Zijn en worden

6 januari 1992

Zijn is worden, want zijn dat zijn is, is statisch. En al wat statisch is, heft zichzelf op doordat het zijn energie verliest. Dus dat is nogal eenvoudig. Ja, we kunnen er natuurlijk wel iets over zeggen. Kijk, zijn, dat is iets wat voortkomt uit een kracht die niet van onszelf is. Noem het de kosmische energie, noem het God, noem het anders. We zijn er deel van. We hebben op een of andere manier een persoonlijkheid ontwikkeld die daar tegenover is afgegrensd, zij het niet volledig. En dan begint het proces van bewustwording. Zijn is eigenlijk een toestand, waar je geen deel aan hebt. Bewustwording maakt dat je deel hebt aan je bestaan, aan je zijn. En dat eerste is altijd weer, ach, u weet het waarschijnlijk wel: ja, hé, dit ben ik, maar wat is dat andere? Ik, en niet-ik. Daarna: niet-ik is aangenaam, is onaangenaam. En zo van heel eenvoudige ervaringen af, groei je langzaam maar zeker naar een beeld dat uiteindelijk resulteert in het menselijke ik-beeld, althans op deze planeet. Wat is het ik-beeld van een mens? Voor zichzelf is en blijft hij altijd het centrum van de kosmos. Alles wat gebeurt, neemt hij vanuit zichzelf waar, met alle beperkingen die zijn waarneming zijn opgelegd. Aan de andere kant zal hij natuurlijk ook alle dingen beleven in betrekking tot zichzelf. Het is heel iets anders of het buiten je zich afspeelt, of dat je je erbij betrokken gevoelt. En daar hebben we weer een heel belangrijke factor: het gevoel.

Gevoel kun je niet omschrijven. Het is ten dele een psychische reactie welke ook op hormonale evenwichten invloed kan uitoefenen en zo uiteindelijk ook op het lichaam. Het gevoel is in zijn niet definieerbare vorm toch altijd een verbonden zijn met of afgestoten worden door. En probeer je dat nader te ontleden, dan zou je zeggen: het balanceert tussen angst en identificatie. Waar je deze punten ontmoet, daar krijgt het gebeuren een bijzondere betekenis. En een van zuiver persoonlijke aard. En dat brengt me dan tot de eerste vaststelling: zijn is een vorm van worden voor ons op het ogenblik dat er een besef bestaat van onze exclusiviteit t.a.v. al wat ons omgeeft. De tweede reactie is: wij hebben een innerlijke wereld, bepaald door dat wat wij hebben meegemaakt, wat wij leren, al datgene a.h.w. wat ons denken beïnvloedt. Die gedachtebeelden zorgen voor associatie met de buitenwereld en daaruit ontstaan onze gevoelens. Het gevoel echter bepaalt de belangrijkheid van de gebeurtenis, niet de logische of niet logische samenhang van de gebeurtenissen zelf. En dan kom je tot een tweede punt dat dacht ik ook de moeite waard zou zijn. Je zou moeten stellen: Alle dingen die voor ons emotioneel intens beleefbaar zijn, zijn voor ons kernpunten in ons bestaan. Zij zijn de referentiewaarden die wij behouden en zelfs wanneer wij in een ander leven of in een andere dimensie of wereld komen, dan blijven die punten voor ons de referentiewaarden aan de hand waarvan we al wat buiten ons bestaat, beoordelen. En daar, laten we zeggen, een eenwording of zelfs een afstoting en angst voor ervaren. Het bewustwordingsproces, een proces dat nooit ophoudt trouwens, is dus echter niet een objectief proces. Je kunt niet zeggen: ik wordt alleen maar wijzer. Hoe wijzer je wordt, hoe meer je je bewust wordt van wat je niet weet, hoe dommer je je dus voelt. Hoe dommer je bent, hoe wijzer je je acht. Ja, dat zou ik sommige wijzen niet voor durven houden hier, maar u wel natuurlijk, hè. En dan komt de vraag: Wat worden we uiteindelijk? Want, wanneer zijn worden is, dan moet er een punt zijn dat we geworden zijn.

Wat? Ja, dat weten we niet. Nu blijkt dat we ons steeds sterker gaan identificeren met steeds grotere delen van het Al, naarmate de inhoud van ons weten, ons beseffen dus, groter wordt. We kunnen geen totaal nieuwe waarden aanvaarden, we kunnen ze alleen vertalen in termen die binnen ons reeds bestaan. En zo wordt de betekenis van die innerlijke wereld en die gevoelswereld wel steeds groter, maar haar formulering blijft nog steeds een subjectieve, een persoonlijke, waar eigenlijk geen absolute norm tegenover kan staan. Maar hoe meer je hebt, waarop je reageren kunt en wat je a.h.w. aanvaarden kunt, hoe groter de uitwisseling die je krijgt met iets, wat we bij gebrek aan beter dan maar de kosmos noemen. Deze beleving van de kosmos kun je dan weer verder zien als een groeien naar God of naar ‘het beginsel’ of de kosmos. Hoe meer wij beseffen van het totale bestaan, hoe belangrijker het geheel wordt en hoe onbelangrijker wij zelf worden. Wij gaan onszelf niet meer zien als een soort heersertje over een planeetje of een rijkje of een gezinnetje of wat, nee, we gaan ons beleven als deel van een geheel dat in zichzelf misschien onbelangrijk is, maar in dat geheel zijn betekenis heeft door de aanvulling die die geeft aan alle andere delen. Het proces van worden is dus eigenlijk een proces van verwijdering, van het sterk ik-beperkte standpunt dat zoveel mensen op aarde nog innemen. Ga je nog een stap verder, dan komt er een ogenblik dat je begrijpt dat alles aan bepaalde regels gehoorzaamt. Er zijn kosmische wetten die helemaal niet meer uitdrukbaar zijn in menselijke wetten. Ja, sommigen kun je dan een beetje parafraseren en dan zeg je bijvoorbeeld: de wet van blijvend evenwicht zegt dat waar een factor ter ener zijde verandert, ter andere zijde een gelijksoortige factor veranderen zal. Het klinkt mooi, maar het zegt geen pest. Het is net zoiets als de begroting. Miljarden en miljarden, maar niemand weet wat het betekent, zelfs degenen die erover praten niet. Dus laten we in godsnaam dat nou maar even terzijde laten – wat zijn die kosmische wetten en zo -, maar laten we ons gewoon afvragen: Wanneer er wetten zijn, wat is dan voor ons de gevolgtrekking?

Er is een structuur of een wetgever waaruit deze wetten voortvloeien. Deze wetten zijn de beperkingen van onze kenmogelijkheden. En wanneer ik alles ken, dan ken ik dus ook de bron van de wet of de wetgever. En als je dat religieus vertaalt, dan zeg je dus: Wij streven, nadat het zijn voor ons een werkelijkheid is geworden – waarschijnlijk buiten onze eigen wil of onze eigen besef om – naar een wordingsproces dat ons uiteindelijk brengt tot een eenheid met de oorzaak van ons zijn. En dat impliceert dan dat je dus deel wordt van God, religieuze term. Als ik deel ben van God, dan kan ik nooit niet deel zijn geweest van God. Dus is mijn conclusie: ik wordt mij bewust van mijn eigen werkelijkheid en mijn wording eindigt op het ogenblik dat mijn eigen werkelijkheid identiek is met datgene wat ik altijd geweest ben. Ik maak het toch niet ingewikkeld, hè?

  • Nou, valt mee hoor!…

Nou, als het u meevalt, dan durf ik nog wel even verder gaan, zeg, maar als u nou zegt: ho, wacht even, ik doe het, hoor, en als u vindt dat het onduidelijk wordt, zeg het maar. We zitten nu op het punt dus dat er een God is. Nou wil ik dat liever niet uitdrukken in christelijke termen, want er is een ontzettend groot christendom en er zijn zo verdomd weinig christenen. Dus laten we het dan maar doen in andere termen: Er is Brahma, de scheppende macht, en er is Brahman, het zijn. De scheppende macht is de uiting van het zijn, maar niet het zijn zelve. En wanneer we dat in de gaten houden, dan wordt het duidelijk: Alle verschijningsvormen zijn uiteindelijk een soort illusie, al is ze voor ons nog zo werkelijk, toch ergens een illusie, omdat een bewustzijn deze kan veranderen.

Misschien zijn we wel figuren in een roman van een onbekende schrijver, die ergens in een kosmische wereld een roman schrijft. En we denken dat we een vrije wil hebben, wij denken dat wij alle dingen kunnen bereiken, dat we alle dingen moeten beheersen. Maar er is een ander die de regel stelt en niet wijzelf. Er is wat wij noemen noodlot. Nu is noodlot natuurlijk niet het onontkoombare wat sommige mensen ervan willen maken. Noodlot is de beperking die in onszelve ligt. En hoe minder wij a.h.w. in onze wording gevorderd zijn, hoe groter die invloed die óns stuwt. Laat me het zo zeggen: de steen wordt geregeerd door zijn eigen structuur en eventueel verschijnselen en verschuivingen van zwaartekracht. Verder niets. Hij is er wel, maar hij maakt zich er niet druk over, want hij weet het niet. De amoebe. De amoebe beweegt zich in de wateren, hier eens zijn potend uitstrekkend, dan daar weer en eigenlijk gedreven door honger. En verder niets. Zijn kwaliteiten beseft hij niet. Waar hij heengaat of waar hij drijft door de wateren of door een rivier heen, weet hij ook niet. Wanneer er een ogenblik komt dat hij op het droge komt, verdroogt en sterft, weet hij ook niet.

Maar hij denkt bij zichzelf: ik ben een groot jager, ik heb honger, ik eet. Ja, dat doet mij aan sommige mensen denken, want er zijn nog wel van die gargantua-achtige persoonlijkheden op aarde hoor. Maar, nee, laten we daar niet over beginnen, anders zitten we dadelijk over dieren te praten. Dan krijgen we een ander dier, laten we – nou, laten we maar wat over slaan, die vissen en zo – je bent een vos of een hond of een kat, maar wild. Je kent je soortgenoten, je kent andere levensvormen, je maakt er onderscheid tussen, je hebt je eigen paden, de weggetjes die je altijd gebruikt en die beschouw je als een soort recht en eigendom; je hebt je eigen jachtrivier en als je dan een vos bent of je bent een wolf, nou ja, dan gebruik je een methode om dat vast te leggen, die zeker niet in de bedoeling ligt van de mensen die niets kunnen vinden en achter een boom gaan staan. Maar je hebt dus je geuren en die zeggen wat.

Maar heb je nu een wereldbeeld? Nee. Ja, je weet, het regent, o, en er jagen wolken, nou, ik zal maar naar mijn hol gaan. O, het is mooi zonnig weer. En hoe staat de wind? O, dan kan ik zo gaan jagen, dat weet je allemaal. Maar weet je dat je een vos bent of een wolf of wat. Helemaal niet. Daar denk je niet over na. Jij bent zo en wie ook zo is, die komt in aanmerking voor een bepaald gedrag. En al die anderen, die zijn van die te nègligable hè, dat is iets, daar heb je niets mee van doen. Zoals sommige mensen wel: kijk, ja, god, wij zijn Nederlanders, maar moet je al die kleurlingen eens kijken. Net of een verschil in pigmentatie iets uitmaakt in het menszijn. En dat is om de dooie dood niet waar. Wat in een menszijn wat uitmaakt, is je innerlijk wereldbeeld, de manier waarop je reageert. Maar goed, die dieren hebben dus een veelomvattender noodlot dan een mens. Het erkent niet zoveel factoren als een mens, dat is waar. Maar als er een bosbrand komt, ja, dat is een actie van het onbekende. je moet gewoon weglopen, want die vlammen die vreten… En als er een overstroming komt, nou ja, je zwemt en je hoopt dat je een droog plekje bereikt; en als je dan zit met een paar aartsvijanden, nou ja, voorlopig zitten we, dus even wapenstilstand, dadelijk maken we elkaar weer af. Zoiets als een Uno-vergadering… Voor zo’n dier is het noodlot dus veel omvattender dan voor een mens. Maar de mens is deel van een maatschappij. De mens krijgt een soort conditionering of scholing.

Hij heeft dus opvattingen door die maatschappij, hij heeft een beeld van de wereld buiten zich. Weet u wel dat de russen een hele tijd hebben gedacht dat hier alleen maar arme verworpen arbeiders leefden, die met de zweep werden voortgejaagd door die paar kapitalisten? Ja, nou komen ze tot de conclusie dat het allemaal kleine kapitalisten zijn. En dat komt waarschijnlijk, omdat ze niet weten wat Kok en Lubbers samen bestoven.. Dus ik wil maar zeggen, dat beeld wat je hebt van de mensen en van de wereld is dus wel degelijk beperkt, heeft mate van eenzijdigheid.

Maar gelukkig zijn er dingen die voor de dieren niet bestaan. Een god. Voor een hond kan er een god zijn, ja, de baas. En of dat nu de baas is van het roedel of dat het de baas is die op zijn kop tikt en zegt: ga halen dat stokje, maakt niet uit. Die aanbidt hij; dat is de bron van voeding, van veiligheid, en misschien ook wel eens van een pak slaag. Wat dat betreft zijn er bazen die doen mij toch wel denken aan de predicaties van sommige dominees. Ja, dat is hemel en hel, afwisselend. Ofschoon, ja, hemel en hel afwisselend, er zijn heel veel predikers geweest in mijn tijd, die hadden het zo uitvoerig over de hel en zo summier over de hemel, dat je dacht, nou nou, ik heb zo’n flauw idee dat ze daar toch wel vandaan komen, want daar weten ze zoveel van.., ja.

Dus,  wij hebben een noodlot, omdat wij bepaalde dingen gewoon niet kunnen begrijpen. We zijn er niet toe opgevoed, wij hebben er geen referentiewaarde voor. En het onbegrepene is een noodlot, ook wanneer we, zodra we gaan werken met statistieken, zeggen: ja, maar het is toch eigenlijk heel duidelijk, op de tienduizend personen zullen er drie of vier zijn die dat overkomt. Waarop degene die het overkomt zegt: ja, en waarom mij en waarom neem je geen ander? Niet begrijpende dat iemand zichzelf tot brandpunt maakt van bepaalde gebeurtenissen. Daarom is er voor mensen nog noodlot. En als je verder gaat, dan kom je tot de conclusie dat er verder geen noodlot is. Dat er alleen gekende en niet gekende wetten en verschijnselen bestaan. En dan heb je weer het ‘worden’ waar we zo lekker over bezig zijn, nou ja lekker. Dat moet u zo dadelijk maar uitmaken, maar. Worden is dus in feite het uitbreiden van je begrip en je kennis in associatie met je gevoel, of aanvoelen, zoals sommige mensen ook nog zeggen. Hoe meer je als het ware in de niet reëel of uitdrukbare wereld ingroeit, hoe meer indrukken je opdoet, hoe meer je weet en beseft, ook al kun je dat niet logisch en rationeel opzetten en uiteenzetten. En dan word je geest. Nou ja, een geest is natuurlijk, – ja, volgens velen van u een nozem uit de geest die zo nu en dan eens komt kloppen, maar, dat is ook niet waar, dat is maar een klopgeest, nietwaar, en dat is heel waarschijnlijk nog een oude werkster die haar beroep nog wil uitoefenen -. Maar een geest is een wezen van energie. Ik weet, u denkt allemaal aan een geest met een mooie jurk aan of zoiets, weet u wel, en desnoods nog een paar vleugeltjes. Nou ja, u ziet ze waarschijnlijk vliegen maar echt bestaan geesten zo niet.

Geesten zijn energie, een vorm van in zich begrensde energie. Ja, ze zien en ze horen en ze spreken, maar niet meer met een bepaald zintuig, maar als het ware met de buitenlaag van hetgeen ze zijn. En wat wij een bewustzijnsproces noemen, speelt zich binnen die afgeperkte ruimte in door het voortdurend ontstaan van potentiaalverschillen, dus verschillen van stroomsterkte en stroomspanning zeg maar, vergelijkbaar, waardoor allerhande reacties kunnen worden afgemeten. Zo’n geest zal beginnen met zijn mensbeeld, want dat is het beeld dat hij mee heeft. Dus hij denkt aan zichzelf of zij denkt, hè, er zijn vrouwelijke geesten ook, hoor, en vrouwelijke spoken ook trouwens, maar ja, die vind je ook in de stof soms; ja, ik spreek uit de oude tijd, tegenwoordig bestaat dat niet meer, nou is er emancipatie. Ja ja, emancipatie, de vrijwording, zeggen ze, van de vrouw en het is nou al zover gevorderd dat er zo langzaam maar zeker een hele hoop heren zijn die erover denken de bond voor mannelijke emancipatie te stichten, maar terzijde.

Wanneer we eventjes heel serieus worden nu: Een geest kent dus de ander. En dat wordt niet uitgedrukt in een seksbeeld bijvoorbeeld, ik ben een man, ik ben een vrouw. In het begin denk je zo aan jezelf, maar hoe meer dat eigenlijk allemaal verwaast, hoe meer je a.h.w. leeft in een wereld. En dat moet je vertalen, want je hebt nog niet voldoende gegevens. En nu komen al die emoties die je in de stof hebt gehad, komen je te hulp, want die maken het mogelijk ín jezelf een analoog van die wereld op te bouwen. Die emotie betekent voor mij dit: goed, hier staat een boom. Die emotie betekent voor mij dat: god, er zit een vogeltje in. Weet u wel, op die manier gaat dat. En zo ontstaat een wereldbeeld, maar dat wereldbeeld erkent plotseling bepaalde impulsen die niet vertaalbaar zijn. Dan worden ze ingepast in het bestaande beeld.

Dat beeld heeft dus niets te maken met een werkelijkheid, het heeft alleen te maken met het vertalen in voor het ik nog aanvaardbare termen van datgene wat van buiten af aan indrukken je bereikt. Hoe meer je beseft dat het gaat om de impuls en niet meer om de vertaling, hoe meer je als het ware de taal van de geest leert. En de taal van de geest die kun je niet menselijk overzetten, dus ik kan dat ook niet gaan vertalen of vertolken hier of voorstellen. Maar het komt hier op neer: Je erkent datgene wat in jou leeft als gelijkwaardig aan datgene wat ergens anders of in een ander leeft. Hierdoor besef je in hoeverre je verwant bent met al datgene wat er buiten je bestaat. En deze erkenning van verwantschap houdt in dat een voortdurende uitwisseling mogelijk is op alle punten waarop die verwantschap erkend is. Ja, ik weet, nou gaat het weer iets moeilijker, maar u zei daarnet toch: nou, dat gaat wel, nou, dan gaat het nu zeker nog…

Dus, je deelt als het ware steeds meer van de wereld van een ander. En op een gegeven ogenblik weet je niet meer: ben ik het die dit beleeft en beseft of is het de ander? Op dat ogenblik ben je nog wel degelijk een ego. Maar het is een ego dat zoveel indrukken van anderen mee verwerkt, dat het eigenlijk een conglomeraat van ego’s is geworden. En hoe groter dat conglomeraat is geworden met die sterke onderlinge uitwisseling en binding, hoe groter het bewustzijn dat ontstaat. En daarmee hoe dichter wij komen bij de eindvorm van zijn die voor ons bereikbaar is. En dan zijn er dingen daarboven, ja, we kunnen het allemaal mooi symbolisch uitdrukken. O, je gaat eerst door de sfeer van de kleuren en dan kom je in de sfeer van het gouden licht en van het witte licht en dan het verblindend witte licht en als je daarin doordringt, ontmoet je jezelf. Het klinkt erg mooi. Maar je ontmoet geen dubbelganger.. Je gaat alleen jezelf beseffen voor wat je bent. Dat is alles. En dat verblindende witte licht, dat is heus geen Hollywood-schijnwerper: here grand theater, today the creation. Nee, het is allemaal heel rustig, heel kalm. En dan is dus, wanneer u als onderwerp stelt ‘zijn en worden’: Ons worden is een bewust worden van het zijn waarvan wij altijd deel hebben uitgemaakt.

  • U zei net dat de anderen, dat je deel hebt aan de emoties van anderen, maar dat houdt dus in dat de anderen ook deel hebben aan jouw emoties?

Ja, inderdaad, dat is een uitwisseling. En die bestaat op die punten die je gemeenschappelijk hebt, dat is in de geest dus. Op aarde niet. Op aarde deel je niet in de emotie van een ander, maar je vertaalt de emotionaliteit van een ander in een vorm van emotionaliteit die op je eigen ervaringen en beelden berust. Maar op een bepaald geestelijk niveau is de emotie van de ander als het ware de vertaling van iets wat in jezelf leeft en wat jij bent is op zijn beurt weer een aanvulling van het beeld van de emotie dat in de ander bestaat. Je krijgt dus een veel groter en veel afgeronder geheel.

  • Je bent dus met zijn allen veel meer?

Ja, op het gevaar af dat ik in oude verhalen verval. Maar er bestaat een verhaal over Adam. De echte Adam was de Adam Kadmon. Een figuur door God geschapen als een mens, een gezel, waarmee ‘ie kon lopen en wandelen. En toen de mens kennis zocht en niet de eenheid met God, toen begon hij uit elkaar te vallen. En al die brokstukken werden mensen. En wanneer alle mensen eindelijk weer een gemeenschappelijk bewustzijn hebben bereikt, niet meer werken tegen elkaar, maar gezamenlijk een eenheid vormen, dan zal Adam Kadmon weer wandelen met God.

Het is een oud verhaaltje, je zult het in verschillende loges kunnen horen en zo. Maar dat verhaaltje zegt wel een klein beetje waar het hier over gaat. Wij horen eigenlijk bij elkaar, wij kunnen ook niet zonder elkaar bestaan. Ja, hebt u wel eens gedacht hoe leuk het zou zijn om de laatste mens op aarde te zijn? Ja, er is eens iemand die gevraagd heeft aan een collega van me, lang geleden hoor, hij zegt: ja, wanneer zou er nou eindelijk vrede op aarde zijn? Mijn vriend dacht even diep na, toen sprak hij met gedragen stem: ‘Vrede op aarde zal er zijn, wanneer van de laatste twee mensen op aarde de een de ander begraaft’. Daarmee de verdeeldheid van de menselijke aard dacht ik heel goed weergevende. Want wat is strijd eigenlijk anders dan het onderlijnen van verschillen in opvatting, in denken, in wereldbeeld, kortom in alles tot emotie toe. En ik denk dat je in ons onderwerp dus heel rustig kunt stellen: Wanneer alle zijn, van zichzelf bewust geworden, één wordt met al het zijnde, dan kent het Zijn zichzelf, gespiegeld in het bewustzijn van de delen waaruit het uiteindelijk is opgebouwd. Kunt u hem volgen?

Ja, het is niet zo moeilijk hoor, het is eigenlijk heel eenvoudig. Weet u, er was eens een man die zeide: ‘Ja, het leven is toch wel ingewikkeld’. ‘Hoe zo?’, zei de ander: ‘Eten en het tegendeel, regelmatig ademhalen en laat de boeren verder maar dorsen’. Het leven is eenvoudig en je maakt het complex. En ik denk dat dat in die hele situatie ook is dat we het hebben over ‘worden’. Wat klinkt dat heerlijk, hè? Worden, wij worden; wij worden, dan denken we ‘voor altijd meer dan een ander’, nou, vergeet het maar. Je wordt pas wat, als je meer deel bent in je bewustzijn althans van een ander.

  • Maar ik denk dat wij het misschien worden noemen, maar ik denk dat het er eigenlijk meer mee te maken heeft met het feit dat mensen een bepaalde rust en evenwicht in zichzelf zoeken. Ik denk het idee van zoiets als worden, dan heb je nog een beetje problemen met jezelf, met je ego.

Ja, ongetwijfeld waar.

  • Maar het gaat er eigenlijk om een bepaald evenwicht te vinden in je leven.

Evenwicht in je leven kan alleen bereikt worden door te beseffen hoe onevenwichtig je zelf bent. Dan pas kun je een balans vinden. Maar wie werkelijke vrede en rust in zichzelf blijvend wil bezitten, doemt zichzelf tot stilstand in een moeizame balans op de eeuwige wip van het gebeuren. En ik geloof dat we dus ook die innerlijke rust en stilte niet teveel moeten overschatten. Wij hebben ze nodig om te kunnen zijn, om te kunnen beleven, om iets te kunnen worden. En dat worden is dan niet iets wat wij bepalen, maar wat in ons wezen is ingelegd. Ja, er was eens iemand die zei: ‘Ja, hoe moet ik nou de mens voorstellen vanuit Gods standpunt?’ Nou, en degene die antwoordde was een boer. Hij zegt: ‘Nou, zeg maar zo, God zaait mensen uit in de hoop dat de engelen opkomen’. Dan zegt die ander: ‘Verdorie, dan heeft hij een slechte oogst gehad de laatste tijd’. Het is misschien een gekke gelijkenis, maar de vrede die we in onszelf vinden, de rust, is eigenlijk een aanvaarding. Zodra ze tevredenheid wordt, resulteert ze in daadloosheid.

Daadloosheid is in vele gevallen een ontkenning van datgene wat we in het geheel moeten zijn. Wij kunnen echter niet ons ontwikkelen los van het geheel, maar alleen als deel van het geheel. En in dit onderwerp, waar het gaat over worden, moeten wij begrijpen, dat dus het bestaan niet zijn voltooiing vindt in een volledig rustige aanvaarding, maar in de erkenning dat er zoveel dingen zijn die samen moeten werken, opdat wij uiteindelijk bereiken. Een mooi beeld, de Gautama Boeddha Siddharta. Hij bereikt dus inderdaad het Nirwana, de absolute vrede, het zijnde niet-zijn. En dan gaat hij terug, waarom? In het zijnde nietzijn kun je niet terug gedrongen worden, maar het kan zijn dat je erkent dat het niet volledig vervult wat je bent. En dan keert hij terug en wat leert hij? Het ‘achtvoudig pad’. Hij leert dat illusie berust op het standpunt van de beschouwer. Denk maar aan het voorbeeld van de olifant en de blinde. Als u het niet kent, vijf blinden staan er rond een olifant en iedereen zegt: nou, voel nou maar, dan weet je wat een olifant is. En de een die zegt: het is een slurf. Nee, zegt een ander, het is een harig geval dat ergens aan vastzit. Nee, zegt een ander, het zijn zuilen. Nee, zegt een ander, het is een soort overwelving. Want ze hadden ieder een deeltje, en niet meer.

Hij probeerde duidelijk te maken, dat we niet met één bereiking of met één factor alles waar kunnen maken, omdat we de werkelijkheid niet kennen en dat ons beeld, op onze onvolledigheid berustend, dus altijd een drogbeeld is, een illusie. Tóch was de olifant er, maar het beeld van de olifant was voor elk van de blinden anders en dat was de illusie. Er is een werkelijkheid. Wat die werkelijkheid is en wat ze behelst, weten we niet, want wij zijn gebonden aan onze waarneming, aan onze voorstelling en dus aan alle feilen van onze eigen onvolledigheid. En daardoor en juist daardoor ontstaat de illusie. Het is niet zo, dat alles illusie is, maar het is zo dat de wijze waarop wij de werkelijkheid vertalen een illusie is. En wanneer wij denken dat wij alleen door vrede in onszelf te vinden die illusie kunnen opheffen, vergeten wij één ding: dat het innerlijk evenwicht niet bepaald wordt de totaliteit, maar door datgene wat wij zijn en de wijze waarop wij dit ten aanzien van elkaar manipuleren. En daarom zeg ik: ja, je kunt wel zoeken naar rust en evenwicht in jezelf, maar je moet beseffen dat er meer is. Dat dit hoogstens een fase in een ontwikkeling is en niet een uiteindelijke bereiking. U neemt mij niet kwalijk, hè?

  • Hoe past u het begrip vrijheid in in wat u zegt?

Vrijheid is de illusie van de mens dat hij niet de gevangene is van zijn eigen vooroordelen.. Ja, dat is een hele mooie definitie hoor. O, het schijnt niet genoeg te zijn, nou, dan moet ik het uitleggen. Vrijheid is iets wat in ons kan bestaan, wanneer wij aanvaarden dat we een innerlijke werkelijkheid hebben, die door de uiterlijke factoren niet wezenlijk kan worden geschaad of veranderd. Dan zijn we in dat innerlijk inderdaad vrij. Maar aangezien wij altijd deel zijn van een groter geheel, bestaat er geen wezenlijke vrijheid, omdat wat wij vrijheid noemen op een bepaald ogenblik, daverende consequenties heeft.

Als ik Wim Kan mag citeren: ‘Iedereen die wil studeren, studeren, studeren, studeren en steeds minder zijn er mensen die wat met hun handen doen. Vandaag of morgen staat de laatste loodgieter bij Madame Tussaud en is er een overstroming in elk huis…’ En ik geloof dat hij daar een klein beetje gelijk in heeft. Het is niet wat je bent in de ogen van anderen, het is wat je betekent voor anderen wat bepalend is. Maar als die betekenis bepalend is, dan ben je ook de gevangene van je mogelijkheid om betekenis te bereiken. Je bent nooit vrij. Hè, er zijn mensen die denken: als ik maar macht heb, ben ik vrij. Hebt u gezien hoe Ruud Lubbers veranderd is? Het is toch eigenlijk zielig, hè? De man kwam om puin op te ruimen, en nou ziet hij er zelf naar uit. Ja, neem me niet kwalijk, ik heb niets tegen de man. Ik ken hem waarschijnlijk beter dan u, maar daar gaat het ook niet om. Ik wil alleen maar illustreren: in zijn poging om meer te worden – en meer worden en macht hebben, dat is dan in het denkbeeld van de meeste mensen vrijheid – is hij eigenlijk meer de gevangene geworden van wat hij probeert te blijven.

  • Dus dan zou Gorbatsov zich nu vrijer voelen nu?

Hij voelt zich vrijer, behalve op één punt: Want hij is nog de gevangene van zijn teleurstellingen. We moeten dat echt reëel benaderen. Vrijheid, werkelijke vrijheid bestaat niet. Als u vrij was, werkelijk vrij, dan zou u zeggen: ik wil vliegen en dan woep, woep, woep, u hoeft niet eens een kaartje bij de KLM te gaan halen. Maar dat kunt u niet. En u kunt ook zeggen: ik wil niet uitglijden, maar als er een bananenschil ligt en u kijkt niet uit, dan kunt u dus dat ‘ik wil niet uitglijden’ vervangen door ‘ik wil geen pijn in mijn achterwerk hebben’. Het is zo simpel: Vrijheid, werkelijke vrijheid bestaat niet, behalve ín de mens zelf. Wanneer hij innerlijk zichzelf zijnde zich door het gebeuren van de buitenwereld niet laat veranderen. Beïnvloeden, dat kan hij niet voorkomen, maar hij laat zich niet veranderen en dat is de grootste vrijheid die op aarde bestaat.

  • En onze vrije wil dan, die ons altijd aangepraat wordt.

Ja, u hebt natuurlijk een vrije wil, u kunt willen wat u wilt, het wil alleen niet zeggen dat u het krijgt. Willen is een verlanglijstje schrijven, hè, en ondergaan is krijgen wat je toekomt.

  • Het ‘wel willen’ krijgt dan misschien nooit vrijheid; door iets te willen, daardoor krijgt men geen vrijheid.

Wat is willen? Moeilijk, hè?

  • Maar hoe kijkt u dan naar…

Nee, mag ik even, mag ik even, ik was even nog met hem bezig, maar ik wou kijken of hij het antwoord wist. Kijk, willen is niets anders dan iets zodanig begeren, dat je alle minder belangrijke begeerten aan die vervulling wilt opofferen. Dat is willen. En heel veel willen of heel sterk iets willen, betekent dat je steeds meer bereid bent op te offeren om het waar te maken. En willen is een functie die we allemaal hebben. Je wilt altijd wel iets. Maar de vraag is of dit willen dan alles domineert of dat het een samenwerking wordt, dus een doel, een richting, waarbij de richting niet noodzakelijkerwijze in een vervulling van bepaalde droombeelden is gelegen, maar in een ontwikkeling die je innerlijk ondergaat. Dus niet-willen is ook dwaas. Een mens die niets wil, die verdwijnt van deze wereld. En dan komt hij in de onze aan en dan zegt hij: ik wil hier niet zijn, dus hij begint alweer met willen. Begrijpt u wat ik bedoel? Maar willen is gerichtheid, wanneer het goed gebruikt wordt en een noodlot, wanneer het verkeerd wordt bezien en gebruikt.

  • Zit in willen een zekere begeerte?

Willen en begeren is hetzelfde. Alleen wij noemen het willen, omdat wij de begeerte meestal ontkennen. ‘Wij willen veel voor anderen doen en daarom willen wij zelf kamerlid worden’. In feite willen we kamerlid worden, maar dat kunnen wij onszelf niet toegeven, dus zeggen wij ook niet: ik begeer kamerlid te worden, nee, wij zeggen: wij willen goed doen voor anderen. Nou ja, en wat daar van terecht komt, enfin, bekijkt u het zelf maar.

  • Zijn er ook andere vormen van willen, het dienen bij andere mensen?

Het dienen van mensen kan een wil zijn, inderdaad, maar waarom begeer je de andere te dienen? Omdat je het gevoel hebt dat je daardoor meer bent dan de andere misschien..?  Het hoeft niet, maar het kan wel.

  • Als je medeleven hebt met zo’n persoon.
  • Kunt u met een ander meeleven?

Nee. U kunt alleen meeleven met het beeld dat u van een andere persoon hebt. En dat is dit een vorm van identificatie met een beeld dat uit uw waarneming in u is ontstaan, waarbij uw reactie niet is aangepast aan de werkelijkheid, maar aan het in u ontstane beeld.

  • Ook niet als de mensen je daarvoor bedanken dat je iets voor hun doet?

Dat is erg tevredenstellend. En natuurlijk, doe zoveel als je kunt voor anderen. Ik heb er niets op tegen, integendeel. Maar denk niet dat het doen voor anderen zonder meer een kwestie is van vrijheid, van willen of van ‘het willen dienen’, want je kunt een ander alleen dienen wanneer er omstandigheden zijn waardoor jij met jouw capaciteiten en mogelijkheden de ander kunt dienen. En vanuit het menselijk geheel gezien, ben je dan verplicht om die dienst te verlenen, omdat het beantwoordt aan jouw wezen en aan het geheel waartoe je behoort. Ja, o, u begint nou met heel gevaarlijke vragen hoor, geloof dat maar, want eh…

  • Bedoelt u daar bijvoorbeeld iemand als moeder Theresa mee?

Moeder Theresa is iemand die haar eigen heiligheid verdedigt door de verdedigster te zijn van anderen die ongelukkig zijn. Hierdoor doet ze veel goed vanuit het standpunt van de anderen die haar werk zien en van een deel van degenen die haar werk ondergaan. Als zodanig is zij een verdienstelijk mens, maar zodra zij moeder Theresa wordt ‘en dus meer dan een ander’, verliest zij een groot gedeelte van de verdienste die ligt in haar zijn. Kunt u het volgen?

En dat is het grote gevaar. We kijken allemaal naar uiterlijkheden. Hoeveel meisjes zijn er niet geweest die zich een mondje lieten opereren à la Marilyn Monroe of een Brigit Bardot, zo. Ja, Maurice Chevalier hebben ze nooit nagedaan, die had ook zo’n pruillip. Maar waarom deden ze dat? Omdat ze dachten dat je door iets uiterlijk te veranderen zelf verandert, maar dat is niet waar. Integendeel. De illusie van de verandering maakt je meer jezelf dan je ooit geweest bent en daarom waren er zo ontzettend veel vervelende nesten onder degenen die zich deze pruilmond hadden aangemeten.

Duidelijk? Ja, ik begin een beetje af te dwalen hier en daar misschien hoor, maar we komen zo langzaam maar zeker aan het einde van  van de bijeenkomst. En als u het niet erg vindt – als u het wel vindt, mag u het zeggen hoor – dan zou ik nou nog even een paar dingen willen zeggen gewoon: kijk, we kunnen natuurlijk gaan oordelen bijvoorbeeld over Sai Baba, over anderen, mensen, leraren, die ontzettend veel goeds brengen, maar waarbij al te vaak wordt vergeten, dat het arsenicum dat de ene patiënt redt, de ander kan vergiftigen. Dat is met het christendom ook zo geweest. Dat is overal. Laten we dus geen oordelen uitspreken, maar laten we beseffen dat in het zijn ook de leermeesters, ook de gezondenen, ook de ingewijden, noodzakelijk zijn. Dat zij daardoor niet méér zijn dan anderen, maar een betekenis hebben die meer is dan die anderen voor zichzelf erkennen.

Laten we alsjeblieft niet allemaal zoeken naar de goeroe en de meester. Laten we eerst eens zoeken naar wat we zelf zijn volgens ons eigen beeld en laten we dan eens kijken wat de goede kanten daarvan zijn. En laten we die goede kanten dan naar buiten toe brengen. En als we steeds het goede naar buiten brengen, dan vergeten we dat we slecht zijn en dan is ons ik-beeld beter geworden. Niet beter in de zin van: o, moet je dat zien zeg, ze zijn nog helemaal niet bewust. Nee, meer in het beeld zo van: Er bestaat eigenlijk veel minder kwaad dan ik ooit gedacht heb, omdat er veel meer begrip mogelijk is. Als je dat kunt doen, dan bereik je wat. Zijn, dat is iets wat je gegeven is. En we kunnen over de bron ervan van mening verschillen, maar op dit niveau kunnen we geen van allen uitdrukking geven aan datgene wat die bron werkelijk is. Maar laten we dan beseffen dat ‘worden’ onze persoonlijke situatie omschrijft.

Wat we worden voor ons eigen ik, niet voor de wereld, bepalen we zelf. Onze vrijheid van willen is niet gelegen in die wereld buiten ons, ze is gelegen in het ik-beeld wat we in onszelf creëren, waardoor wij steeds meer response kunnen opvangen uit al die werelden waarvan we deel uitmaken, ook wanneer we het als mens misschien niet beseffen. Groei naar de eeuwigheid toe, maar groei dan niet met het idee, ik zweef omhoog, want gelooft u mij, dan wordt het een harde landing.

Een vriend van mij heeft zelfs eens gezegd: als ze te hoog zweven, dan wordt het meestal een buiklanding. Laten we het eerlijk en oprecht beschouwen. Dat wat wij voelen te zijn, dat wat wij in onszelf waarmaken en wat we uitdragen, dus wat we ook buiten ons gestalte geven en niet alleen maar als een gedachte in onszelf koesteren, dat is het wordingsbeeld, dat is onze mogelijkheid om steeds meer harmonie, zeg maar, dus éénklank, samenwerking te vinden, met al datgene wat rond ons bestaat. De niveau’s van stoffelijke wereld, geestelijke wereld en nog een astrale wereld, en nog een levenskrachtwereld, en boven nog het een en ander, zeven hemelen misschien, hè, dat zijn allemaal dingen die alleen maar bestaan voor mensen die proberen om van een koe gehakt te maken om hem te kunnen hanteren en dan uiteindelijk de delen zo goed en zo kwaad in de vorm kneden om te zeggen, dit is een koe, terwijl ze liegen dat ze barsten.

Je moet de dingen niet uit elkaar halen. Je moet deel worden van de dingen. Je hoeft niet alles te begrijpen. Maar je moet wat in jou is aan mogelijkheden, aan beste mogelijkheden, voortdurend tot uiting brengen, opdat de belevingen, de gevoelens die ontstaan, dan in jezelf het mogelijk maken steeds juister en vollediger op steeds meer delen van de schepping te reageren.

  • Wordt het belang van ons stoffelijk lichaam in het bewustwordingsproces niet vaak onderschat?

Door veel mensen die met geestelijke zaken bezig zijn, helaas wel. Maar ik zeg altijd maar: Een werkman zonder gereedschap is ook niets. Een mens die niet goed voor zijn lichaam zorgt vanuit allerhande geestelijke bestrevingen, vergeet dat hij dat lichaam nodig heeft om op aarde die bestrevingen te plegen. En dus, onderschat nooit de belangrijkheid van het lichaam, het is voor u het vertaalinstrument dat het u mogelijk maakt ook geestelijk waardevolle zaken te beleven en in uzelve vast te leggen. Voldoende?

  • Zijn Maria en haar zoon Jezus verwekt zoals gebruikelijk of d.m.v. onbevlekte ontvangenis?

Ja, dat ligt aan uw interpretatie van onbevlekt. Onbevlekt door hartstocht of bedoelt u dat er helemaal geen vlekken waren? Wat bedoelt u? Maar laten we reëel zijn, wanneer dit het geval zou zijn, zou Jezus een uitzonderingsfiguur zijn, punt één. Punt twee, zijn genetische opmaak zou maar de helft van het normale aantal factoren bevatten en dat hij dan als volwaardig mens en leraar kan functioneren lijkt mij onwaarschijnlijk. Zover mij bekend, is er dus niet sprake van een onbevlekte ontvangenis in andere dan mogelijk geestelijke zin. Voldoende?

  • Zal politiek ook in de tijd van Aquarius wel blijven bestaan en nodig blijven (vaak scheppen politici meer problemen dan ze oplossen)?

Ja, maar dat is hun hele levensonderhoud en dat moet je ze niet kwalijk nemen. Politiek, zoals ze nu bedreven wordt, is handel in illusies met het doel tot winstneming over te gaan voor die er is, en wel op kosten van anderen. En dat klinkt misschien niet erg prettig, maar het is een feit. Zolang politiek niet gebonden kan worden aan een verplichting tot vervulling van beloften, is ze dus niet aanvaardbaar. Het resultaat zal zijn een steeds grotere opstandigheid tegen politici van verschillende geaardheid en steeds meer aanvallen op deze mensen tot uiteindelijk het persoonlijk gevaar degenen die verder vooruit willen komen ertoe beweegt zich dan maar met oplichting in het zakenleven bezig te houden. En dat betekent dan dat politiek langzaam wordt terug gebracht tot wat zij behoort te zijn, een controle op een zo juist en gering mogelijk ingestelde administratieve en eventueel uitvoerende factor van ambtenaren, welke echter niet in staat mogen zijn op eigen initiatieven en eventuele verantwoordelijkheid besluiten te nemen, die uit het standpunt van de politicus gedoogd moeten worden, omdat men door dit gedogen een eigen herwinnen van zetels een haalbare kaart acht. Is dit voldoende?

Nee, zegt er hier iemand. Dus het antwoord is heel eenvoudig: De politici, dóór de wijze waarop zij manoeuvreren en optreden, zijn bezig hun eigen uitroeiing voor te bereiden. Is dat misschien duidelijker?

  • Heeft dat ook te maken met het Aquariustijdperk?

Dat heeft met Aquarius in zoverre te maken, dat Aquarius meer openheid en meer sociale betrokkenheid in verschillende groepen veroorzaakt. En dit betekent wel dat de gezagsfuncties steeds sterker worden aangetast, omdat zij, alleen wanneer ze in de gemeenschap wortelen, door die gemeenschap aanvaard zullen worden. En dat voert dan tot datgene wat ik gezegd heb.