Wetmatigheid – ordening – harmonie

image_pdf

24 februari 1968

Ik mag u er allereerst wel op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na, vorm u zelf een oordeel en zo u een conclusie trekt, tracht deze ook in de praktijk om te zetten.

Harmonie in zichzelf betekent eenheid en kan daarom nooit bestaan krachtens een wetmatigheid – ofschoon het verschijnsel voor de buitenstaander soms wel als een soort wetmatigheid zou kunnen worden gezien. Ordening omvat in het menselijke begrip het kunstmatig orde op zaken stellen – zaken die dus voordien niet geordend waren. Een kunstmatig orde op zaken stellen betekent, dat men ingaat tegen de natuurlijke vormen en samenhangen. Ik ben dan ook geneigd aan te nemen, dat ordening een van de beste manieren is om een eenmaal bestaande harmonie te verstoren.

Daarmede kom ik tot het onderwerp, zij het waarschijnlijk op een andere wijze, dan u bedoelde. Er zijn immers veel mensen, die voor alles plegen te stellen, dat er orde moet zijn. Zij pleiten voor een ordening van het menselijke denken, het menselijk gevoelsleven, gedrag enz. Ik vraag mij echter af, of deze mensen zich wel realiseren, wat zij in feite verlangen. Zij vragen om ordening. Maar deze kan alleen ontstaan, wanneer iemand orde op zaken stelt. En wanneer 100 mensen gelijktijdig aan het ordenen slaan, ontstaat meestal een nieuw soort wanorde – zie sommige beleidskwesties. Om werkelijk tot een – al dan niet nieuwe – orde te komen, zal men het ordenen nooit aan één enkele persoon moeten toevertrouwen, daar die eenling slechts kan ordenen volgens zijn eigen inzichten. Hij zou dus alleen in staat zijn waarlijk orde te scheppen, wanneer hij veel hoger zou staan, dan hetgeen hij ordenen moet.

Bovendien is het daarbij belangrijk, dat hij hetgeen, waarin hij orde schept, ook kent en geheel in waarheid kan overzien.

Er is maar één kracht, die ik mijzelf voor kan stellen, welke ik tot het scheppen van een dergelijke ordening, zonder dat hierdoor eenzijdigheid enz. ontstaat, in staat moet worden geacht: God.

Maar daar God kennelijk volgens de mensen geen orde weet te scheppen en te handhaven, zijn de mensen volledig bereid op hun eigen wijze te ordenen, waarmede zij vanuit kosmisch standpunt, naar ik meen, een steeds grotere wanorde creëren. Het is maar goed, dat God door de eigenschappen, die hij zijn schepping gaf, aan het streven van dergelijke mensen steeds weer paal en perk stelt. Met de harmonie zit het dus niet zo goed in een wereld, waarin op menselijke wijze alle verhoudingen, gewichtigheden, plichten en mogelijkheden van allen zo goed mogelijk omschreven moeten zijn. Het waarom van deze stelling zal u duidelijk worden, wanneer u begrijpen kunt, dat ordening gelijktijdig ook beperking inhoudt.

Wanneer ik het verkeer een bepaalde orde opleg kan men hierdoor een grotere zekerheid in het verkeer scheppen zolang de mensen niet bereid zijn op harmonische wijze met elkander in dit verkeer samen te werken, maar alleen slechts aan zichzelf denken. Dat is waar. Maar naarmate men het verkeer meer ordent, zal het minder snel kunnen gaan. Hierdoor zal bij een z.g. betere regeling, een weg in dezelfde tijdseenheid steeds minder voertuigen kunnen verwerken. De weg zal dus eerder voor het verwerken van zelfs maar het meest noodzakelijke verkeer ongeschikt worden. Op deze wijze maakt men in feite bestaande en toereikende verkeersmogelijkheden steeds minder bruikbaar, tot de regeling de hoofdzaak schijnt te zijn geworden en het verkeer slechts als een onderdeel van de regelingen nog zin schijnt te hebben. Een auto zou volgens mij een middel moeten zijn, waardoor de mens zich snel kan verplaatsen – ofschoon het er meer en meer op gaat lijken, dat het een middel wordt om anderen een parkeerplaats te ontstelen. Het rijden in een auto heeft dus m.i. alleen zin, wanneer een redelijk snel je daarmede verplaatsen mogelijk wordt gemaakt, plus een zo goed mogelijk bereiken van je bestemming. Maar het verkeer lijdt steeds meer aan een steeds uitvoeriger wordende wetgeving, die in wezen de onduidelijkheid van de bestaande situatie bevordert.

Ik geef u dit als voorbeeld voor hetgeen ik u eigenlijk wil zeggen: naarmate de ordening van het verkeer, de beveiliging van het verkeer en de reglementen in aantal toenemen, zullen er steeds minder mensen komen, die de samenhangen in het verkeer en alle daarin geldende regels nog werkelijk kennen en overzien. Bovendien zal men zich steeds meer onrechtmatig in zijn streven om een plaats snel te bereiken, geremd gevoelen. Steeds meer mensen zullen dus, bewust of onbewust, tegen de verkeersregels zondigen en steeds meer mensen zullen trachten de hun snelheid beperkende regelingen te ontgaan. Daar echter niet allen dergelijke regels niet kennen of gelijke regels als onjuist en onnodig beschouwen, zullen zeer velen, vaak te goeder trouw, op een voor anderen, gezien de bestaande regelingen, geheel onverwachte wijze reageren. Het resultaat is toenemend gevaar, toenemende strijd in het verkeer – dus disharmonie. Onze vriend, die het onderwerp stelde, vroeg mij te spreken over de trias – dus drie-eenheid – van ordening, wetmatigheid en harmonie. Maar dit is mij niet wel mogelijk, want zoals u nu hopelijk zelf zult inzien, hoort bij het begrip ordening in de zin van kunstmatige ingreep, het op orde stellen van zaken enz., de harmonie niet als aanvullend deel, als deel van hetzelfde. Maar misschien kunnen harmonie en wetmatigheid dan toch wel samengaan? Wetmatigheid is het onder condities optreden van hetzelfde verschijnsel en wel op zodanige wijze, dat men bij het scheppen van gelijke condities ook vast op het ontstaan van het verschijnsel kan rekenen. Want wetmatigheid is iets anders dan een wet. Het is geen vaststaande of desnoods neergeschreven regel, maar een effect dat onder bepaalde condities voortdurend optreedt en dus met deze omstandigheden in een schijnbaar vaste oorzaak-en-gevolg-verhouding kan worden gezien. De mens is echter niet geneigd een erkende wetmatigheid alleen als een oorzaak-en-gevolg-kwestie te beschouwen. Hij stelt, dat de erkende wetmatigheid een wet in zich bergt. Maar elke door mensen geformuleerde wet is een concessie aan of een uitdrukking van de menselijke behoefte tot ordening, tot verdeling in vaste kaders en vakken. Daarom is bij de mens het erkennen van wetmatigheden vaak de aanleiding tot het stellen van z.g. wetten, die dan weer een volledig miskennen van de feitelijke wetmatigheid en zeker van de daarmede harmonische mogelijkheden, zoals dezen in het leven tot uiting komen, inhouden.

Neem mij niet kwalijk, dat ik die door u gestelde trias nu gewoon uit elkaar zit te rafelen. Maar het lijkt mij belangrijk u geheel duidelijk te maken, waarom ik hier geen drie-eenheid in kan zien. Laat mij t.a.v. wetmatigheden dan ook een voorbeeld geven. In de economie heeft men reeds langere tijd geleden erkend, dat er bepaalde cycli bestaan. Om bv. de zoveel jaar ontstaat er een geneigdheid tot crisisvorming en vertonen zich crisisverschijnselen. De mens redeneert nu als volgt: Deze crisisverschijnselen treden op als een wetmatigheid. Dan zullen de omstandigheden, waaruit die crisissen steeds weer herontstaan herleid kunnen worden tot een wet. Wanneer ik deze wet eenmaal ken, ben ik in staat om met het verschijnsel om te gaan door de voorwaarden te wijzigen.

Na de tweede wereldoorlog vooral zien wij steeds meer, hoe economen theoretisch berekenen, hoe het nog mooier, nog beter kan worden voor de mens. Theoretisch hebben zij met hun stellingen en berekeningen dan ook volkomen gelijk. In de praktijk blijken er echter steeds weer onvoorziene factoren op te treden, waardoor de getroffen maatregelen de verwachte resultaten niet opleveren. Zo zal bv. het rendement van menselijke arbeid per tijdseenheid niet zo snel stijgen, als de econoom had berekend en verwacht. Of het blijkt, dat de mens ondanks alle beïnvloeding niet bereid is, blijvend zo te sparen en te besteden, dat het voorgestelde schema tot werkelijkheid wordt. Zelfs het bedrijfsleven blijkt niet van plan met in- en verkoop, zowel als met het vernieuwen van het bedrijf, precies volgens de regels te werken die de economen voor het geheel hebben opgesteld. Er ontstaan dan vele kleine en op zich niet zo merkbare verschuivingen. Is er een ogenblik, waarin de z.g. crisisdrang te groot wordt, dan blijkt bijvoorbeeld het verschil tussen geraamd overschot en tekort op een balans opeens 4000.000.000 te bedragen. Men wil volgens de oude theorieën ook in de toekomst verder gaan en stelt dus meteen, dat dit niet ernstig is: Het is alles het gevolg van voorraadvorming als gevolg van de onvaste waarde van een pond sterling, dat uiteindelijk devalueerde. Men kan echter niet goed geloven, dat dit geheel juist is, daar de vorming van voorraad van eindproducten zeker veel kleiner is dan het gestelde bedrag, terwijl ook de aanschaf van grondstoffen (waarom?) zeker ook niet zo groot is, dat hiermede, óf door deze beiden, het verschil verklaard kan worden.

Neen, u vergist zich: geen 200.000.000 maar 400.000.000, want men poneerde een overschot van 200.000.000 en zit met een tekort van 200.000,000. Nogmaals: dit bedrag kan men niet alleen maar verklaren door te wijzen op de devaluatie van het pond sterling en alles, wat daarmede in verband staat. Wie stelt, dat een herstel binnenkort onvermijdelijk op moet treden, is nog dommer, daar hij kennelijk niet beseft dat vele voorraden te duur zijn gekocht, de arbeid in het niet devaluerende Nederland duurder is geworden en zo de afzetmogelijkheid van een eventuele voorraad tegen lonende prijzen haast niet denkbaar is voor vele bedrijven.

Bovendien blijkt men steeds weer de menselijke factoren te onderschatten of te vergeten, die in het tot stand komen van economische tendensen toch een grote rol plegen te spelen. Steeds weer blijkt dat bepaalde psychologische verschijnselen een crisis voorafgaan en blijken te bevorderen. Niet alleen in een industriële staat overigens, maar in alle gebieden. Er blijkt kort voor het optreden van een economische crisis steeds weer een grote onlust bij de mensen merkbaar te zijn. Velen handelen, irrationeel. Men is niet meer geneigd anderen, instanties of personen, te vertrouwen. Dit veroorzaakt een verschuiving in de beleggingen en bestedingspatronen binnen de gemeenschap. In vele gevallen zal men er eerder toe overgaan uitstaande kredieten in te vorderen, voor er “niets meer over is”. De positie en bestaansmogelijkheid van vele firma’s, die het met enig krediet misschien nog wel langer zouden kunnen redden, komt hierdoor in gevaar. Ondernemers, die nu nog zonder grote verliezen hun bedrijvigheid zouden kunnen staken, gaan hiertoe eerder over, daar zij vrezen, anders alles te verliezen en weigeren, na dergelijke blijken van wantrouwen, vaak de geboden overheidshulp.

In de verkoopsector betekent het, dat men steeds minder geneigd is aan te nemen, dat de prijzen, die voor een artikel gevraagd worden, door de kwaliteit en kostprijs van het artikel gerechtvaardigd zijn. Sommigen kopen dan maar raak en menen, dat de ondernemers voldoende verdienen, om de schade van wanbetalingen te kunnen dragen, anderen kopen een bepaald product niet meer of wachten voorlopig met hun aankopen omdat men meent, dat de producten goedkoper zullen worden. Cadeau systemen en dergelijke stimuli zijn dan schering en inslag bij de handel, evenals koppelverkoop enz. Kopersstakingen enz. ondermijnen verder het bedrijfsleven en de gezonde economie, terwijl de staat in haar behoefte om in te kunnen grijpen, op producent en verbruiker steeds zwaardere lasten legt. Zover mij bekend is hebben de economen, die u zo nauwkeurige gegevens over toekomstige ontwikkelingen zeggen te kunnen verschaffen en zich meester wanen van de economische tendensen, nog geen wet of wetmatigheid gevonden, waardoor zij kunnen bepalen, wanneer die verschijnselen op zouden gaan treden en waar zij vandaan zouden komen.

Naar ik meen is dit voorbeeld duidelijk genoeg om ook het tweede deel van de gestelde drie- eenheid buiten de trias te stellen. Wetmatigheid is, menselijk gezien, niet te hanteren als een partner van harmonie. Wetten en wetmatigheden blijken eerder strijd te baren en geschillen tot stand te brengen dan een perfecte samenwerking. Ordeningen blijkt eveneens te veel disharmonische mogelijkheden en effecten in zich te verbergen, om met harmonie een soort eenheid te kunnen vormen. De voorstanders van ordening, wetten en wetmatigheden stellen: wanneer wij harmonisch zijn, moeten wij deze harmonie, tot een beter begrip uitdrukken in wetten, en erkende wetmatigheden als basis daarvan beschouwen. Verder moeten wij orde scheppen, want alleen zo kunnen wij weten, waaraan wij toe zijn. Wij verklaren dit op het leven van heden, zowel voor de geest als de stof, van toepassing.

Maar is dit nu wel waar? Harmonie heeft men op aarde zeker niet in voldoende mate. Ik moet dus als originator een andere waarde aan de top stellen. Moet ik dan zeggen: Ordening voert tot harmonie en harmonie maakt de wetmatige uitdrukking van het bestaan en de voorwaarden van het bestaan in wetten mogelijk? Iets dergelijks beweerde een filosoof, die Rosenberg heette. Zijn vereerder en volgeling, die zijn stellingen in de praktijk omzette, was een driftig klein mannetje met een klein snorretje en een steeds weer even op wapperend handje. Zo er al harmonie bereikt werd, heerste die op de kerkhoven. Daarom weet ik niet, of men nu wel zo vol trots dergelijke denkbeelden omtrent de noodzakelijke ordening van alle dingen en de handhaving van de orde met alle middelen moet verkondigen.

Theoretisch zou ordening zeker tot harmonie kunnen voeren. Maar dan zou de mens, die de orde schept, zich steeds van eigen onvolkomenheden bewust moeten blijven en steeds weer bereid moeten zijn om ongelijk te erkennen. Ik ken niet veel mensen, die als regeerder daartoe in staat zijn en ertoe bereid zijn. Bovendien is de mens maar zelden bereid voor harmonie zonder meer grote offers te brengen. Zelfs wanneer hij door offers misschien tot een goede en passende ordening volgens de eigenschappen van tijd en mensheid zou kunnen komen, prefereert hij het dan ook steeds weer, een beroep te doen op macht en kracht, om met geweld orde op zaken te stellen in de hoop zichzelf daardoor onaangenaamheden, verlies aan macht en gezag te besparen. Bovendien, een werkelijke ordening, of zij nu al verkondigd wordt door 150 mannen of door 500, is en blijft iets, wat alleen bereikt is, wanneer alle werkelijke besluiten en directieven van één enkele persoon uit blijven gaan, waardoor zij eenzijdig zijn en blijven.

Eenzijdige ordening voert tot een verkeerd of te eenzijdig interpreteren van verschijnselen en uiteindelijk tot wantoestanden, die alle vrijheid wegnemen.

Wij moeten dus ordening als mogelijke top voor een triade, waarin harmonie een rol speelt, wel verwerpen. Want het blijkt een wetmatigheid te zijn, dat ordening een steeds toenemende orde en beperking van mogelijkheden met zich brengt, welke altijd uitloopt op disharmonie. Anders gezegd: Alle vormen van dictatuur komen slechts tot bereikingen krachtens het onrechtmatig doen lijden van een meerderheid. Maar misschien zouden wij de wetmatigheid als top kunnen gebruiken? Het leven wordt door God bepaald. Gods wezen, zover in de schepping aanwezig, wordt daarin uitgedrukt als een wet. Deze wet of wetten zijn de mens – en de geest – niet geheel bekend maar treden steeds weer als wetmatigheden in verschijning, waardoor ons leven toch wel bepaald wordt. Tot zover doet dit begrip het wel aardig. Maar ik moet verder gaan. Moet ik nu zeggen, dat deze wetmatigheid vanuit God geschapen tevens de harmonie voortbrengt of omvat? Gezien vanuit het standpunt van een schepsel is dit kennelijk onwaar, want er is in de schepping weinig of geen harmonie te vinden vanuit menselijk standpunt. Moet ik dan misschien stellen, dat deze wetmatigheden toch een ordening omvatten? Mogelijk. Maar als er ordening komt volgens de menselijke opvatting van dit begrip, ontstaat er, dit heb ik u zo even hopelijk duidelijk gemaakt, disharmonie. U ziet dus wel, dat, hoe ik het ook probeer, wij altijd weer vastlopen.

De oorzaak, van een stelling, als omvat in het gestelde onderwerp, is dan m.i. ook het product van een wat kinderlijke beschouwing van de genoemde waarden. Maar laat ons eens verder gaan en trachten via enkele stellingen de andere, de kosmische, of goddelijke zijde van de zaak enigszins te benaderen.

God heeft geschapen. Hij is tijdloos, zijn werkelijke schepping is dus m.i. eveneens tijdloos, althans in origine. In die schepping is, volgens mij, het totaal van het zijnde, alles wat was, is, zal zijn, ooit mogelijk zal zijn, enz., is daarin volgens mij gelijktijdig uitgedrukt. Ook u, in al uw vormen, die zich aaneenrijgen als een geheel zonder scheidingen; u bent dus in de Goddelijke Werkelijkheid iets anders dan het brokje tijd en beperkte herinnering, dat zich op aarde “Ik” pleegt te noemen. Zou men als mens het geheel van de schepping kunnen overzien, dan zou het een chaos zijn. Want het is niet geordend. Er bestaat in de Goddelijke werkelijkheid geen vaste samenhang, een vaste orde. Integendeel, het is een voortdurende wisseling, een golving van het centrum uit, die spoelt tot het einde van de door God gewilde schepping en vandaar weer terug. Daarbij kruisen zich de golven en ontstaat een voor de mens ontzettende deining, die de wanorde schijnt te vergroten. Bij de mensen kun je vaak nog iets van de deining  terugvinden. Maar onder de mensen zie je van de rest maar heel weinig, vrees ik. Men kan het als mens dan ook niet eens goed beseffen. Misschien wilt u aanvaarden, dat voor de mens Gods schepping chaotisch is. Maar de wet dan? Men kan stellen, dat de wet de begrenzing is, die God ons door zijn wil oplegt, een beperking van de schepping, die uit de goddelijke wil voortkomt.

Zoiets is echter een constante voor eenieder, die in tijd ervaart. Het is geen wet, geen oorzaak van kenbare verschijnselen, maar eenvoudig de grens tussen heb mogelijke en het onmogelijke, ja, ondenkbare. De wetmatigheden, waarover men als mens pleegt te spreken, zijn als zodanig niet in de chaos aanwezig. Zij zijn slechts het gevolg van elkaar treffende golvingen in de werkelijkheid. Hier blijkt dan, dat besef, plus harmonie, gezamenlijk een tijdelijke wetmatigheid scheppen, die bij elke verandering van persoonlijke relatie plus harmonische verhouding, zich echter wijzigt.

Nu kunnen wij misschien – “misschien” zeg ik – het als volgt gaan stellen: God kent geen orde in de zin, waarin de mens deze beschouwt. Deze orde is ook niet noodzakelijk, daar van God uit, de totaliteit van de schepping een geheel is. Het functioneren van de delen binnen het geheel is niet het gevolg van een opgelegde ordening, of in het bijzonder geschapen wetten, maar van de ingelegde waarde, zoals deze in het geheel aanwezig is. Zoals een cel in uw lichaam alleen kan functioneren volgens de waarde en eigenschappen, die hij bij zijn ontstaan in het geheel aan de grondeigenschappen daarvan ontleende. Of deze cel nu zwerft of een vaste functie heeft, of hij bepaalde mogelijkheden heeft of niet, is dan voor die cel misschien een schijn van wetmatigheid, maar vloeit in feite voort uit het feit, dat hij deel van het lichaam is.

Ik zie de schepping als een soort tijdloos organisme, dat in zich alle tijd omvat in alle ruimte, ofschoon het in feite niet ruimtelijk is. Op dit laatste zal ik hier maar niet verder ingaan. Het typerende voor die schepping is het aspect samenwerking – harmonie -, dat alles beheerst. Het is een harmonie, die je als mens, als klein deel van de schepping met een bovendien in tijd begrensd bewustzijn niet geheel kunt overzien. Maar alle waarden in het Al balanceren elkander voortduren geheel uit. Het geheel is dan ook voortdurend evenwichtigheid. Als er “goed” is, is er ook “kwaad”, als er duister is, is er ook licht enz. In deze harmonie verplaatsen wij onszelf wel steeds krachtens de gerichtheid van ons bewustzijn, ons aanpassende aan de wereld, dat deel van het geheel, waarin wij bewust leven. Maar wij zijn uiteindelijk altijd toch weer deel van een totale evenwichtigheid, een deel der goddelijke harmonie; zodra wij ons richten tot het geheel, ontstaat voor ons een mogelijkheid tot harmonie. Maar in harmonie zijnde met het Hogere, met de totaliteit, geld voor ons bewustzijn de regel niet meer, die op aarde als geldig wordt beschouwd. Zij is één mogelijkheid, maar meer niet.

Indien ik innerlijk in contact treed met God, beleef ik een werkelijkheid, die de mijne te boven gaat en niet omschreven kan worden in menselijke stellingen – bv. volgens de stellingen van Arminius of Gomarus, om een Nederlands voorbeeld te geven -. God geeft ons wel “antwoord”, maar als deel van een werkelijkheid. Hij toont ons het voor ons begrijpelijke deel van zijn wezen, zoals dit in feite als deel van het geheel in de schepping is geuit. Harmonie kan dus volgens mij niet beschouwd worden als iets, dat volgens menselijk begrip als wetmatigheid omschreven kan worden. Ik geloof zelfs, dat de eenheid of eenwording met God, die ons mensen soms een wetmatigheid toeschijnt, omdat wij haar in een geloof beschouwen als het noodzakelijke en normale einde van alle leven, niet als een wet beschouwd kan worden. Er is immers geen sprake van een één worden met God vanuit iets anders dan God, maar alleen van een realisatie van een altijd bestaand feit.

Het wordt, gezien dit alles, voor mij wel heel erg moeilijk met het gestelde onderwerp werkelijk iets te doen. Dit voorziende ben ik reeds zo vrij geweest om de titel, die mij gegeven werd, iets te wijzigen. Want vanuit God kunnen wij over dit alles, naar ik meen, maar weinig met enige zekerheid zeggen. Vanuit de kosmos kunnen wij er eveneens niet veel over zeggen, omdat deze waarden in de werelden en sferen, zoals wij die kennen, nu eenmaal geen voorstelbare triade vormen. Wij moeten integendeel constateren, dat ordening kan bestaan zonder harmonie, dat wetmatigheid kan bestaan binnen ordening, maar ook daarbuiten, terwijl de harmonie bestaan zal, ongeacht de aanwezigheid van ordening en wetmatigheden, zolang God bestaat. Om het onderwerp te benaderen op begrijpelijke wijze moeten wij dus teruggrijpen op de voorstellingen en waarden, zoals dezen tot uiting komen in de mensheid. Toch wil ik nog enkele punten naar voren brengen.

Ook de mens kent soms harmonie. Soms in zichzelf t.a.v. anderen, soms ook t.a.v. een Hogere Kracht. Maar hoe drukt men als mens een dergelijke harmonie uit? In feite vormt zij voor de mens in zijn begripswereld niet zozeer het gevoel van verbondenheid, dat er de meest juiste uiting van zou zijn, komt men niet alleen tot de erkenning van een samengaan, zoals dit in harmonie onvermijdelijk bestaat, maar associeert men het onmiddellijk met gevoelens van verplichting of bezit. Op het ogenblik, dat men echter in zich verplichtingen of bezitsrechten gaat beschouwen als de waarde van het samengaan, is er al geen sprake meer van harmonie in de werkelijke zin van het woord. Want werkelijke harmonie kan nímmer iets anders zijn dan een vrijelijk samengaan in volledige overeenstemming zonder dat hieraan voorwaarden worden gesteld. Harmonie is niet afhankelijk van voorwaarden, maar slechts een uitvloeisel van de gesteldheid van eigen wezen.

In de muziek kunnen wij tonen aanslaan, die mooi samenklinken, harmoniëren, maar evenzeer kunnen wij een dissonant aanslaan. Niemand zal een dissonant wijten aan de snaren. Men zal steeds zeggen, dat een verkeerde toon werd aangeslagen. M.a.w. harmonieën en dissonanten zijn mogelijkheden, die afhankelijk zijn van de stemming van de snaren. Bij mensen is hetzelfde in wezen het geval. Op het ogenblik, dat ik een harmonie wil afdwingen en haar dus niet alleen erken als een verschijnsel, dat in het wezen der dingen ligt – dus harmonie beschouw als afhankelijk van en beheersbaar door omstandigheden – ben ik als mens reeds fout en schep ik steeds meer disharmonische verschijnselen rond mij. Werkelijke eenheid en werkelijk samengaan kunnen nimmer uit noodzaak, maar alleen uit het wezen ontstaan.

Een voorbeeld is de z.g. harmonie, die men in uw land langere tijd meende te zien tussen de werkgever- en werknemersorganisaties. Hier was geen sprake van feitelijke harmonie, maar eerder het streven van twee geheel verschillend afgestemde organisaties, om elke dissonant te vermijden. Daar men wist, dat de dissonanten voortkwamen uit een gelijktijdig zich uiten t.a.v. eigen belangen, heeft men een samenwerking gevonden, die men wel harmonie noemde, maar die in feite neerkwam op het zwijgend ondergaan van de eisen van de ander, nu door de ene partij, dan door de andere partij. Elk nam zich al luisterend voor eigen wensen door te zetten, zodra de andere partij in een minder gunstige omstandigheid kwam te verkeren. Echte harmonie kan dit niet zijn, daar er sprake is van machtsverhoudingen en zelfs van dreigementen. Daar is sprake van een gevoel van verbondenheid, dat het ik zich eenvoudig niet anders meer kan voorstellen, dat voor het ik a.h.w. enkel nog de bevestiging is van eigen bestaan, een aanvulling van eigen beleven. Volgens mij komt harmonie dan op aarde ook maar zeer zelden voor en dan nog in kleinere groepen. Dezen beseffen vaak het wezen van deze harmonie zelf niet eens.

Harmonie kunnen wij natuurlijk wel bereiken, zij het tijdelijk, wanneer wij bereid zijn een deel van eigen leven of denken uit te schakelen. Wanneer echter eenieder blijft denken volgens eigen normen, volgens eigen levenservaringen, volgens eigen erkende behoeften en wensen, zal er in de mensheid geen werkelijke harmonie mogelijk zijn. Op het ogenblik, dat men gezamenlijk echter eenzelfde doel heeft en zichzelf in het streven naar dit doel weet te vergeten, zal er, maar dan alleen t.a.v. dit streven, van harmonie sprake kunnen zijn. Anders gezegd: op aarde is een beperkte en doelgerichte harmonie geheel denkbaar, maar alle andere vormen van harmonie, zeker de kosmische vormen daarvan, zijn voor de mens niet via een bewust streven bereikbaar.

U wilt weten waarom niet? Wel, de mens heeft, zoals ik u reeds zei, de neiging alles in verhoudingen te zien, alles in te delen. Hij wenst steeds weer uit te gaan van absolute waarheden en concrete waarderingen. En een concrete waardering in kosmische zin kan een mens nu eenmaal niet geven. Stel, dat ik bv. over soldaten moet oordelen. Ik kan dan vanuit mijn standpunt stellen – want voor mij is dit een concreet feit, ofschoon ik niet weet, of dit kosmisch gelden kan – dat de soldatesk gehanteerde begrippen als vaderland, des konings rok, eer, vrijheid enz., onnoemlijk veel onnodig leed op aarde hebben veroorzaakt. U, als mens, kunt nu stellen, dat dit volgens u niet zo is. Ik meen echter, dat mijn standpunt niet alleen juist, maar zelfs verklaarbaar is. Officieren, de mensen, die het bij de soldaten voor het zeggen hebben, voelen zich belangrijk, maar hebben in de burgermaatschappij – in het verleden nog sterker dan in het heden – geen feitelijke bestemming. Dit voerde tot een minachting van de burger- althans een onderschatting daarvan. Eerst in de oorlog was de officier echter in staat zijn werkelijke bestemming te volgen en de gewenste erkenning uit de burgerwereld af te dwingen. Deze mensen zagen in feite de strijd en het zich daarop voorbereiden als het doel van hun bestaan.

Het was dan ook logisch, dat zij de krijg en alle offers, die deze vergt, als iets schoons bezien.

Dit was immers de vervulling van hun bestemming, de bevestiging van hun pretenties.

Aan de andere kant kennen wij de soldaat, die niet zozeer van het geweld houdt en in feite tegen de militaire praktijk is gekant, maar op een gegeven ogenblik niet anders meer weet dan het grijpen naar de wapens om zich te verzetten. Maar zijn dit beroepssoldaten, dan grijpen zij toch nog weer te snel naar macht, kracht en wapen; zijn de soldaten echter normale burgers, dan zullen zij alleen wanneer het noodzakelijk schijnt, de wapens nemen om datgene, wat hun levenswijze bedreigt, te bestrijden en zo mogelijk te vernietigen. Zodra de strijd voorbij is, voelt een dergelijk soldaat zich blij, dat hij weer als burger zijn werkelijke bestemming en levensvervulling na kan gaan streven. Maar onder de mensen zal men helaas niet de militair allereerst iemand maken, die in de normale – burger – maatschappij een eigen bestemming heeft en daaraan zijn feitelijke betekenis ontleent, daar hem slechts een werkelijke carrière mogelijk is binnen het leger.

De soldaat is dus niet iemand die, tenzij wanneer zijn normale wijze van leven wordt bedreigd, naar macht, geweld en wapens zal grijpen. Men heeft het leger geschapen als een buiten de werkelijkheid van de normale maatschappij staande en functionerende afzonderlijke orde. Het gevolg is, dat de echte militair meer prijs stelt op het scheppen van zoveel mogelijk en zojuist mogelijke voorschriften, op exercities, onderwerping van de soldaat, het volgen van de spelregels der strategie en tactiek, dan op het behouden van vrede en het handhaven en bevorderen van de menselijke waarden en waardigheden. Het resultaat is steeds weer geweest, dat militairen, zelfs wanneer zij als regeerders optraden, er steeds weer in slaagden door hun behoefte aan absoluut gezag en hun neiging tot het scheppen van perfecte, maar niet aan de mensheid aangepaste regels, een vreemd soort wanorde tot stand wisten te brengen. Ik weet, dat er onder u zijn, die het optreden van bv. een generaal de Gaulle niet geheel kunnen begrijpen. Maar dat komt niet alleen, omdat de man oud is, maar vooral omdat een normaal burger niet kan begrijpen, in welk milieu deze man is opgegroeid en zijn bestemming heeft gevonden. Deze man is generaal. Hij is een militair pursang. Hij ziet alles in verhoudingen van vaderland, eer, glorie, de vlag, de natie. Hij kán niet daarbuiten zien. Zijn gehele bestaan is opgebouwd op het verdedigen van deze waarden ten koste van alles en tegen alles. Prestige enz. zijn in de militaire kringen van meer belang nog dan in de burgermaatschappij, terwijl daarbij alleen het vaderland, eigen eenheid enz. een rol spelen. Is het dan een wonder, dat het optreden van de Gaulle in internationaal verband minder constructief is dan men zou wensen?

Deze man kan niet gelijktijdig zichzelf blijven en een ander land, een andere macht, de voorkeur geven boven eigen land, zonder daarbij zijn gehele leven en voorgeschiedenis te verloochenen.

Zoals het begrip ordening maar al te vaak mensen tot rechter maakt, die in het leven zelf betrekkelijk weinig heeft meegemaakt en misschien nog nooit iets heeft beseft van de ellende, die gepaard gaan met de maatregelen tot handhaving van de openbare orde, zoals vooronderzoek, arrestatie, politiek verhoor, opsluiting enz. Omdat deze mens al deze dingen niet kent in hun ware en menselijke betekenis, staat hij vaak, naar hij meent, boven de massa.

Dit maakt het hem wel zeer moeilijk een mens, die voor hem verschijnt, werkelijk te begrijpen en juist te benaderen. Hierdoor is de rechter aan de ene kant vaak te lankmoedig, omdat hij in de ander een mens meent te zien, die alleen faalde onder voorwaarden, waarbij hij voor zich een dergelijke reactie meent te kunnen veronderstellen. Aan de andere kant is hij vaak te hard, omdat hij, zodra het gevoel van persoonlijk betrokken zijn wegvalt, de rechter nu eenmaal niet de mensen ziet, of de werkelijkheid van de samenleving, maar allereerst wetten ziet. Hij ziet in de eerste plaats de regels, die door de heersende macht zijn gesteld en kan een afwijken daarvan zich vaak niet indenken, wanneer hierbij andere dan zuiver menselijke en persoonlijke waarden een rol spelen. Hij zal dan vooral degene, die anders denkt en leeft dan hij, vaak te zwaar straffen. Het gevolg van dit alles is, dat rechtspraak en menselijk recht vaak naar beide zijden toe, zowel voor de mens, die veroordeeld wordt, als voor de gemeenschap als geheel steeds weer uitloopt op onrecht.

Ordening is de indeling van bv. industrieën, economische ordening. Maar ook hierbij treden steeds weer beperkingen aan de dag, die in feite ergens een onrecht inhouden. Indien Nederland niet zozeer economisch geordend was in de jaren 1944 tot ’52 zou er bv. nu geen sprake meer zijn van een zo grootwoningtekort, en zou zowel de beloning van arbeid als de koopkracht van de goede arbeider er heel anders voorstaan. Want wanneer ik ordening zeg, schep ik misschien daarmede wel zekerheden, maar gelijktijdig moet ik beperkingen opleggen. Menselijk gezien is de ordening dan ook iets, waar men naar zal streven omdat men zekerheid wenst, omdat het een vaste inhoud geeft aan je bestaan en je positie a.h.w. beter vastlegt. Maar aan de andere kant blijkt steeds weer, dat de mens met het aanvaarden van een sterke ordening in zijn leven vele mogelijkheden, die hij bezit, eenvoudig wegwerpt. Vele mensen hangen echter ondanks alles aan ordening en bestaande orde, omdat zij daarin alleen zich zeker kunnen gevoelen. Zij zijn het zelfstandig denken, leven en streven op bepaalde punten eenvoudig zover ontwend, dat zij geen raad meer weten, wanneer de bestaande orde gewijzigd dreigt te worden.

De katholieken, die zich zo verzetten tegen de nieuwe catechismus in Nederland zijn zulke mensen. Het verzet is in feite niet zozeer gericht tegen deze catechismus, dan wel tegen de aantasting van de bestaande orde, die zij daarin voelen en vrezen. Hun zekerheid, boven anderen verheven te zijn door het alleen bezitten van een waarheid, die onaantastbaar is bv. een enige waarheid, wordt door deze catechismus in hun ogen aangetast. Geloofspunten, die in het verleden zonder nadenken als dogma, als onveranderlijke zekerheid konden worden aanvaard, worden nu vager gesteld, zodat nu twijfels op dit terrein opeens toelaatbaar schijnen en meerdere uitleggingen mogelijk worden. Dan moet men zelf na gaan denken, moet men voor zich uit gaan maken, wat de waarheid nu wel zou kunnen zijn. En dit brengt een verantwoordelijkheid, die zij niet gewend zijn te dragen en niet menen te kunnen aanvaarden.

Hun verzet komt dus niet voort uit het verzet tegen de catechismus op zich, maar uit het gevoel, dat zij nu niet meer weten, wat zij met hun geloof eigenlijk moeten beginnen. Deze mensen willen ten koste van alles een behouden van de bestaande orde. Niet omdat hierdoor hun geloof beter zou worden, maar om hun eigen gevoelens van zekerheid te behouden. Aan de andere kant – en dit zien zij eenvoudig over het hoofd – zullen er minder mensen een geloof kunnen aanvaarden, naarmate het meer dogma’s en wetten stelt, die voor hen tot het geloof behoren en zonder welke men niet tot een kerk kan toetreden. Indien zij dus hun zin door weten te drijven, zal hun kerk als geheel steeds in belangrijkheid en aantal teruglopen. Waaruit voor de kerkelijke overheden een van de vele dilemma’s voortkomt, die ordening met zich pleegt te brengen.

Wat wetmatigheden betreft, deze kunnen wij wel degelijk als mens hanteren, zolang wij dit in het algemeen blijven doen, zonder te stellen, dat de wetmatigheid in elk geval individueel zal gelden. Wanneer er 1.000.000 mensen zijn, dan weet ik ongeveer, welke sterkte de verschillende leeftijdsgroepen allen hebben, welke sterfte op zal treden, als ik de gemiddelden van de laatste 100 of zelfs 50 jaren ken. Tenzij bijzondere omstandigheden optreden zal men dan kunnen zeggen, hoeveel mensen van dit miljoen mensen verder zullen leven en hoevelen er per leeftijdsgroep gemiddeld zullen sterven. Maar je kunt niet zeggen, wie. Een mens, die met wetmatigheden werkt, is vooral in het begin, wanneer hij deze pas heeft geconstateerd, wel geneigd dit algemeen blijven van de wetmatigheid te aanvaarden. Men kan dan nog aanvaarden, dat de regels, die men meent te kennen, slechts in het algemeen zullen gelden, terwijl van de geldende werkingen en resultaten voortdurend afwijkingen geconstateerd kunnen worden. Maar dit geeft hem toch veelal onvoldoende zekerheid. Hij wilde wetmatigheid zo uitdrukken, dat zij tot wet kan worden verklaard. Daarom stelt de mens steeds meer zekerheden, terwijl hij alle in feite voorkomende afwijkingen terzijde stelt als een toeval, dat op de gestelde wet geen enkele invloed meer kan hebben. Op de duur wil hij zelfs alles, wat van de door hem gestelde wet afwijkt, niet meer zien. Bij procedures betekent dit, dat, zodra hij enkele malen een begeerd resultaat volgens een bepaalde werkwijze heeft bereikt, hij zal stellen, dat zijn manier de enige, de enig juiste is om dit resultaat te behalen. Dit alles wordt misschien niet zo zeer met woorden uitgedrukt, doch uit de handelingen van de mensen blijkt steeds weer, hoe waar het gestelde is.

Op deze wijze ontgaan de mensen vaak de eenvoudige oplossingen voor problemen, de eenvoudige mogelijkheden tot bereiking en brengt hij veel minder tot stand, dan mogelijk zou zijn. Om een voorbeeld te geven: De germanium diode werd reeds uitgevonden in 1923. Als nuttig werd zij eerst erkend in 1940. De eerste transistors werden reeds in 1934 vervaardigd, maar afgewezen als zijnde te duur en te onbetrouwbaar. De eerste ontvanger, werkende met transistors, werd vervaardigd in 1937, een algemene toepassing werd eerst mogelijk onder druk van de oorlog in 1943. De erkenning van de – reeds in 1935 gestelde – voordelen van het gebruik van transistors voor normale radio-ontvangst vond eerst in 1948 plaats. In productie kwamen dergelijke ontvangers voor algemeen gebruik eerst rond 1957. Vreemd nietwaar? De reden was dat de mensen deze veranderingen eenvoudig niet wensten. Omdat de mensen – zelfs de deskundigen en producenten – de neiging hebben vernieuwingen, die te ver gaan, maar liever uit te schakelen en te vergeten, omdat dit voor hun theorieën, werkzaamheden en productieapparaat niet zo prettig is. Er zijn dan volgens degenen, die het voor het zeggen hebben, te veel onzekerheden en risico’s verbonden aan het gebruiken van de nieuwe mogelijkheid.

Volgens mij is er bij de mensen behoefte aan een beter inzicht in de werkelijkheid. Men zou allereerst – met Einstein en in een vrije variant op de schrijver van de Max Havelaar – moeten zeggen: alles is relatief, zelfs deze stelling zelf is een relativering van een ongekende werkelijkheid en geen absolute realiteit. Er is in het menselijke leven geen vaste waarde te vinden, tenzij men bereid is eigen benadering van het leven geheel te fixeren. Maar hierdoor maakt men zichzelf een verdere evenwichtige ontwikkeling onmogelijk. God, de Schepping, kennen alleen de relativiteit, de verhoudingsgewijze uitdrukking en bepaling. Een absolute constatering kan m.i. alleen in en bij God bestaan. Als mens moeten wij daarom niet trachten enigerlei waarde als enige of absolute maatstaf te hanteren. Wij moeten zelfs niet trachtten een vaste orde te scheppen. Wij moeten eerder trachten harmonie tot stand te brengen. En deze kunnen wij alleen bereiken, wanneer wij voldoende flexibel, voldoende wendbaar en buigzaam zijn in ons denken en benadering van het leven, om in elke mens, in alle bestaan, de waarden te zoeken en te zien, waarmede wij harmonisch kunnen zijn. Wij moeten in elk verschijnsel niet trachten allereerst de wet, maar allereerst de voor ons harmonische factoren te erkennen. Eerst wanneer wij uitgaan van de harmonie als werkelijke waarde in alle leven, kunnen wij als mens of geest verder komen. Want ook dan zullen wij wel moeten en willen werken met een bepaalde orde, zullen wij een zekere ordening van ons denken en handelen niet kunnen ontwijken. Maar deze is dan niet meer de vaststaande wet, de onveranderlijke of alles beheersende indeling, maar eenvoudig een uitdrukking van de door ons tot nu toe steeds erkende harmonische mogelijkheden en verhoudingen. Wat wil zeggen, dat erkende orde, enz. reeds morgen voor ons anders kunnen zijn, ja, zelfs tot het schijnbaar tegenovergestelde kunnen worden. Wij zullen dan niet meer te veel spreken over, – en ons baseren op -, wetmatigheden en erkende wetten. Wij zullen uitgaan van onze harmonie met het verschijnsel. Wij zullen daardoor eigenschappen leren kennen en gebruiken, zonder daaruit af te willen leiden, dat de dingen dus alleen maar op deze of gene wijze plaats kunnen vinden.

Wij zijn als mens en geest veel vrijer, dan wij durven zijn. Wij hebben als mens en geest veel meer mogelijkheden tot harmonie, dan we durven gebruiken en bovenal: wij hebben heel wat meer benaderingsmogelijkheden tot het harmonisch zijn, dan de mens normaal wil erkennen en aanvaarden. Want heel vaak ligt harmonie in kleine, soms onbegrijpelijk onbelangrijk schijnende of z.g. toevallige dingen. En voor de meer modern denkende jongeren: harmonie is dus niet het resultaat van een catch-as-catch-can-wedstrijd tussen twee mensen, dan wel van een elkander overtuigen ten koste van alles. Harmonie is eenvoudig begrip, waardoor een ogenblik de scheidsmuren wegvallen. Voorbeeld: Op straat gaat een man met een handkar. Hij heeft moeilijkheden. Harmonie is nu het zonder een enkel woord toeschieten van een ander, die, al is het maar even, mee duwt, zodat de ander verder kan komen. Harmonie is het ook, wanneer men, zonder daarbij verder na te denken, een hongerig dier eten geeft, wanneer men, niet om goed te zijn maar eenvoudig voelende, dat dit nu het juiste is als men een ander iets geeft, desnoods tijd of een goed woord, of van een ander iets aanvaardt. Kortom, harmonie ligt niet zo ver van u en is niet zo overweldigend groot als u haar meestal pleegt te zoeken. Het is eenvoudig een integratie, waarbij elk volgend ogenblik een andere mogelijkheid tot aanvaarding, contact, beroering, begrip zal geven.

Deze harmonie betekent in zekere zin ook ordening. Dit is dan de mogelijkheid tot een ordening te komen, die overeenstemt met Gods werkelijkheid. Zoals in deze harmonie de eigen wetmatigheid tot uiting komt, die wij vanuit het goddelijke kunnen weervinden in alle mensen, in de gehele natuur. Elke vraag krijgt een antwoord, alle licht wekt een duister, terwijl alle duister roept om licht. In tegendelen is het geheel kenbaar. Dat is de enige waarheid, de enige regel, die altijd weer blijkt te gelden.

Ik ben mij er zeer wel van bewust, dat ik met dit alles te kort ben geschoten t.a.v. het gestelde onderwerp. Ik ben mij er eveneens van bewust, dat ik voor begrippen als ordening en wetmatigheid een ander wijze van benadering had kunnen gebruiken. Ik meen dat ik door op deze wijze te reageren, de meest belangrijke aspecten van het onderwerp wel degelijk heb belicht en daarbij mede heb kunnen wijzen op de fouten en mogelijkheden, die mens en geest kennen in het bestaan, dat zij nu als hun werkelijkheid aanvaarden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Is een andere triade: liefde, harmonie en schoonheid?

Deze is wel mogelijk. Liefde is aanvaarding, volledige aanvaarding, waarbij het ik zichzelf niet gescheiden acht van hetgeen het ik aanvaard, maar daarmede een volledige eenheid en gelijkheid voor zich ervaart. Dit is een vorm van harmonie. Wanneer harmonie tot uitdrukking moet worden gebracht in zijn volledige vorm, is een dergelijke aanvaarding m.i. noodzakelijk. Maar een dergelijke aanvaarding van het andere schept weer een werelderkenning, waarin het positieve, dus de schoonheid, als erkenning geboren wordt. De harmonie zelf is schoonheid, niet geopenbaard: in de harmonie wordt schoonheid eerst werkelijk kenbaar, wanneer men een ogenblik het harmonische één zijn met alles onderbreken moet. En daar schoonheid een erkenning is, mogen wij wel stellen, dat de schoonheid der dingen niet beseft wordt door degenen, die er deel van zijn, maar de harmonie kenbaar maakt voor buitenstaanders.

Degenen, die God willen zien in deze triade, zullen moeten leren in wezen één te zijn met de schoonheid, zij zullen moeten leren de liefde t.a.v. het Al in zich te dragen. Hierdoor ontstaat de werkelijke harmonie met al het zijnde, waardoor liefde en schoonheid alleen nog maar vage begrippen zijn, terwijl de beleving van de totaliteit zonder dergelijke onderscheidingen tot de eigen werkelijkheid in het Zijn wordt.

  • U had het over ruimtelijkheid, die zelf geen ruimte is?

Wanneer ik denk, kan de gedachte niet ruimtelijk gedefinieerd of omschreven worden. Toch kan deze gedachtewerelden omvatten. Zij is dus ruimtelijk – bewustzijn – en toch niet ruimte. Ik gebruikte dit beeld om duidelijk te maken dat wij allen de gedachte of gedachtekracht Gods zijn, zodat de uiteindelijke harmonie nimmer als ruimtelijk begrensd beseft kan worden, maar voor ons bewustzijn in de ruimte tot uitdrukking komt.

  • Dus gedachte scheidt a.h.w. ruimte af?

Wanneer u droomt, scheidt u iets af? Hoogstens angstzweet, wanneer u een erge nachtmerrie hebt. Toch kunt u in uw gedachten en dromen gehele landen en steden zien, bereizen enz, toch kunt u, zelfs wanneer u aan kunt geven, waar deze prikkels en gedachten ontstaan, de droom nimmer ruimtelijk omschrijven. U kunt haar alleen omschrijven en kennen als energie. Deze energie kan dus voor het bewustzijn toch een totale, voor het ik reële ruimtelijkheid omvatten. Daarom moet u niet proberen ruimtelijkheid af te leiden uit de werking van de gedachte als werkelijkheid, maar beseffen, dat het energetisch vermogen, dat in zich niet ruimtelijk bepaald kan worden in dit geval in zich tot een voorstelling kan scheppen, die binnen deze energie als ruimte wordt ervaren.

  •  Baseert u in deze tijd op uw eigen kleur. Hoe kan men de eigen kleur vaststellen?

Kleur is de uitdrukking voor toestand, emotionele inhoud? Enz. Kleur is hier dus geen aanduiding van een vaste kleur, maar voor de mens eerder van een overwegende reeks eigenschappen, die dan ook in een omschrijving van het karakter kunnen worden uitgedrukt. Wanneer wij met een sanguinisch type te maken hebben, zullen wij spreken over rood. Is het een idealistisch type, dan zullen wij meestal – niet altijd dus – van lichtend rood spreken, maar een meer materieel sanguinisch type wordt vaak met donker of zelf vuil rood aangeduid. Geel duidt een neutraal, maar niet geheel lethargisch type aan. Lichtend geel of goud wordt gebruikt op het ogenblik dat zo iemand – meestal systematisch – geestelijk bewust werkt en dan ook meestal tracht t.a.v. zijn medemensen iets goeds te doen. Is iemand van dit karakter meer egocentrisch ingesteld – waarbij men dus tracht de gehele wereld op zichzelf te betrekken, maar toch daaraan kracht of stimuli ontleent, spreken wij van geel of donkergeel. Blauw geeft het type aan van de mens, die overwegend koel verstandelijk reageert en logisch pleegt te reageren.

Men kan hier spreken van een wetenschappelijk denken of de neiging daartoe. Is daarbij het streven gericht op het begrijpen en verklaren van de kosmos, het eigen ik en het bestaan, terwijl een praktijk met deze pogingen gepaard gaat, spreken wij van licht blauw of zilver. Iemand, die te maken heeft met wetenschap en logica, maar deze hoofdzakelijk hanteert als zelfrechtvaardiging, hanteert ter bevestiging van eigen belangen enz., dan spreken wij vaak van troebel- of donkerblauw. Komt bij deze wijze van reageren en denken bovendien nog een innerlijke beleving van meer mystieke aard, een gevoelsmatige aanvulling van het redelijke element, dan spreken wij – in het geval dat positief-altruïstisch wordt gereageerd – over lichtend paars of zilverpaars. Is er een egoïstische mystiek, een magische neiging, dan spreken wij veelal over donkerpaars of purper – dit laatste, wanneer hartstochten eveneens een grote rol spelen.

Wit als kleur komt bij mensen zelden voor. Wanneer echter een dergelijke mens gevonden wordt, hebben wij zeker te maken met iemand die zichzelf geheel kan beheersen, maar toch emotioneel van aard is. Iemand, die de mensheid beleeft en uit het bestaan in deze mensheid energie put. Komt hierbij nog een besef van goddelijke waarden of een hogere zending, dan kunnen wij, mits de zending echt is, spreken over iemand die behoort tot het zeer witte of verblindende Licht.

Ik hoop u met deze typeringen – waarbij ik mij niet aan psychologische termen heb gehouden om misvattingen te voorkomen – u hopelijk duidelijk gemaakt te hebben, dat u uw eigen kleur betrekkelijk eenvoudig zult kunnen bepalen, wanneer u maar eerlijk aan uzelf toegeeft hoe u leeft en denkt. Onthoudt verder: alle angsten in uw leven maken uw kleur donkerder, zolang zij niet overwonnen worden. Alle positieve besefte waarden, die resulteren in acties, welke niet op angst of begeren zijn gebaseerd – in egoïstische zin dan – verhogen het Lichtende effect van de gevonden kleur.

  • Zijn dit dan ook de kleuren van de aura?

Wanneer een helderziende niet feitelijk – astraal – waarneemt, maar a.h.w. aanvoelt, zullen soortgelijke kleuren bij soortgelijke karakters vaak, vooral als tweede en derde laag van de aura, beschreven worden. De aura zelf, objectief – dus direct astraal direct waargenomen – blijkt echter nimmer één enkele kleur, maar steeds een mengeling van kleuren te bevatten.

Indien u een vergelijkend beeld wenst: denk aan de warreling van kleuren, die bv. de corona van de zon te zien geeft. Hierin komen vele verschillende kleuren, elkaar afwisselend of zich vermengend, steeds voor. De aura van de mens doet hieraan vaak denken, zij het, dat het kleurschema natuurlijk wat anders ligt. Zelfs de uitschietende reuzenvlammen, die de corona van de zon kentekenen, komen voor, wanneer de emoties van een mens op een bepaald punt van de aura zich bijzonder sterk ontladen. De aura zelf kent dus geen hoofdkleur of kleurachtergrond.

Bij het aanvoelen daarvan worden vaak wel kleuren genoemd. Dezen zijn echter associaties, zodat de door mij genoemde kleuren vrijwel algemeen voor zullen komen, tenzij de volkeren een geheel andere dan de hier geldende kleurwaardering traditioneel kennen. In China – oude stijl – zal men bv. het Witte Licht vaak vervangen door het “rood van het leven”, terwijl de kleur rood weer vervangen woord door “de kleur van de tijger” enz. Nogmaals, eenvoudigheidshalve plegen wij bepaalde invloeden en mensen met bepaalde kleurwaarden aan te duiden. Altijd zullen dan hoofdtendensen of eigenschappen genoemd worden, die met deze kleur samengaan. Daarop zult u vooral uw aandacht moeten richten, niet op de kleuraanduiding zonder meer.

  • Indien u met enige beheersing deze krachten in u doet presteren enz. Hoe dan?

Hier is geen algemeen geldend antwoord mogelijk. Ik kan ten hoogste een voorbeeld geven. Stel u voor dat u overtuigd bent van het bestaan van een God, de werking van deze God in uzelf aanvaardt. Nu bevindt u zich in een situatie, waarin schijnbaar voor u geen oplossing te vinden is. Dit kan gaan om het genezen van een zieke, het opwekken van een dode, het lopen door vuur, over water of iets dergelijks. U kunt nu krachtens uw geloof aan God en de aanvaarding van Zijn kracht, in u bewust en volgens uw wil uw verhouding tot de wereld en uw mogelijkheden daarin wijzigen. Het activeren van deze kracht betekent dus, dat u andere mogelijkheden krijgt, het onmogelijke vaak waar kunt maken en desnoods doden tot leven kunt terugroepen, – onder bepaalde omstandigheden dan – zieken kunt genezen, enz. Hopelijk maakt dit voorbeeld duidelijk, waarover het hierbij gaat. Een aanwijzing, die voor eenieder bruikbaar is, lijkt mij echter binnen dit verband moeilijk te geven.

  • Richt u in bezinnelijkheid op innerlijke erkenning en u vindt de beheersing, waardoor uw toenemende energie beheersbaar en bruikbaar wordt. Kunt u dit verduidelijken?

Bezinnen = beschouwen. De mens, die in zelfbeschouwing doordringt tot het eigen wezen, is in staat de onevenwichtigheden daarin op te heffen. Hij zal hierdoor steeds meer energie tot zijn beschikking krijgen, die vroeger door de innerlijke verdeeldheid, strijd en onevenwichtigheden werd geabsorbeerd. Daarnaast kan hij vaak harmonieën in eigen wereld of met hogere waarden voor zich beseffen en tot stand brengen. Hieruit vloeit wederom een vergroting van het eigen vermogen, de in het ik aanwezige kracht, voort. Iets dergelijks vindt trouwens, zonder dat het waakbewustzijn daarbij betrokken is, in de slaap wel plaats. Wij zien dan, dat iemand, na een zeer korte rust, geheel verfrist ontwaakt en zelfs over meer dan normale energie beschikt. Deze verdwijnt veelal snel, omdat de mens niet beseft, hoe een dergelijke energie juist en geleidelijk gebruikt, ontladen dient te worden. Is men zich van het proces geheel bewust, dan zal men ook begrijpen, dat de ontvangen en verworven kracht meer kan doen dan alleen maar welbehagen tot stand brengen. Men beseft dan de mogelijkheden in het ik en in de wereld, en kan de energie, waarover men beschikt, nu bewust, gericht en beheerst, inzetten om dingen te bereiken, die anders niet zonder meer mogelijk zouden zijn voor het ego. Zelfs indien men de kracht alleen maar gebruikt binnen de normen van normale activiteiten, zal men bemerken, dat door het bewust en gericht gebruik daarvan de prestatie aanmerkelijk hoger komt te liggen dan men normaal zou kunnen verwachten of bereiken.

  • Moet een echtpaar, dat niet harmonisch kan samengaan, de huwelijksbanden geheel verbreken, ook al volgt hieruit leed voor een der echtlieden?

Geen alomvattend antwoord is hier te geven. Wel kan ik stellen: wanneer de partij die de disharmonie ervaart, meent door scheiding onrecht te doen aan de andere partij, – die kennelijk het huwelijk dus niet als zo disharmonisch ervaart -, zal de innerlijke onrust, die de scheiding veroorzaakt waarschijnlijk nog sterker zijn, dan de onrust en disharmonie, waaronder hij of zij gebukt gaat bij een verdere continuering van het huwelijk.

Wanneer de andere partij zich eenvoudig niet bewust schijnt te zijn van de disharmonie, die de ander ervaart – en dit is zeer wel denkbaar – zou het misschien goed zijn om eens uiting te geven aan deze disharmonie en haar oorzaken. Soms kan hierdoor veel van de disharmonie zonder meer teniet worden gedaan. Indien echter zou blijken – wat ook vaak voorkomt – dat de ander het huwelijk eveneens als disharmonisch ervaart, zo zou ik t.e.m. een huwelijksvakantie willen aanraden. Helpt ook dit niet, dan is inderdaad volgens mij scheiding de enig juiste oplossing.

U weet kennelijk niet, wat huwelijksvakantie inhoudt. U denkt er wel aan, maar in een kennelijk wat pornografische zin. Zo bedoel ik het echter niet. Ik versta hieronder eenvoudig een tijdlang gescheiden leven, zodat men uit elkanders omgeving enz. verwijderd is. Enige tijd leven zonder elkander. Want over het algemeen kan een mens zijn werkelijke verhouding tot een andere mens eerst dan bepalen, wanneer hij voldoende afstand heeft gewonnen. Vele zogenaamd disharmonie veroorzakende aspecten van de ander blijken dan alleen maar hebbelijkheden te zijn, die men eigenlijk best zou kunnen verdragen, wanneer men niet alleen daarop zou letten en op niets anders. Omgekeerd zullen vele als normaal beschouwde z.g. eenvoudige alledaagse dingen opeens niet zo normaal blijken te zijn, als men door gewoonte was gaan denken, en blijken zij in feite een uiting te zijn van deugden van de partner, die men al lang over het hoofd heeft gezien. De moeilijkheid bij echtgenoten is meestal, dat zij eerst weten, wat de ander voor hen betekende, wanneer zij deze ander verloren hebben. Men is in het huwelijk immers geneigd de ander als vanzelfsprekend te aanvaarden, en zonder meer te verlangen, dat de ander beantwoordt aan de voorstelling die men zich van hem of haar maakt en voldoet aan de eisen, die men aan de ander meent te mogen of moeten stellen, zonder daarbij te beseffen, dat de ander evenveel recht heeft eisen te stellen.

  • Wat te verstaan onder “het woord”, zoals dit voorkomt in verschillende scheppingsverhalen? Is dit symbolisch bedoeld?

Het ‘woord’ is een uitdrukking, waardoor men vermijdt de werkelijke naam of uiting van een Schepper te noemen. Deze gewoonte komt uit het primitieve geloof van mensen, die meenden omringd te zijn door goden en demonen. Wanneer iemand, die sterker was dan jij, je ware naam wist, had hij daardoor macht over je; was jij de sterkere, dan werd de ander door het noemen van je ware naam geheel aan jou gebonden. Naam en wezen werden als de keerzijden van dezelfde medaille beschouwd. In Egypte – waarvan de invloed op de beeldspraak van de eerste vijf boeken van de bijbel bepalend was – werd het woord vaak gebruikt als beeld van de macht. Denk hierbij aan het boek Toth. Men kon dit lezen, maar niemand kon het hardop lezen. Wie het echter kende, was na het eerste blad reeds meester van alle krachten der natuur, terwijl hij die ook het tweede blad had gelezen, in staat zou zijn de wereld te doen vergaan of te doen herontstaan. “Woord” is hier geen aanduiding van klank, maar een bemanteling, voortkomende uit een magisch denken.

Het ‘woord’ betekent dus: de schepping is Gods uiting, Gods kracht. Indien je de naam kent, beheers je die uiting en kracht of verlies je eigen persoonlijkheid en uitingsmogelijkheid, om tot een echo te worden van het sterkere. De vrome zal dus vermijden de naam van zijn God, vooral de ware naam van die God, te gebruiken. In de eerste plaats, omdat een ten onrechte gebruiken een soort krachtmeting inhoudt, terwijl daarnaast het besef bestaat, dat men tegen God niet is opgewassen en dus beter doet zijn naam nooit luid uit te spreken. In bepaalde vroege vormen van kabbalisme kunt u dit terug vinden. Wie de ware naam van God kent, kan daaraan macht en kracht ontlenen. Men is dan harmonisch verbonden met die God en zal zo dingen kunnen vragen en bereiken, die zonder deze kennis niet mogelijk zouden zijn. Het uitspreken van de naam zou echter het onmiddellijk oproepen van eendracht betekenen, die men niet zou kunnen weerstaan, beheersen of verdragen. Daarom vervangt men deze naam, zodra men spreekt, door een pseudoniem of eenvoudig door “het woord”. Zelfs nu nog bij de chassieden worden alle namen van God bij de lezing van geschriften door andere woorden vervangen. Woorden, die voor de hoorder wel hetzelfde betekenen, maar niet “heilig” zijn.

  • Kunt u de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester verklaren?

Deze werd geprezen, omdat hij zich vrienden maakte uit de Mammon, ook al behoorde die Mammon tot zijn meester. M.a.w. bezit, van u of anderen, is niet belangrijk.

Belangrijk is de verhouding tot de mensen, tot je meester ook. Wanneer je voelt, dat je met god niet al te best kunt uitkomen, kun je alle dingen, die god je tijdelijk – op aarde – geeft, beter gebruiken om de anderen, die mogelijk met God wel een relatie hebben, vriendelijk te stemmen.

Dan heb je de kans, dat zij je tegen Gods toorn zullen beschermen, wanneer het eropaan komt. Vergeet niet, dat dit voortkomt uit een magisch denken. Jezus leerde zijn leerlingen meer dan alleen maar gelijkenissen en filosofie. Hij leerde hen kennelijk ook magie, daar immers zijn leerlingen – en ook hun leerlingen – “wonderen” konden doen en dus wisten, hoe paranormale verschijnselen tot stand te brengen, enz.

  • Wat verstaat men onder tantristisch boeddhisme?

Een op het boeddhisme gebaseerd magisch denken, waarbij de magische verschijnselen, werkingen en mogelijkheden vaak sterker op de voorgrond komen en een grotere rol spelen in het leven van de gelovigen en priesters – of monniken – dan de ‘wegen en zuilen’.

Het is verwant aan het lamaïstisch boeddhisme en omvat onder meer het gebruik van krachtspreuken, magische afbeeldingen, moedras enz. Kort gedefinieerd: Een vorm van boeddhisme, die sterk van de oorspronkelijke leer afwijkt door het gebruiken van en overmatig inschatten van magische gebruiken en krachten. De mens zoekt binnen dit denken dus niet alleen zichzelf vrij te maken van de waan, maar zoekt bovendien in de waan van anderen in te grijpen door de manipulatie daarvan.

image_pdf