Wie ben ik?

image_pdf

16 november 1984

Aan het begin van de bijeenkomst wil ik u er graag op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk a.u.b. zelf na.

Ons onderwerp voor deze avond draagt als titel: Wie ben ik?

Aangezien wij een algemeen antwoord moeten geven, u kunt nog zeggen: Ik ben een mens. Maar wat is een mens?

Je kunt het wat wetenschappelijk aanpakken en zeggen: Dat is Homo Sapiens — maar daar kom je ook niet veel verder mee.

Laten we kijken hoe de historie ongeveer verloopt, dan kunnen we er misschien achter komen wat de drijfveren zijn van een mens en hoe al zijn eigenaardigheden, instincten en onredelijkheden t.a.v. elkaar staan.

Laten we ongeveer 5.000.000 jaar teruggaan. Er is dan een betrekkelijk lang, rank type in Afrika – u noemt het later de ‘Australopithecus’ – dat zich lange tijd handhaaft. Het gaat grotendeels en uiteindelijk geheel rechtop. Het gebruikt werktuigen en kent in bepaalde perioden ook kleding. Het zijn nomaden, kleine stammen.

Naast hen ontwikkelt zich een tweede soort, die men wel de Australopithecus Robustus noemt. Dat waren een beetje steviger  jongens, maar ze hebben het niet ver geschopt: hun nakomelingen zijn o.m. de gorilla’s.

In deze tijd is de mens een door instinct gedreven wezen. Hij is voortgekomen uit de zee. Hij heeft een periode doorgemaakt dat hij reptiel is geweest – althans dat zijn voorvaderen de reptielen waren – en hij komt van daar via de warmbloedige dieren, eerst nog amfibisch, langzaam maar zeker tot het genoemde type.

Dan krijgen we hier dus een situatie waarbij de mens ontstaat, maar die mens is instinctgebonden. Je zou in moderne termen kunnen zeggen: de mens wordt grotendeels geleefd door de rechter hersenhelft. De linker hersenhelft is eigenlijk alleen maar de registrator van leefpatronen waar door gewoontevorming en vaste banen kunnen ontstaan.

Maar de ontwikkeling gaat verder. Er komt ook in die linker hersenhelft langzaam maar zeker een reeks centra die, laten we zeggen,  logisch werken. Met is een structuur waarbij het instinct langzaam maar zeker wordt aangevuld door rede.

Ondertussen zijn er al groepen – denk aan de Neanderthalers – die bv. stenen voorwerpen vervaardigden. Zo komen we langzaam maar zeker bij de Homo Sapiens.

In al deze gevallen zien we het volgende gebeuren:

  • Er is een vergroting van de capaciteit van de brug tussen de beide hersenhelften. In het begin is deze zeer summier; later wordt dit vollediger.
  • Er ontstaat een mate van specialisatie waardoor geheugenfuncties steeds belangrijker worden. Maar dit betekent 00k dat grotere inhouden kunnen worden opgenomen. De incarnerende geest heeft dus meer mogelijkheden om in dit menstype toch al een beetje zichzelf uit te drukken.

We kunnen nu wel spreken over herseninhoud en zo, maar dat maakt weinig uit. Er zijn stommelingen met een waterhoofd en er zijn genieën met een heel klein koppetje. Het gaat namelijk niet zozeer om de omvang van de hersenen, als wel om de capaciteit.

En nu komen we dus eindelijk bij u terecht, want u wilt nog steeds weten wie u bent, anders zou u hier niet zitten.

U hebt twee hersenhelften. De een is, zeg maar, ‘droomwereld’. Het is een reeks symbolen uit het verleden. Het zijn allerhande dingen die een beetje samenhangen met uw voorgeslacht en daarnaast een aantal invloeden die u geestelijk hebt opgedaan.

Aan de andere kant hebt u een hersenhelft die exact is, althans veel exacter. Ze heeft natuurlijk ook functies van bepaalde zintuigen onder haar beheer, maar daarnaast heeft ze o.m. het vermogen tot logisch redeneren. Er zit een mathematisch vermogen in. Er zit daarnaast een tamelijk uitgebreid en meestal veelvoudig taalcentrum in. Dat betekent dat u dus met die hersenhelft, zeg maar de linker, in staat bent een hele hoop aan te voelen, te registreren en dan te ordenen; er is een ordenend principe.

Maar u hebt ook die andere hersenhelft. Die hersenhelft houdt zich bezig met het aanvoelen van het onverklaarbare. Laten we het zo zeggen: Wanneer de rechter hersenhelft het geloof bevat, omvat de linker hersenhelft de rede. Wanneer het goed is, zijn deze twee met elkaar in balans. Dan worden dus de dingen die u aanvoelt, overgebracht naar het redelijk centrum, dat ze accepteert, verwerkt en vervolgens op de proef stelt. Het experiment is noodzakelijk om het gevoel over te zetten tot een redelijk hanteerbaar iets.

In hoeverre doet u dat zelf? Dat is een vraag die u alleen zelf kunt beantwoorden. Als ik het zou doen, zouden sommigen het onbeleefd vinden, en anderen zouden verwaand worden.

U hebt in ieder geval allemaal een mate van geloof. U hebt een mate van, zeg maar, een droomleven. Als u de psychiatrie bekijkt, dan hebt u ook geleerd dat de mens beschikt over een aantal symbolen. En dat zijn ook al symbolen van die rechter hersenhelft.

Die symbolen worden heel vaak zeer Freudiaans geïnterpreteerd, maar er zouden andere aanleidingen kunnen zijn, de val-droom bijvoorbeeld: rechter hersenhelft.

Die val-droom zou kunnen stammen uit de tijd dat de kleine Australopithecus – hij was toen niet groter dan 1,20 m à 1,35 m – in bomen leefde. Naar beneden vallen betekende bijna zeker de dood.  Vallen is dus instinctief en vooroudergebonden, een doodsymbool.

De grootste vijanden van de vroegste mensen (dat gaat eigenlijk wel tot de Neanderthaler toe) waren reptielen, slangen. Misschien is het u wel eens opgevallen dat zeer jonge mensen, maar vooral zeer jonge dieren, altijd heel schichtig reageren als er een slang of iets slangachtigs in de buurt is. Alleen kinderen die in hun omgeving een zekerheid hebben gevonden en dus gevaarloosheid veronderstellen, zullen eventueel willen spelen met een cobra. Maar alle andere jonge zoogdieren gaan ervoor op stap. Vijandschap zoogdier – reptiel: erfelijk.

Als u dergelijke dingen droomt, is de kans dus groot dat uw  stoffelijke erfelijkheid een rol speelt en alles uitbeeldt waarvoor u bang bent. Alleen staan in het duister bv. is iets wat veel voorkomt.

Wanneer u dergelijke dingen droomt, dan zit u alweer in die oude tijd waarin duisternis betekent dat je onbeschermd bent. Want het vuur is pas een driehonderd miljoen jaar geleden voor het eerst gebruikt als wapen, als zekerheidsfactor ook.

U moet zich dus realiseren: een groot gedeelte van uw droomleven is materieel erfelijk bestemd. Daar zitten vaste waarden in, die alle tijd door in de mensheid gewerkt hebben, maar tot de linker hersenhelft behoren.

En in die linker hersenhelft wordt een relatie gelegd tussen het angstsymbool — u hebt er niet zo gek veel, hoor; het aantal symbolen waarover een mens beschikt in zijn droomleven, loopt over het algemeen van veertig tot ongeveer honderdtwintig, en als dat laatste het geval is, dan ben je werkelijk een geboren fantast — en de rede.

Elk symbool kan worden omgezet in een analogie en wanneer er geen signalen van buitenaf komen, zal die linker hersenhelft dus proberen om die zaak in redelijke termen te vertalen.

De beelden van uw dr00m komen uit de rechter hersenhelft. Uit de linker helft stamt de samenhang, of de schijnbare samenhang. Het zou allemaal heel mooi en goed zijn, wanneer u alleen uit stof was gebouwd. Maar u hebt natuurlijk veel meer dan dat: levenslichaam, astrale lichaam, eventueel een etherisch dubbel dat u al of niet kunt uitsturen. Dan hebt u nog x geestelijke voertuigen. U bent dus een heel complex wezen.

Wanneer u dus bezig bent om uzelf te ontleden, moet u goed onthouden: alles, ook de geestelijke waarden, zal via de rechter hersenhelft inwerken; de linker hersenhelft geeft er een voor u logische of aanvaardbare gestalte aan.

Zo kunnen zekerheden ontstaan die pseudo-logisch zijn. Ze zijn voor u vaststaand, en toch, wanneer u ze op de proef stelt, werkt het niet of het werkt niet helemaal. In plaats echter van nu te zeggen: Dan moeten we de zaak anders benaderen, zeggen de meeste mensen: Maar dit is de waarheid, daar kun je toch niet aank0men?

Kerken zijn instellingen van de rechter hersenhelft. De wetenschap, zeker zoals ze nu materialistisch bedreven wordt, is voornamelijk een voortbrengsel van de linker hersenhelft. U staat tussen beiden in. Wilt u als mens, werkelijk mens, functioneren, dan moet u in staat zijn uw droombeelden, uw illusies, of hoe u ze dan ook noemen wilt, over te brengen naar het centrum, waar ze redelijk geformuleerd kunnen worden. En bevredigend.

U zult dan verder, redelijk zijnde, hen op de proef moeten stellen. En gelijktijdig zult u zich bewust moeten blijven van het feit dat de onbewijsbaarheid van een stelling nog niet haar juistheid betekent – iets wat men nog al eens vergeet in de wereld.

De geest probeert natuurlijk in te werken op het geheel van uw denkvermogen. Daarnaast nog op uw levensenergie enz. Maar laten we het voorlopig even houden bij het hoofd.

De geest probeert in de hersens haar eigen wereld en haar eigen begeren, haar noden a.h.w. uit te drukken. Zolang ze dat doet in zuiver geestelijke termen, is de ontvangst een zeer vage. Het is een vaag aanvoelen, het is geen weten.

De hersenen proberen dan toch om er een redelijk beeld van te geven, maar dat redelijke beeld staat los van uw alledaagse werkelijkheid. Het is alleen wel zo, dat u door dit aanvoelen plus de omschrijving die u ervan geeft, onbewust wordt gedreven.

U droomt dat u wint in de loterij en u hebt het nummer van het lot gezien. Dan moet u mij eens vertellen of u dan niet veel meer dan anders geneigd bent om een lot te kopen, zeker als die nummers erop voorkomen. Kijk maar naar uzelf; er zijn mensen die zeggen: Zo gek ben ik niet. Maar het is misschien niet zo gek om je aanvoelen toch op de juiste manier te vertalen.

Het zou kunnen zijn dat de geest zegt: Er is hier een mogelijkheid tot een perfecte bewustwording. Maar dat is niet uitdrukbaar. Het is een soort loterij; ’t is één kans uit vele duizenden. Vertaling: loterij, vertaling: lot. De cijfers, die u hebt gezien, hebben veelal ook symboolwaarde voor u. Wanneer er een aantal zevens en negens bij zitten, dan weten we dat het gaat over stoffelijke en geestelijke waarden, die op elkaar inwerken. Als er veel enen bij staan, dan is er een onbestemde kracht, waarvan we aannemen dat die zal ingrijpen. Dus op die manier kun je de dingen wel vertalen,

De geest echter is niet in staat zonder meer direct te spreken in voor u logische termen. Er is altijd een vertaling nodig. Ik heb dus ook een stel hersenen op het ogenblik, niet al te groot, een tikje versleten, maar het werkt nog. En daardoor kan ik mijn beelden en voorstellingen zodanig aanpassen aan redelijkheid dat mijn betoog logisch schijnt. Het is niet logisch, dat kan niet.

Want mijn wereld beantwoordt niet geheel aan de logica van de mens en daardoor kan alleen de gevoelsfactor de boodschap uit mijn wereld opvangen en moet ze dan vertalen.

Bij uzelf speelt dat dus intern, en dan kan het zijn dat er ook nog invloeden komen van een astraal lichaam. U hebt er een, en wanneer dat bv. door uittreding erg actief is, dan brengt het allerhande beelden met zich mee.

Die beelden zijn heel vaak beelden die door anderen zijn geschapen. U moet ze nu inpassen in de logica en omdat het z0 dicht bij uw eigen wereld ligt, moet u wel proberen om dat te zien als een gebeuren in uw eigen wereld.

Voorbeeld: In een astrale wereld word je aangevallen; er is een helper bij en deze lost de materiële samenhang van de gestalte, heel vaak alleen maar een schil, op. Dat is voor u de indruk van een enorm licht. U droomt, en wat zegt u? “Ik heb gedroomd dat er een atoombom gevallen is.”

Want u kunt zich deze astrale waarde niet voorstellen. Maar de relatie ‘vernietiging’ blijft bestaan. Omdat de schrikervaring groot was, wordt gedacht aan het grootst mogelijke gevaar en dat is op het  ogenblik de atoombom. Tenminste, in de ogen van de mensen die niet beter weten.

Dan kijken we eens: Wat zit er eigenlijk achter? Want je hebt natuurlijk een ego dat ergens de kern blijft. Het is net als die Matroesjkapoppen. Ik weet niet of u ze kent. Dat zijn die Russische poppen: Als je er eentje uithaalt, dan komt er steeds weer een uit. Het een sluit in het ander. En uiteindelijk is er dus een poppetje massief. Dat is heel klein. Dat is de ziel.

Wat die ziel is, weten we niet. We denken dat het energie is omdat we er energie uit kunnen tappen in onze hoger bewuste voertuigen. We weten verder dat de ziel in zich geen apart weten, aparte 0mschrijving heeft die voor ons afleesbaar is. Wat we wel weten, is dat zij een analogie vertoont met de kern van alle andere dingen wanneer we proberen die te benaderen. Dus zeggen we: Ja, het zal wel God zijn, of de totaliteit, de oerenergie, of hoe je het ook maar noemen wilt.

Daar omheen zit een voertuig dat eigenlijk geleerd heeft zichzelf te zien als een aparte eenheid maar dat niet in staat is zich geheel los te maken van alles wat er in de omgeving gebeurt. Die verschillen in omgeving zou je kunnen  zien als gradaties in witheid van licht.

Die ervaringen zijn voor dit voertuig voldoende om daar een volledige wereldbeleving uit te putten. Plus zelfs een erkenning van het Ik als een begrensd gebied te midden van het totaal van het bestaan. En een wisselwerking tussen dit gebied en al het andere, de verschijnselen.

Je kunt niet zeggen dat in een dergelijk voertuig een denken bestaat, zoals een mens dat zou opvatten. Er is een bewustzijn, er is een, ik zou haast zeggen, volledig deel zijn van alle dingen, maar je kunt niet zeggen op welke manier je deel bent van de dingen. En je kunt nog veel minder vertellen wat dat deel zijn dan, geformuleerd, zou moeten betekenen. Het is gewoon onformuleerbaar.

Daaronder zit weer een voertuig en dit voertuig heeft een aantal verschillen leren onderscheiden. Wij zeggen: Het leeft in een kleurenwereld, maar dan wel een met een zéér groot aantal tussentinten. Honderdvierenveertig tinten rood alleen bv. In blauw zijn er nog meer variaties denkbaar.

In deze wereld zijn de verschijnselen in feite harmonieën en tegenstellingen. Je kunt het als mens een klein beetje begrijpen wanneer je een sterk esthetisch kleurgevoel hebt. Dan weet je: bepaalde dingen botsen, andere vullen elkaar aan, sommige vormen, naast elkaar komende, eigenlijk een totaal nieuw geheel.

Zo leeft deze wereld. Het is een wereld waarin geen vorm bestaat, waarin geen denken bestaat in de zin waarin de mens het kent. Maar er is een zeer intens bewustzijn, er is een voortdurende omvangrijke beïnvloeding door de buitenwereld en er is in het Ik de neiging om daarop te reageren. Meestal om zichzelf dus harmonisch aan te passen bij de omstandigheden die buiten het Ik worden erkend.

Die twee voertuigen, die ik tot nu toe heb genoemd, hebben met die stof weinig of niets direct te maken. Ze zijn een vaag gevoel van vermogens soms, van kracht dus. Soms zijn ze een vaag ogenblik van lichtende rust. Omschrijfbaar blijven ze niet.

Daaronder wordt het interessanter: we nebben hier weer lagere trillingen, zoals dat heet. We zeggen: het is een wereld waarin kleuren bestaan. Niet met zoveel variëteiten als in de bovenliggende. Het voertuig hier echter omvat een aantal lagere trillingen, die we maar met geluid vergelijken omdat de verhouding tussen bepaalde kleuren en het geluid ongeveer uitdrukt wat de bovenste en de laagste grens is van deze wereld, verhoudingsgewijs.

Dit voertuig denkt; d.w.z. dit voertuig is in staat zich beelden op te bouwen en relaties uit te drukken, die zeer complex zijn maar die altijd bestaan tussen het ik en één of enkele punten daarbuiten. Het is dus niet meer een totaalbeleving.

Laat ik het zo zeggen: stel dat iemand een perifeer gezichtsvermogen heeft, dat hij 360 graden kan zien. Dan zit je dus in die wereld van alleen kleuren.

Stel nu dat de werkelijke gezichtshoek niet meer kan beslaan dan ongeveer 120 graden, dan hebt u te maken met iemand die leeft in die wereld die bij ons wel eens ‘klank en kleur’ werd genoemd voordat Philips dat begrip had gestolen.

Dus, denken bestaat hier. Denken impliceert ook het overwegen van harmonieën en disharmonieën. Het zoeken naar harmonie en aanpassing, ook hier nog steeds aanwezig, impliceert dat je zoeken moet naar een eigen reactie. En daarbij heb je niet meer met het geheel te maken.

De harmonie wordt dus gesteld ten aanzien van bepaalde punten, die in zichzelf omschrijfbaar zijn. Hier krijgen we het eerste voertuig, dat bij eventuele incarnaties inhouden kan gaan vastleggen, naast de instinct-inhouden en de gedachte-inhouden waarover we het hadden, die in feite gevoelens omvatten: Programmering van de rechter hersenhelft.

Als we nog lager komen, komen we in een wereld van voorstellingen. Het is een wereld als ongeveer in een droom: niet helemaal logisch, maar alles is inderdaad wel aanwezig. Je kunt het allemaal vinden. We noemen het wel eens Hoogzomerland,  omdat het veel bespiegelingen omvat. In deze wereld is  formuleren-denken mogelijk en daarnaast experimenteel reageren. Je kunt bepaalde dingen op de proef stellen. Je mogelijkheid is beperkt, maar ze blijft aanwezig.

Inwerking, van hieruit bepaald, mede door de harmonische noodzaak van het bovenliggende voertuig, geeft dus een symboolbeeld en geeft daarnaast een aantal herinneringen. Deel van die herinneringen is vals, deel van die herinneringen stamt uit vorige bestaanssituaties, waarin je die dingen hebt meegemaakt (vorige incarnaties).

Hieronder ligt Laagzomerland.

Er wordt bij ons wel eens over gestreden of je dit als een afzonderlijk voertuig zou moeten zien. Ik meen echter van wel, 0mdat hier in wezen een ik-besef bestaat dat persoonlijke relaties kent. In alle andere voertuigen is dat ten hoogste zeer vaag. Het Ik is centraal en de rest is harmoniebepaling, koersbepaling.

Hier ontstaan reële menselijke a.h.w. contacten, wisselwerkingen. Hier kan een wereldbeeld worden opgebouwd dat ook de  stoffelijke wereld mee kan omvatten.

Inspiraties van hieruit gaan ook wel via de rechter hersenhelft maar vinden, grotendeels althans, mede een vertaling in menselijke begrippen en kunnen zelfs in menselijke logica enigszins worden uitgedrukt. Enigszins, want ze zijn niet altijd proefondervindelijk bewijsbaar.

Hieronder ligt weer een wereldje van, zeg maar, pulserende energie. Dit is eigenlijk geen echt voertuig wat je hier vindt, en het hoort er ook niet zo helemaal bij, maar het is de Levenskracht.

Levenskracht is, in tegenstelling met wat men vaak gelooft, niet altijd precies hetzelfde. Je zou het kunnen omschrijven als een fluctuerend veld waarin wervelingen voorkomen, waarin bepaalde gradaties van energiegehalte bestaan en daarnaast verschuivingen van trillingsvermogen. Hier is geen redelijk denken mogelijk, maar er is intensiteit.

Deze intensiteit kan zowel het halfredelijke denken van Zomerland als de andere werkingen van de voertuigen soms in versterkte mate projecteren naar de hersenen. Want het is voor die invloeden gevoelig en kan optreden als demper of als versterking.

Hierdoor wordt er in uw wezen een hele hoop geprojecteerd dat niets met uw werkelijkheid te maken heeft. Maar het kan zo overheersend zijn dat u niet in staat bent u eraan te ontworstelen. Eerst wanneer u beseft wat het betekent voor u in  redelijke termen en u bereid bent om een experiment aan te gaan, zodat die redelijke termen herzien kunnen worden op grond van stoffelijke werkelijkheidswaarde, kunt u er werkelijk iets mee doen.

En dan, ja, wat blijft er dan nog over: het astrale. Ik heb er al iets van gezegd en voor de rest, nou ja: uzelf met uw uitstraling. Want u denkt er waarschijnlijk niet aan en u ziet het waarschijnlijk niet, maar u loopt allemaal met een soort kransje rond. Ja, geen kerstkrans en geen heiligenschijn, maar een soort bibberatie, die een eindje buiten uw ‘lichaam uitkomt.

Die aura nu, die kun je ten aanzien van de hogere geestelijke voertuigen tot ongeveer Hoogzomerland, tot en met Hoogzomerland, beschouwen als een antenne. Hier worden dus signalen opgevangen. U doet dat niet direct; het gaat in de aura.

De aura zelf is een krachtveld waarin zowel de  Ik-waarde van de ziel af naar beneden, alsook de stoffelijke verwerking van die waarde voortdurend aanwezig is. Uw eigen afstemming bepaalt in hoeverre en welke boodschappen u kunt ontvangen van buitenaf. Of van binnenuit,  als u het zo wilt zeggen. Dat is dan de complexiteit van uw wezen.

En nu de vraag: Hoe zitten we dan eigenlijk met al die menselijke overwegingen? Want u weet: menselijk denken is in; medemenselijk denken is noodzakelijk. Komt vaak voor, alleen de daad blijft meestal uit.

U  leeft in uw eigen wereld. In die wereld denkt u misschien dat u logisch handelt. Maar het blijkt dat de logica de verklaring vormt voor een groot gedeelte van hetgeen we toch ‘het emotioneel beseffen’ zouden kunnen noemen. U bent dus niet zo feitelijk en zo daadwerkelijk bewust als u veronderstelt.

Alleen, u hebt behoefte aan iets waardoor u de onbestemdheid kunt formuleren. Dat formuleren geschiedt  in leuzen, ook uw eigen woordinhoud is meestal niet uitermate groot. De een kan misschien tienduizend woorden beheersen, een ander komt misschien tot honderdveertig. De hoofdzaak is: U kunt niet alles werkelijk omschrijven en dus formuleren, wat in die  gevoelswereld in de geestelijke waarde ontstaat.

Het resultaat is dat u voor een deel van uw leven u gevangen zult voelen. U wordt gedreven, de  gebeurtenissen zijn u de baas. In feite doet u datgene wat nodig is; alleen, u beseft het niet. Dan hebt u als mens te maken met zaken als recht, moraal en wat er allemaal verder bij hoort.

Laten we weer reëel zijn: die regels zijn op zuiver stoffelijke overwegingen en gronden gebaseerd. Ook wanneer we ze verklaren uit onze emotionaliteit en misschien emotionaliteit  gebruiken om er nadruk aan te verschaffen, die ze zuiver logisch gezien niet verdienen.

U zult dus in heel veel gevallen, of u het wilt of niet, gedreven worden door bepaalde opvattingen die niet ter zake doen. Dan zeggen we: je wordt als mens dus door scholing eigenlijk bepaald. Het leergedrag is een deel van de stoffelijke erfelijke structuur. Dat komt al voor zelfs bij meercelligen, na deling. Daar is een soort leergedrag waarbij dingen worden overgenomen die niet op eigen ervaring gebaseerd zijn. Dat kunnen we in de hele dierenwereld zien.

Uw leergedrag is oud. We kunnen zeggen dat het leergedrag van de mensheid als geheel anderhalf miljoen jaar oud is. In die tijd zijn bepaalde rechtsbegrippen, plichtbegrippen etc. steeds verder uitgebouwd. Oorspronkelijk emotioneel, later gerationaliseerd en uiteindelijk uitgedrukt in wetten, godsdienstige regels enz.

Wanneer u nu op een of andere manier te kort schiet t.a.v. die regels, dan voelt u zich vaak uitermate schuldig. Dan zegt u: Ik ben toch een slecht mens.

Maar goed, in die rechter hersenhelft speelt het geheel van de  vastgelegde geestelijke impulsen en voorstellingen, plus nog eens een keer de harmonische drang van al die gebeurtenissen een rol. Deze zijn vaak volledig tegengericht aan de formuleringen die u hebt gevonden, recht en onrecht bv., goed en kwaad.

Hierdoor wordt u in uw leven vaak heel zwaar belast. U bent voortdurend met uzelf in strijd. Dat moet u niet zijn. De beste methode is: verzink jezelf in meditatie en probeer zonder te denken te voelen. U beleeft dan op den duur een soort toestand van vrede en rust, maar meestal met één of meerdere kleine verstoringen. Die verstoringen zeggen u in wezen wat er in het geheel van uw huidig bestaan aan disharmonie bestaat.

Daardoor wordt u gericht op de punten die voor u op dit ogenblik belangrijk zijn. Niet alleen stoffelijk, maar voor het geheel van de persoonlijkheid. Probeer daaraan dan op een redelijke wijze weer vorm te geven.

U zult ontdekken dat u niet alleen uzelf beter leert  kennen maar dat u daarnaast ook beter uw wereld begrijpt. Wat meer is, dat u harmonische mogelijkheden ontdekt ten aanzien van die wereld, die er zonder dat eigenlijk niet zijn voor u. Dus wat bent u?

Als u vraagt: Wie ben ik? zeg dan tegen jezelf: Ik ben zoeker naar harmonie. Deze harmonie echter berust niet op de voorstelling of de redelijkheid  maar op mijn vermogen tot innerlijk aanvoelen plus mijn vermogen tot redelijke vertaling voor mijzelf. Die weg te kiezen waardoor ik in volledige mate de harmonie kan ondergaan, die voor mij noodzakelijk is.

En wat de rest betreft: maak u geen zorgen. Een ander weet toch niet precies wie en wat u bent. U weet het zelf niet eens, dus hoe zou een ander er achter moeten komen?

Wees niet hang dat je te koop loopt of zo, dat gebeurt niet. Maar zoek vooral naar die harmonie die je nodig hebt. Begrijp dat je in een stoffelijk voertuig zit, dat in dit voertuig een balans en een samenwerking tussen wat we droom of fantasie of gevoel èn redelijkheid en conclusie kunnen noemen.

Wanneer die twee factoren evenwichtig zijn en wisselwerking kennen, komen wij tot een levensresultaat waarin de beste aanpassing is gevonden ten aanzien van ons eigen geestelijk zijn en de wereld waarin wij leven.

Discussie

  • Wat moeten we verstaan onder de door u behandelde verschillende voertuigen?

‘Voertuig’ is een uitdrukking die men gebruikt om de vorm aan te geven waarin men zich op een bepaald niveau volgens eigen bewustzijn manifesteert. Het is dus een Ik-voorstelling, behorend bij een bepaalde wereld.

  • Emoties zijn, als ik u goed begrepen heb, voornamelijk stoffelijke gebeurtenissen die je kunt hanteren door er als het ware naar te kijken. Is dit juist en zijn die em0ties nodig om te ervaren, om ze geestelijk te boven te komen, d.w.z. ze al dan niet als vijanden te zien?

Wat u zegt, bevat een grein waarheid en een reeks veronderstellingen, die ik daartoe niet mag rekenen. ‘Emotie’ is de uitdrukking die we hebben voor gevoels- plus voorstellingswereld, die niets te maken heeft met de realiteit. Dit deel van uw bestaan omvat ook een grote reeks geestelijke impulsen. Je kunt dus niet zeggen dat het je vijanden zijn, maar ze passen niet direct in de menselijke voorstellingswereld. Een mens moet kunnen formuleren, hij gebruikt daarvoor dus een ander deel van de hersenen (we zouden ook over de zijlobben en de frontale lobben van de hersenen kunnen gaan praten, maar dat zou ons te ver voeren).

Het komt er eenvoudig op neer dat de emotie zowel erfelijke kwaliteiten als geestelijke kwaliteiten omvat en daarnaast een innerlijke voorstellingswereld, die echter niet volledig formuleerbaar is. Datgene wat ervan geformuleerd wordt, kan dan geloofd worden of iets dergelijks, mits men vermijdt om het op de proef te stellen.

Stelt men het wel op de proef, dan blijkt dat een voortdurende aanpassing van de rationele benadering noodzakelijk is om het gevoel zijn werkelijke plaats te geven in de wereld. Maar het is zeer belangrijk; zonder deze emoties kunt u geen mens zijn, bent u alleen een computer.

Dus, ik kan niet zeggen dat het vijanden zijn of dat het dingen zijn, die je met alle geweld waar moet maken. Ik kan slechts zeggen: het is datgene wat u innerlijk beweegt. En datgene, wat u – om in harmonie te kunnen leven met uzelf en uzelf te kunnen aanvaarden – zult moeten formuleren en op enigerlei wijze dus ook op de proef zult moeten stellen.

  • Kunt u nog verduidelijken wat u zei over die evenwichtsstoringen in het gevoel bij meditatie?

Ik heb geprobeerd een tijdens meditatie optredende gevoelsbeleving te omschrijven, omdat deze nu eenmaal niet redelijk formuleerbaar is. Ook wanneer je in meditatie tot een harmonie komt, zijn er altijd enkele elementen van onevenwichtigheid. Al is het maar omdat de mens zijn eigen innerlijke werkelijkheid maar zelden volledig en nooit blijvend volledig kan aanvaarden. Hierdoor ontstaat dus evenwichtsverstoring, niet te vergelijken met een duizeling, maar eenvoudig met een disharmonisch aspect.

Wanneer je terugkeert uit de meditatie, dan zul je de harmonie voornamelijk als rust, vrede of kracht ervaren. De verstoring van het harmonisch aspect echter, zul je over het algemeen, zonder het geheel te beseffen, neem ik aan, als een soort drijfveer beleven, die dus je verdere daden mee helpt bepalen.

  • Uw verhandeling ging veelal over de brugwerking tussen de linker en rechter hersenhelft. In welke mate is een soortgelijke brugfunctie tussen hypofyse en epifyse hier van belang?

Deze zijn van belang in zoverre dat zij stuurstoffen, dus stimulansstoffen, afgeven en als zodanig in de functies en in de aanpassing van functies van het lichaam een grote rol spelen.

Dat zij in wederkerigheid bestaan, zal u duidelijk zijn. Dit geldt echter in de praktijk voor praktisch het gehele klierstelsel, omdat de interne secretie in evenwicht of onevenwicht gelijktijdig de voortbrengers van die secreties afremmen of stimuleren.

Dit is iets heel anders dan de hersenbrug, welke in feite een overbrenging betekent van inhouden van signalen, dus niet-stimulerende werkingen van de ene hersenhelft naar de andere. En terug voorstelling of formulering vanuit de redelijkheid overbrengt naar de gevoelswereld, de geloofswereld of hoe je het zeggen wilt, fantasiewereld.

  • Zijn de hypofyse en de epifyse zowel voor geestelijke als voor stoffelijke ontwikkeling voor de mens van belang? Kan men hiermee wat doen om tot het Ik te komen?

Zoals ik in mijn vorige beantwoording al aanduidde, zijn het stoffelijke organen. Zij vormen een belangrijk deel van de stimuli, die in het lichaam dus ontstaan. Anders gezegd: beide tezamen hebben een stuurfunctie ten aanzien van het grootste gedeelte van de interne secretie.

Nu kan een bepaalde lichamelijke toestand ongetwijfeld bevorderlijk zijn voor het bereiken van intensere gevoelswaarden of een intensere overbrenging van gevoelswaarde naar een redelijke norm en omschrijving en eventueel de terugprojectie daarvan. Dat kan dus wel het geval zijn.

Maar u vraagt mij nu in feite of een kunstwerk kan worden geschapen wanneer je de juiste penselen gebruikt. Het antwoord is: de kunst ligt niet in het penseel, maar het penseel is een werktuig dat een kunstenaar soms met zeer groot effect kan hanteren.

  • Heeft de mens na zijn overgang een beter inzicht, c.q. kennis ten aanzien van zijn geestelijke voertuigen dan tijdens zijn stoffelijk bestaan?

Ach, u hebt last van één voertuig minder. Maar elke keer, wanneer je een Ik-voorstelling hebt en vanuit deze Ik-voorstelling een relatie met de wereld projecteert of waarmaakt, ben je aan die Ik-voorstelling gebonden.

Het is duidelijk dat je soms meer kunt leren over die andere voertuigen, omdat je meer vatbaar bent voor de projectie van gedachten van anderen en voor een groot gedeelte je gevoelens kunt omzetten in beeldende samenhangen. Waarbij de formuleernoodzaak die voor de mens zo groot is, niet meer in dwingende mate aanwezig is.

Je hebt dus in de geest wel de mogelijkheid meer te vernemen over je andere voertuigen en je daardoor meer bewust te worden van je werkelijke wezen dan op aarde gemeenlijk althans bewust mogelijk is. Maar we moeten erbij voegen: In elke wereld, die je bereikt, heb je een beeld van jezelf. Dat beeld wordt bepaald door je relatie met je wereld. En het is dit beeld dat je voertuig is.

Je kunt je dus nooit bewust zijn van een voertuig van een hogere wereld zonder die hogere wereld te kennen en zelf in relatie met die wereld te staan.

Sommige oosterse meesters stellen: Ik Ben. Is de waarheid niet: Ik ben dit of dat, zus of z0? Het beeld dat men van zichzelf heeft, de persoonlijkheid, is veranderlijk, nooit de werkelijke waarheid.

Het beeld dat je voor jezelf hebt omtrent jezelf, is de fantasie van datgene waarvan je hoopt dat anderen dat in je zullen zien. Dat is volledig juist. Maar wanneer ik zeg: IK BEN, dan constateer ik iets wat niet alleen oosterse meesters zeggen. Dat zegt Descartes: “Ik denk, dus ben ik, dus besta ik”  ook.

Mijn denken in zich zelve is het enige waardoor ik mij bestaansbewust word. De oosterse meester zegt dat op een andere manier.

Ik ben dit of ik ben dat, is in feite een tijdelijke beperking van datgene wat ik in werkelijkheid ben. Maar zolang dit voor mij een waarheid is, is de 0inschrijving voor mij noodzakelijk, omdat ik mijzelf niet in de totaliteit als deel van het geheel kan voelen, maar alleen mijzelf kan projecteren als een functie die in zich eigenschaps- en kwaliteitsbeperkt is en die reageert op het geheel dat er omheen is. Het is nu eenmaal eigen aan de Ik-voorstelling en als zodanig is dus: Ik ben dit, of: Ik ben dat, onvermijdelijk voor de mens. Zelfs diegene die zegt: Ik Ben, en verder ben ik niets, is iemand die zegt: Ik  ben dus een volgeling van ….

  • Is er ooit iemand geweest, b.v. Jezus, die zichzelf volledig, tot en met de ziel kende?

Er zullen er op aarde meerderen geweest zijn, omdat eenieder vanuit het hoogste licht zich terug projecteert naar de stoffelijke vorm, zonder zich met deze vorm in wezen te verbinden maar altijd zich verbonden acht met het geheel van alle voertuigen die mee tot die persoonlijkheid behoren, zich van zichzelf bewust blijft. Maar hij kan alleen functioneren volgens de normen en waarden en mogelijkheden van zijn voertuig, plus de geestelijke kracht die middels dit voertuig kan worden geuit, hetzij als directe werking hetzij als lering of iets anders.

  • ‘Het Ik spiegelt zich aan de ander.’ Waar zit die spiegel? Hoe kunnen er anderen zijn met meer egocentrisme of minder egocentrisme als ieder ander een projectie, resp. spiegelwerking is van het eigen Ik?

Het is niet juist dat iedereen een spiegelwerking is van het eigen Ik. Maar wel dat elke waarneming van een ander of het andere wordt gespiegeld vanuit het Ik. Je kent dus in het andere jezelf. Datgene wat voor jou niet vatbaar of kenbaar is, zie je ook niet. Dat beleef je niet, constateer je niet.

Als zodanig zie je dus niet de werkelijkheid, maar je ziet alleen dat deel van de werkelijkheid waarvoor je zelf een referentiekader in je draagt. Je spiegelt je dus aan de ander, in die zin dat het  geheel van de wereld, die je rond je constateert, iets zegt omtrent hetgeen je zelf bent, vreest, begeert en eventueel mogelijk acht.

  • Welk nut hebben opmerkingen en bv. leringen van de ODV, als we dit alles toch moeten verwerken met onze eigen voorstellingen? Er is altijd slechts een beperkte benadering van ons werkelijke Ik.

Het is inderdaad juist dat de bewustzijnsinhoud van bv. een toehoorder beperkt is. Maar vergeet één ding niet: Het denken van een mens verloopt over het algemeen volgens vaste gedachtesporen. Dat wil zeggen dat steeds dezelfde reeksen associaties zich op een gelijke of vergelijkbare manier herhalen, ongeacht de stimulus die aanleiding was tot het denken.

Hetgeen wij nu doen, is in feite deze gedachtesporen zoveel mogelijk ontwrichten zodat de gedachten loskomen uit het vaste kader waarin zij plegen te spelen.

Hierdoor ontstaat binnen het ken- en formuleer- en gevoelsvermogen van de toehoorder een nieuwe mogelijkheid tot reformulering, tot herziening, zowel van zijn beeld van zichzelf als van zijn wereld.

Hierdoor kan dan, op grond van een praktisch dit ook beleven, de mens geconfronteerd worden met nieuwe kennis, met nieuwe inzichten en eventueel ook nieuwe gevoeligheden. Waardoor de gevoe1swaarden intenser worden en vanuit het z.g. emotioneel of niet rationeel gedeelte van het denken dus nieuwe en sterkere stimulansen ontstaan voor het rationele gedeelte.

  • Het is usance (red. de gewoonte) om waarderend te spreken over het bewuste en wat denigrerend over het z.g. onbewuste of onderbewuste. Maar is alle geestelijk kennen, dus niet alleen het intellectuele hersendenken, niet een rem als het om werkelijk zelfinzicht gaat? Waarbij het dus gaat om scheppende, stille aandacht?

Wanneer u uitgaat van het emotionele of, moet ik zeggen, het niet werkelijk reëel werkende deel van de hersenen, dan heb je hier een heel belangrijke functie.

Zoals ik u reeds heb gezegd, treft u daarin geestelijke waarden aan als erfelijke waarden van het menselijk geslacht. U treft daarin verder een groot aantal factoren aan, die dan als onderdrukt besef zouden kunnen worden geformuleerd, omdat het counterpart daarvan in de herinnering tijdelijk is kortgesloten en niet benaderd kan worden.

Wanneer u nu zegt: Moet ik de redelijkheid uitschakelen (de ratio)?  dan kan ik alleen maar antwoorden: een mens kan niet leven zonder ratio, zonder redelijkheid. Het bewuste is noodzakelijk om het niet bewuste leefbaar en beleefbaar te maken in de wereld waarin je bestaat. Maar je moet niet de twee dingen met elkaar verwarren.

Veel mensen zeggen: Het onbewuste, ach, dat heeft maar weinig betekenis. Het onderbewustzijn is uiteindelijk maar belemmering van onze redelijkheid.

En dat is onjuist, u zou het zo moeten formuleren: De redelijkheid is het instrument waardoor ik kan doordringen tot mijn gevoelswereld en vanuit mijn gevoelswereld nieuwe materie vinden, nieuw materiaal verzamelen, waardoor mijn redelijkheid verder kan komen dan anders het geval zou zijn.

Laten we een bekend mens als voorbeeld nemen: Einstein. De stelling van Einstein is een mathematische. Zij heeft een zekere schoonheid en een zekere élégance, zeker wanneer men de totale berekening volgt. Maar, het is en het blijft een denkbeeld. Wat heeft deze man gedaan?

Hij heeft aangevoelde waarden omgezet in een redelijke benadering. Hij heeft die redelijke benadering voorts uitgedrukt in een berekening en hij heeft op grond van die berekening een aantal formules gevonden die zijns inziens toepasselijk waren.

Wanneer nu niet de theorie van Einstein op bepaalde punten proefondervindelijk bevestigd was, zoals bijv. de buiging van het licht in de nabijheid van de zon, dan had men ongetwijfeld deze totale conclusie verworpen. Dan was men nog steeds bezig met het denken van Newton, zonder de  varianten die onder meer Einstein daarop mogelijk heeft gemaakt.

Realiseer u dus wel wat hier gebeurt: Er is eerst de inspiratie, dat is een gevoelswaarde, dat is niet reëel. Zij wordt overgebracht naar het voorstellingsvermogen. Dit werkt ermee.

Het voorstellingsvermogen is het werktuig dat uitdrukking schept voor het gehele wat in de rechter hersenhelft ontstaat, dat nu echter formuleerbaar en daarmee hanteerbaar wordt. Zo kan een aangevoelde waarheid tot een geformuleerde waarheid worden, die 0p  zijn beurt weer tot een bewezen of aannemelijk gemaakte waarheid wordt. En dit is nu eenmaal het gehele procedé waarin de menselijke bewustwording voortdurend weer dient te verlopen.

Wanneer u dus als mens in een menselijke wereld wilt leven, dan kunt u nooit zeggen dat het onbewuste of onderbewuste belangrijker is dan de rede.

U kunt alleen zeggen dat het de aanvoerweg is van al datgene waardoor de rede eerst tot zijn recht kan komen en via het experiment over het algemeen kan komen tot een uitbreiding van wereldbesef, waarheidsbesef en Ik-besef.

Het Ik-besef, zoals dit in het onderbewuste aanwezig is, wordt beïnvloed door stoffelijk erfelijke, door uit leeromgeving voortgekomen voorstellingen. De voorstellingswereld daarvan is niet zuiver.

Als je die hele voorstellingswereld achterlaat, kun je het zuivere Ik wel beleven, maar niet herkennen, laat staan omschrijven. Eerst wanneer dit geheel wordt overgebracht naar de rede en er vanuit de rede mee wordt gewerkt, kunt u uiteindelijk komen tot een conclusie, dus tot een kennen van uzelf.

Daarom ben ik zo vrij te stellen dat, indien het gaat om werkelijk besef èn bewustzijn van het Ik, men niet genoeg heeft aan het onderbewuste of onbewuste maar dat men het bewustzijn nodig  heeft om het voor jezelf aanvaardbaar, formuleerbaar en benaderbaar te maken.

  • Hoe vaak is de spreker geïncarneerd en wanneer is de tijd gek0men om een nieuw aards leven te beginnen?

Ik heb meer incarnaties achter me dan me lief zijn. En ofschoon de  mogelijkheid bestaat dat ik alsnog zal moeten incarneren, zo bid en hoop ik en verwacht ik dat dit zo lang zal duren dat de huidige menselijke spanningen en onregelmatigheden alweer deels huns weegs zijn gegaan. Dat is een niet zeer beslissend antwoord maar het maakt u wel duidelijk dat ik vele levens heb gehad (ik heb dus heel wat doorgemaakt), dat ik met mijn huidige status uitermate tevreden ben en dat ik naar een incarnatie op aarde op het ogenblik even vrolijk uitzie als u naar een noodzakelijk bezoek aan de tandarts.

  • U sprak over erfelijkheid en nu is er voor mij een moeilijkheid bij reïncarnatie; komt men dan bewust in eenzelfde familie terecht?

Dat is niet met zekerheid te zeggen, maar één ding is wel met zekerheid te zeggen: Je hebt als chauffeur ook vaak voorkeur voor een bepaald type wagen en wanneer je dan uit mag zoeken, kies je natuurlijk datgene wat je het beste past. En dat doet de geest bij incarnatie, zover dat mogelijk is en zover zij bewust genoeg is om ten aanzien van de aarde enige voorkeur ontwikkeld te hebben. Dat hoeft niet in een familie te zijn. Als je sommige families ziet, dan kan ik me voorstellen dat de  meesten die er eenmaal lid van zijn geweest, heel graag elders incarneren.

  • Dus dan vervalt de erfelijkheid van de voorgangers?

Die erfelijkheid vervalt, zolang zij in dat geslacht bestaat. Maar de totale erfelijkheid van de mensheid heeft toch een gelijksoortige basis in een ver verleden en die blijft dus praktisch overal aanwezig. Het is misschien een wat hypothetische term die ik gebruik, maar in mijn tijd zeiden we wel eens: door Adam zijn wij allen zeer verwant. En ik zou zeggen: door het mens-zijn heb je toch een zo grote basis aan erfelijke waarden in de genen dat al datgene wat er uit een familie bijkomt, alleen maar een onbetekenende variant op een grondthema is.

  • Kortgeleden heb ik gehoord dat van iemand die reïncarneren wil, de geest indaalt omstreeks de derde maand dat de vrouw in verwachting is. Maar ik heb ook eens gelezen dat het vlak voor de geboorte, of zelfs als de baby net geboren is, gebeurt. Klopt dat?

Dat hoort niet helemaal bij ons onderwerp, maar ik zal de vraag beantwoorden. Wanneer de eerste celdeling heeft plaatsgevonden  — meestal is dat na een viervoudige deling — dan bestaat er voldoende signaal dat een geest zich daarmee zou kunnen verbinden. Maar die verbinding is zoiets als in plaats van TE KOOP het bordje, VERKOCHT zetten bij een huis in aanbouw.

Vanaf dat ogenblik zal die geest dus voortdurend langskomen en de zaak inspecteren. Na de derde maand is over het algemeen al een  ontwikkeling aan zenuwstelsel en hersens ontstaan dat men zich dus zo nu en dan gaat bezighouden met de voorstelling hoe het huis gemeubileerd moet worden.

Maar, men is er nog niet mee één, men daalt dus nog niet af, zoals u dat noemt. Dit is een proces dat, afhankelijk van allerhande omstandigheden, veelal pas op het eind van de vijfde of zesde maand plaatsvindt. Volledige identificatie vindt  pas in de zevende maand plaats, waarbij de geestelijke contacten verbroken zijn en het Ik-bewustzijn volledig in de nu praktisch volgroeide vrucht wordt geconcentreerd.

  • Wij mensen hebben in ons menselijk denken een woorddenken en soms ook een beelddenken. Wat is daar het verschil tussen met de geest? Denkt de geest in beelden?

De geest denkt in vergelijking dus met uw termen in beelden. Anders gezegd: het denken van de geest vormt de wereld waarin zij zich beweegt, die dan verder gevarieerd wordt door de gedachten van anderen, die in het beeld binnendringen.

Maar een mens kan in beelden denken. Doch om datgene wat in hem leeft vorm te geven, zal hij moeten formuleren. Met andere woorden: overgaan tot woorddenken. Daarom is het woorddenken bij de mens het meest voorkomend, terwijl het beelddenken over het algemeen behoort tot de minder bewuste processen.

In mijn betoog is de nadruk gevallen op het samenspel der dingen. Zelfs het samenspel van geest en stof, het samenspel in de stof van onderbewuste of onbewuste en bewustzijn, van emotie en formulering. Het is duidelijk dat de mens een geheel is.

Elke hersenhelft afzonderlijk kan niet functioneren. Een stofmens zonder geest kan niet functioneren. Een geest die op aarde moet leven zonder stoflichaam, kan niet functioneren.

De tweedeling, het scheppen in feite van een soort tegenstelling of een evenwichtigheid, is echter noodzakelijk om de processen te begrijpen waardoor het Ik zichzelf is en wordt.

De vraag: Wie ben ik? kun je niet beantwoorden door eenvoudig naar de wereld te kijken en te zeggen: de wereld ziet mij zo, dus ben ik zo.  Maar je kunt 00k niet uitgaan van het standpunt: datgene wat in mij leeft, is de enige werkelijkheid en de wereld moet me dan maar nemen zoals ik mezelf wil zien. Dat is niet waar.

We moeten begrijpen dat leven op aarde, betekent: deel zijn van een wereld. Deel zijn van gemeenschappen. Betrokken zijn bij gebeuren, of je dat nu wilt of niet. Zonder dit kun je als mens niet leven en bestaan.

Je geestelijke waarden kun je nu gebruiken om binnen dit kader, dus binnen het raam van het stoffelijk mogelijke en noodzakelijke, juist datgene naar voren te brengen wat voor jou persoonlijk het meest belangrijke is en daardoor je leven aan te passen aan je werkelijke persoonlijkheid — ook wanneer die grotendeels eerder wordt aangevoeld dan bewust geformuleerd.

Datgene wat u bent, is een goddelijke kern, omringd door een bewustzijn van meerdere lagen dat zich uiteindelijk als een beperkt en zelfstandig deel ervaart van een geheel en daardoor voor zichzelf en vanuit zichzelf aansprakelijkheid heeft tegenover dit geheel en mede zichzelf moet vinden als een zo bewust mogelijk beleefd deel van het geheel.

Je kunt dit alles misschien te redelijk vinden, sta mij daarom toe dat ik mijn zo redelijk en zo logisch mogelijke benadering, nu het einde van de bijeenkomst nadert, voor een 0genblik terzijde werp.

De werkelijkheid van het leven is ‘kracht’. Maar de kracht die in je is, is niet alleen maar een goddelijke waarde of een persoonlijke waarde. Het is de relatie die je hebt met een totaliteit, die je niet beseft.

In je leven de dromen van schoonheid en van afgrijzen. In je leven de verwachtingen die altijd weer beschaamd worden, en is de wanhoop en hopeloosheid aanwezig die in feite overbodig zijn.

We zijn een complex geheel en in het geheel van ons wezen vergeten we één ding: we hebben in onszelf de kracht om datgene te zijn wat we moeten zijn. We hebben in onszelf het vermogen om vanuit onszelf waar te maken in onze relatie met de wereld wat voor ons en op dit ogenblik noodzakelijk is. Het is een kwestie van waarheden misschien, maar wie kan een waarheid formuleren zo dat ze onomstotelijk is  en voor alle tijden vaststaat?

Een mens kan dat niet, al is het maar omdat een mens tijd alleen ziet als een volgorde van moeizaam beleefde ogenblikken, en niet beseft als een omschrijvende lijn in het totaalbeeld van het Zijn.

Wie ben ik? Ik ben een deel van een geheel dat ik niet ken.

Wie ben ik? Ik ben een kracht, deel van een kracht die ik niet besef. En toch besef ik soms enige kracht in mijzelf.

Wie ben ik? Ik ben een geest, tijdelijk gebonden in de stof misschien, maar gelijktijdig een geest en een ziel.

Ik behoor. tot vele werelden en niet tot één wereld. Ik ben misschien een wezen dat in zijn eigen wereld en in de ogen van degenen die daar leven, geslaagd of mislukt is. Maar ik ben toch deel van het geheel; ik kan niet slagen of  mislukken, ik kan slechts zijn. En wanneer ik datgene wat ik ben, wat in mij leeft,  wanneer ik mijn gedachtewereld, mijn gevoelswereld kan aanvaarden en zover mij mogelijk is, waar kan maken, dan kan ik nooit een mislukking zijn. En dan zal ik ook nooit uitermate geslaagd zijn. Maar ik zal wel uitermate  mens zijn.

Leven uit de kracht, leven uit het licht, het zijn termen. Want de kracht is datgene wat we in onszelf vinden. Het licht is de verlichting, het bewustzijn dat in onszelf ontstaat wanneer datgene wat in ons schijnbaar gescheiden is, samenvloeit en wordt tot een eenheid, die wij kunnen aanvaarden en beleven. Wij zijn deel van een eeuwigheid, maar we kunnen alleen rekenen in de tijd.

Wie ik ben? Ik ben een zoeker in het onbekende die, zoekende naar het andere, voortdurend zichzelf vindt.

Wat ik ben? Ik ben een wezen dat zichzelf niet wezenlijk kan beschrijven, maar dat voortdurend in zijn functioneren ten aanzien van al het andere, voor zichzelf een omschrijving tot stand brengt die vanuit de wereld geldt, zonder voor jezelf ooit volledig waar te zijn.

Waar ben ik? Ik leef in vele werelden tegelijk, maar waar mijn bewustzijn zich concentreert, daar leef ik. Het is mijn beseffen, mijn bewustzijn dat uitmaakt waar ik ben. En zo ben zelf, door mijn beperking misschien, degene die bepaalt wat en waar ik leef.

Wie ik ben? Een zichzelf niet begrijpend deel van een eeuwigheid. Het zichzelf niet kennende deel van een onmetelijke kracht.

Ik ben het, zichzelf nog steeds niet spiegelend aan de waarheid, levend deel van het Alomvattend Bewustzijn. Er zijn voor mij geen grenzen gesteld, buiten de grenzen die groeien uit mijzelf.

Laat mij dan de grenzen steeds weer iets doorbreken, dat mijn wereld groter worde, opdat het ‘Wie ben ik?’ een steeds omvattender antwoord krijgt.

Want door steeds meer deel te zijn van alle dingen, zal ik mij steeds meer bewust worden van mijn deelgenootschap in de totaliteit — tot ook de laatste grenzen verbleken en wegvallen en de vraag niet meer is ‘Wie ben ik?’ en ‘Wat ben ik?’ maar de laatste constatering is: ZIJN.

image_pdf