Zo boven zo beneden

uit de cursus ‘Occulte filosofie’ (hoofdstuk 3) – december 1974

Zo boven zo beneden

Het is een oude spreuk en als we het goed nagaan, dan stamt ze eigenlijk uit de Egyptische periode en behoort tot de Egyptische magie. Het denkbeeld op zichzelf is de kern van praktisch alle magie en ook de basis voor een groot gedeelte van het occultisme. Letterlijk wordt daarin gesteld dat, als boven (de wereld van de goden) er iets verandert, dat bij de mensen invloed heeft en omgekeerd. Er is een voortdurende wisselwerking tussen de lagere en de hogere werelden. Alles wat wij doen, heeft een inwerking op de krachten die ons bestaan regeren, terwijl omgekeerd ook onze mogelijkheden worden beperkt door al datgene wat er in die grote wereld boven ons, zoals men zegt, gebeurt.
Dit is filosofisch erg belangrijk want in alle occultisme worden we eigenlijk geconfronteerd met de verborgen werelden in ons eigen leven. Daarnaast worden we geconfronteerd met de machten, die in en bulten ons leven van belang zijn. Als we nu weten dat er een directe band be­staat tussen ons wezen, ons handelen, ons denken en al datgene wat er uit de grotere wereld tot ons komt, dan zijn we eigenlijk automatisch beter ingesteld op
–   de mogelijkheid om vanuit onszelf het gebeuren te beïnvloeden;
– de mogelijkheid dat onze vrijheid wordt beperkt op het ogenblik dat er kosmische veranderingen aan de gang zijn.
De situatie is magisch natuurlijk erg interessant omdat je dan kunt zeggen: ik ga hier symbolisch iets doen, dat wordt gerealiseerd in de wereld boven en dan komt die situatie als vanzelf hier weer tot stand. Het is eigenlijk het bijgeloof van de oude schepelingen in de zeilvaart. Zij zeiden: Niet fluiten aan dek want dan fluit je de wind op. Fluiten is wind. Als dat beetje wind er komt, zullen grotere krachten ook gaan blazen en dan komt er wind. Die wind kan teveel zijn, er komt storm, die storm is voor ons gevaarlijk en daarom moeten we die niet oproepen. Het klinkt allemaal een beetje vreemd, maar op zichzelf is het nog niet zo dom. Ik beweer helemaal niet dat u door te fluiten de wind kunt oproepen. Wat dat betreft is het soms zelfs moeilijk om je hond te roepen. Wat echter wel waar is: alles wat ik uitstraal, alles wat uit mijn wezen voortkomt, weerspiegelt zich in de relatie die ik heb met alles in de wereld rond mij.
Nu is dat niet een rechtlijnige situatie. De ouden hebben dat waarschijnlijk gedacht. Ik neem ook aan dat veel moderne mensen denken: als ik goed doe, dan zal ik het goede van boven terugkrijgen. Maar er is een spiegeling. Het eenvoudigste beeld dat voor u in dit verband interessant is: Wij tekenen een X. Boven die X trekken we een lijn: de goddelijke wereld. Onder de X trekken we een lijn: de menselijke wereld. Nu tekenen we een pijl tegen één van de poten van de X. Die pijl betekent een kracht, die drukt tegen die bepaalde poot van de X. Dan zal de kracht beneden tegen diezelfde poot aan drukken; in zoverre is het rechtlijnig. Maar het betekent wel dat de kracht dan omgekeerd werkt. Deze omkering van waarden is iets waarmee we vooral innerlijk erg veel te maken kunnen krijgen.
Wie in zich zoekt naar wijsheid en inzicht, zal vaak proberen daarbij de stoffelijke redelijkheid te gebruiken. Maar de redelijke benadering van een esoterisch probleem brengt, als je eerlijk bent, een volkomen oneerlijk antwoord. Als je een onredelijke benadering hebt van de materie, dan is het resultaat daarvan over het algemeen innerlijk een redelijk antwoord. Waarom?
Wel, die twee poten van de X zijn aan de ene kant verstand, aan de andere kant gevoel. Als ik begin met mijn gevoelens, dan kan ik die gevoelens alleen concretiseren indien ze worden omgezet in verstand. En dat omzettingsproces geeft mij niet alleen een daadmogelijkheid, het geeft ook nog een bewustzijnsmogelijkheid. Omgekeerd, als ik begin met het verstandelijke en ik wil dat in kosmische zin laten werken, dan kan ik het verstandelijke alleen gebruiken om gevoelens te wekken. Die gevoelens op zichzelf zijn echter niet omschrijfbaar en, wat meer is, voor de mens niet beheersbaar. Het is die onbeheersbaarheid welke aanleiding geeft tot een paar regels, die zowel in de esoterie als ook in de magie zullen gelden.
De eerste luidt: Ik zal altijd uitgaan van mijn emotionele wereld en streven naar een formulering daarvan op een voor het ‘ik’ aanvaardbare en redelijke wijze. Magisch geldt: Ik zal altijd werken vanuit mijn gevoel en geloofswereld, maar naar een verstandelijk gesteld doel. Dat is duidelijk, want dat is de enige manier waarop ik krachten kan wekken en gelijktijdig door mijn vermogen tot kennen en beredeneren een beheersing kan opbouwen.
De tweede regel luidt: Het Goddelijke, dat ik in mijzelf wil wekken, kan ik slechts wekken aan de hand van mijn gevoelswereld. Op het ogenblik dat ik mijn gevoelswereld wil verwisselen voor een verstandelijke, zal ik het Goddelijke niet meer kunnen ontmoeten, maar zal ik alle werkingen van het Goddelijke nu zien als tegenstellingen, als remmingen op mijn weg.
Zo geldt voor de magiërs: De magiër, die een geheel verstandelijke voorbereiding treft, zal resultaten verkrijgen, maar hij zal ze niet kunnen beheersen waardoor ze hem kunnen domineren, kunnen terugslaan op zijn wezen en het door hem gestelde doel slechts zelden zullen bereiken.
Het zo boven zo beneden confronteert ons nog met meer dingen.
De innerlijke wereld is ergens een replica van de wereld die wij bewust beleven. Dat wordt al heel duidelijk als je iemand hoort praten over Zomerland. Iedereen weet: Zomerland is eigenlijk een droom, die je met anderen gezamenlijk droomt. Maar waarom moet Zomerland zijn opgebouwd volgens menselijke vormen en normen? Omdat de mens weliswaar emotioneel met de geest is verbonden maar daaraan slechts uitdrukking kan geven indien hij terugvalt op zijn eigen formuleringsvermogen; en dat doet hij nu eenmaal in beelden, vaste lijnen, vormen, kleuren enz.
Als wij nu eens uitgaan van een gewoon verstandelijk begrip van het hiernamaals en daarbij de emotie van het hiernamaals tot ons laten komen, dan blijkt dat we die vormenwereld praktisch overslaan. We komen onmiddellijk tot een beleving van een vormloze wereld, die in ons voortdurend nieuwe erkenningen mogelijk maakt, maar die buiten ons helemaal niet meer aan een bepaalde regel of aan een bepaalde ordening te binden blijkt.
Als ik dat doe t.a.v. een geestelijke wereld, dan zal dat t.a.v. een innerlijke wereld precies gelijk zijn.
De belangrijkste wereld, zo wordt gesteld, is niet definieerbaar in haar eigenschappen. Zij is als het licht. Wie het licht ontmoet, zal daardoor alle dingen kenbaar zien worden behalve het licht in zijn eigen kwaliteit en geaardheid.
Omgekeerd, als ik alles ken in zijn kwaliteit en geaardheid, dan kom ik tot een beleving van het licht dat echter nog steeds niet te beschrijven is.
Misschien vraagt u zich af: wat moet men ermee doen? Laat mij proberen om ook de praktijk op deze vooravond van de surprise-uitstorting te geven. In de praktijk betekent het het volgende:
Als ik niet voldoende kennis heb om een bepaalde taak, die ik geestelijk wens te volbrengen in de stof te uiten, dan moet ik afgaan op mijn gevoelens. Mijn gevoelens zullen dan vaak in de plaats kunnen treden van kennis en beredenering en als zodanig mij volledig de mogelijkheid geven tot bereiking. Aan de hand van de bereiking zelf kan ik misschien later enig begrip krijgen van datgene wat daarvoor werkzaam was. Om het heel eenvoudig te zeggen: Als u geestelijk iets wilt bereiken en u weet niet hoe u het moet doen, dan behoeft u zich niet dood te zoeken naar allerlei voorbeelden, regels en wetten daarvoor. U moet zich gewoon met uw gehele gevoelswereld daarop instellen en de actie, die daaruit voortvloeit, eenvoudig over u heen laten gaan. U zult dan tot uw verbazing bemerken dat u resultaat had.
Een ander punt dat al even belangrijk kan zijn zegt:
Als wij in het leven voor problemen komen te staan, dan blijkt dat een deel ervan niet op te lossen is door middel van de rede. Als wij het probleem echter hebben doorleefd, dan kunnen wij het loslaten. In de gevoelswereld zal dan het geheel van de functies werkzaam zijn waardoor de oplossing voor ons toegankelijk wordt, ook al zullen wij niet beseffen waarom juist dit de juiste oplossing is. Want de mens leeft nu eenmaal in een wereld waarin het Goddelijke geheim blijft, waarin de totaliteit onvoorstelbaar is en waarin ook de samenhangen die er tussen ‘ik’ en totaliteit en tussen ‘ik’ en Godheid bestaan, ergens in het vage verdwijnt. Wij zijn niet in staat de werkelijkheid te zien en te doorleven. Gezien dat feit kunnen wij ons het best beroepen op de hoogste krachten in ons.
De hoogste kracht in een mens wordt geuit via zijn gevoelsleven. Die emoties zijn natuurlijk voor een deel zuiver stoffelijk. Extra adrenalineafscheiding, kleurwerkingen enz. Maar de werkelijk diepe beroering in ons wezen, of dat nu negatief is (drift) of positief (een totale aanvaarding), is een weerspiegeling van onze eeuwigheidsrelaties, onze binding met de totaliteit. Zodra die gevoelswereld domineert, zal de innerlijke werkelijkheid voor ons besluiten gaan nemen. Die innerlijke werkelijkheid neemt haar besluiten over het algemeen beter dan de verstandelijke mens.
Gaan we nog een stap verder in de richting van de praktijk, dan kunnen we zeggen: Op het ogenblik dat ik emotioneel betrokken ben bij datgene wat ik doe, al dan niet redelijk, zal ik daardoor het geheel van de betekenis en van de waarde die dit voor mij heeft, overdragen aan mijn hogere geestelijke voertuigen. Hierdoor maak ik een reactie mogelijk uit de geestelijke werelden welke weerkaatst in de materie, door mijn levend lichaam (mijn wezen op aarde) kan worden geuit, ook al kan ik die kwaliteiten en krachten niet nader omschrijven of het geheel van hun geaardheid voorspellen.
Een mens leeft altijd een beetje in het onzekere. Als je zegt: Zo boven zo beneden, ben je geneigd daar achteraan te zeggen: dus zo beneden zo boven. Dat is echter maar betrekkelijk waar. Want de toestan­den, die in een hogere wereld bestaan, onttrekken zich voor een groot gedeelte aan het kenvermogen van degene die in de lagere wereld leeft. Dat impliceert dat de mens, die in de lagere wereld leeft, nooit een zo volledige beïnvloedingsmogelijkheid heeft ten aanzien van het hogere als omgekeerd altijd het geval is.
Dan komen we nu aan de grootste eigenaardigheid die er op deze wereld bestaat. De hogere waarden kunnen we omschrijven als trilling of als span­ningsvelden. Indien wij in staat zijn om rond ons een spanningsveld op te wekken, op welke wijze dit ook gebeurt, dan zal dit veld normaal manipuleerbaar zijn. Toch weten we niet wat het is.
Als u binnenkort misschien op de Ster-avond aanwezig bent, dan zult u dat ook zelf kunnen constateren. Er wordt iets opgebouwde; daarover wor­den er misschien heel mooie verhalen verteld. Waar het echter op neerkomt: het is een spanning, meer niet. Het is iets waardoor bij sommige mensen zelfs de nekharen omhoog gaan staan. Die spanning kan dan, al doet dat op die avond meestal de celebrant, worden gehanteerd. De spanning ontlaadt zich doordat er iets extra’s aan wordt toegevoegd en daardoor wordt het evenwicht verstoord. Dat is de werkelijkheid.
De gehele kosmos is een evenwicht. God was voor het begin van de schepping ook evenwichtig. Dat kunnen we althans aannemen. Maar er kwam toen iets bij en het evenwicht was verstoord. Daardoor ontstond er een sequentie van werkingen die o.m. de schepping tot gevolg had.
Nu wil ik niet zeggen dat wij hetzelfde kunnen als de Schepper. Maar ook voor ons is het mogelijk ons gehele wezen te uiten in een span­ning, die om ons heen ontstaat. Zolang we niets doen, ebt die spanning langzaam wel weer weg en er is verder niets aan de hand. Op het ogenblik echter dat wij proberen in die spanning nog extra trillingen te ver­oorzaken – dat kunnen trillingen zijn van geluid, van een extra wilsuit­straling, dat kan een woord, een kleur, een gebaar zijn – zal daardoor een werking in dat veld ontstaan. Nu geldt hierbij een aardige regel:
Wanneer er rond mij een spanning bestaat, kan ik deze in de door mij gewenste richting ontladen indien ik rekening hou met het feit dat de gehele door mij opgewekte kracht gericht dient te worden op iets wat ik mij voorstel. De relatie moet dan worden gesteld vanuit dit punt. Dat laatste is belangrijk. Ik moet dus niet zeggen: Ik neem deze kracht en ik zend haar naar Pietersen. Maar ik zeg: Die kracht is er. Hier ben ik bij Pietersen en hier moet die kracht naartoe komen.
Het klinkt krankzinnig, als je het zo vertelt, maar het is waar. Waarom? Ik weet het niet precies. Er zijn grote denkers, die zich een lange tijd daarmee hebben beziggehouden. Eén van hen, die nu aan onze kant is en zich nog verder met het occulte bezighoudt, gaf de volgende verklaring:
“Voor de mens is het ‘ik’ het voortdurende centrum van het Al. Hij kan zich dan ook geen spanning voorstellen, die niet gelijktijdig op zijn eigen wezen terugvalt. Als hij zijn wezen verplaatst in een situatie die niet de zijne is, dan wel in of bij een persoonlijkheid die niet identiek is met zijn ‘ik’-voorstelling, dan zal hij daardoor voor zich een ontladingspunt hebben geschapen dat zo dicht bij het gewenste ligt, dat hierdoor alle gewenste effecten bereikt kunnen worden.”
Het klinkt mooi. Of het volledig waar is? Hij zegt het en ik neem het aan.
Gaan we nog wat verder, dan komen we als vanzelf aan de magie.
In de magie zijn er verschillende benaderingen. Er zijn o.m. de bezwering en de incantatie. Die twee staan apart. De incantatie namelijk maakt meestal wel deel uit van de bezwering, maar ze is daarvoor alleen maar de aanloop. De incantatie kan echter ook zonder meer worden gebruikt. Het verschil is het volgende:
Als ik een bezwering uitspreek, dan wordt mijn incantatie gericht op een voorstelling waarmee ik mij sterk verbonden acht. Hierdoor verwe­zenlijk ik de voorstelling en heb ik dus het geheel van de opgeroepen kracht a.h.w. gepersonifieerd. Dit kan in verband met een werkelijke en­titeit gebeuren, het kan ook plaatsvinden in verband met een astrale schil of iets dergelijks.
Bij incantatie richt ik mij tot een hogere kracht, maar ik bepaal de aard en werking van die kracht niet. Daardoor geeft de incantatie dus een grotere mogelijkheid tot resultaat dan de bezwering. Ze geeft echter gelijktijdig ook een vager resultaat. Het resultaat is nooit scherp te omschrijven. De opbouw van de bezwering is over het algemeen als volgt:
In de eerste fase maak ik duidelijk wie ik ben.
In de tweede fase maak ik duidelijk aan welke macht of kracht ik mijn ge­zag tracht te ontlenen. In deze fase vereenzelvig ik mij dus met het ge­zag waaruit ik nu verder zal spreken en handelen en waarvan ik stel, dat ik alle macht en mogelijkheden bezit. In dit geval zal ik bovendien zeg­gen over wie ik mijn gezag tot bevelen zal doen gelden en doen heersen.
In de derde fase herhaal ik de stelling. Ik ben één met b.v. God. Ik noem de krachten die ik wil oproepen en ik geef aan deze krachten nu een bevel. Dit bevel kan ik inkleden naar gelang van de rang die zij volgens mijn inzicht bekleden. Dat kan dus zeer beleefd zijn, het kan ook absoluut dominerend bevelend zijn.
Het resultaat van de bezwering is nu dat, als zij slaagt, ik een per­soonlijkheid heb opgeroepen. Deze heeft eigen kwaliteiten. Deze persoon­lijkheid kan samenwerken met een groot aantal andere persoonlijkheden, maar er is altijd één dominante entiteit. Mijn bevelen geef ik aan de do­minante entiteit, die ze eventueel door haar dienaren – zo spreekt ze dan de anderen meestal aan – kan laten uitvoeren. De taak, die ik opleg, is gebonden aan de kracht die ik heb opgewekt. De gehele bezwering eindigt met het ontslag, dus het zeggen: “Ga heen en wees in vrede” aan degene die ik heb opgeroepen. Daarna richt ik een dankwoord aan de Kracht waarmee ik mij één heb gevoeld.
Het is een tamelijk ingewikkelde procedure. Ze vergt sterke zenuwen, grote magische kennis en voor de mens, die met denken alleen meestal nit veel bereikt, ook vaak een uitvoerig ritueel.
De incantatie daarentegen is veel eenvoudiger. Ze berust zeker ook op de magie van de klank (de bezwering). Je moet de woorden juist weten te gebruiken. Je moet de klankcoördinaties zo weten te kiezen, dat ze voor jezelf nog zinvol blijven en gelijktijdig nog bepaalde kosmische harmonieën weerspiegelen. Hier roep ik gewoon aan. Ik zeg niet: ik ben die of die. Aanroepende stel ik dat ik de kracht ervaar. Dat stellen is geen sprookje. Ik kan dit in een incantatie alleen dan doen, indien ik mij bewust ben van de spanning die rond mij is ontstaan.
Nu kan ik kiezen. Ik kan een soort ontspanning opwekken door een tijdelijk evenwicht te veroorzaken. Dan is voor mij en voor alle anderen, die zich binnen het spanningsveld bevinden, dat veld zelf niet meer merkbaar; het is echter wel aanwezig. Ik kan dan op grond daarvan verdergaan en – maar nu vragend, niet bevelend – een richting aangeven voor die kracht. Daarbij stel ik mij voor dàt die kracht een bepaalde werking heeft. Hoe beter ik mij dat nu voorstel, des te gemakkelijker ik resultaat krijg.
De incantatie vergt veel minder voorbereiding dan een werkelijke bezwering. Aan de andere kant geeft ze veel sneller het gevoel van verbondenheid omdat ik een beroep doe op de gehele kosmos; en daar zijn altijd wel harmonische factoren. Zou ik een bepaalde factor willen oproepen, dan wordt het zelfs met een incantatie moeilijk en soms zelfs ondoenlijk.
Er wordt de opmerking gemaakt dat het bevelen geven, zoals dit bij de bezwering gebeurt, wel een beetje brutaal is. Dat is waar, indien men uitgaat van een zuiver menselijk standpunt. Maar vergeet niet dat degene die een bezwering uitspreekt, niet alleen zichzelf is. Hij heeft zich voorzien van krachten en harmonieën waardoor hij inderdaad de sterkere is. Hij bezit dus op dat ogenblik een macht en een gezag over de geesten en krachten die hij oproept. Zou hij dit niet bezitten, dan zou hij of geen resultaat boeken of ten onder gaan aan hetgeen hij oproept. Degene die het doet, neemt dus een groot risico. Dat risico op zichzelf al maakt duidelijk dat het geen brutaliteit is. Het is misschien een beetje bluf, een waagstuk. Brutaliteit is het zeker niet, want het gaat gewoon om het stellen van een rangorde tussen ego en bepaalde geestelijke krachten en machten.
De mens meent altijd dat je tegen alle geesten, tot zelfs de demonen toe, beleefd moet zijn. Maar de magiër denkt daar anders over. Hij redeneert ongeveer als de kip in het kippenhok die zegt: Er is een pecking order noodzakelijk. Ik ben de mindere van degene die ik als mijn meerdere erken, maar ik ben dan ook de meerdere van alle anderen. Die meerwaardigheid impliceert mijn recht om die anderen te verjagen, pijn te doen, achterna te zitten en wat dies meer zij. Het is dit begrip van de pecking order, zo vreemd als het moge klinken in dit verband, dat in bezweringsmagie en ook in andere vormen van magie zelfs een hoofdrol speelt.
De kern van de macht, die een magiër of bezweerder uitoefent, is over het algemeen de naam van God. Die naam kan natuurlijk op vele manieren worden uitgedrukt en ze wordt vaak verwerkt in de z.g. zegels. Een van de meest bekende bezweringszegels is het Zegel van Salomo (koning Salomo) en daarnaast het Sigillum Salomonis, dat misschien door zijn Latijnse vorm hetzelfde lijkt, maar dat meestal betrekking heeft op een bezweringszegel van een beroemd magiër en kabbalist die Rabbi Salomo werd genoemd. Hij zou geleefd hebben omstreeks 1500. Hier zegt de magiër: Ik ben een gewoon mens, maar ik heb hier het teken van mijn macht. Zoals een politieman in burger zegt: Hier is mijn penning en nu meekomen. Dat gezag wordt misschien niet altijd terecht uitgeoefend. Dat zal bij de politie ook niet het geval zijn. Maar het feit dat ik mij vereenzelvig met een hogere macht en deze representeer met een teken dat die hogere macht uitdrukt, ook als dat alleen een naam is, een bepaalde rite of een bepaalde tekening, houdt in dat ik terecht bevelen kan uitdelen. Het is namelijk niet de bezweerder of de magiër zelf die het bevel geeft. Het is de personificatie van de hoogste macht in de magiër. Hierdoor zult u begrijpen waarom het in de magische praktijk helemaal niet brutaal of cru wordt gevonden om het bevel te geven. Denk niet dat dat iets is wat alleen bij de magie behoort. Hoe vaak zegt u ook niet; Ga heen in de naam van….. Of: Dat moet je niet doen, want dat is in strijd met…… Ook hier: niet het persoonlijke gezag, maar een beroep op iets anders waardoor de persoonlijke uiting gezag krijgt. Op deze manier werkt de bezweerder.
Degene die alleen incanteert (de aanroeper), is iemand, die niet gelooft in de noodzaak om zichzelf één te maken met de kracht. Hij zegt: die kracht maakt zich wel één met mij. Ik behoef niet te zeggen: Ik ben de Heer, uw God, en ik beveel u in de naam van het teken. Want, zo zegt hij, als ik geloof in God en als ik mij instel op de krachten en de spanningen die uit God voortkomen, dan is die macht aanwezig. Dan behoef ik ook geen bevelen te geven, want dan is de goddelijke Wil aanwezig. En indien ik binnen die Wil voor mijzelf een apart doel kies (vrede, genezing; of iets anders), dan is dit niet een opleggen van een verplichting aan de kracht rond mij, maar het is slechts het aangeven van mijn geneigdheid in die kracht rond mij. En tenzij andere sterkere factoren aanwezig zijn, zal die geneigdheid meestal een deel van de ontlading van die kracht inderdaad regelen.
Hier blijkt dus dat op een gegeven ogenblik een mens zich kan stellen in de plaats van de hogere wereld. De mens is innerlijk, volgens magisch en occult besef, tweeslachtig. Hij is zowel God als mens. Hij is kracht van licht en gebonden in de betrekkelijkheid van de materie. En omdat hij die tweeledigheid erkent en het hoogste deel van zijn wezen gebruikt om in het lagere deel van zijn wezen alle krachten van het occulte te manifesteren, heeft hij daar eigenlijk ook wel recht op, zegt men.
Het omgekeerde is natuurlijk veel moeilijker waarmaken. Je kunt in een geestelijke wereld wel je stoffelijk ‘ik’ met je stoffelijke wensen en verlangens uitdrukken, maar die zijn onvolledig en als zodanig niet bepalend. Als ik zeg: Heer, geef mij vrede, dan krijg ik wel een soort vrede, maar misschien bedoel ik: rust van mijn buren. Maar die krijg ik niet. Het enige dat ik krijg, is de mogelijkheid om in mij rust te gewinnen waardoor de storing van buitenaf mij niets meer doet. Dat vergeet men heel vaak. Daarom probeert de mens om alles wat occult is, toch verstandelijk te benaderen. Tot op zekere hoogte kun je dat doen, maar dan moet je ook begrijpen dat je daarmee eigenlijk alleen maar de begrenzing van het gebied van de occulte macht aangeeft, nooit de essentie van deze krachten zelf.
Ik wil nu proberen duidelijk te maken wat er kan gebeuren als een mens, ook zonder incantaties of bezweringen, de krachten in zichzelf activeert. Hiervoor moet u het volgende begrijpen:
Elke mens draagt in zich een soort lichaam van levenskracht. Hij draagt verder in zich bepaalde spanningen, die ook wel ‘bioplasma’ worden genoemd. Daarnaast draagt hij in zich een astraal geheel dat veelal ‘ectoplasma’ wordt genoemd, indien het binnen het lichaam in samenhangen aanwezig is en niet als een aparte vorm wordt geprojecteerd. Met al deze factoren beschikt hij over de stralings- en trillingstechniek die voor een groot gedeelte in zijn eigen wereld gelden en soms heersen. Het betekent dat hij alle soortgelijke krachten in de natuur door zijn eigen kracht kan compenseren of zelfs opheffen. Zo kun je dus met ectoplasma plus een zekere emotie-straling de zwaartekracht tijdelijk opheffen. Gebeurt dat nu in een toestand van verrukking, dan spreken we over een mystieke beleving. Als het bewust gebeurt, dan spreken we over levitatie of een transport van voorwerpen.
De mens, die deze krachten in zich draagt, bezit daarmee een soort evenwicht t.a.v. de krachten die in de wereld rond hem aanwezig zijn. Als ik zeg: spanning, bioplasma of hoe u het noemen wilt, dan spreek ik over een vitaliteit die alle levenskrachten, maar ook alle samenhangen in de materie, kan richten en veranderen.
Spreek ik over het levenslichaam (dat nog iets anders is dan bioplasma), dan spreek ik over een aantal trillingen, die in staat zijn om b.v. werkzaam te zijn in een interatomaire ruimte; die dus materie kunnen samenvoegen of verbreken. Je kunt dus van element tot element veranderingen tot stand brengen, als je daarin bekwaam bent, en bovendien met diezelfde kracht ook nog alle spanningen, die in de atmosfeer rond je bestaan, variëren.
Met het astrale voertuig kun je een deel van het eigen wezen uitstulpen. Je kunt daarmee kracht uitoefenen, vooral stoffelijke kracht. Je kunt daarnaast ook een omhulsel vormen welke, geladen met je eigen levenskracht, hetgeen daarin bevat is, tijdelijk onvatbaar maakt voor de normale velden en spanningen, die normalerwijze op aarde inwerken. Je kunt het dus veranderen. Je kunt het losmaken van zwaartekracht.
Je kunt iets dat geladen is, ontladen. Je kunt de ontlading van iets dat normalerwijze geen spanning kan verdragen, voorkomen en wat dies meer zij.
Hier heeft u een aantal mogelijkheden, die voor elke mens, zonder enige uitzondering, potentieel bestaan.
Waarom gebruiken de mensen het zo weinig?
In de eerste plaats, omdat ze niet weten hoe.
In de tweede plaats, omdat ze er bang voor zijn.
In de derde plaats, omdat al deze manifestaties niet alleen redelijk kunnen geschieden. De mens, die welbewust hiervan gebruik wil maken, zal om het innerlijk evenwicht te kunnen bereiken en daarmee een mate van beheersing mogelijk te maken, altijd een beroep moeten doen op een hogere kracht. Doet hij dat niet, zoals bij pubers die bepaalde poltergeistverschijnselen veroorzaken, dan leeft hij met een droomwereld.
Dat betekent dat hij de verschijnselen die optreden, niet kan beheersen en dat ze voor hem vaak ook minder aangenaam zijn en zelfs schadelijk kun­nen worden.
Hoe werkt u met deze krachten?
1. Besef, dat u deze krachten bezit. Maak uzelf duidelijk dat in uw lichaam op dit moment levenskracht, vitaliteit, aanwezig is die niet alleen tot het lichaam beperkt behoeft te blijven; dat in uw lichaam voortdurend werkingen aan de gang zijn waardoor een soort bio-electrisch vermogen wordt opgewekt en dat ook deze kracht voor een deel kan worden uitgestraald. Realiseer u dat in uw ‘ik’ bovendien een fijn-stoffelijke materie aanwezig is die, ook al is ze niet direct en voor iedereen zichtbaar, wel degelijk kan worden gebruikt om b.v. voorwerpen te beroeren, te verplaatsen of zelfs een ingreep te doen in een levend organisme zonder daarbij schade aan te richten aan de weef­sels die men doordringt.
2. Probeer te voelen dat u de mogelijkheid heeft om een taak, die u zich stelt, inderdaad uit te voeren. Stel u een licht voor. Gebruik eventueel een symbool, dat dat licht voor u representeert. Houdt u bezig met een bepaalde kleur, die in vele gevallen voor u de aard van de werking emotioneel sterk definieert. En een be­roep doende op deze innerlijke kracht, stelt u nu eenvoudig dat de krachten die in u bestaan, in werking treden.
3. Een mens heeft geen onbeperkt vertrouwen in zijn vermogens. Realiseer u dat, door het beroep dat u op uw hoger wezen heeft gedaan, onbeperkt kracht kan worden toegevoerd aan het lichaam, voor zover het levenskracht en eventueel astrale mogelijkheden betreft. Het bioplasma kunt u niet geheel beheersen, maar dit kan toch nooit geheel worden vernietigd. U heeft geen enkele re­den om bang te zijn. U bezit eenvoudig het vermogen. U behoeft er verder niet over na te denken. Stel nu de taak die u wilt volbren­gen.
4. Omschrijf de taak die u wilt volbrengen voor uzelf voldoende duidelijk. Probeer algemeenheden zoveel mogelijk te vermijden. Als u iemand wilt genezen, zeg dan niet: Ik wil u van pijn bevrij­den. Definieer die pijn: ik wil u bevrijden van b.v. de pijn in de rug of van de zwakte in een bepaalde spier of van bepaalde stof­wisselingsmoeilijkheden. Zoals u ook, indien u iets wilt verplaatsen, zult moeten definiëren. Niet: ik wil die tafel verplaatsen, maar duidelijk: ik wil dat dit deel van de tafel zich zover boven de grond verheft en zich dan in de bepaalde richting beweegt. Door dit definiëren, ontstaat er in u een concentratie waardoor alle energieën die u in u heeft erkend, vanuit het ‘ik’ gebruikt kunnen worden. Door uw beroep op hogere krachten en op het hogere ‘ik’ zult u niet aarzelen de kracht te gebruiken en zult u niet het gevoel kennen van uitputting zolang de prestatie duur. Ook dit is erg belangrijk, want hierdoor kunt u uw taak volledig aan. Ik wil hier onmiddellijk aan toevoegen dat na een dergelijke inspanning over het algemeen een gevoel van zwakte of moeheid optreedt. Indien dit het gevolg van zenuwspanning is, dan is het inderdaad noodzakelijk dat u eerst die spanningen een beetje afreageert en dan een korte tijd rust neemt. Voor sommige mensen is 10 minuten genoeg, anderen hebben er een uur voor nodig. Als u niet het gevoel heeft dat u vermoeid bent, probeer dan de gehele actie van u af te schudden. Denk er dus verder niet over na. Het is gebeurd, afgelopen. Of er resultaten zijn, interesseert u op dit moment niet, daaraan denkt u wel over een paar uur.
Op deze manier kunt u de krachten in u enorm activeren. En zonder misschien te weten, heeft u daarbij toch weer het principe van ‘zo boven zo beneden’ gebruikt. Want in de hogere geestelijke werelden beschikt de mens, vanuit menselijk standpunt gezien althans, over onbeperkte hoeveelheden kracht en energie. Door deze kracht a.h.w. aan te roepen en gelijktijdig te gebruiken als leidsnoer voor de krachten die u materieel en geestelijk bezit, zult u in staat zijn om prestaties te leveren, die uw eigen normale energetische inhoud ver te boven gaan.

Ik heb nu geprobeerd een beeld te ontwerpen van alles wat er zoal aan de hand kan zijn. Daarbij moeten we toch even teruggrijpen naar de theorieën en de filosofieën, die niet zo uitgesproken bruikbaar zijn.
De kern van alle dingen is kracht. Deze kracht kan in vele vormen optreden. Hij, die weet dat de vorm door de kracht wordt opgebouwd, kan de kracht beheersen. En wie de kracht beheerst, kan elke vorm vernietigen of opnieuw opbouwen. We zijn in dit opzicht waarlijk scheppers, maar helaas blijven we gebonden aan onze eigen wereldvoorstelling. We kunnen ons niet onttrekken aan datgene wat in ons nu eenmaal als een begeerte, als een zekerheid of als een onvermijdelijkheid bestaat. Hierdoor zullen we ook heel vaak contacten aanvaarden met bepaalde geestelijke werelden, die voor ons eigenlijk niet aangenaam zijn. Wij kunnen ons niet voorstellen dat wij deze krachten kunnen afweren. En als we een alweer gebruiken, dan doen we dit aarzelend en zonder zekerheid. We zijn eenvoudig niet bereid om al datgene wat er in en rond ons bestaat, te aanvaarden zoals het is. Wij reageren er teveel op.
Wij moeten proberen te beseffen: alle dingen zijn kracht. Alle kracht is één. Ik ben deel van alle kracht. Het totaal van deze kracht maakt het mij mogelijk om elke voor mij niet harmonische uiting van kracht van mij af te wijzen, te vernietigen of uit te sluiten. Maar aangezien ik harmonisch kan zijn met alle kracht, is het mij ook mogelijk om verschijnselen, die voor mij niet harmonisch zijn, om te vormen tot voor mij harmonische krachten, alleen reeds door mij dit feit te realiseren.
Als ik leef als deel van die kracht, zal ik leven op elk vlak waarop die energie bestaat. Ik besta zo goed op subatomair als op makrokosmisch niveau. In al deze gevallen ben ik één met het geheel, zelfs in deze wereld waarin ik mijzelf zie als gescheiden van het geheel. Zoekende naar mijn innerlijke werkelijkheid, zoek ik in wezen naar de eenheid met alle dingen. Hoe minder grenzen ik mijzelf stel, des te groter de mogelijkheid dat ik die eenheid waarlijk beleef. Hoe sterker mijn gevoel van verbondenheid met het totaal van kracht en mijn potentiële harmonie met alle verschijnselen van kracht, des te harmonischer mijn bestaan zal zijn en des te vollediger ik mij één zal voelen met alle dingen.
Er zijn werelden, die boven de grens van het besef liggen. Er zijn werelden, die onder de grens van het besef liggen. Maar dit besef op zichzelf is slechts een maatstaf van erkenning, niet van mogelijkheid.
Daarom moet ik altijd uitgaan van het standpunt: zo boven zo beneden. Datgene wat in mijn hoogste ‘ik’ mogelijk is, moet mogelijk zijn in mijn tijdelijk ‘ik’. Datgene wat ik in kosmisch opzicht en verband innerlijk ken en beleef, moet duidelijk manifesteerbaar zijn in de wereld waarin ik als mens leef en in alle andere werelden waartoe ik toegang heb. Er is geen werkelijke grens buiten de grens, die ik mij zelf stel. Er is geen werkelijke beperking buiten de beperking, die ik mij opleg door mijn onvermogen om mijn eenheid met het totaal volledig te aanvaarden en te realiseren.

Dit is eigenlijk de kern van het hele betoog. Het is misschien niet veel, maar het is wel erg belangrijk. Hiermee heb ik dan het onderwerp beëindigd. Ik zou u echter nog een paar vragen willen stellen, die u dan als huiswerk voor uzelf maar eens moet oplossen.

  1. Meent u nog steeds dat er boze of demonische krachten kunnen zijn die u kunnen schaden?
  2. Wat is beter, je afschermen of het bereiken van een totale harmonie?
  3. Op welke wijze bereik je de grootste werkelijkheidsbeleving? Door je gevoel of door je rede?

Als u deze vragen heeft beantwoord, zult u misschien ook aan uzelf de vraag willen stellen: Waarom faal ik nog steeds in het bereiken van al hetgeen ik als mogelijk voor mijzelf heb gesteld? Hier wil ik u helpen met het antwoord. Het antwoord is: omdat u nog niet bereid bent om iets wat u gevoelsmatig toch wel als juist ervaart ook als practisch mogelijk te aanvaarden. U stelt een grens tussen hetgeen u geestelijk juist acht en hetgeen u stoffelijk mogelijk acht. Probeer die grens eens te vergeten, want dan zal ook deze les voldoende vrucht voor u dragen.

Is het mogelijk om een totale harmonie te bereiken?

Die mogelijkheid bestaat in uzelf, indien u elke verwerping uitsluit. Dat is zeker voor een mens mogelijk. Maar voor de meeste mensen is dat erg moeilijk, omdat ze zich wijzer, beter, rijker, verstandiger, geestelijk hoogstaander willen achten dan anderen. U moet beginnen dit verschil te ontkennen. U zegt doodgewoon tegen uzelf; De hele wereld is niets waard ik ook niet. En als u dat nu ook kunt aanvaarden, dan is de totale harmonie meteen ook bereikt.

Als ik u een raad mag geven; Als u met harmonie moeilijkheden zit, zoals we dat nu hebben besproken, probeer u dan te realiseren. Alles wat ik weet, alles wat ik denk en alles wat ik doe is net zo een­zijdig en beperkt als bij ieder ander. Het verschil in eenzijdigheid be­tekent nog niet dat ik beter of slechter ben dan een ander. Zeg verder tegen uzelf: Alles wat bestaat moet zin hebben. Want, als dat niet zo was, zou ik niet zijn zoals ik nu ben en daarom is het voor mij belangrijk. Zo komt u ook tot een aanvaarding van het geheel.

De kabbala

Als wij de hiërarchie die is opgebouwd in de hemelen zien, dan kunnen wij de eenheid daarvan niet aanvaarden. Wij benoemen daarom elk facet afzonderlijk en vinden een rangorde waarin wij het geheel van de krachten en verschijnselen van natuur en bovennatuur kunnen onderbrengen in een vaste verhouding. Eerst als wij ons heelal hebben geregeld en ingedeeld, kunnen wij dat ook gaan definiëren. En dan zien wij dat getallen een belangrijke rol kunnen spelen want namen en getallen zijn in de Kabbala hetzelfde. Ze zijn a.h.w. een spiegeling van elkaar.
Het getal geeft de waarde aan in de werkelijkheidswereld, zoals de naam in klank aangeeft wat er is in de schijnwereld van de mens. En uit het geheel overzien wij dan de invloed zoals ze tot uiting komt in één enkel mens of in één enkel gebeuren. Men berekent dus de waarde.
Als u b.v. zegt: 1975, dan zegt u: hier gaat het getal 12 (75) een rol spelen. Hier gaat het getal der voleinding en ook van het nieuwe begin (de totale som is 13) een rol spelen. 1 is het onerkende beginsel, maar 3 is de openbaring. Zoals 1 het onbekende beginsel is en 2 de tegenstelling. Op deze wijze duiden wij kabbalistisch precies aan wat het jaar moet brengen. Dat is duidelijk als men de berekeningen volgt.
1975 moet een jaar worden waarin ondergrondse en niet erkende krachten een zeer belangrijke en stuwende rol spelen: Er zijn zeer veel dingen aan de gang waarvan men weinig of niets te weten komt. Maar gelijktijdig zullen wij in de verschijnselen een verandering zien die zeer groot is. Nieuwe beginselen worden duidelijk. Er zullen nieuwe ontdekkingen van groot belang zijn. Maar daarnaast zal ook de vernietigende werking van vele dingen uitzonderlijk scherp worden beschreven. Zo zegt de kabbalist: Dit is een jaar waarin een nieuwe cyclus zich. aankondigt en nieuwe geestelijke en stoffelijke ontwikkelingen onophoudelijk en ten dele onbeseft voorwaarts schrijden totdat zij de gehele wereld gaan beheersen. Een stelling, die door de praktijk wordt bewezen. Want aan het einde van het volgende jaar zult u, dit nalezende, moeten zeggen: Dit is inderdaad juist geweest. Er zijn vele dingen, die verborgen waren, enigszins openbaar geworden. We zijn er ons echter van bewust geworden dat krachten de wereld drijven, die we niet kennen en waarvoor we ook geen volledig begrip hebben.
De kabbalist bekijkt ook de maanden van zo’n jaar afzonderlijk en rekent voor de maanden met bepaalde getalswaarden. En als hij de getalswaarden op de juiste wijze hanteert, komt hij tot de conclusie dat de maand mei een buitengewoon spannende en boeiende maand wordt. In die maand zullen zowel geestelijke krachten als stoffelijke openbaringen voor de mensheid vaak een bijna schokkende werking hebben.
Zoals je dat doet voor een jaar, zo kun je dat doen voor een openbaringsboek. Je kunt elke letter haar eigen getal geven. Je kunt de letters verwisselen volgens bepaalde systemen en daaruit lezen wat werkelijk wordt bedoeld. Dan kom je er achter dat Jonas helemaal niet door een walvis werd verslonden maar dat hij met een schip vertrok en dat het dit schip was dat hem, ondanks zijn zoeken, afzette in een haven waar hij niet wilde zijn. Zo kun je al die dingen nagaan.
De gehele mensheid, de gehele geestelijke werking in de mensheid, ja, de gehele kosmische toestand wordt voor de kabbalist doorzichtig omdat hij ziet, aangenomen hebbend één vaste ordening van de hoogste kracht tot de laagste, dat binnen deze veronderstelde ordening de wisselwerkingen in alle verschijnselen constateerbaar blijven. Hij, die werkelijk de inhoud kent, kent ook de kracht van de Levensboom.
Deze Levensboom, die ongetwijfeld voor u vele malen is besproken, is niet alleen maar het symbool van bewustwordingsmogelijkheden, de weg die ligt tussen chaos en de bekroning van alle dingen. Hij is daarnaast ook het symbool van de samenhang die er bestaat in de mens, in de na­tuur en die voor elk gegeven afzonderlijk van toepassing is. En zoals wij in de Levensboom afzonderlijke verbindingen (dus mogelijkheden) vinden en afzonderlijke wegen, zo zullen wij die wegen en mogelijkheden terugvin­den in elk punt, in elk wezen in de schepping.
“Hij, die de krachten van de Kabbala, beheerst”, zo zegt een oud boek, “hij reikt met zijn hoofd tot in de wolken. Hij ziet de mensen als schimmen en de schimmen als mensen en hij weet welke krachten zich openbaren. En dit wetende, gaat hij vastberaden zijn weg. Niets zal hem ophouden, niets zal hem storen totdat hij zijn doel heeft bereikt. Want wetende wie hij is, heeft hij zijn doel gesteld. En zijn doel gesteld hebbend, beseft hij de kosmische werkingen, de Engelen, de Aartsengelen, de krachten van Tronen en Heerschappijen en van de scheppende Kracht zelf, die tezamen hem voeren tot datgene wat hij moet zijn en wat hij niet kan ontwijken, tenzij hij zichzelf verloochent.”
Het is een interessante benadering. Niet alleen maar de Kabbala als een eenvoudig systeempje voor wichelarij, niet als een beginsel voor magie waarbij allerlei mooie afbeeldingen kunnen worden gemaakt waarvan men zegt dat ze demonen verdrijven, een kraambed beschermen en wat dies meer zij. Neen, het is een levensbeschouwing die, door een systeem te aanvaarden dat op zichzelf niet juist behoeft te zijn, in staat is de begrenzingen van het menselijk denken te doorbreken en zo, in plaats van de feiten, samenhangen te zien. Ik weet dat er heel veel mensen zijn die zich aangetrokken voelen tot deze richting van denken en die de filosofie in de ‘Tuin van de Granaatappels’ alleen maar beschouwen als een theoretische achtergrond voor iets wat eigenlijk in zijn praktijk pas interessant en belangrijk wordt. Maar de praktijk, indien je daarvan tenminste afhankelijk bent, maakt juist duidelijk hoe onvolkomen je bent. Want al deze bewerkingen, het werken met de Hermetica en al die andere dingen, is eigenlijk niets anders dan een vervangingsmiddel voor de bereiking van de mens die, de ordening erkennende, zich daarin voegt met een volledige zelferkenning en zo in samenhangen levend en denkend, de feiten beheerst voor zover ze met zijn wezen in overeenstemming zijn. Het is opvallend dat wij in de Kabbala weinig of niets leren over duistere werelden. Het is alsof de negatieve kant van de kosmos minachtend terzijde is geveegd. Ook dat is symbolisch. Want waar het licht is, daar is het duister slechts in mogelijkheid. En het duister zelf bestaande, kan slechts zijn datgene waarin het licht zich openbaart, zonder dit heeft het geen bestaan. Alle krachten, die wij kennen in de kosmos, gepersonifieerd of niet, vormen tezamen het licht, niet het duister. De krachten van duisternis, van eeuwig vuur en andere verschrikkingen, zijn droombeelden, symbolen waarachter de mens zijn angst voor de werkelijkheid verbergt. Zoals zijn vlucht in een duistere sfeer niets anders is dan de ontkenning van het wezen dat hij weet te zijn. Daarom zal de Kabbala niet nadrukkelijk zeggen wat het duister is, al geeft ze aan dat het voor de mens kan bestaan. Maar in de kosmos en in de samenhangen ervan speelt het geen rol. Er kan geen absoluut duister zijn. En als de kabbalist zich bezighoudt met het begrip Luciferos, de Lichtende, de Prins van Licht die gevallen zou zijn, zo zegt hij: “Niet waarlijk is hij gevallen doch afgedaald is hij opdat het licht zal zijn in het duister en het duister zal spreken in het licht totdat beide, met elkaar versmeltend, de werkelijkheid openbaren in alle facetten, die bereikbaar zijn voor het bewustzijn.”
Ik weet het, de mens houdt niet van het begrip ‘Lucifer’ als een positieve factor. Maar God is positief en Lucifer is een deel van God.
Hij is dus positief. Hij heeft een functie in de totale hiërarchie en niet alleen maar de functie om verleider en straffend tegenwicht te zijn.
Er zijn duivels en demonen, ongetwijfeld. Maar de mensen scheppen de duivels en demonen. Zij roepen ze op door hun eigen onevenwichtigheid. Maar de kabbalist beseft al snel: de demon die je roept, is de demon die in je leeft. Datgene wat je bedreigt, is datgene wat in je als dreiging bestaat.
Onaantastbaar is de Lichtende. Ongehinderd gaat hij zijn wegen tot het doel dat hem bestemd is. Zonder aarzeling, beseffend wat er rond hem gebeurt, gaat hij. Maar hij let niet op de verschijnselen want hij ziet de werking ervan en de voltooiing van de schepping.
Een piramide van namen en krachten bouwt hij op. Deze piramide is voor hem de weg, die hij zelf gaat. Want één wil hij worden met de krach­ten. Eén wil hij worden met de lichtende wegen, die alle tezamen de vol­heid van het bestaan uitdrukken. Zo denkt de ware kabbalist. Het is niet noodzakelijk de geheimen verborgen te houden voor de mensen. Integendeel, de kabbalist wil draag zijn geheimen delen met de mensen, want hij weet: Slechts zij, die in staat zijn door te dringen tot achter de uiterlijkheden, die iets begrijpen van de krachten die alles richten en bewegen, zullen in staat zijn het geheim van de Kabbala in zich te dragen en de betekenis van zijn ontdekkingen naar waarheid te interpreteren.
“Ik leef”, zegt de wijze, “en levende ga ik voorwaarts. Want het is mijn wezen om voorwaarts te gaan en niets zal mij belemmeren en beletten om voorwaarts te gaan. Want ziet, ik ben deel van het geheel en dit is mijn weg en geen andere. En tussen alle namen en krachten is mijn weg uitgestippeld tot aan het einde waarin de vervulling komt. Daarom vrees ik niet. Ik wandel in de tuin van de eeuwige Lichten. Ik wandel in de tuin van de eeuwige Krachten. Ik sta met de voeten op de aarde, verworteld met de stoffelijke natuur. Ik erken mijn afkomst uit de chaos, maar ik ben de vorming en ik zie in mijzelf de lichtende bekroning van alle wezens.”
Mogelijk had u een ander betoog verwacht over de Kabbala. Maar dit is belangrijk en de waarheid. Omdat de waarheid niet is gelegen in de systemen, maar in het besef van eenheid. Belangrijk is deze waarheid vooral omdat zij je onafhankelijk maakt van het voortdurend cijferen en zoeken. Zoals eens een ingewijde zei:
“Zij, die voortdurend in cijfers trachten de werkelijkheid te vinden, verliezen al cijferende zichzelf. En zichzelf niet kennend, heeft al wat zij bereiken voor hen geen nut.”
In wezen zijn wij allen op weg naar onze bestemming. En wetend welke krachten er rond ons zijn, zullen wij ze niet vrezen of uit de weg gaan. Wij gaan onze weg verder; wij gaan voorwaarts. Want juist door ons voorwaarts gaan naar het doel dat ons bestemd is (het waarmaken van datgene wat ons wezen is en volledig zal moeten uiten in de volmaaktheid), beantwoorden wij aan alle bestemming en zijn wij meester over alle krachten. Maar slaaf van alle krachten is hij, die vreest. Want hij, die vreest, hij treedt terug op zijn weg en hij, die omwegen maakt, verliest zijn mogelijkheden.
Ik heb getracht u een beeld te geven van wat uw leven kan zijn. Maar een waar mens en een waar kabbalist zal ook zeggen:
Besef, wat gij geworden zijt, maar kijk niet terug in de tijd en tracht niet terug te keren op uw schreden. Kies nu waar gij zijt de juiste weg. Kies nu waar gij zijt de juiste krachten: Erken rond u die veelheid van uitingen, de namen en mogelijkheden van de lichtende werelden, die met u zijn en blijven beantwoorden aan al wat gij wilt zijn en wilt waarmaken.
Kijk niet achterom. Ga voorwaarts. Besef het licht dat met u is en vrees niets van datgene wat op uw weg komt. Dan zult ge bereiken.
Dat is de boodschap, die de Kabbala geeft aan elke mens. Het is de belofte van een voleinding, die eens voor eenieder zal komen. Het is de uitdrukking van een alomvattende goddelijke Kracht, die met ongetelde aangezichten toch één en dezelfde blijft in wezen.
Ik hoop, dat dit onderwerp voor u interessant is geweest en u een reden heeft gegeven tot nadenken.

Overwicht

Overwicht, dus meer gewicht: Hoe kan ik overwicht hebben op al dat andere, want alles heeft zijn eigen wezen en kracht en zijn eigen gewicht.
Overwicht heeft iets, indien ik niet besef wat ik zelf ben.
Daar waar ik niet begrijp wat mijn wezen en mijn mogelijkheden zijn, zal een ander overwicht krijgen, inderdaad. Daar waar ik de meerwaardigheid, het groter inzicht, het beter besef van een ander aanvaard, zal deze over­wicht hebben in zoverre dat ik hem aanvaard. Zelf zal ik overwicht heb­ben door wat ik ben, als een ander zich minder bewust is van zijn eigen wezen. Maar dat is geen werkelijkheid. Dat is de illusie, die wij koeste­ren.
Het overwicht, dat wij een ander toekennen, is niet de erkenning van eigen kleinheid, maar een poging om eigen grootheid te gewinnen door een ander. Wij kunnen slechts groot zijn in en door onszelf. Alleen de werkelijke kosmische kracht kan ons die grootheid geven, niets anders.
Indien wij menen meer te zijn dan een ander, dan doen wij dit vaak om onze verplichtingen, zoals wij die erkennen en beleven, terzijde te kunnen stellen om ons daarop ietwat laatdunkend te kunnen beroemen. Maar we zijn gelijk aan alle anderen. Mens en geest zijn gelijk. Mens en mens zijn gelijk. Krachten van licht en duister zijn gelijk, want zij zijn één kracht; ze bestaan uit één waarde en één werkelijkheid. Daarom is geen overwicht denkbaar.
Wie meent een overwicht te bezitten, hij beseffe wel: het is een illusie, die hij eerst zal moeten verliezen voordat hij zijn werkelijk gewicht, zijn werkelijke zijnsgronden zal leren ontdekken.