie is hierbij van belang. Zo vinden wij overal magische voorstellingen, die op meetkundige figuren gebaseerd zijn. Vooral bekend zijn hierbij de z.g. sterren, die gaan van de vierpuntige ster af tot de 21-puntige ster toe. De meest gangbare sterren in deze vorm van toverij zijn de vijfpuntige, de zespuntige en de twaalfpuntige ster.

Natuurlijk kunt u om al deze dingen lachen en stellen, dat elk resultaat, op deze wijze bereikt, slechts toeval of verbeelding is, of misschien zelfs waanzin. Daar tegenover stel ik, dat methoden, die nimmer resultaat hebben, meestal niet lang in gebruik blijven, terwijl het gebruik van een vast systeem, een vaste volgorde, bij de magie er wel degelijk op wijst, dat wij hier met een vaste methode te maken hebben. Wij dienen ons toch wel af te vragen, waarom men over geheel de wereld gelijksoortige verwantschappen tussen elementen, geesten en mensen erkent, deze onder dezelfde wetten ziet, enz.. Bovenal dienen wij ons dan af te vragen, waarom een kundig magiër met al deze, volgens de wetenschap niet ter zake doende, middelen iets kan bereiken. Iets, dat tevoren bepaald wordt, wel te verstaan. Dit brengt ons tot een volgend punt.

De magiër, die een diagram trekt, doet klaarblijkelijk niets anders dan een bepaald schema opbouwen. Nu is reeds gebleken, dat men in een eenvoudig elektrisch circuit bepaalde delen kan vervangen door een tekening, een schema. Wanneer bepaalde personen zich bezig houden met dit circuit, blijkt het – ondanks het feit, dat het verbroken is en een schema, een voorstelling dus, een deel van de werkelijkheid vervangen moet – toch te functioneren. Drie of vier van dergelijke circuits, die in feite kleine machines waren, zijn zelfs een tijdlang tamelijk berucht geweest, omdat door bekende parapsychologen daarmee proeven werden genomen. Belangrijk hierbij is het volgende. Wanneer ik een elektrische geleider onderbreek en verder bv. een condensator uit dit circuit wegneem, deze delen door symbolen vervangende, dan mag volgens alle gegevens van de wetenschap, dit circuit niet meer werken. Wanneer een mens zich op het geheel concentreert, blijkt het geval toch te werken, tegen alle regels in dus. Dit verschijnsel is niet redelijk en kan wetenschappelijk niet verklaard worden, maar het feit blijft bestaan. Het aantal personen, dat dit tot stand kan brengen, bleek onder de gevoeligen, die als proefpersoon reeds waren geselecteerd, ongeveer 1 op 60 te zijn. D.w.z., dat in een reeks van 300 proefpersonen er 5 werden gevonden, die met enige regelmaat het beschreven fenomeen tot stand wisten te brengen. Ofschoon aarzelend erkent men nu, dat dit een punt van wetenschappelijk onderzoek dient uit te maken. Maar waarom nu wel dit onderzocht en niet het gebruik, dat de tovenaar van symbolen maakt? Misschien is hetgeen die tovenaar daar tekent wel geen onzin, maar in feite een machine, die niet uit onderdelen is opgebouwd, waarvan een enkel deel later door een symbool vervangen zal worden, maar een geheel uit symbolen bestaand apparaat, dat door de gedachtekracht van de magiër in bedrijf wordt gesteld. Dan kan deze symboolmachine misschien ook wel elektrische stroom geleiden, een veld opwekken en/of nog iets anders tot stand brengen. Waarom acht men het ene wel mogelijk en verwerpt men het andere? Waarmee ik wil zeggen, dat de tovenaar wel onbegrijpelijke, maar daarom nog lange niet altijd dwaze dingen doet. In de magie vinden wij een grote reeks van symbolen, die ons bij nadere beschouwing enigszins doen denken aan een vorm van stenografie. Klaarblijkelijk kan men met die symbolen – mits men ze beheerst – op snelle en eenvoudige wijze bepaalde samenhangen weergeven. Iets dergelijks doet een chemicus ook. U weet misschien nog wel, wat het symbool H20 betekent.

Maar wanneer u een formule voor ogen krijgt, die luidt: ch2o4 F.C2., is dit even onbegrijpelijk als een magisch diagram. Overigens is dit geen bestaande formule, zover mij bekend. Wanneer u te staan komt tegenover een technische formule, waarbij vele symbolen gebruikt worden, voor een berekening, waarbij de formules en tekens zoals bij bv. kwantum analyse gebruikt, dan is er sprake van een gelijkwaardige reeks van symbolen. Ook wanneer u met deze symbolen wilt leren werken, heeft u daarvoor een langere studie nodig, evenals dit het geval is bij het gebruik van magische symboliek. Er is één verschil. De betekenis van elk tekentje en elke symboolindeling in de techniek, kunt u zonder meer – wanneer u er enige moeite voor doet – aan de weet komen. De magiër echter beseft te goed de waarde, waarvoor een symbool gebruikt wordt en weet, dat het symbool als de waarde of kracht zelf gebruikt zou kunnen worden.

Daarom durft hij het niet aan een ieder zonder meer de betekenis van elk symbool te verklaren. Iemand met een onvolledig begrip van de betekenis van de symbolen zou immers kunnen proberen met behulp van de verschillende tekens een soort symbolisme, een symboolmachine te bouwen, die – door het gedeeltelijke begrip – voldoende samenhang vertoont om geheel onverwachte resultaten tot stand te brengen, maar anderzijds zich door het onvoldoende besef van degene, die haar activeert, niet beheerst kan worden. Daar voelt de tovenaar niets voor.

Bovendien voelt men er meestal ook niets voor anderen zonder meer in te wijden of te scholen, want tovenarij is nu eenmaal occult, geheim. Daarbij komt het bovendien vaak voor, dat een tovenaar zelf te weinig van de krachten af weet, waarmee hij werkt, om daarmee te durven experimenteren, zodat hij zich angstvallig aan oude vormen en gebruiken houdt. Hij zal in dat geval het risico niet willen lopen, dat een leerling wel experimenteert en zo onheil schept, of – wat juist voor de magiërs van lagere rang onaanvaardbaar blijkt te zijn – zijn meester zou kunnen overtreffen. Het klinkt misschien hatelijk, wanneer ik hierop onmiddellijk laat volgen, dat t.a.v. zijn eigen onvolkomenheden de magiër veelal voor zich eerlijker is, dan menige moderne wetenschapsmens. Dit soort mensen zet bv. rustig de explosie van atoombommen in de hogere dampkring voort, zeggende, dat zij precies weten, hoever zij zonder gevaar kunnen gaan, bewerende, dat zij tevoren reeds weten, wat de gevolgen kunnen zijn, terwijl na elke proef weer blijkt, dat de resultaten tegengesteld zijn aan de gegeven verwachtingen en de met trots verkondigde theorieën logenstraffen.

Een magiër zal zich – wanneer hij er nog goed afkomt, want hij loopt vaak grote risico’s – terugtrekken. De wetenschappelijk gevormde denker echter zal maar al te vaak vertellen, dat hij toch alles weet en voortgaan met zijn proeven, zonder zich te realiseren, dat het grootste risico daarvan door anderen genomen wordt. Wanneer de magiër een gevaarlijke formule, een gevaarlijke kracht heeft gevonden, zo zal hij deze alleen zelf hanteren. Vele wetenschapsmensen zien er geen been in de door hen ontwikkelde zeer gevaarlijke wapens en instrumenten zonder meer aan elkeen, of betrekkelijke leken, in handen te geven. Toch dreigen de wetenschappelijk gevormden een steeds meer besloten groep met eigen taal en gebruiken te gaan vormen. Een dergelijke groep bestaat al ongetelde jaren op aarde: de groep van de tovenaars, de magische gemeenschap. Vergist u niet: Dat zijn niet de eenvoudige mensen, die deze besloten gemeenschap vormen. Het zijn niet de kleine tovenaartjes en heksjes, zoals deze bv. in Engeland in de zogenaamde coves bijeen plegen te komen om zich bezig te houden met wat magisch ritueel. De werkelijke magiër spreekt zelden of nooit over zijn kunde en pleegt alles, wat hij zegt, zodanig te formuleren, dat dit haast een geheimtaal is.

In de mensheid is altijd een magisch erfdeel geweest. Dit kunnen wij terug volgen tot de allereerste mensen, die zich vrijmaakten van de groepsgeesten en zich een eigen idee vormden omtrent de bezielende invloeden in de natuurkrachten en andere onzienlijke machten, die op uw wereld wel degelijk bestaan, zelfs al kan men deze waarden wetenschappelijk weg verklaren, of weigert men het bestaan van dergelijke invloeden en krachten op wetenschappelijke gronden voor mogelijk te houden. De mensen, die wat meer mogelijkheden vonden om zich te handhaven in de strijd om het bestaan, hebben verder geprobeerd hun eigen bestaan en het bestaan van het Al te verklaren. Zij hebben dit in filosofieën uitgedrukt, die een aflezen, of erkennen van de niet stoffelijke machten mogelijk maakten, als bv. door middel van het Babylonische hemelschrift. Eveneens worden de banden tussen het menselijk bestaan en de krachten van de natuur vaak uitgedrukt door het scheppen van dierlijk-menselijke vormen, waarin een in de mens niet direct kenbare samenhang wordt uitgedrukt. Ook neemt men bepaalde vormen uit de natuur, als stenen en planten, als symbool voor binnen die natuur aanwezige krachten en werkingen. De eerste kruidenkunde kwam voort uit de gedachte, dat de geheime krachten in bepaalde planten en stoffen in de juiste samenhang een beheersende geestelijke – dus niet stoffelijke – werking zouden hebben op de mens.

Zo werden de magische wetten, die wij samenvatten onder het begrip overdrachtelijkheid allereerst ontdekt en gebruikt. De uitwerking hiervan hangt onmiddellijk samen met de realisatie, dat er een onmiddellijk verband bestaat tussen oorzaak en gevolg, zelfs wanneer uit de oorzaak niet zonder meer het gevolg af te leiden is. De oude tovenaars gingen dan ook in zekere zin verder, maar in redelijk opzicht lang niet zo ver, als de moderne mensheid. In deze dagen stelt men bv.: wanneer er een voorwerp is, dan is dit voorwerp de klasse van alle soortgelijke en kwaliteit gelijke voorwerpen. De oude magiër was in dit opzicht niet zo zeker van zijn zaak en stelde: Wanneer men een bepaalde gebeurtenis ziet, dan wel een bepaald voorwerp heeft, zo zal de klasse van dit voorwerp, of die gebeurtenis omvat worden door de klasse van alle in soort en kwaliteit gelijke voorwerpen. Tussen deze formuleringen is een groot verschil. De oude magiër laat ruimte voor het onbekende en wil dit onbekende niet à priori binnen de hem bekende classificatie, of het in hem gelegen weten sluiten. Dit heeft vele nadelen. De oude tovenaars kwamen er zelden of nooit toe een samenhangend onderzoek te doen naar een bepaald verschijnsel, of bepaalde mogelijkheden, zoals dit bv. in de moderne laboratoria pleegt te geschieden. De magiër voelt er niets voor, wanneer hij eenmaal een toverspreuk, middel, of drank, een bezwering, gevonden heeft die werkt, om met varianten daarvan te experimenteren.

Een dergelijke proef zal hoogstens door een toeval, een vergissing, genomen worden. De magiër is zich er te zeer van bewust, dat hij met onbekende krachten werkt en acht zich niet in staat deze geheel te leren kennen. Een gevolg van zijn pogingen om in het Al een zekere samenhang te erkennen, brengt hem er wel toe theoretisch het Al in te delen in een aantal krachten van bepaalde geaardheid, die hij alle een eigen persoonlijkheid toekent. Dit wordt later omgevormd tot verschillende esoterische systemen. Bij de kabbalisten vinden wij veel hiervan terug.

Men zet dit denken ook om in associatie van bepaalde eigenaardige klanksamenstellingen met bepaalde Goden. Deze klanken hebben een gelijke invloed als de macht zelf, activeren deze macht enz.. Hierdoor komt de nadruk zeer sterk te liggen op incantaties, spreuken en rituele gezangen. Nu is het gestelde wel degelijk waar. Klanken hebben een grote invloed op de mens, maar ook op zijn omgeving. Een redelijke verklaring is hiervoor moeilijk te geven. Zo kan, op het ogenblik niemand met zekerheid zeggen, waarom Gregoriaanse zang op het gevoelsleven en zelfs welbehagen van de mens – mits goed uitgevoerd – een grotere invloed heeft dan de mooiste orkestwerken, of meerstemmige gezangen. Maar al ontbreekt de verklaring nog, het feit bestaat.

Op het ogenblik kan men al verklaren, waarom verschillende instrumenten bepaalde gevoelens kunnen wekken. Men houdt zich reeds langere tijd bezig met het zoeken van een verklaring.

Degene, die tot op heden het dichtste bij de werkelijke oorzaak van het verschijnsel bevond, is waarschijnlijk wel Jung geweest. Toch moest ook deze in zijn zoeken naar een verklaring op den duur naar het geloof grijpen: De invloed, van het onbekende, een God.

Mag ik dan nu stellen, dat de tovenaar iemand is, die God onverschillig of deze wordt gezien als eenheid, een Lichtend Wezen, dat dan tegenover een duister wezen staat – dan wel omgekeerd – intenser pleegt te beleven, dan de wetenschapsmens. De magiër, gelovende in zijn God, zet de door hem erkende krachten van die God om in symbolen. Met deze symbolen weet hij dan zodanig te werken, dat zowel bovennatuurlijke als natuurlijke krachten tot een harmonische samenwerking komen en gezamenlijk het gewenste resultaat tot stand brengen. Naar ik meen is dit – zij het hier en daar wat oppervlakkig – een schets van het werkelijke wezen van magie en toverij.

Nu dienen wij de wetenschap nader te bezien. De wetenschap heeft zich ten doel gesteld alles te verklaren. Daarom zal haar onderzoek altijd systematisch en diepgaand zijn. Daarbij zal zij zich beperken tot die onderzoekingen, die binnen haar ogenblikkelijke mogelijkheden liggen. De wetenschap is in zeker opzicht veel grondiger en logischer dan de magie, maar aan de andere kant is de wetenschap dan zeker ook beperkter dan de magie. Er zijn dingen, die men meent niet te kunnen onderzoeken. Alles, wat men onderzoekt, moet – ongeacht de resultaten – logisch en wetenschappelijk verklaard kunnen worden. Kan men deze wetenschappelijk verantwoorde verklaring niet vinden, of blijkt een onderzoek te moeilijk te zijn, dan zal men een bepaald probleem terzijde leggen.

De magiër is hoofdzakelijk in het resultaat geïnteresseerd, de wetenschap in feite hoofdzakelijk in de verklaring van het resultaat. De magiër gebruikt alle middelen, ook de logisch gezien onzinnige, wanneer er maar een resultaat bereikt kan worden. De wetenschap aarzelt maar al te vaak een bepaald resultaat te gebruiken en verder te ontwikkelen, wanneer er geen theorie is, waardoor alles binnen een redelijk kader kan worden geplaatst. Aan de andere kant zal de wetenschap geneigd zijn om – alleen op grond van wetenschappelijk juiste theorieën – resultaten te veroorzaken zonder op mogelijke bijkomstigheden, of afwijkingen van het theoretisch bepaalde, werkelijk verdacht te zijn. Nog kort geleden bleek, dat bepaalde chemische middelen, die theoretisch onschadelijk dienen te zijn, in de praktijk een onvoorziene en grote schade veroorzaken. Let wel, dit is geen schimpscheut en geen aanklacht. Ik stel slechts vast, dat dergelijke fouten voortkomen uit het wezen van de wetenschap en de vorming van de wetenschapsmens. Men heeft een stelling. Deze blijkt juist te zijn. Men berekent nu een variant.

Theoretisch is alles juist. Men is nu niet geneigd om een afwijkend resultaat te veronderstellen, want dan zou er een onbekende factor op moeten treden. In de productie, het verwerkelijken van het wetenschappelijk als aanvaardbaar en juist bevonden kan deze onvoorziene factor menselijke vergeetachtigheid of onvolkomenheid zijn, het over het hoofd zien van een factor enz., zowel als het aanwezig blijken van onverwachte en binnen de theorie niet verklaarbare nevenverschijnselen. Daarmee pleegt men weinig rekening te houden.

De ware wetenschap zoekt voor zich te komen tot een vorm van – zij het beperkt – onfeilbaarheid. De wetenschapsmens is dan ook geneigd zichzelf een zekere alwetendheid en onfeilbaarheid aan te meten ten opzichte van allen, die hij niet als gelijkwaardig wetenschappelijk gevormden erkent. Het gevolg is, dat de wetenschap een monopolie in weten en een zekere mate van onfeilbaarheid voor zich pleegt op te eisen binnen de maatschappij. Deze meerwaardigheid komt voort uit kennis en voert vaak tot een – niet bewust ervaren – zelfverheffing. De magiër heeft eveneens behoefte aan een zekere vorm van meerwaardigheid, of alwetendheid. Hij zoekt deze in het bovennatuurlijke en niet in zich. Hierdoor is het voor hem gemakkelijker eigen falen te erkennen, terwijl hij daarnaast niet zo sterk geneigd is zijn weten en gezag op een enkel terrein te beschouwen als basis voor een alwetendheid, een beter weten en denken dan alle anderen, die niet magisch geschoold zijn. Alleen wanneer zijn persoonlijk welzijn – of zelfs zijn hoofd in gevaar komt – zal hij zijn gezag als magiër uitspelen tegenover zijn omgeving. In de oudheid gebeurde dit nogal eens, omdat de vorsten van die dagen het falen van een magiër beschouwden als een teken van zijn absolute waardeloosheid. Een fout, die zij met menige wetenschapsmens van heden gemeen hebben. Overigens, ook wetenschapsmensen zullen, indien hun eigen welzijn daarvan afhankelijk is, soms onderzoekingen doen en voortzetten die redelijk en wetenschappelijk gezien zinloos zijn. Dit blijkt o.m. in Rusland, waar soms geleerden lange jaren nutteloze experimenten voortzetten om zo eigen positie te kunnen handhaven – en nevenbij – misschien een belangrijker onderzoek voort te kunnen zetten. Dus het verschil is heus niet altijd zo groot.

Wanneer je wetenschappelijk werk doet, zul je altijd uit moeten gaan van bestaande theorieën. De onmiddellijke impuls, de onmiddellijke inspiratie kan eerst zin krijgen, wanneer zij past binnen een bestaand systeem, of aan de hand van een bestaand systeem aannemelijk gemaakt kan worden. Daardoor zal binnen de wetenschap slechts een enkele maal een werkelijke vernieuwing mogelijk blijken. Hier ligt dus wel een zeer grote tegenstelling vergeleken met de tovenarij, want de tovenaar of magiër werkt ofwel aan de hand van lang vaststaande regels, dan wel geheel inspiratief. Men vraagt zich niet af, of een bepaald beeld nu wel binnen een bepaald systeem, of de oude gebruiken ingepast kan worden. Men stelt: “Dit voel ik aan als juist. Ik dien dus dit te proberen, want het kan voor mij de juiste weg zijn…” De magie experimenteert alleen aan de hand van inspiratieve waarden en beschouwt alles, wat zo wordt bereikt, zonder meer als een verworvenheid, iets, wat voortaan en in die vorm altijd waardevol zal zijn en niet meer gewijzigd of aangevuld hoeft te worden, zodat een zonder meer doorgeven of overleveren van het bereikte en de methode aan alle ingewijden mogelijk is.

De wetenschap experimenteert aan de hand van de theorie, die redelijk en op bewijsbare feiten gebaseerd dient te zijn. Zij breidt haar kennis uit door studie van het eenmaal bereikte en neemt slechts zelden genoegen met een stelling of methode, zonder alle pogingen in het werk gesteld te hebben deze uit te breiden of te verbeteren. Daarom zou volgens mij de wetenschap de logische aanvulling zijn van de magie, de tovenarij, en zal zij niet gebruikt mogen worden om deze te beperken of te bestrijden. Wat de tovenarij, de magie, bereiken kan, zal de grondslag kunnen vormen voor onderzoekingen van de wetenschap, waardoor het bereikte kan worden ingevoegd in een meer omvattend redelijk systeem, waardoor de mens dus kan komen tot een controle van de tovenaar en diens werken. Ofschoon de tovenaar dit uit de aard van de zaak niet gewenst acht, zou juist het bestaan van een mogelijkheid tot controle op zijn werken en beweringen voor de mensheid in de komende ontwikkelingen wel eens van zeer groot belang kunnen zijn.

De ontkenning, het terzijde werpen of weg verklaren van behaalde resultaten, is dwaas. Per slot van rekening zegt men niet, dat het afschieten van raketten enz. maar een kostbare oplichterij, een bedrog en kolder is, omdat van de tien raketten, die worden afgevuurd, er maar één werkelijk juist en volgens de voorspellingen gelanceerd kan worden. Maar wanneer een magnetiseur slechts bij één van de 10 patiënten resultaat behaalt, blijkt dit voor de wetenschapsmensen wel een reden te zijn om te stellen, dat dit alles bedrog is. Wanneer slechts één magnetiseur op de 10 werkelijk redelijke resultaten behaalt, trekken vele wetenschappelijk gevormde mensen daaruit niet de conclusie, dat men meer omtrent dit verschijnsel moet leren, maar eenvoudig, dat dit te gevaarlijk is om toegelaten te worden en dat het kolder is zich daarmee bezig te houden, zo stellen zij. De enkele maal, dat resultaat zou worden behaald, waar de wetenschap machteloos staat, weegt niet op tegen de vele mislukkingen en de misleiding, die met het verschijnsel gepaard plegen te gaan. Vele zogezegd redelijk denkende mensen menen dan ook, dat zij het paranormale moeten bestrijden om zo andere mensen hiertegen te beschermen. Het zou mij liever zijn, wanneer zij dit met betrekking tot atoombommen en raketten deden. De houding, die deze beide telgen van het menselijk denken en onderzoeken tegenover elkaar innemen, is wel bijzonder negatief. Toch zullen wij zonder een samenwerken tussen wetenschap en tovenarij niet verder komen. Voor de ontwikkeling van de mens zullen beide waarden noodzakelijk zijn, zolang men leeft in een wereld met sociale samenhangen.

Nogmaals, stel u niet voor, dat de wetenschap hier door mij op haar plaats wordt gezet, of wordt gezien als een negatieve invloed. Ik zou haar alleen in een juiste samenhang met de andere waarden van menselijk leven en geestelijke ontwikkeling willen zien. Nu meen ik wel, dat het verleden heeft aangetoond, dat het niet de dogmatische wetenschappelijke denkers maar juist de zogezegde dwazen en tovenaars zijn, die vernieuwingen mogelijk maakten. Wist u, dat men Pasteur indertijd ook een halve gare wonderdokter, tovenaar en krankzinnige apotheker placht uit te schelden? Inspiratief inzicht, innerlijk gedreven zoeken, contact met niet erkende werelden en krachten, schept vaak het nieuwe materiaal, waaruit de wetenschap voor haar voortgang put. Het zijn vooral de tovenaars, die in de wereld steeds weer ongedachte andere werelden van het grote en het kleine, van geest en stof kenbaar en duidelijk maken.

Steeds weer wordt het eerste fenomeen geschapen door tovenaars. Hun inzicht, hun wijze van denken, hun aanvaarden van inspiratieve werkingen en geestelijke krachten brengen hen steeds weer op paden, waarop anderen hen niet zo graag zouden willen of durven volgen. Vaak beschikt de magiër echter niet over de middelen om zijn al dan niet door toeval bereikte ontdekkingen na te gaan en verder te ontwikkelen. Vooral, wanneer het resultaat niet onmiddellijk bruikbaar lijkt vanuit een magisch standpunt en de ontdekking geen directe handelswaarde heeft, zou het juist de wetenschap zijn, die na zou kunnen gaan, of er met het bereikte misschien toch nog iets te doen is.

Daarbij is belangrijk, dat de wetenschap leert de gelijkwaardigheid van de magiër (tovenaar) te aanvaarden, zodat zij niet onmogelijke eisen stelt zoals: wanneer deze mens zegt iets te kunnen bereiken of presteren, zo zal hij dit moeten doen op plaatsen, onder omstandigheden en op een wijze, die met onze eisen en wensen geheel stroken. Ook zal men niet voorop mogen stellen: Wij erkennen alleen maar de waarden, die wij met onze instrumenten vast kunnen leggen. De met niet stoffelijke krachten werkende magiër kan zich immers aan die eisen slechts zelden voldoende aanpassen. De wetenschap zou moeten stellen: Het is onze taak de mogelijkheden tot controle op aanvaardbare wijze te scheppen en de instrumenten te ontwikkelen, waardoor een vaststellen van de optredende verschijnselen mogelijk wordt. Maar om eerlijk te zijn, juist daarvoor voelt men over het algemeen weinig. Misschien wel, omdat het zo moeilijk is alleen op de gis af te werken, of misschien ook omdat het gevaar bestaat, dat men een lievelingstheorie zal moeten herzien.

Toch zal de wetenschap door een dergelijk werken, in direct overleg met de tovenaar of magiër, de mogelijkheid bezitten de gaven, die nu enkelingen ten deel vallen, over geheel de wereld te verbreiden. Op ander terrein heeft men immers ook reeds profijt getrokken van de kennis en inzichten van toverdokters enz.. Ergens in de wildernis leeft een tovenaar, die met een bepaalde plant en een bepaald mengsel van stoffen een ziekte geneest. Er zijn dergelijke middelen geweest, o.m. tegen slaapziekte, tyfus, infectieziekten en er zullen nog wel andere middelen bestaan, die voor heel de wereld van belang zijn. Zoals een middel, waarmee men geesteszieken tot kalmte brengt en het wild verdooft.

De medische wetenschap ziet het gelukkig de laatste jaren als haar taak na te gaan, of een dergelijk middel inderdaad werkt en zo ja, waarom het werkt. Want in de laatste jaren zegt men niet meer zo luidruchtig als 50 jaar geleden, dat de toverdokter alleen maar een schurk is, die op het bijgeloof van de onwetenden wil speculeren. Uit dergelijke primitieve geneesmiddelen heeft men de werkzame bestanddelen weten te vinden en gebruikt deze nu met goed resultaat over de gehele wereld. Wanneer dit mogelijk blijkt te zijn voor dergelijke tovermiddelen, zou de wetenschap dan ook niet verstandig doen meer aandacht aan andere verschijnselen te gaan besteden, zoals aan de z.g. tovenaars, die op een dagreis afstand weten te ruiken, waar men water aan zal kunnen treffen, of gebeurtenissen kan beschrijven, die op verre afstand plaats vinden? Is het dan niet even redelijk – en bovendien zakelijk exploitabel – na te gaan, waaraan het te danken is, dat er mensen zijn, die met een brokje erts in handen weten te zeggen, waar zich lagen van dergelijk erts in de aarde bevinden? Ik doel hiermee niet in de eerste plaats op wichelroedelopers e.d..

Menigeen, die kennis heeft gemaakt met de kwaliteiten en mogelijkheden van z.g. tovenaars en magiërs, vraagt zich af, hoe en waarom zij op hun vreemde wijze resultaten weten te behalen. Het is naar mijn inzien de taak van de wetenschap op deze vragen antwoord te geven. Wanneer de wetenschap eenmaal een antwoord te geven weet op de vraag, hoe en waar een bepaalde kaffer bepaalde gebeurtenissen op verre afstand kan aanvoelen en/of in een hem geheel vreemd terrein water en andere, voor hem belangrijke, stoffen op korte termijn kan vinden, zal zij tevens voor geheel de mensheid een mogelijkheid scheppen zich beter in haar wereld te oriënteren en zich een groter bewustzijn te verwerven – al dan niet met behulp van technische middelen. Ook het afdoen van deze verschijnselen als zuiver paranormaal en dus voor de wetenschap op het ogenblik minder belangrijk, of het afwijzen van dergelijke prestaties door ze te ontkennen, of als een soort goochelarij te beschouwen, is wel erg goedkoop.

Ik meen, dat – gezien de gemeenschappelijke basis van wetenschap en tovenarij – kan worden gesteld: Het wezen van beiden is gelijk, beiden werken met bestaande wetmatigheden en baseren zich niet op geheel verschillende waarden, doch onderscheiden zich vooral door hun verschillende benadering en interpretatie van verschillende fenomenen. Wanneer een magiër, een wonderdokter, of geestenbezweerder, iets presteert, dat wetenschappelijk niet mogelijk is, of lijkt, zal de wetenschap na moeten gaan welke wetten daaraan ten gronde liggen, want het is voor geheel de mensheid boven alles belangrijk een inzicht te verwerven in de samenhangen van eigen wereld.

Daaraan mag ik wel toevoegen, dat dit vooral in deze tijd meer en meer geldt. Vergeet hierbij niet, dat bepaalde methoden, die eigenlijk tot het terrein van de magie behoren, reeds nu zijn doorgedrongen tot een maatschappij, zonder dat men de werkelijke waarde en invloed daarvan schijnt te beseffen. Staten en regeringen maken immers reeds nu gebruik van een soort politiek systeem Coué: “Het gaat ons elke dag beter, onze welvaart wordt elke dag groter….” Gezien de belangen, die gemoeid zijn met het slagen van dergelijke pogingen, is het belangrijk na te gaan, of aan dergelijke autosuggestieve methoden misschien een bepaalde werkelijke waarde ten grondslag ligt en zo ja, welke deze dan wel is. Het zal blijken, dat op deze wijze inderdaad een zekere gedachtekracht gewekt kan worden, die kennelijk invloed heeft op de ontwikkelingen. Maar dan dient men na te gaan, wat eigenlijk wel het werkzame deel van deze gedachtekracht is.

In een tijd als de huidige, waarin steeds meer mensen Red geboren zullen worden, die gevoelig zijn voor paranormale werkingen, terwijl degenen, die deze gaven reeds nu bezitten, die gaven steeds actiever en bewuster zullen gaan hanteren, zal ongetwijfeld de oude tovenarij de kop weer op gaan steken. Maar indien dit onbeheerst en zonder enig systeem geschiedt, kunnen hieruit grote verwarringen en onherstelbare misvattingen voortkomen. Laat ons hierbij niet uit het oog verliezen, dat zo iemand het bovennatuurlijke kent en de werkingen daarvan enigszins kan richten, zonder andere waarden en mogelijkheden rond zich voldoende te beseffen, hij daarvan een dogma, een soort godsdienst, gaat maken. Dan wordt zo iemand misschien evenzeer een religieuze moordenaar als indertijd de Hashishin in Noord-Afrika, of de Thugs van Achter-Indië. Dergelijke mensen gaan dan trachten met hun waardevolle, maar op zich beperkte gaven, de wereld te domineren, niet beseffend, dat hun waarheid maar een halve waarheid is en hun wonder slechts een enkel effect is van een kracht, die zij niet kennen.

Natuurlijk zal aan deze ontwikkelingen vanuit de geest de nodige leiding gegeven worden. Niet voor niets werkt op aarde de Witte Broederschap. Maar deze is niet almachtig en zal haar mogelijkheden in de komende tijd ten aanzien van dergelijke ontwikkelingen sterk beperkt zien.

Wanneer de mensheid in de komende dagen het volle nut van deze geestelijke ontwikkelingen en mogelijkheden zal willen genieten, zal zij naar de eenvoudige en menselijke verklaring van deze gaven en werkingen moeten zoeken. Dit is mogelijk via het wetenschappelijke onderzoek en onderricht, dat stelt: Elk verschijnsel moet aan de hand van een in het Al bestaande wet verklaard kunnen worden. Wie de wetten kent kan de verschijnselen beheersen. Wat zijn deze wetten? Daarbij zal men uit moeten gaan van de vraag: Hoe verklaar ik een waargenomen verschijnsel, onverschillig, of deze verklaring nu past in mijn tot op heden gehuldigde opvattingen, stellingen en methoden, of niet. Naar ik meen is deze ontwikkeling op den duur niet te vermijden. Of nu de occulte en wetenschappelijke kringen dit aangenaam vinden, of – wat waarschijnlijker is – zich daartegen willen verzetten, volgens mij groeien wetenschap en tovenarij weer samen. Wat de mens eens krachtens een innerlijk weten, een leiding uit de geest, beïnvloeding door hogere krachten ontdekte en leerde gebruiken, zal bij een verdere ontwikkeling van de mensheid bewust gekend en beheerst moeten worden. Zonder dit is een verder geestelijk stijgen, een verdergaande ontwikkeling in de stof op den duur niet mogelijk.

Om aan een dreigende impasse te ontkomen, zal men daarom juist ook de occulte waarden, de magie moeten betrekken in een sfeer van redelijk onderzoek en erkenning van resultaten zonder enig vooroordeel. Slechts door het bewust gebruiken van beheerste gaven, door een redelijke kennis van eigen wezen en zieleleven – zowel als de wereld, waarin men leeft – kan de mensheid zich voorbereiden op een nieuwe Gouden Eeuw. Zonder dit is geen ontwikkeling meer mogelijk. Dit is mijn belangrijkste conclusie.

Nu wil ik u nog enkele voorbeelden van tovenarij geven. U kent allen de rope trick, waarbij een touw rechtstandig in de lucht rijst en iemand daarin kan klimmen. Deze trick is gefotografeerd en gefilmd. Maar het beeld dat de toeschouwers zien, bestaat niet werkelijk. De gevoelige film legt niets vast. Nu is het eenvoudig te stellen, dat hier massasuggestie gebruikt wordt. Maar zo eenvoudig is dit niet, want indien de fakir werkelijk, zelfs over grotere groepen mensen, een dergelijke invloed kan uitoefenen, is het voor hem zeker niet meer noodzakelijk zich met dergelijke – vaak slecht beloonde – vertoningen bezig te houden. Indien de fakir een bepaald systeem gebruikt, waardoor alleen onder bepaalde omstandigheden dit resultaat behaald kan worden, is het wel belangrijk iets meer over dit systeem te weten, al is het maar om ongewenste beïnvloeding van de massa te voorkomen en iets meer te weten te komen over de wijze, waarop de mens reageert, waardoor zijn werkelijkheid voor hem tijdelijk verdrongen kan worden door een gedachte, een suggestie enz.. Het is belangrijk het hoe en waarom van deze tovertruc te leren kennen. Bovenal mag men zich niet vergissen en een goedkope imitatie voor de werkelijkheid van al dergelijke vertoningen te houden. Ik weet, dat reeds meer dan 250.000$ werd uitgegeven door goochelaars en andere geïnteresseerden, die deze truc in het westen wensten te brengen om dit te onderzoeken. Zij maakten echter een fout en zochten alleen naar een wijze, waarop dit resultaat tot stand kon worden gebracht, zonder allereerst na te gaan, hoe en met welke krachten de fakirs werken. Het essentiële werd bij het onderzoek over het hoofd gezien.

Voorbeeld: Meerdere malen heeft men vastgesteld, dat mensen met een bijzondere – vermoedelijk hypnotische – gave in staat waren na een slangenbeet zonder verdere hulpmiddelen het gif in het lichaam te lokaliseren en tot een klein deel van weefsel en bloedsomloop te beperken, zodat het op eenvoudige wijze door uitzuigen of uitbranden kon worden verwijderd. Dit geschiedde ook met zeer snelwerkende gifsoorten als dat van de mamba en de cobra. Deze vergiften werken zo snel, dat de patiënt na betrekkelijk korte tijd haast niet meer te redden is, zeker niet meer door de eenvoudige middelen als uitzuigen, uitbranden, of doen uitbloeden van de beet. Men heeft dit in het nabije verleden geconstateerd. In papyri en oude geschriften zijn aanwijzingen gevonden, dat hypnotiseurs en sensitieve personen werden gebruikt om bij operatief ingrijpen bloedingen te beperken en zelfs te stelpen. Kortom, men gebruikte paranormale middelen om de onwillekeurige spierbewegingen van patiënten – het hart inbegrepen – te beheersen en zo genezingen mogelijk te maken, die anders onmogelijk waren.

De wetenschap zoekt in deze dagen naar chemische middelen om hetzelfde te bereiken. Waarom vraagt zij zich niet af, welke wetten en regels de grondslag vormen van deze, langs mentale weg bereikte, resultaten? Kennis van de noodzakelijke training en procedures zouden over geheel de wereld kunnen worden verbreid, zodat ontelbare mensenlevens zouden kunnen worden gered, die nu verloren gaan. Bv. bij slangenbeten en ongevallen, bij uitwendige en inwendige bloedingen.

Mijn vraag blijft: Waarom onderzoekt men deze dingen niet even ernstig als de mogelijkheid om mensen door bacillen enz. te doden? Waarom besteedt men kapitalen aan onderzoekingen op chemische basis, maar weigert men – of is men tenminste huiverig van – een onderzoeken van de mentale mogelijkheden en krachten?

Ten laatste: Waarom houdt men het weinige, wat men omtrent deze dingen in de laatste jaren heeft geleerd, zo angstvallig geheim? Slechts een eerlijke en open samenwerking tussen wetenschap en magie kan de mensheid voorbereiden op een nieuwe ontwikkeling; slechts langs deze weg is een oplossing voor de vele problemen van deze wereld mogelijk. Wanneer magiërs en wetenschapsmensen weigeren samen te werken, wanneer men alleen maar naar een behoud van eigen macht streeft en weigert de mogelijkheden van anderen te erkennen, kan dit tot een geestelijke en mogelijk zelfs stoffelijke ondergang van het menselijke ras voeren.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen 

  • U stelt, dat de wetenschap is voortgekomen uit de magie. Kan men misschien ook stellen, dat de wetenschap slechts een materiële herontdekking is, van wat reeds in een vroegere geestelijke ontwikkeling bereikt werd?

Hiermee ben ik het niet eens. Wetenschap gaat uit van bewuste kennis en de bewuste beheersing van de materie en de daarin optredende krachten. Zij bereikt dit door een vormen van een alomvattende kennis, die de eigenschappen van de materie en de daarin optredende, krachten verklaart. De vroegere geestelijke kennis, waarop u doelt, heeft inderdaad menige beheersing van stoffelijke en geestelijke waarden mogelijk gemaakt, maar men wist niet precies, wat men eigenlijk deed en met welke krachten men werkte. Het begrip ontbrak, vooral waar dit stoffelijke waarden betrof, wel bezat men een betrekkelijk vergaande kennis omtrent gedachtekracht en wat daarmee samenhangt. Ik stel liever, dat de wetenschap de afstammeling van de magie is en niet oude waarden materieel herontdekt werden, maar wel degelijk iets nieuws brengt. De wetenschap brengt vanuit het materialisme en de materieel redelijke waarden via een materieel erkennen, een steeds toenemende beheersing van de omgeving van de mens. Zij is hierdoor wel degelijk belangrijk en betekent een stap voorwaarts. Zolang de mens geestelijke krachten en gaven bezit, maar de waarde en betekenis daarvan niet kent, zal hij geen meester hierover kunnen zijn. Dan is hij de slaaf van het onbekende. Wanneer hij echter leert eigenschappen en kwaliteiten, zelfs wanneer dit alleen stoffelijk zou zijn, te kennen en te begrijpen, kan hij tenminste een gedeeltelijke beheersing bereiken. Heeft hij als basis voor een verdere ontwikkeling eenmaal een stoffelijk beheersen en kennis van materiële banden, samenhangen en wetten bereikt, dan zal het de mens ook mogelijk zijn eigen geestelijke eigenschappen en kwaliteiten te leren kennen en beheersen. Dit laatste wordt door de stoffelijke ontwikkeling en kennis veel gemakkelijker gemaakt. Wij moeten de wetenschap beschouwen als een bepaalde fase in een ontwikkeling. Ik meen zelfs, dat er een tijd geweest is – van rond 200 v. Chr. – 1800 n. Chr. – dat juist de ontwikkeling van de materiële wetenschap en zelfs het materialisme voor een verdere ontwikkeling van de mensheid van het grootste belang waren, omdat zij de logische aanvulling vormden op alles, wat de mens tot op dat ogenblik reeds geestelijk bereikt had.

  • Wat bedoelt u met 5- en meerpuntige sterren. Slaat dit op de vorm?

De vijfpuntige ster is bv. het teken, dat wij ook bij onze Orde gebruiken. De zespuntige ster is de Davidsster. Belangrijk is daarbij, dat deze sterren allen gebaseerd zijn op meetkundige figuren en bepaalde meetkundige waarheden weergeven. Daarbij zijn, zodra deze tekens in de magie gebruikt worden, niet alleen de punten van belang, maar ook het verloop van lijnen binnen de ster. Het aantal vlakken, dat op deze wijze binnen de ster ontstaat, is vaak voor de eigenschappen en mogelijkheden van een sterdiagram bepalend.

Voorbeeld: De vijfpuntige ster draagt in zich, omringd door driehoekige vlakken, een vijfhoek, die – op de juiste wijze uitgeslagen – weer een vijfpuntige ster in zich bergt. Zij geeft daardoor een bepaald principe van de oneindigheid weer en definieert daarbij bepaalde verhoudingen, relaties, die binnen deze oneindigheid van krachten en sferen van groot belang zijn. Op gelijke wijze geeft elke andere ster een aantal wetten, waarden, of verhoudingen weer.

Eenvoudigheidshalve noemen wij deze figuren allen “ster” en onderscheiden ze door het aantal punten, dat zij hebben. Een onderscheid maken aan de hand van de uitgedrukte wetten en verhoudingen zou immers zeer omslachtig zijn. Eenvoudig gezegd: Binnen elke ster bevindt zich een lijnenstelsel, dat als een landkaart of karakteristiek kan worden beschouwd van bepaalde krachten en/of geestelijke gebieden.

  • Is alle tovenarij, alle magie wel geheel wetenschappelijk doordringbaar? Blijft er niet steeds ergens iets over, dat wij als blind geloof moeten beschouwen?

Inderdaad, de motiverende kracht en de bron van alle krachten kunnen wij niet wetenschappelijk verklaren. Zelfs is het niet mogelijk te bewijzen en te verklaren, waarom bepaalde wetten of regels gelden. Wanneer wij weten, aan welke regels en wetten wijzelf gebonden zijn en aan welke wetten en regels andere krachten gehoorzamen, zijn wij al een aardig eindje in de goede richting. Dit laatste kan de wetenschap doen.

Wat de uiteindelijke bron van alle dingen betreft: naar ik meen, kan geen mens en geen geest leven, zonder ergens in die bron te geloven. Dit geldt zelfs, indien men op grond van redelijke argumenten dit voor zich niet wil erkennen. Ik wijs er maar meteen op, dat een dergelijk “blind” geloof ook voor de wetenschap onvermijdelijk is. Praktisch elke reeks van wetenschappelijke bereikingen, theorieën enz. berust namelijk op werkhypothesen of axioma’s. Dit zijn stellingen, die volgens de huidige mogelijkheden klaarblijkelijk waar zijn, maar niet in zichzelf bewijsbaar, aantoonbaar, of verklaarbaar zijn. Zij stroken echter met alle waarneembare feiten. Op dezelfde wijze vinden wij in de magie hypothesen omtrent de oerkracht, het Goddelijke Licht e.d., die niet bewijsbaar of aantoonbaar zijn, maar zo in overeenstemming zijn met alle ervaring, zodat zij als vaststaand worden aangenomen.

image_pdf