Ziektebeelden van deze tijd

13 januari 1972

Als wij zeggen de ziektebeelden van de wereld in deze tijd, dan hebben wij het eigenlijk over een aantal verschillende verschijnselen. Ik zal daarvan enkele opnoemen. U heeft na de pauze gelegenheid daarop in te gaan.

Laten wij eerst een van de meest voorkomende ziektebeelden van de mens in deze tijd, op deze wereld noemen: dat is megalomanie of grootheidswaanzin.

Het is grootheidswaanzin als de krantenjongen de directeur van het concern gaat vertellen, dat hij meer loon moet hebben, omdat de krant duurder is geworden. Het lijkt mij ook grootheidswaanzin, als je net een oorlog hebt verloren te vertellen dat je deze tijde­lijke tegenslag zo te boven zult komen. Het lijkt mij nog meer grootheidswaanzin om met een rijk gebaar te zeggen dat je wel eventjes de Nederlandse balans helemaal recht zult trekken en alle deficit door bezuinigingen teniet zult doen. Ik noem hier maar enkele punten, die in uw eigen omgeving gebeurd zijn.

Waarom hebben de mensen deze denkbeelden? Wel, dat is zeer begrijpelijk. De wereld bevindt zich op het ogenblik in een overgangs­stadium. U weet het allemaal. Pisces aflopend begint er nu een ander tijdperk, Aquarius. Het resultaat daarvan is, dat bij de mens het oude en het nieuwe in botsing komen. Nu heeft de mens één heel eigenaardige eigenschap, namelijk dat hij altijd de schuld op een ander schuift. Dat begint al met het kleine kind. Als het iets breekt, zal het hoogstwaarschijnlijk zeggen, dat het de pop of de beer heeft gedaan en anders de hond of de kat. Trouwens de hond en de kat zijn later ook nog wel in gebruik. De behoefte om dus zichzelf schoon te praten en het beeld van de eigen smetteloze persoonlijkheid zonder meer te be­waren. Kan dat niet, dan is men geneigd alles te doen om dit erkennen van eigen falen te voorkomen.

In deze tijd hebben wij juist te maken met een broederschapstendens, waarin elke mens zijn eigen falen niet alleen dient te erkennen, maar ook de gevolgen daarvan voor zich persoonlijk dient te dragen. Het resultaat is, dat deze invloed heel veel mensen in verweer brengt en dat zij – juist omdat het vaak ouderen betreft ‑ mensen zijn, die op belangrijke plaatsen zitten. Dit is mede de verklaring voor het economische en het politieke beeld van de wereld van vandaag.

Dan hebben wij nog een ander ziektebeeld onder de mensen: dat is een zekere lethargie, een toenemende onverschilligheid voor het leven en alle facetten daarvan. Ook dit is weer te verklaren uit de voortdurende druk, die de gehele maatschappij plus de tijd, plus de tendensen uit de kosmos uitoefenen. Het zal u duidelijk zijn, dat iemand vandaag aan de dag al heel gauw het gevoel heeft: hier kan ik toch niets aan doen. En als je er toch niets aan kunt doen, dan doe je er ook maar niets tegen. Waarom zou je dan, als je zulke belangrijke dingen voorbij moet laten gaan en er niets aan kunt doen, aan onbelangrijke dingen wel iets doen? Er ontstaat dan iets, wat vroeger misschien “laissez‑faire” werd genoemd en wat voor sommigen zich ontwikkelde tot “dolce far niente” maar dat in feite is geworden een je isoleren van de werkelijke behoeften en de werkelijke tendensen, die er in de wereld bestaan.

Over de gehele wereld zien wij dit. Enerzijds de mens, die met een ferociteit als van een roofdier probeert zijn eigen gelijk weer te bewijzen ten koste van alles en iedereen. Aan de andere kant de mens, die de wereld langs zich heen laat gaan en die eigenlijk nergens werkelijk belangstelling voor heeft, omdat ‑ nu ja ‑ hij toch nergens iets aan kan doen. Deze twee ziektebeelden tezamen bepalen voor een groot gedeelte de sociale ontwikkeling van morgen.

De wereld zelf bevindt zich ook in een overgangsstadium, want ook zij is bezield. Het zal u duidelijk zijn dat de wereld, wanneer een nieuwe periode aanbreekt, zelf een zekere overgang doormaakt. Wij kennen dat bij de puber. Als hij naar de volwassenheid toe gaat, krijgt hij in de “Sturm und Drang”‑periode een moeilijke tijd door te maken van worstelen om zichzelf te bewijzen. Als men puber wordt, zien wij een plotseling afwijzen van gezag en dergelijke dingen.

Zo heeft de wereld ook een eigen ziektebeeld, dat wij in deze tijd als een reformeren van de totale aarde zouden kunnen beschouwen.

De mens denkt dat hij voor de lucht‑ en waterverontreiniging etc. bijzonder veel doet. In feite verandert ook de aarde zelf een deel van haar reacties; en deze zullen mede aansprakelijk zijn voor de veranderingen in de atmosfeer. Bijvoorbeeld, ‑ de laatste tijd, een afbuiging van bijna 10 graden in bepaalde jet streams (de snelle luchtstromingen in de stratosfeer) – een lichte, maar toch voor het klimaat van bepaalde streken een reeds bepalende afbuiging van enkele warme zeestromingen. Hetzelfde geldt voor sommige zgn. koude zeestromingen. Deze feiten plus een verandering (een nieuw zich zetten van de aardschors), een verandering ook in de beweging die de continenten ‑ hoe traag dan ook ‑ tot nu toe van elkaar af – hebben eveneens een koortsachtige verandering voor de aarde gaan betekenen. Want zij telt in honderdduizenden jaren waar u in uren telt.

Dit alles moet zijn weerslag hebben ook op de lichamelijke mens. En dan zien wij dat op het ogenblik de ziekten van deze tijd in deze wereld kunnen worden verdeeld in klassen:

Als eerste hebben wij alle ziektebeelden die uit tekorten ontstaan. Er is een overbevolking. Deze en ook de verering, die bij een groot deel van de mensen als oude traditie van vruchtbaarheid en voortbrenging nog bestaat, hebben ertoe geleid dat de voeding in zeer grote delen van de wereld zeer eenzijdig is. Deze eenzijdige voeding is bovendien heel vaak te weinig. Het resultaat is niet alleen dat de opgroeiende mensen daardoor zwakker worden, dat Engelse ziekte e.d. meer voorkomen, dat er een grotere vatbaarheid bestaat voor allerlei ziekten, maar het betekent ook dat het denkproces van de mensen hierdoor zal worden beïnvloed. De ziektebeelden die ontstaan in streken waar er een voortdurende ondervoeding is, kunnen zeker niet worden beperkt tot zuiver lichamelijke afwijkingen. Er zijn hier wel degelijk ook veranderingen in de mentale mogelijkheid en activiteit.

Degenen onder u die een hongerwinter hebben doorgemaakt, zullen zich misschien herinneren dat u in die periode uw herinneringsvermogen plotseling zag veranderen. Het verleden staat dan buitengewoon levendig voor de geest en in het heden kun je bijna niets meer onthouden. U zult ook hebben bemerkt dat uw reactiesnelheid veranderde. Stel u voor wat het zou zijn, indien een kind geduren­de de eerste 14 à 15 levensjaren aan een voortdurende pressie van deze aard onderworpen was. Dan hebben wij niet alleen een verminderd vermogen tot leren, maar daarnaast ook een verminderd vermogen tot reageren, een vertraagde reactie dus. Dit betekent weer een grotere vatbaarheid voor ongevallen, voor ziekten en gelijktijdig een vereen­voudiging en in sommige gevallen zelfs een bijna terugvallen tot het haast dierlijke in de denkgewoonten.

Dit is zeker één van de belangrijkste ziektebeelden, die in de onderontwikkelde gebieden op het ogenblik optreden. Ook in deze ziektebeelden zien wij de enkeling, die zich nog wel kan handhaven als éénoog boven de massa van blinden, lijdend onder de megalomanie die de mens ertoe heeft gebracht om een zekere heer Adolf eens een “Tapetenfresser” te noemen. Wat overigens niet betekent, dat hij tapijten opvrat, maar wel dat hij elk ogenblik in driftbuien tegen de muur opliep.

De geschiedenis maakt duidelijk dat steeds waar dergelijke beelden veelvuldig voorkomen, infectieziekten zich weer meer gaan verbreiden.

Dan komen wij vanzelf aan de tweede soort ziekten die de mensen in deze tijd lichamelijk kunnen teisteren.

Als wij zien hoe de bestrijding van allerlei bekende ziekten geschiedt, dan moeten wij tot de conclusie komen dat de normale ziekteverwekkers voor het merendeel ofwel onderdrukt zijn, dan wel een zekere resistentie moeten krijgen. Maar die resistentie impliceert gelijktijdig weer een zekere verandering van eigenschappen. Hierdoor ontstaan er voortdurend nieuwe virussen en afwijkende vormen van vroeger bekende infectieziekten. Als u weet dat er in Afrika in de laatste 7 jaar op zijn minst 20 verschillende als nieuw te classificeren afwijkingen van de normale schurft zijn voorgekomen en deze elk op zich hier en daar een endemisch karakter krijgen, dan kunt u daaruit wel concluderen dat dat niet zo prettig is. En als u het niet gelooft, denkt u eens aan de griep.

De zgn. Spaanse griep is nog niet helemaal overwonnen, maar de bestrijding ervan loopt goed. Het resultaat is geweest dat wij o.a. de Hongkong‑griep, de Birmaanse‑griep, de Chinese‑griep en zelfs een Koreaanse‑griep hebben gekregen. Wat overigens niet betekent dat deze virussen juist daar hun origine hebben gehad. Zeer waarschijnlijk noemt men ze zo, omdat daar voor het eerst een dergelijke ziekte een bijna epidemisch karakter kreeg. Het zijn varianten van normale ziektebeelden.

De derde soort ziektebeelden, die de mens in deze tijd teisteren, is te wijten aan zijn niet natuurlijk leven. De mens heeft zich een kunstmatig milieu geschapen, dat steeds sterker afwijkt van het normale. Het milieu dus, waarin hij volgens zijn lichaamsstructuur het best zou kunnen leven. Zijn levenswijze verandert eveneens. De eindconclusie is reeds duidelijk: de mens leeft in een milieu waarin bepaalde ziektebeelden onvermijdelijk zijn.

Als we spreken over hartinfarct ‑ tegenwoordig “managerziekte” genoemd ‑ dan vergeten we één ding: 30 jaar geleden betekende managerziekte maagzweer. Er is daar een verandering in gekomen. Kanker kwam vroeger ook voor, maar was over het algemeen buik‑ en darmkanker. Tegenwoordig zien wij hoofdzakelijk longkankers en daarnaast veel hartkankers voorkomen. Het is duidelijk dat de veranderingen in het leefmilieu van de mens invloed hebben gehad op het optreden van deze ziekten en de wijze waarop zij optreden.

Wat de carcinomen betreft, kan ik alleen zeggen dat de verandering van de atmosfeer in vooral de geïndustrialiseerde landen van zodanige aard is, dat hierdoor inderdaad longkanker wordt, bevorderd. Dan willen wij opmerken dat roken (op zichzelf geen oorzaak, voor carcinoom) een zeer grote invloed kan krijgen, indien men voortdurend al rokende in een afgesloten ruimte vertoeft en er niet toe komt om zo nu en dan eens een neus frisse lucht te halen. En dat komt heel vaak voor.

Een oorzaak, die eveneens van belang is: het water dat ter beschikking van de mensen is, wordt tegenwoordig chemisch behandeld. Dat wil zeggen het wordt gezuiverd van allerhande bestanddelen, het wordt verrijkt met bepaalde stoffen. Men wil zelfs op deze manier tandbederf tegengaan wat zich later dan weer zal wreken op de bloedvaten. Kortom, men doet alles om het water te verbeteren, maar men vergeet er één ding bij:

In de eerste plaats: door het voortdurend wegvallen van de noodzaak voor het lichaam zich te verdedigen, ontstaat er een steeds grotere vatbaarheid. Er is nl. bij het origineren van antigenen (antistoffen) een steeds tragere reactie, die steeds meer onvoldoende wordt.

In de tweede plaats: het water dat u heeft, bevat over het algemeen te weinig metalen, het heeft een tekort aan de juiste zouten, het bevat daarnaast stoffen die kalkneerslag bevorderen. En kalkneerslag moet verwerkt worden, Deze verwerking betekent voor een deel opname in het voedsel, dat te kalkrijk wordt. Al deze dingen bij elkaar leiden er weer toe dat in de beschaafde landen waar men zo heerlijk hygiënisch is, de vatbaarheid aanmerkelijk is toegenomen. Het resultaat daarvan is weer dat bepaalde soorten orgaanverval en ook huidverval, zelfs spierverval gemakkelijker, sneller en veelvuldiger voorkomen.

In de derde plaats: de beperkte atrofie, een wat beperkt verval van spierweefsel. Het zal u duidelijk zijn dat iemand die zijn honderd kilo voortdurend op vier wielen pleegt te vervoeren, zijn beenspieren niet in de gelegenheid stelt zich aan te passen aan en uit te breiden in overeenstemming met de verdere omvang. Het resultaat zal zijn dat verplaatsing steeds moeizamer gaat en dat dus in toenemende mate van vervoer, van zitplaatsen e.d. gebruik wordt gemaakt. Het eindresultaat is over het algemeen een aantal lichaamspijnen, beschadiging van gewrichten, reuma in vele vormen en daarnaast natuurlijk ziekten van de bloedsomloop. Al deze ziekten zijn tegenwoordig werkelijk algemeen. Indien we nagaan in hoeverre de vele vormen van bv. reuma in de laatste dertig, jaren zijn toegenomen, dan moeten wij met enige verbazing constateren dat dergelijke ziekten, die vroeger wel als kwaal­tjes bestonden, maar zeker niet in zo ernstige mate als op het ogen­blik, langzamerhand het karakter van een volksziekte krijgen. Onder reuma worden dan ook verschillende artroses mede verstaan. Als wij kijken naar de onjuiste spijsvertering, dan blijkt wederom dat heden bijna een derde van de beschaafde wereld op de één of andere manier aan spijsverteringskwalen lijdt. En daar wordt u dan heerlijk bij geholpen: “Neem een X‑je, dat is goed tegen het zuur. U heeft er dan geen last meer van.” Dat X‑je zet dan weer kalk af. Die kalk neutraliseert het maagzuur, daardoor wordt de omzetting van vetten etc. nog weer op een andere manier geschapen en opgevoerd en u ondergaat nog verder de heerlijke gevolgen daarvan. Dat zijn nu een paar aspecten van wat alleen de mens betreft.

Maar de wereld zelf, daar is natuurlijk nog meer leven dan alleen de mens. Laten wij eens denken aan de verstoring van de ecologie. Het ecologisch evenwicht is door de mensheid ernstig verstoord. Maar zo ernstig als dit de laatste tijd is gebeurd, is bijna nog niet geschied.

Neem bv. Vietnam. Het gebruik van ontbladeringsmiddelen. Deze ontbladeringsmiddelen (die overigens ook genetische schade bij mensen en dieren kunnen aanrichten) voeren ertoe dat hele landstreken onvruchtbaar worden. Dat betekent weer dat de waterbinding in de bodem anders wordt. Dat betekent weer dat als daar eenmaal gewassen gaan groeien dat andere gewassen zullen zijn dan tot nu toe. Het betekent ook dat bepaalde diersoorten helemaal uitsterven. Het betekent dat daardoor andere dieren, die daarop hebben gejaagd misschien eveneens zullen uitsterven of een andere prooi moeten zoeken. Dat is nu alleen wat er in Vietnam gebeurt.

Maar wat gebeurt er in Nederland?

In Nederland vindt men dat de vogels schade toebrengen aan fruit en oogst. Men bespuit tegen insecten; men heeft dus de vogels niet meer nodig. Dat betekent dus dat op de plaatsen waar niet wordt gespoten, de insecten een steeds grotere verbreidingsmogelijkheid krijgen, wat weer betekent dat er zwaarder bespoten moet worden, wat betekent dat het gif zowel in de bodem als in de vruchten steeds toeneemt, wat weer betekent dat steeds meer dieren daarvan het slachtoffer zullen worden. De mensen worden voorlopig dan nog niet het slachtoffer daarvan, zij worden er alleen maar ziek van. Dat is op zo’n enkele plaats reeds nu te constateren. Maar gebeurt eigenlijk iets dergelijks niet over de gehele wereld?

Als je een landschap hebt en je gaat steeds moet grond van dat landschap bebouwen, dan ontstaat er een soort isolement van de bodem. Die ligt daar grotendeels onder asfalt, stenen, beton en huizen. Die aarde gaat dus anders reageren. Er ontstaan daar zuren. Deze heb­ben een uitwerking ook naar buiten toe, want ze worden met het grond­water verplaatst. Resultaat: in de omgeving van een stad, verandering van de normale groei. U kunt dat zien aan een bijzonder sterke aanwe­zigheid van bepaalde soorten onkruid in de nabijheid van steden.

Dan hebben wij te maken met luchtverontreiniging. Ook weer van invloed bij een stad. Maar wat gebeurt er als ik ‑ zoals dat elders gebeurt ‑ eenvoudigweg maar een oerwoud voor een gedeelte platbrand om daar eens even een koffie‑ of theetuin te planten. Dat oerwoud is een gesloten eenheid, een uit vele lagen bestaand reservoir eigenlijk, waarin ten eerste enorm veel zuurstof wordt vervaardigd en ten tweede vochtigheid op een bepaalde manier wordt vastgehouden en omgezet.

Als ik in dat reservoir een gat maak (en dat is dan meestal een tamelijk behoorlijk gat), dan wordt allereerst de vochtigheid uit het oerwoud te sterk geventileerd. Dit betekent verandering in de ordergroei en gelijktijdig een iets droger worden van de bodem. Daarnaast wordt de zuurstofomzetting natuurlijk geschaad, niet alleen door de planten die afsterven, maar ook door een verandering van het omzettings‑ en verdampingsquotient, waardoor de bladerrijkdom van een aantal planten aanmerkelijk terugloopt.

Wij zien verder dat de voortplantingssnelheid van de dieren eveneens verandert. Sommige dieren worden gestimuleerd door de aanwezigheid van mensen en breiden zich ontzettend uit. Bij u te lande zijn het vooral de konijnen.

Zo’n enkele aantasting van een oerwoud is niet zo erg. Maar wat nu, indien men gelijktijdig op 1000 tot 1200 plaatsen (dat is voor heden ongeveer juist, in Afrika zijn het gebieden van enkele hectaren tot meer dan 100 hectaren) probeert te ontbossen en er bouwland van te maken. Wat gebeurt er verder als de gewassen die men daar wil telen de bodem uitputten, terwijl men er niet toe komt doelmatig die bodem te bewerken, zodat de oppervlakte aarde; die de belangrijkste is, eigenlijk te gronde gaat. In Amerika hebben wij daarvan een voorbeeld gezien in bepaalde streken waar men graan wilde verbouwen en waar door uitputting van de bodem (verkeerd gebruik, erosie) de zgn. “Dust bowl” ontstond. Men zou dat als “stofpan” kunnen vertalen, maar in feite was het een soort woestijn. Woestijnen ontstaan op die manier.

Maar terwijl de mensheid zich uitbreidt, zou de mogelijkheid om de aarde goed te gebruiken zich ook moeten uitbreiden. Dat is echter niet het geval, want de ecologie van deze wereld is eveneens ziek. Daar ontstaan ook allerhande afwijkingen.

Als wij gaan kijken in de wereldzeeën, dan kunnen we zeggen: Ach, daar is nog vis genoeg. Maar u moet toch eens praten met een oude haringvisser. Die zal u dan vertellen dat vroeger de haring in de Noordzee talrijker en beter van smaak voorkwam dan tegenwoordig, dat de trek van de haring toen veel meer langs de kusten van de Noord­zee ging dan tegenwoordig, nu moet men vaak de Atlantische Oceaan of de Ierse Zee opzoeken om haring te vangen. Dat betekent toch wel iets. En dat is nu alleen maar haring.

Als we gaan praten met degenen, die zich bezighouden met bv. de infusoriën in het water, dan komen wij tot de conclusie dat in bepaalde streken het aantal infusoriën in het water aanmerkelijk is teruggelopen. Waarom? Infusoriën zijn eigenlijk kleine zeedieren in ontwikkeling. Om de doodeenvoudige reden dat de levensmogelijkheid voor allerlei dieren, zoals de heremietkrab, de kleine heremietkreeftjes, de bijna garnaalachtigen en natuurlijk de garnalen zelf steeds verder terugloopt. Vroeger waren aan elke kust, bij elke paal en elke steen mosselen te vinden. Tegenwoordig zijn er misschien nog wel mosselen, maar ze zijn klein en meestal leeg of ze zijn er helemaal niet meer. Dit maakt wel duidelijk: zelfs aan de kust kun je constateren dat ook de levenssamenstelling van de zeeën aan het veranderen is. En dat brengt ons op een voor mij althans zeer interessant punt:

Er worden voortdurend chemicaliën aan de zee toegevoegd. Dat wil zeggen dat langzaam maar onophoudelijk (over ongeveer 150 jaar zou dat praktisch voor de gehele aarde kunnen gelden) de samenstelling van het zeewater is gewijzigd. Die wijziging betekent een verandering en verdichting van zoutgehalte, een aanmerkelijke vermindering van jodiumgehalte, een toenemende oplossing van vele metalen, waaronder ook veel kwikoplossingen. Dat zou kunnen betekenen dat in de zee onder bepaalde omstandigheden zelfs geheel nieuw leven zou kunnen ontstaan. Leven dat dan de oudere soorten eenvoudig zou kunnen uitroeien. Zover is het nog niet. Maar ook de wereldzeeën zijn wel degelijk ziek.,

Dan kom ik tot het laatste punt: het denken van de mensen.

U zult zeggen: het denken van de mensen is toch een persoonlijke kwestie. Maar dan kunt u ook zeggen dat elk windje een afzonderlijk iets is. Dat kan onder zekere omstandigheden zeer persoonlijk juist zijn, maar in de atmosfeer is het alleen maar een verplaatsing van iets.

Denken vormt een soort atmosfeer. Een sfeer, waarin de mensheid als geheel zich beweegt. Indien daarin sterke wijzigingen optreden, dan ontstaan er inderdaad afwijkende beelden. Wat blijkt nu? In het gemeenschappelijk denken van de mensen is bezitzucht, zelfoverschatting, parasitisme, laten we het zo maar noemen, zeer sterk gegroeid en wel in de laatste 50 jaar. Daartegen komen dan natuurlijk, zoals in elk lichaam het geval is, bepaalde tegenstoffen in werking. In dit geval bepaalde tegenstromingen. Die tegenstromingen zijn: bezitsverloochening, een absoluut vanuit jezelf leven in plaats van uit een maatschappelijk verband. Het lijkt misschien wel alsof alle jongelui van tegenwoordig een ziektebeeld van de maatschappij zijn. Maar als je goed kijkt, dan kom je tot de ontdekking dat hun mentaliteit eigenlijk compenserend optreedt t.a.v. een andere mentaliteit, die alleen maar rekent met bezit, met status en dergelijke zaken. Er is dus een poging aan de gang om dit menselijk denken te zuiveren. Maar aangezien op dit moment het lichaam nog niet is gekomen tot een redelijke fusie met deze antigenen voor het materialistisch bestaan, moeten we wel zeggen dat de wereld ook in haar denken ziek is.

Dit lijkt heel erg pessimistisch, als je dat zo voorlegt en vooral tegen Kerstmis, want dat is de tijd van vrede op aarde. Wij kunnen ervan overtuigd zijn dat de strijdende partijen even een paar dagen de wapens laten rusten en dat zelfs de gangsters in vele gevallen bij de kerstboom kruipen om pas op de 26e of 27e december verder te gaan met hun verbreiding van dope of andere vormen van moord en doodslag.

Maar Kerstmis is eigenlijk, als je het zo bekijkt, ook weer zo’n symptoom van de ziekte. Want wat omgeeft het kerstfeest? Heel veel vroomheid, die niet gemeend wordt. Dat wil zeggen men beleeft het wel, men gaat er wel in op, maar het is dan een vroomheid, die bv. zegt: de Heer moet ons regeren en dan prompt daarop laat volgen: Heer, ik zal het wel even voor u opknappen, als die stommelingen maar gehoorzamen. Het is de mentaliteit van mensen die zeggen: Ja, hoor eens, jullie kunnen nu hier wel progressief doen, maar geef mij dan maar het Forster‑regime van Zuid‑Afrika want die mensen laten tenminste in de eerste plaats het woord van de Heer regeren. Ik zou zeggen: dat is zo rond de kersttijd eigenlijk een beetje vervelend. Het christendom en wat dat betreft de islam en al die andere godsdiensten, schijnen ook zo langzaam maar zeker verstoffelijkt te zijn.

De islam is niet meer een levensdiscipline, waardoor je persoonlijk je weg tot Allah baant en de kracht vindt om over het Zwaard te gaan tot in de hemel. Het is eerder een soort politieke verplichting geworden om je meerwaardigheid en je kracht tegenover anderen te bewijzen. Zoals het christendom in feite is geworden tot een mentaliteit, die uit zakelijke belangen een oorlog ontketent om dan in de kerken collecte te houden om de slachtoffers daarvan te helpen. Neen, tegen Kerstmis zou je toch wat anders moeten zeggen.

Maar als wij kijken naar de ziekten van deze wereld, juist in deze tijd, dan moeten wij ook spreken over de genezing van deze wereld in deze tijd. Ik hoop dat u daarnaar nog even wilt luisteren.

De wereld (en dat betekent zowel de wereld als ziel, als de mensheid als geheel) zal moeten beseffen dat er een nieuwe tijd is aangebroken. Er zijn tekenen dat de mensheid hier iets van begint te begrijpen. Er zijn heel veel tekenen die duidelijk maken dat de wereldziel en zo ook haar belichaming (de aarde zelf) zich op dit moment aan het heroriënteren zijn. Dat zou impliceren dat de aarde een nieuw evenwicht aan het zoeken is en dit waarschijnlijk binnen enkele honderden jaren heeft gevonden. De zaak blijft niet slechter gaan, in tegendeel. Wat de wereld betreft, met alle rampen en alle verdere onvermijdelijke gebeurtenissen mee, gaat zij de goede kant uit, want ze zoekt een nieuw evenwicht, een structuur die weer voor misschien 20.000 jaar goed is.

De mensheid op haar beurt moet ook leren dat er andere dingen zijn dan het heilig verklaren van het nageslacht, dat je moet waarderen op persoonlijke basis, maar dat je het niet kunt beschouwen als iets wat zonder meer belangrijker is dan al het andere dat je bezit niet kunt beschouwen als iets wat onaantastbaar heilig is. Er is wel degelijk veel aan de gang. En dat betekent dat er harmonie­ is en één zijn met geesten die inwerken op de wereld. Het betekent ook dat bepaalde stromingen van licht, die deze aarde bereiken, zowel bij de wereldziel als bij de mensheid veel scherpere en daardoor ook veel definitievere reacties zullen uitlokken dan in het verleden het geval was.

Misschien zouden we de ziektebeelden van deze tijd, zoals ik ze heb omschreven en de vele waarover ik nog niet heb gesproken en waarover u zo dadelijk vragen kunt stellen, zo kunnen samenvatten: Het is een periode van verandering. Het is net alsof de gehele mensheid en de gehele wereld in een crisistoestand verkeren. Maar vergeet u één ding niet: een crisis breekt, plotseling, on­verwacht. En als die crisis breekt, dan is er nog maar één mogelijk­heid: of de patiënt wordt gezond of hij succumbeert. Dat succumberen zie ik nog niet zo zitten. En dat betekent, dat wij heel dicht bij een gezond‑worden zijn.

De mens zal zijn levensgewoonten in betrekkelijk korte tijd aanmerkelijk wijzigen. Hij zal daardoor ook zijn voedingsgewoonten en zelfs zijn bezitswaarderingen voor een deel wijzigen, ook al vraagt dat wat langere tijd. Het betekent dat in de toekomst hoofdzakelijk werkelijk bewust gewenste kinderen deze wereld zullen betreden. Dat heeft het voordeel dat de incarnatie niet alleen bewust is vanuit het kind, maar nu ook vanuit de ouders. Er ontstaat dus een harmonischer samenleving.

Er zijn geestelijke krachten die in de mens altijd aanwezig zijn geweest en die in sommige perioden erg sterk naar buiten treden. In de Egyptische tijd hebben wij zo’n periode gehad. Op het ogenblik breekt er weer zo een aan. In deze periode leert de mens zijn levenskracht beter te gebruiken, ook in verband met andere sferen. Dit houdt voor mij in: een gezondmaking van vooral de astrale toe­stand; het wegvallen van zeer vele monsters door de mens geprojec­teerd en een daarvoor in de plaats komen van een harmonie. Die harmonie is naar ik meen, nu reeds op vele plaatsen en punten enigszins merkbaar. Als zij eenmaal toeneemt, dan doet zij dit zeer snel. Het is op het ogenblik nog een kwestie van wat regenval; maar binnenkort geloof ik dat dit steeds sterker neerdruppelen van krachten over de mensheid zal ontaarden in een bandjir (overstroming) die ve­le belemmeringen en puinhopen uit de weg kan ruimen. En dan wor­den de mensen ook lichamelijk gezonder.

Als de mens eerst leert een menswaardig leven te leiden en daarbij niet te denken aan status of aan bezit, maar in de eerste plaats wel aan harmonie en aan een voor zichzelf verantwoord bestaan, dan volgt hieruit dat de zeer velen, die thans mentaal of fysiek misvormd op de wereld zijn gekomen, waarschijnlijk de voorlaatste generatie is van degenen, die onder dergelijke omstandigheden worden geboren. En dat is dan nog te danken aan het feit dat zij ondanks hun beperking of juist daardoor zich bijzonder sterk plegen voort te planten.

De mensheid zal dus beter worden, anders worden. De aarde zelf zal haar nieuwe rust vinden. De astrale wereld wordt reeds in deze tijd zuiverder, ook al zijn de tegenstellingen nog erg groot. Ik geloof, dat wij, als wij de ziektebeelden van de wereld in deze tijd beschouwen, mogen zeggen:

De patiënt maakt een crisis door, maar alle tekenen zijn gunstig. Wij kunnen erop rekenen dat hij na korte tijd zwak maar weer gezond aan zijn herstel kan beginnen.

Vragen

  • Hoe komt het dat bij de mens, die in wezen toch ook een “dier” is, zoveel ziekten voorkomen, die bij de dieren onbekend zijn?

Mijn tegenvraag is: Hoe weet u dat ze bij de dieren niet voor­komen?

Punt 1: Omdat de ziekten, die bij de mens voorkomen en bij het dier niet, ofwel te wijten zijn aan de leefwijze van de mens, dan wel aan zijn psychische toestand. Daar waar de geest (het mentale) het ziektebeeld gaat bepalen, hebben wij te maken met iets wat niet zo gemakkelijk te constateren is. De mensen praten er dan veel over, de dieren zwijgen erover.

Punt 2: Het dier zal over het algemeen, als het geen huisdier is, een gezonde leefwijze hebben. Als het huisdier is, dan leeft het onder de voorwaarden die de mens daarvoor heeft gesteld; en in dergelijke gevallen komen weliswaar ziektebeelden voor, maar die worden dan langzaam maar zeker een normale toestand. Denk eens aan het voortdurend lacteren van een koe. Dat is toch een toestand die door de mens kunstmatig wordt veroorzaakt en in stand gehouden. De melkgifte is namelijk te groot voor een kalf. Het is dus een ver­storing van het normale evenwicht. Maar wij zien dat niet als ziekte, omdat het past in het menselijk milieu. Ik zou de opmerking willen maken dat bij in het wild levende dieren vele ziekten niet voorkomen, die bij de mens wel voorkomen, omdat het dier, veel sterker gedreven door gewoonten dan de mens, in een natuurlijke omgeving leeft volgens datgene wat zijn lichaam feitelijk vraagt.

Dan zijn er nog een paar bijkomstige factoren: Dieren bezitten geen aandelen en krijgen dus geen beroerte als de markt in elkaar zakt. Dieren hebben een jachtgebied dat zij voortdurend verdedigen, maar zij hebben geen gedachten, die zij ook nog tegen anderen moeten verdedigen. En dat betekent dat hun energie veel sterker wordt ge­richt op het instandhouden van hun eigen normaal leefmilieu en leef­wijze dan bij de mens het geval is.

  • Kan dat één van de redenen zijn dat bij de mens min of meer de na­tuurlijke selectie is weggevallen? Ik bedoel dat kneusjes, die vroeger doodgingen tegenwoordig in leven worden gehouden?

Ja indien wij uitgaan van het zuiver dierlijke standpunt, dan betekent dit inderdaad dat de menselijkheid waarmee men probeert de zwakkeren vooral te beschermen en in het leven te houden, gelijktijdig een verzwakking van het ras als geheel ten gevolge heeft. Dat is een logisch verschijnsel. Dat zien wij ook bij het fokken van honden. Als het een modehond is, dan gaat men alle puppies als iets bijzon­ders beschouwen en gaat men elke puppy in leven houden en als iets kostbaars zien. Het resultaat is, dat het ras allerhande feilen gaat vertonen, die er oorspronkelijk niet eigen aan waren. Dat zien wij bij de mensen ook. Maar daar staat weer tegenover dat de mensen altijd weer worden getroffen door situaties en toestanden, die soms deels door de mens zelf in het leven worden geroepen. Denk aan rampen, aan oorlogen. Dan zien wij daaruit toch altijd weer “the survival of the fittest”, het overleven van de sterksten naar voren komen. Op deze manier wordt dan in zekere zin altijd toch weer schoonmaak gehouden, meen ik.

  • Heeft het de mens geschaad (fysiek gezien) dat hij indertijd op zijn achterpoten is gaan lopen?

Ja, het heeft vooral tot zijn verwaandheid bijgedragen. Organisch gezien zou de mens zich oorspronkelijk ongeveer als de apen hebben bewogen, gebruik makend van vier ledematen voor de voortbeweging en incidenteel zich op de achtervoeten verheffend. Bij de beerachtigen zien wij ook iets dergelijks. Dat betekent dus dat het merendeel van de organen oorspronkelijk in een situatie verkeerde, waarin deze naar beneden hingen en door de maagwand werden gesteund, terwijl tegenwoordig het hele geval naar beneden drukt. Het betekent ook dat de bewegingen van de mens anders zijn geworden. Maar laten we niet vergeten, dat dat een kwestie is van schattingsgewijs ongeveer 1.200.000 jaar. Vanaf dat ogenblik is die verandering al aan de gang. En dat betekent ook dat de mens voor een zeer groot gedeelte daaraan is aangepast. Het is zelfs de vraag of de mens, indien hij op vier pootjes zou rondlopen, in staat was geweest tot een dusdanige ontwikkeling van het hersengebruik als nu het geval is. Want zoals u zult begrijpen, is door de verandering van houding ook een verandering van bloedsomloop en dergelijke tot stand gekomen en dit zou wel eens aanleiding geweest kunnen zijn tot het ontstaan van steeds intelligentere mutaties, die tenslotte in homo sapiens hebben geresulteerd.

  • Zoiets kan toch ook wel voorkomen bij apensoorten, die hiertoe zouden kunnen komen. Zouden die in de toekomst ook een dergelijke evolutie kunnen doormaken?

Dat zou theoretisch mogelijk zijn. Maar de dieren, die daar het meest voor in aanmerking komen, zijn vreemd genoeg de ratten. Ik zal proberen u te vertellen waarom.

Het is namelijk zo, dat de aap over het algemeen een zeer sterk ingeprent gedragspatroon heeft. Dat betekent dat hij dus zo sterk instinctief reageert, dat zijn geheugen en redeneringsvermogen, die wel aanwezig zijn, alleen onder druk voortdurend worden geactiveerd. Dat zien wij dan het sterkst bij de bavianen, die er weliswaar een kudde‑ of horde‑filosofie op nahouden met zeer sterke gedragsnor­men, maar die dan toch een zekere intelligentie hebben ontwikkeld. Zij zijn voor de mens niet zo gemakkelijk te hanteren als de chimpan­see, maar hun intelligentie en aanpassing aan vreemde omstandigheden is in een natuurlijk milieu aanmerkelijk groter. De chimpansee is wat onverschilliger en komt er daardoor sneller toe om zich aan te passen aan een gewijzigd milieu. Hij neemt het meer zoals het is. Wat dat betreft, doet hij meer denken aan een lui mens. Het blijkt verder dat een chimpansee, die wordt gedresseerd en die daardoor dus ook veel voor hem eigenlijk niet helemaal natuurlijke be­wegingen moet maken (hij zal veel op de achterpoten moeten gaan etc.) een grotere mate van geheugen ontwikkelt dan zijn soortgenoten, die in een dierentuin of in de vrije natuur zijn. En dat zou ervoor kunnen pleiten dat het ook bij apensoorten wel mogelijk is. Maar dan zouden zij dus van hun vierhandigheid zo langzamerhand af moeten en zoolgangers moeten worden.

  • Dat is toch een vrij grote aanpassing geweest indertijd om van vier poten naar twee poten te gaan. Dus zit er in de mens ook een groot aanpassingsvermogen. Is die crisis, waarover u het had, dat de mens nu opeens de goede richting uitgaat, ook een kwestie van “zich aanpassen” aan veranderde milieuomstandigheden?

Ja. Dat is een kwestie geweest van veranderde aanpassing, Wij kun­nen het heel globaal behandelen, want ik heb niet de tijd om het pre­cies uit te werken.

Wij kunnen het zo stellen dat de huidige simiaanse soorten (de apen dus) en de mens gemeenschappelijke voorvaderen hadden. Deze voor­vaderen leefden oorspronkelijk hoofdzakelijk in moerassen en waren boom­-bodem‑bewoners, zoals veel apen tegenwoordig. Door de omstandig­heden kwamen er dus steeds meer verschrikkelijke vijanden, o.a. de ontwikkeling van de slangen was daar nogal sterk. Er waren ook nog andere redenen, waardoor bepaalde groepen soms werden uitgedreven en op de zich vormende savannen (de grote grasvlakten) moesten gaan leven, waarvan het gras tamelijk hoog was. Vergelijk de alang‑alang in deze tijd. Hierdoor was het onmogelijk je gewoon op vier voeten te blijven voortbewegen, omdat je dan niet kon zien of er een vijand in de buurt was. Het veiligheidsprincipe bracht hen dus ertoe om steeds meer op de achterpoten te gaan staan. Daardoor ontstonden er wezens, die ‑ ofschoon zij nog de verlengde voorarm hadden – die bij de apen ook tegenwoordig nog vaak rechtop gingen. Deze moesten zich (dat is de tijd van de sauriërs geweest) tegen steeds grotere en fellere vijanden verdedigen. En dat bracht hen ertoe in holen te gaan wonen en daarna tot het hanteren van de eerste wapenen.

Die eerste wapens waren gewoon stokken en stenen, waarmee werd gegooid. Later zien wij dat het vuur werd geïntroduceerd en dan krijgen wij het eerste hanteren van werktuigen: de vuurgeharde speer. De situatie gaat verder. Als men ontdekt dat men iets kan bewerken en iets kan gebruiken, dan dwingt de nood om naar steeds ande­re mogelijkheden hiertoe te zoeken. Zo komen zij tot het gebruik van gevormde steen. Oorspronkelijk natuurgevormd, later meestal door ver­hitting en afkoeling verder gevormd; dus een door de mens gevormd artefact. Vandaaruit komen wij dan al bij een mens‑soort, die ofschoon zij nog een enigszins verlengde voorarmen hebben en een schedelbouw, die nog afwijkt van de huidige, toch al werktuigen hanteert en komt tot een georganiseerde samenleving in kleine groepen. Deze kleine groepen zijn kwetsbaar. Er ontstaan grotere groepen, die meer dan één familie bevatten. Deze groepen van 40 tot 60 perso­nen gemiddeld, alles meegeteld, worden jager gemeenschappen en daar wordt het gebruik van de hand om werktuigen te vervaardigen steeds verder uitgewerkt. Het is bv. opvallend dat mensen, die over stenen wapens beschikten, en verder alleen nog maar over vuurgeharde lansen, in staat waren de sabeltijger te verslaan. Zij deden dat door in smal­le doorgangen steenlawines te laten vallen op het ogenblik dat het dier erdoor liep. Door de stenen werd het gekwetst en vervolgens af­gemaakt.

Op dezelfde manier jaagde men op kudden. Men dreef ze naar een afgrond, de dieren vielen daar te pletter en later ging men het vlees er vandaan halen. Dit kuddegedrag bracht de mens er dan ook weer toe om bepaalde punten als zijnde de beste jachtgebieden en jachtmogelijkheden te gaan verdedigen. Zo ontstond er een vorm van nationaliteit; en waar nationaliteit bestaat, bestaat orde. Daardoor kwam er een selectie van de meer in­telligenten, die de hoofdlieden werden, later de priesters en daaron­der stonden dan de gewone mensen. Maar omdat de hoofdlieden verstan­dig genoeg waren om de minder intelligenten naar voren te schuiven, waren zij degenen die dus de grootste overlevingskansen hadden. Zo ontstond er een veredeling die tot bepaalde mutaties voerde, ook o.a. door aanpassing van de interne secreties en op den duur natuur­lijk ook van de skeletbouw. En zo ontstond de mens die men homo sa­piens noemt.

  • Hoe past de mens zich in deze tijd aan?

In deze tijd past men zich voorlopig nog niet aan, omdat de mens voortdurend bezig is zijn milieu aan te passen. Op het ogenblik dat je het milieu manipuleert, blijf je zelf gelijk tot het moment, dat je je milieu niet verder kunt manipuleren: en dan kunnen alleen de sterk­sten de aanpassing aan het in feite natuurlijk ontstane milieu door­staan.

  • Het ontstaan bij de mens van een opponeerbare duim is dat direct gebeurd of is dat ook langzamerhand tot stand gekomen?

Dat is niet langzamerhand gebeurd. Het was bij de oervorm praktisch reeds aanwezig. Als we dat heel ver terug moeten zoeken, dan komen we bij de koudbloedige dieren terecht, die wel enigszins op rob­ben hebben geleken. Zij leefden hoofdzakelijk van vruchten en planten aan moerasachtige oevers van zeeën. Deze wezens hadden dus grijpwerk­tuigen nodig. Hun voorvinnen, die langer waren dan de hand tegenwoor­dig, krijgen een los gedeelte om die grijpbeweging te kunnen maken. Als je dat ding zag, dan leek het eigenlijk op een opengevallen olifantenslurf, waarvan het bovenste deel alleen goed buigbaar was, maar een deel kon worden omgezet. Daaruit heeft zich een soort ontwikkeld, die de opponeerbare duim had. Die opponeerbare duim is bij heel veel dieren lange tijd aanwezig geweest, eigenlijk tot in het begin van het Tertiair, toen door de verandering van de omstandigheden voor velen de plukbeweging werd vervan­gen door iets anders. Deze dieren kwamen weer in de vlakten te leven en daar was minder behoefte aan de reversibele duim. In andere geval­len krijgen wij zelfs het hinderlijke ervan. Denkt u eens aan de katach­tigen. Die hebben een duim die oorspronkelijk, als u hem zou verlen­gen, inderdaad reversibel is, maar die nu is teruggetrokken omdat hij een grijpfunctie heeft gekregen. Als hij te lang zou zijn, zou de greep gemakkelijk gebroken kunnen worden. Daarom is de duim verkort en is de nagel het grijpnageltjes geworden, dat meehaakt in de klauw. En zo kunt u dat overal zien.

  • U zei zo-even dat de ratten de eerst aangewezen soort waren om zich te vermenselijken.

Als het een intelligenter soort moet worden, ja. En wel op de volgende gronden:

In de eerste plaats, de intelligentie van de rat is behoorlijk groot. De rat heeft reeds een zeer ontwikkeld en zich snel aanpassend herin­neringsvermogen. Zij heeft voldoende zelfzucht ‑ en dat is ook belang­rijk ‑ om zich door te zetten. Zij leeft over het algemeen in beperkt groepsverband. Het is dus duidelijk, dat zij meer aangepast is aan de omstandigheden, die er op deze wereld thans bestaan. De rat kan leven in een vervuild milieu, waarin de mens te gronde gaat. Zij is resistent. Zij is moedig. Dat zijn allemaal eigenschappen die men nodig heeft. Zij is intelligent genoeg en zou dus bij een verandering van habitus (levensgewoonte) zich zeer waarschijnlijk tot een mensachtig wezen kun­nen ontwikkelen in betrekkelijk korte tijd. Daarbij kunnen wij dan ook aannemen, dat de grootte aanmerkelijk zou toenemen, zodat ‑ laten we zeggen ‑ in 40 generaties ratten (dat is tamelijk snel) er al typen zullen voorkomen met een hoogte van 80 cm. De staart zal zijn functie verliezen en wordt korter.

Ratten zijn echter heel lieve wezens, dat weet u misschien niet. Een rat kan erg prettig zijn voor mensen, indien zij maar voldoende te eten heeft en de mens niet agressief is. Maar aan de andere kant is de rat ook weer snel verstoord. Zij voelt zich snel aangevallen en haar reactie is, zoals bij alle dieren: als ik niet weet waarheen ik moet gaan, dan val ik aan, onverschillig wat de gevolgen zijn. Vandaar dat zij bij vele mensen gevreesd is. De rat is voor de mensheid uiterst gevaarlijk als ziektedraagster, maar dat is weer een heel ander chapiter.

  • Wilt u de oorzaken noemen, waardoor het isolement bij vele mensen naar voren komt?

Het isolement, dat bij vele mensen in deze tijd sterk naar voren treedt, is te danken aan een verbreken van de oude gemeenschapsvor­men, de stamverbanden, die langzaam maar zeker zijn overgegaan in buurtschapsverbanden e.d. terwijl het toenemen van een niet‑persoon­lijke overheidszorg ertoe heeft bijgedragen dat men zich minder voor de buur (dus voor degene die in de omgeving is) aansprakelijk voelt. Hierdoor vallen de banden inderdaad steeds verder weg. De mensen zelf voelen zich daardoor ook schuldiger, indien zij iemand overlast aandoen. Het gevolg is dat zij zich terugtrekken, omdat zij bang zijn overlast te bezorgen, terwijl anderen weer een zekere onverschillig­heid hebben, omdat zij denken: wat je nodig hebt, krijg je toch wel. Als je ergens bij wilt horen (dat is in deze tijd voor velen het geval) dan is het niet een kwestie van “wat wil je bijdragen?” (Dus in actie). Neen, het is “in hoeverre wil je je conformeren?” En die neiging tot conformisme in deze tijd is, geloof ik, ook mede één van de aanlei­dingen tot een toenemende eenzaamheid van de mensen, omdat zij niet weten waar en hoe zich te conformeren, terwijl ze toch nog iets van zichzelf willen behouden.

  • Speelt angst hier misschien ook niet een rol?

Angst kan hier natuurlijk wel een rol in spelen, maar ik geloof toch niet dat dat bij het merendeel van de gevallen juist is. Indien u zegt: Speelt wantrouwen hierbij een rol, dan zou ik u eerder­ gelijk geven. Omdat heel veel menen, juist omdat zij zich niet wensen te onderwerpen aan anderen (wat conformisme eigenlijk inhoudt), ter­wijl zij bovendien hun bezittingen, hun eigenwaarde en milieu op een te hoge prijs plegen te stellen, menen dat iedereen die in de buurt komt ofwel hen zal onderwerpen, dan wel hun waarde, eigendommen e.d. zal aantasten. Zo ontstaat er een afwijzende houding tegenover, de we­reld, die misschien niet helemaal gemeend is, maar die anderen af­stoot. Sommige mensen zijn bijzonder agressief, omdat zij duidelijk wil­len maken dat zij zich niet willen onderwerpen. Het resultaat is ech­ter dat zij anderen afschrikken en daardoor het contact, dat zij in feite verlangen, niet kunnen krijgen.

  • Een soort vicieuze cirkel?

Ik geloof niet dat het een vicieuze cirkel is, als wij ons reali­seren dat elke mens die cirkel gemakkelijk kan doorbreken. Hij behoeft alleen zichzelf te overwinnen, Als elke mens zichzelf zou durven en kunnen overwinnen in deze dingen ‑ al is het maar een enkele keer zo nu en dan, zou het hele aangezicht van de wereld en vooral het maat­schappelijk aangezicht veranderen. Maar iedereen groeit vast in zijn eigen grootheid, in zijn eigen denkbeeld van in feite een soort groot­heidswaanzin. Ik heb het in de inleiding gezegd; één van de hoofd­ziekten in deze tijd is megalomanie.

  • Komt er een tijd, waarin het hiernamaals eventueel kan worden gefotografeerd. Dit zou zeker een vooruitgang zijn.

Dit is een moeilijke vraag. Komt er een tijd, waarin het hierna­maals kan worden gefotografeerd? Het is op het ogenblik onder bepaal­de omstandigheden reeds mogelijk om iets van het “hiernamaals” (het bestaan in een minder stoffelijke vorm) te fotograferen. Maar indien dat gebeurt, zeggen de mensen: Dat is zwendel of dat kan niet; of: dat is misleiding. De foto’s bestaan reeds. En ja, als de mens bewus­ter wordt, dan komt het hiernamaals dichterbij. Ik geloof dat het hiernamaals eigenlijk alleen maar mag worden omschreven als een wereld, die de uwe doorkruist. Wij leven niet ergens ver weg. Wij leven op de­zelfde plaats en soms ook in dezelfde tijd als u. Dat daarbij de tijd voor ons meer manipuleerbaar is dan voor u, behoeft hier geen groot verschil uit te maken. Ik geloof dat als de mens bewuster wordt, hij beter zal gaan beseffen wat er aan niet‑stoffelijke waarden bestaat. Dat hij meer begrip zal krijgen voor de betekenis van een mentaal beeld, een uitgestraalde gedachte, suggestieve werkingen en dergelijke. En dat zou dan volgens mij inhouden, dat hij heel dicht komt bij een gebied, waarop wij ons gemakkelijk kunnen openbaren: namelijk het astrale.

Als de mens bewust de astrale waarden gaat begrijpen en beleven, dan heeft hij daarmee een gebied bereikt, waarin ook wij ons kunnen manifesteren, waarin wij gemakkelijk tot uiting kunnen komen. En dan geloof ik dat contacten tussen mens en geest mogelijk kunnen zijn. Dat zal op den duur wel komen. Wij weten dat vele mensen, die wat meer bewust of wat meer openstaan (beide zijn mogelijk) ook in de huidige tijd geregeld contacten kunnen hebben met de geesten en met krachten uit de geest. Ik zou zeggen: Indien dit het geval is, dan zou daaruit moeten voortvloeien dat dit in de toekomst in steeds grotere mate mogelijk zal zijn; en wel naarmate de zuiver materialistische levensbeschouwing en ook de benadering van de fenomenen in het leven plaatsmaken voor een vrijere en meer algemene ervaring en interpretatie.

  • Hoe staat het in deze tijd met wat men pleegt te noemen “geestesziekte”?

Ja, wat noemt u geestesziekte? Laten wij één ding vooropstellen: Als wij moeten uitgaan van een zgn. geestelijk normaal mens, dan lijdt  iedereen in meer of mindere mate aan wat men een geestesziekte zou kunnen noemen.

Ik geloof dat je geestesziekte kunt scheiden in de lichamelijk veroorzaakte vergiftigingsverschijnselen; dus fouten ergens in het lichaam, in de interne secreties, vreemde binnengekomen stoffen en al wat dies meer zij. Overgevoeligheid, overprikkeling bv. kan leiden tot geestesziekte of wat men zo noemt. Maar dan geloof ik niet dat het aantal geesteszieken in deze zin tegenwoordig percentsgewijs veel groter is dan in andere tijden. Er zijn natuurlijk wel meer abnormalen, maar er zijn ook meer normale mensen. Het enige dat men in deze tijd veel eerder ziet dan vroeger ‑ en dat klinkt misschien vreemd ‑ is bezetenheid.

Vroeger werd bezetenheid erkend voor wat het was en kon dus ook bestreden worden. Bezetenheid behoeft lang niet altijd te zijn: bezetenheid door een geest. Soms wordt een mens door een onderdrukt deel van zijn eigen persoonlijkheid a.h.w. bezeten en gedirigeerd. Het erkennen van de toestand als zodanig betekent dat men met magische en desnoods suggestief te noemen middelen de eenheid van de persoonlijkheid weet te herstellen.

In deze tijd doet men dat veel minder en is men vaak zelfs geneigd deze vreemde persoonlijkheidssplitsing (om niet te zeggen schizofrenie) te aanvaarden als een normaal verschijnsel van een bepaalde maatschappelijke stand. Voorbeeld: De wapenhandelaar die ziekenhuizen sticht, die vriendelijk is voor zijn naaste en regelmatig ter kerke gaat, is gelijktijdig een koud, berekenend mens, die niet mensenlevens telt maar alleen percenten. Toch ziet iedereen dit als normaal en komt men niet tot de conclusie, dat wij hier te maken hebben met een gespleten persoonlijkheid, die onder bepaalde omstandigheden als bezeten optreedt.

Andere punten: mensen, die plotseling hun hele gedragslijn veranderen en dan opeens voor het publiek aanvaardbaar worden, worden gezien als idolen. Men realiseert zich echter niet dat een dergelijke verandering, zonder dat er in het leven zelfs een kenbare oorzaak is, ook wel een vorm van bezetenheid zou kunnen zijn.

Bezetenheid komt dus in deze tijd wel wat meer voor dan vroeger. Bovendien zien wij daarbij helaas ook vaak dat vormen van bezetenheid door deze maatschappij worden benaderd en behandeld als vormen van lichamelijke ziekte. De psychiatrie in haar nieuwste ontwikkeling be­nadert ‑ zij het in andere termen ‑ echter weer het oude beeld van bezetenheid. Maar ze beschikt nog niet over de juiste rituelen om­ deze bezetenheid op korte termijn te beëindigen.

  • In hoeverre worden wij beïnvloed door straling of magnetische velden veroorzaakt door elektrische leidingen, radio, en t.v., ­ zenders benevens radar, maar ook stromend water en gassen in de vele leidingen, die ons in onze huizen en steden omringen?

De beïnvloeding door elektrische stromen is over het algemeen niet zo groot als u denkt. In de eerste plaats hebben wij hier te maken met betrekkelijk beperkte, fluctuerende velden, die naar ik meen een fase hebben van 50 of 60. Een dergelijke voortdurende fase­-wisseling van magnetisme is voor de mens zonder meer aanvaardbaar. Hij kan eraan gewennen en het zal hem heel weinig doen. Het kan er wel toe leiden ‑ en dat is een ander‑punt – dat hij een tijdlang ver­toevende in een omgeving waar deze voortdurend magnetische fase niet voorkomt bepaalde moeilijkheden krijgt een soort withdrawal‑verschijnsel, zoals u ook krijgt, indien u het roken afwent of iets anders wilt nalaten. Dat wat betreft de elektrische leidingen.

Zenders: Als u vlak onder een zender woont en dus een zeer hoge veld­sterkte van bij voorkeur ook nog een zeer hoog frequentienet van de zender voortdurend over u heen moet laten gaan, dan is het inderdaad mogelijk, dat door deze frequenties u gestimuleerd wordt. Maar dat houdt ook in dat bepaalde lichamelijke functies kunnen worden gesti­muleerd en dat zou weer tot een zekere remming van andere activiteiten kunnen voeren.

Stromend water: Stromend water op zichzelf, ook in leidingen, is niet gevaarlijk. Hetzelfde kan over het algemeen worden gezegd voor gassen. Het enige dat er wel aan gebonden is, is een verandering van het potentaal in de omgeving. Dat kan voor de mens soms leiden ‑ bij het optreden van een hoger dan normaal potentiaal ‑ tot geprikkeldheid; bij het optreden van lager dan normaal potentiaal tot een zekere apa­thie. Verder dan dit gaat het niet. De mens, die zich in een statisch elektrisch veld beweegt, wordt hierdoor vooral wat zijn zenuwstelsel betreft beïnvloed. In sommige gevallen, maar dan moeten wij werkelijk ook te maken hebben met een sterk intermitterend veld, krijgt men ook nog wel een beïnvloeding van de hartspier. Dat is mogelijk.

Radar: Hetzelfde geldt voor radar. Hier is het dus ook de straling. Ten laatste: zijn er nog stralingen die schadelijk kunnen zijn? In zoverre dat de uitstraling van de t.v.‑buis, indien ze hard ge­noeg is (ze is dat meestal niet, omdat men met loodglas de zaak een beetje heeft afgeschermd), op den duur overprikkeling kan doen ont­staan als u er dicht genoeg voor zit. Maar dan ziet u meestal niets of de anderen zien niets. Dus dat komt niet zoveel voor. Eindconclusie: Als geheel is dit niet bijzonder gevaarlijk. De aanpas­sing is voor de mens betrekkelijk eenvoudig. Alleen bij een sterke reeks sterk fluctuerende zeer hoge frequenties is een moge­lijkheid van aantasting.

  • Er is geconstateerd dat vliegende schotels, als die in de stra­ling van radar kwamen, deze ontweken en dat het net leek alsof zij hun evenwicht kwijtraakten. Dat is door verscheidenen gezien.

Als ik een magnetische aandrijving gebruik, dan is deze gebaseerd op mijn eigen veld, dat voortdurend zijn polariteit wisselt t.a.v. het veld van de planeet waarin het zich beweegt, Indien een straling daaraan wordt toegevoegd, betekent dit een afwijking van de normale velddichtheid van het aardmagnetisch veld en daardoor de noodzaak tot een onmiddellijke compensatie van het eigen veld, Het resultaat is, dat een dergelijke straling gemakkelijk wordt bemerkt en dat men, maar dan is er toch wel sprake van een zeer traag reagerend mechanisme, soms een wankeling kan voorkomen, maar dat men in vele gevallen eenvoudig een dergelijke invloed zal trachten te ontwijken. En dat is dan nog te danken aan het feit dat de radar over het algemeen werkt met een zeer hoge frequentie en een scherp gerichte stralenbundel, zodat de intensiteit plaatselijk zeer beperkt is en daardoor juist storend. Zodra er een grotere spreiding optreedt, is dit bezwaar ver­dwenen.

  • Ik heb nog een vraag over de ziekte‑makende invloed die u heeft geschetst: de bewegingsarmoede en nicotine. Die twee zijn gemakkelijk in je leven te vermijden. Maar u heeft ook genoemd lucht‑ en waterver­ontreiniging die o.a. reuma‑ziekten zouden veroorzaken. In hoeverre kan men door ander water te drinken of een ander dieet te volgen hier­ in op korte termijn nog correcties aanbrengen?

Ik geloof niet dat je daarin op korte termijn gemakkelijk een cor­rectie kunt aanbrengen. Ik wil daarbij trouwens opmerken dat meer dan de helft van de als reuma omschreven kwalen van psychische of hoofd­zakelijk psychische oorsprong zijn. Maar indien u wilt proberen daaraan zoveel mogelijk te ontkomen, dan zou ik u alleen de raad willen geven om zoveel mogelijk natuurlijk voedsel tot u te nemen en dit zo weinig mogelijk te verminken. En als u dat niet kunt, dan zou ik u in ieder geval willen raden om zoveel mogelijk natuurlijke vitaminen en verwerk­te metalen tot u te nemen. Om een paar voedingsmiddelen te noemen. Het rauwe worteltje, maar dan bij voorkeur niet te veel bespoten of overgekweekt in te zware kunstmest. Het sinaasappeltje; als u kunt, eet die waarvan men niet eerst de schil kunstmatig heeft gekleurd en daarna geparaffineerd. Gebruik (in deze streken zal dat niet zo ge­makkelijk gaan om de goede te krijgen) een bijna rijpe banaan in plaats van brood. Dat soort dingen. Dan kunt u reeds een heel eind verder komen. En voor de rest, waarom zou u worst eten, waarin een hoop meel zit? Gebruik eens een keer sterrenkers of iets dergelijks op uw boter­ham. Dat is ook goed. Vermijd zoveel mogelijk al die zo bijzonder gezonde en tot afvallen voerende kunstboters en maak een matig gebruik van na­tuurlijke boter. Vermijd een te veel aan zout in uw dieet. U krijgt meest­al toch te veel zout binnen. Beperk uw suikerverbruik. En ik wil niet zeggen: laat het snoepen, maar kleed uw snoepen dan zo in dat u niet in zeer korte tijd het equivalent van een half pond suiker verteert, want dat kan ook tot reuma bijdragen, niet alleen tot suikerziekte.

  • En het drinkwater dat op het ogenblik als probleem zo acuut is?

Over het drinkwater moet u maar zo denken: Als u slootwater noemt en u gebruikt een filtertje, dan krijgt u op het moment iets wat nog slechter is. Als u geen eigen bronwater heeft, drink dan gewoon wat er ter beschikking staat. Maar probeer niet uw gezondheid te verhogen door zgn. gezonde frisdranken te gebruiken of spuitwaters e.d. waarin veel koolzuur zit, want dat zal  dan over het algemeen opbre­ken en bijdragen tot meer pijnen. Liever gewoon water drinken dan al dat onder druk staande spuitwater en die heerlijke sprankelende frisse frisdranken. En pers een vrucht uit, leng het sap aan met een beetje water en doe er evt. wat suiker bij. Dat is nog het best.

  • Is het voorstelbaar dat er een mens bestaat of beter gezegd een geïncarneerde geest, die zodanig de stof weet te beheersen, dat zijn lichaam (zijn voertuig) niet aan ziekten onderhevig is?

Het feit dat u de vraag stelt, maakt reeds duidelijk dat het voor­stelbaar is. Maar u bedoelt: bestaat dat?

  • Is het mogelijk?

Zeker is het praktisch mogelijk. Indien de mens leert om zijn geest (zijn psyché) voldoende te ontspannen en zijn lichaamsfuncties voldoende te beheersen, dan kan hij ook zijn lichaam ertoe brengen om snel en juist te reageren op alles wat er door voeding en omge­ving aan minder aanvaardbare stoffen in hem komt. En dan krijgen we niet alleen dat hij gezonder wordt, maar bovendien ook een mindere vervuiling van het organisme, waardoor het cel afbraak en cel opbouw­ proces langer kan doorgaan. Wij krijgen dan een veel langer leven.

  • Bedrijft men dan niet beter yoga?

Als westerling zou ik u dit over het algemeen niet al te veel willen aanraden. Het is een aardige gymnastiek voor dames, die eso­terisch begaafd zijn. Maar als u yoga werkelijk ernstig neemt, dan moet u er jarenlang in trainen en ermee beginnen, als u niet al te oud bent. Als u ouder bent dan 35 jaar, dan heeft het weinig zin om een yoga‑systeem te volgen, waarbij ook het lichamelijk systeem (hatha yoga) is inbegrepen. Wat u dan nog wel kunt doen, is u bezighouden met de filosofisch‑geestelijke methode (karma‑yoga) en eventueel de yoga, waarin ook een filosofische weg bestaat. Dan kunt u vandaar­uit misschien nog iets bereiken. Maar u kunt het veel eenvoudiger doen Als u zich kunt aanwennen om alleen maar tweemaal op een dag u gedurende 10 minuten volkomen te ontspannen en alle jagende gedachteprocessen stil te zetten, al is het maar om naar iets moois te kijken, een roos bv., dan zult u daardoor alleen reeds uw stofwisselingsprocessen in een juistere orde krijgen. En als u daarbij dan ook nog de bewuste relax-methode toepast, waarmee u elke spier bewust een ogenblik pro­beert te voelen en die dan bewust te ontspannen, dan zult u waarschijnlijk na een jaartje al zover zijn, dat u veel gezonder bent en dat u een grotere mogelijkheid heeft om langer te leven.

  • De theeceremonie van Japan is die daarop gebaseerd?

Niet helemaal.

  • Is dit een vorm van Raja yoga?

Ja, dit heeft te maken met de koninklijke weg, maar het is niet zonder meer Raja yoga, zoals u misschien zult weten. Dit is ook geen vorm ervan, het zijn elementen die ondermeer in verschillende vormen van yoga ook wel worden opgenomen en dat is iets anders. Als ik u zeg dat u een reinigende ademhaling kunt gebruiken, dan betekent dat nog niet dat ik u yoga leer. Als u onder bepaalde omstandigheden te lang in een muffe zaal heeft gezeten, dan gaat u naar buiten en pas die reinigende ademhaling even goed toe. Dat doet u dan niet omdat het yoga is, maar omdat het de beste manier is om door het diep inademen en geconcentreerd uitademen een zo groot mogelijk deel van de longen met verse lucht te vullen. Nu kunt u dat natuurlijk prana noemen. Het komt erop neer dat u zuurstof binnenkrijgt en de verbruikte gas­sen uitdrijft, dus dat u het osmotisch proces in de longblaasjes aan­merkelijk stimuleert.

Sprekend over ziektebeelden van de wereld in het heden zijn wij onwillekeurig terechtgekomen ook bij onszelf, bij de mens met zijn pro­blemen en bij, hoe kan ik het ouder worden voorkomen? Hoe kan ik reuma genezen en al dat soort dingen. Dat is heel begrijpelijk. Wij kunnen de wereld niet veranderen. Dat is heel erg moeilijk. Wij kunnen alleen onszelf en onze gewoonten in de wereld veranderen. En daar het merendeel van uw wereld op dit ogenblik drijft op een voortdurende overspannenheid van de mens in de maatschappij zou ik u de raad willen geven: Leer eerst ontspannen te zijn in de maatschappij.

De tweede raad die ik u graag zou willen geven is deze: Mensen, wees toch a.u.b. een klein beetje onverschillig. Weet u, als een ander u uitscheldt, dan is dat natuurlijk wel vervelend, maar als u zich ermee bezighoudt, dan doet u uzelf veel meer kwaad dan hij u ooit heeft kunnen aandoen met het roepen van al die lieve namen. En als u iets kwijtraakt, is dat natuurlijk jammer, maar tenslotte is er toch niets wat u voor altijd bezit. Want één van de kwalen, waaraan de mens op deze wereld maar al te veel laboreert, is het overdrijven van de dingen.

Als u pijn heeft, is dat natuurlijk vervelend, maar let er niet al te veel op. Doe er wat tegen als u kunt en ga verder. Indien u normaal verdergaat, zult u er veel minder last van hebben. Behalve als u een gebroken been heeft, dan moet u niet zeggen: Nu ga ik nog even hardlopen. U begrijpt wel wat ik bedoel.

Het is in het gehele leven, zeker in deze tijd en in deze wereld, vooral nodig dat je innerlijk rustig kunt zijn. Dat voert dan weer vanzelf tot een grotere ontvankelijkheid voor die wereld, een harmonisch zijn met vele aspecten van de wereld, waaraan je anders voorbijgaat. Het betekent ook nog een gevoelig, werden voor krachten van minder stoffelijke aard.

De wereld is in verandering. Er komt een nieuwe tijd. Met Vissen wordt langzaam maar onvermijdelijk afgerekend, omdat de nieuwe periode die wij Aquarius noemen onverbiddelijk haar rechten opeist. Daar kunt u niets aan doen, daar kan niemand iets aan doen. U kunt alleen proberen u aan te passen. En als die wereld zo enorm krampachtig reageert op veranderingen van deze aard, dan moet u maar denken: de wereld wil zichzelf handhaven. Maar het is niet belangrijk om uiterlijkheden te handhaven. Het is belangrijk om te leven. En leven kunt u pas, indien het bestaan voor u waarde heeft, onverschillig hoe.

Zoek naar datgene, wat in uw bestaan voor u waarde en betekenis heeft en dat toch niet betekent bezit of erger nog status. Dan kunt u uzelf voor een groot gedeelte onttrekken aan de ziekteprocessen die in deze tijd de wereld beheersen. Dan vindt u grotere weerstand tegen de vele muterende ziektevormen, die van alle kanten op de wereld aanstromen. Want binnenkort wordt u wel weer geconfronteerd met een nieuwe vorm (ze zullen het waarschijnlijk een influenza of griep noemen), maar die in feite toch wel iets gevaarlijker is. Zij zal uw land waarschijnlijk wel in verzwakte vorm bereiken, maar u moet er toch rekening mee houden. Maak u zich daarover maar niet bezorgd. Iemand die bang is griep te krijgen, heeft het al. En iemand die er niet bang voor is, maar wel de nodige voorzorgen in acht neemt om zich niet al te veel te besmetten, die komt er heus wel heel goed af.

En zo is het met alle dingen. Iemand die wegloopt voor een gevaar, vergaat het meestal als de tuinman, die naar Isfahan vluchtte en daar de dood ontmoette. Iemand die gevaren en onaangenaamheden onder ogen durft zien, zonder zich er al te veel over op te winden, is meestal sterker dan de omstandigheden. Ik geloof dat het gevoel, dat je de omstandigheden van deze tijd aankunt voor u als mens erg belangrijk is. En wat de rest betreft: deze zichzelf overschattende mensen zullen allemaal hun neusje stoten. Sommigen hebben flinke neuzen, dus zal het nogal aankomen. En al die mensen die menen dat zij de wereld kunnen redden door haar te dwingen hun ideeën te volgen, zullen een ogenblik misschien denken, te zegevieren, maar terwijl ze “hoera” roepen worden zij zelf al geperverteerd en verandert de zaak weer.

Wees uzelf zo goed u kunt. Leef uzelf zo goed u kunt. Leef zo gezond en zo prettig mogelijk als u kunt en wees zo weinig mogelijk afhankelijk van dingen, waarop u niet altijd kunt rekenen. Als u dat voor elkaar brengt, dan zult u een groot deel van de ziektebeelden van deze vermijden en een te ernstig optreden daarvan kunnen verhinderen.