Het worde licht en het werd licht

‘De wereld en haar achtergronden’

Inleiding

De wereld is niet alleen maar een bol materie. Het is een bezielde kracht. Hoe is deze bezielde kracht in deze gedaante terecht gekomen?

Op de wereld zijn er allerlei gebeurtenissen. Er zijn een groot aantal verschillende fasen. In elk van die fasen zien we bepaalde levende wezens ontstaan, tot een top komen en tenslotte ofwel verdwijnen ofwel in meer subtiele vormen verder gaan terwijl er weer nieuwe figuren verschijnen die dan weer een evolutie doormaken. Het is een geschiedenis die honderden miljoenen jaren omvat.

Wat wij in deze cursus nu willen doen is eigenlijk de samenhangen laten zien. Niet alleen zeggen hoe de aarde tot stand is gekomen, maar proberen duidelijk te maken wat dat voor invloed heeft gehad op het gebeuren. Niet alleen kijken naar de landen en rassen van het verleden of naar de moderne tijd en de toekomst, maar ook duidelijk maken welke samenhangen er zijn, wat de onvermijdelijke wetten zijn die het geheel van de ontwikkeling op een planeet beheersen. Aan de andere kant natuurlijk ook wat op die wereld alles bij elkaar interessant en belangrijk is voor degenen die er nu leven.

Het zal duidelijk zijn dat ik moet beginnen bij het begin. Daarvoor heb ik een citaat gekozen uit de bijbel. Ons eerste hoofdstuk heet:

 

uit de cursus ‘De wereld en haar achtergronden’ (hoofdstuk 1) -oktober 1986

Het worde licht en het werd licht

Het is natuurlijk al heel lang geleden. Er is een wezen waarvan we de oorsprong niet kunnen nagaan waarvan we de karakteristieken, de wensen, de eigenschappen als mens en geest niet kunnen aflezen. Het was er.

Er zijn stellingen die vertellen dat het wezen begon te dromen. Als u zelf droomt, dan komt u in beweging. Als een wezen dat uit kracht bestaat in beweging komt dan ontstaat er een verschuiving van krachtsevenwichten. Er ontstond een eerste vorming van materie. Toen dat eenmaal aan de gang was ontstond er uit de aard der zaak massa.

Massa kan een kritieke massa bereiken een punt waarop de zaak, explodeert. Dat is gebeurd. Daardoor ontstonden er overal wervelingen. Er ontstond straling van allerlei soorten. Daaruit werden dan lichtende materienevels geboren die verder wervelden en zich uitspreidden. Daardoor ontstond vooral aan de buitenkant afkoeling. De eerste sterren ontstaan dus altijd aan de buitenkant van een melkwegstelsel. Die persoonlijkheid splitst zich dan in een groot aantal afzonderlijke factoren. U heeft allen weleens het romannetje gelezen over iemand die vier of vijf personen tegelijk was, Jekyll en Hyde maar dan met vervolg.

Stel u voor dat een bewustzijn ontstaat in een werveling. Dat dat bewustzijn aanwezig blijft – een soort genetische factor ook in elke kleine werveling. Een zon heeft dus een soort bewustzijn en leert terwijl zij bestaat steeds meer omtrent zichzelf en omtrent de wereld welke buiten die zon bestaat.

Die zon is in het begin alleen maar een kolkende gasmassa zonder meer. Daarin ontstaat erg langzaam maar zeker een verdichting. De kern wordt steeds dichter, steeds vaster en steeds zwaarder. Wat er omheen blijft is een soort atmosfeer. Toevallig komt er ook nog een andere ster in de buurt. Waar die twee elkaar ontmoeten, trekken ze elkaar aan. Enorme vlammen schieten uit de atmosferen op die nog veel gloeiender zijn en qua materie en inhoud zelfs nog zwaarder dan tegenwoordig. Wat ontstaat er?

Een aantal brokstukken, die in de ruimte blijven, zijn daar aan het afkoelen. Tijdens die afkoeling zullen de betrekkelijk eenvoudige atomen zich gaan samenvoegen tot meer complexe moleculen. Er ontstaat een groot aantal verschillende elementen. Uit deze elementen ontstaan weer vele verschillende stoffen. En dan hebben we te maken met een wereld die nog wel gloeiend is, maar die langzamerhand zich in verschillende strata is gaan aftekenen. Alleen het bewustzijn van de beide zonnen die voor haar ontstaan oorzaak zijn geweest is ten dele ook in die massa blijven steken, want het is een kwestie van energie. Het is kracht die het eerste bewustzijn draagt.

Elk brokstuk kracht neemt iets van dat bewustzijn over. Zo ontstaat er een planeet. Een van die planeten heette de aarde, althans zo is ze later genoemd. Een kolkende massa die langzaam maar zeker afkoelt.

Op een gegeven ogenblik is er dus sprake van een heel dichte atmosfeer en daaronder iets wat je het best als een bijna complete vulkaan kunt afschilderen. Maar buiten is het koud. De bovenlagen van de atmosfeer beginnen af te koelen. Er ontstaan allerlei stralingsgordels, nog niet te vergelijken met wat er nu is, maar ze zijn er dan toch. Die planeet zegt tot zichzelf: He, ik voel mij afgesneden van de buitenwereld. Ze probeert de zaak te doorbreken.

Dan ontstaat het water, de zee. Want een groot gedeelte van de atmosfeer komt tot eenvoudige verbindingen en zo ontstaat er een soort brij die praktisch de hele aarde ompoolt. Die brij is dan de eerste wereldzee. Vulkanen breken er doorheen, askegels stuwen omhoog, basaltlagen komen omhoog. Voor je het weet is er eigenlijk een berggebied, een aantal tafellanden en die worden nog steeds omgeven door dezelfde niet zo diepe zee. Op dat ogenblik begint de aarde zich af te vragen Zon: wat moeten we eigenlijk doen? Want de zon is de meester, het grote bewustzijn.

Dan komt als antwoord een enorme stralingsgolf. Die stralingsgolf doorboort de atmosfeer, beroert het water en er ontstaan half eiwitten. Hal eiwitten die zich langzaam ontwikkelen tot de eerste eencellige levende wezens een soort amoebe e.d. Vanaf dat ogenblik is er iets nieuws geboren op aarde. Ze heeft nu niet meer een ervaren dat van buitenaf tot haar komt, ze heeft ook een persoonlijke reactie gekregen. Zelfs als dat heel kleine wezens zijn die hoofdzakelijk nog uit chemicaliën hun voedsel halen, toch is het bewustzijn. De aarde vraagt zich af: „Wat moet ik ermee doen?”

Nu zijn er in de ruimte nog heel wat meer planeten geweest. Sommige wat ouder, sommige wat jonger dan de aarde. Op enkele daarvan is leven geweest. Dat leven is tenietgegaan. Er waren persoonlijkheden op, die ook een behoorlijk bewustzijn hadden, zij het materie gebonden. Zij dachten: wij willen ons verder met de materie bezighouden. Het was alsof de aarde adverteerde. Ze zei: “Hier is een ontwikkeling gaande. Hoe moet die ontwikkeling verlopen?”

Die vraag werd beantwoord doordat er figuren kwamen die zeiden: Ja, dan moeten wij dat gaan stimuleren. Daarop ontstonden twee soorten kleine wezens. Noem ze de grazers en de jagers. In die strijd ontstaan er steeds meer vormen. Steeds meer wordt ook grootte belangrijker. Hoe meercellig een complex is, hoe groter zijn kans tot overleven. Een van de wetten van de kosmos is dat al wat bestaat, probeert zichzelf in stand te houden. Daardoor worden we dan geconfronteerd met levensvormen die toch een hoger reactie-en bewustzijnsvermogen hebben.

De eerste ontwikkelingen vinden plaats in de zeeën. Maar de vulkanen gaan verder, ze braken as uit. Stukken land verrijzen, andere verzinken. Langzaam maar zeker vormen zich aardschotsen, maar ze kunnen nooit helemaal een geheel worden, want elke zwakke plek wordt steeds weer opnieuw gebroken door de stuwing in de kern van de aarde.

De kern is een betrekkelijk eenvoudige. Ze bestaat hoofdzakelijk uit elementen die we zouden kunnen omschrijven als nikkel en ijzer, zij het dat er enige afwijking is in de functie van de atomen en daardoor ook van de moleculair structuren. Het resultaat van alles is dat er een splitsing komt tussen vasteland en zee.

Een vasteland dat u zich niet moet voorstellen als iets wat u nu heeft. Denk eerder aan het strand dat regelmatig nog wordt overspoeld en dat wordt beïnvloed door de zee. Denk ook aan de levende wezens niet als wezens die het land opkrabbelen. Oorspronkelijk zijn het gewoon wezens die op de slikoever, want iets anders is het nog niet, worden gedeponeerd en leren daar een tijdlang te overleven. De samenstelling van de atmosfeer is ook nog anders dan tegenwoordig. De aarde heeft in die tijd een betrekkelijk kleine scherpte van stand. Later zal dat meermalen veranderen.

De geest die leeft in deze wereld wordt meer en meer geboeid. Want al die variëteiten van leven die er zijn, betekenen een omschrijving van het eigen wezen. Je zou kunnen zeggen: In het leven denkt de ziel van de aarde na over zichzelf. Entiteiten, voor een deel van buitenaf gekomen, voor een deel later ontstaan uit het leven op aarde, beginnen de soorten te vormen.

De eerste belangrijke vormen zijn plantaardig. Het zijn de planten die voor het eerst het vasteland veroveren. Vanuit de moerassen proberen ze zich steeds verder uit te breiden. Wat kan overleven op wat drogere grond komt daar weer tot bloei en brengt aangepast weer soorten voort die op nog drogere grond kunnen leven.

Er ontstaan enorme wouden die men voor een deel kan vergelijken met het enorme sterrenbos voor een deel misschien met beginnende varenplanten. Zo groeien er wouden, maar gelijktijdig komen er steeds meer levensvormen die daar – en nog voornamelijk in de moerassen, hun eigen leven van jagen en grazen hebben. De soorten vereenvoudigen zich.

Op een gegeven ogenblik ontstaat er een soort die je met enige goede wil (het is maar een onbeholpen vergelijking), zou kunnen zien als een koudbloedige rob. Deze robben wonen in kolonies aan de kust. Zij voeden zich nog steeds uit de zee. Maar ze ontwikkelen een soort gemeenschappelijk bewustzijn. Want een dergelijke kudde moet om goed te functioneren in de tijd dat de gevaren geweldig zijn a.h.w. een gezamenlijk bewustzijn bezitten, zodat de waarneming van elk deel onmiddellijk wordt overgenomen door alle delen.

Er gaan heel wat van die kolonies te gronde. Ergens anders rond de Goudkust in Afrika (waar de situatie iets anders was) vinden we dan een kolonie die zo ver is gekomen dat in het gemeenschappelijke denken zelfs een begrip van hogere waarden is gevormd. Hier hebben wij voor het eerst te maken met iets wat je goden zou kunnen noemen. Wezens die als een soort straling worden ervaren, misschien worden vertaald als licht en die beleefd worden door de groep de kudde en op hun beurt proberen aan de kudde leiding te geven. Die raad is in het begin eerder het sturen van instinc­ten. Maar aangezien dat bijna honderdduizend jaren duurt dat die kudden blijven bestaan wordt het op den duur een wisselwerking.

Er is nog geen sprake van taal, maar onderling heeft men natuurlijk wel wat waarschuwingsgeluiden, een aantal lichaamshoudingen gevonden die als mededeling kunnen dienen. Daarnaast heeft men de telepathische impulsen die voornamelijk worden uitgedrukt in een behoefte tot actie of een behoefte tot heel rustig zijn.

Vandaaruit begint eigenlijk een ontwikkeling van gewervelde dieren. Na ongeveer 120 tot 150 jaren blijkt dat die kolonies een aantal wezens doen veranderen. Ze worden eerst warmbloedige dieren. Oorspronkelijk kruipers zijnde, ontwikkelen ze poten. U moet goed begrijpen dat de oer­vorm zelfs geen vinnen hadden of een staart zoals bij vissen te zien zijn, maar alleen een staartvormig iets met een verlenging aan het smalle einde.

Er ontstaan zintuigen die ook de omgeving kunnen registreren en niet alleen maar bepaalde bewegingen. Er komen ogen, er komen oren. De oren horen nog niet zo goed, want er is te veel geluid op aarde. Nog steeds barsten overal vulkanen uit. Nog steeds is alles nog zeer luidruchtig tot de donder toe. En geloof mij, voor die eerste levens­vormen is het leven driekwart van de tijd donderen.

Als je zover bent gekomen, dan ga je zien dat er verschillende ontwikkelingen zijn. Alles uit de amfibieën voortgekomen wordt min of meer warmbloedig. Er ontwikkelen zich overal warmbloedige soorten. Deze warmbloedigen zijn sterk in de minderheid. De reptielen en wat je primitieve slakken en insecten zou kunnen noemen, hebben de overhand. Alleen de warmbloedigen hebben een groot voordeel, ze worden niet door de omgevingstemperatuur bepaald. Wanneer het koud is of donker, dan is de bewegingsmogelijkheid even groot als wanneer het licht is. Daardoor kunnen zij langer blijven bestaan.

De reptielsoorten ontwikkelen zich door gunstige omstandigheden ongetwijfeld steeds meer tot grote wezens. En om een heel groot gedeel­te van de ontwikkeling maar over te slaan komen we terecht bij Co sau­riërs, die nog steeds in wouden wonen die afgeleid schijnen te zijn van varens, van bomen die lijken op kattenstaarten – de plant dan – zodat u niet denkt dat daar kwispelende bomen staan.

Deze sauriërs worden groter en groter. Hun massa vergt echter meer voeding. Dat wil zeggen, dat er gebieden, zijn waarin het steeds moei­lijker wordt om te leven. Zo trekken zij eigenlijk door de hele wereld heen, omdat er op dat ogenblik een zeer mild klimaat tot aan de polen toe bestaat. De zeeën zijn nog behoorlijk hoog. Er is nog steeds meer water dan vasteland. Maar ze leven en ze passen zich aan.

In die tijd zien wij de eerste vleermuisachtigen ontstaan. Het eind­resultaat daarvan wordt, in zijn meest gevaarlijke vorm de pterodactyl. We zien dat de grazers zich eveneens massaal ontwikkelen en daarbij zich vooral vormen aanmeten waardoor ze bv. zeer hoog bij hun voedsel kunnen komen ook uit de toppen van de bomen als het nodig is. Een voorbeeld daarvan is de brontosaurus.

Andere dieren leven voornamelijk in de kustgebieden en zien er eer­der uit als de voorlopers van enorme schildpadden. De jagers ontwikke­len zich ook verder. Ten slotte krijgen wij een bijna kaaimanachtig uit­ziend geheel dat zich weer verder ontwikkelt en de tyrannosaurus wordt die in zijn grootste vorm tyrannosaurus Rex heet.

Je zou zeggen: In die tijd zijn er dus geen mensen. Dat is waar, indien je de moderne definitie van mens aanhoudt. Maar er zijn wezens, die een groepsbewustzijn hebben, die in meer of mindere mate ook een per­soonlijk bewustzijn ontwikkelen. Het vreemde is, dat het vooral bij de warmbloedigen gebeurt. Daarnaast zien we insectachtige wezens, veel kleiner van omvang en daardoor veel minder kwetsbaar voor de grote overheersers van de natuur. Ook deze bouwen een soort beschaving op. Het zijn geen beschavingen met grote steden en industrie, maar het is wel degelijk een samenwerking waardoor een beheersing van hun omgeving ten dele mogelijk wordt. Overblijfselen daarvan zouden we misschien nog kunnen vinden, als we in een termietenheuvel graven.

Wij zien dat daarin verschillende vertrekken zijn die voor een speciaal doel bestemd en geschikt zijn. Sommige ruimten zijn gewoon kelders waarin ze een vorm van champignons kweken, bepaalde schimmels. Andere zijn weer van een soort verluchting voorzien en dienen voor de opslag van eieren. Weer andere zalen met een iets sterkere verluchting, meestal door moeilijk te overschrijden drempels van de rest van het gangenstelsel gescheiden, bevatten weer ruimten voor het broed, dus voor de uitkomende eieren. Als je dat allemaal zo bekijkt, dan zeg je; Het is eigenlijk een soort cultuur. Het is een samenleving die de mens misschien niet ervaart als een verstandelijke gemeenschap, maar er zijn regels. Zo waren die er in het verleden ook.

Er zijn tijden geweest dat wezens, die het dichtst komen bij de huidige vorm van de wesp en ook niet veel groter waren, werkelijk kleine steden bouwden. In die steden leefden ze. Ze hadden behoorlijke verdedigingsmiddelen tegen de omgeving. De eerste vorm van zuurgebruik als verdedigingsmiddel door insecten stamt uit die tijd. Ze waren met zeer vele, moeilijk te pakken en dus konden ze alleen door hun aanwezigheid een ander wezen al bijna gek maken van ellende. Zo konden ze een hele tijd ongestoord doorleven.

In deze groepen ontstaat nu een gemeenschapsbewustzijn dat weer verder gaat dan de wezens die op robben leken. Maar er is een onderbegrip van God, zeg maar. Voor deze soorten is voortleven het belangrijkst. Er ontwikkelt zich een ritus waardoor het voortleven steeds meer aan bepaalde figuren wordt overgedragen. Dat resulteert tenslotte in een koninginnecultuur waardoor de koningin eigenlijk voor het hele nageslacht moet zorgen.

Er zijn in dergelijke gemeenschappen ook wel wezens die je als priesters kunt beschouwen. Ze hebben namelijk tot taak te zorgen dat er een aantal voortbrengers van leven wordt gevoed op z’n tijd, dat hun producten op de juiste manier worden weggeborgen en wat dies meer zij. Zelfs bescherming is erbij. De eerste ontwikkeling van speciale strijdbare soorten zien wij ook in deze periode.

Bij de visachtigen hebben we dat al eerder gezien. Er is al een aantal vissen ontstaan met aanvals- en verdedigingsmiddelen. Maar primitieve vormen als bv. de krabben en krabachtigen of kreeftachtigen zijn in die tijd nog niet voorzien van enorme scharen, die krijgen ze pas later. Het is nodig voor hun behoud. Een van de oudste kreeftsoorten die bestaat doet denken aan de heremietkreeft omdat hij zich namelijk placht te voorzien van een huis dat met eigen afscheidingen wordt gevormd uit kleine stukjes materiaal die werden gevonden. Geen schelpen weliswaar, maar dan toch een bescherming.

Weekdieren beginnen eveneens door kalkafscheidingen beschermende lagen rond zich te vormen. Er ontstaan schelpdieren. Maar goed, dat heeft met de ontwikkeling op het land weinig te doen.

Wij maken maar weer een sprong en we komen nu in de tijd dat de sauriërs de aarde domineren en de warmbloedigen over het algemeen klein van gestalte zijn maar wel zeer vlug in hun bewegingen. Hier vinden we de voorvaderen van honden, van paarden, van reeën. We vinden daarnaast enkele, maar nog niet zoveel roofdierachtige ontwikkelingen, want ook de warmbloedigen ontwikkelen jagers. Dij deze soorten nu beweegt zich een wezen dat ten dele scimiaans (aapachtig) aandoet, dat op vier poten gaat, bij voorkeur zijn veiligheid zoekt in bomen of boven op bergtoppen. Het kuddegedrag doet een beetje denken aan dat van de huidige bavianen. Al deze soorten samen (want ze leven op verschillende plaatsen en ontwikkelen verschillende eigenschappen) zou je de voorvaderen van de mens kunnen noemen. Niet dat de mens uit de aap is ontstaan, maar de apen hebben wel een gelijke voorvader als het menselijke geslacht. Trouwens, als je sommige mensen aankijkt, dan kun je de erfelijke kwaliteiten nog terugvinden.

Dan vraag je je af: Wanneer ontstond een mens? Ik geloof, dat je over een begin van menselijke ontwikkeling moet spreken op het ogenblik, dat werktuiggebruik optreedt. Ook als het eerste werktuig alleen maar een steen is die wordt gegooid of een tak die als verlengstuk van de eigen arm wordt gebruikt. Wanneer deze wezens in kleine families en kudden samenleven, ontstaat er vanzelf ook een rangorde.

Rangorde maakt ook uit dat er bevelen moeten zijn. Bevelen moeten kunnen worden overgedragen. Er ontstaat een combinatie van klank en gebaar. Om zichzelf te kunnen handhaven, kunnen die wezens voorlopig voornamelijk aan de randen van de wouden leven. Ze komen maar zelden in de langzaam ontstaande grasvlakte. Er zijn nog geen echte steppen of savannen, het is er een begin van.

Ondertussen begint ook in de wouden een evolutie. Er ontstaat mede door het doorbreken van de wolkenlaag door de zon een steeds grotere mate chlorofiel. Het uitwisselingsproces van de planten is begonnen. De hele atmosfeer wordt zuurstofrijker. Het is duidelijk dat de warmbloedigen daarvan voordeel hebben. Zij kunnen gemakkelijker de energie opnemen die ze nodig hebben. Zuurstof is voor alle omzettingsprocessen inclusief het ontstaan van energie erg belangrijk.

Misschien dat ze nooit verder zouden zijn gekomen, maar wat gebeurt er? Er komt weer een zon in de buurt. Er is een uitbarsting van de zon. Er is een verstoring van de magnetische velden. De aardas ontwikkelt een sterke afwijkende stand. En wat krijgen we nu? Er ontstaan klimaatzones. Nog niet zo sterk dat je zegt; Nu is er werkelijk een poolklimaat, een gematigd of een subtropisch klimaat enz. Maar punt 1: er is een warmere streek ontstaan en een koelere. Punt 2: er is een soort zomer-winter situatie ontstaan, de warming van de zon is niet meer altijd en overal gelijkmatig of bijna gelijkmatig. Dat werkt in het voordeel van de warmbloedige soort.

De koudbloedige soorten hebben daardoor in bepaalde perioden veel minder energie. Ze worden gemakkelijker aangevallen. Gelijktijdig heeft het gebrek aan energie ook weer tot resultaat dat de voortplantingsdrang in bepaalde perioden aanmerkelijk minder wordt. En dat houdt weer in dat het aantal grote koudbloedige dieren afneemt. Ze weten het dan toch nog wel een paar miljoen jaren vol te houden.

De warmbloedigen kunnen ook in de gematigde klimaten wonen. Zo kunnen ze een tweede verstoring, die nu een wat grotere poolverschuiving ten gevolge heeft en een grotere afwijking van de afstand, gemakkelijk verwerken. We zien dat er een aanpassing is aan de verschillende klimaten. In die tijd hebben we te maken met de zeer grote soorten warmbloedigen. Denkt u maar aan de mammoet, de neushoorn en dergelijke dieren die ook nu nog wel bestaan, maar kleiner en over het algemeen in licht gewijzigde vorm.

Er waren een groot aantal van die dieren die een zware pels ontwikkelden. Er zijn zeer langharige mammoets. Je zou haast zeggen: de hippies van de prehistorie. Er waren wolhuid rinocerossen die meer wol hebben dan een merinosschaap. Deze dieren leven nog steeds heel gezellig. Dat zou wel zo gebleven zijn en misschien ook met de mensen, ofschoon die zich gaan verspreiden en een betere jachtomgeving gaan opzoeken. Ze zijn omnivoren geworden en jagen wordt voor hen steeds belangrijker, als niet op een gegeven ogenbik de zon tijdelijk haar activiteit een beetje beperkte. Een beperking van zonneactiviteit betekent een vermindering van warm­te en dat houdt voor de aarde een ijstijd in.

Die ijstijd treedt betrekkelijk plotseling in. Ze voltrekt zich in de vorming van grote ijskappen binnen ongeveer 72 uur. De meest noorde­lijke kudden worden dan ook eenvoudig bevroren. De mensen, zoals de ja­gers, bevinden zich over het algemeen in meer bij de evenaar gelegen streken dus zij overleven. Maar ze zijn nu niet meer in staat om zich zonder meer in de wouden te verschuilen.

Een soort savanne gebied wordt steeds groter. Datgene wat ze jagen kun je juist hoofdzakelijk daar vinden. Er ontstaat een tussenvorm van een bijna rechtop gaand wezen. Denkt u aan een aap die op zijn achterpo­ten loopt, maar die altijd nog in staat is om onmiddellijk op vier terug te vallen.

De schedelvorm wijkt sterk af van zelfs de eerste mensvormen die werden gevonden. Ze is veel platter. De aangezichtshoek is aanmer­kelijk groter zodat er sprake is van een sterk vooruitspringende onder­kaak. Dat is ook weer begrijpelijk, als u denkt dat het doden van de prooi e.d. hoofdzakelijk met de kaak gebeurde en dat door het kleiner zijn dan de meeste prooien van de mens, het vaak noodzakelijk was om naar boven toe te happen. Dat was nog geen koekhappen, maar er waren wel een soort herten die behoorlijk groot waren. Als je die te pakken had gekre­gen met je knobbels in de stenen, dan moest je, terwijl ze verdwaasd stonden te kijken ze naar de keel springen om de keelader door te bijten. Daarvoor bleek dat kaaksysteem dus heel goed te zijn.

Ook hier blijft het kudde instinct gehandhaafd en ook hier is er een soort telepathisch contact.

De mens gaat steeds verder denken. En het is deze half vorm, vol­gens de huidige definitie nog niet de echte mens die komt tot het eerste werktuig gebruik, dus het werpen van stenen, het gebruiken van stokken, zowel om iets te krijgen, want ze eten alles wat ze kunnen krij­gen, als ook om zich te verdedigen.

Van hieruit ontwikkelt zich een soort die steeds verdere jacht­tochten maakt in gebieden waar weinig of geen bomen zijn. Het op de ach­terpoten staan is ook voor de veiligheid belangrijk want u moet niet denken aan platte grasvormen als een enorm gazon maar eerder aan hoog opspringende gewassen. Wat doet denken aan alang-alang. De alang-alang­velden zoals je die in Indonesië kunt vinden. Dus staan betekent, kunnen uitkijken, tekens zien. Zo ontstaat er een mensvorm die bijna rechtop gaat. Dat houdt ook in dat het gehele zelfbehoud meer berust op een beter mani­puleren met de voorpoten.

Het betekent ook dat de kaakvorm iets verandert. De kaak slinkt lang­zaam wat. De gezichtshoek blijft nog wel, maar door de vele dan verwerkte signalen is er meer behoefte aan meer hersenmassa en die ontstaat dan ook.

Nu iets vreemds; er worden vormen geboren die veel meer hersenen heb­ben dan ze nodig hebben. Ze proberen ook niet om ze te gebruiken. Wat dat betreft is er nog niet veel veranderd. Maar wat ze wel proberen is om te­kens uit te vinden. Maar in zo’n grasvlakte waar je elkaar alleen van hoofd tot hoofd kunt zien, zien ze elkaar vaak over het hoofd. Geluiden worden steeds belangrijker. Roepsignalen zijn het begin van een eerste taal.

Zo ontstaat dan de eerste mensvorm, jagende stammen, nomadisch; nog geen vaste onderkomens in grotten of iets dergelijks. Ze trekken wel heel veel, maar meestal binnen een bepaald jachtgebied dat ze goed kennen. Dezen krijgen dan langzamerhand kinderen die hun hersenen meer gebruiken en daardoor wel handiger zijn, maar voor de ouderen gevaarlijk. Zolang ze kind zijn worden ze wel geduld, dan mogen ze brutaal zijn. Maar als ze ouder worden en nog denken dat ze het beter weten dan de ouderen, dan ontstaan er allerlei gevechten om een suprematie. De jongeren verliezen het meestal. Wat doen ze dan? Ze vluchten weg. Ze vormen eigen gemeenschappen. Deze eigen gemeenschappen gaan verder in het gebruik van werktuigen. Ze vinden vuur, natuurlijk vuur door onweer ontstaan, in enkele gevallen ook vulkanische uitvloeisels. Ze maken kennis met gebieden waar de levensomstandigheden niet goed zijn bv. in de buurt van solfataren e.d. Die gebieden worden dan als vanzelf taboe. Zo is er zelfs lang voor de Heidelbergmens, de Pekingmens en hoe men alle andere primitieve vormen noemt een begin van godsdienst geschapen.

Er zijn gebieden met een eigen macht. Daar kun je niet komen. Maar in dat vuur kun je wel een stok harder maken, dat ontdekken ze bij toeval. Er ontstaat de eerste speer. Die is nog niet recht, nog niet uitgebalanceerd. Het is gewoon een tak met een verharde punt, maar het blijkt dat je je daarmee beter kunt verzetten. Je kunt ermee steken. De eerste steekwapens zijn geboren.

Dan zijn er stammen die langzamerhand grotere gemeenschappen gaan vormen welke een sociale samenhang vertonen. Er zijn leiders. Daarnaast zijn er de wijzen, de kenners van het gebied. Er zijn de krijgers en natuurlijk ook de vrouwtjes wier doel nogal onbepaald is in die tijd. Je weet nog niet wat er allemaal gebeurt, de rest is instinctief. Die mensen gaan dan weer op hun eigen manier manipuleren met materiaal.

Er ontstaat de eerste neiging om te koken en om vuur te maken of beter gezegd te bewaren. Want een vuur maak je door ergens brandend materiaal te vinden en dat dan te voeden totdat je op de plaats bent waar je vuur wilt hebben. Het eerste primitieve vlechtwerk is overigens gemaakt uit takjes.

Ondertussen zijn er een aantal zoogdieren nogal gevaarlijk geworden. Denk eens aan de sabeltandtijger, aan de holenbeer. Dat wil zeggen dat je ruimten moet hebben waar ze niet bij je kunnen komen. En met zo’n grote gemeenschap (ik spreek nu over groepen van 30 tot 50 personen) zoek je iets waar ze niet kunnen binnen komen, holenwoningen. In het begin alleen in natuurlijke grotten. Later wordt er zelfs gewerkt, vooral als je turfsteen hebt of zachte steensoorten, aan primitieve holten die bescherming bieden.

Samenwerking wordt ook noodzakelijk. Voor je het weet heb je te maken met primitieve mensen die ergens geloven in een vreemde kracht, omdat ze telepathisch samen zijn en de invloed van de begeleidende geesten toch als een soort godsgevoel ervaren, neem ik aan. En daarnaast hebben ze ook hun taboes.

Het eerste primitieve begrip van magie ontstaat. De mensen ontwikkelen zich verder. Ze zijn niet alleen holenbewoners, maar ze leren dat ze zich teweer kunnen stellen tegen de verschillende dieren. We hebben dan te maken met de prehistorische stammen die in de bekende tijd wonen. Stel u bv. voor, er is een holenbeer of een holentijger die het eigen jachtgebied bejaagt en daardoor niet alleen voor jezelf gevaarlijk is, maar ook de voedselvoorraad in gevaar brengt. Die moet je bestrijden. Wat doe je? Je zoekt uit waar dat dier verblijft. Meestal hebben ze ook holen of vaste beschutte plaatsen waar ze liggen. Als er een hoogte in de buurt is, dan stapel je daar een heleboel stenen op, zodat je een steenlawine naar beneden kunt laten komen op het ogenblik dat het dier rust of dat het uit zijn hol naar buiten komt. Dan zorg je ervoor dat er een aantal mensen zijn met de al rechter geworden lansen en zij proberen dan het dier af te maken. Het kost meestal wat stamleden, maar ach, de leiders denken net als generaals, het offer is het ruimschoots waard, want dan heb je meer veiligheid.

Daarmee zijn we gekomen bij de primitieve mens. Ook hier ontstaan weer mensen die toch weer anders zijn van huidskleur, een beetje anders zijn van bewegingspatroon, een afwijkende aangezichtshoek hebben en ja, wat de boer niet kent, lust hij niet, die worden meestal of vervolgd of uit de stam gestoten Omdat de moeders het beschermingsinstinct nog steeds hebben, worden er betrekkelijk weinig kinderen terwijl ze jong zijn afgemaakt. De meesten worden in het geheim groot gebracht, maar moeten dan buiten het stamverband leven.

Weer ontstaan er nieuwe stammen. Er zijn op een gegeven ogenblik zelfs 6 of 7 verschillende soorten mensen gelijktijdig op aarde. Allemaal met een eigen cultuurtje, met eigen mogelijkheden, met eigen gewoonten. Maar elke volgende soort, elke volgende evolutietrap heeft natuurlijk weer geleerd van haar voorouders. Dat wil zeggen, dat de eerste stammen van de homo sapiens hun eigen signaaltaal, die reeds bestond, gaan uitbreiden en komen tot een primitieve taal die niet veel meer dan 80 tot 100 woorden bevat en kan worden aangevuld met gebaren.

Je kunt de belangrijke dingen in ieder geval ook met geluid mededelen. En aangezien geluid bovendien ook nog aangenaam is, schreeuwt men onderling (tegenwoordig doen ze het ook en dan heet het zingen in de moderne muziek tenminste), en er ontstaan a.h.w. gezelligheidsriten en dansen. De eerste primitieve roffels worden geslagen met lansen op een toevallig aanwezige steen.

Voedsel wordt nu weer in ruime mate gekookt. De vrouwen leren plantaardig voedsel te zoeken. Er is nog geen sprake van landbouw en de meeste stammen zijn nog nomadisch.

Het is in deze tijd dat een aantal entiteiten zich in het bijzonder met een bepaalde groep gaat bezighouden. Hierdoor ontstaat wat homo sapiens betreft een aantal totaal verschillende ontwikkelingen waarvan de eigenschappen per soort aanmerkelijk anders zijn. Dit gebeurt o.a. doordat dergelijke groepen instinctief naar een bepaald milieu worden toegedreven, wat de ontwikkeling van de nodige lichamelijke eigenschappen ten gevolge heeft, maar tevens ook zorg draagt voor zintuiglijke ontwikkelingen, omdat ook die voor het voortbestaan van groot belang worden. Al deze verschillende soorten proberen vervolgens zichzelf steeds meer in stand te houden en worden talrijker.

Er zijn in dit geval stammen die soms, al reizen en jagen ze meestal in gescheiden groepen, als eenheid een paar honderd mensen bevat. Het zijn deze beginnende naties (zo zou ik ze willen noemen) nomadische naties, die tot besef komen dat je jachtbuit, althans bepaalde dingen, kunt meenemen als ze niet gevaarlijk zijn, planteneters bv. Dezen worden de eerste primitieve veehouders omdat ze hun voedsel levend meenemen, totdat ze het nodig hebben. Een tijd later zien we de eerste landbouw op dezelfde manier ontstaan

Men ontdekt dat bepaalde kruiden bijzonder eetbaar zijn, bepaalde grassoorten bijzonder lekker of gemakkelijk te bewaren zijn en te verwerken zaden bevatten. Men begint die dingen elke keer dichter bij elkaar te brengen. Misschien dat men oorspronkelijk heeft geprobeerd om wat meer van die soorten bij elkaar te zetten, gewoon polletjes uit het wild. Later heeft men ontdekt; we hebben zaad over, gooi het erom heen en het komt op. Zo ontstaat er primitieve landbouw.

Hier hebben we nog steeds te maken met nomadische stammen, maar ze verblijven langer op een plaats. Dat betekent, dat de binding met de plaats groter gaat worden. Men gaat krachten zien in het landschap waarin men langere tijd verblijft. Zo worden bepaalde stromen, bomen, bergen heilig. Het is geen taboe. Het is niet iets waar je niet aan kunt komen omdat het gevaarlijk is, maar het is iets wat bezield is, waarmee je kunt werken, wat iets voor je kan doen.

Het is in deze periode dat de natuurgeesten, die een totaal andere ontwikkeling hebben doorgemaakt, steeds meer contact krijgen met de mensen. Er is een tijdlang zelfs sprake geweest van samenwerking tussen natuurgeesten (aarde, vuur, lucht en watergeesten) en mensen. Dat wordt later in legenden nog wel verteld, maar dan is het allang voorbij,

Ik heb u hier een stuk geschiedenis gegeven. Een ontstaansgeschiedenis die op bepaalde punten sterk afwijkt van hetgeen de wetenschap zegt. Daar wordt verondersteld wat bekend is en voor een deel daarmee parallel loopt. Maar bij alles wat wij hebben nagezocht, ziet het er ongeveer zo uit. Ik meen redelijk voor het door mij gestelde te kunnen instaan.

Wij hebben nu te maken met mensen. Mensen die binding hebben met het onbekende, die door rassen, of groepsgeesten nog steeds sterk worden beheerst, maar steeds meer hun eigen instincten kunnen richten. Daarnaast hebben ze contact met zeg maar onzichtbare persoonlijkheden. Dat betekent, dat er voor hen een tweede wereld bestaat. Een wereld van geesten, later een wereld van goden.

Heel vaak denkt men, als je dood gaat, dan kom je natuurlijk in die andere wereld, de wereld van de onzichtbaren terecht. En dus gaan we de voorouders vragen om als bemiddelaar op te treden. De eerste sjamaan. De eerste beginselen van aarzelende voorouderverering.

In diezelfde tijd gaat men denken De man die ik zie, heeft bepaalde eigenschappen. Die eigenschappen zitten in zijn lichaam. Dus als ik zijn lichaam eet, dan word ik gelijk aan die man of tenminste meer gelijk aan die man. Wat wij kannibalisme, noemen of antropofagie neemt inderdaad toe en wordt langzamerhand een geloofsbelevenis.

Ik weet, dat heel, veel mensen in deze tijd zich afvragen hoe bv. de Dajakkers en andere koppensnellers toch zo wreed hebben kunnen zijn. Dat iemand zich pas man mocht noemen, als je het hoofd van een vijand op een staak vóór je deur kon zetten. Overigens, er zijn politici die heel graag zouden willen dat die gewoonte, in beschaafde landen zou bestaan.

Als je even nadenkt, is het duidelijk. Een gewoon jong mens heeft geen volwassen ervaring. Maar als hij deelheeft aan bepaalde gewoonten of het nu door het afslaan van een hoofd is of door het eten van een verslagen vijand dan heeft hij diens manas (mentale activiteit), ofschoon de term van veel latere datum is. Hij heeft een deel van diens kwaliteiten, diens kracht overgenomen en is dus man.

Heel vaak is in het begin dat alles voldoende, maar later zeggen ze; Ja, je kunt nu wel zeggen; ik heb die kop afgeslagen of; ik heb die man opgegeten, bewijs het dan maar eens. Zo ontstaan de eerste initiatieriten. Het zijn niets anders dan bewijzen dat de kwaliteiten, die je zegt verworven te hebben, inderdaad aanwezig zijn.

U moet goed begrijpen, dat het hele spel steeds complexer wordt. Maar gelijktijdig vergt het steeds meer verschillen in emotie, in waarneming en ook in uitdrukkings- en mededelingsvermogen. Niet alleen de talrijkheid neemt toe, maar ook het aantal voor de aarde interessante gegevens die niet alleen omtrent de kwaliteit van de aarde maar ook omtrent alle verschillende kwaliteiten die de aarde vertoont en de mogelijkheden die daarin schuilen worden ontvangen. Het beeld van de aarde wordt duidelijker. Daardoor wordt het communicatievermogen van de aarde ook groter en kunnen er meer ervaringen worden uitgewisseld met andere planeten en de zon.

Het is een parallel levensproces waarmee we te maken hebben. Wij spreken dan weleens over geestelijke bewustwording. Ofschoon het opvallend is dat degenen die zeggen die te bezitten heel vaak voortdurend in een toestand van geestelijke bewusteloosheid schijnen te verkeren. Maar hoe het ook zij, er is hier sprake van een persoonlijkheidsontwikkeling. Bij de mensen betekent dit een steeds sterkere individualisatie.

De verschillende delen van de soort gaan steeds meer afzonderlijke kwaliteiten en eigenschappen verwerven, vertonen en ten aanzien van elkaar gebruiken. Als je een kwaliteit hebt, wil je die natuurlijk nalaten aan de kinderen ook al ben je er nog niet helemaal zeker van hoe ze eigenlijk ontstaan. De oermoeder is de oudste godin en drukt uit dat men eigenlijk nog niet wist waar het nageslacht vandaan kwam. Dus gaf men de een of andere supervrouw de schuld van alles.

Dan krijg je mensen die gespecialiseerd zijn. Binnen de stamgemeenschappen, vooral als het stammen zijn die een groter aantal personen bevatten (200 ongeveer), krijg je mensen die gespecialiseerd zijn in bv. jacht, die gespecialiseerd zijn in het lezen van tekens, die gespecialiseerd zijn in het optrekken van woningen. Nog steeds heeft iedereen wel enige kennis van alles, maar als er iets bijzonders moet gebeuren, dan heb je ook speciale mensen nodig. Deze specialisatie doet weer een soort standen ontstaan, belangrijkheden. En als er dingen zijn die bijzonder moeilijk schijnen, dan maak je daar een geheim van.

De eerste kunde van bv. het bewerken van steen, gewoon het maken van het simpelste schraapscherfje of van de simpelste vuistbijl was een magisch geheim het was de eigenschap van zeer speciale mensen. U weet het misschien niet, maar het is toch werkelijk waar dat er zelfs al in een ver verleden industrieën waren. Op plaatsen waar gemakkelijk in de juiste vorm te kloppen stenen van goede kwaliteit aanwezig waren daar had men een aantal krijgsgevangenen, leerlingen en meesters van de kunst die samenwerkten en in massa vuistbijlen, speerpunten en wat dies meer zij vervaardigden. Als u denkt, dat industrialisatie iets nieuws is, kunt u dat ook vergeten.

Hoe meer je aan dergelijke dingen toekomt, hoe meer je moet komen tot taal, tot uitwisselingsvermogen. Hoe specifieker je uitdrukkingsvermogen en uitwisselingsvermogen als mens onderling wordt, hoe moeilijker het wordt om al die op het instinct inwerkende invloeden van groepsgeesten of rassengeest bewust te beleven. Het is alsof de rassengeesten langzaam maar zeker op de achtergrond blijven. Ze houden zich nog wel bezig met de groep als geheel, maar de wat sterkere binding met individuen of zeer kleine groepsindividuen komt bijna niet meer voor.

Daar wil ik het voor vandaag wat betreft de historie bij laten. Maar ik wil er nog wel wat anders aan toevoegen.

Als u in de moderne tijd kijkt, dan moet u die tijd nu eens niet alleen bekijken vanuit het huidige standpunt van wetenschappelijk overleg, van sociale wetenschappen, van wetenschappelijke ontwikkeling, van techniek, van industrialisatie en al die dingen meer. Kijk eens terug naar dat verleden.

Als we namelijk de moderne tijd bekijken, dan zien we daar allerlei tendensen die toch wel een beetje vergelijkbaar zijn. Bijvoorbeeld; Hoe komt het dat in zeer korte tijd, maar ook met zeer grote omvang en intensiteit de bezorgdheid voor het milieu opkomt? Het komt heus niet op door de zure regen, want ze was er al voor die tijd. Hoe komt het dat men zich opeens gaat bezighouden met de vraag wat op aarde wel en niet mogelijk zou zijn. Hoeveel mensen er zouden kunnen leven. Binnen minder dan een eeuw is de hele benadering van het leven en van de wereld sterk veranderd.

Omdat dat overal bijna gelijktijdig is gebeurd, niet alleen maar in een land, zou u zich verder kunnen afvragen; Welke onzichtbare invloed is er? Dan zou de astroloog zeggen; Dat komt door de sterren. Een ander zou zeggen Het zijn stralingen uit het heelal. Maar waarom zouden we niet even dichter bij huis blijven?

De aarde zelf wil dat de verandering die onvermijdelijk is geleide­lijk verloopt, opdat de aanpassing van al die soorten leven mogelijk blijft. Dat beïnvloedt al die rassen en groepsgeesten. Zij beginnen op hun beurt die boodschap uit te zenden. Vooral de individuen die daarvoor wat ge­voeliger zijn gaan daarop reageren. Het denken van de mensen gaat anders worden.

Denk dan verder eens aan het verschil ook in deze tijd van sociale opvattingen. Het is werkelijk een revolutie die zich heeft afgespeeld in de 50er jaren. Ook hier zien wij dat er een poging is om tot heel nieuwe gemeenschappen te komen en een totaal andere samenwerking van de mensen. Het veranderen van gezags- en bezitsverhoudingen is alleen maar een uiting. Het gaat in feite om het vinden van een nieuw samenwer­kingsverband. Ook dat is niet zo plotseling ontstaan.

In het verleden hebben we perioden gehad dat het 10.000 tot 50.000 jaar en in het verre verleden zelfs meer dan 100.000 jaar rustig bleef. Er veranderde weinig of niets. In deze tijd zien wij echter een aantal veranderingen die dermate sprekend zijn op korte termijn dat wij er niet omheen kunnen te vermoeden dat er een nieuwe stap, een nieuwe ontwikke­ling in de evolutie moet komen en dat de aarde alles doet om een gelijk­tijdigheid van verschillende fasen mogelijk te maken.

Natuurlijk, als het milieu zover is vergiftigd dat u het er niet meer uithoudt, dan zijn er individuen die dat wel kunnen. Die zijn dan de supermensen van morgen. Maar die hebben dan weer geen achtergrond. Er moet een referentiekader blijven. Er moeten de anderen zijn aan wie je je kunt spiegelen en waarboven je je kunt verheffen door meer te zijn of meer te presteren.

Ik denk, dat de mens van vandaag met al zijn wetenschap en al zijn kennis, zijn beschaving over een 200 á 300 jaar eigenlijk zal worden be­schouwd door degenen die dan leven ongeveer als men in Australië op het ogenblik de Aboriginals bekijkt. U weet wel, die primitieve mensen die in­secten nog erg lekker vinden. Ofschoon die mensen weer niet begrijpen waarom die zoveel hoogstaandere blanken zich te barsten vreten aan alle zoetigheden waar zij ziek van worden.

Er is een verandering gaande. En als we deze eerste historische benadering overzien, dan moeten we toch in staat zijn om hier en daar een parallel te ontdekken. Wij kunnen wat deze eerste lezing betrof, verder volstaan met de conclusie; Veranderingen zijn altijd gaande. Ze worden meestal pas opgemerkt wanneer ze bijna voltooid zijn. Ze ver­anderen de levenscondities van de soorten. Dit in deze tijd belooft een betere ontwikkeling in de toekomst. Daar wil ik het voorlopig bij laten.

Een volgende keer zal ik proberen de historie van de mensheid in de u bekende culturen wat nader te schetsen. Ik wil trachten daarbij ook in te gaan op de verschillende vormen van denken en geloof. Waarom bv. maangodinnen en pas daarna zonnegodinnen? Waarom vuuraan­bidding? Waar komt dat vandaan? Waar heeft het toe gevoerd? Want ook de historie van de bekende mensheid leert ons veel. Maar één ding moet u onthouden.

Wij kunnen gelijke tendensen wel degelijk constateren. Maar wij kunnen niet stellen dat zij de gevolgen zullen hebben die zij in het verleden ook hebben gehad. Dat ligt aan de mens. De mens wordt verder gestuwd door de kracht die leeft in de aarde. De mens wordt verder gevoed door de kracht die leeft in de zon.

Vroeg tantrisme, vroege magie

Het zal u duidelijk zijn dat het eerste begin van de magie heel een­voudig is geweest. Het was ook heel gemakkelijk mogelijk om magiër te zijn in die tijd, want iedereen geloofde wat je zei.

Als je werkelijk gelooft in het leven, ook als het in een boom of ergens anders zit, dan kun je de relatie daarmee ervaren. Er zijn gemeen­schappen die dat tot voor kort eigenlijk nog hadden. Ik denk in het vroe­gere Ned. Indië aan de waringin, de heilige boom waarin een geest woont. De mensen die daar gaan mediteren, ervaren dan die geest. Want alle din­gen zijn bezield.

De primitieve magie berust eigenlijk op de onwetendheid van de mens zoals alle magie en ook alle wetenschap. Naarmate een mens minder weet, gelooft hij meer. Dat is wel begrijpelijk, want hij moet een verklaring hebben voor zichzelf en voor de wereld waarin hij leeft.

Wanneer iemand dan wat bladeren gooit in een pot met gloeiende kolen en boven de rook dan plotseling begint te vertellen dat hij groot­vader zus en zo is, dan zegt iedereen: Hij zegt het, dus is het waar. En als grootvader bovendien nog dingen zegt waar je wat aan hebt, dan denk je dat die grootvader bestaat.

Niet iedereen kon voortbestaan, tenminste niet in de oude tijd. Alleen helden, mensen die bijzonder wijs waren geweest, kortom, diegenen aan wie men wat zou willen vragen, van hen nam men aan dat zij voort­leefden.

In de primitieve magie heeft men dan ook te maken met de krachten die wonen in de natuur en daarnaast met de voorvaderen die zo belangrijk zijn dat zij je nu misschien zouden kunnen helpen. Het is altijd weer het oproepen van deze krachten. In het begin met heel eenvoudige midde­len, later meer ingewikkeld met rituele dansen, met muziek (meestal slagwerkmuziek) of met bepaalde kreten en gezang.

Gaan we nog iets verder dan vinden we dat men beelden maakt die een voorstelling van de god weergeven. En omdat ze de voorstelling van de god is, is de god daarin en kun je hem dus op vele manieren beïnvloe­den. Je kunt dat doen door een maagd te offeren. Je kunt het ook doen door een spijker in zijn hoofd te slaan.

De mens ziet zijn goden en ook de geesten vooral in het begin als volkomen gelijk aan zichzelf. Ze leven in een andere wereld, maar ze zijn net zo omkoopbaar, zo hebzuchtig als hijzelf. Ze zijn zo machtig als hij­zelf op velerlei gebied, maar ze zijn bovendien wijzer en daardoor kunnen ze ook meer presteren.

Het oproepen van goden en van geesten is langzaam maar zeker het voorrecht en eigendom geworden van mensen die zich speciaal daarmee be­zighielden. En omdat wij altijd ook iets moeten presteren, want als we met een god spreken en die god zegt iets, dan moet er ook een grond van waar­heid in zitten, dan hebben we meer en meer te maken gekregen met een selectie. Degenen die tovenaar werden, sjamaan of magiër, werden eigenlijk automatisch gekozen uit degenen die bepaalde suggestieve en telepathische kwaliteiten bezaten. Op die manier werd het mogelijk samenhangen te schep­pen en goede antwoorden te verkrijgen.

Ik wil eraan toevoegen dat het in de oude tijden niet altijd zo gemakkelijk was om magiër te zijn. Want als je zegt dat grootvader die en die, dat en dat had gezegd en dat kwam niet uit, dan kun je later je hoofd wel ergens anders gaan zien.

De magiërs waren dus veel meer bepaald tot resultaten dan in latere tijd. Als we dat vergelijken met het optreden van de auguren in de beschavingen van de Babyloniërs, de Meden en de Perzen e.d., dan hadden die eigenlijk een goed leven. De uitspraak hoefde niet uit te komen, als het maar een beetje dubbelzinnig werd gezegd. Vroeger moest het uitkomen anders deugde het niet. En als je tevens contact had met de krachten van de natuur waarom zou je dan niet aanvoelen dat er regen komt en dan een dans uitvoeren om die regen te roepen? Het is een samenvloeien van het kennen van de natuur, het kennen van de mogelijkheden en de verschijnselen, het kennen van kruiden ook en het aanvoelen van dingen.

De magiër is in het begin gewoon iemand die door zijn prestaties in die stam belangrijk is. Langzamerhand wordt hij naijverig. Hij wil meer te betekenen hebben, dus probeert hij meer invloed te krijgen. Dat kan hij niet, tenzij hij hier en daar een beetje bedrog pleegt.

Daarmee begint dan het ontstaan van de eerste priesters en tove­naars die om eerlijk te zijn alleen door hun oneerlijkheid konden be­staan. Kijk je naar hun prestaties, dan ontdek je; er zijn nog steeds zij die wel degelijk geloven in hetgeen ze doen. Maar degenen onder hen die de grootste reputatie hebben zijn meestal zij, die niet meer geloven in hetgeen ze doen. Daarom, degene, die gelooft in dat wat hij doet, gaat uit van een innerlijke waarde en een innerlijke kracht. Hij zoekt dus helemaal niet de erkenning van anderen. Maar de mensen geven de meeste erkenning aan degenen, die hun datgene bieden wat zij nu toevallig graag willen hebben en dat is maar zelden de waarheid.

De verschillende magiërs en de verschillende sjamanen beginnen langzamerhand samen te werken. Zo ontstaat er een uitwisseling van gegevens tussen stam en stam die ten slotte voert tot een soort natuurverering.

In die natuurverering zijn allerlei mogelijkheden aanwezig voor een magisch gebeuren, voor het raadplegen van geesten, voor het spreken met bergen, met stromen. Altijd weer kunnen de resultaten worden gebruikt ten voordele van de mens.

U denkt misschien dat dat nu is uitgestorven. Maar als u de kern van voodoo beschouwt, dan ziet u dat we hier nog steeds te maken hebben met het aanspreken van krachten van de natuur en dat deze in de eerste plaats en pas in de tweede plaats als de verpersoonlijking van bepaalde krachten als Azazuli, Baron Samedi of een andere grootheid een rol speelt. De figuren die de meeste aandacht krijgen in het westen zijn niet de werkelijk belangrijkere figuren in het geloof zelf. Ze zijn wel de machtsmiddelen geworden van de Heugen (de priester van de Voodoo).

Als we te maken krijgen met een natuurgeloof, dan proberen we automatisch, als je eerlijk bent, ook je eigen plaats temidden van de natuur te bepalen. Er is sprake van een zoeken naar samenhangen. Je wilt a.h.w. leven met het leven van een geestelijke boom. Je wilt een zijn met het bestaan van de een of andere Udine. Je zoekt naar alle mogelijkheden die er zijn om je eigen wezen a.h.w. uit te breiden, want alleen zo kun je spreken met de natuur en zo kun je antwoorden die ze geven werkelijk begrijpen.

Het resultaat is, dat er een aantal riten zijn ontstaan die hoofdzakelijk een suggestieve werking hebben. Het gaat hier om het branden van reukwerken, het gebruik van bepaalde kruiden zo goed als om dansen. Om bepaalde riten te gebruiken zal men eveneens een beroep moeten doen op datgene wat men innerlijk is en wat men meent dat in de natuur aanwezig is.

Het ritueel dat zo ontstaat, betrekt alles wat er in de natuur is en daarbij alle mogelijkheden van de mens bij het gebeuren, zowel bij de pre­dictie mogelijkheden als ook bij de mogelijkheid om omstandigheden te beïnvloeden. Maar er zijn omstandigheden die je niet kunt beïnvloeden, dus moeten er demonen zijn.

Een demon is niets anders dan een natuurkracht die anders is ge­richt dan dat wat wij als juist erkennen. Op deze manier gaat men demo­nen bestrijden. Maar in bepaalde gevallen, als je met een vijand te ma­ken hebt, dan is het natuurlijk heel prettig, als een demon in plaats van hier de boel overhoop te halen de buurman eens het vuur na aan de schenen legt. Zo ontstaat er een magie die eigenlijk alle krachten, ook de negatieve, probeert te gebruiken om haar eigen doeleinden te bevor­deren.

Uit deze magie komen er langzamerhand scholen voort, want kennis is ook belangrijk. Als we kijken naar de allereerste scholen die we mis­schien inwijdingsscholen kunnen noemen, dan ontdekken we dat hierin een soort schrift wordt onderwezen, zij het een heel primitief tekenschrift. Daarnaast wordt kruidkunde onderwezen en ook een soort kosmogonie het bestaan van de kosmos, de samenhangen daarin, de kracht van de mens, de plaats van de mens en vooral de plaats die de magiër kan innemen door zijn kennis.

Uitleggen van dromen is eigenlijk al van de oudste tijden af een heel normaal verschijnsel, want is de droom niet een andere werkelijkheid. Iemand, die in een andere werkelijkheid bv. veel vis vangt, moet toch veel geluk hebben ook in deze situatie, want zijn ik is gericht op ver­werven, op geluk. Dus kun je hem dat voorspellen. Zo worden dromen over het algemeen erg interessant uitgelegd al is het natuurlijk voor de he­dendaagse mens een beetje moeilijk om dergelijke uitleggingen nog te ge­bruiken.

Ik weet wel dat een man eens bij een sjamaan kwam en zei: Ik heb ge­droomd dat ik een kaaiman heb gedood. Heb je een kaaiman gedood zei de sjamaan, dan zul je veel vijanden overwinnen. Een ander kwam bij de sjamaan en zei: Ik heb gedroomd van een lege pot. De magiër antwoordde: Dan zal er veel met je gebeuren, want een lege pot mag niet bestaan die moet altijd vol worden.

Dergelijke droomuitleggingen zijn tegenwoordig onzin. Ik geloof ook, dat droomuitleggingen zoals ze in deze tijd worden gedaan, niet altijd terecht gebeuren. Wat dat betreft, bestaat er velerlei bijgeloof, zelfs het bijgeloof dat Freud in de wereld heeft gezet.

In de oudheid waren de mensen onzeker. Je leefde in een wereld die je maar heel beperkt kende. Een vorst wist wel iets van zijn vijan­den maar niet veel. Daarom had hij krachten nodig die de vijand wel ken­de. Hij deed een beroep op auguren, op waarzeggers, maar hij deed ook een beroep op magiërs. Want die anderen kunnen wel een god hebben of een kracht die sterker is dan mijne en dan moet ik daartegen een wapen heb­ben. Wat tegenwoordig de atoombom is, was vroeger een speciale god. Dat was de macht waarmee je de vijand bang kon maken vooral als de god verscheidene keren bv. door natuurgebeurtenissen duidelijk maakte hoe sterk hij was.

In de tijd dat de mensen in steden gaan wonen, komen die priesters veel meer met elkaar in contact. Bij de zwervende stammen zijn er een of twee priesters die meereizen. De anderen zijn misschien weer bij een an­dere afdeling. In een stad zit je allemaal bij elkaar. Dan moet je onder­ling afspreken wie het ene zal doen en wie het andere. Zo ontstaat bij de priesters specialisatie.

Enkelen gaan genezen, anderen zijn speciale voorspellers. Er zijn er ook die de hoge goden aanroepen en daarmee iets tot stand proberen te brengen. Als je nu even goed nadenkt, dan kun je parallellen vinden met de huidige tijd. Om een voorbeeld te geven: menigeen geloofde in goden omdat hij zonder die goden zichzelf te zeer onmachtig voelde. Hoe minder een mens wist over de werkelijkheid, des te fanatieker hij was in zijn ge­loof. Hoe meer men wist over de werkelijkheid hoe verder zijn god van hem af kwam te staan.

Het is allemaal een beetje wonderlijk. Een wereld waarin goden men­sen zijn of mensachtige geesten zal altijd voor mensen veel begrijpelijker, veel aanvaardbaarder zijn dan een god die veraf woont en die misschien alleen een vaag licht is of een liefdeskracht die ergens aanwezig is, maar die je eigenlijk maar veel te zelden voelt. Daarom zien we – en dat gaat tot bijna de vroege Middeleeuwen toe, god en goden mensachtige fi­guren blijven.

De priesterschappen, die ze hebben gevormd bij het ontstaan van de eerste steden zijn degenen die rituelen hebben gemaakt. In het begin kan elke mens eigenlijk zijn god aanroepen. Bij de nomaden bv. was het stam­hoofd eigenlijk ook een opperpriester. In vele latere rijken zien we nog steeds dat de koning gelijktijdig een soort god is ofwel een hogepriester. Maar in de steden moet je zorgen dat anderen niet met de goden praten. Daarom wordt de godenwereld a.h.w. losgeweekt van haar directe menselijk­heid. Er worden allerlei kwaliteiten aan toegekend die in attributen en in afwijkende verschijningsvormen (afbeeldingen) een grote betekenis krij­gen die ook de priester het voorrecht geven om krachten te benaderen, die een gewoon mens niet meer durft nader treden.

De priester maakt zichzelf tot bemiddelaar. Hij beschikt over kennis. Die kennis behoedt hij angstvallig of het nu een magische kennis is of een practische. Want alleen door deze te behoeden kan hij zijn gezag blij­ven handhaven tegenover de meestal niet zo vriendelijke gezaghebbers op meer wereldlijk terrein.

Het wonderlijke is, dat al duizenden jaren voor Christus priesters in vele rijken de feitelijke macht bezaten. Zij waren het die uitmaakten wat de koning wel en niet moest doen. Zij waren het die krijgstochten ver­boden of bevorderden. Zij waren het zelfs die samenwerkten om wetten op te stellen waaraan de gemeenschap moest gehoorzamen. Er zijn uitzonderin­gen geweest.

Hammurabi (koning van Babylon) bv. heeft met enkele wijzen, die geen priester waren een aantal wetten opgesteld die een zekere sociale rechtvaardigheid bevatten en die hier en daar verdacht dicht liggen bij hetgeen wij later terugvinden bij de Tien Geboden die Mozes zou hebben ontvangen. De macht is echter datgene wat de priesters altijd heeft ge­dreven, zal blijven drijven. Want de gemeenschap van priesters kan niet aanvaarden dat een ander zonder die wijding, zonder het behoren tot hun gemeenschap dezelfde mogelijkheden bezit. En juist daarom zijn ze zo ont­zettend bang voor al datgene wat afwijkt van hun leer.

Als iemand zegt: Er is een wedergeboorte, er is reïncarnatie, dan roepen ze onmiddellijk uit: Dit is dwaasheid, dit is demonisch. Waarom? Omdat een reïncarnatie een groot gedeelte van hun macht eigenlijk onge­daan maakt. Zij hebben dan niet meer een soort rechterschap ten aanzien van de eeuwigheid. Hoe meer zij dat als bedreigend voelen, hoe fanatieker zij zullen worden.

Er zijn gevallen bekend uit Egypte dat het priesterschap (in dat geval de priesters van Amon) een complete moordpartij hebben opgezet, inclusief de moord op een groot aantal priesters van Thoth. Waarom deden zij dat? Doodgewoon omdat hun voorrecht van uitverkoren bemiddelaar met de godenwereld wordt bedreigd. Dat ze daarbij gelijktijdig een groot gedeel­te van hun magische mogelijkheden op het spel zetten en deels verloren, dat namen zij op de koop toe.

Macht is de drijfveer geweest die vele magiërs en vele priesters heeft bewogen door alle tijden heen. Als wij kijken naar de manier waar­op in de huidige tijd de mensen hun begrip van macht, van zeggenschap, van gelijk verdedigen ten koste van alles, zelfs tegen elk bewijs in des­noods, dan wordt ons duidelijk dat er wat dat betreft niet veel is ver­anderd in de wereld.

Laten wij teruggaan naar de oude tijd.

Het kamp is opgeslagen. Het zijn niet eens hutten of tenten. Het zijn eenvoudige beschuttingen uit aanwezig hout opgetrokken. Het vuur brandt. Iedereen zit te wachten en daar komt de sjamaan. Zelf beroert hij een gespannen vel dat over een hoepelvormig pak is ge­legd. Dat geeft een doffe klap. Een paar van zijn helpers beginnen met stokjes te ratelen. Er ontstaat een ritme. Op dat ritme beweegt de sja­maan zich sneller en sneller met steeds meer uitvallende gebaren naar de mensen, steeds meer met aanroepende gebaren naar boven. Dan werpt hij opeens uit een zakje dat hij bij zich draagt wat op het vuur. Even is er een flits en een verstikkende rook. De vlammen worden wat feller, de magiër verstilt. Hij zakt in elkaar. Een ogenblik lijkt het of hij bijna dood is. Dan staat hij op en spreekt met een andere stem.

Hij vertelt nu het volk wat ze moeten doen. Hij zegt de mensen uit de naam van voorvaderen, van grote opperhoofden uit het verleden, die weg zal je kiezen. Daar zal je een goede jachtbuit vinden. Dan zakt hij weer in elkaar. Hij wordt weggeleid door zijn leerlingen. Dan vraagt hij achteraf. Heeft het opperhoofd nog voldoende extra buit aan ons beloofd? Zo is het altijd gegaan.

Die man geloofde erin. En omdat hij erin geloofd, zal hij meer zijn dan een ander. Want innerlijk een zijn met het andere betekent dat je veel dingen aanvoelt die logisch niet verklaarbaar zijn.

Wanneer ze water zochten, de magiër wist het, daar is water. En het was er. Wanneer ze wild zochten en het wild was weggevlucht zoals dat nogal eens gebeurde, dan zei hij: Daar moeten we heen trekken, daar is jachtbuit. En hoe meer hij het heeft aangekleed, hoe meer afbeeldingen hij heeft gebruikt en rituelen en nabootsingen van de jacht, het kwam allemaal aan op het een zijn met de natuur, het een zijn met het ge­beuren en het innerlijk aanvaarden dat doden en geesten tot je kunnen spreken. Want door die aanvaarding ontstaat de mogelijkheid. Zonder die aanvaarding is er niets.

Ik mag het niet te lang maken vandaag, daarom wil ik niet te ver doorgaan met dit betoog. Er zijn echter bepaalde lijnen die door de gehele geschiedenis van de mensheid, zeker van de bekende en ook een deel van de onbekende, lopen. De door mij genoemde is er een van.

De tantrische magie zoals ze tegenwoordig bestaat, is allen maar een uitvloeisel van een natuurlijk tantrisme dat uit de natuurverering is voortgekomen. Alle begrippen die daarmee verbonden zijn lopen door tot in deze dagen. Wanneer een priester u zegent, dan grijpt hij terug naar een ver verleden waar het zegenende gebaar in feite de eenheid met een hoge geest, met een macht betekent.

Als vandaag de dag de mensen zeggen dat ze zweren voor God de waar­heid te spreken, dan grijpen ze terug naar een oud verleden waarin de vrees voor het ingrijpen van geesten en goden, van natuurkrachten de mens ertoe bewoog om eerlijk te zijn tegen wil en dank,

De parallellen lopen door. De wereld is niet vrij van magie. De wereld is niet vrij van de verwantschap met de natuur ook al doet ze alsof het niet bestaat. Maar als je de dingen verwerpt en verdringt, dan zijn zo daar­om nog niet verdwenen, ze blijven aanwezig. Zo zou ik willen zeggen.

De vroege magie en het tantrisme leven voort tot in deze dagen. Ze zullen andere vormen krijgen. Maar datgene wat daarvan de oorzaak is geweest, zal blijven bestaan zolang er mensen zijn.