Wij en onze verantwoordelijkheid

image_pdf

7 december 1962

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Heden bespreken wij het onderwerp:
Wij en onze verantwoordelijkheid.

De kern van ons onderwerp is heden ongetwijfeld de vraag: “Wat is de verantwoordelijkheid van ons allen persoonlijk?” Mits men deze vraag goed weet te beantwoorden, heeft men daarmee tevens inzicht in de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheden die men in een andere wereld bezit. Er kan immers geen sprake zijn van een afzonderlijke aansprakelijkheid van de mens en een geheel daarbuiten staande verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de geest in de sferen.

Allereerst, kunnen wij dan stellen, dat onze verantwoordelijkheid altijd eerst bij ons zelf zal beginnen! Wanneer ik niet voor mijzelf zorg, kan ik ook niet voor een ander op de juiste wijze zorgen of verantwoordelijkheid op mij nemen. Zolang ik de verantwoordelijkheid voor mijn eigen leven niet wens te dragen en de aansprakelijkheid voor mijn daden liever op anderen tracht af te schuiven, zal ik in mijn persoonlijke bewustwording falen. Mijn eigen leven is dan niet juist en kan zelfs voor mij – en misschien ook voor anderen – geheel waardeloos worden. Wanneer ik de consequenties van mijn eigen daden niet wil aanvaarden, zal ik daarmee tevens mijn persoonlijke aansprakelijkheden ontkennen. Ook dit beperkt de mogelijkheid, die men heeft om bewust te leven enz. Daarom moet wel worden gesteld: de eerste verantwoordelijkheid van de mens, zijn allereerste aansprakelijkheid in het leven, is zijn eigen wezen. Wij allen zijn aansprakelijk voor alle waarden van ons eigen leven. Daarnaast behoren het bereiken van het doel dat wij ons stellen, het verwerven van geluk en innerlijke vrede, mede tot onze verantwoordelijkheid.

Het feit, dat ik ook eigen geluk, het bereiken van innerlijke vrede, tot de verantwoordelijkheden van de mens reken, ja, deze zelfs allereerste noem, zal menigeen in deze sociaal georiënteerde tijden wel vreemd aandoen. Kunnen wij echter werkelijk zorgen voor anderen, anderen vrede en geluk schenken, de behoeften en noodzaken van ontwikkeling in een andere mens overzien, wanneer wij niet allereerst zelf zeker, gelukkig, gerust zijn? Indien wij niet in de eerste plaats zorg dragen voor een juist en goed persoonlijk bestaan, zullen wij tegenover anderen juist door de fouten, die in ons eigen leven bestaan, te kort schieten. Wanneer wij uitgaan van niet werkelijke omstandigheden en maatstaven, zullen wij anderen, die wij willen helpen, anderen, waarvoor wij ons verantwoordelijk voelen, in een irreële wereld dwingen, waarin zij niet meer de volle werkingen en invloeden van het werkelijke leven ondergaan.

Hetzelfde zal geschieden, wanneer wij ons té zeer verantwoordelijk achten voor onze medemensen. Zij zullen dan door onze goede zorgen niet werkelijk vrij meer zijn. Iemand die door te veel zekerheden en zorgen van anderen omringd is, is als een vogel in een kooi. In de kooi is de vogel ongetwijfeld veilig. Misschien zal de vogel in zijn gevangenschap zelfs gelukkig zijn. Aan de andere kant zal deze vogel de ervaringen van het werkelijke leven moeten missen. Voor hem is er geen innig, maar soms ook wreed, contact met de werkelijkheid van de natuur. Zonder de bescherming zal de vogel zelfs niet meer in leven kunnen blijven. Wanneer de vogel dan sterft, zal men daarvan niet kunnen zeggen: dit wezen heeft “geleefd”. Ten hoogste zal men kunnen constateren: dit wezen heeft op aarde bestaan. Daarom kan geen verantwoordelijkheid tegenover anderen op de eerste plaats worden gesteld. Allereerst dient gesteld te worden: Ik ben verantwoordelijk voor mijzelf, voor mijn daden, voor de wijze, waarop ík denk en handel.

Hierin schuilt mijn grootste aansprakelijkheid tegenover mijzelf, zowel als tegenover de wereld waarin ik leef en de God die mij geschapen heeft.

Daarnaast bestaan er in de kosmos vele wetten die –  ofschoon zij van de door mensen als juist erkende wetten vaak aanmerkelijk verschillen – ons duidelijk maken, op welke wijze het Ik dient te worden bezien. Want wanneer wij over onze aansprakelijkheid spreken dienen wij te beseffen, dat elk van ons geneigd is zijn persoonlijkheid uit te breiden met buiten het Ik liggende waarden of personen, zo eigen leven uitbreidend en de betekenis daarvan vergrotend. Juist hierbij zullen de kosmische wetten de juiste mogelijkheden en verhoudingen bepalen, zelfs tegen alle menselijke verlangens, regels en opvattingen van goed en kwaad in.

Wij willen altijd weer ergens bij horen. Wij willen deel uitmaken van een groep. Voor de meesten van ons betekent de groep, of een deel daarvan, dan tevens ‘ik’. Wanneer ik spreek van “mijn familie, mijn groep, mijn volk, mijn huis, mijn bezit” geef ik daarmede onwillekeurig aan, dat ergens in mijzelf ik deze dingen beschouw als deel van mijn persoonlijkheid. In feite kan men zich het leven niet waarlijk denken zonder deze als deel van het Ik geadopteerde waarden. Zeer sterk worden dergelijke bindingen, wanneer men door menselijke opvattingen en gebruiken in zijn identificatie met anderen wordt gesterkt. Mijn kind is deel van mijn persoonlijkheid. Mijn man, mijn vrouw, mijn vader, mijn moeder, zijn deel van mijn persoonlijkheid, mijn leven.

De mens denkt hierover niet verder na. Men meent, dat men aan eigen aansprakelijkheid tegemoet komt, aan de eisen van verantwoordelijkheid geheel voldoet, wanneer men dergelijke personen behandelt als een deel van eigen wezen en tracht aan te passen aan eigen wensen en denken. Menige mens bv. meent, dat men hem niets kan verwijten, wanneer hij er maar voor zorgt, dat zijn ouders het materieel redelijk goed hebben. De meesten denken, dat een man, een vrouw, niets te klagen heeft, wanneer de partner nu maar beantwoordt aan de verplichtingen, zoals die algemeen voor het huwelijk als belangrijk worden aanvaard. Deze gedachten zijn echter feitelijk verkeerde opvattingen.

Natuurlijk ben ik voor mijn medemensen geheel aansprakelijk, zover zij tot mijn “ik” behoren. Dus in zoverre ik mij daarmee identificeer. Mijn verplichtingen houden dan ook bepaalde gevoelswaarden in, die niet stoffelijk uitgedrukt kunnen worden. Hieruit volgt nog niet, dat de houding, die ik tegenover deze mensen aanneem, ook door hen tegenover mij dient te worden aangenomen. Men kan evenmin eisen, dat de gevoelens, die men voor anderen koestert, door hen op precies dezelfde wijze zullen worden beantwoord… Ik kan nooit bepalen, hoe anderen zich tegenover mij dienen te gedragen enz. Ik kan alleen met zekerheid weten, hoe ik tegenover anderen dien te zijn.
Men dient zich steeds weer voor ogen te houden, dat men niet verantwoordelijk of aansprakelijk kan zijn voor de daden en gedachten van anderen en zo daarvoor ook geen recht tot het uitoefenen van dwang heeft, zover die anderen naar eigen inzicht en vermogen kunnen handelen op een verantwoorde wijze. “Verantwoord” wel te verstaan volgens hun eigen inzichten en de regels van de wereld, waarin zij leven. Wel is men verplicht iemand, die men als medemens ziet, of zelfs als een deel van eigen persoonlijkheid heeft aanvaard, vanuit zijn wezen te steunen en alle hulp te geven, die men maar geven kan.

Aansprakelijkheden ondervindt de mens meestal als onaangenaam. Wanneer je de moderne wereld hoort praten hierover, zo krijgt men wel eens de indruk, dat de aansprakelijkheid van de mens tegenover alle mensen onnoemelijk ver rijkt. Bijvoorbeeld: er is in een ander deel van de wereld een hongersnood. De mens van heden is geneigd te stellen, dat wij – de mensen – er aansprakelijk voor zijn en dat hieraan zo snel mogelijk een einde moet worden gemaakt. Ik vind dit mooi gedacht. Maar is dit wel waar? Is dit werkelijk een deel van onze verantwoordelijkheid? Neen. In ons gevoel van verbondenheid met alle mensen mogen wij de anderen, die hongeren, de middelen geven om eventueel de hongersnood te overwinnen of te bestrijden. Maar wij zijn niet verantwoordelijk voor de wijze, waarop degenen die wij helpen, onze gaven gebruiken. Wij zijn echter wel verantwoordelijk voor een voortgezet misbruiken van onze gaven, nadat een misbruik eenmaal is vastgesteld. Dan dienen wij onze gaven te wijzigen, of zelfs niet meer te schenken.

Vele mensen in deze dagen stellen: “Wij zijn zedelijk verplicht elk jong volk dat dit wenst zijn vrijheid te geven”. Zij gaan echter verder en stellen, dat men er dan ook voor verantwoordelijk is, dat deze jonge volkeren hun vrijheid goed gebruiken. Het eerste kan, gezien de tendenzen op deze wereld, juist zijn. Maar het tweede is zeker niet waar. Wanneer deze anderen hun vrijheid op hun eigen wijze willen gebruiken, heeft men, die vrijheid eenmaal geschonken hebbende, zelfs het recht niet meer de ander in het gebruik van deze vrijheid te beperken.
Wel zal men aan zijn aansprakelijkheden alleen voldaan hebben, wanneer men de ander heeft geholpen om – indien hij dit wenst – de eerste moeilijkheden te overwinnen. Dit mag echter nimmer ontaarden in een poging te dwingen in een bepaalde richting, of het scheppen van een zekerheid, die de ander krachtens eigen leven, gaven en mogelijkheden, nog niet heeft bereikt. Beperkt men zich niet bij het verlenen van hulp, het scheppen van zekerheid en het uitoefenen van druk, dan ontstaat een verzwakking van de mensen, wat uiteindelijk resulteert in een wereld vol volkeren, die in feite bedelaars of afpersers zijn.

Zo hoor ik al te vaak de opmerking: “Wij zijn toch sociaal verantwoordelijk voor het lot van onze medemensen”. In de zin van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid is dit niet waar. U bent niet sociaal verantwoordelijk voor het geluk en de welvaart van uw medemensen. U bent niet verantwoordelijk voor een sociale organisatie, waarin anderen zich zeker kunnen voelen. Uw verantwoordelijkheid is alleen gelegen in uw persoonlijk optreden tegenover anderen, de eisen, die u persoonlijk aan anderen stelt. U hebt geen recht en geen redenen om een ander in zijn leven te reglementeren, hoe goed hem dit overigens ook zou bekomen.

Met deze stelling ben ik feitelijk lijnrecht in strijd met de geldende sociale opvattingen. Wanneer wij echter willen spreken over onze verantwoordelijkheid, over datgene, waarvoor wij aansprakelijk zijn, moeten wij in de eerste plaats realistisch denken. Het is niet juist, wanneer men zich als gemeenschap verplicht voelt een boer te steunen, omdat zijn bedrijf niet rendabel is, of omdat hij een misoogst heeft gehad. Persoonlijk kunt u deze mens helpen uit een gevoel van verbondenheid. Maar u kunt en mag deze mens niet het recht geven deze steun en hulp van u te eisen.
Wanneer men een recht op steun geeft, ontneemt men de mens zijn eigen verantwoordelijkheid. In het gunstigste geval maakt u van de boer iemand, die niet meer werkt omdat hij gelukkig is in zijn werk, maar omdat hij steeds grote profijten kan verwachten, zowel bij overvloedige oogsten als misoogst. Verder vergeet men wel eens, dat men met het erkennen van een recht op steun en hulp niet slechts persoonlijk risico, maar ook de prikkel tot persoonlijke bereikingen, evenals de persoonlijke belevingen en ervaringen grotendeels uitschakelt.

Misschien beseft men de consequenties van dit alles niet, maar het is zeker, dat dergelijke onverdiende en niet zelf bereikte geborgenheid ook in het persoonlijke leven van de mens sterk ingrijpt. De christenen onder u zullen nu misschien zeggen: moeten wij dan evenals Kaïn aan God antwoorden: “ben ik mijn broers hoeder?”, wanneer Hij ons vraagt, wat wij voor onze naasten gedaan hebben? Daarbij vergeet men, dat God de mens nooit heeft aangesteld als zijn broeders hoeder. Dit zijn niet Gods woorden, of een goddelijk bevel, maar de woorden van de moordenaar Kaïn. De mens leeft binnen een gemeenschap. Dat is waar. Zover hij zich deel gevoelt van deze gemeenschap, zal hij ook voor de gemeenschap verantwoordelijkheid dragen. Maar dit gaat alleen zover als de eigen gebondenheid met die gemeenschap reikt. Zeker zal de persoonlijke welvaart van de leden van de gemeenschap niet altijd voor de gemeenschap als geheel nuttig zijn.

De mens leeft in een gereglementeerde gemeenschap. Maar vele van de regels zijn geen werkelijk gemeenschapsbelang. Onze persoonlijke verantwoordelijkheid betekent dan ook niet, dat men op het juist uitvoeren van alle regels dient toe te zien. Men hoeft geen politieagent te spelen en anderen op de vingers te tikken, wanneer zij deze regels overtreden. Wel is men verplicht in te grijpen, wanneer anderen zich vergrijpen aan personen, die zichzelf niet kunnen verdedigen. Dit zou dus bv. een kind kunnen zijn, iemand, die door ouderdom of om andere redenen  de zwakkere is en daardoor moet aanvaarden of zich laat verleiden tot dingen, die niet juist zijn.
Wanneer iemand geknecht wordt of misleidt wordt in de maatschappij, waarvan wij volgens ons eigen gevoel deel uitmaken, zullen wij op moeten treden. Maar wanneer iemand zichzelf kan redden – ook al doet hij dit anders, dan wij dit gedaan zouden hebben – moeten wij hem de mogelijkheid laten op zijn eigen wijze te strijden en zichzelf op zijn eigen wijze te verdedigen. Wij hebben dan geen reden om in te grijpen, tenzij men bemoeizucht als een reden wil zien.
Bovendien zal een dergelijk ingrijpen noch voor ons noch voor de ander enige zin hebben. Wie hulp van ons verlangt, mogen wij onze hulp niet weigeren. Mits de ander tenminste de door ons gegeven hulp gebruiken zal om, door eigen pogen, werken en streven, iets te bereiken. Wij hoeven dus niet iedereen te blijven helpen, die ons om hulp vraagt. Wanneer onze hulp wordt begeerd, omdat men op deze wijze zichzelf moeiten kan besparen, zullen wij zelfs, zodra dit blijkt, die hulp dienen te weigeren. Wie ons echter hulp vraagt om zichzelf beter te kunnen helpen, moeten wij bijstaan.

Zo hebben wij ook niet het recht een oordeel over anderen uit te spreken. Menigeen meent, dat het tot zijn menselijke verantwoordelijkheden behoort, voor zich en voor anderen uit te maken, wat goed en wat kwaad is. Maar dit kan niemand waarlijk doen. Wij kunnen alleen uitmaken, wat binnen een gemeenschap niet aanvaardbaar is. Zolang anderen van een gemeenschap deel uit wensen te maken, zullen zij zich aan de regels van die gemeenschap moeten onderwerpen. Maar dan moet voor hen ook de mogelijkheid bestaan zich buiten die gemeenschap te plaatsen.
Gezien de wijze, waarop de mens vaak in een gemeenschap leeft, zonder daaraan innerlijk ook deel te hebben, terwijl hij niet de mogelijkheid heeft zich aan die gemeenschap en haar regels zonder meer te onttrekken, moeten wij verder stellen: ik behoor slechts waarlijk tot een gemeenschap, wanneer ik mij heb afgevraagd of deze gemeenschap voor mij juist is. Alleen wanneer ik dit met geheel mijn wezen en gevoelens kan bevestigen, heb ik het recht binnen deze gemeenschap een oordeel te vellen over de al dan niet aanvaardbare factoren binnen die gemeenschap. Zelfs dan zal dit oordeel nog geen veroordeling in mogen houden van anderen, die zich niet aan de regels van de gemeenschap houden, ook wanneer ik genoodzaakt ben, ten bate van de gemeenschap de regels van de gemeenschap op een ander van toepassing te verklaren.

Misschien had u van mij een sensationeler betoog verwacht. Maar wij, met onze verantwoordelijkheid, met onze aansprakelijkheden, zijn wezens die zich allereerst bewust dienen te worden van zichzelf. Wij moeten allereerst uitgaan van de waarheid van óns persoonlijk leven, óns geloof. Wij dienen ons eerst af te vragen, waarvan wij werkelijk deel zijn, wat werkelijk deel is van ons leven en werken. Beseffen wij dit, dan moet onze volgende vraag luiden: “Hoe dien ik het beste”. Dus niet: “Hoe heers ik”. Dit laatste wordt echter vaak gevraagd. Men roept bv. uit: “Wij zijn verantwoordelijk voor het welzijn van het volk. Van daaruit moet het kiessysteem van dit volk zo gewijzigd worden, dat wij aan de macht kunnen blijven. Anders kunnen wij immers deze verantwoordelijkheid niet dragen?”
Elders roept men uit: “De mens mag niet vanuit zichzelf tot God gaan, zelf bidden volgens eigen inzichten. Het is niet goed voor de mens in zichzelf naar de waarheid te zoeken en zelfstandig te schriftuur te interpreteren. Wij, als herders, zijn verantwoordelijk voor het zielenheil van de mens, voor een juist beleven van God, een juiste uitleg van de schrift enz.” Wie dit durft zeggen, is er klaarblijkelijk van overtuigd, dat wel anderen, maar hij zelf nooit fouten zal kunnen maken. Heeft een mens dan geen recht, op zijn eigen wijze te leven? Mag een mens dan niet op zijn eigen wijze God ontmoeten, God zoeken?

Het leven, het geloof van anderen, kan nooit tot onze verantwoordelijkheden gerekend worden. Wanneer iemand langs de weg niet meer verder kan, is het onze plicht deze te helpen. Dan zijn wij aansprakelijk voor zijn welzijn. Deze verantwoordelijkheid voor het welzijn van de ander blijft echter alleen bestaan, tot deze weer in staat is zelf verder zijn wegen te gaan.
Belangrijk is ook, dat het denkbeeld van verantwoordelijkheid voor anderen zo langzaamaan een maatschappelijk patroon is geworden, ja, zelfs een sociaal bijgeloof genoemd mag worden. Daarbij gaat men zover, dat men soms meent anderen te moeten dwingen een rechtsgeldig contract te vervullen, ofschoon hiervan kennelijk misbruik werd gemaakt en in feite onrecht wordt gedaan door het verder doen vervullen van dit contract. Hierbij speelt een vreemde opvatting van begrippen als eer een rol. Men is nu eenmaal verplicht om zijn woord te houden, wat daarvan ook de gevolgen voor de mens zelf of anderen zal zijn. Wanneer dit zo wordt gezegd, wanneer men meent dat men op het woord van anderen zal moeten kunnen vertrouwen enz., klinkt het mannelijk en mooi. Maar in de praktijk komt men zijn woord toch niet altijd na. In de praktijk blijkt iedereen zoveel mogelijk de onaangename gevolgen van een gegeven belofte te ontwijken. Waarom dan wel iemand een dwang opleggen, een contractuele dwang ook te aanvaarden, wanneer alle redelijke elementen van het verdrag of contract teloor zijn gegaan?

U bent aansprakelijk voor elke belofte, die u tegenover anderen aflegt. U hebt daarmede in de ander een verwachting gewekt. U bent dus verplicht de ander zo snel mogelijk mede te delen, dat men een dergelijke belofte niet meer kan of zal houden. Men mag echter zich en zijn belangen niet verloochenen, omdat men eenmaal een belofte heeft afgelegd. Want men is allereerst verantwoordelijk voor zichzelf en is aansprakelijk voor de weg, die men gaat.

Uit het voorgaande kunnen natuurlijk voor u vele problemen rijzen. Wat bijvoorbeeld te doen met een kind, wanneer op een bepaalde leeftijd in dit kind ideeën rijzen, waarmee de ouders het niet eens zijn? Stel als voorbeeld, dat de ouders orthodox christelijk trachten te denken, terwijl de kinderen spiritualistisch blijken te gaan denken. Of omgekeerd. Wat vereist hier onze verantwoordelijkheid voor het kind? Is men, zoals vele ouders schijnen te denken, dan verplicht om het kind eenvoudig te dwingen de zienswijze van de ouders als alleen juist te aanvaarden? Menigeen zal hiertoe geneigd zijn.
Indien wij ons echter realiseren, dat het kind een eigen persoonlijkheid heeft, een eigen taak en een eigen weg zal moeten vinden in het leven, zal men zich verplicht voelen, het kind de vrijheid te laten, in deze zijn eigen belangstelling na te gaan. Zolang dit niet voeren kan tot directe lichamelijke of geestelijke schade, doch voert tot het verwerven van inzicht en kennis, zijn de ouders zelfs verplicht het kind naar beste weten en kunnen in zijn zoeken bij te staan. Daarnaast mogen de ouders echter verlangen, dat het kind ook kennis neemt van hun ziens- en denkwijzen, zeker, zolang het kind deel uitmaakt van het gezin, van de kleine gemeenschap dus. In geen geval heeft men echter het recht of zelfs de plicht het kind te dwingen eigen denken terzijde te stellen en de inzichten van de ouders als alleen juist te aanvaarden.

Dit geldt ook voor eenvoudiger problemen. Men kan 100 malen een kind wijzen hoe een bepaalde bezigheid te volbrengen. De verantwoordelijkheid voor het kind brengt met zich, dat men het een zo juist mogelijk inzicht in de gebruiken en mogelijkheden van de maatschappij geeft. Ook de juiste wijze van werken dient men dus een kind te leren. Wanneer dit kind voor zich echter een andere methode vindt, waarmede het eveneens aanvaardbare resultaten behaalt, heeft het geen zin het kind toch te dwingen de methoden van anderen te volgen. Wel zal men er zorg voor dragen, dat het kind tenminste het bestaan van de gangbare methoden kent, zodat het daarop terug kan vallen, wanneer eigen methoden op de duur toch minder aanvaardbaar blijken te zijn.

Alweer een reeks van stellingen, die vele ouders vreemd in de oren zullen klinken. Mogen wij onze kinderen dan niet liefhebben, zo zullen zij afvragen. Natuurlijk mag men dat. Maar liefde die heerszucht en bezitzucht wordt, is in feite het opeisen van een recht, terwijl men gelijktijdig de grotere verantwoordelijkheid van de ouders – een kind tot een zelfstandig denkend en zelfstandig levend wezen op te voeden – ontkent. Een ieder, die nageslacht voortbrengt, is verantwoordelijk voor hun opgroeien tot persoonlijkheden, tot bewuste en zo mogelijk bekwame mensen. De kinderen moeten dus de mogelijkheid hebben op te groeien tot zelfstandig denkende mensen, mensen, die zelf een ideaal zoeken, zelf beslissen, wat voor hen in het leven waarlijk belangrijk is. Of hun belangstelling nu is voor dansen – waar u het niet mee eens bent – of voor een sport – waarin u zelf grote interesse hebt – mag bij uw beslissingen geen verschil uitmaken. Ook kinderen moeten de gelegenheid hebben de gevolgen van hun eigen daden te ondergaan.

De kern van dit alles ligt in de instelling van de doorsnee mens, die meent dat liefde een recht is of tenminste bepaalde rechten geeft. Wanneer wij werkelijk liefhebben, zullen wij enerzijds menen, voor de ander aansprakelijk te zijn, maar anderzijds menen, dat de ander dan ook verplicht is zich aan ons te onderwerpen. Liefde is echter geen recht en geeft geen rechten, doch een plicht. Zij geeft dan ook alleen plichten. Deze laatsten vloeien uit ons eigen wezen voort en zijn deel van de verantwoordelijkheden, die wij tegenover ons zelf hebben. Er is dan ook een groot verschil tussen de kosmische, de alomvattende en werkelijke liefde en dat, wat de mensen van het begrip liefde hebben gemaakt. Voor menigeen is liefde de keten, waarmee je anderen aan je bindt en Goddelijke liefde een vlindernetje, waarmee je zielen vangt.

De kern van alle verantwoordelijkheid, die je tegenover anderen draagt, de aansprakelijkheid, die je tegenover anderen gevoelt, is nu eenmaal de liefde die je in jezelf draagt voor deze anderen. Bepalend is steeds in de eerste plaats de binding, die met uw eigen persoonlijkheid bestaat. Juist deze binding maakt het noodzakelijk dat men allereerst erkent dat alle anderen personen zijn met een eigen inzicht, eigen mogelijkheden, een eigen taak en eigen plichten in het leven. Eerst wanneer dit geheel wordt aanvaard, zal werkelijke liefde tot uiting kunnen komen. Ik herhaal nogmaals: werkelijke liefde komt voort uit de bindingen, die men in eigen wezen erkent, en bestaat uit een vrijwillige dienstbaarheid aan de ander. Alleen vanuit dit bewustzijn zal de mens de aansprakelijkheid voor anderen, die door het erkennen van de binding ontstaat, kunnen aanvaarden en op de juiste wijze kunnen vervullen.

Dit alles geldt natuurlijk allereerst wel in het persoonlijke leven van de mens. Wij weten alleen dat er bepaalde standaardideeën bestaan omtrent verantwoordelijkheid, huwelijk, eer, trouw, vaderland enz. Zo zijn er ook standaardideeën, die uitgaan van de verbondenheid tussen kameraden, klassegenoten enz. enz. en waaraan men standaardverplichtingen wil binden. Daaraan hecht men de grootste waarde. Toch zijn dergelijke dingen niet meer dan een illusie. Zij hebben weinig of niets te maken met een werkelijke verantwoordelijkheid. In vele gevallen hebben deze ideeën zelfs tot dwaasheden en onverantwoorde handelingen gevoerd. Er is een tijd geweest, dat de ene mens zich verplicht voelde, trachten een ander te doden, omdat deze een paar woorden had gezegd, waarmee hij het niet eens was. De eer eiste dan, dat dit met bloed gewroken werd. Dat een dergelijk begrip van eer dwaasheid is, begrijpt men heden wel. Wat men echter ook heden nog niet beseft, is, doordat men voor een begrip van eer te sterven en zo zijn aansprakelijkheden tegenover anderen eenvoudig wenst te vergeten of terzijde te laten, men zijn feitelijke verantwoordelijkheid in het leven eenvoudig verloochende. Dit geldt ook elders.

Wanneer ik spreek over kosmische harmonie en alle mensen één wil zien worden, maar gelijktijdig meen, dat ik voor mijzelf een uitzondering mag maken en voor mijzelf alleen naar harmonie hoef te streven met degenen, die het met mij eens zijn, zal alle discrepantie, elke afwijking van het mogelijke op gebied van harmonie, direct of indirect mede mijn schuld zijn, zodat ik daarvoor mede aansprakelijk ben.
Het dragen van verantwoording in het leven brengt een evenredige aansprakelijkheid met zich. Dit komt hierbij wel bijzonder snel en sterk naar voren. Wie alleen anderen gelukkig weet te maken ten koste van eigen innerlijk geluk, faalt en voldoet niet aan de aansprakelijkheid voor eigen geluk, eigen bewustwording en leven. Wie gelukkig is ten koste van anderen faalt eveneens. Hij is mede verantwoordelijk voor het geluk van zijn medemensen, zoverre hij met hen verbonden is. Wie echter voor zich een gelukkig leven weet te vormen en gelijktijdig anderen gelukkig weet te maken, heeft daarmede aan alle aansprakelijkheid op dit gebied voldaan. Hoe vreemd het ook klinken moge, men is verplicht voor zich en anderen gelijkelijk te streven.

Laat ons nu onze verantwoordelijkheid in verband met geheel de wereld eens gaan bezien.

Wij weten, dat er geestelijke krachten zijn. Wij weten, dat wij met deze geestelijke krachten samen kunnen werken. Wij weten verder, dat er uit die samenwerking iets geboren kan worden, dat goed en groots is, zelfs indien wij niet precies weten wat. Ik stel hierbij voorop, dat wij innerlijk weten, dat het resultaat goed zal zijn. Dit is dus niet alleen een hoop of verwachting, maar een innerlijke zekerheid. Dan zijn wij verplicht mee te werken met de geestelijke krachten, opdat het goede tot stand komt. Deze plicht zal blijven bestaan, ongeacht de persoonlijke offers, die een dergelijke samenwerking met geestelijke krachten vooral in het begin misschien vraagt. Slechts indien wij daarmee ook het eigen Ik en eigen verantwoordelijkheid geheel prijs zouden geven, mogen wij hier enige beperkingen maken. Zover het ons eigen bewustzijn betreft, zijn wij immers ook dan nog steeds de kern van alle leven en kan alle leven slechts vanuit onszelf beleefd worden.

Ik sprak over harmonie. Nu is dit een woord, waarmee op de wereld maar al te veel wordt geschermd; het deelt deze twijfelachtige eer met andere begrippen als eer, trouw enz. Wat is echter deze harmonie? Is zij, zoals sommigen schijnen te denken, het gelijkschakelen van allen, zodat er geen verschil, meer tussen hen is?
Of is het eerder een: alle verschillen zover mogelijk voort doen bestaan, maar de mensen ondanks hun verschillen – door het scheppen van onderlinge banden – er toe te brengen om gezamenlijk en in samenwerking hun krachten ten goede te ontwikkelen? Volgens mij is de tweede definitie de juiste. Dit houdt in, dat wij niet verplicht zijn anderen tot ons ‘hoog’ geestelijk peil op te heffen, of onszelf dwingen moeten tot een leven op hoog geestelijk peil, dat wij innerlijk toch niet verwerkelijken, of zelfs maar begrijpen kunnen.

Wij zijn aansprakelijk voor onszelf, voor wat wij zijn, leven, denken en voelen, dit zullen wij ten volle moeten zijn. En niet half. Wij zullen niet alleen ten volle onszelf moeten zijn, maar wij zijn er ook aansprakelijk voor, dat wij dit Ik – zo volledig mogelijk beleefd en geuit – ook zo harmonisch mogelijk tegenover anderen tot uiting brengen. Onze verantwoordelijkheid tot onszelf en de wereld houdt in, dat wij er op moeten toezien, dat wij geen strijd, geen leed, geen ellende veroorzaken en voor anderen geen beperkingen of veroordelingen tot stand brengen, maar, zover dit maar mogelijk is, komen tot een wederzijdse aanvaarding en samenwerking. Dit geldt zowel wanneer dit gaat over een idee, als wanneer het gaat om zakelijke of andere belangen.

Het aanvaarden van deze levenshouding is in feite het eerste begin van een bewustwording in de goddelijke werkelijkheid. Wij zijn voor zovele dingen mede aansprakelijk, dat wij ook de mede aansprakelijkheid dienen te overwegen. Ben ik er bv. mede voor verantwoordelijk, wanneer met een kogel, die ik heb gedraaid, een medemens wordt doodgeschoten? Het antwoord kan hier ja zowel als neen luiden.
Ik kan stellen, dat ik niet aansprakelijk ben, omdat ik die kogel niet heb afgeschoten. Aan de andere kant heb ik het middel geschapen, waarmee een ander iemand heeft gedood. Indien ik wist, dat de kogel voor een dergelijk doel bestemd was, is er zeker van een medeverantwoordelijkheid sprake. Ik ben niet verplicht, anderen te beletten, wapens te maken of te gebruiken. Geweld, dat zij zo dienen, kan wel een deel van hun bewustwording zijn en zo ook een deel van hun leven.
Maar ik mag er niet aan medewerken, wanneer ik het doden als onjuist ervaar. Dan mag ik niets doen, waardoor ik er toe bij zou kunnen dragen, dat een ander zou kunnen worden gedood, niets doen dat tot een mogelijk ontstaan van een strijd bijdraagt. Omdat men anderen niet mag beletten hun eigen weg te kiezen, zal een aanvaarden van deze stellingen voeren tot passieve weerstand. Dit zal velen te weinig lijken. Maar ik beantwoord alleen op deze wijze aan de verantwoordelijkheid, die ik draag voor mijzelf en anderen. Daarom is dit de kern van de zaak.

Bij positieve waarden geldt hetzelfde: wanneer ik geloof aan de krachten van de geestelijke genezing, ben ik er ook voor aansprakelijk, dat deze krachten, wanneer dit noodzakelijk schijnt, gebruikt worden. Ik ben er voor aansprakelijk dat iedere mens, die behoefte heeft aan deze krachten, deze ook verkrijgt. Zelfs zal ik in vele gevallen verplicht zijn een ander te wijzen op deze mogelijkheid, opdat de ander gebruik kan maken van deze krachten, zo hij dit wenst. Al zou geheel de wereld zeggen, dat geestelijke genezing onzin en dwaasheid is, zolang ik geloof, dat deze kracht werkelijkheid is, draag ik deze verantwoordelijkheid. Want dit geloof is deel van mijn wezen, mijn weg.
Waar er bij een ander behoefte bestaat, of zelfs om hulp wordt gevraagd, zal ik, krachtens mijn geloof, dit niet mogen weigeren. Natuurlijk mag u ook aan uzelf denken. U bent ook tegenover u zelf aansprakelijk. Daarom zult u deze kracht zo geven, dat u zo weinig mogelijk met uw omgeving in conflict komt. De plicht tot helpen blijft echter onverminderd bestaan.

Wanneer wij menen, dat geluk, leven in vrijheid, alleen op een bepaalde wijze tot werkelijkheid te maken is, zullen wij verplicht zijn deze wijze van leven en denken te bevorderen met alle middelen, die ons maar daartoe ten dienste staan. Wij mogen anderen niet dwingen om zo te leven, maar dienen er wel voor te zorgen, dat deze ander begrijpen kan, wat wij zien en bedoelen. Wij zijn niet verplicht anderen te dwingen in ons Koninkrijk in te gaan. Wij hebben niet het recht anderen door dwang, speculeren op angst, begeerten, door verleiding en verlokking, te brengen tot het aanvaarden van onze stellingen.
Wel hebben wij de plicht een ieder te helpen, zodat hij kennis kan nemen van deze denkwijze enz. en de betekenis, die dit voor ons heeft, leert beseffen. Wanneer hij echter niet wenst hiervan te horen of daarop te reageren, zijn wij verplicht om voort te gaan en de ander geheel de vrijheid te laten om zijn eigen weg te kiezen. Men mag dan dus ook niet verder aandringen. Onze verantwoordelijkheid is het vervullen van ónze taak binnen de schepping. Het regelen van het leven van anderen behoort niet tot onze plichten of aansprakelijkheden. Juist dit laatste brengt mij weer tot de mens in zijn persoonlijk leven.

Je bent aansprakelijk voor jezelf. Je mag dus niet stellen: het is een hogere kracht, die mij beweegt en verantwoordelijk is. Altijd dient men te beseffen, dat men het zelf is, die leeft en verantwoording draagt. Wanneer ik dus iets doe, zal ik zelf de gevolgen daarvan moeten aanvaarden, ongeacht de kracht die mij daarbij inspireerde enz. Ik mag nimmer een vervulling van mijn wensen afdwingen, wanneer anderen in staat zijn voor zich te denken, te handelen en te ervaren op een binnen mijn wereld redelijke wijze. Ik moet steeds eerlijk zijn, zowel tegenover mijzelf als tegenover anderen. Wanneer u iets in het leven ziet, wat u niet bevalt, terwijl het deel is van het leven van een ander en niemand werkelijk schaadt, dient u te zwijgen. Wanneer echter iets gebeurt – of in u ontstaat – wat niet alleen met het leven van een ander te maken heeft, of voor anderen schade zou kunnen betekenen, bent u verplicht om eerlijk en ronduit te spreken, zo nodig uw woorden door handelingen onderstrepende. U bent in de eerste plaats verantwoordelijk voor uzelf. Zoals uzelf in de eerste plaats dient te leven uit eigen bewustzijn, eigen wezen en vermogen, zo op eigen wijze harmonie met de kosmos zoekende en geestelijke krachten en wijsheid – of gaven – verwervende en gebruikende, zult u ook anderen de mogelijkheid en de vrijheid moeten laten om hetzelfde te doen. Bovenal heeft men het recht niet anderen te dwingen zich naar de door u gehanteerde maatstaven te voegen.

Misschien vindt u dit vanzelfsprekend onbelangrijk, te vol van herhalingen. Maar wanneer ik de levenshouding van de doorsnee moderne mens analyseer blijkt mij, dat hij het in de meeste gevallen zijn taak en verantwoordelijkheid acht, voor een ander te zorgen, of deze dit nu wenst of niet. Als voorbeeld stel ik de verhouding tussen de z.v. ‘Vrije Boeren’ en een bepaald Landbouwschap.
Volgens het voorgaande heeft men het recht niet mensen te dwingen deel uit te maken van een organisatie en daarvoor te laten betalen, wanneer zij dit niet zelf wensen. Men is verplicht hen vrij te laten en er zorg voor te dragen, dat de rechten en mogelijkheden – uit de organisatie voortkomende – hen eveneens geheel worden onthouden, zolang zij daarvan geen deel wensen uit te maken. Zo acht men het zijn plicht kinderrijke gezinnen te steunen en kinderbijslag te geven. Wanneer een mens hierom vraagt en de gelden voor de kinderen besteedt, mag men hem dit zeker geven. Zolang iemand echter niet om dergelijke hulp vraagt, dient men deze ook niet te geven. Zeker heeft men het recht niet iemand te dwingen deze gelden aan te nemen, wanneer hij deze niet wenst te aanvaarden. Toch zijn pogingen tot dit laatste ook reeds voorgekomen.

De gedachten, dat de gemeenschap als geheel verantwoordelijk is voor alle anderen, voert tot de meest dwaze situaties, ontneemt de mens alle persoonlijke verantwoordelijkheid en vele mogelijkheden iets voor zich door eigen streven te bereiken. Ik geef u ook hiervan een voor- beeld:

Een mens heeft een winkel. Hij beschikt over de middelen om zo nodig personeel hiervoor aan te nemen en wil zelf gaarne zijn tijd daarvoor geven, maar op bepaalde dagen wil hij dan ook open blijven tot bv. 24.00 uur. Hij mag dit niet. Waarom niet? Omdat hij te lang zou werken? Dat is, naar ik meen, zijn eigen zaak. Omdat anderen, die wel om 18.00 uur willen sluiten, dan klanten zouden verliezen of winsten zouden derven? Dat zou onrechtvaardig zijn. Zij kunnen sluiten of openblijven naar eigen believen, nietwaar? Niemand zou hen dwingen langer open te blijven. Deze – vaak goed bedoelde – bemoeizucht is echter even dwaas als de handelwijze van een vorst, die wegens zijn gezondheid geen vlees mag eten en nu allen het eten van vlees verbiedt omdat dit ongezond is. Wat is voor een zakenman nu het gevolg van de door mij geciteerde en andere beperkingen? Men maakt het hem misschien onmogelijk zijn bedrijf door eigen ijver en vindingrijkheid uit te breiden. Men ontneemt hem de mogelijkheid ervaringen op te doen, die mogelijk zouden voeren tot een inderdaad, maar nu uit vrije wil, vroeger sluiten van zijn zaak.

Men ontneemt daarmee ook de mens – en dit is toch wel belangrijk – elke mogelijkheid tot zelfstandige belevingen en bereiking. Langzaam maar zeker maakt men op deze wijze de mensen tot wezens, die zozeer gebonden zijn aan regels en wetten, dat hun persoonlijk initiatief, hun elan, hun arbeidsvreugde teniet gaat.

Ik hoor u al zeggen: u hebt misschien gelijk, maar dit is maar één enkel facet van het vraagstuk. Alles samen bezien, is het toch maar goed, dat de winkelsluitingswetten er door zijn gekomen. U zegt dit eerlijk en oprecht, omdat u anderen de rust gunt, omdat u meent, dat er vele misbruiken bestonden, vóór deze wet tot stand kwam. Dat is uw recht. Maar dan bent u er ook mede voor verantwoordelijk, wanneer anderen die niet wensen te rusten, tot rust gedwongen worden, wanneer mensen, die eens veel zouden hebben geleerd in het leven, nu alleen maar vegeteren in een door anderen opgelegde regelmaat.
Men dient elke mens vrij te laten in zijn wijze van leven, werken en geloven, zolang hij daarmede anderen niet stoort of schaadt. Schade betekent in het gegeven voorbeeld niet een derving van inkomen e.d. Zolang allen gelijke vrijheid hebben – tot openhouden van hun bedrijf bv. – zal alle schade, voortkomende uit het openblijven van onze winkelier, hun eigen zaak en schuld zijn. De zucht, anderen te beschermen, bevordert in wezen luiheid, onverantwoordelijk gedrag, slaafsheid, lusteloosheid, geestelijke en vaak zelfs lichamelijke verzwakkingen binnen de gemeenschap.

Op geestelijk terrein treffen wij een zelfde paternalisme aan. Ook daar roept men u toe, dat u alleen de gebaande paden mag gaan. Men wil u het liefst alles wat maar zondig zou kunnen worden, bij voorbaat verbieden. En er is altijd wel iemand, die in alle dingen een mogelijkheid tot zondigen ziet. Wanneer men geestelijk harmonie wil scheppen en tracht, een grotere eenheid van denken tot stand te brengen, een eenheid van beleven ook, zal men daarvoor soms middelen gebruiken, die anderen niet aanvaardbaar achten. De een zal bidden, de ander zal gebruik maken van wierook en incantaties. Ieder heeft ook hier het recht zijn eigen middelen te kiezen. Niemand heeft het recht, een ander te beletten, op zijn wijze harmonie te scheppen.
Schuldig maakt men zich zeker ook aan het feitelijk scheppen van disharmonie, wanneer de werkwijze van anderen wordt aangeduid als zwart magisch, duivels, demonisch. Wanneer u naar geestelijke harmonie streeft en men over uw wijze van denken en werken zo oordeelt, veroordeelt men in wezen zichzelf, niet u. Wanneer u echter hetzelfde doet tegenover anderen, hen voor bijgelovigen, stomme christenen enz. uitmakend, of de vroomheid van anderen veroordeelt, zondigt u op dezelfde wijze. Wie zo oordeelt over anderen en niet in de eerste plaats persoonlijke bewustwording en harmonie met anderen nastreeft, verzaakt op deze wijze zijn persoonlijke verantwoordelijkheid in het leven. U leeft goed, wanneer u een ieder het recht om naar eigen inzicht en aard te leven toekent, terwijl u op uw beurt ditzelfde recht voor uzelf opeist.

Degenen, die mij niet geheel begrijpen, zullen nu op willen merken, dat er toch vele situaties denkbaar zijn, waarin onze verantwoordelijkheid ook de naaste betreft en wij voor onze naasten aansprakelijk kunnen worden gesteld. Men spreekt daarbij vooral graag over dingen, die men niet doet, die ethisch niet verantwoord zijn. Indien u uw persoonlijke aansprakelijkheid beseft, zoals deze is gesteld in dit betoog, zult u beseffen, dat de band, die men met de ‘naaste’ heeft, bepalend zal zijn voor de aansprakelijkheid, die wij tegenover die naaste bezitten. En wat die ‘ethische’ argumenten betreft? Zover zij niet inbegrepen zijn in het voorgaand gestelde, blijken zij vaak in de eerste plaats een kwestie van eigenbelang of een voorzorgelijke bescherming van mogelijke latere belangen in te houden.

Voorbeeld: Ik heb een bedrijf en tracht een werknemer bij een ander weg te kopen. Deze stelt nu, dat dit niet ethisch verantwoord is. Mijn vraag luidt echter: Waarom eigenlijk niet? Wanneer ik degene, die ik mijn aanbieding doe, openlijk benader en geen voordelen wil plukken van zijn relatie tot zijn werkgever of diens relaties, heb ik toch wel het volste recht, iemand die voor mij belangrijk is, voor mij te willen winnen? Wanneer degene, die ik mijn aanbieding doe, daardoor de mogelijkheid heeft zijn positie aanmerkelijk te verbeteren, terwijl hij bij zijn huidige werkgever deze gelegenheid niet heeft, is het zijn volste recht mijn aanbod te aanvaarden. Wanneer nu de huidige werkgever uitroept, dat dit toch niet eerlijk is, dat hij zijn werknemer ook niet missen kan of wil, zal ik antwoorden: dan, vriend, moet je zien te houden, wat je hebt, zij het door aanbiedingen, of door de vriendschap, die je werknemers voor je koesteren. Ethiek komt hieraan niet te pas.

In weinige tijden is zo sterk misbruik gemaakt van zoveel mensen, als in deze dagen. En alles onder de leuze, dat dit misbruik noodzakelijk is voor het welzijn van allen. Daarbij vergeet men dan maar liever, dat welvaart voor de mens niet alleen een stoffelijke, maar ook geestelijke zijden heeft. Elke mens moet in de eerste plaats met zichzelf kunnen leven. Dit zal hij alleen werkelijk kunnen doen, wanneer hij gevoelt iets te presteren. Zo ik mijn medemensen, ter verzekering van bepaalde stoffelijke voordelen, ga beletten iets te presteren, iets meer te bereiken dan anderen, zal ik hem in feite schaden en aan zijn leven de belangrijkste waarden en mogelijkheden tot bewustwording, zowel als levensvreugde, ontnemen. Deze medaille heeft natuurlijk haar keerzijde.
Wanneer ik het een mens onmogelijk maak zelfstandig te streven en iets te bereiken, doe ik hem kwaad. Maar wanneer ik iemand de mogelijkheid ontneem om zich in de goot te wentelen, doe ik eveneens kwaad. Want ook deze ervaring kan noodzakelijk zijn voor iemand. Ook hier heeft hij het recht zelf te beslissen. Ik zal hem bij dit laatste natuurlijk niet aanmoedigen. Dat is ook niet noodzakelijk. Ik mag zelfs mijn afkeer kenbaar maken. Verder gaat echter mijn recht tot ingrijpen niet, zolang degene, die zich wenst te wentelen in de goot, daarmede geen schade aan weerlozen veroorzaakt.

Toch heeft men wat betreft de mensheid en de wereld wel degelijk aansprakelijkheid. De verantwoordelijkheid, die wij hier als groep dragen tegenover de wereld, is heel wat groter, dan de meesten van u denken. Wij hebben een bepaald geloof, wij bezitten een bepaald weten. Wij hebben een bepaalde kracht in ons. Wanneer wij deze niet gebruiken om steeds meer vrede en vrijheid onder de mensen te brengen, wanneer wij niet bereid zijn steeds weer, wanneer er een beroep op ons wordt gedaan, ook te helpen op een wijze, die voor ons persoonlijk aanvaardbaar is en waarvoor wij de verantwoording persoonlijk willen dragen, deugen wij niet, als groep niet en als mens niet. Dan aanvaarden wij onze verantwoordelijkheid niet. Heel vaak ontwijkt de mens deze problemen.

Laat mij u ook daarvan een kras beeld geven. Kortgeleden werd er in een naburig land een procedure van echtscheiding aanhangig gemaakt. De man had – zoals dat heet – overspel gepleegd. De vrouw heeft niet getracht haar man terug te winnen, maar is op overdreven wijze overal gaan klagen, om zo haar man te schaden. Zij maakte daardoor haar man een aanblijven in zijn functie onmogelijk. Volgens de Duitse wet maakte ook de vrouw zich hierdoor schuldig en werd er wegens wederkerig schuld en zonder vergoeding, gescheiden. Menigeen in deze dagen zal hier zeggen, dat de “arme” vrouw hierdoor onrecht werd gedaan. Ik vraag mij af, waarom.

Een oordeel is snel geveld Misschien stelt u, dat de man een schoft is geweest. Maar waarop baseert u dit? Hij onttrok zich aan de plichten en verantwoordelijkheden, die men in het huwelijk gangbaar acht. Inderdaad. Maar de vrouw? Heeft zij nu werkelijk haar man de vrede, de vriendschap en alles, wat verder tot de huwelijkse staat behoort, gegeven? Gezien het gebeurde, plus haar latere houding, heeft zij dáár klaarblijkelijk gefaald. Zeer waarschijnlijk heeft zij te veel geëist en te weinig gegeven. Ongetwijfeld heeft dan ook de man in de eerste plaats datgene, wat hem thuis niet werd gegeven, elders gezocht. De man had een fout gemaakt. Hij ontweek waarschijnlijk het probleem van een eerlijke uitspraak met zijn vrouw. De vrouw echter handelde klaarblijkelijk eveneens geheel verkeerd. Haar fout werd uit zelfzucht en haat geboren. Daarom acht ik in dit geval haar fout groter dan die van de man. Deze zocht immers uiteindelijk in de eerste plaats zichzelf te zijn en vergreep zich tegen de usance van het huwelijk eerst, toen hem bleek, dat hem dit in de eigen omgeving onmogelijk was. De vrouw daarentegen reageerde zonder enig begrip voor de toestand en begon de methoden, die zij reeds tegenover haar man had gebruikt om haar zin te krijgen, nu ook naar buiten toe te passen. Zij wilde alles toegeven buiten dat éne: dat zij te kort was geschoten.

U meent misschien, dat hier geen sprake was van een ontwijken van eigen verantwoorde- lijkheden, een ontkennen van eigen plicht en noodzaak. Toch was dit voor beide personen waar. Wanneer men in een huwelijk leeft, heeft men een bepaalde verantwoordelijkheid ten aanzien van zijn partner. Deze verantwoordelijkheid omvat niet slechts de uiterlijkheden, zoals het seksuele, het inkomen, het doen van de huishouding. Een werkelijk huwelijk bestaat uit het innerlijk samengaan van twee mensen. Op het ogenblik dat aan deze voorwaarde niet meer wordt voldaan, is er geen sprake meer van een werkelijk huwelijk. De personen in mijn voorbeeld, maar mét hen ongetelde anderen, weigeren dit te erkennen. Zij leggen de nadruk op lichamelijke trouw, omdat hiermede het lastige probleem van een innerlijke gebondenheid kan worden omzeild en men aan de innerlijke feilen niets hoeft te doen.

Het is inderdaad eenvoudiger, aan te nemen, dat niets er op aan komt, wanneer de bijslaap maar regelmatig plaats vindt, het inkomen gedeeld wordt enz.

Wanneer men een huwelijk aangaat is het natuurlijk een deel van onze verantwoordelijkheid tegenover onszelf, dat wij de aangegane verplichtingen zo goed mogelijk volbrengen. Wanneer ons blijkt, dat wij door tekorten in de verhouding, zij het in een deel daarvan dan wel in het geheel, ten onder dreigen te gaan, zijn wij tegenover onszelf verplicht, dit eerlijk te erkennen, dit ook onze partner kenbaar te maken en de nodige maatregelen tot zelfbehoud te nemen. Dit mag natuurlijk zo niet gezegd worden. Het huwelijk is heilig enz. en de problemen daarvan dienen wij zoveel mogelijk te ontwijken, nietwaar? Maar de mens heeft een plicht tegenover zichzelf. Hij dient er zorg voor te dragen, dat zijn leven vol is, dat hij – of zij – vitaal blijft en interesse in het leven heeft. Men is verplicht er zorg voor te dragen, dat men een positief ingesteld wezen blijft, waarvan kracht kan uitgaan.

Wij mogen dan ook eisen, dat zowel geestelijk als materieel voor ons alle waarden aanwezig blijven, die voor een gezond en daadkrachtig bestaan noodzakelijk zijn. Maar wij mogen niet op sluikse wijze, doch alleen eerlijk tegenover onszelf en anderen deze waarden zoeken. Onze verantwoordelijkheid voor anderen houdt in, dat wij nimmer iemand mogen beletten in deze zin zijn weg te gaan. Wanneer wij menen, dat wij door zelfbeklag en het beschuldigen van anderen voor onszelf meer van de wereld zullen kunnen eisen, verkeren wij in een fatale waan. Alles, wat bij onszelf niet in orde is, alles, wat er in ons leven fout gaat, is deel van onze eigen aansprakelijkheid, zelfs indien dit door anderen veroorzaakt werd. Want wijzelf zijn het altijd weer, die ondanks alles een weg, een mogelijkheid tot leven moeten zoeken. Wijzelf zijn het, die steeds weer dienen te zorgen, dat wij onszelf kunnen zijn. Wij zijn het, die in eigen leven de beslissingen moeten nemen; wij ook zijn het, die de consequenties daarvan moeten dragen. En niemand anders.

Leven is steeds weer een zoeken naar de meest juiste weg. In dit zoeken naar de voor ons juiste weg en kracht, de grootst mogelijke bewustwording, vinden wij ook de grootste en meest intense kracht van leven en denken, die voor ons voorstelbaar is. Dit alles kunnen wij alleen uit God verwerven in onszelf. Wanneer wij deze innerlijke kracht zoeken, zullen wij haar vinden. Daaraan kan geen crisis, geen oorlog en geen belastingaanslag iets veranderen. Wanneer wij steeds weer het beste trachten te maken van alles wat wij zijn en alles, wat wij kunnen, steeds proberende het goede, dat in ons leeft, ten volle ook aan anderen te geven, anderen nimmer schadend, maar eigen aansprakelijkheid, steeds erkennende, zullen wij in het leven slagen. Onze aansprakelijkheid voor het welzijn van anderen houdt in, dat wij steeds trachten hen het goede te geven, zoals zij dit zelf verlangen. Onze relatie met anderen zal op elk terrein gebaseerd moeten zijn op alles, wat wij anderen kunnen geven, niet op ons voordeel of de mogelijkheid onszelf uit te leven. Alleen dan is ons leven waardevol en goed.

Bij het beschouwen van onze verantwoordelijkheid rijzen nog andere vragen. Wanneer er ergens op de wereld een ramp gebeurt, zijn wij daar dan ook mede voor aansprakelijk? U zult misschien onmiddellijk ontkennen, zeggende, dat wij deze rampen zeker niet willen. Voor u persoonlijk zal dit echter alleen zolang waar zijn, als het volgens uw bewustzijn onmogelijk is enige band tussen uzelf en de ramp – of haar oorzaken – te erkennen. Op het ogenblik echter dat u leert geloven, dat strijdlust en haat in een mens, invloed uitoefenen op de omgeving en zelfs een natuurramp mee kunnen helpen veroorzaken, bent u verplicht alle haat in uzelf te bedwingen en in plaats van de negatieve reacties binnen het Ik mensenliefde aan te kweken. Doet u dit niet naar uw beste vermogen, dan bent u inderdaad mede verantwoordelijk voor rampen, zelfs indien deze aan de andere kant van de wereld plaats vinden. Gevoelt men, dat men door eigen onbeheerstheid, haat enz. een ramp heeft helpen veroorzaken, dan zal men alles moeten doen om dit gevoel van schuld uit te wissen en het Ik te bevrijden van de smetten van negatief bewustzijn, die men in eigen wezen heeft doen ontstaan of heeft toegelaten.

Mensen leggen het begrip verantwoordelijkheid soms wel wat vreemd uit. Hiervan vinden wij ook in Nederland een voorbeeld: De – ondertussen in onze sferen goed aangekomen – prinses Wilhelmina gaf als innige wens te kennen, dat er om harentwille geen rouw zou zijn, geen onoprechte, geen afgedwongen, oneerlijke rouw. Ik zou zo zeggen, dat zij daardoor blijk gaf van haar begrip van verantwoordelijkheid. Je mag van een mens geen rouw eisen, wanneer hij liever wil lachen. Alleen wanneer hij in zichzelf treurt over het heengaan van een mens, is de rouw aanvaardbaar. Anders wordt zij al snel tot een dwaas en ergerlijk vertoon. Dit wil zeggen, dat, ook volgens de wil van de overledene, men alle middelen mag gebruiken om de mare van het heengaan en de betekenis daarvan te verbreiden. Maar het betekent tevens, dat men anderen niet verplichten mag treurig te doen en hen niet de middelen mag ontnemen om, zo zij wensen, zich te vermaken en vrolijk te zijn.

Anderen echter hebben een geheel andere opvatting van hun plicht, hun verantwoordelijkheid: een vorstin, die regeerde is overleden. Dus past rouw geheel het volk. Wij dienen er dus voor te zorgen, dat men geen gelegenheid heeft zich te vermaken. Men dient zich te realiseren, hoeveel deze vorstin voor ons volk betekend heeft. Wanneer men daarvoor een avond of een dag bestemt, kan ik dit nog aanvaarden. Maar zelfs wanneer vorsten sterven, gaat het leven verder. Degenen, die in zichzelf rouw gevoelen, zullen ongetwijfeld alle vermaak mijden en stellen: dit past mij nu niet. Degenen, die toch vermaak wensen, rouwen niet oprecht. Het is dus beter hen de gelegenheid te geven dit vermaak te vinden. Anders ontstaat er ergernis en een zekere weerzin, die op de overgegane terugslaat.

Maar dan acht iemand het noodzakelijk, dat openlijk alles rouwt en dwingt dit af. Dit is, zo meent hij, zijn verantwoordelijkheid. De dwaas. Gelukkig, dat de werkelijk rouwdragenden een beter inzicht hadden in de wensen van de overledene en de verantwoordelijkheid van de overheid t.a.v. de rouw van het volk. Wij hadden hier in enkele gevallen zelfs opvallend te maken met een poging, een volk een rouw op te dringen, “omdat het zo hóórt”. Dit is een maskerade, een toneelstuk met massabezetting. Het is een pogen, een openlijke leugen te scheppen.
Let wel: zover ik het denken van de Nederlanders kan overzien, is er, naast enige ergernis over ongemak enz., wel degelijk sprake van rouw, van een weemoedig gedenken van zij, die heenging. Maar dit is een persoonlijke zaak. Dit verdraagt geen reclame en dwang.

Wanneer men een ziel wil eren, die heenging, zo is dit een persoonlijke zaak. Niemand mag een mens daarin hinderen. Maar niemand heeft ook het recht anderen, tegen hun innerlijk en wil, te dwingen eer te bewijzen. Geloof mij. Dat zij, die een geheel volk lange tijd in rouw gedompeld hadden willen zien, om zo de grootheid van de heengegane vorstin te bewijzen, gefrustreerd werden, is goed. Want slechts in een oprecht rouwen van het volk, zonder enige noodzaak, drang of overreding, kan de grootheid van uw heengegane vorstin werkelijk tot uiting komen. Hoe groter de uitgeoefende pressie, hoe sterker de poging kunstmatige uitingen van rouw te veroorzaken, hoe meer de werkelijke rouw wordt gedood. Hoe kleiner ook de kracht van de goede gedachten, die naar een dergelijke geest uitgaan. Helaas overweegt men dit zelden of nooit. Wij, met onze verantwoordelijkheid, menen, dat het om uiterlijkheden gaat.

Misschien dat het volgende beeld de bestaande misvattingen nog het beste weergeeft: de straten moeten schoon zijn, opdat een ieder ziet, hoe zindelijk wij wel zijn. Wanneer achter de aardige geveltjes zich dan krotten verbergen, is dit betreurenswaardig, maar aanvaardbaar. Want het aanzien is gered. En als bovendien onze eigen mening zegeviert, kan een ieder, zo meent men, tevreden zijn ondanks de “kleine” foutjes.

Ik zal nu als besluit nogmaals een samenvatting geven van de dingen waarvoor wij, gezien de kosmische wetten, verantwoordelijk zijn.

  1. Wij zijn aansprakelijk voor de vervulling van onze eigen taak in de schepping. Deze taak dragen wij in onszelf. Zij is deel van ons wezen en wordt in ons altijd weer aangevoeld en erkend. Wie in zich een taak aanvoelt, maar weigert deze te volvoeren, onttrekt zich aan zijn verantwoordelijkheid en zal de gevolgen daarvan ondervinden.
  1. In ons leven zijn ons bepaalde stoffelijke en geestelijke gaven toegedeeld. Wij weten of voelen aan, dat deze in ons bestaan. Dan zijn wij verplicht hieraan zo juist en goed mogelijk uiting te geven. Wie om enigerlei reden zijn gaven of een bepaalde gave niet gebruikt, is daarmede te kort geschoten in zijn taak en verantwoordelijkheid aan God en de wereld.
  2. Wie in zich krachten of kennis bezit, waarmede hij anderen ten goede kan helpen en deze kennis of krachten voor zich behoudt, schiet te kort. Wij zijn aansprakelijk voor het gebruik van alle gaven, kennis en kracht, die ons ter beschikking staan ten bate van allen, die een behoefte daaraan kenbaar maken.
  1. Onze verantwoordelijkheid tegenover de wereld, God en onszelf is het bewaren en scheppen van vrijheid. Dit betekent dat men verplicht is de vrijheid van elk individu te erkennen en elk beroep van anderen om in eigen streven hulp van ons te ontvangen, eveneens zullen moeten beantwoorden, zolang ons eigen wezen daardoor niet in zijn werkelijke waarden wordt aangetast.
  1. Onze werkelijke verantwoordelijkheid zal ons soms vreemd toeschijnen; wij kennen verschillende graden van bewustzijn, behoren tot verschillende ontwikkelingscycli, ressorteren onder verschillende krachten van Licht, terwijl verschillende grondtrillingen onze band met de oneindigheid vormen. Toch behoren wij ergens tezamen. Daarom zijn wij, ook tegenover anderen, verantwoordelijk voor de kracht, die in ons leeft en het Licht, dat in ons woont. Wij zullen dit moeten uitdrukken in onze wereld.
  1. Verder is harmonie een belangrijk deel van onze bewustwording en deel van ons werkelijk bestaan. Daarom zullen wij alle harmonie moeten erkennen, waar zij maar kan bestaan en daaraan uiting moeten geven, zo goed wij kunnen. Dit betekent, dat wij alle samenwerking, alle samengaan zullen moeten aanvaarden en bevorderen, waar deze maar op een voor het innerlijk aanvaardbare manier tot stand gebracht kunnen worden.
  1. Verder zullen wij steeds het goede in ons moeten schenken aan de wereld, zonder ooit ons begrip van goed gelijktijdig als maatstaf te nemen voor onze beoordeling van en houding tegenover de wereld.

Overweeg deze punten. Zij kunnen van grote betekenis zijn en zullen u helpen uw standpunt te bepalen in godsdienst, politiek en persoonlijk leven. Want hierin zijn bevat alle gegevens, die u nodig hebt om in sociale verhoudingen, bij de opvoeding van uw kinderen, de benadering van uw naasten, juist te handelen volgens uw eigen aansprakelijkheid en bewustzijn. Ik spreek hier uit ervaring, want ik weet, dat deze regels tevens beslissend zijn voor alles, wat de geest aan goeds tot stand kan brengen op uw wereld. Ik weet, dat het de samenwerking, de harmonie, de eenheid van leven en denken is – bestaande tussen ons allen – waaruit alleen op een verantwoorde wijze de goddelijke werkelijkheid reeds nu kan worden gerealiseerd.

Vragen

  • Wanneer een kind zijn plichten niet wil vervullen, terwijl de ouders het als hun  verantwoordelijkheid beschouwen, dat het zijn plichten wel vervult, kan men dit kind dan  hiervan overtuigen. Moet men het vrijlaten?

Wanneer het kind jonger is dan 12 tot 14 jaar, mogen de ouders het dwingen zijn plichten te vervullen. Wel dient na te worden gegaan, of het kind over de mogelijkheden en middelen beschikt om zijn plichten op aanvaardbare wijze te vervullen. Is dit niet het geval, dan dienen deze plichten te worden herzien. Tevens moeten de ouders er zorg voor dragen, dat het kind de betekenis van zijn plicht beseft en deze zoveel mogelijk aanpassen aan de eigen neigingen van het kind.
Bij kinderen van 14 jaar of ouder lijkt het mij beter allereerst na te gaan, wat het kind dan eigenlijk wél wil doen. Stel het kind daarbij voor het feit, dat het zijn levensonderhoud ook moet verdienen, zelfs indien het dit alleen doet door bv. te leren. Leer alle kinderen zo vroeg mogelijk, dat zij niets van de ouders mogen eisen, zonder daarvoor ook een tegenprestatie te leveren. Laat oudere kinderen zoveel mogelijk de kans zelf de richting van arbeid en onderricht te bepalen, maar leg hen daarbij de verplichting op, lessen of arbeid tenminste een jaar lang dan ook vol te houden. Dus wel vrijheid, maar niet de kinderen vrijlaten zonder enige grens. Men bedenke hierbij, dat de ouders het niet noodzakelijkerwijze met de keuze van hun kinderen eens hoeven te zijn; toch zullen zij de oudere kinderen, na een belichting van het ouderlijk standpunt en de mogelijke bezwaren, een vrijheid van keuze moeten geven.

Ten laatste, ik wil opmerken dat vele jongere kinderen gevoeliger blijken voor argumenten, die op het zitvlak worden toegediend, mits deze niet in woede, maar met kalm overleg gegeven worden. Wees niet te bang het kind hierdoor een trauma te bezorgen, waar het zieltje later onder lijdt. Rechtvaardige straffen, mits niet een vernedering tegenover anderen inhoudende, kunnen alle kinderen best verdragen.

  • Zou men niet meer de nadruk dienen te leggen op goede manieren?

Goede manieren, die niet uit innerlijke beschaving, maar uit aanleren voortkwamen, hebben in het verleden gevoelloosheid, zelfzucht en wreedheid aangemoedigd. Zie daarom goede manieren niet als iets, wat noodzakelijk is om een kind beter te leren leven. Wel dient men kinderen zo snel mogelijk achting, respect en begrip voor anderen bij brengen. Desnoods op gevoelige wijze moet men kinderen er op wijzen, dat zij de rechten van anderen in geen geval dienen aan te tasten. Dit is nuttig en komt ook de maatschappij ten goede, maar is toch wel heel iets anders dan gemeenlijk onder goede manieren wordt verstaan. Hieraan wil ik nog toevoegen, dat men kinderen niet al te zacht dient aan te pakken, zij zijn zelf ook hard. Leer hen, dat zij op niemand mogen parasiteren. Straf hen, wanneer zij dit toch doen. Maar draag er zorg voor, dat zij in alle straf, uw liefde en zorg voor hen kunnen bemerken.

  • Gezien al wat er in de jonge Afrikaanse staten gebeurt, vraag ik mij af, of wij  deze dienen te blijven steunen.

Politiek gezien is dit waarschijnlijk onvermijdelijk. Deze staten plegen namelijk afpersing op oostelijk en westelijk blok gelijktijdig, door te stellen dat zij, bij geen gehoor, zich bij de tegenpartij aan zullen sluiten. Ik vind echter iemand, die aan afpersers toegeeft, een lafaard, die het voor zich slechts erger, nooit beter kan maken. M.i. dient men deze jonge staten alle hulp te verlenen, zodra zij zoeken naar methoden, waarmede zij door eigen werk en grotendeels met eigen middelen een verbetering voor staat en volk tot stand kunnen brengen. Ik acht het echter foutief voortdurend schenkingen te doen, die in de consumptieve sfeer liggen, zelfs indien dit een deel van eigen overproductie is. Want alles, wat men voor niets kan krijgen, zal men niet willen kopen of zelf willen maken.
Ten laatste meen ik dat een van de grootste fouten, die in dit opzicht gemaakt worden, het als gelijkwaardig op internationaal niveau erkennen van deze staten, voor zij een bewijs van hun gelijkwaardigheid hebben geleverd. Zij menen daardoor meer te zijn, dan zij zijn, en eisen meer, dan zij anders ooit hadden durven eisen. Beperking van hulp aan deze gebieden tot deskundige hulp bij constructie en eventueel een lening op niet al te lange termijn, is m.i. dan ook het beste.

  • Gezien het afzetgebied, dat men denkt te vinden in deze gebieden voor eigen  productie, zal dit wel niet zo gemakkelijk zijn.

Dit is helaas waar. Men heeft klaarblijkelijk op aarde ook in dit opzicht een vreemde voorstelling van eigen aansprakelijkheid. Men meent, dat men van alle verantwoordelijkheid af is, wanneer men maar meer produceert. Iemand, die zich van zijn verantwoordelijkheid bewust is, zal echter steeds trachten genoeg te produceren, maar zich hoeden voor een teveel. Dit is beter dan afzet onder productiekosten enz. De kern van dergelijke denkfouten komt voort uit een denken in termen van de gemeenschap met misachting van het individu. Zo ziet men de werkelijke betekenis van welvaart niet in. Welvaart is iets, wat een ieder voor zich kan verwerven, tot op zekere hoogte. Wij allen zijn er voor verantwoordelijk, dat een mens een zekere welvaart bereiken kan door eigen kennis, arbeid en streven. Maar welvaart zonder dit, welvaart voor allen, is een illusie, die niet onbeperkt gehandhaafd kan worden. Men dient te beseffen, dat welvaart nooit werkelijkheid kan zijn, wanneer men meer produceert dan noodzakelijk is, om ieder een goed loon te verschaffen, wanneer het overschot van de productie daarna vernietigd moet worden, of met groot verlies verkocht ten laste van de gemeenschap. Dus: desnoods liever een tijdlang diepvrieskippen voor een kwartje, met alle gevolgen van dien voor de producenten, dan een rijkssubsidie, om het overschot uit de markt te nemen en zo de prijs op 2 gulden  te houden.

  • Kinderbijslag dient er toe, kinderen minder te doen lijden onder de geldelijke  noden van hun ouders. Hoe zouden ouders dan het recht hebben deze te weigeren?  Integendeel, de gemeenschap dient de wijze, waarop de bijslag wordt gebruikt voor te  schrijven.

U begeeft zich hier op een zeer gevaarlijk pad. Wanneer u zou beginnen de gemeenschap er voor verantwoordelijk te stellen, hoe kinderbijslag besteed zal worden, zal de gemeenschap daarbij niet stil blijven staan. Met even goede bedoelingen zal men op de duur er op toe gaan zien, dat een ieder goed eet en daartoe een ieder zijn maaltijden voor zal schrijven. Daartoe is het dan weer noodzakelijk er op toe te zien, dat men de juiste bestellingen doet bij de juiste winkeliers etc. Tenzij de gemeenschap zich alle gezag, ook in het gezin, wil aanmatigen, zal zij geen toezicht kunnen uitoefenen op de wijze, waarop de ouders van kinderen de hen ten behoeve van deze kinderen toegewezen gelden besteden. De ouders zullen immers ook eigen gelden voor de kinderen gebruiken en kunnen niet zonder enig recht stellen, dat zij van de kinderbijslag alleen de gelden terug nemen, die zij reeds voor de kinderen hebben besteed.

Volgens mij zal alle hulp, die direct voor het kind bestemd is, niet via, maar buiten het gezin om, verleend moeten worden. Het lijkt mij dan ook vanuit het standpunt van ouders verantwoord, wanneer zij de kinderbijslag weigeren te aanvaarden. Zij voorkomen daarmede o.a. dat deze kinderen eisen gaan stellen onder het motto: u krijgt toch geld voor ons? Wie zijn kinderen bewust en in liefde ter wereld brengt, zal zijn kinderen ook naar beste vermogen opvoeden. Het bedrag van de kinderbijslag zal in dit geval geen enkel verschil uitmaken. Voor het kind lijkt het mij gezonder de beperkingen en desnoods zelfs de armoede van het gezin te delen, dan eens per drie maanden in de schijnoverdaad van de kinderbijslag te leven. Overigens merken de kinderen daarvan meestal niet zoveel, waar het bedrag aan andere bestedingen – vaak luxe voor de ouders – wordt uitgegeven. Voor de ouders is het bestaan van een dergelijke regeling slechts een aanmoediging, om dan maar meer kinderen te nemen. De eerste jaren houd je er immers wel iets aan over… En dit geldt juist voor de gezinnen, waarvoor deze steun het meest noodzakelijk wordt geacht.

Ik meen, dat elke mens aansprakelijk gesteld dient te worden voor zijn nageslacht. Wanneer de ouders deze zorg niet kunnen of willen aanvaarden, lijkt het mij voor het kind beter, dat het buiten het gezin wordt opgevoed. De ouders, zouden in de kosten dienen bij te dragen door afgifte van een deel van hun inkomen aan het onderhoud van de kinderen bij te dragen. Dit zou tevens de dringende overbevolking enigszins afremmen.

Laat de mensen vooral hun eigen zorgen dragen. Help hen alleen dan, wanneer zij zich zelf werkelijk niet kunnen redden. Men bouwt geen gezonde mensheid door voor iedereen zoveel mogelijk elke oneffenheid op het levenspad uit de weg te ruimen. Ten laatste wil ik nog opmerken, dat vele schijnbaar zeer goede sociale maatregelen niet ten goede komen aan hen, voor wie zij eigenlijk noodzakelijk zijn.

Wanneer wij, vrienden, spreken over onze verantwoordelijkheid, mogen wij niet dromen. Onze eerste taak is dan toch wel de feiten reëel onder ogen te zien. Het erkennen van de werkelijkheid doet al snel zien, dat zowel de materiële mogelijkheden als de geestelijke veerkracht van een volk sterk geschaad worden door het scheppen van een steeds grotere zekerheid, wanneer deze gepaard gaat met een steeds grotere gebondenheid. Zekerheid zonder gebondenheid is niet te verwezenlijken, zodat de waarde en mogelijkheden van het menselijke Ik bij een toenemende zekerheid steeds sterker in het gedrang komen. De opmerkingen, die ik hier maakte voor de wereld en materiële ontwikkelingen gelden eveneens voor geestelijke waarden. Wanneer een mens geestelijke hulp nodig heeft, weten wij in de sferen, dat wij verplicht zijn deze te geven. Wanneer de mens echter op onze geestelijke kracht zou gaan parasiteren, om zo gemakkelijker te leven, is het onze plicht alle verdere geestelijke hulp te weigeren. Velen onder u beseffen dit niet.

De mens, die werkelijk eerlijk en oprecht streeft, daarbij niet parasiterend op anderen, maar voor zichzelf werkend, zoekend en strevend, zal alle bijstand uit de sferen ontvangen. Wie echter meent, dat hij het met de geestelijke wijsheid en krachten van de geest of anderen ook wel zonder eigen streven en werken kan doen, zal ontdekken, dat hij op de duur geen steun, hulp, of leiding meer verwerft. Dit is een uitvloeisel van kosmische wetten en is niet te wijten aan hardvochtigheid onzerzijds, maar aan de werkelijke naastenliefde, die niet voor zich naar bevrediging zoekt, maar zijn werkelijke verantwoordelijkheid tegenover de naasten erkennend, deze steeds alleen zover helpt, dat zij zelf weer verder kunnen gaan. Verdere hulp wordt niet gegeven, opdat aan geen mens de verdienste van eigen streven en bereiken ontnomen zal worden door onze behoefte, om goed voor anderen te zijn.

  • Is verantwoordelijkheid ook niet gebonden het bewustzijn?

Een hoger bewustzijn wil zeggen, dat men meer overziet en dus aansprakelijk kan zijn voor grotere reeksen van gebeurtenissen en ontwikkelingen, dan een mens met een lager bewustzijn. Door het grotere en juistere inzicht zal men verder aansprakelijkheid kennen in vele dingen, die een ander niet eens beseft. De aansprakelijkheid bv. van een Lichtende geest t.o.v. de mens is veel groter, dan men meestal denkt. Men beseft, dat men geen rechten op medemensen uit mag oefenen. Men beseft, dat men een ander moet helpen om op zijn eigen wijze a.h.w. zalig te worden. Men weet, dat men verplicht is elke hulp en steun te geven opdat de ander voor zich de juiste bewustwording kan en zal bereiken. Dit geldt zelfs, indien wij iemand moeten helpen in een richting, die wij voor ons zelf minder aanvaardbaar of prettig vinden. In andere gevallen zal het verder reikend inzicht betekenen, dat wij iemand moeten overlaten aan pijnen en zorgen, terwijl wij veel liever deze hadden weggenomen. In ons is de hoogste kracht. Wij werken daaruit, maar weten, dat wij eerst, wanneer wij ook het hoogste bewustzijn bereikt hebben, ook geheel juist zullen kunnen handelen.

image_pdf