Wonderen door alle tijden

25 juli 1958

U weet dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn en daarmee houdt u natuurlijk rekening. Wij gaan nu verder met: “Wonderen door alle tijden”.

Een wonder is voor de mens een onverklaarbaar verschijnsel. Daar moeten wij het eigenlijk bij laten. Menigeen zegt wel dat een wonder een direct ingrijpen van God is, maar uit onze ervaring kunnen wij dit lang niet altijd bevestigen. Integendeel, wij horen vaak dingen wonderen noemen, die dit alleen schijnen te zijn door een gebrek aan kennis. Voorbeeld: Onder de wonderen van het stenen tijdperk rekende men een tijdlang het in een grot brengen van vuur. Het vuur was heilig. Het feit dat in de duisternis een bepaalde grot door een vuur schaars verlicht was, noemden de mensen van toen al een wonder. Tegenwoordig zou men het al vreemd vinden, wanneer men het knopje van het licht omdraait, zonder dat er onmiddellijk een helder licht schijnt. Later zien wij heel vaak wonderen die in feite alleen berusten op eenvoudige hulpmiddelen, hypnose en suggestie. Een groot deel van de wonderen van de Egyptenaren was bv. niets anders, dan wat men heden goochelen noemt. Onder meer gebruikten de priesters bij bepaalde plechtigheden een bekken, waarin naast een chemische vloeistof, ook olie werd gegoten. Op een zeker ogenblik van de bezweringsdienst werd hierbij een andere stof gebracht, waarop het bekken na zeer korte tijd begon te roken en te branden. Nu ging het er voor de priesters alleen maar om, tijdens de vele gebaren die zij maakten, ongemerkt een snuifje van het bewuste poeder in het bekken te werpen, zonder dat iemand dit opmerkte. Naargelang de kleur van het vuur – bepaald door de chemische vloeistof – heette dit dan het Goddelijke, of het duistere vuur, dat door geestelijke machten ontstoken werd.

Dergelijke bezweringen waren zeker zeer indrukwekkend. Een ander wonder uit deze dagen berust op zuivere suggesties. Zoals u weet, waren in vele indrukwekkende tempels van Egypte lichtpoorten aangebracht. Zo’n poort was soms alleen maar een kleine spleet in de wand, dicht bij de zoldering. In andere gevallen was het een rond, meestal ommetseld gat, waarin bovendien nog vaak een soort zonnescherm was aangebracht. Het wonder “het lichten der Goden” berustte er op, dat op zekere dagen en van te voren vast te stellen uren, het zonnelicht via de lichtpoorten juist op een of meer Godenbeelden viel. De beelden, vaak uitgevoerd in zwart, of goud, begonnen daarin te schitteren en kregen een bijzonder reliëf. De vertoning werd door de priesters op zeer suggestieve wijze onderstreept: zij wisten het met plechtige aanroepingen en bewieroking zo uit te kienen, dat hun vraag aan de God zich te tonen precies met het komen van de lichtstraal samenviel. De menigte zag echter het licht uit de Godenbeelden komen.

U ziet dus, dat in de loop der tijden heel wat wonderen zijn vertoond, waarvoor een redelijke verklaring te geven is. Er zijn zeker ook wonderen, die wij heel wat moeilijker weg kunnen praten. Een nu nog bestaand wonder: het bloed van de Heilige Januarius. Dit bloed, zich bevindende in een flesje, wordt op bepaalde dagen namelijk weer vloeibaar. Ik meen te mogen betwijfelen, dat dit alleen aan bepaalde chemische eigenschappen te wijten is. Men zou met bepaalde chemische middelen zeker geen vloeibaar-zijn tot stand kunnen brengen. Door een bepaalde straling van chemisch geprepareerd bloed, of een bloedachtige vloeistof, zou ook een vloeibaar worden en zelfs een koken van het “bloed” tot stand te brengen zijn. Maar deze verklaring zou veronderstellen dat de priesters, die bij dit wonder aanwezig zijn, oplichters zijn, dat wil ik toch liever niet doen. In dit geval moeten wij dus wel stellen dat er andere krachten dan alleen menselijke bij betrokken zijn. Stellen wij nu de vraag of deze kracht dan bovennatuurlijk is dan moeten wij onmiddellijk antwoorden: geen enkele kracht is bovennatuurlijk. Wel kan men alle verschijnselen onderscheiden door hen in te delen in de gevolgen van gekende en ongekende natuurkrachten. Aan de hand hiervan kunnen wij dan weer stellen, dat het dus mogelijk is om wonderen te verrichten door een kennis van natuurwetten en natuurkrachten, die niet door anderen worden gekend, of beheerst.

Welke natuurkrachten zou de mens dan niet kennen? In de eerste plaats valt het ons op, dat in de moderne tijden de mens de werkingen van de geest maar zeer ten dele kent en begrijpt. Wanneer wij spreken over een suprematie overwicht van de geest over de stof, schudden velen onmiddellijk gelovig “ja”. Maar wanneer krachtens deze suprematie bv. een genezing tot stand wordt gebracht, spreekt men toch van een wonder. Iedereen weet van suggestie af, maar wanneer men krachtens deze suggestie bv. in staat is een zwaar lijden binnen zeer korte tijd op te heffen – zoals in sommige bedevaartplaatsen wel gebeurt – dan spreekt men toch weer van een wonder. Wanneer een mens iets ziet wat in de toekomst ligt – zogenaamde voorschouw – dan vindt men dit in deze dagen aanvaardbaar en heel vaak normaal. Wanneer iemand echter plechtig een prognose geeft, noemt men dit een profetie. En profetieën gelden ook nu nog in vele plaatsen als een wonder. Ik mag dus wel concluderen, dat voor het aanvaarden van een bepaald gebeuren als een wonder niet alleen maar niet-gekende natuurkrachten nodig zijn, maar bovendien de omgeving zo moet zijn, dat zij nadrukkelijk uit komen. Men heeft niet genoeg aan de prestatie om een wonder te verrichten, er is bovendien nog een bepaald milieu nodig. In de termen van de revue: eerst in een schitterende montering maakt de prestatie de juiste indruk.

In praktisch elk geloof horen wij van reeksen van wonderen. Wanneer wij ter illustratie hier de Bijbel nemen, hebben wij voorbeelden genoeg. Wat is de inhoud van die wonderen? Bijvoorbeeld een profeet leeft eenzaam in de woestijn. Raven brengen hem zijn voedsel. Indien die raven dat opzettelijk hebben gedaan, kunnen wij wel van een wonder spreken. Maar is dit waarschijnlijk? Wij zouden ons dan eerst af moeten vragen, of voor God geen eenvoudiger middelen mogelijk waren? Wanneer het hier om een demonstratie gaat, zou God eenvoudiger een vruchtenboom in de woestijn kunnen laten groeien, dan raven dag in dag uit, voedsel te laten brengen. Een dergelijke demonstratie zou meer blijvend en overtuigender kunnen werken. Verder: waar haalden die raven hun voedsel vandaan? Zouden zij het ergens stelen? Dan zou God Zich in Zijn wonder nog schuldig maken aan diefstal. Dat is niet erg aanvaardbaar. Indien God het brood op wonderbaarlijke wijze uit het niet schept, rijst weer de vraag, waarom Hij het dan door raven nog laat brengen, terwijl het even goed onmiddellijk ter bestemder plaatse geschapen had kunnen worden. Van welke kant je het ook bekijkt, het blijft onlogisch, al klinkt het zeer indrukwekkend.

Nemen wij aan dat de heremiet, dankzij de dieren van de woestijn, voedsel kan vinden, waar dit onmogelijk schijnt voor de beschouwer, dan krijgt het geheel een andere inhoud. Dan kunnen wij ons voorstellen dat raven in de buurt van het water – zonder water kan niemand in de woestijn leven – zaad hebben laten vallen. Of misschien waren het zelfs andere vogels. Nu is er iemand bij de heremiet op bezoek. De kluizenaar weet heel goed, dat hij de plantengroei te danken heeft aan vogels. Er komen een paar raven in de buurt en hij zegt lachend tot zijn bezoeker, dat deze de vogels zijn die voor zijn voedsel zorgen. De bezoeker denkt niet aan de natuurlijke uitleg en meent, dat hier dus dagelijks een wonder plaats vindt. Dan is het gehele wonder terug te brengen tot het volgende: A. het aanwezig zijn van een voedsel in de woestijn, wat hier normalerwijze niet voorkomt, of te vinden is. B. de eerbied voor de kluizenaar, waardoor men geneigd is het wonderbaarlijke onmiddellijk aan te nemen. C. een verkeerd begrepen grapje van de kluizenaar.

Voorbeeld: Een profeet loopt langs de bosrand. Kinderen schelden hem uit voor kaalkop. De profeet wordt driftig. Alles heel normaal. Ook tegenwoordig schelden kinderen wel en worden de mensen hierover heel boos. De profeet wordt zo driftig, dat hij zich dreigend tot de jongens wendt. Hierbij staat hij stil. Op dat ogenblik komt er een beer uit het bos. Die heeft daar misschien al dagenlang rondgezworven. De jongens menen dat het verschijnen van het dier een gevolg is van de verwensing van de profeet, schreeuwen en vluchten. De beer voelt zich daardoor bedreigt en valt aan. De kinderen worden door de beer verscheurd. Is dit een wonder? Is dit een toeval? Niemand kan dit met zekerheid zeggen.   Laat ons een belangrijk aspect van het christendom eens onder de loep nemen: de Messias is door vele profeten voorspeld. Men meent dit als een onmiddellijk ingrijpen van God te mogen zien, als een wonder dus. Maar laat ons niet vergeten, dat zelfs in de pro-kanaänitische dagen al van een Verlosser wordt gesproken. Zelfs Abraham, benard door vele omstandigheden, is van zijn vaderland weggetrokken om een Verlosser en een nieuw rijk te zoeken. Mozes noemde men in zijn dagen ook Messias. In de jaren voor Jezus leven zijn verschillende anderen zo genoemd en zijn als verlossers opgetreden. Meestal waren dezen in de eerste plaats helden die een bepaald gevaar konden bezweren. Gideon en Simson o.m. werden door zekere groepen Messias genoemd, terwijl het niet veel heeft gescheeld of Saul had zich deze naam als een vorstelijke titel ook toegeëigend. Er is hier dus niet alleen maar sprake van profetieën, maar wel degelijk van een volksoverlevering, die klaarblijkelijk op heel wat verschillende personen kon passen. Indien wij de geschiedenis van het Joodse volk vanuit christelijk standpunt gaan bezien, blijkt dan ook wel, dat er heel wat valse Messiassen zijn geweest.

Wanneer wij nu Jezus bezien, dan valt ons op, dat Hij zeker niet aan de Joodse verwachtingen kan voldoen. Hij is eerder de stichter van een nieuwe leer, een nieuwe godsdienst, dan een bevrijder van het volk. Tijdens Zijn leven en daarna hebben de Joden het eerder slechter dan beter gekregen. Dit gold dan ook voor die Joden, die zich tot Jezus’ leer bekenden. Als wij de profetieën dan in Hem toch vervuld zien, kunnen wij ook hier dus stellen dat er eerder sprake is van een samenloop van gebeurtenissen, dan van een wonder in de algemeen aanvaarde zin. Wanneer Jezus naar de tempel wordt gebracht ter besnijdenis, vinden wij daar het wonder van de oude Simeon: Hij beschouwt het Kind aandachtig, ziet kentekenen aan het lichaam, waarop hij spreekt: “Heer, laat Uw dienaar in vrede gaan, want mijn ogen hebben de Verlosser aanschouwd”. Hoe komt Simeon tot deze verklaring? Hoe weet hij, welke de kentekens zijn? Wanneer wij dit nagaan, dan blijkt, dat ook in andere landen deze kentekens als bewijs van hoge geestelijke krachten en belangrijke taak golden, wanneer zij bij een mens werden vastgesteld. In een ander geloof, waarin deze tekens ook steeds weer een rol spelen, zegt men dat zij het kenteken zijn van een incarnatie, die een hoge geestelijke taak, of macht, heeft. Is het dan noodzakelijk dat hierin ook een erkennen van het Messias-zijn in algemeen aanvaarde zin plaats vond? Noodzakelijk is dit m.i. zeker niet. Evenals bij vele andere wonderen is het hier een samentreffen van bepaalde omstandigheden dat onze aandacht trekt.

Misschien wilt u nu gaan wijzen op de wonderen die Jezus heeft gedaan. Zeker, Hij heeft in Kana water in wijn veranderd. Maar hoe is dit eigenlijk gebeurd? Volgens de evangelisten beval Hij de dienaren de lege kruiken met water te vullen. Toen hieruit werd geschonken, was het een wijn, beter dan deze die tevoren geschonken was. Wanneer men nu al die kruiken wijn bij die bruiloft heeft geledigd, vraag ik mij af, of de gasten werkelijk nuchter genoeg waren om te constateren, wat zij nu eigenlijk dronken. Nu is het bekend, dat kruiken, waarin een langere tijd wijn is bewaard, waarin zich bovendien nog enige droesem bevindt, bij vulling met water een wijnachtige vloeistof geven! Zo komt ook hier de mogelijkheid van een natuurlijke verklaring op de voorgrond. Genoemd procedé werd overigens, volgens geschiedschrijvers, onder meer in kroegen te Rome wel gebruikt, zodra de klanten genoeg bedronken waren. Indien Jezus dit wist, was er helemaal geen wonder noodzakelijk.

Voorbeeld: de wonderdadige vermenigvuldiging van broden en vis. Men kan nu wel aannemen dat op Jezus bevel de menigte werkelijk met een paar broden en vissen gespijzigd werd. Maar moeten wij dan werkelijk aannemen, dat alle mensen helemaal geen voedsel bij zich hadden? Dat strookt niet erg met de gewoonte van het volk in die dagen. Zelfs de Arabier, die een paar uurtjes zijn douar verlaat om naar zijn kudden te zien, zal een behoorlijke portie voedsel meenemen in de vorm van enkele broodkoeken en gedroogde dadels.  Wanneer men in het Oosten voor een dag van huis gaat, neemt men meestal veel voedsel mee. Zouden al deze mensen in het verleden vergeten hebben dit voedsel mee te nemen, alleen omdat zij naar een profeet gingen kijken? Laat ons niet vergeten dat men in die dagen vaak naar een wonderdoener, of profeet, ging kijken, zoals men tegenwoordig gaat zien naar de olifanten van Sarasani of zoiets. Want in deze grootorde ligt de belangstelling in het begin: nieuwsgierigheid. Dit mogen wij niet vergeten, omdat Jezus hier later door zijn geestelijk overwicht op de massa in staat is hun stemming geheel te veranderen. Denkt u, dat men voor een dergelijk vermaak weggaat zonder iets te snoepen, of eten mee te nemen? Evenmin als u gaat picknicken zonder eten mee te nemen, zou ik zeggen. De verklaring is dan eerder als volgt: Doordat Jezus het weinige geeft wat Hij bezit voor allen, beschaamt Hij de aanwezigen. Het voedsel dat Jezus gaf, was in die buurten gebruikelijk. Daarom denk ik, dat eerst de een, dan de ander een stuk brood, of een gedroogde vis te voorschijn heeft gehaald en dit met zijn buren wilde delen. Hierdoor zou het redelijk te verklaren zijn, dat allen verzadigd werden. Bedenk daarbij, dat de een voor de ander geaarzeld zal hebben zijn maal te beginnen, daar men vreesde, dat anderen geen voedsel bij zich zouden hebben, zodat men zijn bezit af zou moeten geven.  Ik wil niet stellen, dat deze verklaring de enig juiste is, maar zij is wel de meest natuurlijke. Het feit, dat Jezus dit experiment aandurft en allen werkelijk ook rijkelijk worden gevoed, is echter weer iets, wat toch van het normale op aarde afwijkt. De stemming die onder deze menigte geheerst heeft, moet wel geheel in strijd zijn geweest met alle geplogenheden van die tijd.

Jezus geneest zieken. Wanneer Hij dit onmiddellijk, volgens de Goddelijke wil en kracht doet zonder meer, is het toch wel opvallend dat Hij door de genezingen uitgeput raakt. Zo uitgeput, dat Zijn leerlingen Hem met zachte drang in veiligheid brengen in een woning, opdat Hij zal kunnen rusten. Deze leerlingen die hun eigen belangrijkheid ontlenen aan hun Meester, zullen dit zeker niet doen, wanneer het niet hoogst noodzakelijk is. Men zou dus eerder denken dat Jezus de krachten, die nodig waren voor de genezingen, althans ten dele uit Zichzelf heeft gegeven. Daardoor komt Hij op het plan te staan van een groot geestelijke genezer, of een buitengewoon goed magnetiseur. Het wonder van een alleen door Jezus krachtens Zijn wezen te volbrengen feit, valt weg.

Jezus wandelt over de wateren. Inderdaad, krachtens Zijn eigen geestelijke gesteldheid kan Hij dit. Maar gelijke feiten worden verteld van de heilige mannen van India. Wanneer Petrus zichzelf vergeet, bereikt hij precies hetzelfde. Alleen, wanneer hij zich realiseert wat hij eigenlijk doet, schrikt hij en dreigt te zinken. Klaarblijkelijk berust het geheel op een veranderen van de zwaartekracht-verhoudingen. In meer moderne tijden horen wij gelijke wonderen vertellen van het medium David Home, terwijl in de apocriefen wordt gesproken over tovenaars, die in de lucht kunnen stijgen zonder hulpmiddelen. Vanuit Tibet komen verhalen over de Gun Lum Pas die snel gaan en zonder ophouden. Hun tred is zo licht, dat het gras zich niet buigt onder hun schreden. Overal lezen wij weer over dergelijke wonderen, uitvoerig zelfs wordt dit verhaald door de apostelen, wanneer zij schrijven over de tovenaar Simon, die de lucht in stijgt om te pletter te vallen in de aanwezigheid van de apostel Paulus. Het verschijnsel is zeker niet iets wat maar eenmaal, of alleen bij Jezus voorkomt. Wel is het opvallend dat dit juist gebeurt op een ogenblik dat het voor de apostelen een nodige geestelijke steun betekent.   Ook horen wij in vele verhalen over doden, die tijdelijk, of voorgoed herrijzen. Uitleg en betekenis van deze verhalen varieert van de herrijzenis van Osiris, nadat hij door Seth werd gedood, tot de levende doden uit de middeleeuwen. Een herrijzen, doordat er geen sprake is van werkelijke dood, maar alleen van schijndood, is tot in deze dagen vastgesteld en kan wetenschappelijk zelfs wel worden verklaard. Ook hier is een wonder zeker niet noodzakelijk om de verschijnselen te verklaren. Op grond van het voorgaande meen ik te mogen stellen dat een bijzonder ingrijpen Gods niet noodzakelijk is voor de wonderen, waarvan de wereld spreekt. Dan verkrijgt het wonder hiermede in onze dagen een geheel andere betekenis. Het wonder ligt niet meer in het verschijnsel zelf, maar in het samentreffen van vele verschillende omstandigheden op het juiste ogenblik, waardoor de gebeurtenis een bijzondere invloed op de omgeving kan hebben. Zelfs kunnen wij aan gaan nemen, dat Gods wil verschillende waarden en oorzaken in de tijd zo samen laat komen, dat zij – op zich geheel natuurlijk – toch een invloed uit kunnen oefenen op een plaats in de tijd, dat voor de mensen het wonder een werkelijke betekenis kan verkrijgen.

Dit blijkt zelfs, wanneer een wonder uiteindelijk blijkt te stammen uit de fantasie van kinderen die een spelletje speelden, zij zien, dat de groten dit au sérieux nemen en durven niet meer terug. Hierdoor zijn bepaalde wonderdadige bedevaartplaatsen ontstaan. Toch mogen wij niet aannemen dat de mensen zelf door daden, of het aanvaarden van suggesties, nu voor alle wonderen zonder meer zelf aansprakelijk zijn. Het is wel opmerkelijk, dat zelfs dit vrome spelletje van zelfbedrog door de genoemde kinderen precies plaats vindt op een ogenblik dat de mensen in de omgeving op zijn minst genomen, in een a-religieuze stemming verkeren. Ik kan mij niet voorstellen, dat een wonder alleen gebeurt, wanneer het door de menigte gewenst wordt. Wij zien zelfs voorbeelden van wonderen die eigenlijk averechts werken. Men noemt deze dan wel niet wonderen, maar ook hier zijn toch de voorbeelden van bekend. Toen Savonarola de vuurproef moest afleggen en beloofde af te leggen om de juistheid van zijn optreden te rechtvaardigen, schreed zijn volgeling Broeder Philippus over een bed gloeiende houtskool van aanmerkelijke lengte, zonder zich te branden, of gewond te raken. Savonarola bracht het er zelf slechter af. Hij had dus klaarblijkelijk minder vertrouwen in God, dan Philippus in hem.

Of de wonderen nu worden erkend of niet, positief of niet in hun uitwerking, er moet ergens een gezamenlijke bron voor alle wonderen bestaan. Daarom zou ik u de volgende these willen voorleggen. De kern van de mens staat i.v.m. krachten die buiten de tijd liggen. Het leven zelf is niet aan tijd gebonden. Alleen maken de verschijnselen in de tijd het leven kenbaar. Wanneer wij geloven aan een God als bron van alle levenskracht, zal deze God ook zeker niet aan tijd gebonden zijn. Wanneer een mens nu in zichzelf doordringt en in zichzelf een waarheid zoekt en ervaart, die ligt boven het normale verloop van de tijd en alle wetmatigheden, die hieruit voortvloeien, dan zal op deze wijze de mens tijdelijk worden onttrokken aan alle door tijd bepaalde bestemmingen. Zijn handelingen, of daden, zullen dan niet meer in de eerste plaats een uitdrukking van zijn eigen wil zijn, noch van zijn eigen leven en streven in de door hem erkende zin. Al wat onder deze omstandigheden kan gebeuren, zal een uiting zijn van mogelijkheden en krachten die in hem zelf bestaan. Hierdoor zal hij zich in de wereld zodanig bewegen, dat alle natuurlijke mogelijkheden en feiten, die hij op zijn weg ontmoet, kunnen worden, en tevens een bevestiging zijn van zijn eigen innerlijk beleven.

Zwaartekracht bv. is een product van beweging en massa, waarbij tevens betrokken zijn ladingen en magnetische velden. Nu kan deze zwaartekracht, evenals een magneet, niets aantrekken wat niet tevens door geaardheid, structuur, of straling, vatbaar is voor deze kracht.  De magneet heeft geen, of bijna geen, inwerking op non-ferrometalen. Een massa kan nooit een vastgerichte beweging veroorzaken in een minder samenhangende massa, die zich door de inwerking tijdelijk scheidt in meerdere delen. De massa kan dan wel een beweging veroorzaken, maar nooit het geheel in een vastliggende richting stuwen. Elektrische verschijnselen kunnen alleen daar optreden, waar ook een verschil in potentie aanwezig is. Toestand en verstoord evenwicht zijn noodzakelijk voor het verschijnsel. Wanneer een mens zichzelf tijdelijk zou kunnen onttrekken aan zijn vatbaarheid voor o.m. de verschijnselen van de tijd – tevens zwaartekracht e.d. omvattende – zullen zijn wil en voorstellingsvermogen in de plaats kunnen treden van de hem tot dan toe dirigerende krachten.

Ik voor mij meen, dat dit zeer zeker mogelijk is. Nemen wij dit aan, dan bestaat ons wonder in de meeste gevallen dat bovennatuurlijke verschijnselen werkelijk kunnen worden geconstateerd uit een superieur worden van innerlijke krachten boven uiterlijke verschijnselen. Dit geldt in ieder geval zeker, zolang het wonder de mens zelf betreft. Ten tweede, zijn onmiddellijk aanvoelen en voor zich realiseren van die punten in het wereldgebeuren, of het totaal van de mogelijkheden, waarin het eigen innerlijk beleven en denken geopenbaard kunnen worden. Dit zou inhouden dat de mens, krachtens de werkingen van zijn geest, niet de wereld verandert, maar eenvoudig de plaatsen en tijden voor zich zal zoeken, die een bevestiging zijn van al hetgeen er in hem leeft. In de derde plaats zal de mens, gesterkt door eigen geloof en innerlijk leven, zeer overtuigend op zijn medemensen kunnen werken. Hierdoor zal hij aan een normaal gebeuren in de ogen van anderen een bovennatuurlijke waarde kunnen verlenen. Eindconclusie: het beleven van het wonder door de gewone mens is in 9 op 10 een kwestie van suggestie. Eén tiende bestaat uit door hem niet bewust gekende krachten. Dit laatste kan soms een uitdrukking van innerlijke verwachtingen in niet zelf levende stoffen kunnen veroorzaken, dan wel een aanpassing bij deze verwachtingen door bezielde stoffen en wezens.

In het geciteerde geval van het bloed van Januarius kan dan bv. gesteld worden, dat de steeds stijgende verwachting, dat het bloed nu dadelijk vloeibaar zal worden, een zodanig sterk veld genereert, dat hierdoor in het bloed een verwerkelijking van de wens plaats gaat vinden en zo beroering ontstaat. Voor een dergelijk wonder is dus een intens geloven van meerdere mensen noodzakelijk. Dit wordt o.m. bevestigd door het feit, dat in de jaren dat de gewone mensen van de toekomst slechte verwachtingen hebben, dat zij bevreesd zijn, heel vaak het wonder uitblijft. Want dit vloeibaar worden komt niet geregeld voor in alle jaren, doch zal ondanks alle plechtigheden toch soms jaren overslaan. Het uitblijven van het wonder kan dan worden verklaard door een zodanige gepreoccupeerd zijn met andere zaken, dat geen voldoende overgave van de gelovigen en de dus noodzakelijke kracht aanwezig zal zijn. Het onmogelijk zijn van geestelijke genezing bv. door priesters, zou dan kunnen worden verklaard door het feit, dat de priester deze kracht weliswaar wel bezit, doch de gelovige deze kracht niet innerlijk aanvaarden kan. Hierdoor zal de patiënt dan in zich immers niet meer, of niet geheel meer, vatbaar zijn voor de krachten die de priester uit kan stralen.

Indien wij de zaak omdraaien wordt alles, waarin men eerlijk en oprecht gelooft, mogelijk, ook al lijkt dat een wonder. U zult zich immers juist krachtens het geloof in kunnen stellen op alle waarden in de wereld die uw oprecht en werkelijk geloof bevestigen.

Vindt u het na dit alles nog onaanvaardbaar, wanneer ik stel, dat het wonder slechts de uiting is van een kracht die kan worden gehanteerd door elke mens met voldoende geestelijke inhoud en bewustzijn? Niets is de mens onmogelijk wat binnen zijn menselijk voorstellingsvermogen ligt. Hij dankt dit aan het feit dat hij in de wereld leeft, maar eerder aan de wijze waarop hij zijn wereld beleeft. Wanneer hij voor zich een waarschijnlijk, of zelfs onwaarschijnlijk geloof heeft, zal de mens een bevestiging van vele feiten hieruit kunnen veroorzaken door zijn intensiteit van geloven. Elk bestaand oprecht geloof zal bovendien zichzelf versterken, doordat de mens aan alle voorkomende feiten een interpretatie zal geven, die in overeenstemming zal zijn met dit geloof.

Het hoeft ons niet te verbazen dat men in oude en nieuwe tijden steeds weer spreekt over wonderen. Voor de gelovigen ontstaan de wonderen al door de buitengewone betekenis die zij krachtens hun geloof geven aan feiten, die ook normaal en zonder meer voor kunnen komen. Voorbeeld: de mohammedanen. Zij geloven intens, dat de stem Gods door hun profeet spreekt. Men neemt zelfs aan, dat bepaalde werkingen voorkomen tijdens een uittreden van de profeet naar andere werelden, of hemelen. Toch kan men met evenveel recht zeggen, dat Mohammed alleen maar een epilepticus was. Want ook dit is waar. Toch maakt het geloof het hem mogelijk een zeer belangrijke reform te volbrengen in eigen omgeving en vele waarheden neer te doen schrijven die zeer belangrijk en van kosmische betekenis zijn.

Spreken wij over de tovenaars en heksen van de middeleeuwen, dan zien wij vaak ongeveer hetzelfde. De tovenaar maakt gebruik van bezweringen en drankjes. Hij overtuigt zijn cliënten ervan dat dit bv. genegenheid zal brengen. Dank zij het intense geloof in de waarde van bezwering, of drankjes, gaan de mensen nu handelen, alsof alles wat daaromtrent wordt geloofd, ook waar is. Dit “alsof” kan voor de komende gebeurtenissen erg belangrijk zijn. Het geloof geeft de kracht tot handelen en dus bv. genegenheid te winnen. Het geloof aan het boze oog, of de betovering, kan ziekten veroorzaken en zelfs armoede brengen. De tovenaar, of wichelaar, baseerde zich met zijn voorspellingen omtrent oorlogsgebeuren bv. ook op waarden die vandaag nog net zo bestaan. Als astroloog berekende hij ongeveer de optredende invloeden. Hij interpreteert dit op grond van de in hem aanwezige kennis. Dit alles, plus zijn mening over hetgeen er moet gebeuren, verwerkt hij nu in zijn voorspelling. De mensen geloven aan hem en handelen dus volgens hetgeen hij heeft gezegd. Hierdoor maken zij zelfs de profetie waar. Ook in vele andere gevallen kunnen wij spreken over een zekere kennis, plus suggestie, waardoor veel schijnbaar wonderlijks bereikbaar is. Wat dit laatste betreft, zijn die wonderen van vroeger werkelijk zo veel groter dan het drankje tegen verkoudheid dat de dokter u geeft, waardoor u er nu werkelijk binnen drie dagen vanaf bent? Als u het de dokter eerlijk vraagt, zal hij u ook moeten zeggen, dat tegen verkoudheid nog geen afdoende geneesmiddel bestaat.

Wanneer wij over meerdere wonderen en hun oorzaken verder willen denken, dan kunnen wij evenzeer teruggrijpen in de geschiedenis, als op de esoterie en de magie. Overal vinden wij steeds weer hetzelfde. Voor de mens is een zeker geloof noodzakelijk, een handelen “alsof”. Hierdoor bewerkstelligt hij een onnatuurlijk grote vervulling van hetgeen hij als doel zich stelde. Gelooft u in een magnetiseur? Ja? Dan kan de magnetiseur u ook helpen. Wanneer u er niet, of zeer beperkt in gelooft, dan zult u ontdekken, dat hij u misschien een klein beetje kan helpen, maar niet blijvend, of geheel. Gelooft u, dat u zichzelf kunt genezen? Wanneer u dat werkelijk gelooft, zult u ook tot op zekere hoogte resultaten kunnen bereiken, maar dan moet u ook werkelijk van binnen geloven aan de mogelijkheid. Want dan maakt uw eigen innerlijke gesteldheid het u mogelijk ook dingen te volbrengen die niet tot uw normaal aanvaarde begaafdheden behoren. Kunt u werkelijk doordringen in de werelden van de geest? Nee? Toch wel. Wanneer u maar een voldoende vertrouwen hebt in uw mogelijkheid uzelf in te stellen op die werelden. Want wanneer u een innerlijke harmonie ermee kunt bereiken, beleeft u ze ook. Zij zijn er. Wanneer u intens gelooft dat u morgen ƒ 100 zult krijgen zonder enige aarzeling, is de waarschijnlijkheid zeer groot, dat u die waarde ook inderdaad zult krijgen. Door de gedachte die u in vol geloof de wereld inwerpt, wekt u in de wereld een echo en verwerkelijkt u de mogelijkheid om het begeerde in handen te krijgen. Hierbij moet u onthouden dat alleen hopen hier niet voldoende is. Om een dergelijke echo in de wereld te wekken is het noodzakelijk dat u een innerlijke zekerheid kent. De innerlijke zekerheid maakt het onwaarschijnlijke, het schijnbaar bovennatuurlijke, natuurlijk. Door deze zekerheid zult u namelijk onbewust zelfs reeds gebruik maken van uw innerlijke krachten en het in u rustende bewustzijn. Dit gaat heel wat verder dan een geestelijk leven, dat later wel eens komt. Wanneer u intens genoeg één bent met uw wereld, verwerkelijkt u alle mogelijkheden die u in die wereld hebt.

U hebt een geest. U kunt dus ook alle mogelijkheden van die geest gebruiken. Wanneer die geest voertuigen heeft die tot in de hoogste sferen kunnen reiken, dan kunt u dus bewust, of onbewust, ook via deze voertuigen alles verwerven wat in deze hoogste sferen voor u mogelijk, of toegankelijk is. Hierbij is geen sprake van bovennatuurlijke krachten. Wij maken alleen gebruik van de krachten die krachtens onze natuur in ons schuilen. Wij reproduceren buiten ons voortdurend al wat er in ons leeft. Vanuit de wereld ontvangen wij slechts wat wij in de wereld ter enigerlei tijd hebben uitgezonden. Het grote wonder lijkt mij te zijn, dat wij ons in de tijd qua mogelijkheid en gelegenheid steeds zo weten te placeren te midden van alle gewoel van de wereld, dat wij juist daardoor onze wensen helpen zelf te vervullen, of te frustreren.   Het wonder is ons steeds een gunstig gebeuren, maar het heeft ook zijn tegenhangers. Wanneer u gelooft dat niets u kan gelukken, zal ook niets u kunnen gelukken. Wanneer u een schuldbewustzijn hebt, zult u, ook al wilt u dit bewust misschien niet, vanuit onderbewuste drang uzelf bestraffen, voor al hetgeen u misdaan hebt. Op het ogenblik dat u niet aan God, of wonder gelooft, maakt u het voor uzelf onmogelijk God te erkennen, of het wonder te ontmoeten. Indien een zeker geloof, een zekere honger ook aanwezig is, zal het mogelijk blijken, ondanks uiterlijk ongeloof, een overtuiging, een wonder ook te vinden en te ondergaan. Hoe verder u gaat in het verwerpen van de verschijnselen, hoe meer u het onbekende uitschakelt en tracht in de plaats van weten, begrip en innerlijke waarden, uiterlijk aanvaarde formules te stellen, hoe kleiner en hoe beperkter uw leven wordt, hoe minder de wonderen, de geestelijke steun en leiding, hoe groter de teleurstellingen en frustraties.

Wonderen bestaan vandaag nog. De kracht, die wonderen doet, leeft in vele mensen, zo al niet in allen. Om deze mogelijkheden te kunnen realiseren is er doorzettingsvermogen voor nodig, geloof in jezelf en in het wonder. Bovenal ook een geloof in een kracht die alle wonderen mogelijk maakt. Onverschillig op welk vlak geloven en waarden liggen, zult u dan wonderen voor uzelf kunnen realiseren binnen de beperkingen die uw eigen wezen stelt.

  • Maar je moet toch magnetiseur zijn?

In de praktijk is iedereen in meerdere, of mindere mate magnetiseur. Magnetiseren is slechts een gebruiken van wilskracht om eigen krachten in anderen over te doen vloeien. Daarvoor is het natuurlijk wel nodig dat je sterker bent dan degene die je helpt. Deze laatste voorwaarde in aanmerking genomen, zal een ieder kunnen magnetiseren. Het gaat er dus niet om of je magnetiseur bent of niet, maar of je zoveel kracht bezit, of kunt verwerven, dat je de meeste andere mensen als sterkere tegemoet kunt treden.

  • Het verhaal van Simeon vindt een tegenhanger in de geboorte van Boeddha.

Het wonder is m.i. dat de tekens aanwezig zijn. Dit hoeven wij niet als wonder te zien, wanneer wij slechts, zoals gesteld, aannemen, dat de geest een zekere superioriteit bezit t.o.v. de stof. Wanneer een geest een hoog bewustzijn bezit, zal zij reeds tijdens de vorming van het lichaam haar invloed daarop doen gelden. De groei van oorlelletjes, de stand van de ogen, de vorm van vingers, voet, enz. beantwoordt dus slechts aan de noodzaak die de geest voor de stof heeft geschapen. Hoezeer het lichaam reageert op geestelijke beelden, blijkt uit suggestieproeven die enige tijd in Duitsland werden genomen. Daarbij bleek o.m. dat je door iemand te vertellen, dat je hem met een gloeiende pook gaat aanraken om in feite hem te beroeren met een stukje ijs, brandblaren kunnen worden verwekt. Wanneer het denkbeeld in de stof reeds dergelijke lichamelijke reacties kan veroorzaken, zal de zuivere geest wel veel betere reacties kunnen veroorzaken in een lichaam dat nog gevormd wordt. Het wonder is voor de buitenstaander hier gelegen in het niet kennen van de feiten.

  • Lazarus werd opgewekt uit de dood. Volgens de vrouw was het lichaam reeds in staat van ontbinding.

Volgens de Goddelijke wetten is een opwekken uit de dood nooit mogelijk, wanneer de band tussen geest en stof definitief is verbroken. Het woord van de vrouw is niet beslissend voor de feitelijke toestand. Verder zijn er vele gevallen bekend van schijndoden, die meerdere dagen als dood waren. Ook zijn gevallen bekend van opgewekte trance, waarin de personen in kwestie zelfs tot 40 dagen als dood waren en zelfs begraven werden. Het is hier dan ook niet noodzakelijk van een feitelijke dood te spreken. Niet Jezus, doch Zijn leerlingen verklaarden dat Lazarus uit de dood werd opgewekt. Zelfs medisch heeft men een mens die al zes uren dood was, op kunnen wekken door hartmassage en toediening van onverdunde zuurstof. De toegepaste middelen waren hier anders, dat geef ik toe. Gezien het feit, dat de dood hier oorspronkelijk was aangenomen, blijkt weer eens te meer, dat, wat voor de doorsneemens, of zelfs de medicus “dood” heet, nog lang niet altijd dood is.

  • Hoe is de band tussen geest en stof? Ik denk o.m. aan het opwekken van doden in Tibet, de zombies e.d.

Geestelijk gezien treedt de dood in op het ogenblik dat de geest bewust of onbewust haar verbinding met de stof blijvend verbreekt, door de band, die haar astraal met de stoffelijke weefsels verbindt, te verbreken. Deze band noemt men wel het zilveren, of gouden, koord. Zolang dit nog in stand blijft, is theoretisch opwekking mogelijk. Dit betekent dat in enkele gevallen mensen, die al lang begraven zijn, opgewekt zouden kunnen worden, indien men slechts de weg zou weten om deze geest terug te roepen tot haar eigen lichaam. Wat zombies betreft, de zogenaamde zombie, die het meest gebruikt wordt, is in feite iemand, die aan schijndood heeft geleden door vergiftiging, zonder een werkelijke dood te lijden en die in een toestand van vergiftiging wordt gehouden, waardoor ook de toediening van zout, tegenmiddel van de roesmiddelen (plantaardig) altijd in die maaltijden moet ontbreken. Wat betreft het oproepen van de levend doden in Tibet: dit is een magische bezwering van de zwarte school. Hierbij wordt de wil en kracht, levenskracht, van de aanwezigen gebruikt, plus het fluïde van een medium, om een lichaam dat niet langer dan zes uren dood is, een ogenblik op te wekken. De stem die dan spreekt is er een van een geest en de wijze waaraan zij tot verschijnsel komt, is niet veel anders dan spreken door bv. een trompet. Manipuleren van een bepaald hulpmiddel. De krachtsinspanning is zeer groot. Men kan bij de zwarte magie zijn doden laten dansen en wankelen, maar na een half uur is die voorstelling ten einde, omdat er niemand is, die die kracht nog langer kan geven, zonder er zelf bij in elkaar te storten.

  • Ik heb gehoord dat het verhaal van Lazarus een inwijdingsmythe is.

Buitenstaanders, van de inwijdingsmythe op de hoogte, hebben dit vastgesteld, zodat de inwijding veel doet denken aan de Egyptische inwijding, waarbij men drie dagen en nachten in een graf verbleef. Wanneer wij de tijdsduur vergelijken is ook zelfs dit zeer waarschijnlijk.

  • Het gaat hier om het feit, of het noodzakelijk is, dat dit een wonder was, dus iets, wat buiten de natuur om ligt.

Zeer zeker niet. Het kan zeer natuurlijk verklaard worden. Indien wij aannemen, dat de geest superieur is over de stof, is het waarschijnlijk dat dit als een demonstratie – inwijding – bedoeld is. Dat het feit zelf gebeurd moet zijn, moeten wij aannemen omdat het niet alleen in de erkende evangeliën is vermeld, maar daarbuiten nog in 26 z.g. evangelische studies, die in feite oorspronkelijk evangeliën waren. Uit zelfs de jaren 60 na Chr. Het feit als zodanig heeft klaarblijkelijk plaats gehad, omdat wij niet aan kunnen nemen dat elke geschiedschrijver dit vertelt als waar gebeurd, terwijl iedereen weet dat het niet zo zou zijn. Met een inwijdingsmythe zou dit het geval zijn.

  • Als Jezus gewild had, had Hij dan wonderen kunnen doen?

Ik geloof het wel, tenminste wat de wereld als een wonder ziet. Ik geloof dat zelfs God geen wonderen kan doen in de werkelijke zin van het woord, een ingrijpen dus buiten de wetten, die Hij Zelf heeft gesteld. Ik meen niet dat er iets kan bestaan, waar ook in de kosmos, zonder dat dit onmiddellijk ten gronde gaat, dat ook maar één ogenblik verschilt van hetgeen door de Goddelijke wetten als mogelijk is vastgesteld. Dat die mogelijkheden vaak andere zijn dan de u bekende, is een tweede feit. Maar een wonder als onmiddellijk ingrijpen tegen de natuurwetten en tegen de normale gang van zaken in de kosmos, acht ik onmogelijk. Deze theorie is door een groot deel van de Orde gesteund, maar niet door allen.

  • Bestaan er eigenlijk wel wonderen?

Het wonder bestaat in het oog van de beschouwer. Elk wonder en verschijnsel is te verklaren, mits men de kennis heeft van de wetten die het verschijnsel regeren. Een wonder als een direct ingaan tegen alle bestaande wetten bestaat m.i. niet.

  • Komen wij ooit zover?

Ik geloof niet, dat er voor ons een mogelijkheid bestaat in de onvolmaaktheid te blijven steken. Er zijn maar twee mogelijkheden voor ons: ofwel, dat wij onze huidige persoonlijkheid – bewust of onbewust – zover vernietigen, dat wij een nieuwe bewustwordingsgang als het ware als nieuwe entiteit beginnen, dan wel dat wij de huidige bewustwordingsgang als entiteit voortzetten tot het ogenblik, waarop alle bewustzijn ons a.h.w. voltooid is, zodat wij als het ware bewust één zijn met de Schepping, onze taak daarin kennende.

  • Dan zal ik daar maar op wachten.

 Als u erop wacht zal het heel lang duren. U moet ernaar streven.

  • Waarom verbinden wij aan het woord “wonder” iets dat tegen de natuur ingaat?

Omdat wij zowel bij de kerkvaders, als bij vele mystici het wonder zien als een onmiddellijke uiting van de Goddelijke wil, gaande tegen de natuurlijke wetten. Een ingrijpen, dat het natuurlijk gebeuren onderbreekt.

  • God is een persoonlijk begrip. Alles wat buiten de persoonlijke God, of het begripsvermogen van de mens ligt, zal dus “wonder” heten? Het is niet mogelijk voor wonder een formule te geven?

Wij moeten wel een algemene formule stellen. Zonder dit zou het onmogelijk zijn tot een synthese van denken te komen. Indien wij uw stelling uitbreiden over alle begrippen en gedachten van de mensen, zal het zelfs onmogelijk worden om op algemeen vlak tot een uitwisseling van gedachten te komen. De formule is dus ons een middel dat het ons mogelijk maakt beperkt uiting aan eigen gedachten te geven en daardoor in anderen een begrip van onze wereldbeschouwing te doen ontstaan, ook al is dit persoonlijk.

  • Wat hadden de kerkvaders er mee voor alles als een wonder uit God geboren te  stellen?

Ik vermoed dat zij daarmee niets bijzonders voor hadden, maar dat zij dit stelden, omdat voor hen God het enig Werkelijke was en zij meenden dat alles uit God onmiddellijk voort zou komen. Rekenende volgens de menselijke wetten ontdekten zij, dat veel strijdig is met wat de mens meent te mogen aanvaarden. I.p.v. te zeggen dat er andere wetten waren, dan de door de mens gekende, prefereerden zij een God, voor hen zeer belangrijk ook als middelpunt van het geloof te moeten stellen als de persoonlijk en bewust handelende kracht, die tegen Zijn normale wetten ingrijpende, de mens helpt, dan wel uitwerpt, enz. enz. Dit is een uitvloeisel van elk geloof dat langzaam maar zeker geformaliseerd wordt. De filosofieën die daaruit voortkomen zijn namelijk niet vrij, maar gebonden aan de grondgeloofswaarden die de inhoud van de religie uitmaken.

  —————————————–

De realiteit van de stilte 

Als wij over de realiteit van de stilte willen spreken, dan komt mij onwillekeurig een formulering uit de boeken van de Bijbel in gedachten, namelijk daar waar Mozes God ontmoet als een suizelende stilte. Hieruit blijkt, dat stilte op zichzelf wel iets kan zijn, maar dat klaarblijkelijk de waarneming door het gehoor wordt uitgeschakeld. Zouden wij dit alleen moeten stellen, dan zou stilte misschien reëel kunnen zijn voor het individu, maar zou nooit geheel het Al kunnen regeren. Wanneer wij verder doordenken dan blijkt ons, dat stilte betekent een zich afsluiten van de buitenwereld. Absolute stilte betekent beslotenheid in jezelf, althans op die gebieden die auditief zijn, en indien werkelijk doorgevoerd tot een innerlijke stilte, van al datgene wat als vorm, als klank, of trilling in het denken bestaat. Stilte is een toestand van evenwichtigheid. Het bewustzijn is aanwezig en ontvangt geen stimulans, het rust. Het lichaam is blind en doof gemaakt en reageert niet op wat er buiten bestaat, het beleeft slechts zijn innerlijke waarde. Zo sprekende kan ik mij voorstellen dat God in feite stilte is. Dat redelijk gezien God niet anders kan zijn dan stilte. Als de uitingen de Schepping vormen, dan moet het punt, waarin de uitingen die elkaar tegengesteld zijn, samenvloeien – een punt van stilte en absolute rust dus – het werkelijke wezen Gods inhouden.

Wij kunnen dit voorstellen door een punt te stellen en van daaruit een lijn te trekken, die even lang is naar links en rechts, zodat zij evenwichtig blijft. Dan kunnen wij zeggen dat de verschijnselen elkaar tegengericht zijn en voort zijn gekomen uit het punt, maar in het punt elkaar opheffen, zodat daarin absolute rust en stilte blijft bestaan. Op grond hiervan kan ik stellen dat voor de mens, die voor zichzelf stilte bereiken kan en absolute evenwichtigheid innerlijk ondergaat en dat deze absoluut reëel is, dat uit deze stilte, uit deze innerlijke rust, een zeer grote hoeveelheid van energie geput kan worden. In feite is deze stilte zelfs meer reëel dan de z.g. reële verschijnselen. Want deze zijn onvolledig. Wij erkennen wel de verschijnselen, maar niet hun tegendelen. Wij erkennen wel de uiting, maar niet de oorzaak en de kracht, die die oorzaak eens teniet zal doen. Zo is, wat in leven als geluid wordt waargenomen, altijd onvolledig, vandaar, dat wij over waan of begoocheling durven spreken. Op het ogenblik echter dat wij tot innerlijke stilte komen, voegen wij alle tegenstellingen tezamen en beleven wij waarheid.

Reëler nog kan de stilte worden gemaakt, wanneer wij zien welke invloed zij op de mens kan hebben. De mens die in absolute stilte gebracht wordt, zal, indien hij haar kan aanvaarden, tot algehele rust komen. Zij zal een genezing betekenen van zijn kwalen. Zij zal voor hem betekenen het doven van te felle herinneringen en een openheid voor alle nieuwe verschijnselen. Kan hij ze niet aanvaarden, dan zal hij vluchten in de waanzin van het eigen Ik, waarin de tegenstrijdigheden onevenwichtig worden gerealiseerd en geuit. Absolute stilte kan ook waanzin origineren. In feite is stilte dus een reële kracht. Dat zij reëel zal blijven, lijkt mij aannemelijk, daar wij strevende naar God toe, steeds meer de tegendelen zullen leren erkennen en het evenwicht waarbinnen zij het bestaan van de kosmos mogelijk maakt. Wij zullen in feite een steeds grotere stilte in onszelf ondergaan. Daar waar geen woord meer klinkt, geen licht meer is, geen klank, waar niets meer bestaat volgens de uitingen, zoals wij die beschouwen, zullen wij allereerst de gehele waarheid realiteit vinden. Aan de hand van het gestelde meen ik te kunnen constateren: de realiteit van de stilte, is de realiteit van Gods uitdrukking van de absolute evenwichtigheid binnen het Ik, zichzelf zijnde en kennende zonder uiting, zonder streven zelfs, het totaal zijnde ondergaan en aanvaarden. Meditatief gezien is innerlijke stilte zeer begeerlijk. Is zij bereikbaar, dan betekent zij verhoging tot die sferen, waarin wij onszelf bewust kunnen worden van ander leven. Die stilte is dan nog niet volkomen. Een mensenziel kan niet volkomen stil zijn. Toch betekent deze beperkte stilte reeds voor ons een verhoging van bewustzijn, van begrip, inzicht en wijsheid, resulterende in een vergroting van kracht voor allen die leven.

  • Wat is de stem in de stilte?

De stem in de stilte is een uitdrukking, die strijdig is, wanneer wij haar letterlijk willen bezien. Indien de stilte een stem heeft, is zij geen stilte meer. Indien een stem spreekt in de stilte, wordt die stilte verstoord. Wij moeten deze uitdrukking anders begrijpen. De stilte zelf, de rust, de evenwichtigheid is een openbaring. Het feit dat de tegendelen elkaar opheffen en zo de ware zin van het Zijn zelf wordt geopenbaard, is “de stem van de stilte”. Men zou kunnen zeggen dat voor het Ik de stilte een stem is, tot het ogenblik dat het zichzelf volledig heeft aanvaard. Zolang als ik mijzelf nog afgezonderd gevoel van God, van de Schepping, de krachten van de eeuwigheid, zal ik nog beschouwen, zoals ik mijzelf beschouw. In deze beschouwing openbaart de stilte mij mijn wezen en spreekt zij dus. Op het ogenblik, dat ik geleerd heb de verschijnselen van het Ik terzijde te stellen en het leven in zijn volkomen evenwichtigheid te aanvaarden, verbleekt zelfs deze stem van de stilte en bestaat nog slechts het absolute zijn, waarbij het ik ingepast is aan het totaal van het zijnde, zonder eigen streven, of een eigen realisatie van verschillen, of gelijkenissen t.o.v. de omgeving. Blijft over het leven zelf in een volheid, die voor de mens onvoorstelbaar is, een evenwichtigheid, die niet omschrijfbaar is, maar gelijktijdig een eenheid betekent met God, Die voor ons dan toch het uiteindelijke doel, voor ons de bekroning van het bestaan is.

  • Wat is het volledige leven waarin tegengestelden elkaar opheffen? Niets?

Er is geen verschijnsel meer. Wanneer ik op een helling een steen leg met een zodanig gewicht, dat haar wrijving in staat is haar vermogen van plaats te bedwingen, dan is er geen verschijnsel. Maar de kracht is er te allen tijde. Eén klein stootje kan het evenwicht verstoren, waarop de steen tot een lawine wordt, die naar het dal gaat, het vermogen van plaats wordt omgezet in vermogen van beweging en de remmende invloed van de wrijving, zo dadelijk wordt omgezet in een enorme wrijvingskracht, die het tegenhouden betekent van de lawine. Voorbeeld: wanneer u water en vuur hebt, en u hebt vuur van een zodanige hitte, dat het met een hoeveelheid water precies wordt geblust, dan blijft er vuur noch water over. Het vuur is vergaan, de hitte is in de omgeving opgegaan en heeft zich, mengende met het water, in het warme gas, uit het water voortgekomen, omgezet. Deze vorm is niet meer kenbaar of zichtbaar, maar heeft in zich hetzelfde vermogen, dezelfde potentie, die in het water en vuur afzonderlijk aanwezig waren. In het eerste voorbeeld blijft de steen voor u bestaan, wanneer u als beschouwer aan de buitenkant blijft staan. Wanneer wij stellen dat voor de steen zelf vermogen van plaats en stilstand door wrijving werkelijk evenwicht betekent, krijgen wij toch een werkelijk beeld.

  • Kan de stem van de stilte niet worden omschreven als een stilte, waarin de  aankondiging merkbaar wordt van bewustzijn uit hogere gebieden?  

Dat lijkt mij niet. Als ik stel dat het een aankondiging is, dan is het op zichzelf een verstoring van een evenwichtstoestand, als zodanig een verstoring van rust of stilte. Indien u beleving wilt zeggen, dan komt u zover, dat u zegt: het gebeurt in mij. Dat is voor u dan inderdaad de stem van de stilte. Maar dit is een bewustwordingsproces dat nog niet zijn voltooiing heeft bereikt, zodat er nog niet van absolute stilte en rust sprake kan zijn.