Wij allen zijn deel van de scheppende en levende kracht

image_pdf

10 december 1963

Wij hebben bij deze bijeenkomst een drietal punten. Allereerst een inleiding van mij, daarna krijgt u twee gastsprekers.

Het belangrijke voor deze avond is, naar ik meen, vooral de tijd en ik zou haast zeggen wat men, kerkelijk wel eens het tijds eigen noemt. Er zijn altijd bepaalde perioden in een ontwikkeling, waarbij je kunt zeggen: Ja, de crisis is er nog niet, maar we wachten er elk ogenblik op. En zo’n crisis heeft altijd dubbele aspecten.

Wanneer je een zieke hebt en hij komt tegen een crisis aan, dan weten wij dat hij heel vaak in koorts is, dat zijn denken langs ongewone wegen gaat, dat hij wat doof is geworden voor de werkelijkheid. en daarnaast weten wij, dat zich ergens ongezien allerhande processen afspelen, die er uiteindelijk over zullen beslissen, of zo’n lichaam zal voortbestaan of dat het niet verder kan werken.

In de wereld is de toestand op het ogenblik ongeveer gelijk. Alleen reken je misschien in de aanloop tot een crisis bij een patiënt op een week of op enkele dagen; in een wereld reken je daarop laat ons zeggen 10 tot 15 jaar. Maar gezien de tijd dat deze wereld zich op het ogenblik al aan het veranderen, aan het hervormen is, moeten wij toch wel rekening houden met verschillende aspecten. En één daarvan is esoterisch belangrijk, het andere daarvan is meer materieel.

Wij zijn in deze tijd geneigd om met ons denken af te dwalen van een werkelijkheid. Dat denken, is over het algemeen tenminste afgeleid wan vroegere herinneringen. Een groot gedeelte van de verschijnselen die op het ogenblik optreden zijn te wijten aan de herinnering. die men heeft omtrent wat eens was. Een poging om het verleden te herwinnen misschien, een groot gedeelte van de geestelijke werkingen zijn een poging om terug te keren tot de vroegere innerlijke rust en zekerheid. Maar men heeft er de middelen niet voor. Men grijpt nu terug naar rassenherinneringen en rasweten, waarbij dus de oude theorieën en de oude stellingen weer op de voorgrond komen uit een periode dat de mensheid jonger was.

Maar je leeft in deze wereld. En dat betekent dat je leeft met de kennis die vandaag aan de dag bestaat. Je kunt jezelf niet onttrekken aan het heden en terugkeren naar een periode, waarin men rustig kon wandelen ergens in een stoa en filosoferen over allerhande problemen, omdat er niets van bekend was. De mens van tegenwoordig wordt in zijn denken gekluisterd door bekende waarden. En wat het geestelijke betreft, betekent dit, dat we bewust of onbewust worden beïnvloed door wat we weten over psychologie, dat we onze methode van zelfonderzoek niet alleen meer baseren op de vroegere erkenning van goed en kwaad, maar dat we proberen een verklaring te vinden voor de onjuistheden. Wij kunnen dat echter niet.

Wij hebben dus enerzijds niet meer de concrete verinnerlijking van vroeger, aan de andere kant kunnen wij ook niet terugkeren tot de nuchtere ontkleding, die dan tot het meer mentaal weten van deze dagen behoort. Zwevend tussen deze beide ontstaan vaak de meest fantastische denkrichtingen en ook in het innerlijk streven de meest eigenaardige verklaringen, voor wat je bent en wat je doet.

Wanneer men tegenwoordig iemand zegt, dat gestreefd te hebben wil zeggen geleefd te hebben en dat bereiken niets betekent, dan zal hij ja knikken, want hij is het er filosofisch gezien mee eens; maar gelijktijdig gaat hij voort in zijn poging iets te bereiken en kijkt hij minder naar de middelen en minder naar de zuiverheid van zijn bestrevingen dan naar het resultaat.

Het zal u duidelijk zijn, dat wij daar op een gegeven ogenblik mee vast moeten lopen. Je kunt niet aan de ene kant een ideaal huldigen. Aan de ene kant een innerlijke waarheid erkennen en aan de andere kant middelen gebruiken. Die daarmede in strijd zijn. Er zijn wat dit betreft verschillende benaderingen mogelijk, maar degene die voor ons vanavond het meest interessant is en, ook gezien de volgende sprekers waarschijnlijk van belang is, is deze: Wij grijpen naar de exotische filosofieën, omdat de gewone wereld ons niets meer te zeggen heeft.

Menigeen wendt zich vanuit het christendom bv. naar het oosten of naar denkwijzen, die elders bestaan, alleen maar omdat hij daarmede iets nieuws schept.

De mens is blind. Die blindheid voor een groot gedeelte van zijn eigen geestelijke mogelijkheden, resulteert in het onvermogen om zich vele dingen voor te stellen. Als je vroeger zei: Er is niets, dan zei men; nu ja, dan is er niets. Punt. Men ging zich niet afvragen, hoe men zich dat niets moest voorstellen. Men zei eenvoudig; het is er. Tegenwoordig gaat iemand, tegen wie je zegt; daar is niets, zich afvragen welke eigenschappen het heeft, niet begrijpend dat het niets eigenschapsloos moet zijn. Dat het het meest neutrale is wat er bestaat. Wanneer je hem zegt; er is een ledige ruimte, dan gaat hij zich afvragen waar de grens ligt.

Vroeger hadden de mensen eenvoudiger denkbeelden en was er misschien onder de pannenkoek-aarde, die op een paar zuilen en een paar grote schild padden rustte, een enorme zee. En waar die zee naartoe ging, daar vroeg niemand naar. Hoe dat water er was, daar vroeg ook niemand naar. Waar een grens was, daar vroeg niemand naar. Doordat men niet vroeg naar de dingen, die niet verstandelijk beredeneerbaar waren, maar deze a.h.w. probeerde te gevoelen, was men in staat om het onbegrijpelijke voor zich toch aanvaardbaar te maken.

Wanneer wij in onszelf moeten keren en wij moeten in onszelf zoeken naar een nieuwe weg en een nieuwe mogelijkheid, zoals in deze tijd van vernieuwing, dan zouden wij ook heel veel dingen eenvoudig moeten aannemen. Maar wij kunnen het niet. Wij voelen in onszelf wel dat het nodig is en wij gaan dat dan omzetten. Wij proberen het in een visioen te vinden, zoals bij Bellamy bv. We proberen het om te zetten in een filosofie, die dan toch ergens logisch is. Wat wij niet begrijpen is dit; In onszelf ligt een volkomen onbegrepen en ten dele onkenbare wereld. Wij kunnen wel met die wereld worstelen, maar we kunnen haar niet regeren met de maatstaven die wij kennen.

We moeten dus uitgaan van onszelf. En daarbij in de eerste plaats van ons gevoel. Ons gevoel moet bepalend zijn voor ons denken, ook wanneer dat in de wereld schijnbaar niet zo passend is gezien de structuur enz. Wij moeten dit gevoel gebruiken om uit ons weten die delen te lichten, die voor ons waarlijk belangrijk zijn en al het andere moeten wij terzijde stellen.

Hebben wij ook dit gedaan, dan blijft dus over een in het begin onsamenhangend complex van feiten of van punten of van stellingen. Maar ze behoren tot ons wezen, ze worden voor ons innerlijk of emotioneel gebonden met elkaar. En die verbinding moeten wij waarmaken.

Wanneer ik voel dat ik verbonden ben met God, dan is dat heel erg mooi, maar ik moet het ergens voor mijzelf waar weten te maken. Ik behoef er geen theorie over op te bouwen en ik behoef niet te weten wie en wat God is, maar ik moet dit gebonden zijn met een. hogere kracht in en vanuit mijzelf tot uitdrukking weten te brengen. Zolang ik daartoe in staat ben, is het goed. Op het ogenblik dat ik dit niet meer kan, kom ik met mijzelf in strijd en verlies mijn werkelijk contact met het Goddelijke.

Materieel ziet u precies hetzelfde trouwens. Je zoekt iets wat voor je belangrijk is. Geborgenheid, zekerheid, weten, een bereiking misschien. Maar terwijl je het een zoekt, doe je het ander. Je bent ergens geboden aan een lotslijn, waaraan je meent niet te kunnen ontkomen. Je spartelt als een vis, die door de hengelaar langzaam wordt ingehaald. Je vecht als een gek, maar onweerstaanbaar word je voortgedreven in de richting, die je dan het noodlot noemt.

Dit betekent dus dat er iets is, wat ons bindt. En esoterisch zowel als exoterisch is het van belang dat wij beseffen wat ons trekt. Wat is de lijn, die onze richting bepaalt. Ik hoop dat onze gasten daarover vanavond meer zullen zeggen en wil daarom volstaan met een paar heel eenvoudige gegevens.

  1. Hoezeer wij onszelf ook denken als een bijzonder wezen, wij behoren tot een soort. De eigenschappen van de soort zijn de beperking, waaraan wij niet kunnen ontkomen. Je kunt bovenmenselijke dingen doen, maar je kunt nooit ophouden mens te zijn in elke zin van het woord.
  2. Je kunt in jezelf een waarheid erkennen. Maar wanneer deze waarheid : Strijdig is met de wereld, waarin je leeft, ben je als deel van die wereld niet in staat om zoiets waar te maken.
  3. We hebben instincten. Die instincten worden omgezet in een redelijke verklaring. Maar die redelijke verklaring is zoals wijzelf weten niet aanvaardbaar of geheel juist. Wij gebruiken mooie en hoge woorden en meer, maar het helpt ons niets. Wij zijn in strijd met onszelf, wij kunnen het voor onszelf niet wegpraten. Dan is de vraag dus niet: Hoe moet ik dit edel en hoog maken en verklaren? Maar de vraag is: Waarom ben ik zo?

Dat waarom is moeilijk te beantwoorden. Als u bv. aan de ene kant – ik neem nu maar een voorbeeld – een zeer grote interesse hebt voor politiek en aan de andere kant een zeer hoge interesse voor esoterie, dan bestaat er een gevaar dat u zult trachten in de esoterie politiek te bedrijven. D.w.z. groeperingen te scheppen waarmee u naar meent een machtsevenwicht binnen uzelf tot stand brengt. Maar dat kan niet. Omgekeerd zult u trachten in de politiek esoterie te lezen en u zult dus feiten op een totaal andere wijze verklaren dan de werkelijkheid ooit is geweest. U komt tot een totale vervreemding.

Die vervreemding regeert op het ogenblik over de gehele wereld. Ik behoef u niet te wijzen op de verschijnselen, die zich voordoen in de wereldeconomie op het ogenblik, de grote sociale omwentelingen die overal aan de gang zijn, de poging tot terugkeer tot oude vormen van machtspolitiek en zelfs revolutionaire politiek die op het ogenblik ook al geen hout meer kunnen snijden. Kortom, alles bij elkaar genomen kun je zeggen: Ja, wij erkennen in die wereld een teruggrijpen naar wat was.

Kijk nu eens naar jezelf, want je staat onder dezelfde invloed. Je kunt wel zeggen: ik streef naar een vernieuwing, maar je wordt ergens teruggetrokken naar dat, wat was. En je zoekt het verleden te herbeleven, terwijl je zegt te willen vernieuwen. Je wilt je eigen waarde bevestigen, terwijl je zegt alleen maar een innerlijke waarde te zoeken.

Het is misschien niet prettig om het zo te stellen, maar waar is het ongetwijfeld. En uit dit alles kunt u dan natuurlijk uw eigen conclusie trekken. De mijne is de volgende: Elk wezen dat in deze dagen streeft naar een grotere innerlijke bewustwording, een grotere harmonie met de wereld en een juister contact met de Oneindigheid, kan dit alleen doen vanuit zichzelf, vanuit zijn eigen. wereld en vanuit alle waarden, die in die wereld zijn gelegen. Hij kan gebruik maken van zijn geestelijke mogelijkheden en voertuigen, mits hij in staat is tijdelijk zijn stoffelijk voertuig als een praktisch niet bewust gehanteerd voertuig of apparaat van dat hogere te doen fungeren. Zodra echter het materiële op de voorgrond komt, moet het geestelijk voertuig terugtreden. Dientengevolge moet eerst worden gezocht waar de grootst mogelijke overeenstemming van streven is tussen stof en geest.

In de tweede plaats moet worden gezocht naar een middel, waarbij het voor de stof aanvaardbaar is om voertuig te zijn van de geest, waarbij dus die gevoelens, die inspiratieve gedachten en opmerkingen kunnen worden omgezet in iets, wat de stof niet met zichzelf in conflict brengt.

En ten laatste, laten we a.u.b. niet proberen om totaal nieuw te zijn. Dan kom je tot een reeks van kolderieke werkingen en dan krijg je zoiets als dat action-painting, waarbij dus de gehele techniek van de schilderkunst en heel veel andere dingen eenvoudig worden weggevaagd achter een stel lege formules. Wanneer u wilt schilderen in deze tijd, dan zult u dat ongetwijfeld modern doen. Maar u zoudt dezelfde technische kunde, de beheersing moeten hebben als die van een Rembrandt of een Rubens en hun leerlingen. Ook nu, in de vernieuwing, is er de beheersing van de oude levenstechniek om het nieuwe mogelijk te maken.

U zult begrijpen dat hetgeen ik hier heb gezegd alleen maar een korte inleiding kan vormen voor de sprekers, die na mij komen. Ik wil deze nu proberen te introduceren bij u.

De eerste spreker (van uw standpunt uit ongetwijfeld weer een Chinees, want haast elke oosterling is bij u een Chinees) zal dus trachten iets van de geestelijke inhoud van deze dagen duidelijk. te maken. De spreker zelf heeft een achtergrond van Hindoe cultuur, maar hij is al een zeer lange tijd in de sferen.

De tweede spreker stamt uit wat u zoudt noemen het Nabije Oosten. Hij heeft op aarde als leraar en inwijder een grote rol kunnen spelen en naar ik veronderstel zal zijn betoog hoofdzakelijk trachten een praktische binding voor u mogelijk te maken tussen al datgene wat geestelijk bestaat en datgene wat stoffelijk aanvaardbaar en mogelijk is.

U ziet dus, dat; wij ditmaal in deze leringen te maken krijgen met – ik zou haast zeggen – de praktische kant van de dingen, al zullen deze waarschijnlijk weer worden uitgedrukt in beelden, in beeldspraak, in gelijkenissen enz… Ik geef het woord aan de eerste gastspreker.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Eerste gastspreker

Wij allen zijn deel van de scheppende en levende kracht. Maar wie van ons is zich hiervan bewust? Zo min als de druppel water weet dat hij oceaan is, weten wij dat wij scheppende kracht zijn. Beperkt zijn wij. En zoals de waterdruppel wordt bewogen door de getijden, door de branding en de golving wordt opgeheven of neer gedreven, zoals hij in stromen wordt gevangen en in temperatuur opgevoerd of gekoeld, zo gaat het ons. Wij delen van de schepping, wij zijn ergens de slaven van de stromingen die ons drijven. Wij zijn gebonden aan de golving van een kosmos, die wij niet kennen.

Maar de druppel water kent zijn eigen kringloop. Er komt steeds een ogenblik dat hij zich vrijmaakt uit de oceaan, opstijgt, de zeegoden achterlatend, om aan de hemel zwervend te zoeken naar een nieuwe bestemming. Zo is er voor ons allen steeds het ogenblik dat wij, al is het voor een korte wijle, ontrukt zijn aan de invloeden die ons hebben gedreven.

En daar bestaat voor ons een keuze mogelijkheid. Misschien, dat volgens mij het verdampte water door de luchtstromingen wordt meegesleurd.

Maar wij kunnen aanvaarden en verwerpen. Wij kunnen ons verzwaren, zoals de waterdamp die zich afzet rond een stofdeeltje. Wij kunnen ook onze vrije vorm een tijd lang behouden. En zo kunnen wij hoger stijgen, tot wij ijskristal worden of wij kunnen als een lage nevel over de wateren wegdrijven.

Dit is dan onze vrijheid; dat wij kunnen aanvaarden of verwerpen. En van alle vrijheden is deze de belangrijkste. Wij zijn vrij om tot ons te nemen wat ons doel bepaalt. En wanneer wij weten en ons bewustzijn laat dit toe dat onder ons de wereld ligt en wacht in versmachtende droogte, dan kunnen wij tot regen worden.

Wij hebben in het leven – geestelijk en in de materie – allen het doel daar onszelf te plaatsen, waar onze belangrijkheid het meest reëel en het grootst is. Alles wat in ons ligt moet zoeken naar deze taak verwerkelijking.

Maar als je nu een stormachtige zee hebt, wanneer de flarden van het schim omhoog spatten, wanneer de demonen uit de diepte grijpen naar de schepen die aan de oppervlakte gaan, wat dan? Dan kun je daar niets doen. In de storm kun je meegaan met de vernietigende golfslag, in de hoop misschien dat naast veel kwaads iets goeds gebeurt. Of je kunt je onttrekken aan de golfslag en opstijgen. Je zult moeten terugkeren en soms sneller dan je begeert. Maar je hebt de keuze je vrij te maken.

Wanneer uw wereld stormachtig is, is de eerste noodzaak om u vrij te maken. Of men koningen doodt of landen worden verscheurd ligt buiten uw beheersing. Daar hebt ge geen taak. En al roept men tot u misschien, dat de golven machtig zijn als geheel, gij moet uw taak bepalen. Gij zijt het, die zelfstandig moet leven en uit u moet de scheppende kracht, waarvan gij deel zijt, herboren worden.

Onttrek u dan eerst aan al deze dingen. Onttrek u aan de suggestieve spanningen en stromingen. Onttrek u zelfs aan al datgene, wat niet behoort tot uzelf en uw eigen leven. En nu, vrij geworden, zonder oordeel, zonder behoefte tot oordelen zelfs, zult ge in uzelf de rijkdom gevoelen van een vrij zweven, van een vrij zijn. Morgen roept uw taak weer op aarde.

Morgen zal het geweld van de ontwikkeling u weer meesleuren. Maar nu kunt ge vrij zijn. Dit is de tijd om te rusten. Want hoe kan een held een goede strijd strijden, als hij de nacht heeft doorgebracht met woelen op zijn legerstede of het doelloos rondzwerven tussen de tenten van een kamp. Hij kan dat niet en ge weet dat. Voor u komt het ogenblik van handelen onverwacht. Maar nu, nu kunt ge krachten vergaren. Ge kunt sterk worden. Gij kunt van uw afstand leren om de behoefte te zien, die waarlijk bestaat.

En dat is dan het belangrijke voor u in deze dagen: Leren erkennen waar behoefte is. Niet achten op eigen wezen en eigen beroemdheid en eigen behoefte. Maar erkennen waar op de wereld, op welk ogenblik, uw kracht zegen en vruchtbaarheid kan brengen. Want wie in zich keert kan zich niet werkelijk verwijderen van de wereld. Gij kunt opklimmen tot aan de hoogste troon der goden. Gij kunt alle werelden doorkruisen, die er zijn van de geest. Maar er komt een ogenblik dat ge zult moeten terugkeren. Want dit zijt gij: Een mens in een stoffelijk lichaam. En dit is uw kracht: De geest die in het stoffelijk lichaam een doel schept, zo belangrijk, dat het lichaam daaruit zijn vrede, zijn kracht en zijn vermogen put. Daaraan kunt ge u niet onttrekken.

Laat dan uw geest in uzelf gaan. En wanneer de eeuwig herhaalde vraag komt; wie ben ik en wat is het doel van mijn bestaan? Tracht niet te veel te antwoorden. Ge hebt een doel, al kent ge het niet. Is het dan niet genoeg te weten dat ge een doel hebt en dat het doel duidelijk zal worden op het ogenblik dat daarvoor bestemd is? Wat pijnigt ge u met eindeloze vragen, terwijl ge kunt rusten en krachtiger kunt worden?

Ge zoekt in uzelf naar een uitweg uit het mengsel van stoffelijke denkwijzen, van schuldgevoelens en begeerten, van angsten en misschien uw geloof aan goden en demonen.

Maar hoe kunt ge daaruit een uitweg vinden, zolang ge deze waarden reëel stelt? Zolang een mens zoekt in de jungle van zijn eigen wezen zoals hij die slot, wordt hij geconfronteerd met gevaren. toch zijn die gevaren maar papieren tijgers. Degene die het gevaar durft minachten, die zegt; het bestaat niet, kan verdergaan. Maar wie overweegt of het gevaar werkelijk is; hij ziet zich geconfronteerd met krachten, die hem dwingen terug te keren op zijn pad. En daarom is het belangrijk dat je in jezelf niet bang bent.

Er is een mens geweest, die zozeer goed wilde zijn, dat hij steeds meer van zijn eigen zondigheid overtuigd geraakte. En hij vergat dat de goedheid belangrijk was en de zondigheid niet: En zo vond hij in het leven geen werkelijke betekenis, en na wat gij de dood noemt niet de werkelijke rust. Want ziet, zijn schulden had hij vergaard als een gierigaard en zijn fouten en gebreken opgestapeld als een schatbewaarder de kostbare edelstenen, in de meest verborgen schatkamers. En daaraan bezweek hij, want deze last ging met hem.

Wie waarlijk leven wil en in zichzelf streven vooral in deze tijd hij telle zijn vreugden. Hij telle de kleine momenten van goed, de korte ogenblikken dat je weet iets te betekenen voor een ander. Het korte ogenblik dat je oog de schoonheid ziet van een wereld, of dat uit je innerlijk zich woorden vormen, waarin iets van een eeuwigheid leeft. Dat zijn de kostbaarheden, waaruit de esoterische bewustwording wordt opgebouwd. Dit zijn de krachten, waaruit ge uw wezen kunt vormen tot een grote gong, gepolijst en op zuivere toon, die weerkaatst de klanken van de grote Schepper, hersprekend, herlevend het geheel van het geschapene.

Wanneer gij zegt; de weg van het leven is de kosmische liefde, zo spreekt ge waar, wanneer ge weet wat kosmische liefde is. Maar wie van u weet wat kosmische liefde betekent? Er zijn geen woorden gevonden om die te omschrijven. Zoudt gij dan uw leven willen baseren op het onbekende? Dan moogt ge het niet omschrijven. Dan is het een blindelings aanvaarden van een erkenning in jezelf en een beleven van de krachten, daaruit voortvloeiend. Maar zo ge zoekt een kosmische liefde uit te drukken onder mensen, hoe zult ge ooit slagen? Wat gij uitdrukt is uw eigen liefde. Wat gij aan anderen toeschrijft is uw eigen behoefte. De schulden, die gij aan anderen wijt, zijn uw eigen angsten en uw erkende onvolkomenheden.

Daarom tracht te beseffen dat het niet goed is te grote woorden en namen te gebruiken, wanneer je in jezelf wilt keren. Deze dagen zijn doordesemd met wonderbaarlijke krachten. Maar hoe moet het wonder zich openbaren, wanneer ge het wilt dwingen plaats te vinden in een reageerbuis? Het verliest zijn eigenschappen. En het verliest waarschijnlijk zijn werkelijke betekenis. Laat het heilige dat in u leeft onverklaard en heilig blijven. Er zijn mensen geweest, die getracht hebben de goden te ontsluieren. Zij hebben uitgezocht waar de kleinste goden en godinnen wonen. Ze hebben de grotere hun masker afgetrokken en genoemd als natuurkrachten. Zij hebben de krachten langzaam maar zeker tot zelfs Krishna toe gemaakt tot menselijke dromen. De goden zijn daaraan niet gestorven, maar voor de mensen leven ze niet meer.

Misschien meent ge dat dit dwaasheid is. Maar laat mij u iets vragen: Waar zijn de dromen van uw jeugd? Waar zijn die heerlijke onbeperkte dromen? Waar zijn die gedachten over het grote dat ge zoudt zijn? Waar is dat al gebleven? Ge hebt het omgevormd. Gij hebt het gemaakt tot een deel van uw dagelijks bestaan en ge hebt uw ideaal omgevormd tot een sleur. Ge hebt uw inspiratie omgevormd tot een vaste formule, die regelmatig gebruikt wordt. En gij hebt het geloof in uzelf, in uw God en de wereld, dat u eens bezielde, omgevormd tot een vorm van denken, waarachter als een vage pijn de twijfel en het ongeloof schuilen. Want ge gelooft niet meer in uzelf. En tenslotte gelooft ge niet meer in het grote.

Ge zult het uzelf niet toegeven, maar zo zijn de mensen van deze tijd. En toch is dit een tijd, waarin juist nu de stormen vliegend over de aarde razen, nu hier dan daar toeslaand met woest geweld juist nu is het de tijd om voor een ogenblik je vrijheid te herwinnen, om voor een ogenblik je te onthechten van al deze dingen, los te zijn van dit Al.

Maar ge meent misschien dat het niet gaat. “Hoe kan ik zo” – zei men vroeger; “mij afzonderen voor de studie, als het kapitaal van mijn familie daaraan te gronde gaat?” Zo hebben ze zaken gedaan; en wat de vaders gewonnen hadden, hebben de zoons weggeworpen. Het was waardeloos en als niet.

Slechts een enkeling heeft de moed gehad om die vrijheid waarlijk te nemen. Om te zeggen: Nu gaat het om mij en om niets anders. Vrij moet ik zijn en los moet ik staan van al deze dingen. Dan pas kan ik beseffen, waarheen de stroming jaagt. Dan pas kan ik begrijpen waar de honger voor regen is en waar mijn pogen een vloek zou zijn en een overstroming, die voedsel wegsleurt en die met woest geweld door de dalen gaat en de huizen breekt en de bruggen.

Gij moet weten waar ge belangrijk zijt in uw wereld, in de geest. Want het is de belangrijkheid, de belangrijkheid die ge bezit door de vrijheid die ge soms gewint, die het lot van uw wereld bepaalt, die uw bewustwording bepaalt, die bepaalt hoezeer ge kunt vibreren in de klank van het Goddelijke zelf.

De mens maakt wonderen uit niets. En de wonderen die geschieden maakt hij tot niets. Want hij is bang van het wonder, hij is bang van het mirakel. Alleen wanneer hij het zelf voortbrengt ziet hij het als zijn verdienste.

Dit is een tijd waarin de mirakelen steeds weer geschieden. Ook innerlijk. Er is soms ineens die visie, waarin ge weet: Dit is waarheid. Er zijn ogenblikken dat uw geest anders levend en verbonden met de wereld alleen staat. Dat zij een ogenblik zich afvraagt: Wat is mij geschied?

Hoe ben ik uit de volte van mijn leven in deze eenzame hoogte gekomen? Hoe ben ik ingesloten geraakt in dit dal, waarin de zon ternauwernood reikt?

Dit zijn de wonderen van deze tijd. Plotseling verandert er iets en ge weet niet waarom en hoe.

En het is deze verandering, die u een inzicht kan geven in uw ware ik. De verandering wordt veroorzaakt door de stroming, door de golfslag, door het ritme van uw tijd. Maar wat gij ervaart, dat is de erkenning van het Hogere in uzelf. Dat heeft zijn zin. en zijn betekenis, omdat het u voorbereidt op het ogenblik van waar deelgenootschap, van ware belangrijkheid, van werkelijk gebeuren.

Het is voor een mens altijd moeilijk om deze eenvoudige dingen te begrijpen. Terwijl de gedachten ontleden en de mond ja prevelt, zegt het hart: Dit kan ik niet aanvaarden. Dit is het drama van vele zielen in deze tijd. Zij voelen, zij weten, zij hongeren, maar zij kunnen niet aanvaarden. Zij kunnen niet dat ogenblik van afstand vinden, waardoor zij hun doel, hun werkelijke bestemming en betekenis kunnen erkennen.

Gij, die zoekt naar waarheid, ge zoudt in staat moeten zijn om tenminste een ogenblik uzelf te vergeten. Om een ogenblik los te zijn van die wereld. Een ogenblik alles terzijde te stellen, wat u zakelijk en ander opzicht schijnt na te jagen en te bedreigen.

Wanneer ge dit werkelijk wenst, zo gaat het niet onmiddellijk. Hoe kan de waterdruppel, die wordt voortgestuwd langs de bodem der oceaan, onmiddellijk verdampen in de hitte van de zon? Hoe kan zelfs hij, die speelt op de kruinen der golven, vervluchtigen wanneer het nacht is en de wind koel?

Maar er is voor ons steeds een ogenblik dat wij kunnen bereiken, in geest en in stof. Er is voor u het ogenblik dat ge kunt bereiken. Ge moet weten; nu is het de tijd. En dit is u gegeven. in deze dagen. Gij kunt weten wanneer het de tijd is. Want er zijn ogenblikken dat ge uzelf ledig voelt. Ogenblikken dat de wereld u koestert met onlusten. Ogenblikken dat uw gevoel geen antwoord weet en uw verstand slechts moeizaam en krakend de ontwikkelingen schijnt bij te houden. Dan is het de tijd om een ogenblik weg te vluchten (niet blijvend) uzelf te vergeten en uw wereld en uw meningen en u alleen af te vragen; waar is er behoefte aan mij? Waar zie ik datgene wat mij vreemd is, zo strijdig met mijn wezen, dat ik daar een harmonie kan brengen?

Want niet het voortzetten van hetgeen gij zijt en het versterken bij anderen van hetgeen gij zijt is belangrijk. Zoals het niet belangrijk is dat gij materieel zo goed leeft of dat ge geestelijk zo hoog streeft. Maar het belangrijke is, dat de wording van de geest in de stof gemanifesteerd wordt. En belangrijk is dat de stof het antwoord vindt op de kracht van de geest. Er zijn ogenblikken, waarin dat evenwicht mogelijk is. Eén zo’n ogenblik van evenwicht is kostbaarder dan vele eeuwen van bestaan.

Ge kunt neerzitten, u spiegelend in de bronnen der wijsheid. Maar wat ziet ge? Uzelf. En ge meent uzelf te kennen. Maar wie waarlijk schouwt in de bronnen der wijsheid, hij ziet in het rimpelend vlak een vreemdeling. Een vreemdeling, die hij niet kennen kan, omdat. hij gescheiden is van hem. Maar een vreemdeling, die hij toch kan beseffen in relatie tot zijn omgeving. Wie wijs is denkt na. Hij zoekt. Maar wat hij zoekt is niet het erkennen van zichzelf maar van die vreemdeling: Die zijn weerkaatsing is. Ook dit is een afstand nemen. De hele esoterische bewustwording van deze tijd, uw mogelijkheden, uw grote mogelijkheden in deze dagen, berusten op die afstand.

U verwacht van mij misschien, andere woorden en andere lessen. Ik kan u spreken over de geboorte van sterren en over het langzaam verklinken van de kleurrijke zuilen, die scheppende geesten zijn voor velen. Die soms opgaan in een wereld van eenkleurig licht; en niet meer te onderscheiden zijn. Maar wat kan ik u daarmee leren? Zelfs wanneer gij zoekt het hiernamaals te kennen, zo doet ge dit omdat ge vreest voor de dood. Niet omdat het hiernamaals zo belangrijk is. Waarom zou ik u woorden spreken van veraf, wanneer uw waarheid en betekenis dichtbij ligt? En waarom zou ik mooie en klinkende frasen gebruiken, wanneer frasen alleen maar staan tussen de waarheid, die zij stellen en de mens, die de waarheid moet begrijpen?

Zie terug voor een korte wijl op uw leven en vraag u af, hoe vele malen ge iets hebt geschonken, of het een woord is of een glimlach of een jaar van uw leven of uw bezit geschonken aan een mens, aan het leven, zonder te vragen; wat krijg ik daarvoor terug? Tel die momenten op. Want ze zijn waarschijnlijk uw enige ogenblikken van waarheid geweest.

Zolang geketend zij aan bezit, zelfs het bezit van woorden, zelfs het bezit alleen maar van een zekerheid, die een ander niet heeft zult ge niet bereiken. Maar op het ogenblik dat ge alles vergeet wat ge zijt, omdat iets geschieden moet, op dat ogenblik zijt ge groot. Er is geen meester, geen lichtende kracht, die dan uw meerdere kan zijn.

Begrijp dit wel, mijne vrienden Gij kunt groter zijn dan al het geschapene, zodra ge niet meer aan uzelf, aan uw bezit, aan uw belangrijkheid denkt. In uw innerlijke waarheid zult ge vinden het antwoord op de vraag; wie ben ik? Zelfs op de vraag: Waarom besta ik? Wanneer ge uzelf vergeet, dan alleen.

De mensen in deze dagen zullen grijpen naar al datgene, wat zij niet meer beseffen. En waarom ook niet? Zijn uw tempels zoveel groter dan de tempels van Osiris en Isis? Zijn uw beelden, uw vereringen, uw enthousiasme zoveel groter dan die van de mensen die samenkomen om een tempeldak te vergulden, om de Soeddha te wassen of om de dansen te zien en het offer van de priesters? Er is niet veel veranderd. Alleen een vorm. Maar het oude heeft geen waarde, omdat het ver van u afstaat. Alleen wanneer het dicht bij u staat heeft het waarde en betekenis. En dat herleidt het weer tot hetzelfde.

Vergeet uzelf. Vergeet zelfs de verplichtingen, die ge meent te hebben. Vergeet zelfs uw zo goed bedoeld streven. Sta eens een ogenblik afzonderlijk.

Wanneer een kunstenaar begint met scheppen, dan observeert hij. Dan tracht hij de lijnen te trekken tot het beeld is geschapen. En dan ziet hij dat het onjuist is en hij vernietigt het. Hij herhaalt het tot het beeld hem goed lijkt. En dan treedt hij weer terug. Hij vergeet zijn voorstellingen en zijn beelden en hij ziet weer naar de natuur. Hij dringt haar in, totdat het een beeld is dat sterk in hem leeft. Hij is de tak, hij is de vogel, hij is dan de berg, hij is de maan.

En dan keert hij terug en ziet zijn kunstwerk. En dan ziet hij dat het onvolledig is. Hij verscheurt het en werpt het weg. Hij tekent opnieuw, telkenmale weer. En dan komt het ogenblik, dat hij de perfectie vindt. Nog is zijn droom sterker. Maar wanneer hij ziet naar zijn tekenbord, naar zijn paneel, dan ligt daar die werkelijkheid; niet zo volledig en niet zo schoon, maar zij is er. Het beeld leeft. En vanaf dat ogenblik kan de kunstenaar dat beeld altijd reproduceren. Kort en voor een ander onbegrijpelijk virtuoos goochelt hij met een enkele penseelstreek, met een enkele lijn, het leven op zijn doek, zijn paneel of zijn tekenbord.

Gij wilt de natuur natekenen. Gij zet u neer en ge trekt lijntje na lijntje na, in de hoop dat ge zo een landschap kunt overbrengen in uw uiting. En daar maakt ge de fout. Want de mens veredelt. Maar hoe kan hij iets veredelen, wanneer hij geen afstand heeft genomen? De kunstenaar die naar de natuur schildert kan soms wat bereiken. Maar het beste, het beste brengt hij altijd tot stand, wanneer hij uit zijn gedachten schildert, wanneer alles is gegaan door de filter van zijn gevoelens, door het systeem van zijn brein, wanneer een erkende eeuwigheid wordt uitgedrukt.

Kijk naar de schilders, die haast bezeten waren van hun kunst. Zij hebben niet vaak ter plaatse gewerkt. Hun werkelijke bezieling zien wij dan, wanneer zij later – soms veel later – een herinnering aan een zonnige hemel, of aan een dreigende avond neerwerpen. Want dan spreekt daarin niet alleen meer mee dat, wat uiterlijk is, maar hun herinnering en hun gevoel.

Wij, wij moeten werken, wij moeten ons kunstwerk in de wereld tot stand brengen. Maar hoe kunnen we dat doen, wanneer wij onmiddellijk aan het werk willen tijgen? Dan kunnen we misschien nabootsen wat goed zou zijn, maar het leeft niet. Het is juist de beschouwing, het in u opnemen van iets, het langzaam verwerken en het dan uiten en vergelijken, uiten en vergelijken, totdat ge zegt: Ja, wat in mij leeft is geuit, dat u tot grootheid brengt. Want onze taak is niet alleen maar om ons innerlijk ik te kennen of om een bepaalde taak op aarde te vervullen. Het is om ons wezen uit te drukken, om te scheppen. Op het ogenblik dat wij onszelf vergeten, zijn wij groot. Want dan nemen wij de scheppende kracht waarlijk in ons op.

Vergeet uw cijfers. Vergeet uw zorgen en uw berekeningen. Vergeet alles buiten dat ene: Dat er een wereld is, waarin gij betekenis hebt. En vraag u af: Waar, waar is mijn betekenis het grootst? Waar vind ik die tegenstelling, waarin ik harmonie kan brengen? En dan hebt ge geen oosters geloof en zelfs geen westers geloof nodig. Ge hebt geen theorie en geen formule nodig. Ge hebt alleen dat ene nodig, het ogenblik van vrijheid.

Ziet ge, vrienden, wanneer gij hier zijt en ik u voor een kort ogenblik als mijn leerlingen mag beschouwen, dan tracht, ik u het beste te geven wat ik bezit. En wat meer kan ik u geven dan dat fonkelend juweel, dat mij een steeds grotere vrijheid heeft gebracht en ook een steeds grotere taak? Dat is het, wat mijn woorden trachten uit te drukken.

Ge staat niet alleen, dat is waar. Maar hoe weet ge wie u steunt? Ge moogt vertrouwen dat, waar ge tekortschiet, de kosmos die het evenwicht en de harmonie lief heeft zoals gij, zal begrijpen. Maar denk niet te snel dat anderen het wel zullen doen. Denk niet te snel dat gij nu uw taak wel gedaan hebt. Denk niet te snel dat er nu wel een betere of een andere weg komt.

Neem afstand. Wees vrij voor een ogenblik, zelfs van uzelf. Want dit is het begin van alle wijsheid.

Uit de Bron en tot de Bron gaan wij. En zie, als onwetenden erkennen wij niet oorsprong en einddoel, beseffen niet de eenheid daarvan en vergeten ons wezen in de vragen, die wij scheppen. Vele zijn de aangezichten van het Oneindige en geen god kent slechts een aangezicht. Laat ons dan niet achten op het aanzijn van de goden, op de veelheid van ons wezen, maar laat ons erkennen wat ons beweegt; de kracht van de Bron, het doel van de harmonie. Dat is al, wat ik u te bieden heb. Het is een kleine gave misschien voor een, die leeft in uw wereld. Maar het is de grootste gave, die ik in mijn leven en bestaan heb verworven. Moge zij u dienen zoals ze mij gediend heeft, toen ik haar besefte.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Tweede gastspreker

Als je luistert naar hetgeen gezegd wordt, dan is er ergens iets, wat je aan de ene kant wat onrustig maakt en aan de andere kant schijnt te trekken. En zo is het met de wereld, waarin je leeft. Waarom, zo vraag ik u, waarom zien wij de mensen altijd daarheen trekken, waar een gevaar schijnt te dreigen? Waarom zien zij, die vrezen voor een gewelddadige dood, zo gaarne een gewelddadige dood? Waarom zijn zij, die het vuur vrezen, altijd daar waar de brand uitbreekt? Het is eenvoudig. Omdat de mens niet beseft, dat hij zijn vrees nimmer kan overwinnen door te constateren, dat ze voor hem niet bestaat. Het geloof aan eigen onschendbaarheid dat je aankweekt, dat is het grote gevaar van uw tijd, van alle dingen.

Wanneer ik hier zeg: “Er gaan demonen rond”, dan zijn er enkelen onder u, die vrezen voor die demonen en zij roepen maar een goede kracht, die hen moet beveiligen. Anderen zeggen: Ach demonen, zij zullen de wereld verscheuren, maar mij niet. Dit is het raadsel van uw tijd.

Waarom gelooft een ieder zozeer onkwetsbaar te zijn? Waarom denkt een ieder dat het anderen overkomen kan en hem niet? Waarom denkt een ieder dat de krachten voor een ander bestemd zijn en niet voor hem of voor haar? Waarom zegt men dat een bepaalde wet ongetwijfeld juist is, maar men mag zelf ervan afwijken? Waarom? Is het niet omdat men vergeet dat je in een wereld alleen kunt leven als deel van het geheel?

Wanneer één mens sterft, sterft er iets in alle mensen. Wanneer er een mens ongelukkig is, zal er in alle mensen iets van dat ongeluk weerkaatst zijn. Wanneer er een vreugde is, dan zullen allen die vreugde in zich kunnen ervaren. De wereld is een geheel, de mensheid is een geheel. En de Bantoe, die vanavond met wraakgedachten rondsluipt, de neger die de dag ziet groeien in haat, zij zijn deel van u allemaal.

Wanneer ik hier moet spreken over de praktijk van deze dagen, over de kracht van deze dagen, dan moet ik wel beginnen met te zeggen: Alles wat er op de wereld is, dat leeft ergens in u. Zolang ge dat niet beseft, zolang ge uzelf onkwetsbaar acht, zolang ge meent dat het u niet aangaat, zolang wordt ge gestuwd door anderen. Juist het begrip voor het deelgenootschap van mens en mens en mens en geest is de uitweg. Je kunt geen grens trekken. Want de misdadiger in de gevangenis is slechts de zwakke afschaduwing van de misdadiger, die geëerd wordt als een eerbiedwaardig mens. En de goedheid van een, die om heiligheid wordt geëerd, is slechts de zwakke afschaduwing van hen, die in zich een heiligheid bereiken.

Nu zijn er op uw aarde altijd weer plaatsen, waar in het verleden misschien en misschien ook nu, in de toekomst of in het heden, de wijzen die ge niet kent en de zondaars die ge niet kent, hun krachten hebben neergelegd. Er zijn op de aarde brandpunten, waar wonderlijke gedachten en krachten samensmelten. O, ge kent er sommige van. Een plaats in de Andes, de piramiden, ergens een verborgen klooster in Tibet, maar ook misschien een kleine kuil met een loom, en een paar stenen op de Veluwe. Ze zijn er overal. Die plaatsen zijn brandpunten van het geheel. En dat geheel, dat is het, wat u beïnvloedt. En soms is het of er een stroming van uitgaat, een werveling, die ver uitgrijpt over het land. En dan moet ge reageren op die dingen, of ge wilt of niet. De angst en de onlust, de onzekerheid van anderen wordt deel van uw angst en uw onzekerheid.

Zeker, dan is de oplossing – zoals mijn geëerde oudere broeder heeft gezegd – om een ogenblik afstand te nemen, om de werkelijkheid te zien. Maar als je weer terugkeert, zul je moeten werken met de middelen, die je hebt. En bij die middelen zijn er een paar, die ik u deze avond graag zou willen wijzen. O, het is geen panaceum voor alle kwalen, ik weet het.

Maar het is een begin. De waarheid van uw gedachten, van uw innerlijke wereld, domineert te allen tijde de materie, zolang gij beseft dat die geestelijke werkelijkheid belangrijker is dan al het andere, en tracht haar in die materie – al is het maar een ogenblik – uit te drukken. Uw denken is sterker dan al het andere. En het is uw denken, dat kan afstemmen op een van die vele punten van deze wereld, waar de krachten op het ogenblik wervelen en spoelen, om in golven uit te gaan over de wereld en terug te keren naar een kosmisch patroon.

De invloeden die van buitenaf komen bereiken u niet alleen, ze wekken het oude terug. Het oude, dat sommigen zal trekken maar een heilig land, anderen naar grotten aan de zeekust. En weer anderen misschien naar de stilte van sommige oude heilige wouden, die allang vergeten zijn. Je wordt getrokken naar een plaats. Je bent deel van iets, wat groter is dan jezelf bent. En als je dan bang wordt, dan haat je.

Wanneer je aanvoelt hoe sterk de kracht is van Jeruzalem, dan kun je zeggen: Ik haat deze stad, want zij trekt mij voortdurend. Ik moet haar overweldigen. Ik wil haar bezitten en vernietigen. Of je kunt haar eerbiedigen en beschouwen als een plaats, waar je een ogenblik kracht wint, een ogenblik stilte vindt, om dan weer terug te gaan.

Ik weet niet of u begrijpt, waarop ik probeer te zinspelen. In mijn tijd was ik – ofschoon niet in uw taal – literator, schrijver. En veel van hetgeen ik geschreven heb komt op het ogenblik door de keuringscommissie slechts met enige aarzeling. En in Nederland alleen dank zij een diplomatieke vertaling. U ziet, ik speel open kaart. Die dingen zijn allemaal zo erg niet als de mensen denken. En ik heb helemaal niet de noodzaak ooit gevoeld tot een plechtigheid, maar wel tot een strijd. Wanneer er een onrecht is en dat onrecht beroert mij, dan zal ik vechten. En is het onrecht begaan, ik zal het niet vergeten en ik zal verder strijden. Niet om de genen te kwetsen die het onrecht begaan hebben, maar om het onrecht ongedaan te maken. Zo ben ik in mijn leven geweest en zo ben ik nog. Wat mijn wijsheid is? Het is misschien een beetje meer begrip voor het leven; een beter inzien, hoe alles samenhangt.

Ik heb eens moeten vluchten omdat ik een aanval had gedaan; een aanval op een mens die volgens mij de oorzaak was van alle onrecht. Ik moest toen uit mijn eigen land vluchten. Ik heb een tijdlang gewoond in het – eerlijk gezegd – wat droefgeestige Engeland. Ik ben weer teruggekeerd. Maar ik heb de strijd niet beëindigd voor het onrecht, voor zover het mogelijk was, ongedaan was gemaakt. Want er was iets, wat mij daarmee bond.

En nu ik daarop terugzie, terugzie van een af stand van praktisch een eeuw, terugzie van een afstand van vele sferen die daartussen liggen, nu pas tekent zich voor mij het tableau. Nu pas zie ik wat er is gebeurd. Ik zie hoe er een echo in mij was, hoe er een begrip in mij was voor iets, een onrust, die ik niet kon verklaren. Want er was veel onrecht. Maar ik vond een brandpunt voor dit onrecht in een mens, in een situatie a.h.w. Daarom heb ik toen mijn pamfletten geschreven. Maar wat ik schreef was niet alle en gericht op die ene zaak. O, nee, het was gericht op die wereld, die mij onrustig maakte. Het was mijn poging om ergens waardig en waar te zijn.

En dat,  dat stond ook in verband met een dergelijk centrum. Een centrum dat niet zover van Parijs afligt, een centrum dat heel oud is. Van daaruit kwam die werveling, van daaruit is elke keer weer die eigenaardige onrust over Parijs en omstreken gegaan. Van daaruit is die onrust gekomen, die mij beroerde. En ik heb geantwoord. Maar ik heb toch ook geleerd, dat ik ergens afstand moest nemen. En vooral toen ik verbannen was heb ik geleerd, dat de felheid van mijn aanval nooit haat mocht zijn.

En zo geldt het voor u in deze tijd. Het gaat hier niet om de plechtigheid en de plechtstatigheid. Het gaat hier om een begrip voor wat er geschiedt, een begrip voor het onrecht dat er geboren wordt. Een onrecht waaraan een ieder voorbijgaat misschien, maar wat u ergens begrijpt. Want die invloeden zijn op het ogenblik actief. In Nederland, in Frankrijk, in Duitsland, overal. Tot zelfs uit de vergeten grotten van de Arizona komen op het ogenblik de oude stromingen, de oude geesten naar boven. Op de toppen van alle gebergten tot aan de Elbroes toe, daar dalen die stralingen naar beneden. En ze zeggen tegen de mensen: Er is iets.

Je moet iets vinden. Iets nieuws, iets sterks. En dat kun je niet vinden. Daarom voel je je afgesloten, verlaten, eenzaam misschien. Daarom voel je je onrustig en weet je niet wat je moet doen.

Maar denk niet dat het de wereld is, die je onrustig maakt. Ik heb vroeger gedacht dat het politiek was, die mij onrustig maakte. Ik weet nu beter. Ik ben toen doodgewoon getroffen door een invloed, die voor mij paste. Een invloed die langzaam, heel langzaam toenam. En u leeft in een invloed, die u praktisch overheerst. Die u van dag tot dag deelgenoot maakt met ongetelde anderen die u niet kent van, een gevoelen, van een emotie, van een beleving zelfs.

En als je dat begrijpt, dan zie je dat het een schema is, een plan. Een plan waarin je je eigen rol moet spelen. En die rol kun je nooit spelen door er neerslachtig onder te worden. Ach, je wordt gemakkelijk neerslachtig. Ik heb in die dagen gewandeld en gesproken, ik was neerslachtig en ik heb het achter felheid verborgen. Maar ik heb iets geleerd,. zoals u in deze dagen iets gaat leren. U gaat leren waar de ware belangrijkheid van uw leven ligt. U gaat leren waar de ware kracht van uw leven is gelegen. Mijn kracht bleek niet de roman te zijn, maar het felle pamflet. Mijn werkelijke kracht was niet mijn haat tegen het onrecht, maar mijn geloof aan het recht. Zo zal het bij u zijn in deze dagen. Want wat u beroert moet positief worden. Niet een onrust maken tot neerslachtigheid, tot een prikkelbaarheid. Of de verwachting die blijft voortduren maken tot een last, die je tenslotte neerdrukt.

Ach ja, het is het leven van een mens, dat steeds weer terugkeert. Ik zou het u op mijn manier willen zeggen. En u merkt wel aan mijn spreken, aan mijn poging mij hier te uiten, dat ik toch nog ergens de pamflettist ben gebleven. Maar mag ik het dan misschien zo zeggen?

Soms zijn er dagen, die drukkend zijn, wanneer de grauwheid van de hemel en de stille wind, door een enkel windduivel gestoord, je tekenen dat er storm komt. Soms stoor je je er niet aan. Je gaat door de hitte, die steeds zwaarder wordt. Je bent ongedurig en je twist met anderen. Een enkele keer schouw je naar boven en dan zeg je: Er komt een onweer, er komt storm. Maar wie is de meest verstandige? O, je ziet hen soms, de bedienden en de conciërges.

Wanneer ze dit zo voelen aankomen, dan gaan ze controleren of de ramen dicht zijn. Ze zien of de poorten en de huizen goed gesloten zijn. Ze nemen wat voorzorgen en ze halen iets naar binnen, wat buiten op de binnenplaats heeft gestaan. Ze bereiden zich voor op een storm, al weten ze niet, hoe die komt en of hij wel zal komen. Want misschien, misschien zullen er alleen maar loodzware druppels neervallen, die een eigenaardig ritme laten horen op de ongelijke stenen. Die de hemel wat schoonspoelen. Of misschien ook is het de felle wind. De wind die de stof in de straten opjaagt, die de paarden schichtig doet steigeren, die de voorbijgangers berooft van hun hoofddeksel, de vrouwen dwingt zich angstig in hun mantels te hullen en naar binnen te vluchten, misschien in een huis.

Ik weet niet wat de stormen zijn, die gaan komen. Maar u weet dat uw gevoelens voortdurend beroerd worden door iets, wat op een dergelijke storm zal lijken. Bereid u voor. Neem uw maatregelen, opdat er niets is, wat los is in uw leven, niets wat kan worden meegesleurd, wanneer die storm komt. Reken af met uzelf. Denk niet dat het leven een duel is. Zeker niet een edel duel met de flitsende degen. Het is eerder een voortdurend zien naar het weer, om te zien hoe je je weg verder kunt afleggen.

In deze dagen is het erg belangrijk dat je dat probeert te zien; Wat van vandaag op morgen verandert het. Soms is er een donderslag en dan weer eens is de hemel blauw. Als de hemel blauw is, de lucht fris is en nieuwe geuren aandraagt, dan moet je naar buiten gaan, dan moet je klaar zijn en te genieten van wat het leven biedt. En als de storm zo dadelijk dreigt dan moet je niet tot het laatste ogenblik doorgaan. Dan word je een gevangene, dan raakt de storm je.

En zo is het in deze tijd. Al de dingen die rond u gebeuren zijn een groot patroon. Ach, ik kan het zien, u misschien niet. Het doet een beetje denken aan een draaischijf met een spiraal erop, een bijna hypnotisch effect. Het is steeds hetzelfde patroon, dezelfde lijn, maar men denkt dat er steeds nieuwe lijnen naar eenzelfde middelpunt gaan. Het is een eeuwige repetitie en steeds weer hetzelfde. Maar ook een voortdurende beweging, die eigenlijk nutteloos is. En in dat alles moet het bewustzijn groeien.

Nu staart de mensheid gehypnotiseerd naar dat totale gebeuren en in het middelpunt daarvan valt elk ogenblik de dood of de krijg. En al dat andere schijnt er naar toe te vloeien, onontkoombaar. Zolang u naar dat gebeuren blijft kijken, zolang u zich daar door die schijf laat biologeren, dan doet ze meer dan Mesmer. Ze Laat u uzelf vergeten, ze maakt u tot slachtoffer. Maar als u er naast durft kijken, dan ziet u dat het alleen maar een schijf is, die draait en de herhaling van steeds hetzelfde. En dan kunt u ook zien dat het mogelijk is die schijf stil te zetten.

Als u op het ogenblik de geestkracht hebt om u voor te bereiden op wat komt, zonder bang te zijn, wanneer u durft strijden voor een recht omdat het recht is, zonder haat, doch alleen maar omdat je niet kunt verstaan waar er onrecht is, wanneer u strijden kunt voor vriendschap, niet omdat u andere rechten wilt geven om anderen iets wilt ontnemen, maar alleen omdat je deel bent van de mensheid dan kunt je wat bereiken.

En nu geloof ik toch dat ik een ogenblik ga terugkeren tot datgene, wat ik nu ben. Want met alles wat ik u vertel en waaruit blijkt dat ik een doodgewoon wezen ben net als u, heb ik een wereld gevonden, die vol is van kracht en vrijheid. Een wereld, die in een schijn van gelijkvormigheid voor hen die haar niet kennen, de hele oneindigheid uitdrukken. En het is vanuit die wereld, dat ik werk. Het is vanuit die wereld, dat ik tracht uw wereld weer te beroeren.

En dan kan het mij niet schelen of men mij ziet als een profeet of een god zoals ergens in het oosten of misschien alleen maar als een oude versleten schrijver zoals hier in het westen.

Want ik weet dat alle dingen op het ogenblik één zijn. En daar, waar normaal de scheiding ligt tussen sferen en sferen en wereld en wereld, daar valt in deze dagen die scheiding weg. En daar, waar eens de invloeden beperkt en klein waren, daar grijpen ze om zich heen, zoals een kleine warreling van de lucht wordt tot een tornado, die over het hele land gaat.

Denk niet dat u altijd in die invloed bent. En wanneer de storm voorbijraast, dan laat ze schade achter, dat weet ik. Maar het is ook onze wereld, die er is. Wat er misschien hier teloorgaat, wat hier dan niet vervuld wordt naar uw wens en verlangen, dat wordt aangevuld. Niet omdat gij zo hoog zijt of omdat wij zo hoog zijn en u iets geven, maar omdat de harmonie van deze tijd doorklinkt.

Harmonie is meer dan alleen maar een moment. Hoor het zingen van het licht. Het zingende licht, dat vibreert door je hele wezen, dat alle geschreven en ongeschreven muziek maakt tot een machtige melodie, die je in jezelf beleeft, die je bent. Die kracht komt. ook tot u en uw wereld.

Laat u daarom niet frustreren, laat u niet ontmoedigen. En probeer niet alle raadselen op te lossen, want daarvoor is het niet de tijd. U kunt niet zeggen, welke invloed het is die u beroert. Maar u kunt wel zeggen wat er is, voor u, nu.

En nu is er een taak, want er is te strijden voor iets wat recht is. Nu is er een doel: Het beseffen van een eenheid, waaruit je uiteindelijk bestaat. Nu is er een innerlijke bereiking: het gevoel van verbondenheid tussen hoogste en laagste kracht desnoods, maar het weten dat je één bent. Nu is er een weg: het middel waardoor je uitdrukking geeft aan dit alles.

Hoe jammerlijk is het te moeten beseffen hoe weinig woorden kunnen zeggen. Geloof mij, alle krachten en alle waarden, die u nu misschien nog wel voelt maar niet beseft, kunt u en zult u leren kennen. De zin van al wat nu gebeurt zal u duidelijk worden. Wanhoop aan niets. Aarzel niet. Zeg niet: Nu ben ik zwak of nu ben ik sterk. Maar leef, mens, deze tijd! Leef ze, opdat je innerlijk wezen, je werkelijkheid, de harmonie voelt, de kracht van dat zingende licht. Vraag dan niet naar woorden.

En als u aan deze tijd en wat er allemaal in plaats vindt misschien onaangename herinneringen hebt, bedenk één ding: Onaangename herinneringen geven een onjuistheid aan. En niets is een groter vreugde dan het onjuiste te herstellen. En wanneer u zichzelf soms machteloos voelt of denkt; ik schiet te kort, onthoud dan maar één ding: Soms is een tekortschieten, het begin van de grootste kracht. En als u meent onmisbaar te zijn, bedenk dan maar één ding: U bent deel van een groot geheel. En al valt u duizendmaal uit, er is altijd een andere weg en een ander middel, ook al ziet u die niet. U bent niet belangrijk in het geheel, u bent belangrijk om uzelf.

Als ik nu een abbé was, zou ik er nu een mooie spreuk achteraan moeten gooien en een zegening en een compliment, voor de dames. Ik bent dit niet en zeg het gewoon op mijn eigen manier. Wie openstaat voor het leven en zich niet te veel vragen stelt in deze tijd omtrent het onzekere, die zal de kracht kennen, waardoor de mens meer wordt dan hij nu is. Die zal zien hoe de steden weer worden tot lusttuinen i.p.v. verstikkende holen. Die zal aanvoelen hoe de giftige lucht van deze dagen weer wordt de frisse koelte van een onbewoond en onberoerd eiland. Want de vernieuwing die plaatsvindt, vindt plaats in met en door u. De rol die we erbij spelen, is een beperkte.

O ja, natuurlijk, dan hoort er nog iets voor de pers bij. U zult wel ontdekken, dat er nogal wat moord en doodslag komt in de komende tijd. Maak u er geen zorgen over. Per slot van mensen, die niet vermeld worden dan die paar die door geweld zullen gaan.

U zult ook horen over allerhande fraudes en oplichterijen. Maak u daar a.u.b. niet druk over. U wordt elke dag van staatswege voor zoveel bezwendeld, dat die kleine bedragen van die anderen er best bij kunnen. En als u hoort dat er grote rampen van natuur en dat het zelfs hier in Nederland op een gegeven ogenblik weer even wat minder prettig is, trek u er niet veel van aan. Overstromingen zijn er elk jaar en de aarde beeft elk jaar zoveel keren, al wordt het niet altijd gemerkt. En wanneer ze weer eens met een sabel rammelen, lach er om. Zolang ze rammelen, slaan ze niet. Het is altijd zo; als ze erg over vrede praten, moet je wel even uitkijken. Want degene die wil aanvallen, spreekt over vrede.

En daarom, maak u niet druk over alles, wat er in deze tijd zo van buiten geschiedt. Doe in je eigen kring en doe voor jezelf het beste wat je kunt en beantwoord aan de kracht, die je krijgt.

Meer heb ik niet te zeggen.

Misschien bent u teleurgesteld en vindt het geen mooi slot. Onthoud dan een ding; elk einde van elke roman is in wezen een anticlimax. Hoe vaak heb ik niet gezegd, dat ze huwden en gelukkig waren en daaronder gezet: Einde. Dat betekent alleen, dat je je mond houdt, wanneer de grootste ellende pleegt te beginnen, de grootste strijd. Al het andere is voorlopig.

Denk nu van deze avond maar hetzelfde. Mijn betoog is geen einde, het is een begin. Want op het ogenblik dat ik zo dadelijk zwijg en zal proberen om het medium vrij te geven, begint voor u de realisatie van die invloed, begint voor u de positieve houding, begint voor u de strijd om al datgene, wat u hier leert, eindelijk eens een keer voor een klein stukje waar te maken. Dan kunt u daarover misschien wel enkele delen schrijven, hé. Dan krijgen we misschien nog ‘twintig jaar later’” en “veertig jaar later”, zoals een collega van mij geschreven heeft. Maar uiteindelijk krijgen we ook het resultaat.

De Meesters (zoals u hen noemt) ze willen u helpen. Maar men kan niemand helpen, die zichzelf niet wil helpen. De krachten rond u willen we tenslotte goed richten. Maar dat kan alleen, wanneer u persoonlijk eerst ; het voor u juiste vindt. Daarom zou ik u een raad willen geven:  Overdenk al de dingen, die wij gezegd hebben. Maar, vrienden, daarna ……. grijp de kracht, die je gegeven is. Neem het begrip, dat je gegeven is. En breek die keten van mopperij, van gevoel van onrecht, van eenzaamheid, van onbevredigdheid. Breek de keten. Maak je er van los. En begin het werk van harmonie, van het scheppen van een werkelijk recht en een eerlijkheid. Dan komt al het andere vanzelf.

image_pdf