Wonderen

Wat is een wonder? Misschien is het wel een wonder dat er zoveel mensen in wonderen geloven en misschien is het nog wonderlijker dat vele mensen niet geloven in de verschijnselen die anderen wonderen noemen.

Wat is eigenlijk een wonder? Een wonder is iets dat onverwacht gebeurt, dat buiten de normale, bekende mogelijkheden valt en dat dan bovendien over het algemeen in verband wordt gebracht met een bepaalde persoonlijkheid of een bepaalde situatie

Nu kunnen we natuurlijk alle wonderen van de oudheid nagaan en komen dan tot één en dezelfde conclusie: al deze wonderen zijn ergens vreemd opvallend, maar ze zijn dat voor de mensen van die tijd. Gaan we het zelf na, dan is het enige wonderlijke eraan het samenlopen van een aantal omstandigheden op een bepaalde wijze. Laten we een voorbeeld nemen:

Melaatsen die worden genezen. Dat vinden wij in de Evangeliën. Nu is het natuurlijk mogelijk dat melaatsheid wordt genezen. Laten we even nagaan hoe het in elkaar zit. Deze melaatsen trekken door het land. Ze zijn dus niet, ook volgens het verhaal niet, werkelijk ernstig aangetast. Als de melaatsheid n.l. een beetje om zich heen grijpt, word je er in de eerste plaats wat loom en prikkelbaar van en erg pijnlijk. Dergelijke melaatsen hielden zich meestal op in de omgeving van steden waar familie en bekenden hun voedsel konden brengen of waar ze konden bedelen. Dus punt 1: melaatsen, die men onderweg tegenkomt, zijn kennelijk mensen die pas zijn uitgestoten. Punt 2: hoe werd melaatsheid in die tijd geconstateerd?

Men ging uit van een bepaalde verkleuring van de huid. Deze werd wit en schubachtig. Tegenwoordig weten we echter dat bij bepaalde zenuwkwalen iets dergelijks voorkomt en dan droge zenuwuitslag heet of eczema dat door zenuwen wordt veroorzaakt. Indien er een psychische oorzaak is, kan eenvoudig een machtswoord, een geloofsbelevenis, een schok vaak die verschijnselen in zeer korte tijd doen verdwijnen. Daar hebben we dus al te maken met iets wat verklaarbaar is. Het lijkt wonderlijk, maar is het dat wel?

Een ander verhaal: Petrus wandelt over de wateren. Nu zullen we maar niet ingaan op de vraag of er misschien ook paaltjes onder water stonden, waarover hij balanceerde (ofschoon men iets dergelijks wel eens heeft geprobeerd te beweren), of dat er een modderbank was waarover hij kon lopen, zodat hij in een putje stapte toen hij zogenaamd zijn geloof verloor. Wij moeten ons afvragen: hoe was de situatie?

Heel waarschijnlijk was die situatie zo dat het schip betrekkelijk dicht bij het land lag. Jezus riep Petrus. En om elkaar te kunnen beroepen, moet je toch niet midden op het meer zijn. Het meer was wat bewogen, golvend, wat stormachtig. Misschien was het water wat opgelopen. Er zal in ieder geval een heel stuk zijn geweest, waarover Petrus kon gaan zonder weg te zinken. Zou hij door geloof op dat water hebben kunnen lopen (het is denkbaar), dan zou dat maar over een heel klein stukje zijn geweest. Dan moeten wij ons nog afvragen: is er voor het lopen op water nog een andere verklaring te vinden? En dan grijpen we naar de wonderen van Azië, waar een bekende yogi of fakir op een gegeven ogenblik inderdaad over water loopt en daarbij de volgende verklaring geeft die ik voor zijn rekening laat:

“Als ik de kracht van mijn gedachte uitstraal, dan verdicht ik het water en ik wandel daarover als op een weg.” Maar als ik dat nu eens anders ga formuleren, wordt het een beetje natuurkundiger: Indien ik in staat ben om de warmteverhouding in het water zodanig te veranderen, dat tijdelijk op een bepaald punt een zekere stolling of een vergroting van oppervlaktespanning ontstaat, zal de last die door het wateroppervlak bij voorzichtig lopen kan worden gedragen, aanmerkelijk groter zijn. En dan zijn we ineens bij iets waarvan je zegt: Daar moet ook een natuurlijke verklaring voor te vinden zijn.

Ik kan natuurlijk al die bijbelse wonderen verder nagaan, maar daar komen we geen cent verder mee.

De storm is ontzettend. Jezus wordt wakker. Hij zegt tegen de wind: “Wees stil” en de wind is stil. Maar we kennen dergelijke verschijnselen; we weten dat ze regelmatig voorkomen. Midden in een stormwind is er vaak een plotselinge windstilte. Het is misschien zo dat Jezus heeft gezegd: “Het is niet zo erg” en toen viel die wind. Later hebben ze ervan gemaakt: “sta stil.”

Dit soort wonderen, ook al omdat ze moeilijk controleerbaar zijn en omdat alle overleveringen over die wonderen ons eigenlijk alleen maar bereiken uit een bevooroordeelde bron, kunnen we voor een reële beschouwing van het wonder eigenlijk niet eens gebruiken. We kunnen hoogstens zeggen: Het is mogelijk. We moeten proberen het wat dichterbij te zoeken en komen dan terecht in plaatsen als Fatima, Lourdes, Kevelaar en vele andere waar heiligenbeelden etc. worden vereerd.

Wat gebeurt daar? In de eerste plaats krijgen we te maken met een vorm van enorme massahysterie. De mensen beïnvloeden elkaar. Ze zijn meestal en masse tegenwoordig als er een genezing gebeurt; aannemende, dat het om reële genezingen gaat en niet om een reclamestunt. Dat zou ook denkbaar zijn. In de middeleeuwen is dat meermalen gebeurd.

Dan moeten we ons nog afvragen: was de kwaal wel precies zoals deze later wordt aangegeven? In Lourdes zijn er doktoren die na de z.g. genezing de patiënt gadeslaan en hem onderzoeken. Maar hoe vaak hebben ze die patiënt ook tevoren onderzocht? Er zijn gevallen waarbij we absoluut mogen uitgaan van het standpunt dat de diagnose waarschijnlijk fout is geweest en men iets voor een zuiver fysieke kwaal heeft aangezien, wat in feite psychisch was. Daarnaast kunnen we stellen: Er zijn dingen gebeurd die we niet helemaal kunnen verklaren, maar die weer met suggestie een heel eind kunnen worden verklaard. Alleen, de grote vraag is dan: Waarom zal in een bijeenkomst van 10.000 soms 20.000 mensen nu juist zo’n enkele mens genezen? En dan kunnen we daar het antwoord op vinden: Die mens was het meest suggestibel; de spanning van de gemeenschap heeft zich a.h.w. in die mens ontladen. Maar is dat een wonder? Neen, ik geloof het niet.

Voor ons bestaat het onbegrepene en het onbegrepene wordt wonderlijk. Als de één of andere yogi een heilig woord uitspreekt en een rotsblok gaat de lucht in, dan zeggen we: Wat een wonder ! Dat is iets fenomenaals, dat is nog nooit gebeurd. En we vergeten dat we dichter bij huis poltergeistverschijnselen kennen die meestal door jongelui in de puberteitsjaren (vooral jonge meisjes) worden veroorzaakt. Hier hebben we te maken met telekinetische verschijnselen. Zou telekinese misschien een verschijnsel zijn dat is gebaseerd op bepaalde harmonieën, bepaalde trillingen en versterkt kan worden?

Indien we nl. aannemen dat dat het geval is, dan wordt het plotseling ook veel begrijpelijker hoe ze vroeger bv. de piramiden hebben kunnen bouwen. Want het is nu wel heel aardig te beweren dat al die piramiden zijn gebouwd met tienduizenden slaven, maar ergens begint de Gausse-kromme dan toch te functioneren. Je kunt bij zo’n werk niet meer mensen inzetten, omdat ze dan doodeenvoudig elkaar in het werk alleen maar gaan hinderen. Je kunt niet onbeperkt tienduizend slaven inzetten. Als je uitrekent wat er ongeveer kan zijn gebruikt dan zal de gemiddelde hoeveelheid benutte slaven, inclusief trekkracht e.d. die men kan gebruiken bij een piramide, liggen tussen de 4 en de 7000. Maar 4 á 7000 slaven die dat allemaal moeten transporteren: ja, het is maar een vraag of die dat kunnen klaarspelen, zelfs in een hele regeringsperiode. Laten we aannemen dat die erg lang is, bv. 25 jaar, dan krijgen ze het nog niet voor elkaar.

Precies hetzelfde is het als we gaan kijken naar de grote gevoegde muren, die we ergens in de hooglanden van b.v. Zuid‑Amerika vinden. Daar worden cyclopisch grote stenen gebruikt die precies worden afgeslepen en gevoegd op de mm nauwkeurig. Dat is trouwens ook bij de piramiden het geval. Kun je dan zeggen: Dat is een wonder, want wij begrijpen niet hoe dat mogelijk is met de middelen die we weten dat ze hadden? Maar zodra wij gaan begrijpen dat er andere mogelijkheden kunnen zijn, dat telekinese, het gebruik van harmonische wetten, materiaalbeïnvloeding door de geest (waarin overigens ook de alchemisten geloven) kunnen bestaan, dan valt het wonder weg. Dan kun je zeggen: Het wonder is iets wat we niet begrijpen. En dan zijn er wonderen te over.

Het is een wonder dat de mens naar de maan kan gaan. Maar het is helemaal niet wonderlijk. Het is in feite een erkenning van een aantal technische mogelijkheden en met wat de mensen op het ogenblik daarover weten, is hetgeen waarmee ze werken in feite nog maar kinderspeelgoed. Want er zijn andere, veel betere en veel eenvoudiger hanteerbare mogelijkheden.

Deze tijd waarin u leeft, is de tijd van de complexiteit. En juist omdat men in die complexiteit de eenvoud uit het oog verliest, wordt het heel moeilijk te begrijpen wat er eigenlijk aan de hand is, wat een wonder is.

Een wonder is eenvoudig. Een wonder is kort van duur; het is vaak bijna onmiddellijk. Een wonder is een toepassing van wetten op een zo simpele wijze dat de gewone mens van vandaag er eenvoudig niet bij kan en de mens in het verleden, die alleen het resultaat zag, er niet toe kwam om na te denken over de mogelijkheden die er achter liggen.

Nu ik zover ben, heb ik het eerste punt van de inleiding wel duidelijk gesteld: een wonder is alleen een wonder als je niet weet hoe het gebeurt.

Dan komen we vanzelf aan het tweede punt: Was er in het verleden en bestaat er ook vandaag de dag misschien nog een kennis ‑ instinctief misschien – die uitgroeit boven hetgeen er nu is en die meer kan dan wat er nu aanvaardbaar is?

Dan gaan we maar weer naar voorbeelden zoeken.

Er zijn mensen die op afstand kunnen zien wat er gebeurt. Dat is helderziendheid. Men tracht dat tegenwoordig met de parapsychologie te verklaren. Eigenlijk is dat een wonder, want het ligt buiten het vlak van het zintuiglijke en met alle experimenten heeft nog geen enkele parapsycholoog een redelijke verklaring gevonden voor dit zien op afstand.

Je kunt zeggen: het is een wonder. Maar wat zegt de parapsycholoog zelf? Het zijn een groot aantal onbegrepen functies van de menselijke geest, waarvan wij op dit moment nog niet voldoende weten. Jung en enkele van zijn volgelingen knopen er zelfs beschouwingen aan vast. Zij zeggen: Is de mens wel wat hij schijnt te zijn? Is hij wel een lichaam? Is de werkelijke mens eigenlijk niet anders dan geest? Is er in de mens niet een onbekend terrein, een terra incognita, waarin al die geheime eigenschappen schuil gaan, die we nu nog beschouwen als wonderlijk of ‑ indien we, z.g. logische en nuchtere mensen zijn ‑ als onmogelijk?

Er was een man die een engel zag. Er stonden naast hem een paar geleerden. Zij zagen die engel ook. Toen de man zei: “Zie je die engel?” zeiden ze: “Neen.” Ze dorsten het niet toegeven. Later, onder elkaar, zeiden ze: “Wat had die vent een suggestieve kracht. Ik dacht toch even werkelijk dat ik wat zag.” Met andere woorden: het wonder van vandaag is extra ontluisterd, omdat het verschijnsel vaak wordt ontkend uit angst voor de reactie van de omgeving.

Maar daarvoor in de plaats krijgen we dan andere wonderen, technische wonderen. De vliegende schotel van vandaag is eigenlijk ook een wonder. Vroeger dacht men aan engelen die naar beneden zouden komen, die zouden kunnen helpen, zoals Tobias, de jongere, werd geholpen toen zijn vader blind was geworden en hij naar een geneesmiddel zocht. Tegenwoordig kan dat niet meer. Een mens gelooft niet in engelen, dus zijn het ruimtevaarders die van boven komen, die goede lessen geven, die de mensheid wel eens even tegen zichzelf in bescherming zullen nemen. Precies hetzelfde wondergeloof. Bestaan er daarom geen wonderen? Bestaan er daarom geen vliegende schotels? Dat is een andere vraag. Ze bestaan kennelijk wel, maar niet zoals de mensen ze zien.

Dan kom ik tot het tweede punt van deze inleiding: een wonder is iets wat je op de verkeerde manier ziet, aangepast n.l. aan je wensleven, je voorstellingsleven en niet aan de feiten.

Nu moeten we proberen een wonder op te bouwen en te verklaren hoe dat gaat. Ik moet dan beginnen met te stellen:

De menselijke wereld die u ziet, doet denken aan een ijsberg; een groot gedeelte van de werkelijke bestanddelen daarvan onttrekken zich aan het zicht. We hebben te maken met sociale verhoudingen die we alleen kunnen ontleden, indien we de gevoelswereld en de drijfveren van de mens kennen. Maar die drijfveren en dat gevoelsleven van de mens kunnen we niet helemaal vinden, omdat we weer teveel generaliseren.

Genezing is alleen mogelijk via de medische wetenschap. Dat wil dus zeggen dat een opleiding tot medicus het enige is waardoor je kunt leren genezen. Maar hoe komt het dan dat de ene geneesheer een betere geneesheer is dan de andere? Met een gelijk toegewijd zijn, met een gelijke kennis is de één bv. een beter chirurg of een beter diagnosticus. Hij is een beter mensenkenner. Dat komt omdat de één gevoeliger is dan de ander.

Nu weten we allemaal dat die sensitiviteit bestaat, maar we doen alsof ze niet bestaat. En daar begint dan de ellende. We nemen het wonder (en dan gaan we nu eens niet kijken naar de één of andere magnetiseur) en we gaan kijken naar de één of andere godsdienstige meeting. Daar zijn misschien wel een paar duizend mensen bijeen. Die mensen zijn opgezweept. Er staat iemand die zegt: “Nu zal Jezus u genezen.” En daar wordt een mens genezen. Dan kun je zeggen: Dat is een wonder van Christus. Misschien. Maar wat is er in feite gebeurd?

Degene die de verklaring uitstuurt, moet een persoonlijkheid zijn; hij moet overwicht hebben; hij moet suggestief werken. Dus: niet iedereen kan het, zoals sommige would‑be geestelijke genezers overigens tot hun schade hebben geleerd.

Sommige van hen hebben zich daarna tot het spiritisme gewend; daar worden minder resultaten gevraagd. De persoonlijkheid alleen is niet voldoende. Er moet een verwachting zijn. Er wordt de verwachting van genezing geschapen. Er wordt verder een reden gegeven; d.w.z. de verandering wordt aanvaardbaar gemaakt.

Of die reden concreet is of niet, doet niet ter zake. De mens moet kunnen aanvaarden dat hij anders kan zijn dan nu. En daarmee valt een psychisch blok weg. Dat lichaam heeft op grond van een schuldbewustzijn misschien of’ van een gedesoriënteerd zijn in de maatschappij zichzelf de ziekte voortdurend aangepraat. Ze is fysiek aanwezig, maar wordt in haar verschijnsel voortdurend psychisch gestimuleerd. Nu neem ik deze psychische stimulans weg, en wat is het gevolg?

De verschijnselen die eens loodzwaar schenen te wegen, zijn nu ineens zo licht als een veertje. Is het een wonder dat die mens uitroept: Ik ben genezen ! Er is alleen maar een psychische verandering.

We gaan nog een stapje verder en zullen de magnetiseur er toch maar bij halen, anders denken ze dat ik onrechtvaardig ben. Er is een magnetiseur. Deze moet eerst contact hebben met zijn patiënt. Dat moet een zeker gevoel van aanvaarding zijn zowel van de patiënt als van de magnetiseur. Er moet iets zijn wat deze beiden verbindt. Dat kan zelfs een ander zijn. Er kan dus een derde persoon bij betrokken zijn die in feite het contactpunt (het brandpunt) is voor de magnetiseur, omdat die. persoon voor beiden aanvaardbaar is. Nu begint de magnetiseur kracht uit te stralen. Wat voor kracht? We weten dat er een zekere aura bestaat. We kunnen dit verklaren als warmte en reacties van de verschillende bio-elektrische synapsen in het lichaam enz.

In die aura is iets aanwezig. Niemand kan u zeggen wat. We kunnen wel zeggen levenskracht, prana of wat anders, maar niemand weet het; het is maar een naam. Er is de mogelijkheid dat uit de aura iets overvloeit. Maar kan dat zoveel zijn dat de patiënt daardoor genezen wordt? Zeer waarschijnlijk niet. Maar als de patiënt genezing verwacht of vertrouwen heeft dat de pijn zal verdwijnen, dan is hij dus psychisch al geconditioneerd. In dit geconditioneerd zijn, wordt het vaste evenwicht van de ziekelijke toestand tijdelijk verbroken en kan zelfs een betrekkelijk geringe kracht soms al de doorslag geven. Die betrekkelijk geringe kracht is dan vaak niets anders dan een versterking van de vitaliteit van de weefsels op een bepaalde plaats waardoor het terugvallen in de ziektetoestand moeilijker wordt. Vandaar ook dat bij de meeste magnetiseurs de genezing van een langdurige ziekte eigenlijk een beetje doet denken aan een slinger. We gaan naar boven toe ‑ de magnetiseur is er en hij laadt op. We gaan naar beneden toe ‑ we komen tot een neerslachtigheid, maar hij zal weer komen. De verwachting is er weer en een zeker optimisme. Hij komt, hij werkt, en zo slingert dat heen en weer. Maar elke keer dat de magnetiseur komt, krijgt de slinger een heel klein duwtje, waardoor hij iets hoger komt, tot het ogenblik dat hij eigenlijk de balans overslaat. Hij slaat een keer om en is ineens veranderd. Dan wordt er een nieuw evenwicht gezocht en in dit nieuwe evenwicht kan de genezing tot stand komen.

Nu zijn er 1001 methoden om dit alles te verklaren. Zeker is dat de genezing door iemand die geen diploma’s heeft, die niet bewust heeft gestudeerd om te genezen, maar die door een zekere feeling, een zekere wilskracht misschien ook een ander geneest in de termen van de huidige wetenschap en godsdienst een wonder zou moeten worden genoemd, want hier zien wij precies dezelfde verschijnselen als wij bij Jezus zien die duivelen uitdrijft. Vroeger wist men te weinig en daarom aanvaardde men het als wonder. Tegenwoordig denkt men teveel te weten en daarom verklaart men het weg. Maar wat nu geen wonder wordt genoemd, mag men dan ook niet in het verleden een wonder noemen.

Dat brengt mij vanzelf aan het derde item dat ik zou willen noemen: De wonderen in het verleden zouden in het heden ofwel verklaarbare dan wel onaanvaardbare feiten zijn geweest. Vele van de normale waarden en kennis van deze tijd zou in het verleden “wonder” zijn genoemd. En dan zijn we weer een beetje dichterbij gekomen. Maar achter dit alles moet er toch iets functioneren.

Nu kunnen we natuurlijk een heel kosmisch beeld opbouwen. We kunnen precies gaan vertellen hoe het in elkaar zit, maar we weten het nooit zeker. En zelfs indien wij het zeker weten, kunnen we het niet aan een ander bewijzen. Het heeft dus weinig zin. Ik kan wel een heel kosmisch stelsel opbouwen waarin het wonder een noodzaak is geworden, maar ik kan ook op een andere manier te werk gaan en dan kom ik wel weer binnen het aanvaardbare, ofschoon ik het wonder behoud.

Als ik 100 mensen neem, dan zullen er in een bepaalde periode voor die 100 mensen 100 meevallers en 100 tegenvallers optreden. Maar wat blijkt nu? Dat 3 of 4 van die 100 bijna 70 % van de meevallers hebben en dat ook 3 of 4 van de 100 bijna 60 % van de tegenvallers hebben. Toeval? Neen, want het herhaalt zich steeds weer. We noemen deze mensen dan ofwel gelukkig of accidentprones; dat betekent dat ze ongelukken naar zich toehalen. Wij proberen dat te verklaren met een oriëntatie van deze mensen. Maar als iemand nu optimist is, trekt hij nog lang niet de honderdduizend. Er zijn echter mensen die uit medelijden een lotje kopen van een jongetje en dan nog een kanariepiet in kooi naar huis gestuurd krijgen, die ze toevallig net kunnen geven aan tante Emma voor haar jubileum. Er zijn dus mensen die helemaal niet bewust optimistisch zijn, maar die het eenvoudig meeloopt.

Hoe kan dat? Het kan niet alleen op logische gronden worden verklaard, maar we kunnen wel zeggen dat deze mensen onbewust aanvoelen wat voor hen wel en wat niet kan slagen. Zij selecteren uit de mogelijkheden onbewust steeds de beste. En degenen die al dat ongeluk hebben, dat zijn mensen die om de één of andere reden steeds de verkeerde keuze doen; maar ook vaak heel consequent. Is het dan zo vreemd als ik beweer dat er in de mens iets is (ik omschrijf het niet) waardoor deze keuze wordt bepaald? Neen, het is niet vreemd dat ik dat zeg, want men heeft deze stelling al aanvaard. Men praat er nu omheen met de termen schuldbewustzijn, zelfbestraffing, zelfbeloning en weet ik wat nog meer, maar dat zijn allemaal woorden en verklaringen. Het feit dat er iets is in de mens wat men niet kent waardoor hij selecteert, is door de wetenschap aanvaard.

Indien dit mogelijk is, dan is het ook mogelijk dat de totale oriëntatie van de mens in zijn wereld en in alle voor hem mogelijke en bestaande werelden eventueel wordt bepaald door zijn eigen innerlijk, ook als daarbij de keuze dus niet bewust mentaal rationeel kan worden verklaard. En als ik dit eenmaal aanneem, is het dwaas te zeggen: De mens heeft wel een selectievermogen, maar hij heeft daarnaast niet de energie en niet de mogelijkheden om andere dingen te zijn, te doen en te kennen. Indien ik eenmaal een onzichtbare mogelijkheid in de mens aanneem, dan is het ook helemaal niet zo dwaas meer om aan te nemen dat die ook buiten de mens bestaat en dan is de vraag alleen nog maar: In hoeverre kun je die gebruiken?

Nu blijkt weer dat degenen die we de grote wonderen zien doen, altijd weer zogenaamde ingewijden zijn. Er wordt van een groot aantal mensen verteld dat ze wel eens doden hebben opgewekt. Nu kunnen dat wel schijndoden zijn geweest, maar dan nog is de vraag: Hoe wisten ze dat die mensen schijndood waren? Dat is niet alleen iets van Jezus, maar we horen dat van bepaalde Griekse wijsgeren. We horen het uit Egypte, uit India, uit Yucatan enz. Dan zeg ik: Deze kennis en dit vermogen zullen bij die mensen die zich op hun gaven, hun innerlijke en ook emotionele waarden hebben geworpen, sneller en vollediger tot ontwikkeling komen dan bij anderen. En dan is de conclusie weer logisch: het wonder bestaat, maar wordt onmogelijk gemaakt door de logica die het ontkent.

Wanneer ik begin met onzichtbare waarden te accepteren en een onzichtbare wereld van mogelijkheden te aanvaarden, kan ik deze niet uitsluiten voor de mens in zijn huidige vorm en zijn huidige maatschappij. Dan moet ik zeggen: Zo goed als er overal een verborgen waarde, een verborgen evenwicht achter schuilt, moet dat ook bij de mens het geval zijn. Want het is wel heel dwaas als wij willen aannemen dat er overal onbewuste, instinctieve en andere mogelijkheden aanwezig zijn en dat ze juist bij de mens niet bestaan. Als ze bij de mens bestaan, dan moeten wij aannemen dat de mens anders en meer is dan hij zelf beseft te zijn of bewust kan aanvaarden te zijn.

En dan mag ik eindelijk zover gaan dat ik probeer het wonder vanuit een ander standpunt (mijn geestelijk standpunt) te verklaren. Ik hoop dat u het tot zover met mij eens bent en dat u meent dat de toestemming tot het geestelijk verklaren van de zaak mij niet kan worden onthouden. Elke formulering die ik gebruik om mijn innerlijk te omschrijven, is een rationalisatie. Ik heb geen termen om te verklaren wat ik ben als geest. Zo heeft de mens geen termen om te verklaren wat zich in hem verbergt buiten de direct stoffelijk kenbare waarden. Dit onbekende is kennelijk in staat in harmonie, in gelijkheid van trilling of in overeenstemming te komen met andere waarden. Daarbij blijkt zowel naar het besef als naar het weten een overdracht mogelijk van feitenmateriaal dat de mens oorspronkelijk niet bewust bezat. Het blijkt verder mogelijk krachten te ontwikkelen; het blijkt mogelijk materialen te beïnvloeden.

Dan stel ik: Degene die in staat is deze innerlijke, z.g. onbekende mens in zichzelf te ontdekken, zal daarin ook een bevoertuiging en een aantal werktuigen ontdekken die sterk afwijken van hetgeen stoffelijke gebruikelijk is. Indien hij deze gebruikt, zullen ze voor anderen een wonder tot stand brengen zonder dat het voor hemzelf een wonder is. Op het ogenblik dat ik denk aan b.v. God (of als je het bescheidener doet aan de één of andere geest) beroep ik mij op een hogere kracht. Maar deze hogere kracht is een kracht die in de eerste plaats in mijn voorstellingsvermogen bestaat. Ik weet niet of ze daarbuiten bestaat. Toch zal bij voldoende geloof, bij voldoende vertrouwen alleen reeds deze aanroeping of bede onmiddellijk krachten tot gevolg kunnen hebben.

Dan stel ik: Wij kunnen elk tekort aan kracht dat wij in onszelf vermoeden, suppleren door ons een wezen of kracht voor te stellen waarin de bewuste mogelijkheden wel aanwezig zijn.

Dan stel ik verder: Elke beredenering van de feiten, elke verklaring met mooie of lelijke woorden, is alleen maar een rationalisatie. Maar de kracht waarmee ik werk is reëel, want zij kan tastbare resultaten tot stand brengen. Als geest weet ik dat wij te maken hebben met verschillende sferen. Een sfeer zou je eerder kunnen beschouwen als een niveau van kracht plus een niveau van bewustzijn. Het is dus geen begrensde wereld. Deze sferen gedragen zich t.o.v. elkaar als potentialen; dus verschillende krachtbronnen. Bijvoorbeeld een reeks trappen van een waterval. Zij kunnen van elkaar ontvangen en kunnen wat zij van een ander ontvangen, doorgeven. Hierbij is bepalend hoe zij zelf zijn opgesteld t.a.v. de andere sfeer. De vloed wordt niet bepaald door goed of kwaad, licht of duister, zij wordt alleen bepaald door de aanwezige kracht plus de aanvaarde kracht. Daaruit volgt voor mij dat daar de hoogste sferen die ik ken (dat zijn ook de energiebevattende sferen) in hun beleving vele van de differentiatie, die ik persoonlijk aanvaard, niet meer schijnen te kennen, een samenvloeien van alle verschijnselen en krachten tot een geheel in het voorstellingsvermogen gelijk komt aan het bereiken van een bijna oneindige krachtbron in het eigen “ik” volgens het voorstellingsvermogen. En dan hebben een aardige sleutel te pakken voor het wonder:

Naarmate ik mij meer bewust ben dat alle krachten ergens in mij bestaan en dat de verschillen die ik maak alleen uit mij voortkomen en in feite onbelangrijk zijn, zal ik dus in staat zijn een grotere kracht uit te oefenen in een wereld, waarin men aanneemt dat die tegenstellingen we1 en onveranderlijk bestaan. Want omdat ik de eenheid van de tegenstellingen kan begrijpen, kan ik ze verschuiven zonder ze te veranderen. Hun verschijningsvorm voor de waarneming wordt echter anders. Dan trek ik ‑ geestelijk ‑ de volgende conclusie:

Vereenvoudiging van gevoel en besef ten aanzien ven het “ik” en de totaliteit resulteert in een toename van kracht en vermogen t.a.v. de gedifferentieerde wereld die voor anderen nog bestaat. Daarmee heb ik ook een verklaring voor het wonder gegeven.

Als iemand telekinese kan uitoefenen (dat is gebleken bij vele proeven), dan kan hij in zijn eentje een piano versjouwen, iets waarvoor je anders tenminste twee man nodig hebt, zonder een vinger te verroeren. Hij kan een tafel doen waggelen en eventueel zelfs omhoog doen gaan, ook al proberen tien mensen om haar tegen te houden. De kracht die de telekinist op dat ogenblik bezit, is dus veel groter dan zijn normale spierkracht. Als dat nu geldt voor spierkracht, dan moet dat ook voor andere dingen gelden. Als ik een doordringingsvermogen nodig heb en ik gebruik een geestelijk doordringingsvermogen, dan zal dat veel verder gaan dan elk lichamelijk voorstelbaar vermogen.

Als ik een overdracht van energie heb, dan moet deze veel verder kunnen gaan en ook nog veel fijner kunnen worden bepaald dan materieel denkbaar is. Omdat de mogelijkheden van de geest (dat eigenaardige, onbekende gebied dat men nu maar de psyche noemt) zoveel groter zijn dan het lichamelijke en de daarin werkzame krachten ‑ al zijn ze op zich misschien gering ‑ enorm zijn in verhouding tot de stoffelijk erkende werkelijkheden, kun je piramiden bouwen alleen door stenen te leviteren; kun je met heel eenvoudige processen misschien chemische reacties tot stand brengen om stenen glad te maken, totdat zij op een moment. scherp op elkaar passen, kun je misschien een mens genezen; kun je een operatie uitvoeren zonder het lichaam te openen. Vergeet niet dat men ook technisch deze kant uitgaat. Als wij gebruik maken van b.v. kobaltbestraling dan weten we dat dat allemaal niet perfect is. Maar wat is dat anders dan een poging om door concentratie van straling op één plaats een soort operatie te volvoeren, zonder dat men verplicht is daarvoor de overige weefsels te beschadigen of het lichaam te openen.

De geest heeft een uitstraling. Het is bewezen dat het brein een groot aantal minuscule impulsen uitzendt die meetbaar zijn via elektronen: encefalografie. Als deze impulsen technisch een meetbare grootorde hebben, betekent dit nog niet dat hun nevenwerkingen, die technisch niet constateerbaar zijn, van eenzelfde kleine grootteorde zijn. Het kan heel goed zijn dat wat de encefalograaf optekent in feite maar een klein nevenverschijnsel is, een klein stoorgeluidje bij een enorme golf van kracht.

Nu we dit accepteren, is het begrijpelijk dat het denken (zelfs het bewust menselijk denken) enorme krachten kan opbrengen. Dan is het begrijpelijk dat heel veel onvoorstelbare dingen kunnen gebeuren, maar het zal altijd gebeuren volgens regels, volgens normen. Er zijn kosmische wetten; en geen enkel wonder schakelt een kosmische wet uit. Integendeel, het is de vervulling van de kosmische wet op grond van geestelijke waarden.

Dan moeten we dus ook stellen: een wonder is niet iets wat tegen de natuur is of tegen de krachten ingaat. Het is eenvoudig iets wat die krachten tot uiting brengt op een andere wijze dan we kennen. En dat betekent dat u zelf wonderen zoudt kunnen doen, indien u zoudt geloven dat u daartoe in staat bent. Dat wil zeggen dat u indien u zich intens genoeg kunt concentreren met uw gevoel, met uw wezen, tot uw hele wezen een bepaald iets uitstraalt, in staat zoudt moeten zijn om voorwerpen te verplaatsen, om zieken te genezen, misschien doden te laten opstaan, om materie in andere materie te veranderen. Het is voor een groot gedeelte uw voorstellingswereld en uw geloof, dat het u onmogelijk maakt het wonder tot stand te brengen. Of mag ik het misschien anders formuleren: het is uw stoffelijke denkwijze en uw neiging om alles in de voor u gekende vormen terug te brengen, dat het u onmogelijk maakt de werkelijke wetten en regels te kennen, die als ze in uw wereld soms tot uiting komen, een wonder worden genoemd of een toeval.

Daarmee is de inleiding ten einde Ik hoop u voldoende materiaal ter overweging te hebben gegeven. Let wel: met mijn eerste voorbeelden heb ik niet geprobeerd de figuur van Jezus kleiner of onbelangrijker te maken dan hij is. Ik heb niet geprobeerd weg te verklaren, dat men met de godsdienst bepaalde wonderen kan verrichten. Ik heb niet geprobeerd op de één of andere manier het wonder te ontheiligen. Ik heb alleen geprobeerd u duidelijk te maken dat het wonder slechts een gebruik van krachten is, die ook in u schuilen, zodat ook u het wonder zoudt moeten kunnen volbrengen. En als u het kunt, is het geen wonder meer. Dan is het het gebruik van regels, wetten en krachten, die u beseft.

****************************

*  Volgens uw rede bestaan er geen wonderen, maar alleen gebrek aan verklaring. Is dat zo?

Ik ben ongeveer drie kwartier bezig geweest om dat te betogen. Ik geloof dus wel dat ik in dezen mijn standpunt mag bepalen. Een wonder is alleen een wonder indien men het niet begrijpt. Zodra men het begrijpt, is het geen wonder meer. Ik geloof dat er een punt is waarop wij alle dingen begrijpen als zijnde deel van een kosmische ordening. Dat is dus een geloof. Maar al mijn ervaring wijst erop dat dat geloof zo gek niet is tot nu toe en dat deze kosmische ordening alles omvat, ook de verschijnselen die we door een gebrek aan weten of begrip voorlopig maar een wonder noemen.

*  In het begin van uw rede zei u dat er wel andere wegen zijn om de maan te bereiken. Welke zijn die?

U zoudt bv. kunnen uittreden. Het is wel riskant, maar ik geloof niet zo langdurig en riskant als een maanreis. Als ik u nu vertel dat er andere voertuigen en andere aandrijvingmogelijkheden bestaan o.a. gebaseerd op krachtlijnenstelsels en lichtdruk die men op aarde nog niet heeft ontwikkeld, dan zult u misschien begrijpen, dat er voertuigen bestaan, die met veel minder moeite en gevaar voor de mensen vaak in veel kortere tijd een reisje naar de maan kunnen maken. Om u een voorbeeld te geven: Als ik te maken heb met een klein voertuig, gebaseerd op een magnetisch afstotingsprincipe (zoiets als een vliegende schotel), dan kan ik van de aarde naar de maan gaan, zonder dat ik zelf enige versnelling ervaar, omdat ik centraal ben in een eigen gegenereerd veld dat ook een zwaartekrachtveld is, in ongeveer 41/2 uur. Inclusief de landing en het opstijgen in 5 uur. En dan heeft u nog een kwartier om in en uit te stappen. Er bestaan dus voldoende methoden. Het is vanuit menselijk standpunt een technisch wonder dat men dit op het ogenblik met raketten kan bereiken. Aan de andere kant moeten we stellen dat technisch gezien vanuit de kennis die in de totale kosmos aanwezig is, de raket eigenlijk nog maar steeds kinderspeelgoed blijft en dat ze dus zeker niet gebruikt behoeft te worden voor maanreizen en interplanetaire reizen. Ik mag er meteen aan toevoegen dat de Russen nu al een beter aandrijvingsysteem hebben geperfectioneerd, n.l. een systeem dat op atoomkracht plus water dampuitstorting werkt. Dat systeem geeft een veel grotere power, een veel grotere trust. Men kan voor die aandrijving ook andere materie gebruiken, zelfs droog zand, zodat men dus een veel mindere hoeveelheid last omhoog behoeft te brengen. Dat is al een heel belangrijk punt. Daarnaast beschikt men over een continue krachtbron, die bijna overal zou zijn aan te vullen, zodra men maar in de buurt van massa komt. Dat heb je op het ogenblik nog niet met die specifieke raketbrandstoffen, die men tot nu toe heeft gebruikt.

*  Momenteel is er een boek getiteld: “Waren de goden kosmonauten?” waarin wordt gesuggereerd dat de piramiden en monolieten door mensen van andere planeten werden gebouwd. Is dit juist?

 Zeker niet geheel. De piramiden zijn inderdaad gebouwd door mensen, ofschoon het ontwerp van de eerste piramide veel ouder is dan het Egyptische rijk. Zigurats e.d. zijn allemaal door mensen gebouwd. De bekende piramiden van Egypte (de drie grote piramiden met de bijliggenden) zijn ook door mensen herbouwd. Laten we daarmee beginnen. Monolieten, zoals bv. Stonehenge e.d., waaraan men waarschijnlijk ook denkt, zijn ook door mensen gebouwd. Het is een andere vraag of er ooit ruimtevaarders op deze wereld zijn geweest. En dan kan ik u antwoorden: Ja, daarvoor zijn zeer vele bewijzen aan te voeren. We hebben bovendien zoveel overleveringen omtrent mensen die met lichtschijnsels of met vurige wagens op aarde neerdalen en weer verdwijnen, dat we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen beweren dat er voertuigen zijn geweest die uit de hemel zijn geland. Er zijn natuurlijk heel wat meer verhalen te vertellen. Je zou je bv. kunnen afvragen of Jonas nu werkelijk in een walvis heeft gezeten. Het zou ook wel kunnen zijn dat hij in een onderwatervoertuig heeft gezeten. Dat is namelijk heel wat waarschijnlijker dan dat hij door een walvis of’ zelfs een potvis werd verzwolgen, vooral als we nagaan in welk deel van de wereld dat gebeurde. Maar dit zijn allemaal veronderstellingen. Wij kunnen niet zeggen: De goden zijn kosmonauten, omdat dat eenvoudig godenvoorstellingen zijn. Het zijn menselijke voorstellingen. En ik geloof niet dat je kunt beweren dat alle beschaafde stammen in de kosmos nu ook mensen moeten zijn of op mensen moeten lijken. Dus: vorm u een eigen mening en neem het boek niet zonder meer voor evangelie aan.

*  De bijbel zegt dat het ons zal geschieden naar ons geloof. Maar als wij willen dat er iets gebeurt en we hebben ook een voorgevoel dat het gaat gebeuren, dan is het geloven gemakkelijk. Hebben we echter het gevoel dat het tegengestelde gaat gebeuren, dan valt het wel erg moeilijk erin te geloven. Wat is er nu bepalend: het geloof of het voorgevoel, of zijn deze beide schijn?

Het geloof is bepalend. Het geloof is echter niet datgene wat je wilt aannemen, maar hetgeen je als zekerheid aanneemt, ongeacht het feit of er bewijzen voor zijn of niet. Met andere woorden: geloof is zekerheid. En als men in zich de zekerheid heeft dat iets waar is of waar wordt, dan verwezenlijkt het zich ook. Maar op het ogenblik dat ik iets wil geloven, geef ik alleen door de poging om het te geloven reeds aan, dat ik er in feite niet in geloof. Dat ziet men vaak over het hoofd.

*  Maar waar komt dat voorgevoel vandaan?

Dat voorgevoel of dat innerlijk aanvoelen komt voort uit de niet‑zintuiglijke waarneming plus de voorgeschiedenis van het “ik”, waardoor een oriëntatie t.a.v. het totaal van het zijnde ontstaat. Ik weet niet of het voldoende is, maar het is in ieder geval het beste antwoord dat ik hier kan geven.

*  Als ik u goed heb begrepen, zou in de mens iets bestaan wat voor hem kiest. Kunt u hierover iets meer zeggen?

Ik heb niet gezegd dat er in de mens iets bestaat wat voor hem kiest. Ik heb wel gezegd dat er in de mens iets bestaat, waardoor hij kiest, ongeacht zijn rationele beschouwingen en zijn mentale overwegingen. Dat is dus iets anders. Ik heb u het voorbeeld gegeven van geluk hebben. Als u links of rechts kunt afslaan en u heeft richtingsgevoel, dan zult u vaak zonder het te beseffen de kant uitgaan die u de mogelijkheid geeft uw doel het snelst te bereiken. Indien u echter dat gevoel niet heeft, dan kiest u vaak de langste weg, of misschien is het bij toeval de kortste. U kiest dus niet altijd de kortste weg. Nu weten we allemaal dat je theoretisch niet weten kunt wat de kortste weg is, als je op onbekend terrein bent. Toch blijken er mensen te zijn, die dit aanvoelen. Dit aanvoelen is niet mentaal, maar hun keuze wordt door wat zij noemen “dit gevoel” a.h.w. bepaald. Ze doen het haast automatisch. Zelfs als ze zich voornemen anders te handelen of te reageren, dan reageren ze toch zoals het in hen bestaat. We zien heel veel mensen die voornemens maken welke ze nooit ten uitvoer kunnen brengen; ze doen vaak het tegengestelde. U heeft ook wel eens goede voornemens, neem ik aan, die dan altijd later weer blijken in het tegengestelde te zijn opgegaan. Hoe komt dat? Omdat u innerlijk een oriëntatie bezit die zich niet stoort aan uw redelijke overwegingen en daardoor een zekere doorslagkracht geeft aan uw gevoel, uw sensitiviteit. U kiest dus wel, maar niet op grond van uw kennis en redelijke overwegingen zonder meer. Er zijn zelfs situaties denkbaar, waarin u tegen uw weten, uw besef, uw redelijkheid, uw logica in reageert en u kunt uzelf niet helpen. U reageert volgens het wezen dat u bent en de harmonieën en lijnen die daarvoor bestaan. U reageert dus niet volgens datgene wat u meent te moeten zijn of meent te weten of meent te beredeneren. Dat heb ik getracht te zeggen.

*  Kun je daar dan niet tegenin gaan?

Daar kun je niet tegenin gaan om de doodeenvoudige reden dat de wijze om er tegenin te gaan die u kent, een mentale is en juist het mentale wordt overvleugeld door de innerlijke wereld. Pas als u leert uw eigen afstemming (en dat kunt u aan de hand van het mentale wel enigszins doen) voortdurend op een bepaalde wijze te richten, zult u misschien meer bewust de innerlijke invloed ondergaan en zult u beseffen dat u het op grond van innerlijke waarden doet. Maar daarmee heeft u dan nog niet bereikt dat u het beïnvloedt. Pas als u uzelf kent, zoudt u uzelf kunnen beïnvloeden. Het vreemde is echter dat als je jezelf eenmaal kent, je jezelf niet meer wilt beïnvloeden, omdat het in de gehele geschiedenis van het “ik” steeds – als deze innerlijke factor dus spreekt – de optimale beslissing wordt. Deze geestelijke waarde kunt u vergelijken met een kompasnaald die altijd op het doel (noord) bewustwording wijst en die u dus voortdurend in die richting doet gaan, ook al heeft u beredeneerd dat u eigenlijk naar het westen of het oosten moet gaan.

*  Is het dan niet de bedoeling dat wij bewust leren leven en kiezen?

Het is de bedoeling dat u zich van uw leven bewust bent. Dat is iets anders dan bewust leren leven en kiezen, zoals u het schijnbaar bedoelt; namelijk met mentale overwegingen alles bepalen. Dat kunt u niet; en op het ogenblik dat u het kunt, bent u geen mens meer. De waarde van het mens‑zijn is juist gelegen in het feit dat deze emoties, deze innerlijke waarden en krachten een rol spelen, waardoor u boven de logica kunt stijgen en waarbij u in uw keuze ‑ ook al doet u het schijnbaar verkeerd ‑ altijd toch weer een weg tot vooruitgang vindt. Als u alles bewust zoudt kunnen doen, zoudt u een soort robot zijn. En een robot is beperkt tot de mogelijkheden die in hem aanwezig zijn. Doordat u deze logische weg niet volgt, vult u het aantal in u bestaande mogelijkheden steeds aan, zodat uw totaal vermogen steeds groter wordt. Daar komt het wel een beetje op neer. De meest bewusten, de grootmeesters van de geest, zijn wezens of mensen die de logica, de rede en de beheersing ergens uitschakelen. Zij beredeneren dus niet hoe het wel of hoe het niet moet, of wat ze wel of niet zouden moeten doen, maar zij gaan in de eerste plaats af op dat innerlijk kompas. Zij weten wat ze zijn en op dit zijn reageren zij. Denkt u maar aan de Boeddha. De Boeddha is aan het hof van een vorst te gast. Dan komt het bericht dat zijn,vader op sterven ligt en of hij alsjeblieft direct wil komen. De Boeddha blijft echter daar rustig nog een paar weken, ofschoon hij zeker ook mensenliefde kent, ook voor zijn ouders. Hij gaat dan toch naar zijn vader toe en komt juist op tijd. Dat wil zeggen dat hij anders zijn tijd had verspild. Indien hij had gedaan wat hij redelijk meende te moeten doen op grond van zijn leer, dan was hij waarschijnlijk toch naar die vader toegegaan. Jezus staat op de berg. Hij overweegt. Hij weet dat hij de volgende morgen of diezelfde nacht nog zal worden gevangen genomen. Hij kan gemakkelijk weglopen op dat ogenblik. Hij doet het niet. Redelijk zou hij moeten vluchten, want als hij wordt veroordeeld, zullen al zijn leerlingen in angst verkeren en is het eigenlijk niet meer aannemelijk dat de leefwijze die hij propageert, verder zal worden doorgezet. Er zijn allerlei redenen aan te voeren om het niet te doen. Maar hij doet het wel, omdat hij aanvoelt dat dit de enig juiste weg is. Daaruit blijkt dat de hoogstbewusten dus niet wat u noemt redelijk, beheerst en doelbewust leven, maar dat zij leven vanuit een innerlijk, waarin wel degelijk een doelerkenning voor hen ligt. Maar een doelerkenning die niet meer kan worden omschreven in de termen van eigen wereld of menselijke redelijkheid.

*  Maar is het aan de andere kant ook niet zo dat Jezus door het doen van zijn wonderen juist bewust heeft ingegrepen?

Dat is een heel aardige redenering. Maar als u even nadenkt hoe Jezus vaak reageert als hij wonderen doet, dan zult u zien dat hij dit niet doet tegen de mens in. “Uw geloof heeft u behouden”, “Wat u gevraagd heeft, zal u geworden” e.d. Waaruit dus duidelijk blijkt dat ook in de wonderen van Jezus de ontvanger van het wonder wel degelijk een bepalende en actieve factor is.

*  Er werd toch tegemoet gekomen aan een bewust verlangen van die mensen?

Zo zoudt u het kunnen zeggen. Ik zou eerder zeggen: aan een afstemming in deze mensen; dus een mogelijkheid in deze mensen.

*  Ik bedoelde eigenlijk: in zover wij mensen lotsverandering willen in ons leven, wat voor macht hebben wij om daaraan tegemoet te komen?

Heel eenvoudig te komen tot een lotsaanvaarding, waarbij de belangrijkheid van uw leven ligt buiten het direct redelijk beschouwen en doel van uw lot. Op het ogenblik dat u dat bereikt, verandert uw instelling en zal uw keuze door deze gevoelsmatige motivering van uw bestaan (die verder dus niets te maken heeft met uw overwegingen) worden bepaald. Zolang u meent in uw denken of in uw leven aan bepaalde uiterlijke normen te moeten beantwoorden, zult u hierdoor worden bepaald. Dat kompas zal dan blijven werken en tegen al uw overwegingen in u blijven overheersen.

*  Dus eigenlijk betekent dit: als we tegen een berg kunnen zeggen “ga in de zee”, tegen de tijd dat we dat kunnen presteren, dan doen we dat niet meer, dan is er geen reden meer voor.

Natuurlijk niet. Wanneer ik weet wat de kracht is, behoef ik haar toch niet te manifesteren. Als ik het dan doe, doe ik het voor een ander die nog niet in staat is om het zelf te manifesteren, maar in zich de afstemming heeft, waardoor de manifestatie eigenlijk mogelijk zou moeten zijn. Dan probeer ik hem op weg te helpen. Laat mij het zo zeggen: Als je tien miljoen hebt, heeft het dan nog zin om een collecte voor het één of ander te organiseren? Eigenlijk niet. De opbrengst ervan kun je meestal uit je eigen zak ook wel betalen. Maar je doet het toch omdat anderen door hun geven betrokken raken in hetgeen je met die collecte wilt bereiken. Zo moet u het zien. Degene die in zich het totaal heeft bereikt, weet wat er is, wat hij betekent en wat hij kan. Er is dus niets meer wat hem werkelijk kan bewegen en tot actie kan brengen omwille van zichzelf. Als hij dan nog reageert, is dat terwille van anderen en vanwege de bewogenheid en de mogelijkheid van anderen. Dat is hier de bepalende factor.

*  Wat u innerlijk kompas noemt, wordt ook wel de innerlijke helper genoemd?

Ze noemen het soms zelfs geweten, ofschoon het geweten van de meeste mensen een product is van dressuur en niet van geestelijke waarde. Ze geven er duizend namen aan. Ze zeggen ook wel engelbewaarder, geleidegeest. Geestelijke meester noemen ze het zelfs en dan projecteren ze het buiten zich. Dat innerlijk kompas is doodgewoon de kern van uw wezen. Als u het nu theoretisch mooi wilt zeggen: De kern van uw wezen is eeuwig en als zodanig gefixeerd in een evenwicht dat eeuwig is en oriënteert het totaal van alle gebeuren in de tijd waarin de onevenwichtigheid dus niet wordt beseft volgens de norm van het evenwicht dat kosmisch bestaat. Dan heeft u het zo juist mogelijk geformuleerd. Niet dat u daarmee veel wijzer bent, maar u heeft in ieder geval een formulering.

*  Kan dit ook negatief werken, zodat je tot misdrijf komt, zonder dat je het zelf zoudt willen?

Ja, dat kan, omdat misdrijf eigenlijk een bepaling is vanuit de menselijke wereld. Nu heb ik een paar vragen voor u: Zou de man die in Sarajevo Aartshertog Ferdinand vermoordde, moeten worden beschouwd als iemand die een misdaad heeft begaan? Vanuit menselijk standpunt geloof ik dat je “ja” moet zeggen. Maar gelijktijdig heeft hij een wereld, die langzaam maar zeker tot stilstand was gekomen, in beweging gebracht. Hij heeft veel ellende veroorzaakt, maar tevens een vooruitgang bewerkstelligd die zonder hem niet denkbaar was. In de totale ontwikkeling – en ik geloof ook wel in de bewustwording der mensheid – is hij dus een zeer belangrijke factor geweest, zelfs in de wetenschappelijke ontwikkeling. Hitler heeft enorm veel veroorzaakt (ik zeg niet gedaan, maar veroorzaakt) dat misdadig en slecht lijkt. Maar vraag u nu eens af wat de wereld zonder Hitler geweest zou zijn en kijk dan eens hoe de mensen daardoor anders zijn gaan denken en anders zijn gaan leven. Dan kun je zeggen: Kosmisch gezien is dat dus ergens goed voor geweest, maar vanuit een menselijk standpunt gezien was het wel verduveld verkeerd. Nu kan ik me voorstellen dat u als mens bent georiënteerd op een evenwicht dat niet in overeenstemming is met de aanvaarde situatie van de wereld waarin u leeft. Dan zult u dus komen tot handelingen en daden (vaak tegen uw besef en redelijkheid in), welke voor die wereld stuitend en misdadig zijn, maar die in feite corrigerend en stimulerend werken.

*  Maar u bedoelt toch niet dat Hitler een kosmische medaille krijgt?

Waarde vriend, ik deel niet eens vetleren medailles uit, want alle helden en staatslieden zijn vanuit mijn standpunt gezien, voor zover ze aards moeten worden bekeken, over het algemeen maar sinistere figuren.

*  Ja, maar dit anders leven, dit anders worden, is het gevolg geweest van 55.000.000 slachtoffers …

Die dus een paar jaar leven hebben gemist, zonder dat ze daardoor iets aan levenskracht, levensmogelijkheid en levenservaring hebben ingeboet. Op het ogenblik dat je de dood ziet als iets onherstelbaars, is dat verschrikkelijk. Tot je begrijpt dat dood eenvoudig een fase is; niet meer dan een korreltje in de zandloper van het leven. Als hij is afgelopen, wordt hij omgekeerd en loopt dan weer door.

*  Maar de manier waarop …

De manier waarop is zeker vanuit uw standpunt heel verschrikkelijk en moeilijk. Dat geef ik graag toe. Maar dit is uw waardering, die dus niets te maken heeft met de kosmische betekenis of waarde. Wanneer u die daden stelt volgens een bepaald besef op uw aarde, bent u volgens dat besef daarvoor verantwoordelijk, niet volgens de normen die anderen hebben gesteld, niet volgens de opvattingen van de gehele wereld, maar doodgewoon volgens de normen die u zelf heeft aangenomen en waartegen of waarin u heeft gehandeld. Wat u zelf beseft van uw handelen, dat is wat uw verder bestaan in de beperktheid van de geestelijke sfeer e.d. kan bepalen. Maar dat wil niet zeggen dat daarmee ook de kosmische betekenis is bepaald. Laten we één ding wel weten: alles wat wij zien als vooruitgang en bewustwording, kan vanuit een kosmisch standpunt regressie worden genoemd. En omgekeerd: wij kunnen geen waarde van een geestelijk bestaan dat tijdloos is vergelijken met een stoffelijk bestaan of een geestelijk bestaan dat nog wel tijd kent. Wij kunnen niet een totale evenwichtigheid beoordelen vanuit een heel klein standpunt, waarin we maar een heel klein deel van de mogelijkheid overzien en dat we dan als absolute maatstaf aanleggen aan het geheel. Er zijn daarvoor voorbeelden genoeg te geven.

*  De methode is niet altijd verkeerd?

De methode kan alleen worden verantwoord door je eigen besef, dat je naar beste weten en kunnen en met inzet van al je krachten juist handelt.

*  Een misdadiger doodt, omdat hij vindt: dit is juist voor mij.

Ik geloof dat de meeste misdadigers begrijpen dat ze niet juist handelen. Ze vinden alleen anderen dom, omdat ze wel juist handelen. Maar er kan een ogenblik komen dat een misdadiger vanuit uw standpunt dingen doet, die volgens hem onvermijdelijk en noodzakelijk waren. Wat zoudt u zeggen van de Israëlische geheime dienst die bekende nazi’s gevangen neemt of vermoordt?

*  Ik ben altijd tegen doden.

Daar hebben we niets mee te maken, het is wat u wilt. We hebben met die mensen te maken. Deze mensen begaan uit menselijk standpunt misdaden. Een volkenrechterlijke misdaad, als ze iemand ontvoeren en naar Israël terugbrengen. Als ze iemand doden, zijn ze moordenaars, want er is geen werkelijke staat van oorlog meer. Maar het is heel goed denkbaar dat deze mensen dit doen, omdat zij zichzelf daartoe gedreven voelen en hun eigen gevoel van juistheid stellen boven elke norm, die een staat of een wereld aanlegt. En dan zullen ze uit een menselijk standpunt veroordeeld moeten worden, terwijl ze zich gelijktijdig volgens hun eigen wezen gerechtvaardigd hebben en wat u als een misdaad beschouwt innerlijk beleven als een verdienste en dat ook later ‑ althans ten aanzien van hun oriëntatie ‑ als zodanig in het begin zullen ervaren. Later zien ze juistere verhoudingen; maar dat heeft er niets mee te maken. Dat is een bewustwordingsproces.

*  Sluit hierop ook aan het gezegde van vele wijzen: “Gaat in uzelf en daar zult u de waarheid vinden”?

Ja, ergens wel. Ga in uzelf en u vindt de waarheid. Ga in uzelf en u vindt het Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk Gods is in u. Ken uzelf. Dat zijn alleen maar woorden om de mens duidelijk te maken dat hij zichzelf niet kan meten aan zijn wereld en de wereld niet aan zichzelf, doordat hij aan de hand van zijn beleven en erkennen in de wereld zichzelf kan meten en zo zichzelf kan leren kennen. Dat is de enige positieve waarde die je hebt. Bewustwording is niet de ontdekking of beheersing van werelden. Het is de ontdekking en de beheersing van jezelf.

*  Kan een wonder worden verricht door het vermogen om door concentratie de suggestieve gedachtekracht te bundelen?

Ja, als ik de zin neem waarin het bedoeld is en niet de manier waarop het is gesteld, zou ik zeggen: dat is inderdaad mogelijk, omdat het wonder (d.w.z. het gebruik van krachten die niet algemeen worden erkend) door concentratie inderdaad kan worden verkregen. En wat u suggestieve kracht noemt (het scheppen van een schijn voor anderen of het veranderen van de werkelijkheid voor anderen) is inderdaad langs deze weg bereikbaar, zij het tijdelijk. U zoudt dus veranderingen tot stand kunnen brengen langs deze weg. Als u er een voorbeeld van wilt hebben, denk dan aan Jezus. Als de Romeinse hoofdman kont en vraagt om zijn dochter te genezen, dan zegt Jezus: Ga maar naar huis, het is al gebeurd.

*  Kan het menselijk denken of de geestkracht verandering in materie bewerkstelligen?

Het menselijk denken moeilijk, omdat dit gebaseerd is op het bestaan van de materie zoals zij is. Maar de geestkracht plus een voorstellingsvermogen dat niet de normale materiebegrippen hanteert, is inderdaad in staat om de geaardheid van de materie te veranderen. Om u een voorbeeld te geven: Iemand die werkelijk ingewijd is, kan van stenen brood maken. Hij kan dus materie veranderen. Hij kan het wezen ervan veranderen. Zoals de alchemist, die weliswaar via allerhande processen die voor zijn voorstellingsvermogen noodzakelijk zijn, de twee actieve poeders maakt en deze dan op een gegeven ogenblik vermengd met het metaal tot goud doet worden; dus zelfs een soort Steen der Wijzen kan fabriceren. Dat is dus een denken waarbij de materie niet meer aardvast is en te veranderen is. En daarmee zitten we heel dicht in de buurt van de cybernetische scheikunde van deze tijd.

*  Het voorstellingsvermogen speelt toch wel een heel grote rol in het doen van wonderen.

Natuurlijk. Het voorstellingsvermogen is voor de mens alles bepalend. De meeste mensen handelen niet volgens datgene wat zij zijn, maar volgens datgene wat ze zich voorstellen te zijn of te moeten zijn. Als we nagaan hoeveel mensen volgens hun eigen voorstelling vanuit het standpunt van anderen tot een absolute onder‑ of overwaardering van zichzelf zijn gekomen, dan moeten we toch wel toegeven dat de meeste mensen meer leven vanuit hun voorstellingsvermogen dan vanuit de feiten.

*  Dus het is zaak eigenlijk ook ons voorstellingsvermogen te wijzigen.

Ik zal u een veel eenvoudiger beeld geven. Schrap “onmogelijk” uit uw woordenboek en schrap “dit is zeker” eveneens uit uw woordenboek. Zet dan daarvoor in de plaats “wil ik dit voldoende” en “welke middelen voel ik hiervoor aan als juist”. Dan heeft u de oplossing van het hele probleem.

*  Er is pas weer een nieuw boek uit met de titel “Buitenaardse beschaving”. Het gaat over een planeet 10 lichtjaren hier vandaan. Die zou ergens in de Schelde terecht zijn gekomen.

Nou, die planeet niet, een voertuig van die planeet. Ik kan u het volgende antwoord geven: Al hetgeen wordt beschreven in dit boekwerk als zijnde specifiek voor deze buitenaardse planeet en de beschaving, is te herleiden tot reeds in de menselijke literatuur voorkomende beschrijving van verschijnselen. O.a. het beschreven verkeerssysteem komt voor in een boek, gepubliceerd in 1896 in Duitsland, dat een beschaving op Mars beschrijft. De vorm van woningen is gepubliceerd in een pulpmagazine in 1921 in de Verenigde Staten. En zo zou ik kunnen doorgaan. De filosofieën vinden we terug bij heel veel richtingen en het lijkt wel of er een mengelmoes van is gemaakt. Als een buitenaardse beschaving niets anders is dan een aantal residuen van menselijk voorstellingsvermogen, dan komt voor mij de vraag of dit wel reëel is. Een volgend punt: Ik vraag mij af of indien inderdaad dit voertuig aanwezig is geweest op de beschreven wijze en inderdaad via elektronische of geprojecteerde weg lering werd opgenomen, het menselijk brein, dat toch anders zal zijn en van capaciteit en van vermogen en van inhoud dan het gemiddelde brein van de bestuurders en bemanning van een dergelijke schotel, in staat is om de juiste reeksen associaties te maken die door de ingebrachte leerstof zouden moeten worden gewekt. En als we daarvan uitgaan, dan moet ik zeggen: Ja, het is misschien een aardig boek, maar ik zou er maar niet al te veel op rekenen dat het nu precies zo is en niet anders.

*  Maar kan dit boek niet een aanleiding zijn om de mensheid tot een groter bewustzijn of denken te brengen?

Dat moet een mens zelf doen natuurlijk. Dat laatste is het bezwaar. Anders kan het wel. Laten we één ding niet vergeten: De meeste mensen willen zich met dergelijke dingen graag bezighouden zolang het ergens anders zou bestaan en dan vinden ze het mooi. Maar zodra ze tot de conclusie komen wat er allemaal door hen zelf moet worden geofferd en worden veranderd om dat voor hen waar te maken, dan hebben ze er al genoeg van.

*   Vanavond is door uw woorden heen het begrip “de zelfbepaling van je leven” gekomen. In dit verband heeft mij indertijd eens een zin getroffen die mij gezegd werd: “Je moet niet zoeken, maar je moet vinden.” Kunt u misschien hier even op doorgaan, want deze worden hebben mij altijd zeer gebiologeerd.

Ik kan ze wel aanvoelen. Observeer, neem waar, dan vindt u veel wat voor u belangrijk is. Maar als je een bepaald iets zoekt, kijk je aan de belangrijkste dingen, die eigenlijk vlak voor je liggen, meestal voorbij. De meeste mensen zoeken en omdat ze zoeken, vinden ze niet. Maar bewust leven, open staan voor alle impressies, alle invloeden, maakt het mogelijk om alles, wat voor jezelf van betekenis kan zijn, op te nemen. Daarmee kun je je leven heus niet vormen of bestemmen, zoals de meeste mensen zich dat graag voorstellen; een vorm van hoogmoedswaanzin overigens. Je kunt alleen je eigen houding in het leven beter bepalen. Je kunt beter begrijpen hoe je leeft, waarom je leeft, wat je leeft. En als je dat begrip eenmaal hebt, kun je ook beter begrijpen wat je bent. Dan krijg je begrip voor je functionaliteit in het geheel. En heb je dat eenmaal, dan neem ik ook aan dat je dus vanzelf gaat begrijpen dat die functionaliteit nooit kan worden bepaald door een kort aards bestaan in één vorm. Je gaat begrijpen dat dit dus een uiting is, een facet van een oneindige reeks mogelijkheden die dat “ik” heeft. En daarmee ben je dan zover gekomen dat je ‑ zonder nu in staat te zijn je leven op slag maar helemaal te veranderen ‑ toch wel in staat bent zoveel onbelangrijke factoren in je leven uit te schakelen, dat je de tijd krijgt om je te gaan wijden aan die dingen die voor jou werkelijk belangrijk zijn.

  Er is hier het woord “vliegende schotels” gevallen. Is het niet zo dat wij moeten proberen wel de verschijnselen te observeren, maar dat we erg moeten oppassen met de associaties die daarmee in verband worden gebracht.

Dat vind ik een heel verstandige opmerking. Het is n.l. zo: Als wij iets observeren, moeten wij op een gegeven ogenblik een conclusie trekken. En dan kiezen wij, omdat we nu eenmaal niet kunnen stilstaan bij de observatie alleen, altijd die verklaring die alle aspecten dekt op de eenvoudigste wijze en waarmee zo weinig mogelijk waarnemingen in strijd zijn. Orcam’s Razor, als u het kent.

Orcam is een man die zich met mogelijkheidsbepaling heeft beziggehouden en die heeft gezegd: Kies uit een groot aantal mogelijkheden de eenvoudigste die nog alle feiten zoveel mogelijk dekt. Dat is zijn wet. Vereenvoudig dus de zaak zoveel je kunt, mits je daarmee niet teveel buiten beschouwing laat. En ik geloof, dat dat wel juist is.

Vliegende schotels zijn woorden die gecreëerd zijn. We zouden eigenlijk beter kunnen spreken over ufo’s of ufonen, want daarmee gaan we geen bepaalde vorm of stelling naar voren brengen. We kunnen dan het volgende constateren en passen dan vanzelf Orcam’s Razor toe: Vanaf het ogenblik dat een toenemende mate van observaties van ufonen heeft plaatsgevonden, zijn er in de eerste plaats grote organisaties gesticht die voor een groot gedeelte thans geheim werken en de meldingen wel opnemen, maar voorkomen dat ze in de publiciteit komen. Ze bestaan nu dus nog. In de tweede plaats zijn de grote staten plotseling met een enorme haast begonnen eigen ruimtevaartprojecten te verwezenlijken en daarvoor véél meer geld en veel meer mankracht beschikbaar te stellen dan voordien. Als we dit zien samenvallen, dan moeten we toch wel de conclusie trekken dat aan deze ufonen iets vreemds is. Omdat degenen die het meest daarover kunnen weten en aan de publiciteit kennelijk niet alles daarover durven zeggen, menen daarop te moeten reageren met voorbereidingen voor een zelf betreden van de ruimte en waarschijnlijk ook voor een verdediging vanuit of in de ruimte. En dan trekt u uw eigen conclusie. Maar u moet nooit zeggen: Het bestaat niet. U moet ook nooit zeggen: Het bestaat wel. U moet zeggen: De eenvoudigste verklaring voor deze verschijnselen is …. en dan zoudt u in dit geval moeten zeggen: Er is kennelijk iets in de ruimte dat bepaalde regeringen zorg baart, waarvoor men in zekere mate misschien zelfs bang is; althans uit de publiciteit houdt men het zeker. Wat dit is, weten we niet. We weten alleen één ding: er is meer dan men ons zegt. Dat is de eenvoudigste verklaring. Dan is de ufo als een ruimtevaartuig voorlopig een eenvoudige verklaring, die voor ons het onbekende een zekere vorm geeft, zonder dat wij ons echt moeten binden aan deze verklaring alleen.

********************************

We hebben over heel veel verschillende dingen gesproken met de vragen bewustwording, maar we komen toch altijd weer terug op het wonder, want de mens die zich bezighoudt met de ruimtevaarders verwacht ook van hen wonderen en beschouwt ze misschien zelf als wonderen. De mens die denkt aan goden die ruimtevaarders zijn geweest, zoekt ook naar een verklaring uit deze tijd voor het wonder en de psychische en gevoelsmatige benadering van de verschijnselen uit het verleden. Laten we goed begrijpen dat ook wij voortdurend tegenover het wonder staan omdat wij steeds worden geconfronteerd met het onverklaarbare. Zodra wij echter dit onverklaarbare gaan verklaren door eenvoudig te veronderstellen en deze veronderstelling dan later gebruiken om elke verdere verklaringsmogelijkheid uit te sluiten, zijn we fout. Het wonder is nu misschien een wonder, het is nu onbegrijpelijk, maar het feit, dat het wonder bestaat, moet voor ons een stimulans zijn om zover te komen, dat we het kunnen begrijpen. We kunnen nooit groeien, indien we ons omgeven met onverklaarbaarheden, met grote machten waartegen we machteloos staan, indien we a priori stellen dat we geen invloed hebben en dat we toch niets kunnen. We kunnen alleen verder komen als we voortdurend onze krachten meten met het onbekende; als wij voortdurend trachten het onbekende te ontdekken en het a.h.w. te incorporeren in onze eigen mogelijkheden en vermogens.

Zoek geen wonder van God, maar zoek het wonder van uw eigen vastberadenheid en u zult zien dat u over krachten en vermogens beschikt die schijnbaar een wonder zijn: een goddelijk ingrijpen.

Vertrouw en geloof in uzelf en werk volgens uw beste weten en denken en u zult verschijnselen zien die u en misschien ook anderen niet redelijk kunt verklaren. Geef er dan maar een naam aan en een verklaring voor, maar beschouw die niet als bepalend voor de aard en de mogelijkheden, maar slechts als iets wat u voorlopig gebruikt om iets een naam te geven, zoals je mensen Jan, Piet of Klaas noemt om ze te kunnen onderscheiden.

Magnetiseren is een woord dat voor een wonder zou kunnen staan, maar in feite is het niets anders dan een aanduiding van een onbekend verschijnsel.

De wonderen die God heeft gedaan, zijn niets anders dan aanduidingen voor verhalen die we niet begrijpen en kunnen verklaren en waarin wij het ingrijpen van een hoger vermogen of andere ons niet‑bekende krachten veronderstellen. Laten we dat dan accepteren zoals het is. Zodra wij beginnen het wonder zelf onaantastbaar te maken, maken wij voor ons de wonderlijke beleving onmogelijk.

Geloof hebben we nodig. Niet een geloof in alle dingen, maar eerder een geloof dat ons een zelfvertrouwen geeft, de mogelijkheid te aanvaarden ook zelfs zonder het redelijke. Wat we nodig hebben is het vermogen om uit ons “ik”, ons innerlijk, te putten zonder ons gelijktijdig te beperken door allerhande gebondenheden en veronderstellingen die eigenlijk menselijk zijn en op dit gebied zeer waarschijnlijk onjuist.

Laten we begrijpen dat het bovennatuurlijke niet menselijk bepaalbaar is, maar dat de mens kan groeien, totdat het bovennatuurlijke voor hem natuurlijk wordt. Groeien, dat is onze taak. Niet een wonder afsmeken om zo onze eigen machteloosheid te compenseren. We moeten onze eigen machteloosheid verminderen. En het grootste wonder dat we ooit zullen kunnen beleven, is het uitgroeien ‑ al is het maar voor een ogenblik ‑ boven deze beperking die normalerwijze onszelf opleggen, zodat we voor een ogenblik een werkelijkheid van kracht, van energie en van leven kunnen ervaren, die in feite onze werkelijkheid is, maar die we steeds voor onszelf hebben weggestopt.

Het is misschien een wonder dat wij bestaan. Ik weet het niet. Want ik ken de totale wetten niet die ergens in de creativiteit van het totaal zijn gelegen. Ik ken er slechts enkele van. Maar één ding weet ik wel: Als ik zover zal groeien dat ik deze creativiteit in mij beheers, dan zal ik ook weten welke krachten tot de creativiteit hebben gevoerd waaruit ik zelf ben ontstaan. Ik ben als mens maar een fase van een gehele ontwikkeling. Ik ben één zeer beperkte uitdrukking van een werkelijke reeks feiten. Ik kan mijn besef uitbreiden tot het de beperkte vorm mens of geest beschouwt als secundair en de reeks feiten, die de eeuwige werkelijkheid is, als primair.

Laten we dan het wonder niet zoeken, maar laten we het onverklaarbare uit onszelf verwezenlijken. Laten we in de ogen van anderen dan desnoods wonderen doen, maar tevens beseffen hoezeer onze eigen verbondenheid met de totaliteit, met de kosmos, met de werkelijkheid van ons “ik” bepalend is voor wat wij volbrengen en voor de verschillende verschijnselen die ons wekken.