Wetten

uit de cursus ‘Inleiding tot de esoterische magie’ 1961-1962

Wetten

Er zijn in de kosmos een groot aantal wetten of wetmatigheden, die allen weer tot de zgn. levenswetten kunnen worden herleid. Deze wetten kunnen zelf worden uitgedrukt in twee termen, nl. de wetten die voort­vloeien uit de esoterie en de magie.

Wanneer wij ons bezighouden met esoterie en magische esoterie, dan staan wij natuurlijk voor de noodzaak om aspecten van deze wetten te be­zien, die in het bijzonder toepasselijk kunnen zijn op onze innerlijke ont­wikkeling en daarnaast op onze mogelijkheid tot bereiking. Ik wil trach­ten u enkele levenswetten te verklaren die uit de hoofdwetten voortko­men.

In de esoterie geldt allereerst een reeks wetten die zijn gebaseerd op harmonie, harmonische werkingen. Ik zal deze wetten punt voor punt behandelen en verklaren.

Elke harmonie die innerlijk bestaat, vloeit voort uit het Goddelijke. Zij is een absolute evenwichtigheid en kan ‑ tot één der beide waarden zich wijzigt ‑ nooit verbroken, veranderd of teniet worden gedaan. Zij is onaantastbaar voor elke uiterlijke invloed en zal binnen het “ik” een voortdurende werking van het Goddelijke tot stand brengen.

In deze wet wordt dus uitgedrukt de waarde van harmonie en harmonische werking. Want wanneer wij innerlijk een bepaalde harmonie bereiken met iets hogers, iets wat voor ons meer lichtend is, dan zal deze werking, zolang wij deze erkennen, ook kunnen blijven bestaan. Iemand die naar bewustwording streeft, zal zijn God leren erkennen. Lang voordat hij zichzelf heeft leren zien zoals hij is, heeft hij reeds erkend: er is in mij een kracht van grote betekenis, die mij voortstuwt door alle waarden des levens, die mij heen helpt over alle raadselen, en mij brengt tot een oplossing van problemen die voor mij belangrijk zijn. Op het ogenblik dat hij deze kracht erkent, zal het totaal van zijn leven op die kracht kunnen zijn gebaseerd. Hij wint daaruit voor zich de mogelijkheid om het hogere in zich te erkennen en te beleven, maar tevens om door een vergelijking met deze hogere waarden zichzelf te leren kennen.

De esoterische bewustwording is in dit geval gebaseerd op vergelijking. Wanneer ik nl. het Goddelijke in mij erken en deze goddelijke Kracht a.h.w. in mij leeft, dan zal ik dit Goddelijke zien in de dingen rond mij.

Ik zal dan ook erkennen waar ik niet ‑harmonisch ben, dus waar ik niet tegen de dingen of de toestanden zelf maar tegenover het Goddelijke ver­keerd handel.

Het blijkt dan dat de doorsneemens een totaal verkeerde waardering heeft van zijn resultaten in het leven. Want het is voor ons niet belangrijk dat wij een direct resultaat behalen, nl. een kenbaar, een zichtbaar resultaat. Het is voor ons echter van de grootste en ook diepste innerlijke betekenis dat wij al ons handelen afstemmen op de God, Die in ons leeft.

Uit deze wetten van harmonie vloeit dan nog een tweede wet voort. En deze stelt:

Harmonie kan zowel in een horizontaal als in een verticaal vlak ontstaan. Wanneer echter een harmonie slechts op één vlak wordt bereikt, is zij nutteloos voor de beleving en kan zij geen bewustwording voortbrengen.

Naar ik meen, zal ook deze wet voor u duidelijk zijn, indien u zich realiseert, dat uiting één van de meest belangrijke krachten is. Op het ogenblik dat wij in ons een harmonie ervaren, moet er uitdrukking aan worden gegeven. Diezelfde harmonie moet ook worden weerspiegeld in de wereld buiten ons. Daarbij is zij niet gebonden aan de voorstellingen die wij ons maken van een harmonische verhouding. Wij zullen voor onszelf vaak bepaald verlangen en belangen projecteren en zeggen: Dat is voor ons de ideale harmonie. Maar dat is eigenlijk van minder belang. Van belang is dat er een harmonie, een samenwerking, een aanvoelen, een eenheid bestaat. Dat geldt voor u evenzeer wanneer u te maken hebt met dode materie, met lagere levensvormen, als wanneer u in contact komt met mensen of geesten. Niet de vorm die de harmonie met dezen krijgt, is van belang, maar wel het feit dat de wederzijdse erkenning, de wederzijdse beleving harmonisch is.

U zult inzien dat ik mijn God eerst dan waarlijk kan erkennen, wanneer mijn God voor mij ook manifest wordt in de wereld buiten mij. Het resultaat is duidelijk. Innerlijke beleving van het Goddelijke vormt een harmonie, die de in mij bestaande, zelfs laagste waarden in eenheid en in overeenstemming met het Goddelijke brengt, terwijl gelijktijdig mijn uiting (de uiting in mijn wereld) een directe weerkaatsing zal zijn van dit innerlijk ervarene op het vlak dat voor mij op dit ogenblik juist is.

Er is over deze stelling natuurlijk zeer veel te zeggen. Ik wil echter volstaan met enkele eenvoudige punten.

Zoals u weet, bestaan er zeer verschillende soorten van kruisen. Wij kennen het zgn. duivelskruis, waarbij de balk laag is geplaatst. Dit duivelskruis (later in het satanisme gebruikt) is echter de voorstelling van een harmonie die wel degelijk met het Goddelijke bestaat, maar die slechts op het laagst denkbare vlak in de wereld tot uiting wordt gebracht. Degenen die dit niet beseffen, hebben dit symbool vernietigd en misbruikt.

Wij kennen dan verder het gelijkarmige kruis, dat alleen ideaal is en een volmaakte uitdrukking kan zijn, wanneer er een volledig wereldomvattend bewustzijn mee gepaard gaat. Dan krijgen wij nl. het kruis in de cirkel of het kruis in de bol. Het bewustzijn is centraal maar is in alle waarden van de kosmos gelijk aanwezig zodat de eigen uiting overeenkomt met de volmaakte beleving van het Goddelijke in het “ik”.

Het zgn. Christus‑kruis, het kruis met de verhoogde balk in het Christendom gebruikelijk, geeft aan dat men dus op een niveau, dat boven het zuiver stoffelijke ligt, tot een werelderkenning komt en daarin zijn Godservaren uit.

En dan kent u misschien ook nog het kruis met verscheidene dwarsbalken, soms als een soort Jacobsstaf. Hierin wordt uitgedrukt dat het bewustzijn van de mens zich op verschillende vlakken kan uiten en dat de mens op verschillende punten een harmonie kan bereiken, een harmonie dus met andere werelden. Maar de grootste harmonie zal altijd in de laagst beleefde wereld zijn, de kleinste harmonie en harmonische mogelijkheid in de hoogste wereld, die voor het “ik” kenbaar is.

Hier hebt u dus ook van deze wet een aardig voorbeeld, een aardige vergelijking.

In wil ook nog het anhk‑kruis noemen. Het kruis waarop boven de dwarsbalk een cirkel staat. Men meent wel eens dat dit moet worden herleid tot fallische sleutels e.d., maar het is de uitdrukking van het volgende principe: Op het ogenblik dat ik de oneindigheid op harmonische wijze in mijzelf erken, zonder haar te willen definiëren of richten, zal mijn bewustzijn deze harmonie op het hoogst mogelijke niveau in de wereld weerkaatsen. Opvallend is dat in alle gevallen dus de basis gelijk is, maar dat de wijze van beleving, zoals deze wordt uitgebeeld, zeer verschillend kan zijn.

Dan kennen wij een derde wet die direct berust op de harmonische wetten en die dus voor het innerlijk pad van uitzonderlijk belang kan wor­den genoemd. Zij stelt:

Alle krachten en waarden die in mij samenkomen plus mijn voor­stelling van het ideale, vormen mijn punt van uitgang. Alleen vanuit dit punt kan ik het Goddelijke benaderen; alleen vanuit dit punt kan ik op harmonische wijze mijn wereld beleven.

Hier wordt dus kennelijk een beperking gesteld, een beperking van onze mogelijkheid om tot harmonie te komen. Wij kunnen nooit door ons alleen op een ideaal of alleen op een ervaring te baseren met de wereld harmonisch zijn Maar wij kunnen ook nooit zonder beide waarden in onszelf het beginpunt vinden. Het punt dus, waarin God Zich aan ons openbaart. Hiervan kan ik u helaas geen voorbeelden geven.

Ik zou nu willen overgaan tot de zgn. magische wetten, die eveneens uit dezelfde wetten der kosmische harmonie worden afgeleid.

In de magie stellen wij dan allereerst: Elke uitbeelding is van gelijke waarde, ongeacht de vraag, of zij materieel, geestelijk of zelfs imaginair is. De waarde op zichzelf plus de harmonie die ergens in het Al met deze waarde kan bestaan, bepaalt de uitwerking ervan, de invloed voor het eigen wezen en de kracht die daaraan is onttrokken.

Wanneer u denkt of u kunt het soms zelfs dromen, dan is deze droom ‑ al is dat voor uw beleven misschien niet waar ‑ even werkelijk en evenzeer een deel van de kosmische wereld als een zuiver stoffelijke daad. Wanneer de hongerige droomt van een maaltijd, dan is ‑ gezien in de magische samenhangen ‑ deze maaltijd even reëel als die, welke hij bij waakbewustzijn zou kunnen ontvangen en nuttigen. Niet dat hij in dit leven en op dit ogenblik die maaltijd nuttigt, maar ergens in het Al is zijn wezen en ontstaat dus het begrip “maaltijd en ik worden vereenzelvigd”. Dat geldt op elk terrein. Wanneer deze maaltijd nu ergens op kosmisch terrein plaatsvindt (in de stof, in de geest, in de sferen), dan zal de gelijkvormigheid daarvan een identificatie betekenen. Deze beide waarden kunnen dus voor elkaar worden gesubstitueerd.

Nu klinkt dit voor een mens ongelooflijk, Maar wanneer ik als geschoold magiër (of zelfs geschoold esotericus en magiër) mijn krachten, mijn spijzen a.h.w. verwerf in een andere sfeer of wereld, dan is het mogelijk ‑ zelfs als die wereld niet geheel reëel is ‑ daaruit te leven. Het is mogelijk met een onbegrijpelijk minimum aan spijs en drank op aarde te bestaan. Redelijk zou men daaraan moeten sterven. Maar elders geniet men deze verfrissing, deze lafenis en elders ontstaat de kracht die naar het stoffelijk lichaam kan worden overgebracht.

Hierop zijn zeer vele magische rituelen gebaseerd, terwijl tevens ook een groot aantal procedures, in de magie gebruikelijke procedures, hieruit voortvloeien. Want als ik ‑ om een voorbeeld te nemen ‑ een foto van een mens behandel, dan behandel ik die mens zelf, mits ik mij ‑ en dat is dan voor mij een voorwaarde ‑ van de identificatie tussen deze beiden bewust ben. De tweedimensionale voorstelling en de driedimensionale werkelijkheid en eventueel de geestelijke werkelijkheid elders worden voor mij één. Ik bereik harmonie en door die harmonie werk ik in al die waarden gelijktijdig.

Dan zeggen de wetten van harmonie nog:

Al datgene waarmee ik eenheid bereik, is een blijvend deel van mijn wezen. Een moment in tijd dat eenheid betekent is een band die onverbrekelijk blijft, tenzij het wezen ‑ zich­zelf opnieuw erkennend ‑ tot een geheel andere ik‑realisa­tie komt. Hierop berust in de magie o.m. het verbreken maar ook het aanknopen van magische banden.

Wanneer een mens zichzelf eenmaal heeft erkend in een zekere vorm en er is een harmonie ontstaan ‑ ook al is dit een ogenblik geweest en gevolgd door wie weet hoe lange strijd en disharmonie ‑ dan zal dit ene harmonische moment altijd een binding blijven vormen, een macht. Slechts als één van beide personen zich zou veranderen en dus zijn hele wezen, zijn manier van leven en denken zou wijzigen, zal hij of zij zelf niet meer onder deze magische band kunnen vallen. Want dan bestaat de harmo­nie met een imaginair geworden beeld, waarin geen werkelijke bezieling bewust leeft. Het is van belang dat u ook dit onthoudt.

Elke harmonie die tot stand komt in goed of in kwaad, zal blijven voortbestaan tot u zichzelf hebt veranderd. Eerst op dat ogenblik kun­nen nieuwe banden, nieuwe krachten, nieuwe invloeden gaan optreden.

Ik geloof dat ook de volgende regel (het is geen wet, omdat er en­kele uitzonderingen op kunnen bestaan) voor u belangrijk kan zijn. Het symbool is gelijk aan de werkelijke waarde, zolang deze in het symbool wordt erkend. Het is dus mogelijk op elk ni­veau de hoogste geestelijke kracht uit te drukken. Het is mogelijk op elk niveau de hoogste geestelijke kracht te wekken en het is mogelijk vanuit elk niveau deze geestelijke kracht te doen afdalen tot de mensheid of een deel waar­mee ‑ misschien zelfs maar voor dit ogenblik ‑ een zekere eenheid is verworven of een zeker begrip.

Hierop berusten zeer vele oude gebruiken, zoals bv. de overdracht van priesterlijke eigenschappen door handoplegging, van aartsvaderlijk ge­zag door de zgn. zegen, het zgn. laatste geheim dat de ingewijde over­draagt aan zijn opvolger (de door hem opgeleide adept) wanneer hij van de wereld afscheid neemt. Hier wordt de inhoud van het wezen inclusief zijn kennis en zijn macht overgedragen aan een ander. U zult begrijpen dat wij dit kunnen toepassen op mensen, maar wij kunnen dit ook toepassen op voor­werpen, dieren en planten. Het is een gevaarlijke macht. Want op het ogenblik dat wij haar misbrui­ken, zullen wij voor onszelf een harmonische werking (zie de vorige wet) doen ontstaan die voor ons blijvend nadelig kan zijn.

Het niveau waarop wij werken, is van weinig belang. Wanneer ik een lotus beschouw, kan deze lotus voor mij identiek zijn met het Al. Zal ik in de beschouwing een innerlijke eenheid en harmonie voelen die de lotus om­sluit, zo omsluit ik tevens het gehele Al en zal ik in deze beschouwing kunnen komen tot een erkenning van het Al. Wanneer de Gautama Boeddha in meditatie de blik richt op een deel van zijn eigen lichaam, zo geschiedt dit niet slechts omdat hij zichzelf wil er­kennen, maar hij weet uit zijn scholing dat hier de krachtbron schuilt waaruit hij kan putten. Deze kracht nu is kosmisch, dat beseft hij. Door zich te richten op de kosmische kracht in zijn eigen wezen, kan hij daarmee iden­tiek worden. De harmonie die ontstaat geeft hem de macht, de krachten en de mogelijkheden die tot een kosmisch of goddelijk wezen behoren. En als hij zich in het gebruik daarvan beperkt, dan doet hij dit slechts omdat een volledig gebruik van dergelijke machten wederom zijn mogelijkheid tot harmo­nie met de mensheid zou kunnen verbreken.

In deze paar wetten en regels hebt u een klein beeld gekregen van de magische mogelijkheden. Het zal u echter duidelijk zijn, dat ‑ vanuit ons standpunt althans ‑ zekere krachten toch wel van het allergrootste belang zijn. En dat zijn niet de krachten van de magie of van de esoterie afzonderlijk, maar het zijn de krachten van de harmonische werkingen die wij kunnen veroorzaken.

Een bereikte harmonie, een kracht in onszelf bevestigd, is tenslotte een egocentrisch iets. Het houdt zich alleen met onszelf bezig. Nu kunnen wij al hetgeen wij krachtens de wetten van harmonie bereiken weer gaan uitdrukken. Maar elke uiting valt onder oorzaak‑en‑gevolg of ‑ zo ge wilt ‑ herstel van evenwicht. En daarbij vinden wij voor de esoterie dan het volgende: Elke erkenning van hoger licht geeft besef van dieper duister. Elk beleven van dieper duister schept besef van hoger licht. Zo zijn de diepste waarden en de hoogste waarden, ofschoon in beleving tegengesteld, in feite gelijk.

Wij moeten dat goed begrijpen. Wij streven naar het licht. Niet omdat nu dat licht de enige waarde is, waarin God kan worden erkend, maar omdat het de enige waarde is, waarin wij onszelf kunnen erkennen in God. Wanneer onze bewustwording en onze zelfkennis echter voldoende gestegen zijn, dan is er voor ons geen feitelijk verschil meer tussen licht en duister en geldt voor ons een regel die menige Meester heeft gebruikt. Licht en duister bepalen voor mij slechts rust en werkzaamheid. Want in het duister doe ik vrijheid geboren worden waaruit licht kan ontstaan. In het lichte zelf echter rust ik en absorbeer ik het licht, waar immers daar geen enkele taak meer bestaat. En uit deze regel volgt onmiddellijk de verklaring van een tweede wet:

Het is niet mogelijk zonder streven bewust te bestaan. Op het ogenblik dat het streven ophoudt, is er geen leven meer. Er kan nog een aarzelend bewustzijn blijven bestaan, maar dit heeft geen eigen uitingsmogelijkheden en zal nimmer een volledige zelferkenning tot stand kunnen brengen. Waar echter activiteit en streven is, zal het “ik” ten allen tijde blijven bestaan, zich uitbreiden en is de uiterste beperking slechts het Oneindige. Op het ogenblik nl. dat mijn oneindigheid niet slechts in duur ligt maar eveneens in macht en beleven, ben ik identiek met het totaal van het geschapene. En in het totaal van het geschapene leef ik in en met God en ben ik één met Zijn wezen.

Ik heb deze wet opzettelijk iets uitgebreid. Dat wil zeggen: ik heb haar op zichzelf zeer summiere woordvolgorde omgevormd tot een meer begrijpelijke stelling. Op het ogenblik dat wij niets meer hebben om naar te verlangen, niets meer om naar te streven, niets meer om te doen, kunnen wij onszelf niet meer uiten. Dat is duidelijk. Wanneer ik mijzelf niet meer kan uiten, is er voor mij geen zelferkenning meer. Deze zelferkenning kan liggen in een wereld van waan, zowel als in een wereld van werkelijkheid. Het is zelfs niet belangrijk of mijn wereld een zuiver persoonlijke is (bv. de wereld van sommige waanzinnigen) of een wereld van kosmische werkelijkheid zoals die der grootste wijzen. Zolang ik een wereld heb, waarin ik kan werken en streven en waarin ik bewust streef, zal mijn kennis omtrent mijzelf groter worden en zal mijn mogelijkheid tot begrip van en eenheid met de kosmos worden uitgebreid. Elke verstoring van wat een mens redelijkheid noemt, komt ten einde. Want deze verstoring kan immers nooit verdergaan dan het punt waarop de sfeer wordt verlaten. Een waanzinnige op aarde zal zijn waanzin verliezen, wanneer hij overgaat. Maar de daarin bereikte waarden en kennis blijven voortbestaan. Ze zijn toepasselijk op allen.

Dan zegt oorzaak‑en‑gevolg verder in één van de afgeleide wetten: De eerste vonk van bewustwording is in feite de absolute bewustwording. Want uit de eerste vonk van bewustwording zal alles volgen wat tot de absolute bewustwording voert. Een begin van zelfkennis voert tot absolute zelfkennis. Dit is alleen aanvaardbaar wanneer wij aannemen dat het leven zich uitstrekt over ongetelde levens en ongetelde sferen. Maar deze stelling mogen wij rustig huldigen. Want ook al is, vanuit menselijk en zelfs van ons geestelijk standpunt, een zekere begrenzing mogelijk van het aantal sferen en werelden, het aantal levens, in de werkelijkheid zal dit niet bestaan. En daaruit volgt dat iedere mens te enigerlei tijd zichzelf volledig zal kennen, zich volledig van zijn God bewust zal zijn en daarmee op den duur dit identiek‑zijn met het Al (in de vorige regel besproken) bereikt.

Ik geloof dat dit punt voor eenieder die in de esoterie streeft, belangrijk is. Men zou het eigenlijk in een lijstje moeten zetten, zodat men het regelmatig zou kunnen zien. Want dan beseft men hoe onbelangrijk de kleine dingen zijn. Het feit dat ik leef, bepaalt reeds dat ik eens volledig bewust zal leven en een volledige eenheid met de grootste kracht zal verkrijgen.

Deze wet wordt in menige esoterische school niet genoemd. Men vermijdt haar graag, want zij neemt enerzijds de drang tot streven bij sommigen weg en anderzijds de gezagsverhouding die in een esoterische lering ‑en scholing zo vaak noodzakelijk is. Ik meen echter dat elke mens het recht heeft dit te weten. Deze regel is onmiskenbaar. Zij blijft altijd juist. Zij vloeit voort uit de grondeigenschappen van de kosmos en de Schepper Zelf. En daarom is er niets wat u werkelijk kan storen, niets wat u werkelijk ooit kan vernietigen, niets wat uw bestaan ooit werkelijk waardeloos kan maken, want alles voert ‑ reeds krachtens het feit dat gij leeft ‑ tot een voleinding, die tevens het “Ultimo Thule”, de grote voltooiing is.

Het zal u duidelijk zijn dat oorzaak‑en‑gevolg in de magie een ander karakter krijgt. Hier vinden wij eveneens afgeleide wetten en regels, maar deze zijn uit de aard der zaak vaak meer op het gevolg dan op de oorzaak gericht. Ik wil daarom uit de vele regels die er bestaan, er slechts enkele citeren.

Elke handeling die bewust wordt verricht, betekent een kracht die bewust kan worden overgedragen. Wanneer ik mij bewust ben van hetgeen ik volbreng en ik stel mij dus een bijzonder doel, dan schep ik daarmee (volgens de onder harmonie geciteerde regels en wetten) een harmonische verhouding, een harmonische relatie, waarbij de beide werkelijkheden door elkaar kunnen worden vervangen. En dan kan een symbolische handeling in de stof zelfs tot resultaat hebben een feitelijk gebeuren in de sferen. Terwijl omgekeerd een symbolisch gebaar, een symbolisch gebeuren in de sferen, tot een feitelijke gebeurtenis op aarde aanleiding kan zijn. In alle gevallen geldt dat de kracht evenredig is aan de intensiteit waarmee men het symbool dan wel de handeling schept. Er wordt hiervan veel gebruik gemaakt ook bij genezingen, bij beïnvloedingen op afstand van personen en verder bij het zenden van zgn. zegeningen. In de zwarte magie wordt deze regel minder gebruikt, omdat zij ‑ gezien de identiciteit die ontstaat tussen de eigen symbolen en de andere plaats ‑ het eigen “ik”, dat immers altijd mee betrokken is bij de symboolhandeling, tevens onderwerpt aan dezelfde invloeden, waaraan men anderen onderwerpt.

Dan wordt gesteld: Al wat ik in mijn gedachten erken en volledig besef, is waar. Dat is ook een oorzaak‑en‑gevolg‑werking. Wanneer ik in mijn gedachten iets als volledig waar erken, dan bouw ik daarmee een werkelijkheid op. Deze is een werkelijkheid, waarin mijn wezen bestaat. Alle daarin plaatsvindende werkingen en krachten zullen inderdaad kenbaar worden.

Het is misschien goed hieraan een waarschuwing toe te voegen. De mens die te ver grijpt, gelooft niet meer geheel in de werkelijkheid, die hij schept. Wanneer hij echter ook maar een ogenblik twijfelt aan zichzelf, zal de kracht, die uit de voorstelling voortvloeit, teloorgaan.

Dan kunnen wij op grond van oorzaak‑en‑gevolg nog zeggen: Al datgene wat ik uitzend naar anderen, wordt vanuit de wereld tot mij teruggezonden.

Het schild dat ik voor mijzelf opricht, is echter hetzelfde schild dat ik anderen ter beschikking stel. Ik kan nimmer mijzelf tegen de door mij uitgezonden krachten beschermen, zonder gelijktijdig anderen te beschermen. Ik kan nimmer krachten van mij doen uitgaan, ten goede of ten kwade, zonder dat deze krachten mijn we­zen kunnen bereiken.

Dan zegt oorzaak‑en‑gevolg nog:

Waar tijd in het gedachtenproces ligt en plaats in de ervaring van het beperkte bewustzijn, kunnen beide als bewustzijnsproduc­ten onderling vergelijkbaar en verwisselbaar zijn. Werkingen die ik kosmisch doe ontstaan, kunnen dus van de ene plaats naar de andere gaan. Zij kunnen daarbij in tijd aanmerkelijk verschillen. Er zal een tijdsverloop kunnen optreden in de uitgezonden kracht (dus het uitzenden van de kracht en het ontvangen van de kracht, mits de plaat­sen verschillend zijn.

En ten laatste:

Mijn kracht rijkt slechts zover als ik daarin geloof, omdat elke oorzaak wordt bepaald door mijn geloof.

Ook een interessante stelling. Wanneer ik een kracht gebruik, kan ik die slechts gebruiken, als ik daar werkelijk op vertrouw en in geloof. Op het ogenblik, dat ik dit niet doe, schep ik aarzelingen. Deze aarzelingen, op zichzelf onbelangrijk en klein, worden oorzaken; oorzaken die tot ge­volg hebben de vernietiging van al hetgeen ik tot stand tracht te brengen.

Uit deze wetten en wetmatigheden vloeit voort dat de esoterische magie haar reden van bestaan heeft, maar ook dat haar methoden van werken volkomen regel zijn.

Esoterische magie vloeit voort uit de behoefte van de mens om zijn levensdoel (door het scheppen van de eerste oorzaak reeds in hem vastgelegd) te vervullen. Daartoe is de noodzaak van zelferkenning onmiddellijk gebon­den aan werkingen in de wereld. Degene, die alleen esoterisch streeft en daarbij niet ‑ bewust of onbewust ‑ de magische kracht naar buiten werpt, zal nimmer verder komen. De magiër, die slechts krachten hanteert zonder daarbij gelijktijdig innerlijk te groeien, gaat aan zichzelf te gronde.

Esoterische magie is dan ook de staf, waarop wij kunnen steunen, tot­dat wij ons eigen wezen vinden. Zij geeft ons enerzijds alle mogelijkheden van geloof, van innerlijke beleving; terwijl zij anderzijds voor ons niet slechts de mogelijkheid maar ook de erkende noodzaak schept tot uiting. Wij zullen alles wat wij zijn en doen, verenigen met alles, wat wij in ons erkennen en buiten ons willen bereiken. De eenheid die zo tussen het “ik” en de wereld ontstaat, is niet slechts voor de bewustwording belangrijk, maar bevordert ten slotte de eenwording van de mensheid, de werkelijke har­monie en op den duur de eenheid met alle groot‑kosmisch krachten.

Het “hoe” zal u ook duidelijk zijn. Esoterische magie werkt met midde­len, die gescheiden kunnen worden bezien, maar die voor het “ik” onont­beerlijk zijn.

Op het ogenblik dat ik bewust magisch werk en daarbij niet tracht de gevolgen te zien als iets dat buiten mij wordt veroorzaakt, maar erken dat ik zelf daaraan deelheb, zal ik aan de gevolgen en de wisselwerking die ook mij daarbij beroeren, kunnen weten wat ik ben. Het houdt in dat ‑ wanneer mijn wezen innerlijk licht en bewustzijn heeft ‑ ik dit bewustzijn kan overbrengen in mijn eigen wereld zowel als in elke sfeer. Mijn wezen heeft een vaste lijn en taak binnen het Al. Deze kan ik nimmer vervullen, indien ik alleen mijzelf erken. Ik kan ze eveneens niet vervullen, als ik mij alleen in de wereld uit. Beide zijn onverbrekelijk verbonden en moeten samengaan. Daarom zal de mens ‑ ongeacht zijn geloof, zijn instelling, zijn peil van bewustzijn en de reeks stoffelijke bepalingen, wetten of middelen die hij hanteert in de esoterische magie zijn zelfvervulling het snelst kunnen bereiken, terwijl hij gelijktijdig voor zijn wereld daarmee de meest juiste en meest goede waarden schept.

Altijd weer ‑ ook in deze stellingen ‑ treffen wij het woord “geloof” aan. Want een mens die zich beperkt tot datgene wat hij kan begrijpen en zich ook niet kan overgeven aan hetgeen in hem leeft, dat wat hij voelt, zal niets bereiken.

Wanneer ik moet uitgaan van de redelijke middelen van een bepaalde sfeer, dan moet ik een aantal sferen beneden mij ontkennen, terwijl ik een aantal sferen boven mij niet kan bevatten. Maar in mij ligt een krachtlijn, die het totaal van alle sferen omvat. Wanneer ik in de geest ben, zo ben ik toch verbonden met de stof, evengoed als met het Hoogste Beginsel. Ben ik in de stof, dan ben ik met alle sferen verbonden, met het Allerhoogste en met de diepste sferen. Mijn wezen is een band die alles kan samenvoegen. Maar een uitdrukking kan ik daarvoor niet vinden. Ik kan haar slechts innerlijk beleven. En dit innerlijk beleven vormt in een omschrijving mijn geloof. Mijn geloof is de formulering van het eigenlijk niet-omschrijfbare. Het is een rationalisatie van innerlijke waarden, die in mijn wereld absoluut irreëel lijken. Zo wordt het ook een kracht, waaruit ik kan putten buiten al het redelijke om.

Ook een esotericus kan zijn weg niet gaan zonder geloof. Een magiër kan niets bereiken als hij niet gelooft. En hoe omvattender het geloof is, dus hoe uitgebreider de scala van gevoelsreacties is geworden die wij in onszelf toelaten, des te uitgebreider ons contact met de kosmos zal zijn en des te groter de waarden die voor ons voortvloeien uit het geheel.

Het is natuurlijk eenvoudig om te zeggen dat wij het tijdelijk zonder geloof kunnen stellen. Met de beperking “tijdelijk” is het zelfs waar. Maar wie een geloof ontbeert, ontbeert daarmee iets zeer belangrijks. Hij ontbeert het vermogen om uit hogere krachten te putten, om op bereikingen van lagere krachten te steunen, wanneer het nodig is. Er bestaat geen verschil tussen hoog en laag, tenzij men in eigen gevoelswereld deze verschillen eenmaal heeft erkend en omschreven en daaraan ‑ hoe menselijk eigenlijk ‑ de voorstelling van verheerlijkt en verdoemd heeft verbonden. Er bestaat geen enkele wereld van geluk, er bestaat geen enkele wereld van ongeluk, er bestaat slechts een mogelijkheid om binnen bepaalde wereldcondities, die mijn wezen bepalen, mijzelf te vervullen (wat hemel is) of mijzelf onvervuld te weten (wat het is).

Wanneer u een geloof aanhangt, dan zult u ‑ vooral als u de weg van de esoterische magie wilt gaan ‑ dit zeer wel moeten beseffen. De formuleringen die men u heeft bijgebracht en waarin u niet werkelijk gelooft, zijn zinloos. Maar wat u gelooft ‑ ongeacht de omschrijving ‑ en wat in u tot leven komt, is uitermate waardevol.

Ik wil graag nog een ander aspect naar voren brengen. Ik heb zo-even in de regels en wetten aangestipt dat plaats en tijd eigenlijk onbelangrijk zijn, zodra het magische werkingen betreft; terwijl ik er ook op heb gewezen, dat ‑ zodra het een innerlijke bewustwording betreft ‑ in feite sferen onbelangrijk worden. Dit betekent dat wij één kunnen zijn met elke grote kracht die wij ons voorstellen.

Nu zullen er zeer veel mensen zijns die zich beroepen op Meesters die hen leiden, of zich beklagen over demonen die hen kwellen. Laten zij wel beseffen dat zij deze zelf kiezen en verwerkelijken.

Wanneer gij grijpt naar een Meester en ge noemt hem Comte de Saint-Germain, dan kan dit inderdaad een figuur zijn, die onder deze waarde heeft geleefd en gewerkt; dan kan zijn invloed en denken, zijn realiteit in uw wezen en in uw tijd tot uiting komen. Maar dat wil nog niet zeggen, dat de Comte de Saint-Germain belangrijk is. Het wil slechts zeggen dat u uit het totaal van een kosmisch bestel een bepaalde figuur tot brandpunt hebt gemaakt en dat u door uw eigen voorstelling daarvan voldoende harmonisch bent geworden met zijn wezen om dit te ondergaan. Waarde heeft het alleen als u weet wat u doet. Maar iemand die een dergelijke Meester voor zichzelf ontdekt en blijft aanvaarden, daarbij niet zelfstandig streeft en denkt, herbeleeft slechts iets, wat misschien in het verleden door de Comte de Saint-Germain of een ander is beleefd. Hij herschept voor zichzelf een gedachte, die een ander heeft gedacht en bezit, geen zelfstandigheid. Alleen als men dergelijke waarden bewust en zelfstandig kan verwerken, kunnen zij zin hebben.

Wat demonen betreft is het precies hetzelfde. Als ik ergens het kwade erken, als ik dit kwade vrees en haat, dan ben ik harmonisch met bepaalde demonische aspecten en wezens in menselijke of in andere werelden. Dan kunnen die krachten ‑ zelfs wanneer zij in een ver verleden op aarde hebben bestaan of op een onmetelijke afstand in sferen plaatsvinden of slechts symbolisch zijn uitgedrukt ‑ voor mij werkelijk worden. De demon is regel, de kracht, die hij uitstraalt, is regel. Alles is werkelijk. En toch is het alleen werkelijk door mijn eigen wezen. Daarom is het noodzakelijk jezelf steeds te leren instellen op de juiste krachten, de juiste waarden en nooit te vergeten dat er slechts één is, die buiten uzelf kan bepalen welke banden bestaan. En dat is de scheppende Macht Zelf. En Deze heeft dit gedaan in het begin, toen Hij als Eerste Oorzaak de oorzaak van uw bestaan heeft geschapen. Sedertdien heeft Hij daaraan niets toegevoegd en niets afgenomen.

De banden, die ge ervaart met hoge lichtende Meesters of met demonische, u achtervolgende wezens, zijn niet uit het Goddelijke voortgekomen. Zij zijn voortgekomen uit de vrije mogelijkheid die u hebt om harmonie te vinden met verschillende krachten. Het is een oorzaak‑en‑gevolg‑werking die voortvloeit uit een harmonie, die u op een verkeerde wijze bereikt, zonder zelfstandig te zijn en te denken. Geloof daarom in datgene wat voor u werkelijk goddelijk is en verwerp al het andere. Indien u naar een stad wilt gaan, dan heeft het geen zin te dromen van ravijnen, want u zou daarin kunnen neerstorten. Als u geluk wenst, heeft het geen zin een roes na te jagen; dan heeft het geen zin alleen maar naar een vervangingsmiddel te zoeken of u te beklagen over uw eigen ongeluk. Dan moet ge innerlijk de waarde vinden waarop het geluk kan reflecteren. Het geluk bestaat, ge kunt het voor uzelf waar maken. Maar zolang ge in uzelf onvrede hebt, zult ge bepaalde harmonische waarden met onvrede scheppen.

Ge zult uit deze les hebben begrepen dat voor een mens onnoemelijk veel mogelijk is, wanneer hij leert zijn eigen instelling voortdurend ten goede te beïnvloeden. Niemand vergt van u dat ge altijd blijmoedig zijt en altijd verbonden met de lichtende geest. Maar men kan toch wel stellen dat gij deze harmonie bewust moet zoeken. Want een harmonie, die een ogenblik werkelijk is geweest, blijft voortbestaan tot één van de beide waarden, die in de harmonie zijn opgenomen, zich volledig wijzigt. Een ogenblik van bereikte harmonie met het goede is sterker dan alle leed en alle zelfbeklag op aarde. Deze harmonie kan dit alles langzamerhand verdrijven en onmogelijk maken. Maar een enkele harmonie met afgrond, chaos en ondergang kan ook voldoende sterk zijn ‑ indien gij uzelf niet wijzigt ‑ om u in uw hele leven en ook in de sferen te blijven achtervolgen.

Gij bepaalt. En geen magiër zal ooit in staat zijn een ban te werpen die u dwingt, tenzij gij die harmonie aanvaardt.

Zegt niet één van de oudste regels der magie dat het beste schild tegen alle kwaad is: de innerlijke eenheid met het Lichtende? Waar ik voor mijzelf niet reageer op het demonische, kan het mij niet benaderen, want er is geen harmonie. Er kan dus geen oorzaak‑en‑gevolg‑werking ontstaan. Daar echter, waar ik deze zelf in rij veroorzaak; waar ik eigenlijk in mijzelf gelijksoortige condities schep, ook al grijp ik niet naar het magisch machtsmiddel, ben ik volledig kwetsbaar. Daarom, wees voorzichtig met uw leven.

Uw eindbestemming is ‑ of ge het beseft of niet ‑ algehele bewustwording. De stof van de esoterische magie leert u echter die weg voor uw eigen bewustzijn althans te verkorten en daarbij zelf de harmonische waarden te kiezen, waaruit ge leeft. Want juist daarin zijt ge vrij. Niet door de keuze, die u op uw wereld gelaten wordt. Maar ge zijt vrij de oorzaak-en‑gevolg‑werkingen te kiezen door de juiste harmonische instelling van uw wezen. En hoe meer ge in waarheid uzelf erkent, hoe meer gij de te kiezen harmonieën zult kunnen bereiken in overeenstemming met uw ware persoonlijkheid en daarmede in overeenstemming met uw eeuwig doel.

Ik hoop dat ook deze korte uiteenzetting heeft bijgedragen tot een bewuster leven voor u allen.

Harmonische waarden

In het hele Al vinden wij krachten die wij bij gebrek aan beter, omschrijven als trillingen. En al deze trillingen hebben onderling een mogelijkheid tot harmonie. Zo kan het geluid van een stem, mits juist intonerend, juist scanderend ook een harmonie scheppen die bepaalde kosmische grootheden bereikt. Zo is het soms mogelijk om met een eenvoudig gebaar, mits op de juiste wijze en harmonisch uitgevoerd, trillingen te wekken die overeenstemmen met één of meer van de vormen van het goddelijk Licht.

De mens wil graag zijn gedachten omtrent harmonische waarden op wat hij noemt een hoog vlak houden. Maar eigenlijk kan ik dat niet goed. Want elke waarde die boven mij ligt, kan wel harmonisch worden benaderd; maar zal er niet gelijktijdig ook onder mij (dus beneden het door mij gestelde niveau) een waarde zijn, die meetrilt?

Er is eigenlijk geen verschil. Op het ogenblik dat ik een waarde vind, die ik op enigerlei wijze zo uitdruk, dat andere trillingen en krachten mee worden beroerd, ontstaat er een harmonie; en die harmonie zal altijd de gehele scala van leven en gebeuren omvatten.

De magiër, die bezig is met zijn incantatie, zal dezelfde incantatie soms gebruiken voor licht en duister. Hij zal ‑ een enkele naam misschien vervangend ‑ met dezelfde vormen de hoogste engelen oproepen en de meest verwerpelijke demonen. Want de harmonie op zichzelf blijft bestaan. En in alles wat u doet, kunt u een harmonie tot uitdrukking brengen of u kunt disharmonisch zijn.

Nu mag ik misschien dan eens proberen u iets van die harmonie en de waarden, die daartoe bijdragen, te vertellen. Wanneer ik met een medemens spreek, kan ik alleen werkelijk tot die mens spreken, wanneer ik mij in de eerste plaats niet concentreer op wat ik te vertellen heb, maar op wat de ander hoort. Want anders zal er nooit een contact mogelijk zijn. Wanneer ik tot God wil spreken of tot een hoge kracht, dan kan ik mij niet concentreren op hetgeen ik wil zeggen; dan moet ik mij in de eerste plaats concentreren op datgene wat de andere hoort; anders is er geen contact mogelijk.

En dat is nu het eenvoudige begrip van harmonie. Ik moet op het ogenblik dat ik werkelijke harmonie begeer, niet uitgaan van mijzelf, maar van datgene wat leeft in de ander.

Natuurlijk kun je dat op vele manieren doen. Er zijn mensen en ook wel krachten in de geest, die zoeken naar een punt, waarop men zelf niet volkomen zeker staat; en juist op dit punt zullen ze trachten aan te zetten. Wanneer u bv. wat weifelachtig bent aangelegd, dan zal juist van die twijfel worden gebruik gemaakt om uw gehele wezen bv. in de richting van toorn te stuwen; om u frustraties te laten beleven, om u tot wanhoop te brengen. Bezit ge in uzelf een bepaalde kracht die u boven alle andere waardeert, omdat u denkt dat dat het werkelijk sterke is in uw wezen, dan zal ook heel vaak juist die kracht kunnen worden aangevallen. Want als men een kracht in zichzelf zeer waardeert en haar daardoor buiten de rest van het eigen wezen stelt, dan is zij kwetsbaar geworden, want zij wordt niet gesteund door het totaal van de persoonlijkheid.

Er zijn vele mogelijkheden en vele wetten, waarmee ge dus in dit geval kunt werken. Maar waarom zou ik het u eigenlijk niet illustreren? En dan grijp ik naar de oude gedragen voorbeelden, die wij zo gemakkelijk in een taal kunnen vinden. Wanneer ik een langzaam ritme neem, dan is er een zekere bezonnenheid, een diepgang. Wanneer ik spreek en in het vele spreken, vergeet de kracht waaruit ik leef, omzweeft mijn geest, in nietigheden geketend. Het leven is voor niets geweest.

Daar ligt een melancholie in. En nu kunt u zeggen: Het is een eenvoudige voordracht. Maar dat is niet waar. Want het principe dat wordt gebruikt, is hier niet in de eerste plaats de zinsbouw. Het is de keuze van klan­ken. Die klanken hebben een associatie voor u. En daarom gaat u de zaak voelen. U gaat het verschil voelen tussen het opgewekte bereiken en de neerslachtige mislukking, die in het door mij geciteerde tot uiting komt.

Wanneer ik spreek met heel mijn hart, met heel mijn wezen, met heel mijn ziel, dan leg ik er iets in, dat ten slotte ook in mijn woorden tot uiting komt. Ik schep klanken en trillingen die de medemens beroeren en daarmee ook heel vaak trillingen en klanken die een weerkaatsing vinden ver in het AL. Wanneer ik luchtig, vrolijk en opgewekt spreek, wanneer ik het vlugge rollen der woorden aaneen rij als een vrolijke dans, dan is het opeens levendig. Maar een ogenblik later kan ik met een eenvoudige omschakeling van cadans en van woord een mystieke verdieping oproepen.

Ik zou kunnen trachten om eens een harmonie en een kracht uit te druk­ken. Er zijn dan zoveel verschillende mogelijkheden om dat te doen, dat ik mij afvraag, waar ik zou moeten beginnen. Want wij zijn hier bijeen in een cursus en ik kan u moeilijk een licht laten zien of een kracht doen erva­ren. Maar ik kan u misschien een harmonische trilling laten horen, een eenvoudig iets, wat verder reikt dan het zuiver materiele. Ik wil dat doen om te demonstreren dat de harmonische waarden, waarnaar de mens dus streeft, soms gelegen kunnen zijn in woorden, in klanken, die schijnbaar zelfs onbe­heerst en soms onsamenhangend kunnen zijn.

Ik leef, o God, en ik leef uit Uw kracht en Uw macht en Uw wezen.
Mijn God, ik weet dat ik niets ben zonder U.
Maar ik wil zijn en ik wil meer zijn dan ik ben.
God, ik wil niet zijn om mijzelve maar om U.
Geef mij Uw kracht om Uw wil te vervullen,
om Uw kracht en Uw leven te zijn.

 

Dat is op zichzelf ‑ taalkundig gezien ‑ dwaas. Het is onsamenhangend.

En wanneer ik het zo zeg, dan doet het haast een beetje hartstochtelijk aan. En toch er zit ergens spanning achter. Er is iets wat weerklank vindt in de verte. Waarom? Omdat ik in die woorden, in die klanken en in die krachten onwillekeurig heb gelegd: enerzijds de aanvaarding van het hogere, anderzijds de behoefte om dat hogere in mij te erkennen, te aan­vaarden en te ervaren. Het zoeken naar de band, die voor mij de goede, de lichtende, de juiste is, heeft hier ten slotte voor mij de oorzaak gescha­pen, waardoor het hogere antwoord gaf.

En zo kan men evengoed het ijzingwekkende roepen. Ik neem nu maar als voorbeeld een stukje van een oude magische handeling.

 Abidolith, ik roep U, opdat gij kome
 en zult vervullen mijn bevel
 en gaan daar, waar ik U zond.

 

De spanning is van een geheel andere aard. En de kracht, waarmee ik har­monisch ben, is schijnbaar van een andere geaardheid. Schijnbaar. Want al heb ik nu die naam gebruikt, wanneer ik zou voortgaan in een positieve zin, dan zou het hogere antwoorden en niet het lagere.

En zo is het in het hele leven, overal waar je komt, overal waar je bent. Het is niet alleen wat je bent, wat je zegt en wat je doet, Al denk je dat soms. Neen, het is eerder wat er in je leeft. Wanneer je vredig en vrijgevig en vredelievend spreekt en daarachter zit ergens een klauwend begeren, dan kun je niet voorkomen dat ook dat gaat meewerken. En onwillekeurig krijg je een antwoord in overeenstemming daarmee. En je kunt misschien hard spreken, alsof het ijzer was, zonder enig menselijk gevoel; en toch daarin ergens dragen de moed, maar ook de liefde, waarmee je de mensheid juist in die hardheid wilt dienen. Dan klinkt dat ook door. Ook dan komt er een echo.

Velen menen dat het een kwestie is van wat ge uiterlijk zijt. Vergis u niet. Alle harmonieën die u kunt wekken, alle krachten die u kunt roepen, alle eenheid die te bereiken is met het hogere en met het lagere, vloeien voort uit de binding tussen uw innerlijk wezen en uw uitdrukking. Ik kan duizendmaal belangrijke incantaties opzeggen en toch zijn ze feitelijk niets; een soort poëzie; door sommigen schoon gevonden, maar voorbijgaand aan elke beroering en kracht. En ik kan soms iets eenvoudigs zeggen, waar mijn hele wezen in ligt; iets, dat helemaal niet samenhangt met vreemde namen of vreemde goden‑ en dan iets wekken, waarvan ik haast ontsteld ben door de grote intensiteit.

Wat zou u bv. zeggen van het oude lied (het is maar een vertaling) “0, vader Zon.” Wanneer ik dat gewoon ga voordragen, dan verschilt dat niet zo erg veel van het incanteren. Ik benader het, maar ik beleef het niet innerlijk.

0 kom, gij vader Zon,
Gij macht, die rijzend aan de einder met Uw zonnekracht ons zegen brengt en vruchtbaarheid.

 

Dat is aardig, maar het zegt verder niet veel. Maar als ik daarin kan ge­loven, als ik daar die zon zie opkomen ergens over de woestijnen van Egypte, een rode bol, die snel naar boven stormt om de hemelruimte te veroveren en ik zie daarin een godheid en zeg:

“0 kom, o vader Zon.
Gij, die met Uwe stralen vruchtbaarheid schenkt.”

 

Dan is er spanning. Zo eenvoudig is het eigenlijk. En wat ik hier met een paar woorden demonstreer, ach vrienden, dat kan worden gedemonstreerd op elk terrein.

Misschien mag ik u het volgende voorleggen: Alle harmonische waarden zijn gebaseerd op een zeker evenwicht tussen innerlijke en uiterlijke kracht. Daar, waar die niet bestaat, kan geen harmonie worden bereikt. Daar, waar de innerlijke kracht volledig ontbreekt, is zelfs vaak de mededeling onmogelijk. Op het ogenblik echter, dat wat in mij leeft en wat ik uit volledig in evenwicht zijn, schep ik een trilling, die mijn gehele wezen omvat en niet alleen wanneer ik in de stof ben mijn stoffelijk wezen of mijn stoffelijke omgeving, maar alles wat deel uitmaakt van mijn “ik” wordt in elke sfeer weerkaatst. En in elke sfeer, waar maar een mogelijkheid is tot harmonische waarden, krijg ik antwoord.

Nu is de bron, waaruit dit voortkomt (wanneer u tenminste hier op aarde bent) eenvoudig de stoffelijke mens. Is het dan zo vreemd dat ook die lichtende en die stoffelijke kracht geheel in u tot uiting komen? Alles keert terug tot zijn bron, ook een harmonische trilling die u uitzendt. En dit kunt u nu leren gebruiken. Want het is aardig om u bezig te houden met declamaties en incantaties, maar het is toch wel nodig om het praktische gebruik van deze dingen ook dagelijks tot een bewust deel van uw leven te maken. Daarom wil ik u graag een paar regels geven op het gevaar af dat men verwijt, dat ik net als mijn voorganger alleen maar wetten of regels dicteer.

Wanneer u iets wilt zeggen; wilt bereiken of wilt doen, zorg ervoor dat hetgeen u zegt en hetgeen u denkt en leeft innerlijk in overeenstemming is. Blijkt het dat uw gevoelens te fel zijn, toom ze in. Rem ze af, totdat er een zekere mogelijkheid tot uitdrukking ontstaat. Probeer niet een mens, die u wilt helpen, die u wilt genezen, met mooie woorden een gebrek aan belangstelling voor hem te verhullen. Uw innerlijke belangstelling voor de patiënt en uw benadering van hem moeten in overeenstemming zijn. Dan alleen krijgt u een harmonische uitstraling. En die harmonische uitstraling resulteert in de eerste plaats in een reflex uit de patiënt zelf. Die reflex maakt dus op een stoffelijk verstandelijk niveau a.h.w. de intuïtieve diagnose mogelijk. Verder krijgt u diezelfde reflex nog eens astraal, waardoor vele hiaten in de aura worden opgemerkt en de mogelijkheid ontstaat om die aan te vullen. Daarnaast worden in bepaalde geestelijke voertuigen misschien onevenwichtigheden of gebreken ontdekt. U erkent die a.h.w. als deel van uzelf. En wat uzelf beleeft, dat kunt u erkennen en in uzelf herstellen.

Wanneer je een mens wilt helpen, ga je maar al te vaak uit van jezelf. Wanneer een huisvrouw, zoals wel eens gebeurt, het bureau van haar man opruimt, dat volgens haar in wanorde is, dan is het naar zijn idee in wanorde, wanneer ze klaar is. Want hij wist in de op zichzelf misschien niet ordelijke schikking de weg. In haar orde weet hij dat niet. Er moet dus een zekere samenwerking zijn.

Wanneer ik in een ander mens iets wil veranderen, wanneer ik als mens dus wil proberen een ander geestelijk beter te maken, te helpen met zijn problemen, hem te begrijpen, dan moet ik wel allereerst beginnen met mijn eigen denken en voelen in overeenstemming te brengen met die ander. Ik kan niet het ene verwerpen en het andere aanvaarden. Ik kan geen kracht geven, indien ik niet bereid ben ook het probleem erbij te nemen. Ik kan geen oplossing vinden voor raadselen, indien ik weiger het raadsel aan te horen. Als ik een vergelijking mag maken:

Er zijn mensen, die de problemen van een ander met een half oor aanhoren en dan prompt met hun antwoord komen; “0, dat moet je zus of zo bekijken.” Die doen mij denken aan iemand die een oplossing van een kruiswoordraadsel wil geven, wanneer men hem vraagt: “Zeg, wat is 17 horizontaal en 18 verticaal?” Je hebt dan geen gegevens. Kan ik op gegevens reageren, die ik niet bezit? Kan er een harmonie bestaan, wanneer ik niet de werkelijke inhoud besef van hetgeen ik ontmoet op mijn weg? En op dezelfde manier kun je dat zien t.o.v. God. Hoe kan ik een beroep doen op een God, als ik die God niet in mijzelf kan beleven? Hoe kan ik vrede op aarde brengen, als ik in mijzelf geen vrede ken? Alles is afhankelijk van harmonie, het evenwicht tussen jezelf, innerlijk en uiterlijk en dus ook het antwoord dat je uit het Al verkrijgt.

Het lijkt soms een kaatsbalspel met verschillende krachten. Je werpt je daden, je aanvaarding en je problemen de wereld in en je meent ze van je te hebben afgeworpen. Maar ze springen terug; ze keren terug intenser en moeilijker dan je ze ooit hebt gehad. En dan zeg je tegen jezelf, dat de wereld maar wreed is en dat je wordt achtervolgd. Maar dat is niet waar. Je veroorzaakt het zelf. Want je hebt zo de krachten uit jezelf geschapen, dat ‑ gezien de harmonieën die ze wekken ‑ ze niet anders dan versneld en intenser tot je kunnen terugkeren.

Wie haten wil, moet haat wekken. Wie ware liefde in zich wil dragen voor de mensheid en de mens, die moet eerst ook die liefde bij de mens en de mensheid weten te wekken. Dat klinkt misschien een beetje dwaas, maar het is volledig waar. Al het andere is een illusie. Er bestaat in het Al geen eenzijdigheid. Het is niet mogelijk dat u licht bent en dat al het andere duister is; of dat u duister bent en al het andere licht. Dat kan niet. Er moet steeds een overeenkomst zijn. Steeds moeten er harmonische waarden zijn, die ‑ al liggen ze op verschillend niveau ‑ samenklinken, samentrillen en samenwerken

Alles wat u magisch tot stand brengt, alles wat u esoterisch probeert te bereiken, is afhankelijk van de manier waarop u een evenwicht kunt vinden in uzelf. En wanneer u dit begrijpt, wanneer u begint te beseffen dat het niet gaat om wat u alleen innerlijk beleeft of om wat u alleen uit, maar dat het juist gaat om de samenhang tussen beide, de evenwichtigheid, de harmonie, dan kunt u ook veel bereiken.

Er zijn mensen die wat in zichzelf verloren voortdurend bezig zijn met datgene, wat zij menen te zijn: hoge geestelijke werkingen. Ze manifesteren, ze transmuteren, ze realiseren, ze harmoniseren, ze vocaliseren en invoceren en bereiken ten slotte toch niets. Ze zijn als stamelende kinderen, die in een onbegrepen taal proberen hun diepste problemen en wensen duidelijk te maken. Maar ze komen niet verder, want er is geen harmonie. Harmonie ligt in innerlijk en uiterlijk. Wanneer u tekortschiet t.o.v. uw naasten, tegenover degene, die dicht bij u leeft, dan moet u niet denken dat u het kunt goedmaken door tegenover een ander bijzonder goed te zijn. Want u kunt geen werkelijk goed meer doen. Het goede dat u doet wordt eigenlijk verwrongen. Er is geen harmonie.

Hoe kunt u, wanneer ge in uzelf en in uw leven en omgeving disharmonisch bent, wanneer u daarin geen begrip hebt voor de juiste waarden en noodzaken, buiten u harmonie en kracht scheppen? Neen, je moet werkelijk proberen om alles te laten samenvloeien tot een geheel: je mens‑zijn, je geestelijk bestaan, je innerlijk streven, de lichtende krachten die zich aan je openbaren. En dan ontdek je ten slotte, hoe wonderlijk waar dat oude gedicht is, dat m.i. ook weer een bijna magische invocatie is.

Verbroken is de band, die mijne ogen sluit
 en ik zie de waaier van kleuren,
die uit het eeuwige licht het gebeuren doortrilt:
Ik zie het gouden licht, dat krachten geeft.
Ik zie het witte licht, dat sneller, sneller leeft.
Ik zie de band met eeuwige waarden,
die in het violette licht bestaat
ik kan erkennen ook hoe zelfs het felste rood.
van moed en ‘t diepe rood van haat
tezamen klinken in een harmonie.
Want uit kleuren geweven
is het menselijk streven
en wereld en Al.
Gods melodie is ‘t harmonisch verweven
van kleuren uit Ene kracht en Ene bron,
uit Ene zon geboren.
En slechts het licht,
dat kruisend speelt en weeft is werkelijkheid.
En al het andere is een waan,
die dra ontglijdt.
door dwang van licht en onontkoombaar snel gebeuren.

 

Hier hebt u een typische uitdrukking van het Al. Want het Al is ten slotte een aantal lichtende machten. Lichtende kleuren, die t.o.v. elkaar misschien volkomen verschillend lijken, maar die uit een bron komen. En welke in die ene bron hun harmonie vinden en daardoor altijd samen kunnen gaan, kunnen werken en bestaan. Zonder dat is de wereld niet mogelijk.

Als ik spreek van een waaier van kleuren, dan denk ik aan iets dat is opengevouwen. Aan een wilg die een waaier opent. En zo stel ik mij altijd het leven voor en de krachten van het leven.

God ontvouwt de waaier van Zijn lichtende krachten. En in die krachten en stralen vinden wij ons bestaan vinden wij onze weg tot de volmaakte harmonie. Maar omdat wij bestaan in een van die lichtende krachten, betekent dat nog niet, dat al het andere licht ons vreemd is, dat we geen band en geen kracht kennen met het andere. Er is niets wat ons vreemd behoeft te zijn. Er is niets wat voor ons onaanvaardbaar behoeft te zijn. Er is niets wat ons behoeft te remmen in deze lichtende krachten, want alles is één in God. En wanneer wij die eenheid beseffen, dan kan die goddelijke harmonie weerklinken, ook al leven wij slechts in het schijnsel van een enkel licht en volgen wij voorlopig de weg tot een enkele Heer, tot een enkele Meester, een deel van Gods uiting.

Wanneer u dit kunt begrijpen‑ vrienden, dan weet u uit deze omschrijving wat harmonische waarden zijn. Een harmonische waarde is de erkenning van eenheid in alle dingen, die ‑ op de juiste wijze begrepen ‑ de tegenstellingen kan verenigen daar, waar schijnbaar geen eenheid mogelijk is; die aanvaarding mogelijk maakt, waar het grofste en felste verzet van je eigen wezen noodzakelijk schijnt.

Er is niets, waarin geen begrip bestaat. Er is niets, waarin niet die ene kracht tot uiting komt. En wanneer je dan toevallig leeft ‑ zoals mij dat geluk gegeven is ‑ in het gouden licht, dan zul je natuurlijk vanuit de rijkdom van dat goud willen werken. Maar is daarom rood minder of violet? Alles is één. En die eenheid beseffende kun je dan dat machtige magische woord gaan gebruiken, waarin God bestaat. Een woord dat ik hier niet direct mag zeggen, (het is een machtswoord) maar dat ik misschien toch even kan benaderen en omschrijven, wanneer ik probeer om in de plaats van sommige klanken wat anders te stellen.

“Onbegrepen raadsel, lichtende werkelijkheid,
die toch is als het Niet ‘t is God.
Zijn naam is leven, kracht en recht.
Zijn naam is schoonheide mededogen,
en ook het diep bewogen steeds herscheppen.
In de kracht die leeft,
in het Wezen dat recht is,
in het Wezen dat wet geeft,
in het Wezen dat liefde ontplooit
en het Wezen dat omhult alle tijd en is een en eeuwig,
wek ik nu de kracht en wek ik nu mijn wezen.
Wees met mij, kracht van Licht
wees met mij, kracht van de rechtvaardigheid
en laat Uw schoonheid openbloeien
en laat Uw liefde mij beroeren,
zodat het heilge van Uw naam de schepping moge voeren
tot in mij en mij vlechten met Uw wezen en het Al tezaam,
opdat ik spreken mag in ‘t diepste van mijn wezen.
de stil verborgen naam.
Hij Die is, Hij Die leeft,
Hij Die schenkt, Hij Die oordeelt.
Hij Die is alomvattend en eeuwige kracht
en toch in mij en met mij.
Hij Die is het kleine en het grote.
Hij Die is de ster en het wankel atoom.
Hij Die is droom en werkelijkheid in mij en leven.
Zijn naam zij ‘t zegel van mijn wet, van mijn bestaan,
mijn weten en mijn werkelijkheid en t welomschreven streven.”

Rondgang

Ik ga van leven tot leven, ik ga van sfeer tot sfeer. Nu eens erken ik vele goden, dan slechts een enkele heer. Dan slechts geloof ik alleen in mijzelf. Nu delf ik het stoffelijk goud. Dan wil ik geestelijk licht gaan puren; nu leef ik met dieren en planten vertrouwd. Dan weer zijn mij engelen gebeuren. Maar hoe ik ook leef en hoe ik ook ga, steeds, als ik de laatste vrucht wil plukken, als ik wil graven het laatste goud, dan is er een nevel die mij omhult en schijnt mijn geest te slapen. Ontwaak ik dan vol ongeduld, t moment is weer voorbij. Ik ga de rondegang weer voort, ik ben niet geworden vrij.

Je daalt tot de sferen en daalt tot de stof, je daalt tot de sferen van duister, of stijgt misschien, zingend s Heren lof, tot de hoogste en eeuwige luister. Maar het moment dat je is ontgaan, het moment dat ontbreekt in de rondebaan dat jaagt je voort met onbegrip door alle tijd Daarom spreek je nog van leven en nog van eeuwigheid.

Want is in de rondgang eenmaal begrip van alle fasen in je gegrift, is het in je verankerd met staal, gehamerd in je wezen als in edelmetaal gesmeed door een god, een goddelijke smid, dan ben je geen cirkelgang meer, dan ga je niet meer rond. Dan weet je alleen nog dit: Al wat ik ben, God, al wat ik zal zijn, Al wat ik ooit ben geweest, is tezamen gevoegd tot een beeld en een vorm. Bedeesd aanschouw ik reeds de norm, die Gij gesteld hebt voor mijn wezen. Maar nog kan ik niet één zijn daarmee, nog word ik voortgejaagd en moet ik verdergaan. Eens echter zal ik ‑ volmaakt product van alle zijn en tijd ‑ volledig voor u staan. Dan zij de tijd verworpen, het vormenspel gewraakt. Dan ken ik werkelijk mijzelf, ben ik deel van U, ben voor mijzelf ook volmaakt. Maar God, Gij, Die geen tijden kent, mij valt het zwaar soms voort te gaan en niet te beseffen werkelijkheid, gebonden in Uw rondgang, in Uw cirkelbaan.