Zelfmoord

4 augustus 1967

U weet het reeds, alwetend of onfeilbaar zijn wij niet. Denk dus zelf na, trek uw eigen conclusies en handel daarmee in overeenstemming. Ons onderwerp voor heden, mag u zelf kiezen: zelfmoord.

Wanneer men zichzelf doodt kan dit op vele wijzen geschieden. Ik doel hiermee niet zozeer op de wijze, waarop de dood tot stand wordt gebracht, dan wel op de psychische achtergronden, die een rol spelen, de mentaliteit tijdens de overgang en zeker ook de wijze waarop deze drang tot de dood tot stand kwam. Degenen, die over zelfmoord spreken, denken meestal allereerst aan mensen, die in wanhoop de gaskraan openzetten of trachten zich met een stuk touw van het leven te beroven. Toch zijn deze gebeurtenissen eerder de expressie van de meer abnormale reacties, ook in verband met dit onderwerp. Een mens kent in zichzelf steeds weer spanningen. Dit is normaal. Maar soms groeien deze spanningen tot een zelfverwijt. Dit zelfverwijt wordt dan vaak door het bewustzijn onderdrukt, maar blijft onderbewust actief, al wil men het feit, dat men zichzelf iets meent te moeten wijten, noch voor de wereld, noch voor zich erkennen.

Het gevolg daarvan is, dat de mens het zichzelf onmogelijk maakt nog geheel juiste beslissingen te nemen. De mens tracht, gedreven door het onbewuste, zichzelf te straffen. Zo iemand zal geen zelfmoord plegen in de algemeen aanvaardde zin van dit woord. Maar vele van dergelijke figuren blijken bv. op de weg met een te grote snelheid te rijden en te verongelukken, botsingen te veroorzaken, die vermijdbaar zouden zijn en blijken maar al te vaak betrokken bij z.g. ongelukken, die voor hen en vaak ook voor anderen de dood ten gevolge hebben. Natuurlijk komen dergelijke dingen niet alleen in het verkeer voor. Wij zien ook vaak, dat dergelijke mensen dwaasheden uithalen, b.v. het werken met wasbenzine bij open vuur of zoiets, terwijl zij toch heus wel beter weten. Nu is dit natuurlijk moeilijk na te gaan. Maar een eigenaardig verschijnsel blijkt in dergelijke gevallen steeds weer voor te komen; dergelijke mensen schijnen zich, al zijn daarvoor geen aanwijsbare redenen aanwezig, niet aan de gevolgen van de zelf veroorzaakte ramp te onttrekken, zodat deze voor hen zeer ernstige en vaak zelfs dodelijke gevolgen heeft, waar deze zeer zeker vermeden zouden kunnen worden.

Misschien vindt u het vreemd dat ik bij het onderwerp zelfmoord juist met dergelijke gevallen begin, maar het is nu eenmaal noodzakelijk, dat wij beseffen, dat alle zelf veroorzaakte gevallen van dood in feite zelfmoord zijn, zodat dit begrip vanuit geestelijk standpunt veel meer omvat, dan daaronder op aarde in meer juridische zin wordt verstaan. Zelfmoord is, ongeacht de vorm waarin zij optreedt en zich uit, altijd weer mede het resultaat van innerlijke ontwikkelingen en processen. In de meeste gevallen is hierbij verder sprake van een strijd tussen bewustzijn en onderbewustzijn. De emotionele factor die eveneens altijd een rol speelt, kan misschien nog het beste omschreven worden als een niet meer in staat zijn voor jezelf het leven nog als leefbaar te zien.

Blijven dergelijke waarden beneden de bewustzijnsdrempel, dan zal de vorm, waarin men zichzelf uit de wereld verwijdert, ook voor het ik allereerst een ongeval gelijken. Dit is de reden van de vele verantwoordelijkheden, die men schijnt te negeren, het onverantwoordelijk handelen van mensen, waarvan men toch anders en beter zou verwachten en dat dan nog met gevolgen, die voor henzelf en vaak ook voor anderen fataal blijken te zijn. Indien men de allereerste en belangrijkste oorzaak zoekt van alles, wat geestelijk als zelfmoord kan worden aangeduid, zo blijkt, dat het feit, dat men het leven niet meer aan kan, daarbij eigenlijk maar een zeer beperkte rol speelt. De zelfmoord is veel minder dan men pleegt te veronderstellen, een vlucht voor het leven. Bezien uit een psychisch standpunt is de reden veel eerder en vaker een woedend verzet tegen wereld en leven. Een verzet waarin men, bij gebrek aan andere mogelijkheden, eigen onvermogen wreekt aan zichzelf, daar men zichzelf schuldig acht eigen tekortkomingen erkent, maar dit niet wil aanvaarden. Juist degene, die dit aspect beseft, kan ook beter begrijpen waarom bij de zelfmoord – vooral de meer bewuste – de mens over het algemeen op het laatste ogenblik de straf, de gevolgen, te ernstig acht. Juist in die gevallen, die ook juridisch als zelfmoord gelden, blijkt, dat men in de meeste gevallen na het stellen van de onherstelbare daad opeens een zeer sterke wil tot leven ontwikkelt en eigen “dwaasheid” betreurt.   De plotselinge erkenning van hetgeen de dood in feite betekent en het besef, dat daarin geen werkelijke uitblussing van eigen ik of problemen mogelijk blijft, doet de mens opeens terug grijpen naar het leven zodat op het ogenblik van de dood dit tegen eigen wil geschiedt en wordt betreurd. De vraag is nu maar, of wij in dergelijke gevallen nog vanuit een geestelijk standpunt de juridische betekenis van zelfmoord mogen aannemen als zijnde een feit of niet. Want indien iemand terug wil naar het leven, heeft hij, zelfs indien hij eigen dood veroorzaakte, deze toch niet werkelijk gewild, zodat men eerder van dwaasheid dan van werkelijke zelfmoord moet spreken. Een psychiater, die voor het een of andere hemelse gerechtshof voor zo iemand zou mogen pleiten, zou, en terecht, zeer zeker tijdelijke ontoerekenbaarheid als verzachtende omstandigheid kunnen aanvoeren. Een dergelijke psychiater is er niet en een dergelijk op een rechtbank gelijkende hemelse rechtspraak bestaat al evenmin. Maar de mens zelf is gelijktijdig voor zich verdediger, aanklager en rechter.

Stel u nu eerst de overgang voor van iemand, die door een z.g. ongeval om het leven kwam. Hij heeft geen enkele verklaring voor het gebeurde buiten zijn eigen innerlijke gespannenheid, waardoor zijn onderbewustzijn zijn bewust handelen deed overheersen door een impuls, die hem fataal werd. De dood zal ervaren worden als een onrecht. Maar de spanning, die de oorzaak van de dood werd, wordt als feitelijke bron van het gebeuren wel degelijk beseft, en meestal zelfs erkend. Het zal u duidelijk zijn, dat iemand, die de tot nu toe onderdrukte kennis omtrent zichzelf en de daaruit voortkomende gevoelens opeens moet verwerken en deze ook kan aanvaarden, met de overgang naar een ander bestaan hiervan weinig of geen hinder zal ondervinden. Zo iemand komt eenvoudig in de andere wereld, erkent de reden van zijn overgang, erkent dat hij heeft gefaald en vraagt zich waarom. Hij zal dan tot de erkenning komen van de werkelijke redenen en oorzaken voor het feit, dat hij deze spanningen in zichzelf niet heeft kunnen erkennen en de problemen niet waarlijk met zichzelf heeft durven uitvechten. Met deze kennis kan hij verder werken en streven in de geest of, na enige rust, opnieuw een leven in de stof beginnen.

Het is echter ook mogelijk, dat men zelfs na de dood de werkelijkheid van eigen schuld, verdeeldheid, onevenwichtigheid e.d. niet kan aanvaarden. Dan zien wij, vreemd genoeg, de toestand ontstaan, die, volgens vele leringen bij een juridisch als zodanig geldende zelfmoord, veronderstelt: De geest is niet in staat de plaats van het ongeval te verlaten. Zij is dan “gebonden” en zal langere tijd vertoeven in de onmiddellijke omgeving van het oord, waar de overgang plaats vond. Er zijn op uw grote wegen plekken, die men terecht spookplaatsen zou kunnen noemen. Er zijn inderdaad daar personen aanwezig, die zich niet kunnen onttrekken aan het feit, dat zij, door eigen schuld en in wezen door eigen wil, om het leven kwamen, maar dit niet kunnen aanvaarden, niet willen erkennen. Deze wezens wensen alles, wat met eigen schuld en verantwoordelijkheid samen zou kunnen hangen, niet te aanvaarden. Daarom zullen zij elke toestand, die daartoe aanleiding zou geven, ontvluchten met alle middelen, die zij daartoe maar vinden.   Voor hen betekent dit, dat zij de werkelijkheid van een voortbestaan na de dood ontkennen en daarmee, door gebrek aan stoffelijke mogelijkheden en prikkels, gebonden zijn aan de plaats, waarop dit leven ten einde kwam. Deze binding aan plaats kan soms voor de geest zelfs mede een binding in tijd omvatten, zodat de situatie rond de dood voor hen oneindig dreigt voort te bestaan. Toch hebben wij hier te maken met mensen waarvan de wereld nooit zal zeggen, dat zij werkelijk zelfmoord hebben gepleegd. De gevolgen zijn echter precies dezelfde, als men veronderstelt na een werkelijk als zodanig erkende zelfmoord. Dat maakt u m.i. duidelijk, dat ook bij het zichzelf in de ogen van de mensen kenbaar zelf doden – de vlucht voor het leven etc. – een situatie brengt, waarin soortgelijke factoren een rol moeten spelen. In de eerste plaats: Ik dood mijzelf steeds met een bepaald doel. Dit doel is voor mij vaak goed. In dat geval zal ik later wel beseffen, dat mijn inzicht hierin, mijn oordeel, verkeerd was. Maar mijn daad was op dit ogenblik bewust en volgens mijn beste weten gerechtvaardigd. Ik kan dan de fout aanvaarden en zal zo van het gebeuren geen nadelige geestelijke gevolgen ondervinden.

Wel brengt de eerste periode na de dood reeds een heroriëntatie tot stand, waarbij de denk- beelden, waaruit het kiezen van de dood is voortgekomen, een aanmerkelijke wijziging ondergaan en de foute maatstaven, die men tijdens het stoffelijke bestaan aanlegde, door geestelijk en meer juiste worden vervangen. Zo u een voorbeeld wenst: denk aan de harakiri, waarbij de mens zichzelf doodt om zo zijn eer te herstellen. Daarnaast denk ik echter aan een vorm van zelfmoord, die meer voorkomt dan men over het algemeen beseft, waarin men door een zelfgekozen dood tracht nabestaanden een zeker voordeel, bv. een verzekeringspremie, te bezorgen en zo eigen tekortkomingen op stoffelijk gebied te compenseren. Een voorbeeld van de ontwikkelingen, die een dergelijk besluit vooraf gaan, kunt u aantreffen in Millers “de dood van een handelsreiziger”.

In dergelijke gevallen is de zelfmoord in wezen een vorm van zelfrechtvaardiging of een voldoen aan verplichtingen. Dit zijn in wezen geen ontkenningen van het leven, maar eerder pogingen om het eigen leven meer in het reine te brengen. De geest zal dit weten, zal dit als argument en verdediging tegenover zichzelf aanvoeren en mag misschien de resultaten van de handelwijze betreuren, maar zal ze kunnen aanvaarden omdat hierdoor niet het bestaan zonder meer verworpen, het ik zonder meer ontkend werd. Vandaar dat een op dergelijke basis plaatsvindende zelfmoord maar zelden een binding aan plaats met zich brengt, of een verder leven in binding met de aarde tot het ogenblik van de natuurlijk te verwachten dood inhoudt. In vele gevallen zal zij het ik van alle aardgebondenheid ontheffen. In enkele gevallen culmineert het verworven geestelijk besef echter in het op zich nemen van verplichtingen en het volvoeren van taken op aarde, waarbij men met een beperkt bewustzijn van de geestelijke werelden een tijd lang op de wereld actief zal zijn. Door het geven van hulp en kracht aan mensen zal men dan trachten de schulden, die uiteindelijk door de zelfmoord niet konden worden gedelgd, op andere wijze te voldoen. Ook hier is dus zeker geen sprake van een algemeen geldende regel van geestelijk lijden, gebondenheid en vertraging van bewustwording, zoals sommige systemen deze als onvermijdelijk stellen.

Bezien wij nu de zelfmoord van iemand, die deze daad stelt in een ogenblik van verstandsverbijstering, of in een moment van wanhoop. Wij nemen daarbij aan, dat voor het einde van het stoffelijk leven hierbij geen berouw, geen verzet tegen eigen daad is opgetreden. Dan kunnen wij niet zeggen, dat die geest nu zonder meer aardgebonden en ongelukkig zal zijn. Wel moeten wij beseffen, dat voor die mens op dit ogenblik het doden van het eigen lichaam normaal is voortgevloeid uit een – zij het verkeerde— visie op eigen wereld en eigen leven. De erkenning van een fout in eigen visie valt niet zo zwaar. Toe te geven, dat je de zaak verkeerd hebt gezien, valt in de wereld van de geest meestal nogal mee. Er zijn immers zovele dingen die je niet of niet juist hebt erkend, gezien, dat het toegeven van een enkele fout meer of minder meestal weinig uitmaakt. De grote moeilijkheid, waarmee men te maken krijgt, is dan ook niet het aanvaarden van eigen schuld, maar het vinden van een nieuwe en juistere benadering van de werkelijkheid.

In een dergelijk geval kunnen wij zeggen: Het doden van het eigen ik in de stof was het gevolg van een consequent handelen volgens eigen beste besef en weten. Als zodanig brengt het weinig of geen plaatsgebondenheid of tijdgebondenheid met zich. Wel vergt een dergelijke daad en haar gevolgen een langere tijd van heroriëntatie in de geest, voor men normaal aan de ontwikkeling en het werk in de geestelijke werelden deel kan hebben. Dergelijke entiteiten zullen hierdoor vaak langer dan anderen in een z.g. schaduwwereld vertoeven, doch daarbij steeds een geleider hebben en zekere hulp en onderricht ontvangen van lichtender geesten.

Een volgend geval is de mens, die zelfmoord pleegt in een opwelling, maar deze reeds voor het verlaten van de stof betreurt. Hier zal de geest dus de vrezen van de mens voor het hiernamaals en alle daaromtrent in het ik aanwezige voorstellingen – waan of niet – ondergaan. Het ego worstelt wanhopig terug, om nog te kunnen voortleven in de stof. U zult begrijpen, dat het gehele bewustzijn in dergelijke gevallen geen aanvaarding van de uitblussing of een andere wereld omvat. Hier is en blijft het ik gericht op het stoffelijk bestaan, een verder leven in de stof. Het feit, dat ondanks dit alles het stoffelijk bestaan ten einde komt, is voor deze persoonlijkheden een zeer grote schok. Wij kennen vele gevallen van entiteiten, die, gedreven door dit verlangen tot voortleven in de stof, weigerden eigen verantwoording voor aandeel in eigen dood, te erkennen. Het gevolg is, dat zij trachten voort te gaan, zoals zij bij een verder stoffelijk bestaan zouden hebben gedaan. Zij kunnen echter, evenals in het geval van het door onbewuste delen van het ik veroorzaakte ongeval, vaak geen vrede hebben met hun nieuwe toestand. Het is juist deze onevenwichtigheid en vlucht voor de feiten die hen aan de plaats van overgang pleegt te binden. Zij worden dan een soort spoken.

Door hun drang tot leven kunnen zij zich n.l. niet onttrekken aan het in stand houden van hun astraal lichaam en het daarin verzamelen van zoveel mogelijk levenskracht. Het astrale lichaam blijft, door de geesteshouding, steeds weer georiënteerd op het ogenblik van de zelfmoord, zodat het, zelfs wanneer geen werkelijke binding in tijd optreedt, dit ogenblik in zijn verschijning en uitingen steeds zal weergeven. Alle opnemen van contact met de wereld van de mensen via dergelijke vormen is echter niet een poging om eigen fout te erkennen en goed te maken, maar zal eerder een protest tegen het zelf veroorzaakte weergeven. In vele gevallen groeit bij degelijke gebondenen op den duur een steeds sterkere haat tegen de mensen, die voortleven, zodat zij voor de mens dan kwaadaardige, ja, demonische invloed schijnen te bezitten. Het zal u duidelijk zijn, dat dergelijke figuren vanuit de geest zeer moeilijk te benaderen en te helpen zijn. Zij zijn dan ook degenen, die als gevolg van hun zelfvernietiging in de stof, de grootste lasten zullen moeten dragen.

U hebt in het voorgaande wel bemerkt, dat de redenen van de geesteshouding tijdens de zelfmoord, ook een grote rol speelt bij het bepalen van de gevolgen, terwijl ook het aanvaarden van de zelfgestelde daad en de fout, die men daarbij maakte in de wijze, waarop men geestelijk kan verder gaan, een beslissende rol pleegt te spelen. Er is geen sprake van een absolute verdoeming van de geest omdat zij zelfmoord pleegde of iets dergelijks. Het gaat er om, wat men was op het ogenblik, dat men deze dood zocht en welke inhoud het ik bezat op het ogenblik van overgang.

Nu blijkt, dat er mensen zijn, die zich het leven benemen, terwijl voor henzelf dit een juiste en verantwoorde wijze van handelen is en blijft. Ik denk hierbij o.m. aan ongeneeslijk zieken, die, beseffende niets positiefs meer aan de wereld te kunnen geven, zich het leven benemen om anderen niet langen tot last te zijn. Let wel: dit is een vlucht voor de feiten, waarbij vaak ook meer zelfzuchtige motieven mede een rol spelen, die op de verdere geestelijke ontwikkeling invloed zullen hebben. Maar voor het ik is de vlucht niet geheel zelfzuchtig en niet zonder werkelijke redenen geschied, zodat een dergelijke daad geen noodzakelijke en onvermijdelijke ontkenning van eigen fouten en daden en daarmee ook een verwerping van de mogelijkheid tot geestelijk verdergaan met zich brengt. Men kan beseffen, dat men verkeerd heeft gehandeld, maar ziet eveneens, dat vanuit het eigen stoffelijk besef en gevoel men geen andere uitweg kon zien. In deze gevallen is het mogelijk het leven in de geest te aanvaarden en zal men vaak zelfs in betrekkelijk korte tijd de meer lichtende werelden van de geest kunnen betreden. Men zal dan, na een in verhouding korte tijd van scholing en rust, tot een werken op de wereld of in lagere sferen overgaan, om zo iets van de op aarde gemiste kansen tot bewustwording terug te vinden, en het verleden, zoal niet te herstellen, dan toch met de huidige mogelijkheden in overeenstemming te brengen.

Iemand die een zelfmoord pleegt uit wraak, komt eveneens voor. En zo iemand zal veel meer moeilijkheden ondervinden. Hij doodt zich immers alleen – al kunt u zich dit misschien niet zo gemakkelijk voorstellen – om hierdoor anderen leed te berokkenen, en dit is niet zo eenvoudig te aanvaarden of ongedaan te maken. U kent misschien het verhaal van de Chinese bedelaars.

Wanneer iemand tegen Chinese bedelaars of bepaalde tongs erg onrechtvaardig optrad, werd iemand gezocht, die toch niets meer had om voor te leven. Zo iemand kreeg dan een aantal dagen, soms zelfs weken of maanden een goed leven met alles, wat hij begeerde. In andere gevallen gaf men zo iemand grote bedragen voor kinderen of vrouw, alles onder voorwaarde, dat hij zelfmoord zou plegen op het erf en zo mogelijk voor de deur of poort van degene, die dit onrecht had begaan.

Bij deze procedure speelde bijgeloof natuurlijk een grote rol. Waar het mij om gaat, is het feit, dat een dergelijke zelfmoord volgens de toen in China geldende opvattingen een gerechtvaardigde zelfmoord was. Geestelijk gezien waren dergelijke zelfmoorden dan ook niet erg schadelijk voor degene, die ze beging. Nu kwam dit gebruik echter nog op een andere wijze voor: Het was mogelijk, dat iemand een ander zo zeer haatte, dat hij, bij gebrek aan andere mogelijkheden, uit haat zichzelf op deze wijze doodde. In dit geval was tijdens en na de daad het geheel van eigen wezen op wraak gericht. In dit geval is het bijgeloof van de Chinezen, dat een dergelijke gebeuren een soort doem legt op het gehele huis en allen, die daarin vertoeven, nog zo vreemd niet:

De wraak kan niet door de zelfmoord voldoende geconsumeerd worden. Het wreken vergt ook het zien van de gevolgen van de wraak. En juist in deze gevallen was een gevolg van de wraak niet onmiddellijk kenbaar of wist men, door geheimhouding en snel vervoeren van het dode lichaam, zichzelf tegenover de buitenwereld zelfs voor alle gevolgen van de wraak te schutten. In een dergelijk geval is de geest van de zelfmoordenaar dan ook geheel aardgebonden. Haar gerichtheid is demonisch. Zij tracht anderen te vernietigen en te bestraffen voor alles, wat zij in haar beleven na de dood als een persoonlijk onrecht ondergaat. En in vele gevallen althans weet zij wel degelijk, dat zij dit niet rechtmatig doet. Er komen, ook in de westerse wereld steeds weer zelfmoorden voor, die aan deze gevallen doen denken.

Het doet dan wat denken aan de daad van een kleine jongen. U weet, hoe haast ieder kind zich wel eens voorstelt, hoe hij weg zal lopen of zal sterven, zodat vader en moeder eerst dan zullen gaan beseffen, wat zij het kind alles hebben aangedaan en als straf daarvoor voortaan hun kind zullen moeten missen. Deze droom van sommige kinderen wordt bij sommige volwassenen, wier volwassenheid voornamelijk lichamelijk is, wel eens tot werkelijkheid: Uit wraak tegen de omgeving, uit behoefte de omgeving te laten voelen, dat men toch heus nog wel belangrijk is, dat men niet zo nietig en nutteloos is als de mensen schijnen te menen, pleegt men dan zelfmoord. Het is duidelijk, dat het ik in dergelijke gevallen resultaten verwacht. Maar die resultaten zullen haast altijd uitblijven of veel minder zijn, dan men veronderstelde. Dan maakt de geest zich kwaad, wil zich wreken. Ook zo iemand keert ten kwade, raakt aard- en vaak tijdgebonden en zal uiteindelijk vaak het slachtoffer worden van demonen.

In dergelijke gevallen is de zelfmoord niets meer of minder dan een zich overleveren aan de duistere sferen, waaruit men dan ook niet gemakkelijk meer los zal kunnen komen. En via dit en de andere gegeven voorbeelden hebt u, naar ik veronderstel, nu wel een redelijk omvattend beeld van de drijfveren bij zelfmoord en de mogelijke gevolgen gekregen. Wij bespraken immers zowel de gevolgen van een zich doden met een goede, althans voor het ik als goed geldende reden, het zich doden met kwade bedoelingen tegenover anderen en de verschillende afwijkingen van het normale bewustzijn, die eveneens de aanleiding kunnen vormen tot een dergelijke daad en haar gevolgen mede kunnen bepalen.

Algemeen gezegd kan ik dan ook constateren: Zelfmoord is in de meeste gevallen wel een rem voor de verdere bewustwording, terwijl een poging om de gevolgen voor het ik te herstellen na dergelijke daden een veel grotere en vaak ook langduriger activiteit van het ik in of vanuit de geest eist. De emotie, die aanleiding werd tot de zelfmoord, de argumenten, die men gebruikte om tot het besluit van zelfmoord te komen, zijn bepalend voor de toestand, waarin men zich na de overgang zal bevinden. Onbewust zijn van eigen drijfveren zal in de geest niet meer kunnen bestaan. Onderbewuste drijfveren in de stof worden in de geest bewust erkend. Ook indien men zich in de stof niet verstandelijk bewust was van hetgeen, dat tot het zoeken van eigen ondergang in de stof voerde, zal men dit beseffen en dus handelen volgens het geestelijk erkennen, dat onmiddellijk na de dood wordt bereikt en dus niet volgens het stoffelijk erkennen dat voor de overgang aanwezig was. Voor nabestaanden is dit alles altijd moeilijk. Zij zullen zich dan af gaan vragen, of zij voor zo iemand nog iets kunnen doen, dan wel dat deze zonder meer en a.h.w. zonder enige mogelijkheid tot respijt gedoeld zal zijn in het duister te leven. Hetgeen ik reeds hierover zei, maakt u wel duidelijk, dat van een als gevolg van zelfmoord zekerlijk in het duister vertoeven nooit sprake kan zijn. Zelfmoord op aarde brengt dus niet noodzakelijkerwijze ook een geestelijke ondergang met zich.

Wel lijkt het mij voor die nabestaande belangrijk na te gaan en zich goed te realiseren, in hoeverre mogelijk hun eigen gedrag mede voor de gestelde daad verantwoordelijk is geweest. Ook hier gaat het niet om de goede bedoelingen zonder meer, maar om de feitelijke invloed, die men op een ander heeft gehad. Wanneer men tot een besef van medeverantwoordelijkheid of schuld voert, zo zal het niet betekenen, dat men nu wel iets kan gaan doen voor degene, die is overgegaan. Maar toch is het goed dit te beseffen: men kan zo voorkomen, dat een onderbewust gevoel van schuld de nabestaanden in de zelfde richting dwingt. Het erkennen van je mislukkingen, fouten, disharmoniën t.a.v. de wereld en anderen is voor een juist leven zowel als voor het ontkomen aan door het redelijk bewustzijn niet kenbare en zo ook niet bewust beheersbare impulsen.

Wanneer je de dingen open voor jezelf kunt toe geven, is er immers ook altijd een mogelijk- heid, er iets aan te doen. Zelfs wanneer je dan overrompeld door onderbewuste impulsen op een gegeven ogenblik toch tot onherstelbare daden zou komen, zo zullen de gevolgen daarvan voor het ik niet zo zwaar meer wegen. Men zal dan immers de fouten gemakkelijker willen en kunnen erkennen en eveneens sneller bereid zijn, daaraan iets te doen. Het leven in het hiernamaals is geen kwestie van: je hebt dit gedaan en krijg je straf of loon. Het is eerder een kwestie van de wijze, waarop men zichzelf en de nieuwe status van het ik, zal willen aanvaarden en erkennen. De vraag is of men bereid zal zijn, eigen mogelijkheden uit te buiten en eigen schulden en fouten toe te geven. Zo ja, dan is alles in orde en kun je heel veel doen. Zo neen, dan gaat het eenvoudig niet, zelfs al gaat u over als een heilige en eert men u op aarde met koorzang en kaarslicht en was uw overgang vergezeld van alle denkbare plechtigheden, sacramenten en staatsbegrafenis op de koop toe.

Ik garandeer u, dat u in het laatste geval, wanneer u niet bereid bent eigen fouten te erkennen en de nieuwe status te aanvaarden, zoals zij is, er even slecht aan toe zult zijn als degene, die zelfmoord pleegt en niet de gemaakte fout wil erkennen. Kosmisch gezien bestaat er geen regel, die het beëindigen van eigen leven, zelfmoord dus, verbiedt, al blijkt, dat men daarop op aarde niet erg is gesteld. De wijze, waarop de wereld reageert op een zelfmoordenaar, het feit, dat men aan zo iemand vaak een graf in gewijde aarde onthoudt, dat zij pogingen tot zelfmoord strafbaar stelt, komt niet voort uit het fatale van de zelfmoord en haar gevolgen in het hiernamaals.

Maar de maatschappij voelt de zelfmoord van een mens ergens een beetje te veel als een direct tot haar gericht verwijt. Het feit, dat er in deze tijd zovele zelfmoorden voorkomen – waaraan men zo weinig mogelijk publiciteit geeft – zou voor de maatschappij eigenlijk een reden moeten zijn zich eens af te vragen, wat er in haar bestel geestelijk en materieel niet meer deugt. Indien de verantwoordelijke personen in de maatschappij eerlijk zouden zijn, zouden zij niet in de eerste plaats spreken over de abnormaliteit van de mensen, die zelfmoord plegen en hen medelijdend tot een eeuwige verdoemenis moeten veroordelen, maar zich eerder eens af moeten vragen, wat de reden is, dat binnen deze maatschappij zovele mensen niet meer verder willen of kunnen leven. Maar dat doet men niet. Want dan zou men toe moeten geven, dat eigen onvolkomenheden mede de oorzaak zijn, dan zou men moeten toegeven, dat, ondanks alle theorieën en regelingen er iets in de maatschappij niet in orde is. Natuurlijk voelt men wel, dat men zelf niet geheel zonder aansprakelijkheid is. Maar juist daarom tracht men zichzelf te rechtvaardigen, tracht men het feit van de zelfmoord te verhullen en te vergeten, of, zo dit niet mogelijk is, stelt men, dat de zelfmoordenaar eeuwig verdoemd zal zijn, dat iemand door een dergelijke daad alle erkenning van zijn noden en problemen onmogelijk heeft gemaakt. Want ook maatschappelijk komt een verdringen van problemen voor en, al voert dit niet tot een massale zelfmoord, zo zal het wel voor vele in wezen onjuiste en onaanvaardbare hardheden in de maatschappij aansprakelijk zijn. Onmenselijkheden, die ook onder de gezagsdragers steeds weer hun slachtoffers vinden, komen uit dergelijke gevoelens van schuld voort. Dat mogen wij niet vergeten.

Wat de maatschappij en de kerken zeggen over de zelfmoord en haar strafbaarheid, is in de eerste plaats vaak een verweer tegen de aanklacht, die zij aanvoelen in de verlatenheid en  wanhoop, die zij als noodzakelijk veronderstellen bij een ieder, die tot zelfmoord overgaat. Men predikt de heiligheid van het leven. Maar men beweert ergens wel, dat de heiligheid van het leven lang niet altijd alleen betrekking zal hebben op de heiligheid van het materiële leven. Men voelt zeer wel aan, dat menigeen, die zichzelf het leven beneemt, dit niet uit zuiver stoffelijke redenen doet, maar eenvoudig, omdat hij geestelijk het moderne leven met al zijn consequenties niet meer aan kan, omdat hij juist geestelijk, eerder nog dan stoffelijk, in het bestaan eenvoudigweg geen uitweg meer kan vinden. En juist dit is iets, wat dan terug valt op bv. de kerk, die, met haar leer van Gods liefde, genade, recht en wet maar al te vaak zondigt tegen de mens uit hoogmoed. Is het een wonder, dat men in de kerken vooral tegen de “zondige zelfmoordenaars” pleegt uit te varen en, vaak onder een mom van medeleven, dergelijke verwijten liever afdoet als “eeuwig verdoemden”?

Laat ons eerlijk zijn en toegeven, dat het menselijk oordeel over dergelijke mensen – zelfmoordenaars dus – niet in de eerste plaats betrekking heeft op hun daad en haar feitelijke gevolgen, maar eerder een reactie is op de onrust, die een dergelijk verlaten van het leven bij de overlevenden veroorzaakt. Vergeet niet, dat in een maatschappij, waarin de zelfmoord wel wordt erkend en dus geen schuldgevoelens wakker roept – bv. omdat men een ander ethisch systeem volgt dan het christendom – vaak de zelfmoordenaar om zijn daad eert of zelfs de daad toejuicht. Een Japanse soldaat keerde, als enige van zijn compagnie levend terug. Dit werd door hem en anderen gezien als een falen, als het gevolg van een lafheid. De gemeen- schap, ondanks haar schijnbaar steeds meer westers denken en handelen, kon deze jonge man niet meer aanvaarden. Hij was in wezen een soort paria en zijn familie deelde in zijn “schande”. Door zichzelf op rituele wijze te doden, herwon hij echter weer zijn eer en werd eerbetoon en erkenning aan allen, zowel zijn familie als ook zijn stoffelijk overschot, gegeven. Zijn de mensen in Japan dan zoveel anders dan in het westen? Wel neen. Maar hier is een andere maatschappij aan het woord, hier heersen andere maatstaven en denkbeelden. Hier is de zelfmoord in feite het betalen van een schuld, het geven van een cijns aan die maatschappij.

Daar zij een geestelijk voortbestaan van hogere orde stelt voor een ieder, die op deze wijze zijn schulden vereffent of sterft voor de gemeenschap, behoeft zij zich zelfs niet af te vragen, of zij het recht wel heeft van een medemens voor een werkelijk of verondersteld falen een dergelijke cijns te eisen. De gemeenschap jubelt de daad zonder meer toe, omdat zij past in haar politiek, haar denkwijze, haar voorstelling van de waarden in het leven. Eigen gedrag wordt bepaald door de maatstaven, die men in het leven voor zich en anderen aanlegt, of dit nu christendom is, Bushido of de leer van het juiste leven. De houding tegenover de dood, zelfgekozen, natuurlijk of anderszins, wordt eveneens bepaald door deze grondslagen van het menselijke denken, die niet op werkelijkheid, maar op aanvaarde normen berusten. Het gevolg van dit alles is, dat de mens een rationalisatie zoekt voor zijn houding en de meest vreemde stellingen gaat verkondigen. Zo stelt men wel, dat iemand, die door zelfmoord om het leven komt, op andere wijze, maar op dezelfde tijd zou zijn overgegaan “omdat het uur van sterven voor de mens nu eenmaal vaststaat”. Een rationalisatie, die het mogelijk maakt eigen verantwoordelijkheid voor de zelfgekozen dood van een ander af te schuiven: Het was toch zijn tijd, nietwaar? Maar het uur van de dood stond vast, omdat de mens was, zoals hij was en de wereld was, zoals zij was, niet omdat ergens in de sterren het ogenblik van de dood staat geschreven of God ergens heeft gedecreteerd: nu zal dit leven eindigen. De dood is altijd een product van oorzaak en gevolg en wordt, ook in zijn tijdstip en wijze van optreden, bepaald door omstandigheden en wisselwerkingen. Trachten om jezelf als mens van deze feitelijke en steeds weer kenbaar wordende toestand los te maken, is dwaasheid.

Geestelijk zal men immers dergelijke uitvluchten en vervreemdingen van de werkelijkheid toch niet vol kunnen houden. Even dwaas lijkt het mij bepaalde wijzen van sterven in het bijzonder als strafbaar, walgelijk, duivels voor te stellen en door de voorstellingen, die men aan de overgang op dergelijke wijze pleegt te koppelen, het bestaan van de nabestaande te verbitteren en droeviger dan noodzakelijk te maken. Mij lijkt deze steeds weer optredende neiging om zelfs de nabestaanden ergens onder de daad van een zelfmoordenaar te laten lijden, tenminste onjuist. Beter lijkt het mij de feiten te erkennen.

De feiten zijn dan: Zelfmoord is slechts een van de vele wijzen, waarop de overgang van de stoffelijke naar de geestelijke wereld tot stand kan komen. Niemand komt tot zelfmoord, zonder dat zowel hijzelf als de wereld rond hem daartoe aanleiding gaf, zodat zowel de zelfmoordenaar als de wereld rond hem aansprakelijk is. Niemand kan door een zelfmoord zonder meer verdoemd zijn of verheerlijkt en gerechtvaardigd zijn. Onder zelfmoord kunnen wij elke vorm van sterven verstaan, waaraan het ik zelf schuld heeft. Dit geldt ook voor het zonder verweer je door anderen laten doden. De martelaar, die met twee woorden zijn leven kan redden, maar weigert dit te doen, sterft voor een principe. Maar hij is zelf de oorzaak van zijn dood. Menige zelfmoordenaar, die zich het leven benam, deed dit ook vanwege zijn principe of geloof. Is de martelaar, die op deze wijze, mede door eigen schuld, sterft, nu opeens heilig, daar hij stierf voor zijn geloof of een ander principe, terwijl degene, die zelf het instrument van zijn dood was om soortgelijke redenen, verdoemd zou zijn? Is degene, die sterft voor het geldende en als juist erkende geloof een heilige, terwijl iemand, die sterft voor meer persoonlijke, maar even principiële redenen, of zich doodt volgens de normen van zijn eigen geloof, nu opeens een zondaar, een verdoemde, die altijd in de hel zal moeten verblijven? Het is dwaas zo te redeneren.

Vergeet daarbij niet, dat Jezus’ dood, in de ruimere zin van het woord, eveneens zelfmoord was: Hij wenste die dood niet, maar zag haar als noodzakelijk, onvermijdelijk, het staat vast, dat Hij zich daaraan kon onttrekken. Zelf in de hof van Olijven, toen men kwam om hem te arresteren, kon Hij zich, dit maken de evangeliën ons duidelijk, aan zijn lot onttrekken, voordien was het hem, daar hij wist, wat ging gebeuren, mogelijk zich door een vlucht aan de dood te onttrekken. Voor het Sanhedrin had hij zich door enkele woorden en een schuldbekentenis aan de dood kunnen onttrekken. Tegenover Pilatus had hij zich, door het afleggen van een uitvoerige verklaring aan zijn lot kunnen onttrekken. Bij Herodes had Jezus, door één enkel van de wonderen te tonen, die Hij zovele malen had gedaan aan de dood kunnen onttrekken. Hij deed niets van dit alles, is Hij dan niet in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het feit, dat Hij aan het kruis moest sterven?

Zo bezien ligt de verantwoordelijkheid voor alles, wat met Jezus is geschied in de eerste plaats hij hemzelf, veel meer dan bij Judas, Pilatus, het Sanhedrin, of het joodse volk en de beulen. Je laten doden, terwijl je wegen open staan om dit te voorkomen is een zelfmoord, vrienden, althans een vorm daarvan. Zeker, waar een vlucht voor Jezus betekent zou hebben, dat hij niet eens zijn stellingen, leer enz. had behoeven veranderen of verwerpen. Is men blind voor deze feiten? Ik weet het niet. Zeker is echter, dat wij, al staat vast, dat Jezus zelf zijn dood zoal niet wilde, dan toch aanvaardde en mede veroorzaakte, nooit zullen kunnen stellen, dat Hij daarvoor in de hel moest branden. Wij kunnen niet stellen, dat zijn dood op enigerlei wijze lelijk, duivels, onjuist is geweest. Wij zullen dan ook moeten erkennen, dat, zelfs indien je de dood zelf wilt, zelfs noodzakelijk of onvermijdelijk maakt, of desnoods zelf direct veroorzaakt bij zich, dit goed kan zijn. Het is niet de dood en de wijze waarop men sterft, die zonder meer bepalend en van belang is, maar datgene, wat daarmee verbonden is. Bepalend is het bewustzijn, dat bij dit aanvaarden van en desnoods veroorzaken van de dood aanwezig is. Het gaat om het doel, waarmee men de dood zoekt of aanvaardt.

Ik kan op uw wereld heel wat kritiek leveren, zoals u ook zonder twijfel terecht veel van ons denken en doen kunt bekritiseren. Een dergelijke kritiek komt voort uit een verschil van norm en waardering. Wij kunnen bepaalde dingen verwerpen als onjuist of onaanvaardbaar, omdat zij dit voor ons zelf zijn, maar dat houdt nog niet in, dat wij daardoor ook het recht verwerven een ieder, die schuld is aan hetgeen wij bekritiseren, daarmee nu ook maar meteen veroordeeld mag worden. Wij moeten erkennen, dat de wereld fouten heeft, maar dat wij zelf ook fouten hebben. En wij zullen toe moeten geven, dat vele van de dingen, die wij fouten noemen, ergens toch ook wel een zeer goede kant kunnen hebben. Wij moeten de moed hebben om toe te geven, dat dingen, die ridicuul en onaangenaam of onaanvaardbaar zijn, wanneer wij vanuit onszelf redeneren, desondanks vaak zeer nuttig en voor anderen misschien zelfs zeer aangenaam kunnen zijn. Alles heeft zijn zin en nut. Dit geldt zelfs voor de laatste redevoeringen van de heer de Gaulle, die, naar men zegt in bepaalde delen van de wereld zelfs tot een afkeer voor gauloises heeft gevoerd.

Nee. Ook het lelijke, ook het volgens de mens onaanvaardbare, kan vaak goede gevolgen hebben, kan vaak volbracht worden met een zeer goed doel voor ogen en kan, geestelijk gezien, niet slechts nuttig, maar voor de bewustwording van een bepaalde persoon zelfs noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. Het is zo moeilijk, uit te maken, wanneer iemand nu werkelijk ten kwade voor zich de dood heeft gezocht en dus nadelige gevolgen van zijn daad zal ondergaan, of juist tot deze daad kwam door innerlijke noodzaken en redenen, die stroken met kosmische wetten en waarden, zodat het ego als gevolg van de daad een versnelde bewustwording en misschien zelfs verheerlijking ondergaat, dat ik juist ook in verband met zelfmoord zou willen stellen: Gij zult niet oordelen. Oordeelt niet, opdat gij zelve niet veroordeeld zult worden door het oordeel, dat gij geveld hebt!

Nu blijft mij in deze inleiding nog een laatste vraag te beantwoorden: Kan men iets doen voor iemand, die zelfmoord heeft gepleegd op aarde? Uit het voorgaande zal u ondertussen wel duidelijk zijn geworden, dat het zeer moeilijk is, zoal onmogelijk, om te bepalen, hoe de toestand van een geest na een dergelijke overgang zal zijn. Een ding echter is zeker: Wanneer u uw genegenheid voor een ander niet wijzigt, omdat hij nu toevallig op een voor u maat- schappelijk of emotioneel minder aanvaardbare wijze is heengegaan en niet tracht zo iemand ergens naast de andere skeletten in de kabinetten met familiegeheimen op te bergen, maar eenvoudig aanvaardt, dat deze persoon er is en bereid blijft alles, wat deze mens aan goeds voor u in zijn leven heeft betekent, steeds te gedenken en uit deze waarde nog voortdurend kracht en inspiratie te putten, u beroepende op het positieve, wat in deze persoon voor u lag, zo zult u degene, die op deze wijze de wereld heeft verlaten, in stoffelijk en geestelijke zin de beste steun gegeven, die u ook kunt geven.

Door hun positieve waarden te herdenken en te doen herleven op aarde, zult u allen die in schaduw of duister verkeren, helpen het licht te beseffen. En degenen, die in het licht verkeren, bereidt u hierdoor grote vreugde. U heeft er op deze wijze voor gezorgd, dat als gevolg van een daad als zelfmoord de betekenis, het nut van zijn, dat ook dergelijke personen hebben, niet door en bij u wordt uitgewist. De zelfmoordenaar heeft dan, waar hij ook moge zijn en hoe hij ook moge bestaan in de geest, bij alle werken en streven naar licht en herstel van waarden de steun van al hetgeen in zijn leven goed was. En dit zal in zeer vele gevallen een aanvaarden van de consequenties van eigen daad in de geest aanmerkelijk vergemakkelijken. Doordat u de zelfmoordenaar niet beschouwt als iets, wat zoveel mogelijk uit het besef moet worden verwijderd, als iets verwerpelijks, maar hem blijft aanvaarden – niet als degene, die op voor u misschien onbegrijpelijke wijze de dood prefereerde, maar als de bewuste, die u na stond – geeft u een band met uw wereld, waardoor hij gemakkelijker in uw wereld zal kunnen werken ten goede.

U heeft ook door deze band een mogelijkheid geschapen de ander positieve, lichtende krach- ten toe te voegen in zijn geestelijk bestaan, indien hij deze van node heeft en dit houdt in, dat juist iemand, die langere tijd in schaduwland zou moeten vertoeven, de kracht, het licht en de mogelijkheid tot bewustzijn zal verkrijgen, die hij in dit geval zeker van node heeft. Zelfs tijd- en plaatsgebondenen, aardgebondenen dus, zullen deze houding uwerzijds wel degelijk beseffen en ondergaan als een van de weinige voor hen toch nog harmonische factoren in een verder onbegrepen en vaak gevreesd of gehaat bestaan. Juist hierdoor zal ook een dergelijke entiteit zijn vrede met de mens gemakkelijker vinden, zijn houding tegenover het leven wijzigen en zo ook het feit van eigen dood gemakkelijker kunnen aanvaarden.

Ik hoop, dat ik in dit onderwerp, hoe pessimistisch het ook moge schijnen in een tijd, waarin een ieder met vakantie gaat en met enige verbazing een tijdelijke afwezigheid van de zon constateert, toch heeft bijgedragen tot uw inzicht in het gehele leven. Want zoals de dood een deel is van het leven, is ook de zelfmoord in feite slechts een van de vele wijzen, waarop de dood voor een mens in verschijning kan treden.

Indien u vragen heeft, kunt u deze nu stellen.

  • Twee mensen leven voor elkaar en menen voor elkaar onmisbaar te zijn. Een komt te sterven, de ander pleegt zelfmoord. Daarom stelde ik dit onderwerp. Maar ik weet er nu nog geen raad mee…

Kennelijk zijn mijn vele voorbeelden dan nog niet duidelijk genoeg geweest. Wanneer dit gebeurt, hebben wij te maken met:

A: De reden. Is deze zelfzuchtig, bv. een ”ik wil niet leven zonder de ander”, dan komen er wel wat moeilijkheden. Ziet men de zelfmoord echter eerder als een met de ander verder gaan in de overtuiging, dat de ander hiervan nut zal hebben en beschouwt men dit als mogelijk en aanvaardbaar, zo kan men een dergelijke zelfmoord – ongeacht de nadelige gevolgen, die aan elke zelfmoord toch wel kleven – wat haar gevolgen betreft, beschouwen als de zelfmoord van de japanner, die ik als voorbeeld gebruikte. Er is immers dan sprake van een beantwoorden aan een als waar en juist gevoelde verplichting, zodat de zelfmoord dan geen bijzondere geestelijke nadelen met zich zal brengen.

B: De vraag is, of een mens, die een dergelijk besluit neemt, ongeacht dus de redenen, die voor hemzelf gelden, niet tot de daad en overtuiging is gekomen door het feit, dat de rest van de wereld hem niets heeft overgelaten, waarvoor hij kon leven. Is dit zo, dan zou, zelfs bij een verkeerde motivering van de daad, een groot deel van de verantwoordelijkheid berusten bij de wereld, de omgeving. Men kan dan wel als zeker aannemen, dat het lot van de door eigen daad overgegane aanmerkelijk verzacht zal worden, daar hij immers ook na de zelfgekozen dood zal beseffen, waar de fouten in feite lagen en de schuld van de omgeving voor hem een aanvaarden van eigen schuld eenvoudiger zal maken.

Een algemeen en geheel voor dit geval geldende oplossing kan ik u, algemeen sprekende, evenmin geven als bij alle voorgaande voorbeelden. Ook in het door u nu gestelde geval zal immers gelden, dat de betekenis van de zelfmoord en haar gevolgen in de sferen bepaald zullen worden door de reden, waarom de dood werd gezocht, de beredenering, waardoor men zichzelf van de noodzaak of onvermijdelijkheid van de daad overtuigde en de vraag, of men zich – hierbij op het genomen besluit in feite terugkerende – de dood niet meer wenste te aanvaarden, nadat de noodlottige daad reeds was gesteld.

Ten laatste: de wijze, waarop men eigen onjuistheid van handelen wil aanvaarden en erkennen na de overgang, is eveneens van grote betekenis voor het verdere lot van zo iemand. Meer kan men niet zeggen, daar men de innerlijke waarde van de persoon in kwestie en diens reacties niet op aarde zal kunnen kennen en beoordelen.

  • Men stelt wel, dat een geest van een zelfmoordenaar een tijd van rust of gebondenheid zal kennen voor bevrijding van deze geest en geestelijk voortbestaan mogelijk wordt.

Onder sommige, maar in feite wat exceptionele, omstandigheden kan deze stelling, zoals vele soortgelijke stellingen, wel eens waar blijken. De oorzaak van deze stellingen ligt in het volgende: Men neemt aan, dat elke mens een bepaalde hoeveelheid levenskracht bezit. Deze kan in korte of langere periode van menselijke tijd worden verbruikt. Daarop volgt dan de dood, tenzij men voldoende geestelijke ontwikkeling en vermogens heeft, om uit de geest steeds weer nieuwe levenskracht op te nemen en aan te trekken. Velen vergeten of nemen niet aan, dat men additionele levenskracht uit de kosmos kan putten. Zij stellen dan, dat de bij de geboorte aanwezige levenskracht bepalend is voor de levensduur. Het aantal levensjaren zou dus bij de geboorte reeds vaststaan. Overigens is dit laatste zeer zeker onjuist. Het gaat immers niet om een aantal jaren maar om het aantal ervaringen, dus de uitwisseling van energie met en verbruik van energie in de wereld. Degenen, die voornoemde stellingen als dogma aanvaarden nemen nu aan, dat iemand, wiens leven voortijdig door eigen ingrijpen wordt beëindigd, nog zoveel animale energieën bij zich zal hebben, dat hij hierdoor aan de wereld gebonden blijft tot het ogenblik, waarop die energie verbruikt zou zijn. Degenen, die u zeggen, dat de zelfmoordenaar zolang aardgebonden zal blijven, tot het ogenblik van zijn natuurlijke dood bereikt is, nemen kennelijk hierbij nog aan, dat het verbruik van levenskrachten niet per daad, maar per tijdseenheid berekend moet worden. Hun stelling zal in de meeste gevallen geheel onjuist blijken te zijn.

Het is echter mogelijk, dat iemand door eigen hand overgaat, terwijl hij nog vervuld is van denkbeelden over wat hij eigenlijk nog zou moeten zijn en zou moeten doen in de menselijke wereld – een vlucht dus. Indien zo iemand niet de gemaakte fout erkent – eerste voorwaarde – en niet bereid is op andere wijze de hem resterende mogelijkheden en krachten te gebruiken, zal hij inderdaad gebonden zijn aan de aarde en zal hij tenminste zo lang gebonden blijven tot zijn bewustzijn verandert, of alle daden, die hij meende zelf te moeten stellen, door anderen op aarde in het door hem geziene verband hebben volbracht. Nu kan een dergelijke entiteit de eens als onaanvaardbaar maar in feite tot eigen taak behorende beschouwde daden trachten te vervangen door andere daden, die vanuit de geest worden gesteld of bevorderd. Een dergelijke verkeerde reactie kan betekenen, dat de binding met de aarde een gewinnen van negatieve levenskrachten inhoudt, waardoor de binding aan plaats versterkt en voor langere tijd bestendigd kan worden, zodat dergelijke entiteiten veel langer dan normaal hun leven had kunnen duren, gebonden blijven aan de aarde en een plaats op die aarde.

Het door u geciteerde standpunt heeft dus wel degelijk zijn basis in feitelijke mogelijkheden. Maar, zoals bij zovele als absolute waarheid verkondigde stellingen, heeft men hier een uitzondering tot enige grondregel gemaakt en verkondigt men zo een op zich uitzonderlijke mogelijkheid als enige waarheid.

  • Hoe verklaart u de massavernietiging, zoals deze bij dieren wel voorkomt.

U doelt op de lemmings? Dit is geen zelfmoord, maar een vergissing: de massa- vernietiging ontstaat n.l. op het ogenblik, dat door pressie van aantallen, gevaren en voedselgebrek de moeilijkheden van leven zo groot worden, dat – evenals bij de mens – niet werkelijke beelden de plaats van de feiten gaan innemen. Het is een soort waanzin, die voortkomt uit een erfelijke herinnering, een soort instinct dus. De lemming droomt van een land waarin wel voldoende ruimte, levensmogelijkheid en voedsel zal zijn en zal zich in zee storten, om tot het voortbrengen van nageslacht dit – een werkelijk maar nu niet meer bestaand – land te bereiken. Een soortgelijk instinct doet de paling nog steeds naar de Saragassozee trekken om daar te paren. Men zou kunnen zeggen, dat hier sprake is van ervaringen van zovele voorgeslachten, dat zij via de genen worden overgebracht en voeren tot een niet overlegde, in feite haast automatische reactie op omstandigheden en feiten in het leven.

  • Is hier een vergelijk mogelijk met volkeren, die zich in een totale oorlog storten, een wereldoorlog bv.?

Neen. Hier is geen vergelijk mogelijk. Een wereldoorlog ontstaat n.l. op het ogenblik, dat een bepaalde situatie mentaal onaanvaardbaar gemaakt kan worden voor de massa. Zij bemantelt een situatie, die voor enkelen onaanvaardbaar is. Deze brengen dan een soortgelijke argumentatie als weergave van de werkelijkheid zo bij herhaling over aan de massa, dat deze niet meer reageert volgens de feiten, maar volgens het opgelegde – propaganda – beeld. Dit veroorzaakt een werkelijkheidsvervreemding, waardoor men in de massa gaat denken, dat eigen bestaan, welzijn, leven op het spel staat. Hierdoor ontwaakt de drang tot zelfhandhaving, die – en dit is instinctief – de neiging inhoudt, datgene aan te vallen, wat men vreest, het gevolg is een oorlog, die op geheel onjuiste gronden als noodzaak wordt aanvaard. Tijdens de oorlog ontstaat een werkelijke dreiging voor het ik, zodat de instincten van zelfbehoud langere tijd sterk toenemen. De morele en andere sociale maatstaven vallen dan weg voor de strijdenden, zodat hun gedrag door hen niet meer wordt beoordeeld volgens de in de wereld geldende normen, maar een geheel eigen stelsel van normen ontstaat, waarbij niet alleen zelfbehoud, maar ook bescherming van afstammelingen en de drang tot voortplanting een grote rol spelen. Het toenemen van seksuele misdrijven bij oorlogvoerenden en de schijnbaar zeer vergrootte viriliteit zijn een uiting van de instinctieve drang zichzelf te doen voortbestaan, desnoods in nageslacht. Men begrijpt dit niet en kan het niet verwerken. De roekeloze “moed” is in feite een vorm van zelfvergetelheid, waarbij het voortbestaan in een bereiking en niet meer in het behoud van eigen leven wordt geprojecteerd.

Formuleer dus dergelijke oorlogen en wereldoorlogen niet als bewuste zelfmoord, maar zeg: hier worden angst en begeerte of behoeften van enkelingen omgezet in een reeks van valse levenswaarden, vervalste levenswaarden voor velen, waardoor de reactie van de velen eerst aan het plan en de behoefte van de enkelingen zal beantwoorden. Op den duur zal de drang van de massa echter de enkelingen gaan domineren en ook hen meesleuren in een instinctieve reactie van zelfbehoud, waarbij de eens bewust verkondigde onwaarheden nu als waarheid ervaren worden. Dan kan de oorlog niet meer beteugeld worden. Het vreemde hierbij is, dat de bewuste zelfmoord voor de deelhebbers aan een wereldoorlog of totale oorlog haast ondenkbaar wordt, tenzij zij verliezen.

  • In de Vedanta staat: God is waarheid, de wereld is zelfbedrog. Hoe is dit te rijmen met de aansprakelijkheid, die volgens u aanwezig moet zijn?

Niet alles, wat op de wereld is, is zelfbedrog. Dit is ook de betekenis niet van het geciteerde. Dit betekent echter, dat alles, wat op de wereld wordt beleefd, een zelfbedrog inhoudt. De wereld op zich is niet noodzakelijkerwijze irreëel, maar de wijze, waarop zij beleefd wordt, is irreëel. En dit is de illusie, de maya, het zelfbedrog. Het zal u nu duidelijk zijn, dat de waan, het zelfbedrog, niet door de schepper zonder meer wordt gesteld – God is waarheid – maar door de vertekening van deze werkelijkheid vanuit het ik, iets wat door de mens zelf dus wordt veroorzaakt. Het ik zal dus verantwoordelijk zijn voor de zelf veroorzaakte vertekening van feiten en de hierdoor ontstane fouten in eigen reageren. De fouten op zich echter, mits als zodanig erkend, maken het mogelijk het beeld van de waarheid, de werkelijkheid, beter te vormen en zo eigen binding aan de maya, aan het zelfbedrog, te doen afnemen en uiteindelijk uit te wissen.

De waarheid van het goddelijke leeft in ons, wanneer wij in staat zijn alle zelfbedrog uit onze erkenning van al, wat rond ons is, weg te nemen. Zo komen wij tot de waarheid en spreekt de volledige en goddelijke waarheid voortdurend tot ons uit alle dingen. Zelfmoord zal echter altijd een vorm van zelfbedrog zijn, op een enkele uitzondering na misschien. De erkenning van de fout maakt echter een besef van waarheid mogelijk. Waar de dood, die men zichzelf toebrengt of zoekt, innerlijk en vanuit de kosmische waarheid als noodzaak wordt erkend, om zo die waarheid meer manifest te maken, mogen wij als mens nog van zelfmoord spreken, maar kan men vanuit een meer goddelijk standpunt alleen nog maar spreken van zelfverwezenlijking of de uitdrukking van een erkende goddelijke waarheid door het ik.

Ik wil nu mijn onderwerp nog kort afsluiten. Alle problemen, die u zich maakt t.a.v. de geest en de dood komen voort uit een weigering de werkelijkheid te aanvaarden. Deze werkelijkheid echter betekent, dat de dood geen werkelijke dood is, maar een voortzetting van het bestaan onder nieuwe – en voor de mens vaak niet voorstelbare – omstandigheden. Dat een aanvaarden van de werkelijkheid omtrent eigen bestaan niet altijd aangenaam is, kan ik mij voorstellen. Men kan echter voor de feiten omtrent eigen wezen in de “andere” wereld niet wegvluchten, zonder ook de gehele wereld af te wijzen. U blijft uzelf, ook na de dood. Dit betekent enerzijds, dat de dood voor u geen einde van het streven betekent. Anderzijds houdt het in, dat de dood voor u geen werkelijke verlossing kan zijn, doch slechts een verandering kan betekenen in de omstandigheden waaronder – en misschien ook in de wijze – waarop u voort zult moeten gaan met het oplossen van uw problemen. Uw innerlijke bewustwording wordt niet bepaald door de vraag, of u op aarde zelfmoord hebt begaan of niet, of u op aarde religieus leefde en dacht of a-religieus. Zij wordt altijd weer bepaald door de wijze, waarop u de voor u erkende noodzaken en waarheden voortdurend vanuit en in uzelf verwezenlijkt en waarmaakt.

De uitdrukking van het bewustzijn is altijd weer de daad. Om te scheppen, moet je eerst denken, een beeld vormen in jezelf. Maar je schepping wordt eerst een feit, wanneer zij ook buiten je wordt uitgedrukt. Op deze wijze kan men ook het leven bezien: Het beste, wat in ons is, moeten wij uiting verschaffen, doen wij dit bij voortduring, dan zullen wij een leven vinden, dat onafgebroken een ontwikkeling van het ik brengt, waarbij dit ik zichzelf steeds meer in waarheid zal erkennen en steeds meer los zal komen te staan van maatstaven, begrippen als bezit e.d., die de mensheid nog binden, maar die voor het ego alleen betekenis kunnen hebben in verband met de erkenning van eigen binding met het oneindige en de uitdrukking van het oneindige via het eigen ik, dáár, waar men beseft te bestaan.

 ————————-

ESOTERIE

In de weinige tijd, die mij blijft, moet ik trachten u een samenhangend geheel omtrent de innerlijke weg en het esoterisch bestaan te geven. Ik wil dit doen in de vorm van een aantal spreuken.

Wanneer de mens in zichzelf schouwt en meent, dat de wereld anders is dan hijzelf, zo beziet hij slechts zijn illusies en niet de werkelijkheid van zijn wezen. Want wie vanuit zich in de wereld schouwt, erkent slechts in die wereld, wat in hemzelf reeds bestaat. Wanneer u van deze grondregel uitgaat, vindt u reeds een goede mogelijkheid om na te gaan, waar uw eigen fouten en uw eigen goede kanten liggen: niet dat, wat de mens stelt, dat het leven moet zijn, doch wat hij in zichzelf als waarheid beleeft, is voor hem de weergave van de eeuwigheid!

De eeuwigheid, die de mens buiten zich ziet of beleeft, moet hij in zichzelf waarmaken en wel in algehele evenwichtigheid zonder eenzijdige gebondenheden en met volledig besef van de mogelijkheden en vermogens, die in hem berusten. Wanneer je eenmaal met je werelderkenning begint, moet je ook beseffen, dat de eeuwigheid niet iets is, wat buiten alle begrip valt. Het is misschien niet gemakkelijk die eeuwigheid te formuleren, maar in de kern van de zaak is zij niets meer of minder dan het harmonische geheel, waarin alles, wat wij kennen en nog zullen leren kennen, aanwezig is. Maar nu alles op zijn juiste plaats. Wij erkennen nu alles in de juiste relatie tot al het andere en beschouwen het vanuit onszelf ook met de juiste nadruk.

God erkennen in jezelf vloeit voort uit het erkennen van de werkelijkheid omtrent jezelf. Zodra je God gaat stellen als iets, wat alleen maar boven alle dingen staat, zul je er nooit deel aan hebben. Dan zul je die God ook nooit in waarheid kunnen beseffen of ontmoeten en zul je met je geloof aan die God ook niets kunnen bereiken. Maar wanneer je God erkent als een deel van jezelf en jezelf gaat leren kennen, kun je het deel van God, dat in jou tot uiting kwam, eveneens naar waarheid beseffen. Toch blijft er altijd nog wel een raadsel over.

Wanneer je alle raadselen van de mens ontsluierd hebt, blijft er nog een klein deel van het ik bestaan beperkt maar onbenaderbaar, dat dan als enig geheim in de mens het geheim schijnt te vormen van al zijn leven, beleven en vermogen. Dit punt, dat is “God”, de uiting van God, die in ons leeft. Wij kunnen God niet in Wezen erkennen misschien, maar wij zullen tenminste in staat zijn te omschrijven, waar God in ons wezen werkt en waar ons eigen wezen ophoudt. Dit maakt het ook gemakkelijker ons aan de werkelijkheid aan te passen. Een bekend, maar tamelijk antiek denker heeft over God eens dit gezegd: God is de onbenaderbare werkelijkheid en al, wat kenbaar is, is slechts de weerkaatsing van Zijn wezen.   Zo gaat het ons ook: wanneer wij alles in onszelf leren omschrijven tot het onbekende deel van het ik toe, waartoe wij geen toegang kunnen krijgen, dit deel van God en ons dan trachten te maken tot een replica van dit onbekende deel van het ego, zo zijn wij harmonisch met God.

Alle waarden, die in de God in ons aanwezig zijn, zullen dan ook in onszelf, nu bewust en gekend, tot uiting kunnen komen. Daarmee is het raadsel wel niet opgelost, maar is toch een contact met de eeuwigheid verkregen. “Wie wortelende in de aarde, staande in de materie, in zich kan reiken tot de hoge en onbekende waarden of krachten, waarin de schepping heeft plaats gevonden, omvat waarlijk alle werelden en sferen. Hij is waarlijk de bewuste mens en in hem is het totaal van alle beelden en krachten – bedoeld worden ook de sterrenbeelden hiermee – aanwezig. ….

Het laatste ontleende ik aan een middeleeuws denker, die de mens wilde zien als staande op de wereld, reikende tot de hemel en dragende in de verschillende delen van zijn persoonlijk- heid de kosmische krachten, weergegeven door de voorstellingen van de dierenriem. Dit wezen wordt voorgesteld als een kracht, die ook de loop van de planeten kan beheersen. Als je de mens zo beziet, of dit beeld beschouwt, kun je in moderner en minder symbolische taal, wel zeggen, dat voor de mens de wereld, waarin hij bewust leeft, altijd weer de basis van alle mogelijkheden is. Wat hij in deze wereld beleeft, wat hij daarin waarmaakt, is voor hem het uitgangspunt van alle verdere bereikingen. Indien de mens dit punt van uitgang niet verwerpt, maar het aanvaardende, zoals het is, vanuit zichzelf en werkende daarmee, durft uitreiken naar het hogere, dan zal hij op den duur ook gaan beseffen, hoe het al en alle krachten, die daarin aanwezig zijn, ook in zijn lichaam en leven een rol spelen, maar in dit verband voor hem beheersbaar zijn.

Het is de relatie die de mens in zichzelf schept tussen de wereld, waarin hij volgens menselijk bewustzijn leeft en zijn erkenning van het hoogste, waarin hij bestaat, waaruit voor hem alles voortkomt. Een andere mysticus tracht duidelijk te maken, hoe de mens zelf de levensboom is en tracht weer te geven, hoe zijn wezen is opgebouwd uit alle machten en engelen, betogende hoe de mens, die deze kosmische waarden, zoals zij in hem leven leert kennen, daardoor voor zich ook het perfecte plan van de schepping aan zichzelf waarmaakt. Het is natuurlijk maar een wijze van spreken. Maar als je vanuit de mystieke taal terug wilt gaan tot een realiteit, waarin de esoterie toch niet terzijde behoeft te worden gelegd, zo kun je zeggen: naarmate je meer in jezelf erkent, zul je meer de wetten en verhoudingen leren kennen, die alle werelden – en niet alleen je eigen wereld – beheersen.

Wanneer je op die wijze de erkenning van de kosmische verhoudingen bereikt, kun je proberen om daaraan, zelfs als mens, zoveel mogelijk te beantwoorden. Dan ben je misschien wel geen levensboom, maar niemand zal kunnen ontkennen, dat je dan een zo perfect mogelijke weergave vormt van hetgeen je in de tijdloze Godheid bent volgens het plan van de schepping. Vele andere denkers maken het zich moeilijk door hun pogingen de mens uiteen te rafelen in een soort afzonderlijk superego, een geestelijk ik en een materieel ikje. Ik kan hun neiging tot ontleding wel begrijpen, want mensen halen nu eenmaal graag de dingen uit elkaar. Maar degene, die zich daarmee teveel bezig houdt, zou het wel eens kunnen gaan als de leek, die een klok wilde repareren: Hij kende alle onderdelen, maar de klok kreeg hij niet meer aan het lopen. Daarom wil ik elke esotericus raden niet teveel te ontleden en het grotere ik niet als iets afzonderlijks, staande boven of naast het nu gekende ik, te beschouwen. Aanvaard eenvoudig, dat de waarden van een superego, zoals het misschien in het goddelijke bestaat en al die andere hoge geestelijke machten en krachten samenwerken met en samenvloeien in het materiële bestaan.

Het is niet onze taak ons wezen geheel te ontleden in bestanddelen. Wel om de ritmen van bewegen te erkennen, die in ons bestaan: ons levensritme, dat steeds weer tot uiting komt in ons en ons leven, deze stoffelijk kenbare ritmiek zal immers ook deel zijn van al het hogere, daar het niet in ons wezen kan bestaan, zonder dat gelijksoortige waarden ook in de hogere  delen van het ik erkend zijn. Dit ritme is het aftikken van de goddelijke tijd, de verborgen fluctuatie van het werkelijke rijk Gods, dat voor ons in de huidige vorm niet als realiteit benaderbaar is, doch slechts kan worden ondergaan. Erkennen wij het ritme echter, dan erkennen wij ook de werking van de goddelijke kracht in ons en kunnen zo, werkende met de ons gegeven kracht in het ritme, dat de godheid in ons wezen legt, bereiken, wat wij in de esoterie nastreven.