Wijsheid en verstand

1962

Allereerst de vraag: Wat moeten wij verstaan onder verstand?

Naar ik meen mag verstand als volgt worden omschreven: Het vermogen om feiten in je op te nemen, te herinneren en deze zodanig met elkaar in verband te brengen, dat conclusies kunnen worden getrokken t.o.v nieuwe feiten en omstandigheden. Dat is dus het hele verstandelijke denken. Wijsheid te definiëren is wat moeilijker. Je zou kunnen zeggen, dat waar het verstand de buitenkant omschrijft, de wijsheid de binnenkant beziet. Eenvoudig gezegd: het verstand zegt: “Deze appel ziet er mooi gaaf uit”; de wijsheid zegt: Er deugt ergens iets niet aan; ze kan van binnen verrot zijn.” Dit is een heel oppervlakkige vergelijking, dat weet ik wel. Maar laten we hiervan eens uitgaan. Verstand wordt n.l. in de maatschappij heel erg gewaardeerd. “Niets mooiers,” zegt men, “dan verstandig te zijn.” Dat wil men dan zelf graag uitdrukken in een intelligentiequotiënt, en als je zo tegen de 150 hebt, ben je dus wel een soort supermens. Maar het verstand heeft een grote fout. Het verstand n.l. ‑ en alles wat uit het verstand voortvloeit ‑ is niet gebaseerd op de feiten. Dat denkt de mens wel, maar dat is niet waar. Zijn verstandelijke overwegingen zijn gebaseerd op de stellingen, die hij gebruikt om de samenhangen te verklaren, zo ook het systeem, dat hij bezit om afleidingen te maken uit vroegere ervaringen t.o.v. nu bestaande condities. Hier zit ergens een addertje onder het gras, dat zult u begrijpen.

Een voorbeeld van zuiver verstandelijk denken kan dus voeren tot die bekende paradoxen; bv. de kwestie van het paard en de schildpad in hun wedren. Een klassiek voorbeeld, waarbij dus wordt gesteld, dat ‑ aangezien het paard twee keer zo hard loopt als de schildpad, maar de schildpad zoveel meter voor heeft ‑ het paard nooit in staat zal zijn het dier in te halen. Dit is verstandelijk juist indien wij tenminste aannemen dat de gestelde condities feitelijk van toepassing zijn zowel op de schildpad als op het paard. Maar wat blijkt nu? Als we dit verder bezien, zeggen we: Maar een paard houdt zich daar niet aan. Het heeft een constante snelheid En omdat die snelheid constant is en dus niet vermindert evenredig met de afstand, zal het paard waarschijnlijk al na drie sprongen de schildpad voorbij zijn.

Nu zult u zeggen: “Is dit dan geen verstandelijk overleg?” Tot op zekere hoogte wel. Je moet n.l. je verstand gebruiken om die oplossing te vinden. Maar het besef, dat de theoretische waarden en de feitelijke omstandigheden verschillen, dat is nu een begin van wijsheid. De wijze zal dan ook niet, zoals de verstandsmens doet, proberen alles uiteen te rafelen. Een verstandsmens zal trachten zoveel mogelijk elk feit van het andere te scheiden, elk met zijn eigen afleidingen; om dan in een overzicht een conclusie te trekken deze feiten in aanmerking neemt. De wijze zegt: “Neen, waarom zou ik? Het is voor mij niet nodig om allerhande ingewikkelde betogen op te zetten, ik spreek bv. in een gelijkenis. En het is dan ook logisch, dat alle grote wijzen die de aarde heeft ge­kend en ook de grote meesters (of we nu naar Jezus, Socrates, Plato, of we de latere filosofen en de sociaal‑filosofen zien) elk van hen heeft getracht op zijn manier door middel van gelijkenissen zijn waarheid tot uitdrukking te brengen, waarom? Omdat de verstandelijke redenering steeds tekort schiet en een overzicht van zovele feiten zou vergen, dat practisch niemand verstandelijk tot de juiste conclusie kan komen.

Houden we ons alleen bezig met de eenvoudige en zuiver stoffelijke feiten, dan moeten we onmiddellijk toegeven, dat het menselijk verstand het nog niet zo slecht doet. Maar, zodra we worden geconfronteerd met hogere waarden of met problemen, waarin verstandelijke factoren en overwegingen eigenlijk tegenstrijdig zijn, dan hebben we werkelijk behoefte aan wijsheid. Laten we een recent voorbeeld nemen: We hebben te maken met de kwestie Nieuw‑Guinea. Nu is de vraag deze: Nederlands Nieuw Guinea is op het ogenblik in een fase van overgang. Het moet worden overgedragen. Nederland kan in geen geval tot het einde der behouden. Het is verstandig in te zien, dat het niet anders kan.

In de tweede plaats is er het feit: Indonesië begeert Nieuw‑Guinea. Het waarom behoeft ons niet te interesseren het feit bestaat, dat Indonesië dit begeert.

Punt 3 is, dat wij verplichtingen menen te hebben tegenover de Papoea (als we in Nederland zijn ‑ tenminste en een goed Nederlander) en eigenlijk dit gebied niet zonder meer kunnen afstaan. Want de Papoea’s zouden daar komen. Dat zegt het verstand, door weer direct in een koloniale verhouding te komen De vraag is nu; Hoe moet ik dit probleem oplossen? Wanneer ik n.l. “neen” blijf zeggen, dan ontstaan er een oorlog. Die oorlog kost veel offers. Die offers zullen tenslotte nutteloos zijn, want niemand gelooft dat Nederland in staat is met een zo lange aanvoerweg een oorlogje te voeren tegen Indonesië, dat gaat niet. Het is verstandelijk gezien onmogelijk. Dus zegt het verstand, dan moeten wij maar toegeven. Dan moeten we maar zeggen: Nu ja, als de eer maar een klein beetje gered is, dan zullen wij Nw. Guinea maar aan Indonesië geven.” Dat is verstandelijk. Daarbij blijven echter verschillende waarden buiten beschouwing. In de eerste plaats willen de Nederlanders werkelijk ‑ zoals zij zeggen – leven in een vrije democratische wereld? Wanneer in een vrije, democratische wereld wil leven, dan kan ik geen onrecht, hoe klein ook toestaan. Dan moet ik een offer riskeren, zelfs als ik weet dat dit in eerste instantie nutteloos is. Want als ik uit gemakzucht steeds voor dreiging zou terugdeinzen, dan zou ik mijzelf verloochenen en daardoor mijn eigen vrijheid steeds meer verliezen. Dus door een ander niet te verdedigen, omdat mij dit offers kost, verlies ik ten slotte mijn eigen vrijheid.

De wijze moet daarom zijn vraag anders formuleren. De wijze vraagt niet; “Is het de moeite om te verdedigen of niet maar is het onze plicht?” Hij zeg alleen dit; “Zijn er voldoende die de vrijheid zo liefhebben, dat zij haar met geheel hun wezen willen verdedigen?” Punt. En dan moet je een eerlijk antwoord geven.

De wijze heeft het gebracht tot het essentiële. Het gaat er niet om, wat de verhoudingen zijn; deze kunnen wij verstandelijk uitrekenen. We kunnen zeggen: het is een zinkput waar Nederland zoveel geld in moet gooien. We kunnen zeggen: Die Papoea’s zijn in geen duizend jaren rijp voor zelfbestuur. Het doet alles niets terzake. Dit is de vraag niet, De vraag is voor iemand, die verder kijkt, die de kern van de zaak proeft, bereid om de vrijheid te verdedigen, of zoekt men alleen zijn eigen voordeel, zijn eigen gemak? En ik moet hieraan tot mijn spijt onmiddellijk toevoegen dat klaarblijkelijk in Nederland mensen zo wijs, zijn dat zijn essentiële punt naar voren brachten. Al het gepraat hierover komt neer op één punt, een vraag. De wijze ziet welke die vraag is.

Denk niet, dat een wijze iemand is, die de oplossing vindt voor alle problemen. Neen. Maar hij staat voor een Gordiaanse knoop van allerhande invloeden. De verstandsmens probeert alle wikkelingen na te gaan. De wijze neemt het zwaard van zijn begrip en splijt haar. Hij zegt: Zo, nu heb ik hier een helft en daar een helft; nu kunnen we de verhoudingen bepalen. Dit wil dus zeggen, dat wijsheid in zekere zin een wapen is, dat je tegen de wereld gebruikt. Je gebruikt die wijsheid om je medemensen te leren begrijpen. En dan ga je weer op het essentiële af. Als u bij mij komt met bv. een vraag in de kwestie van moraal of zede en ik moet daarover verstandelijke overwegingen geven, dan kom ik terecht op de maatschappij, de godsdienstige achtergronden, de noodzaak van samenhangen, de aanvaarding of verwerping van zo iets door het milieu. Als wijsgeer kom ik echter voor een veel eenvoudiger vraag te staan: Kan ikzelf daarmee in vrede leven of niet? Dat is de enige vraag. Geen enkele andere vraag heeft betekenis.

Het is natuurlijk prettig, dat wij die wijsheid op het aardse kunnen toepassen. Maar gezien het feit, dat de mens niet alleen een verstands- maar ook een gevoelswezen is, dat hij verder niet alleen stof maar ook geest is, zal een groot deel van zijn denken zich richten op bv. het voortbestaan, het contact met God, de eeuwige waarheid, de kosmische wet. De verstandsmens komt daar nooit uit. Want God is zo ontzettend ingewikkeld. Hij moet een systeem opbouwen en dan dat systeem onderverdelen in 3 trappen of in 69. Hij kan het ook doen in 144; hij kan zelfs elke indeling aanvaarden die hij wil, maar hij kan de overeenstemming (het enig belangrijke, waardoor hij zich kan aanpassen in de kosmos, dus die kosmos kan beleven) niet stipuleren. Want dit ontsnapt aan de verstandelijke overweging. Wanneer ik sta voor een esoterisch systeem, dan heb ik nergens een werkelijke maatstaf. Maar ook nergens, noch in de Bijbel noch in enige oude inwijding. Ik kan verstandelijk alles voor u berekenen, zeggend: Dit is logisch, dit is aanvaardbaar. Maar ergens is het belangrijkste punt niet: is die stelling aanvaardbaar; maar is ze leefbaar. “De waarheid tussen de mens en zijn God (dit heeft een bekend wijsgeer gezegd) is gelegen in zijn vermogen om zijn God te aanvaar­den, zoals hij Hem ziet.” En dat was nu weer het essentiële punt.

Ik kan God opbouwen, ik kan God verklaren aan de hand van de schepping en alle dingen, die er zijn. Maar zolang ik die God niet volledig kan aanvaarden in elke omschrijving die ik van Hem geef, in elke eigenschap die ik Hem toeken, heeft die God voor mij geen betekenis. Hij is eigenlijk niets waard. Langs deze weg kan ik niet tot God gaan. De wijze zoekt dan ook altijd het essentiële, zoals ik reeds zei. Het essentiële wordt soms uitgedrukt op een zeer eigenaardige manier. Er was eens iemand, die zei: “Ja, we moeten eens een studie maken van onze maatschappij en dan toch eens nagaan, waarom de mensen na zoveel tijd nog zo oneerlijk zijn; en waarom ze nog zo dringen en elkaar opzij schuiven.” Dit is trouwens een feit en het gebeurde in Milwaukee. Daar werd een studie ondernomen, die vijf jaar heeft geduurd. Na die vijf jaar kwamen ze tot de conclusie dat de mens is, zoals hij is, omdat hij is, zoals hij is.

Hetzelfde probleem werd een keer voorgelegd ‑ ik meen in de buurt van Lahore ‑ aan een Indisch wijsgeer, een wijze. De goede man wist niets van al die maatschappelijke verhoudingen en invloeden af. Hij had waarschijnlijk nog nooit gehoord van Lombroso en van erfelijkheid. Maar toen ze hem vroegen: “Waarom is de mens hebzuchtig? Waarom drinkt hij zo, vecht hij met anderen?” had hij maar een antwoord; “Waarom stormt het varken naar de trog zodra hij denkt, dat ze gevuld is? Nu denkt u natuurlijk: omdat de mensen varkens zijn. Neen. Omdat dit zijn geaardheid is. Er is niet verder over te debatteren; een mens is een mens. Op het ogenblik dat hij die eigenschappen verliest, is hij geen mens meer; dan is hij wat anders. Ik hoop, dat u nu langzamerhand begint te begrijpen waarom het gaat.

Wij hebben een zeker verstand nodig. Wij moeten de feiten zien, we moeten kunnen onthouden, we moeten in staat zijn om ze in ons op te nemen. Maar dat betekent nog niet, dat we nu ook genoopt zijn om volgens het schema van het hersendenken zonder meer alles naar buiten te brengen. Neen, we moeten de gekende feiten in onszelf ondergaan. We moeten dat hele mechanisme automatisch zijn werk laten verrichten en geleid door ons gevoel, onze innerlijke waarde, komen tot een uitdrukking, die dan getoetst moet worden aan de feiten. Dat is wijsheid.

Wijsheid is een vereenvoudigd begrip van de waarden van het leven of van de geest, dat in elke toepassing juist blijkt. Dan is verstandelijk denken: een beredenering van omstandigheden, mogelijkheden en toestanden, die volledig aan de wetten der redelijkheid en de kennis der mensheid beantwoordt zonder dat het noodzakelijk is deze direct op haar werkelijke betekenis te toetsen. Dat is het verschil. Verstandelijk te denken in een klein milieu over kleine dingen is heel eenvoudig. Een overzicht te krijgen over bv. de dagelijkse omstandigheden is niet zo moeilijk. Maar zodra ik daarin andere factoren en waarden wil betrekken, word ik gedwongen om zoveel verschillende feiten saam te voegen, dat ik toch al moet gaan vereenvoudigen. Alle tijd, die ik besteed, alle moeite en de mogelijkheid dat ik toch steeds een uitkomst vind, die niet bewijsbaar is, pleiten tegen het alleen gebruiken van het verstand. Hier moet de wijsheid ‑ laat ons zeggen: het bezonken erkennen plus zijn uiting ‑ naar voren komen. Wanneer ik zeg: “ja, ik weet het wel, ik voel dat het zo is,” dan heb ik daarmee een regel gesteld. Een eenvoudige regel, die ik onmiddellijk kan toetsen.

De grote denkers van China bv. hadden ook van die eigenaardige ge­woonten. We hebben heel wat voorbeelden ‑ zelfs in geschriften ‑ waarbij een leerling met zijn meester debatteert. Hij zegt dan bv.: “Waarom gaat mijn ziel tot God?” “Ja,” zegt de wijze, “waarom stroomt het water naar de zee?” Met andere woorden: het is een natuurwet. Vermoei je niet met het “waarom”, aan­vaard het maar eerst. “Ja, maar hoe kan ik geestelijk wijzer worden, hoe kan ik in mijzelf door­dringen, als ik zo weinig weet?” Het antwoord van de wijze: “In elk zaad schuilt een boom.” Met andere woorden: laat het weinige weten, dat je in je hebt, zich volledig in jou ontplooien. Laat dat a.h.w. in je persoonlijkheid wortelen. Dan behoef je niet veel te weten, dan zul je daaruit toch dat begrip, die wijsheid en al, wat noodzakelijk is, bereiken.

Een typisch verhaal ook, waarin verstand en wijsheid wel heel scherp tegenover elkaar komen te staan, stamt uit de tocht van Alexander de Grote, die zoals u weet met z’n legers een tijdlang in de vruchtbare valleien van Zuid‑India heeft gelegen. Hij ontmoette in één van die steden een Brahmaan (een wijze) en vond het aardig om deze met zijn geschiedschrijver, die als filosoof nogal beroemd was en ook een goede redetwister, eens laten praten. Toen zei hij tegen de Griek: “Bewijs jij nu eens, dat deze man met al zijn voorstellingen, zijn manier van leven en zijn mening van eigen verhevenheid, een dwaas is.” De wijze kreeg toen opgesomd, waar de fouten lagen, waarom de Indiërs hadden verloren en waarom deze man met al zijn Brahmaan‑zijn in feite toch maar een doodgewone nederige slaaf van de grote veroveraar was. Daarmede had de Griek alles verteld en zei tegen de Brahmaan: “Wat heeft u daar tegen in te brengen?”

De Brahmaan zei slechts een ding: “Indien het nodig is voor jezelf te bewijzen dat je de meerdere bent, twijfel je aan jezelf. Ik twijfel niet.” Met andere woorden: Mens, als je je zo druk maakt over het een of ander, dan schiet je hier of daar toch tekort. Je wilt jezelf overtuigen. Maar is het wel mogelijk jezelf van iets te overtuigen? Er ontstaat dan een vervalsing van feiten. Wanneer je iets in jezelf voelt, wanneer het leeft, dan mag de hele wereld anders zijn, maar dan is het voor jou waar en dan kun je daaruit kracht putten.

“Ik ben Brahmaan, ik ben een wijze, ik ben meer dan jullie allen, ik ben een “tweemaal geborene”. Dan kunnen jullie zeggen, dat ik een slaaf ben, maar ik weet, dat ik meer ben. Jullie proberen mij aan te vallen, maar jullie weten het niet.” Weer een typisch verschijnsel, waarbij de wijsheid en het verstand wel direct tegenover elkaar staan. Ik zou hierop natuurlijk kunnen voortborduren, maar ik wil liever proberen aan te tonen waar verstand en wijsheid samengaan; en waar verstand en wijsheid met elkaar in strijd zijn. Wanneer op een gegeven ogenblik een mens een ontdekking doet, welke voor de mensheid gevaarlijk zou kunnen worden, dan heeft hij dus krachtens zijn verstandelijk denken en zijn onderzoek iets bereikt. de dwaas zegt: “Het is gevaarlijk, ik moet het dus verbergen.” De wijze zegt: “Wat ik heb ontdekt, kan een ander ook ontdekken; daarom zal ik het verder ontwikkelen, maar zó, dat het niet meer gevaarlijk is.” De wijze gaat dus rustig voort met zijn verstandelijke arbeid, maar….hij staat niet voor de keuze van de verstandsmens: moet ik de wetenschap volgen omwille van de wetenschap? Of moet ik het wetenschappelijk erkende verbloemen en dus in zekere zin onwaarheid spreken terwille van de mensheid? Die vraag bestaat in feite niet. Ze bestaat alleen voor de verstandsmens.

Wanneer er een atoombom is uitgevonden, dan mag je dit nog zo verborgen houden, maar eens zal iemand diezelfde uitvinding doen. Zorg dus, dat je de afweer tegen die atoombom hebt uitgevonden plus een methode om het atoomgeweld goed te gebruiken. Dan heb je werkelijk wat gepresteerd. Als je de mensen wilt leren, hoe ze moeten denken, dan kun je uitgaan van elk willekeurig systeem en het lukt je om hen te dresseren. Maar als je de mens werkelijk wilt verbeteren, dan moet je beginnen met het essentiële in zijn leven te bezien en te zorgen dat daarin geen spanningen optreden; en zorg dan dat hij voor de restspanning genoeg heeft. Dan kom je er.

U zult zich afvragen: Waar moeten wij nu naar toe, wanneer dus de wijsheid en het verstand tegenover elkaar komen te staan? We hebben ook daarvan vele recente voorbeelden gehad en een van de aardigste is misschien wel de kwestie geweest van de verkiezingen. In Nederland zijn verkiezingen. De wijsheid zegt: Het feit, dat er verschuivingen optreden, die voor Ne­derland groot zijn, duiden aan dat het huidige niet kan blijven voortbe­staan. Het verstand echter zegt: Ja, maar het verschil is zo gering, dat we het op een eenvoudige manier kunnen corrigeren. De wijze zegt: Waar een wantrouwen is gerezen, moet men heel veel moeite doen, voordat men het vertrouwen enigszins heeft gewonnen. De verstandsmens zegt: Als ik propagandistisch handig genoeg ben, dan win ik het wel. De wijze zegt: “Ik kan nooit meer vertrouwen op degenen, die m.i. niet meer vertrouwen.” Beter veel te verliezen maar als eerlijk bekend te zijn, dan oneerlijk te zijn en tijdelijk iets te verwerven, dat ik daarna voorgoed ver­lies. De verstandsmens zegt: Wat ik vandaag heb, dat weet ik; wat ik morgen kan krijgen, dat neem ik; en wat overmorgen komt, zullen we wel zien. (Dat is de manier, waarop Nederland Indonesië is kwijt geraakt.)

Hier heeft u een typische tegenstelling. En datzelfde zullen we ook aantonen op het terrein van de godsdienst, als u het goed vindt. Godsdienst. Verstandelijk kunnen wij natuurlijk zeggen: Ja, er bestaat geen God. Maar ergens moeten wij God toch aannemen. Ik aanvaard dus de stelling: er is een God; dit is Zijn openbaring. Nu gaat het verstand zeggen: Dan moet ik daaraan dus inhoud geven, ik moet deze precies omschrijven. Je bouwt een hele organisatie op en bedenkt daarin allerhande riten. Je zorgt ervoor dat er een canoniek recht ontstaat; dat er theologisch wordt gedebatteerd; dat er dus een soort wetenschap ontstaat. Dan zegt het verstand: Wat heb ik dit goed gedaan! De wijze heeft hierop maar één antwoord: Wat baat het mij, als ik alle dingen heb en de liefde niet? Wat baat het mij, als ik verstandelijk de hele wereld in mijn greep heb ‑ en desnoods door macht ‑ maar ik heb niet ergens de innerlijke aanhankelijkheid, die noodzakelijk is. Als een mens innerlijk Christen is, dan kan er gebeuren wat er wil, hij zal Christen blijven. Maar als de mens uiterlijk Christen is, dan zal hij ofwel in een wanhoopsdaad zijn moed bewijzen door martelaar te worden, dan wel ‑ wat veel waarschijnlijker is ‑ kijken hoe hoog de prijs is, die hij kan krijgen om te veranderen, Die feiten in te zien is moeilijk. Wanneer je zo de godsdienst beziet ‑ en dan spreek ik niet speciaal over de ene of de andere ‑ dan ontdekken wij dat ze alle een zeer logische organisatorische opbouw hebben dat alles. Heel mooi wordt gedefinieerd; dat de argumenten binnen het kader van het aanvaarde alle bijzonder logisch en redelijk zijn. Maar wat we ook ontdekken is, dat ze daardoor van de grote waarheid steeds verder afdwaalt.

De wijze zegt: Beter één woord van God in mijn wezen, waarmee ik kan leven, dan kennis omtrent de gehele schepping, die voor mij toch niet feitelijk is. Dat vergeten ze: de esoterici, de magiërs, de spiritisten.

Een voorbeeld van spiritisten. Hoe ziet het er eigenlijk uit bij u in die andere wereld? Hoe is het om dood te gaan? Hoe kunnen wij het best in contact komen met die andere wereld? Hoe kunnen wij zoveel sferen verdergaan? Hoe kunnen wij dit en hoe kunnen wij dat? Maar de belangrijkste vraag wordt vergeten: Hoe vind ik in mijzelf de harmonie, waardoor ik kan passen in een wereld, waarin de geesten in vele sferen bestaan en ikzelf in mijn eigen wereld? Die harmonie is het enig belangrijke. De wijze spreekt daarom niet al te veel over wat er in die sferen gebeurt. En als hij het doet, dan doet hij het om zijn toehoorders tevreden te stellen. Hij spreekt over het essentiële, de innerlijke vrede, de harmonie, het bewustzijn, dat je in je leven een zekere vrijheid hebt, maar dat je dan ook werkelijk met jezelf tevreden kunt zijn. Ik zou zo door kunnen gaan. In de godsdiensten is vaak zeer veel logica of zeer veel sentiment maar er is maar heel weinig wijsheid. Wijsheid, vrienden, is eenvoud. Wanneer wij verstandelijk willen nagaan, hoe wij tot God kunnen komen, dan mogen we ‑ zoals ik reeds zei ‑ vele systemen opbouwen; dan kunnen we alles stipuleren en definiëren wat we willen, maar wij kunnen deze dingen voor onszelf niet volledig waarmaken. Een wijze zou zeggen: “Waarom zou ik een kaart kopen van Azië, wanneer ik voorlopig in mijn eigen stad moet wandelen? Laat mij maar eerst,” zo zegt hij, “mij bezighouden met mijzelf, met mijn juiste verhouding t.o.v. mijn naaste, de innerlijke juistheid van mijn leven, dat is veel belangrijker.” Hier heb ik dus geprobeerd enkele aspecten te geven van de tegenstellingen, de grote verschillen, die er zijn. Ik wil echter niet eindigen, zonder u een ietwat zwaarder kluifje voor de voeten te hebben geworpen. Ik hoop, dat u daartegen geen bezwaar hebt.

Wanneer ik verstandelijk denk, dan kan ik nagaan dat het dwaas is om aan te nemen, dat de mens het enige levende wezen is in het Al. Nog verder nadenkende is het zelfs dwaas om te menen, dat zijn leven de enige mogelijkheid en de enige verwerkelijking binnen de kosmos is; dat zijn tijd de enige tijd is. Het verstand kan de mens zeggen: Het is zeer waarschijnlijk, dat er rond ons parallelwerelden bestaan; werelden, waarin steeds een klein ietsje is gewijzigd, iets verschilt van andere. Het verstand kan zelfs zeggen: Het moet voor mij mogelijk zijn om ‑ indien die verschillen niet al te groot zijn ‑ van de ene wereld in de andere over te stappen, zelfs zonder dat ik het eigenlijk merk. Dat is alles verstandelijk te beredeneren en ik mag erbij zeggen wiskundig te berekenen. Die stellingen zijn alle heel erg interessant. Maar is mijn leven dan alleen maar iets, dat ik moet bezien als een pion? Menigeen doet dit eigenlijk. Bewust of onbewust beschouwt hij zichzelf als een pion van het Goddelijke ergens op een groot schaakbord de zetten worden voor hem gedaan ‑ hij kiest natuurlijk de juiste instelling en de juiste verhouding maar hij is de afhankelijke. En nimmer zegt hij, wat toch de wijze moet erkennen en zeggen: “Voor mij is het leven, dat, wat ik ben.”

Een dichter heeft eens een keer uitgeroepen. “Mijn God, als ik sterf, sterft Gij met mij!” En hij had groot gelijk. Wanneer u kunt sterven, werkelijk uitgeblust worden, dan wordt met u een Al uitgeblust voor u. Uw particulier heelal, uw weten, uw bewustzijn is weg, er is niets meer. Of dat verder voort bestaat, gaat u immers niet aan. Daar weet u niets van. Wat er gebeurt en hoe het gebeurt, dat kunt u niet bepalen. U kunt alleen bepalen, wat in relatie met uzelf bestaat. Daarom is het niet redelijk u bezig te houden met alle mogelijkheden. Het is ook niet redelijk om u bezig te houden met een plan, dat 70 of 80 jaren omvat, terwijl u de mogelijkheden van die 80 jaren niet kunt overzien. Het is redelijk om steeds nu en zo volledig mogelijk datgene te volbrengen, wat nu noodzakelijk en mogelijk is. De mens, die geestelijk en stoffelijk, steeds blijft bij wat nu kan, wat nu belangrijk is, wat nu kan worden volbracht, die vindt dat hij voortdurend bij de tijd blijft; dat hij voortdurend in het leven de eenvoud ziet, de eenvoudige mogelijkheid van bestaan.

Hier staan we natuurlijk voor een grote hiaat, want verstandelijk gezien is “Planning” noodzakelijk, de wijsheid echter zegt, dat elke “planning” beperkt moet worden tot datgene, wat met redelijke zekerheid kan worden overzien. Met redelijke zekerheid kan echter niets worden overzien, dat meer dan 5 of 6 jaar verder ligt. Er zijn te veel factoren, die men niet in de hand heeft. De verstandelijke redenering stelt dat u, mijne vrienden, op den duur misschien in staat zult zijn naar Venus of naar Mars te reizen of ergens anders naar toe. Gevoelsindrukken zeggen u, dat vandaag of morgen Marsmensen hier onder u zullen landen. Maar zijn deze dingen van belang? Neen. Niets daarvan is werkelijk belangrijk, omdat dit alles een hypothese is, omdat dit alles wel mogelijk is maar niet zeker. Op het ogenblik geldt voor u veel meer: wat kan ik nu doen, wat kan ik nu bereiken? En als daarbij het streven naar een vlucht naar Mars mede is inbegrepen, doe dan vandaag wat het beste is, dat je kunt doen en vraag je niet af, of het morgen kan. Doe vandaag wat je doen kunt. Wanneer het gaat om de gedachtegang van de geestelijke ontwikkeling en bewustwording, houdt u dan niet bezig met wat ge zult doen, wanneer ge een bepaalde eigenschap hebt verkregen. Vraag u af, wat ge nu kunt doen.

Het is een ontzettend moeilijk probleem, dat ben ik met u eens. De moeilijkheid is n.l. dat ge als mens voortdurend uw verstand wilt gebruiken. Gij kunt niet op een gegeven ogenblik de rede loslaten. En aan de andere kant, kunt ge met die rede alleen niet gelukkig en harmonisch leven. Gij hebt iets nodig, dat meer is dan dat. Dan kunt ge uw verstand gebruiken om uitwegen te zoeken voor uzelf.

“Negen tienden van de verstandelijke pogingen van het menselijk ras”, zegt een tamelijk hatelijk wijsgeer, “wordt gericht op het wegverklaren van die feiten, die de mens liever niet ziet.” De man komt er dicht bij. Is het redelijk, dat wij ons voortdurend niet verstandelijke redeneringen blijven bekogelen, terwijl we met dit verstand niet werkelijk in vrede kunnen leven? is het nodig, dat wij voortdurend met onszelf in gesprek zijn over die dingen, die ons in feite niets zeggen? Moet ik mij soms voor mijzelf rechtvaardigen? Het is dwaas. Wijsheid is: te beseffen wat je bent, wat je kunt doen, nu. Wijsheid wil zeggen: ik aanvaard wat is en van daaruit streef ik verder aan de hand van dat, wat ik heden ken. Ik trek geen wissel op de toekomst en ik verklaar niet, dat het toch wel aangenamer en om verschillende reden beter zou. zijn om anders te zijn. Er is voor mij één lijn.

Er kunnen tienduizenden parallelle werelden bestaan. En in elk van die parallelle werelden kunt u misschien iets anders zijn of iets anders doen, maar wat u aangaat, is alleen dat, wat uzelf bent. U kunt alleen zelf uw leven leven. En u kunt dit alleen werkelijk doen, als u eerlijk leeft. U kunt alleen oordelen over uzelf, nooit over een ander.

Wijsheid zegt: Wees jezelf, oprecht en volgens beste weten. Dat is alles.

Verstand zegt: We moeten voor de wereld iets doen. Kunt u voor de wereld iets anders doen dan te zijn, wat u bent? Elke leugen, die u uitleeft in de wereld, zal door een leugen worden beantwoord. Daaraan ontkomt u niet.

Wijsheid, vrienden, is eenvoudig. Ze is het meest simpele, dat er bestaat. Idioten, die verstandelijk ver tekort schieten in menselijke vermogens, die door de maatschappij veracht worden, kunnen een zekere wijsheid bezitten. De eenvoudige mens, die nooit heeft leren lezen en schrijven, nooit buiten zijn geboorteplaats is geweest, die misschien niet eens weet, dat er automobielen bestaan, die mens kan wijsheid bezitten. Die mens komt met zijn wijsheid verder dan u met al uw verstand. Dat zijn de feiten. Dan zult u zeggen: Dat is niet waar, want wij kunnen in een auto rijden en hij niet. Maar ik antwoord onmiddellijk: Gij, met uw auto, zit voortdurend in de moeilijkheden; hij, zonder dit alles maar met zijn wijsheid, waardoor hij harmonisch is t.o.v. zijn omgeving en zichzelf, niet. Hier heeft u het belangrijke punt. En ik hoop, dat we bij discussies over wijsheid en verstand dit als uitgangspunt zullen nemen..

Laten we ook nog een ander punt niet vergeten en dat is het laatste: Wie zegt u dat, wat u verstandig noemt, wat u redelijk noemt, inderdaad redelijk en verstandig is? Wie zegt u dat, wat u een toppunt van kennis en intelligentie noemt, inderdaad een toppunt van kennis en intelligentie zal zijn? Uw eigen oordeel? Zodra u moet oordelen over iets, dat verder gaat dan uzelf, kunt u niet oordelen. Het grootste genie op deze wereld zou absoluut miskend worden, indien hij in handen zou komen van deze verstandelijke en wetenschappelijke menden van heden. Als ze vandaag aan de dag Thomas Alva Edison om een baantje als krantenjongen zouden sturen, zou hij misschien psychisch getest worden en wegens absolute ongeschiktheid worden afgewezen. En als hij naar een laboratorium zou moeten gaan, dan zou hij wegens gebrek aan kennis enz. worden afgewezen; hij zou misschien goed zijn geweest voor bordenwasser; en dat alleen onder toezicht, want zijn karakter was nu niet direct zo, dat je een goed teamwork en samenwerking van hem kon verlangen. Toch was hij de tovenaar, die het elektrisch licht bracht en nog vele andere uitvindingen! Hij was ‑ gerekend naar de huidige normen – eenvoudig een wezen, dat teveel verschilde van de norm.

Het is mogelijk, dat er onder u wezens leven, wier intelligentie – als u het zou kunnen schatten ‑ 300 of 400 zou zijn, maar die – omdat u het niet kunt schatten ‑ waanzinnig zijn. Want zij maken met hun scherp en snel denken sprongen, die u niet kunt volgen. Wanneer u dus alleen waar op die verstandelijke maatstaven en redeneringen afgaat, kunt u hen nooit juist waarderen. Maar indien u zich afvraagt ‑ en dat is wijsheid ‑ of deze mensen of wezens iets goeds voortbrengen of zij ten goede streven, ongeacht wat er verder aan vastzit, dan kunt u met die mensen, met die wezens, samenwerken, ook wanneer zij een I.Q.hebben van 4 á 500. Dan kunt u met hen samenwerken, onverschillig of ze wel of niet een kennis hebben zoals u; of ze geloven en denken, zoals u of niet. Dan is samenwerking, ware broederschap, mogelijk.

Wijsheid erkent het essentiële. En dat is steeds de eenvoudige relatie: “ik” tot de wereld; de relatie, van een soort tot de wereld. Het is de be­perking der dingen, niet de uitbreiding. En het vreemde is, dat de vereenvoudiging van de wijsheid meer nieuwe en redelijke kennis tot stand heeft gebracht dan alle zuiver verstandelijke betogen en redeneringen tezamen. Mijn pleidooi voor deze tijd en deze wereld is; Mens, leer wijs te zijn door eenvoudig te denken; eerlijk te zijn en niet jezelf te overtuigen van iets, als je aanvoelt dat het anders is. Vereenvoudig, opdat je uit het eenvoudige, dat je kunt begrijpen en beleven, misschien voor anderen het zeer ingewikkelde en grootse zult kunnen scheppen. Als de mensheid blijft pochen op haar verstand en haar rede alleen, graaft ze haar eigen graf. Als ze een grein wijsheid vindt voor elk pond verstand, dat zij nu verbruikt, herschept ze de mensheid en de wereld beide wanneer de mens met al zijn verstand probeert om een andere sfeer te betreden, zal hem blijken dat hij niet heeft gewonnen. Maar de mens, die in zijn hele leven één wijsheid heeft gevonden, heeft vaak daarmee de sleutel verkregen tot vele nieuwe werelden. Ik eindig hier. Per slot van rekening, vrienden, ik heb deze voordracht populair gehouden en heb getracht u iets te laten zien, eerder u iets te laten aanvoelen van de verschillen, die er bestaan tussen verstand en wijsheid.

Denk niet, dat u zonder verstand, d.w.z. zonder het gebruik van uw hersenen, ooit wijsheid zult kunnen vinden. Maar begrijp ook, dat de eenvoud, het puren van de essence van datgene, wat in je wezen is bevat, wijsheid is. Terwijl het verstandelijk denken daarentegen vaak het aanlengen van het aanwezige is ad libitum, ad infinitum.