Zelfkennis

Dinsdag 24 november 1981

Ken u zelf, een heel bekende kreet, maar wie kent zichzelf? Je kunt jezelf ontleden, natuurlijk. Je kunt nagaan wat voor kwaliteiten, eigenschappen, je hebt. Je kunt kijken hoe de mensen je zien. Je kunt misschien jezelf psychologisch uiteen laten rafelen. Dan ben je echter nog steeds niet aan jezelf toe. Wat je bent is net iets anders en net iets meer dan datgene wat je bereiken kunt wanneer je je bezighoudt alleen maar met de uiterlijkheden en eventuele psychische conflicten en mentale mogelijkheden.

Wanneer je kijkt naar de grote psychologen – denk bijvoorbeeld aan Jung – dan komen ze tot de conclusie, dat wanneer je alles in kaart hebt gebracht omtrent de menselijke persoonlijkheid, er een gebied blijft, dat er kennelijk wel is, dat je zelfs wel kunt begrenzen, maar waarvan je de aard niet kunt aanduiden.

Het is ook een gebied, dat wijzelf nooit redelijke kunnen betreden, laat staan, dat we door kunnen dringen in een werkelijkheid, die dan vertaalbaar is in woorden of beelden. Toch behoort dat ook tot jezelf. Als je dat gebied niet kent, ken je eigenlijk jezelf niet. Zelfkennis is dus iets wat in de eerste plaats uit moet gaan van eerlijkheid ten opzichte van jezelf. Je moet beginnen te begrijpen wat je bent en wat je doet. Het waarom zul je nooit helemaal weten. Wanneer je verder doordringt in datgene wat je bent, dan kom je tot de conclusie, dat bepaalde reacties zelfs onvermijdelijk zijn geworden. Het is dan ook niet elke eigenschap afzonderlijk, die bepaalt wat u bent. Het is het geheel van deze eigenschappen plus nog dat onbekende, dat kennelijk ergens een coördinerende invloed uitoefent zonder dat je precies weet hoe en waarom.

Ik zou willen zeggen: jezelf kennen in de zin van letterlijk kennen, dus omschrijven, kunnen uitleggen, bestaat eigenlijk niet. Wat er bestaat is eerder een jezelf beseffen. Jezelf beseffen is een kwestie van afmeten wie en wat je bent. Wanneer ik dingen ga zeggen, die u misschien niet allemaal even leuk vindt, moet u het me maar even vergeven. Het is in geen geval kwaad of persoonlijk bedoeld.

De meeste zijn bezig om voor zichzelf komedie te spelen. Je moet jezelf een rol aan. In die rol is het nodig, dat je edel bent, dat je hoge openbaringen hebt of dat je misschien een zondaar bent of iets dergelijks.

De rol, die je speelt is niet de mens die je bent, ook al word je naar buiten toe door de rol, die je uitbeeldt, bepaald. Wanneer je je realiseert, dat je komedie speelt, dat je voortdurend toch een beetje anders doet dan je werkelijk bent, dan heeft het weinig zin om dat te veranderen. Wanneer die verandering voor uzelf onvermijdelijk is, doet u het toch wel. Het is belangrijker om te begrijpen waarom je die rol speelt. Waarom geef je bijvoorbeeld niet toe, dat je bang bent. Of om een heel eenvoudig beeld te geven, dat u allemaal waarschijnlijk kent uit een nog niet zo ver verleden: een man mag niet huilen en van een vrouw wordt een tranenvloed eigenlijk zelfs verwacht. Waarom? Omdat het een rollenspel is wat je speelt. Omdat je bezig bent iets uit te beelden, niet jezelf maar je beeld van hoe een man of een vrouw moet zijn of hoe een directeur moet zijn of iemand, die carrière gaat maken of een werkloze of iemand, die het niet meer ziet zitten.

Je kijkt niet naar hetgeen er werkelijk in je leeft, je probeert je af te stemmen op een verwachting in die buitenwereld en je zult wel eens even laten zien, dat je dat bent en dat je dat kunt. Het lukt natuurlijk niet zo goed. Er zijn dames geweest, die zich het bekende Marilyn Monroe-gezicht hebben laten aanmeten of een BB-pruillip. Soms chirurgisch. Ze dachten, dat ze daardoor anders werden. Maar ja, een zo absolute cosmetische chirurgie is eigenlijk niet eens mogelijk. Waarom denk je dan wel, dat je iets bepaalds moet uitbeelden in de wereld? Waarom, wat drijft je er toe om juist dat gezicht te laten zien. Je gaat ontdekken, dat je wel anders bent, maar dat je het niet durft of niet wilt om anders te zijn.

Een van de grootste hinderpalen voor het bereiken van zelfkennis is het verwerpen van het “anders-zijn”. Dan bedoel ik helemaal niet, dat dat in een of ander zuiver stoffelijk opzicht het geval is. In je hele reactie ben je toch uniek, je bent een eenling. Er zijn nu eenmaal dingen, die je anders beleeft, voelt, ervaart; waarop je anders reageert dan die hele wereld dat doet. Het masker moet dat verhullen. Wanneer je bezig bent met zelfkennis is het eerste wat je je moet realiseren: het is niet erg wanneer ik uniek ben. Wanneer ik geen ander ken, die is zoals ik. Ik behoef niet te beantwoorden aan de anderen, ik moet mezelf zijn. Dan heb ik nog steeds het onbekende gebied niet betreden, natuurlijk niet. We zijn er wel iets dichterbij gekomen, omdat we toegeven, dat we gemotiveerd worden door een bepaalde drijfveer om onszelf niet te zijn. Dan wordt het interessant. Nu weet ik wat mij drijft, dat is een gevoelswaarde. Dat kan ik niet helemaal rationeel vertellen. Als je dat helemaal in woorden wilt uitdrukken en redelijk wilt gaan uitleggen, is het onzin.

Toch is het voor jou zinvol. Wanneer het zinvol is, dan moet het een gevoelsmatige zinvolheid zijn. Je voelt het eenmaal zo; je kunt niet anders. Dat maakt het een beetje moeilijk, dat begrijp ik. Neem je gevoel nu eens op precies dezelfde waarde en betekenis als je normalerwijze je redelijkheid, je mentale benadering, je kennis in de wereld ziet. Dan zie je, dat die gevoelswereld je eigenlijk voortdurend bepaalt; de motor is voor de mens wel meestal de rede, maar het is het gevoel, dat de stuurman is en bepaalt waarheen die rede zich zal begeven. Het is precies hetzelfde als met het weer. Het stormt en hagelt over een heel groot gebied, maar er is nu toevallig een zuchtje en dat bepaalt waarom het hier op het ogenblik hagelt.

Het betekent, dat er veel omstandigheden zijn, die tezamen deze vorm van neerslag veroorzaken op dit ogenblik, op deze plaats. Zo is het nu precies bij u ook. In u zijn een hele complexe reeks van waarden weer te geven. U hebt een geest. Die geest is op zichzelf een heel ingewikkeld geheel. Het is een soort “black box”, die ingebouwd is; hij registreert de gegevens van uw gaan over de wereld, maar gelijktijdig werkt hij ook nog als voortdurende corrector ten aanzien van uw koers. Dat is een van de factoren, die in het onbekende gebied zit. Wanneer je nu gaat beantwoorden aan die innerlijke koers, ook wanneer dat redelijk misschien niet helemaal verklaarbaar is, dan ontdek je, dat je tot rust komt.

Dat je jezelf makkelijker kunt aanvaarden. Daardoor is het gemakkelijker de wereld te nemen zoals ze is, want wie neemt de wereld zoals ze is? Vele mensen zitten te roepen om vrede en als een ander niet meeroept zijn ze direct bereid hem op zijn bek te slaan. Dus de werkelijkheid is niet, dat we vrede willen, we willen een mate van rust. En om die rust te bereiken zijn we eventueel bereid om een ander iets aan te doen. Laten we eerlijk zijn, wanneer we dat beseffen, moeten we ook weten wat die vrede is, die we ons voorstellen. Wat is die rust en waarom hebben we die eigenlijk nodig. Het blijkt, dat dat een groot aantal gegevens is, die in je eigen persoonlijkheid zitten. Zeker, gevoelens niet rationeel, neen. Ik ken niets wat werkelijk rationeel is. Ik ken bijvoorbeeld geen irrationeler proces dan de rationele verklaring van de economische situatie van het heden. Denk na. Dan ga je zien wat je bent. Wat je bent is niet een onleedbaar geheel; het is wat de Duitser zegt een “Gestalt”. Het is een complete situatie. Die situatie kun je niet veranderen want je weet niet hoe je hem moet veranderen. Je moet er wel mee leven. Je kunt de uitingen ervan misschien gaan dirigeren op grond van hetgeen je aanvaard hebt omtrent dat werkelijke ik. Nogmaals, of je dat zelfkennis wilt noemen in de letterlijke zin van het woord, betwijfel ik.

Dan is er de vraag: hoe sta ik tegenover de wereld? Nu weet ik, dat dat met de leeftijd verandert. Het is heel bekend, dat het kind egoïst is. Dan wordt het wat ouder en wordt het rebel. Van rebel wordt het gemeenlijk idealist. Van idealist wordt het fatalist. Van daaruit sukkelt het langzaam verder via het succes naar de AOW. Wanneer u op dit ogenblik een ideaal hebt en u hebt op dit ogenblik een egoïstische neiging, dan zegt dat iets omtrent uw eigen ontwikkeling.

Geef het voor jezelf toe. Je hoeft het toch niet tegen je buren te zeggen? Of tegen de muren te roepen: Kijk hier staat een idealist of een egoïst: Idealisten roepen hard, vaak omdat het verkapte egoïsten zijn, die het idealisme gebruiken om het egoïsme op de voorgrond te schuiven.

Realiseer je: wat ben ik op dit moment. Waar ben ik mee bezig. Wanneer je je uiting ziet, ga je ook begrijpen waarom je wereld daarop zo reageert. De wereld maakt het je mogelijk die “Gestalt”, die psychische totaliteit, die je bent te begrenzen door de erkenning van de relatie die er met de wereld bestaat.

Nu zeggen de mensen, dat ze verder moeten komen. Het ken u zelf. Treedt binnen, aanvaardt uzelf. Ze vergeten een ding. In de oude riten, waarbij deze spreuk voor het eerst gebruikt werd, inwijdingsriten, werd aangenomen, dat degene die onder de poort door ging, stierf. Er zijn nu nog een aantal groeperingen waarbij de kandidaat voordat hij lid kan worden eerst symbolisch moet sterven. Waarom? Omdat je je bagage achter moet laten als je opnieuw wilt beginnen. Dat is duidelijk. Maar kun je dat? Volgens mij niet. Het enige wat je kunt is vrede vinden met die bagage, die je met je meesleept.

We kunnen er ook nog allerlei mooie dingen bij halen. Ik heb eens iemand horen zeggen, dat hij iets deed omdat God hem dat bevolen had. Aangezien hij niet bepaald mooie dingen deed, zou een redelijke verklaring zijn, dat hij de tegenpartij had aangehaald! Geen van beide partijen waren te verklaren. Waarom deed de man het? Om zichzelf waar te maken. Hij wilde niet toegeven, dat hij het voor zichzelf deed en dus moest hij er iets anders bijhalen. Deze man haalde God er bij. Er zijn andere mensen, die het doen voor het volk, de democratie, de arbeidersstand of voor het recht. Iedereen vindt wel een rationalisatie als het nodig is.

Wij moeten deze fout juist niet maken. We hebben geen werkelijke invloed, die ons zegt wat wij moeten doen. We zijn eeuwige wezens. U denkt nu, dat het niet zo is, maar dat merkt u later wel. Als u dan nog behoefte hebt aan voorlichting zoekt u me nog maar een keer op.

Wij zijn eeuwige wezens. Dat wil zeggen we zijn niet gebonden aan tijd, niet aan de enkele formule, die we nu schijnbaar zijn. Juist door de beperking van ons geformuleerd zijn, kunnen we dat geheel nooit helemaal te pakken krijgen. Dat ‘geheel’ wat wij zijn, is – omdat het eeuwig is -gelijktijdig een programmering. Dit zijn onze mogelijkheden. Dit is het geheel van de voor ons denkbare situaties. De voor ons verwerkbare gegevens. Pas wanneer we de begrenzing van dat ik op kunnen heffen, kunnen we misschien meer gegevens verkrijgen, zover die voor ons nog verwerkbaar en begrijpbaar zijn.

Dus: Ken u zelf is een mooie leuze, maar, zelfs als we onze bagage achter zouden kunnen laten, gaat het niet. Daar gaat het ook niet om. Het ken u zelve van degenen, die inwijding zoeken is niet het zoeken naar een perfecte zelfkennis, ook al pretendeert men dat wel. Degene, die inwijding zoekt probeert zichzelf te aanvaarden zoals hij is; zijn wereld te zien en te begrijpen zoals die is en op grond daarvan een gevoel van eenheid te verwerven tussen zichzelf en die wereld waardoor hij instinctief of gevoelsmatig hogere waarden in zichzelf voelt opwellen, die maar voor een klein deel direct overdraagbaar zijn. Meestal gebeurt dit dan nog maar als uitstraling of gevoelen en zeker niet als een woorden lesje.

Dat is een klein stukje. Is er iemand, die er op wil reageren? Niemand?

Ik wist niet, dat ik zo lucide was. Het pleit meer voor uw intelligentie dan voor mijn sprekerstalent. Ja, met stroop vang je meer vliegen dan met azijn…..

Wat heb ik nu eigenlijk gedaan? Ik heb iets gezegd, waarvan u wist, dat het eigenlijk niet juist was. Ik heb een bekend gezegde daaraan toegevoegd waardoor ik het relativeerde. U hebt gelachen. Waarom hebt u gelachen?

De antwoorden zijn soms meer, soms minder eerlijk, vooral wat ik hier en daar aan gedachten opvang. Hier wordt gezegd, dat je je betrapt voelt. Een beetje waar. Een ander zegt: voor de tegenstelling. Ook waar. Waarom? Het contrast maakt de dingen duidelijker. Met andere woorden wanneer ik een gewoon onbetekenend iets zeg en ik geef u de contrastwerking aan, dan wordt het ineens veel helderder.

Wat doet u nu zelf? Geeft u uzelf een contrast of bent u alleen met uzelf bezig? Als je zelfkennis nastreeft is het niet voldoende om alleen maar naar jezelf te kijken. Het doet me denken aan het verhaal van die navelstaarder. Die zat bewustzijn te vergaren door te kijken naar de plek waar vroeger een belangrijke verbinding was geweest. Toen kwam er een wijze voorbij, die hem zei dat hij dat niet moest doen. “Waarom niet”, vroeg de navelstaarder. De wijze zei: “Kijk eens wat een gat je al gesleten hebt!”

Met andere woorden, je kunt het op die manier niet redden. Je moet niet alleen jezelf bekijken, in jezelf verdiept zijn. Je moet eerst open zijn voor de contrasten, die tussen jezelf en de wereld bestaan. Je moet die niet zien als een tegenstelling, maar als een verheldering van jezelf, van wat je bent. Daardoor is het gelijktijdig een bepaling van wat je kunt zijn. Op die manier begin je een beeld op te bouwen. Die ingewijde, die zover is gekomen, dat hij het laat regenen wanneer hij wil (in Nederland schijnen er veel van dergelijke mensen te wonen) die eenvoudig een rotsblok neemt en er voedsel uit maakt, die kan dat alleen omdat hij geleerd heeft, dat hij zelf op de wereld is. Je bent niet alleen jezelf, je bent ook het contrast. Pas wanneer je die twee tegenover elkaar zet en maakt tot een geheel, dan ontstaat het begrip. Het is nog steeds geen zelfkennis. Daarvoor moet je los zijn gekomen van alle werelden, van alle sfeertjes met hun afzonderlijke uitdrukkingen. Je hebt voor het eerst gezien, dat de schaduw en het licht niet tegenover elkaar staan, maar dat ze elkaars component zijn. Dat elk als het ware noodzakelijk is voor de ander. Dan kun je in die wereld je eigen houding beter bepalen.

Je zegt: je bent steen, maar de kracht, die in je zit, de delen, die in je zitten, die hele kleine deeltjes, die kunnen net zo goed brood zijn of meel met vet. Dus maak ik het er van. Ik hergroepeer. Er zijn wel ingewijden, die hergroeperen. Ze wandelen over het water. Dacht u, dat ze dat deden omdat ze ineens zo licht waren? Het is doodgewoon zo. Ze veranderen de eigen relatie tussen de wereld en hun lichaam. Wanneer ze dat doen heet het verheerlijking of levitatie. Wanneer ze het meer bewust doen heet het meestal een fakirstruck, want niemand gelooft het. Wanneer ze het doen als ze over water gaan, dan gaan ze voor zichzelf gewoon verder over vaste grond. Zij erkennen eenvoudig de relatie met ik – water. Ze zetten er iets anders voor in de plaats en dan lopen ze over water. Als ze door vuur lopen, zeggen ze voor zichzelf: dit is geen vuur, dit is koelte. Wanneer ze dit doen, verandert voor hen die straling omdat ze voor een deel gereflecteerd wordt inderdaad in koelte. Men zegt al snel: ach, die wonderen van die ingewijden, ik heb er nog nooit wat van gezien. U moet me maar eens vertellen hoe het komt, dat er mensen zijn – eenvoudige mensen – die alleen op geloof over gloeiende kolen lopen. In Zuid-Italië heb je een plaatsje, daar doen ze dat elk jaar. Ze doen dat op geloof, omdat zij aannemen, dat zij niet kunnen branden, dus branden ze niet. Het schijnt meer voorgekomen te zijn. U zoudt kunnen zeggen, dat die mensen onbewust doen wat die ingewijde bewust doet. De ingewijde verandert vanuit zich door zijn erkenning van de relatie met de wereld, de gelovige doet dat soms ook, maar dan onbewust. Hij legt als het ware de verantwoordelijkheid bij een ander. Of die ander nu bestaat of niet, blijkt ook niet zo belangrijk te zijn, aangezien je met elk suggestief beeld hetzelfde zoudt kunnen bereiken. Nu moet ik uitkijken, anders krijgen ik dadelijk alle wonderen van de bijbel op mijn hoofd. Dan moet ik nog roepen: mea culpa, mea maxima culpa, en dat dan nog drie keer. Zoals de Heer zei tot de neomist, die te lang daarmee bezig was: “Ja, jongen, ik weet het nu wel, schiet maar op.”

Wat ik wil zeggen, is dit. Jezelf kennen is misschien niet mogelijk, maar erkennen hoe je deel bent van de wereld, wat de relatie is tussen wat je ziet als de wereld en jezelf, dat is mogelijk. De zelfkennis, die voor ons bereikbaar is, is in feite een omschrijving van onze functie. Tevens van onze functiemogelijkheid in onze wereld. Niet iets wat in een verre verte in een hoge zaligheid wegbibbert. Dat lijkt me een heel belangrijk punt te zijn.

Ik kan niet aan dingen niet geloven en gelijktijdig ze toch waarmaken, dat zegt men wel eens. Geloven of niet geloven doet niet ter zake. Het is zelfs wel gebeurd, dat iemand, die helemaal niet geloofde aan Lourdes de enige was, die er van een hele pelgrimage van weet ik hoeveel dagen genezen vandaan kwam. Waar lag dat aan? Niet aan het feit, dat die man geloofde door te zeggen: dit kan, maar omdat hij accepteerde, gevoelsmatig zeggende: dit is. En dit is, is belangrijker dan dit kan. In uw hele wereld zijn er invloeden, die op u inwerken. Sommige zijn geestelijk, andere kun je kosmisch noemen. Weer andere weer zuiver menselijk. Sommigen zijn onverklaarbare natuurverschijnselen. Elk van die invloeden schept een relatie met u. Wanneer u die relatie juist aanvoelt zult u automatisch kiezen voor datgene wat u bent, dus ook uw lot, uw noodzaak. Je zou kunnen zeggen voor de geestelijke programmering, die je bezit. Dat houdt in, dat er mensen zijn, die automatisch niet instappen in die auto, die verongelukt; die automatisch een andere kant uitlopen zonder te weten waarom en daar die meevaller hebben. Er zijn mensen, die voortdurend zelf die punten uitzoeken waar ze zelf de tegenslag krijgen. Hoe komt dat? Dat kan alleen komen doordat dit de programmering is van hun relatie met de wereld. Wordt ze echter beseft, dan is ze niet meer onbeheersbaar. Dan kan ik mijn relatie met die wereld kennen. Daardoor verandert de relatie met de wereld. Mijn gevoel is er dan niet meer een van: het moet mij weer overkomen, maar: het zal mij niet overkomen, tenzij het een bepaalde vervulling voor mij betekent.

Dan ben je al weer een stap verder. Je bent dan gekomen op dat punt waar inwijding inderdaad pleegt te beginnen. Ik bedoel hier tenminste de adeptus minor. De wereld en ik zijn één. Op het ogenblik, dat ik de wereld een zelfstandigheid verleen, die buiten mij omgaat, word ik het slachtoffer van de wereld, want ik zie de wereld altijd als groter dan ik mijzelf kan beseffen. Op het ogenblik, dat ik mij deel voel van die wereld kan ik in die wereld werken, dat is waar. Eerst wanneer ik begrijp wat die wereld naar mij toe betekent en ik van mij uit naar die wereld toe, heb ik een wisselwerking gezien en kan ik de eenheid nu door mijn eigen wil veranderen. Ik kan de relatie ombuigen in de richting waarin ik dat wil.

Nu zitten we in de tijd. Het betekent dus niet, dat je dat plotsklaps kunt doen. Je kunt dat niet ineens doen, maar je kunt de bestaande situatie ombuigen in de ene richting of in de andere. Het weten, dat je dit kunt doen is op zichzelf buitengewoon belangrijk. Op het ogenblik, dat je gaat voelen, dat je niet alleen maar het slachtoffer bent van onbekende kosmische krachten of van de maatschappij of van iets anders, worden zaken, die op aarde zo erg van belang zijn als conditionering en dergelijke,ineens als het ware overklast. Dan is het niet meer zo belangrijk, dan is het niet meer zo nodig. De dingen zijn er nog wel, maar ze beheersen je niet. Wat meer is, ze worden begrepen als zaken, die niet alleen negatief, maar ook positief zijn. We kunnen het positieve gebruiken, we kunnen het negatieve laten, tenzij het voor ons persoonlijk, gevoelsmatig een noodzaak is om er deel aan te hebben.

Je bent, dacht ik, al weer zover, dat je kunt zeggen: hier staat een ingewijde. Maar ja, als je ingewijd bent, zeg je dat natuurlijk niet. De enige ingewijden, die zeggen, dat ze ingewijd zijn, zijn ingewijden, die niet werkelijk ingewijd zijn. De werkelijke ingewijde weet, dat als hij ingewijd is, zijn wereld dat ook moet zijn. Zonder dat kan hij niet bestaan als zodanig. Alleen, de rest van de wereld weet het misschien niet en hij weet het wel, dat is het enige verschil. Degene, die zich een ingewijde noemt, die denkt, dat hij meer is dan de wereld. Door te denken, dat hij meer is dan de wereld, verwijdert hij zich van de wereld. Dat wil dus zeggen, dat hij in wezen geïsoleerd raakt en direct of indirect toch weer het slachtoffer wordt van een wereld, die hij niet begrijpt.

*  Ik begrijp ook iets niet. Aan de ene kant zegt u: verander die droom, denk, dat het geen vuur is, je kunt er dan gevaarloos doorheen lopen, aan de andere kant blijkt nu, dat als hij droomt, dat hij een ingewijde is, dat hij zich van die wereld verwijdert. Het zou tegengesteld moeten zijn.

Dat is nu juist het grote verschil. Dat vuur is reëel, dat is echt. Iets wat echt is, heeft vele mogelijkheden. Omdat het voor u reëel is, is het ook geen droom, dat vuur. Het bestaat. U verandert alleen de werking, die het op u heeft. Met andere woorden: u bepaalt dus zelf de manier waarop u bijvoorbeeld op de hittestraling, de roodstraling van vuur reageert. Dat is werkelijkheid. Als ik mij echter een ingewijde noem zonder het te zijn, wat dan? Dan heb ik mijzelf losgemaakt van de feiten omdat ik “alleen” nog datgene wil erkennen wat mijn ingewijd zijn bevestigt. Dat zult u met me eens zijn. Het kan een droom zijn, maar door die droom ga ik afstand nemen van een groot gedeelte van de werkelijkheid. Ik verander ze niet, maar ik neem er afstand van. Ik erken ze niet meer. Dat betekent isolement. Dat heb ik ook inderdaad gezegd. We moeten begrijpen, dat er een verschil is tussen een wezenlijke wereld, die je aanvaardt zoals ze is, maar waarbij je de relatie met de wereld verandert en het scheppen van een wereld, die eigenlijk zo niet bestaat en dan op grond van deze vermoedde existentie, een droom, in die wereld te doen alsof die wereld beantwoord zonder dat je met alle feiten rekening houdt. Dat is juist de fout van de ingewijde, die zegt, dat hij ingewijd is. Duidelijk? U hoeft het er niet mee eens te zijn, maar ik heb heel wat ingewijden gekend, mensen tenminste, die dat zo zagen en het er ook niet mee eens waren. Als je echter naar zelfkennis streeft is het natuurlijk toch wel interessant om juist ook dit aspect een keer onder de loep te nemen en je eens af te vragen of je misschien niet aan heel veel zaken voorbij loopt, die je anders bewuster zou hebben opgemerkt.

Nogmaals, de zelfkennis, die voor ons bereikbaar is, is geen zelfkennis van: dit ben ik. Dat is: ik ben deel. Dat is de zelfkennis. Het weten van je totale vervlochtenheid met het totaal van alle materie en alle tijd en nog veel meer andere krachten, die je misschien later beseft. Dat kleine onbenaderbare gebied van Jung en bepaalde van zijn volgelingen, dat is eigenlijk juist dat gebied, waarin ons besef van eenheid schuilt. Het is een eenheid, die we voortdurend verwerpen omdat we de behoefte hebben om zelf te zijn. Ik ben ik en ik ben niet iets anders, zeggen we dan. Wanneer je dood gaat en je zegt dat, dan zeg je: en mijn wereld is een wereld van zon. Nou dan leef je in een zonnige wereld. Wil je er een huisje bij hebben met een paar zonnebloemen kan dat ook. Je hoeft ze alleen maar te denken en ze zijn er. Voor jou. Als duizend mensen hetzelfde denken, dan wordt het al aardig stabiel. Illusies hebben soms grotere waarde dan de werkelijkheid. Denk maar aan de girorekening. Je betaalt elkaar met geld wat er niet is, maar op grond daarvan draait een economie, die niet zou kunnen draaien als dat geld er niet was, dat er niet is.

Dat is in een geestelijke wereld zo. Op aarde waarschijnlijk ook wel. Ik zou wel meer voorbeelden kunnen vinden. Wat ik probeer duidelijk te maken is dit. Zelfkennis is niet het juiste woord, het gaat om zelferkenning. Dat wil zeggen het weten hoe je in je wereld werkt en functioneert en wat die wereld voor jou is. Het onbekende gebied kun je niet betreden. Daarin zit – ja, men zegt wel – het superego of het ware ik of het eeuwige ik. Sommigen zeggen ook de ziel. Dat is wat zielig. Volgens mij is de ziel de Goddelijke vonk, de oerkracht die in zichzelf geen vorm heeft, maar vanuit zichzelf daaromheen het ontstaan van vorm mogelijk maakt. Nu goed, dat moet ieder voor zich weten. In deze erkenning nu ontstaat wat men inwijding noemt. Iemand, die volledig beseft heeft wat hij is in zijn wereld en kan zijn in zijn wereld omdat zijn wereld is voor hem en betekent voor hem, die weet wat harmonie is. Harmonie is zoals u weet geen uitgebreide fanfare of een koperorkest. Harmonie is het gezamenlijk resoneren van alle dingen. Wanneer je dat zo denkt kun je misschien zeggen, dat de ware ingewijde een snaar is, die – haar eigen afstemming kennende – door zichzelf in beweging te brengen, een resonantie veroorzaakt bij alle harmonische snaren.

Dan wordt het interessanter. De ingewijde is dus helemaal niet iemand, die alles weet. Hij is alleen iemand, die het wezen der dingen, zoals dit voor hem bestaat, begrijpt en uit de veelheid van zijn eigen mogelijkheden steeds weer die mogelijkheden naar voren brengt waardoor hij het best kan reageren op die wereld buiten je. Dus niet voor niets hoor je altijd weer dat heiligen en ingewijden goed met dieren omgaan. De Boeddha zit met de slakken op zijn hoofd, heus niet omdat ze geen andere plek kunnen vinden maar om hem te beschermen. Achter hem staat de koninklijke naga om hem te beschermen. De ingewijde heilige loopt daar rond en hij heeft een leeuw of een tijger bij zich. De hinde speelt om hem heen. Iedereen is bij hem. Waarom? Omdat de dieren in hem een gelijke erkennen. Dat is het wonderlijke. Ze erkennen in hem het harmonische beeld van zichzelf. Dat kan alleen omdat de heilige of de ingewijde eerst heeft beseft, dat deze dieren voor hem harmonische factoren zijn en daarop antwoordt. Het feit ontstaat eerst nadat de gedachte er is, nadat de uitstraling er is.

Je kunt natuurlijk zeggen, dat je aan al die heiligen niet zo erg gelooft. Sinterklaas is ook al gesneuveld. De Roomse kerk heeft hem er uit gehaald; de middenstand heeft hem onmiddellijk geadopteerd. Er zijn heel wat heiligen gesneuveld. Christophorus bijvoorbeeld loopt ook niet meer met het christuskindje rond, officieel heeft hij dus kennelijk niet bestaan; aan de andere kant is hij nog steeds de patroon van de reizigers. Ofschoon handelsreizigers Janus weer als patroon hebben. Handelsreizigers vergeeft u mij, maar u hebt ook twee gezichten. Een voor uzelf en een voor uw klanten…..

De situatie waar we naar toe werken is deze. Wanneer ik de ander erken voor wat hij is, kan ik beantwoorden volgens mijn wezen en mogelijkheden aan die ander. Op het ogenblik, dat dit juist gebeurt, kennen we harmonie. Op het ogenblik, dat ik erken, dat die harmonie voor mij niet mogelijk is, kan ik aan die ander voorbij gaan. Dan wordt het neutraal. De onbewuste probeert de harmonie af te dwingen. Dan ontstaat de strijd. De ingewijde is dus doodgewoon iemand, die in een beperkte zin, voldoende zelfkennis heeft verworven, om deze eenheid zoveel mogelijk tot uiting te brengen, niet alleen ten aanzien van mensen maar ook ten aanzien van de dingen, de krachten in de natuur, al hetgeen hij aanvoelt en wat hem beïnvloedt en daardoor voor hem beïnvloedbaar wordt. Dat was alles wat ik wou zeggen.

v  Opmerking of vraag gesteld kan worden, die met het onderwerp niets te maken heeft.

Neen, die vraag moogt u niet stellen. We zijn met een onderwerp bezig. Als het goed is zal een confrater van mij dadelijk na de pauze op zijn wijze op uw vraag ingaan. Het is nu eenmaal zo ingesteld, dat we een onderwerp nemen. Waarom? Omdat het anders al heel snel ontaardt in een grote reeks verschillende denkbeelden. Als je allemaal verschillende denkbeelden hebt, ook al hebben ze een gemeenschappelijke noemer, dan kun je nog niet zeggen, dat het een beeld wordt waar je over na kunt denken. Wat ik nu heb gedaan is niet alleen maar even een werkstukje leveren. Ik heb niet alleen geprobeerd iets op te bouwen. Ik heb geprobeerd u een voorstelling te geven van de wereld en van uzelf waar u over na kunt denken, waar u mogelijk iets mee kunt doen. Het is gemakkelijk genoeg om tegen iemand te zeggen of hij wel of niet deugt, maar daarmee suggereer ik wel, maar ik maak hem niet bewust.

*  Kunt u een verband leggen tussen de harmonie van de ingewijde met het Al en het woord Goddelijke liefde?

Ja, u zegt, dat we nog tien minuten hebben. Het wordt dan wel een noodverband. Ik zal proberen het heel simpel te zeggen. Goddelijke liefde is een uitdrukking, die een mens begrijpt om het onbegrijpelijke een naam te geven. Hij weet namelijk niet wat God is, hij weet niet eens zeker of hij bestaat. Hij kan het geloven, hij kan het voelen, maar hij weet het niet. Als hij dan welwillend spreekt over een Goddelijke liefde, dan veronderstelt hij bij God een eigenschap, die de mens bij zichzelf begerenswaardig vindt zonder ze ooit te bereiken. Namelijk de liefde voor alle dingen. Het begrip, dat men daarmee probeert te geven is dus werkelijk een aanvaarding; werkelijke liefde in welk opzicht ook is altijd een totale wederkerige aanvaarding. Zodra je probeert elkaar te veranderen, heb je elkaar niet werkelijk lief. Voor sommige huwelijkspartners is dit misschien ook wel goed om dit even mee te nemen. De ingewijde kent de harmonie. Ik heb het woord maar gebruikt. De ingewijde heeft niet lief in de zin van menselijke liefde. Hij is eerder bijna neutraal. Hij erkent. Dat is iets anders. Wanneer we kijken naar wat de mens maakt van Goddelijke liefde en wat er op aarde gebeurt, dan kunnen we ons maar moeilijk voorstellen, dat God voortdurend bezig is om de zaak te corrigeren. Ik heb God nog nooit horen zeggen: Gijssen, dat heb je goed gedaan of Zwartkruis, ga je wassen. Men zegt dan, dat dat niet eerlijk is, maar kijk naar de oorlogen, kijk naar de honger. Kijk naar het eten en word gegeten; iets wat uw hele natuur in feite beheerst en in feite ook de hele samenleving, is dat een idee van menselijke liefde?

Dat kan niet. Men zegt dan misschien heel theologisch: ja, maar, God laat dit alles toe in zijn grote liefde. Ik geloof niet, dat je een moeder van kinderliefde zult beschuldigen wanneer ze haar spruiten elkaar dood laat slaan. Het wordt moeilijk. Misschien is die God dan wel neutraal in die zin, zo neutraal als de ingewijde in feite. Wanneer we dat aannemen – het is maar een veronderstelling – dan kunnen we dit zeggen: aangezien zowel de harmonie van de ingewijde als de Goddelijke liefde in wezen – en gezien de feiten – een soort van neutraliteit behelzen, ligt deze liefde niet in een directe werking, maar in een beantwoording. De ingewijde selecteert uit zijn wezen en mogelijkheden datgene waardoor hij beantwoorden kan aan datgene wat naar hem toekomt en wel volgens zijn eigen wezen. Misschien is de Goddelijke liefde wel een God, die toelaat, dat je hem benadert en die op je antwoordt volgens zijn wezen, maar in de zin van wat jij bent. Dan zou er al veel verklaard zijn, dacht ik. Dus eigenlijk datgene wat je er zelf van begrijpt.

Wat uw besef betreft niet. Het geheel van uw wezen veroorzaakt vanuit het Goddelijke datgene wat uzelf bent op het ogenblik, dat u naar het Goddelijke toegaat. Een heel eenvoudig voorbeeld is: Je kunt tegen God zeggen: God maak me beter, als je ziek bent. Als God dat nu hoort en hij kijkt naar je toestand en hij zegt: Je bent beter af als je dood bent, en je overlijdt, dan kun je niet zeggen, dat God je niet heeft verhoord. Toch heeft hij niet beantwoord aan hetgeen ik wil. Hij heeft me datgene in zijn wezen gegeven wat voor mij belangrijk is. Dus dat is heel iets anders dan datgene wat je er zelf van begrijpt. Als ik een beeld van God maak – dat doet elke mens, de tien geboden beginnen met: u zult geen gesneden beelden voor mijn aangezicht maken – dan verander ik iets aan hem. Wat wij Goddelijke liefde noemen is anders dan het begrip ervan, maar het is in ieder geval voor ons de mogelijkheid om een beroep te doen op het onbekende. De harmonie van de ingewijde met al het zijnde, betekent eveneens de mogelijkheid in zichzelf en op zichzelf zo goed als in en op de wereld een beroep te doen. Wat is het wonderlijke verschijnsel in beide gevallen? Dat er iets gebeurt. Het gebeuren is niet redelijk omschrijfbaar, maar vaak wel emotioneel begrijpbaar. Dat wil zeggen, dat het geheel van ons wezen kan reageren op wat u Goddelijke liefde of wat u ingewijd zijn noemt, of de harmonie van de ingewijde, wanneer we begrijpen dat het in de eerste plaats de emotie is. Er zijn heel veel mensen, die zeggen, dat het heel belangrijk is, dat wij geloven in God. Als er een God bestaat is het niet belangrijk of wij in hem geloven of niet.

Er zijn mensen, die zeggen, dat wij moeten leven volgens de geboden van God. In de eerste plaats: wie zegt, dat ze van God komen? Als ik goed kijk kan ik er heel veel dingen in terugvinden, die van heel andere origine zijn, zelfs de tien geboden kan ik vergelijken met de wetgeving van A…..ondermeer, ook al weer pijnlijk. In mijzelf ben ik iets. Of ik dat iets alleen maar wil releren met God of alleen maar met een mens-zijn, dat maakt niet uit. Wanneer ik maar beantwoord aan mijzelf. Wanneer ik probeer de wereld te aanvaarden zoals ze is in de wisselwerking tussen deze beiden ligt voor elke mens de mogelijkheid tot begrip en tot bereiking. Niet in de formulering. Een communist is vaak een beter christen dan menig priester. Een priester, die zich bewust is van zijn christendom is vaak een beter communist, dan menigeen, die in het Kremlin zit.

Wanneer je begrijpt, dat namen, systemen, geloofsdaden, geloofsverkondigingen, secundair zijn. Zij zijn alleen maar de beschildering, die we gebruiken. De make-up van de werkelijkheid, maar dat het gaat om de werkelijkheid, die we zelf zijn en die de wereld rondom ons voor ons betekent, dan komen we verder.

Inwijding kan het resultaat zijn. Op het ogenblik dat we inwijding het doel maken, vergeten we de werkelijkheid. Laten we leven met de werkelijkheid. Laten we leven met de erkenning van hetgeen we zijn. Met de erkenning van de mogelijkheden, die in en voor ons bestaan en op die manier proberen met de wereld een zo groot mogelijke harmonie en eenheid te vinden, dan komt al het andere, dacht ik, vanzelf

Ik kan niet denken aan een God, die een ziel, die toevallig een beetje water over de kop gehad heeft, onmiddellijk binnenlaat in een hemelse zaligheid compleet met hallelujakoor en palmtakken en iemand, die dat plasje water niet heeft gehad, opzij schuift.

Ik kan niet geloven in een God, die een bepaalde leer heeft gemaakt tot basis van alles wat ooit tot hem zal komen.

Maar ik kan geloven in een God, die in zijn aanvaarding van het zijnde, die bereikbaar wordt voor een ieder, die het zijnde – inclusief zichzelf – aanvaardt.

Ik kan geloven in een Goddelijke liefde, niet als een voortdurende ingreep, maar als een onbegrijpelijk antwoord op alles wat jezelf bent en doet.

Ik kan geloven in een harmonie, in een menselijkheid, een inwijding, niet als een buiten of boven een ander staan, maar als een bewust deel zijn van het Al wat is. Dat komt misschien omdat ik geloof. Geloven is – misschien zoals u weet – geen weten, maar de enige werkelijkheid die bestaat is mijn verbondenheid met het andere. Ik geloof in Goddelijke krachten en Goddelijke liefde. In een zinvolheid en de betekenis waardoor wij allen eens zullen versmelten, zodat de grenzen die tussen ons bestaan wegvallen en wij daarvoor de weidsheid zullen beleven van die ene reeks van levens en incarnaties, waarvan alle varianten in ons leven mogelijk zijn zonder onszelf daarbij te verliezen voor wat wij zijn, gelijktijdig ons schenkende aan het geheel zoals het geheel zich schenkt aan ons. Ik geloof, dat pas op dat ogenblik misschien het woord waar is, dat de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Ik geloof, dat alleen wanneer we dit bereikt hebben, we weten wat zich verschuilen kan achter dat onbestemde woord God en achter dat zo onbegrepen, zo vaak misbruikte woord: Goddelijke liefde. Ik geloof, dat dit voor ons allen is weggelegd, dat we het eens zullen bereiken. Maar, weten doe ik het niet. Ik spreek alleen uit datgene wat in mij leeft en in mij woont en van wat uit mij en al die werelden die ik ken voortdurend als een antwoord schijnt te komen, uit sferen en stoffelijke werelden. Aangezien ik het geloof, moet u weten wat u gelooft, maar maak het niet te persoonlijk. Ga maar rustig van uzelf uit. Wees uzelf. Erken wat u doet. Wees eerlijk wanneer u zegt waarom u het doet. Als u dat hebt gedaan vraag u dan alleen nog af: hoe kan ik beter en gelukkiger in de wereld leven zonder ten koste van die wereld te leven. Als u dat antwoord hebt gevonden, moogt u voor mij desnoods stilletjes in uzelf zeggen: nu ben ik toch wel een ingewijde.