Zo gij niet wordt als deze

6 maart 1960

Na de vele beschouwingen, die wij u op ander terrein hebben gegeven, zou ik vandaag weer eens willen terugkomen op een meer bijbels onderwerp. Jezus maakt eens een opmerking tot zijn leerlingen. Wijzende op de kinderen zegt hij: “Zo gij niet wordt als dezen, zult ge niet ingaan in het Koninkrijk Gods.” Eigenlijk een beetje vreemde verklaring als je dat zo nader beziet.

De doorsnee-mens is trots op zijn volwassenheid. “Kinderen zijn zo oppervlakkig,” zo zeggen zij, “zij denken vaak zo verward, ze zijn wreed, ze denken niet na. Zou je dan juist zo moeten worden om het Koninkrijk Gods te kunnen ingaan? Eigenlijk een beetje vreemd.”

Als je dit onderwerp gaat ontleden, zoals ik dat heb gedaan, zijn er nogal wat eigenaardige aspecten te vinden. In de eerste plaats kom je terecht bij de psychologie. Daarnaast ga je zoeken naar de eigenschappen, welke dat Koninkrijk Gods dan moet bezitten en ten laatste – zeker niet ten leste – ga je je afvragen, waarom Jezus dit heeft gezegd en welke bedoeling wij daarin moeten zoeken. De kerken, ach, die weten dat allemaal zo goed. Kinderen zijn onschuldig. Nou ik heb in mijn tijd kinderen gehad en wanneer ze eenmaal zo’n jaar of drie zijn, kun je zeggen: “Vergeet dat maar.” Kinderen zijn misschien naïef, maar onschuldig zijn ze zeker niet. Ik meen dan ook dat wij er goed aandoen op deze bijeenkomst dit onderwerp nader te bezien en te proberen daaruit voor onszelf de nodige conclusies te trekken.

Nu wil ik beginnen te trachten de kinderlijke psyche wat te ontleden, de geesteshouding van het kind nader te bezien. Allereerst vind je dan in het kind een voor de volwassene haast onvoorstelbare diepte van gevoel. Het kind wisselt snel zijn gevoelens, dat is waar. Het kan in een ogenblik van het diepste leed tot de grootste vreugde komen en omgekeerd, maar er is een diepte en een intensiteit van reageren, die wij bij de meer volwassenen helaas niet meer zien.

Wanneer een kind werkelijk woedend is, dan meent het dat ook. Dan berekent het niet, waarom het woedend is en of het effect zal hebben. Het is woedend. Wanneer een kind blij is, dan is het blij, ongeacht wat er gebeurt. Wanneer een kind een mens accepteert, een mens vereert of aanbidt, dan gebeurt dit zonder enig voorbehoud.

Kinderen kijken niet naar uiterlijke omstandigheden en uit mijn stoffelijk leven herinner ik mij  wel dat ik soms op mijn dochtertje heel erg boos was. Want zij had een vriend, een bedelaar en die man was in de ogen van ons, volwassenen, te vies om met een tang aan te pakken. Maar voor haar was dat een man vol van geheimzinnige wijsheid en of hij er nu vies uitzag of niet, dat interesseerde haar niet. Het was haar vriend en zij deed alles voor hem wat zij kon met een gulheid, die heus niet alleen ten koste van ons, haar ouders ging, maar ook wel degelijk haar eigen spaarcentjes en haar eigen snoepjes betrof. Edelmoedig.

Kinderen zijn hard. Zij trekken een logische consequentie en zij houden zich eraan. Als een kind iets dwaas vindt, dan vraagt het zich niet af, waarom die dwaasheid bestaat, dan reageert het erop en doet dit fel. Als het iets verkeerd vindt, dan is het al even hard. Het kent geen verontschuldiging, het gaat recht op zijn doel af. Het houdt zich niet te veel met de gevoelens van anderen bezig. Het houdt zich bezig met zijn eigen gevoelens en zijn eigen reactie.

Ik geloof dat de meesten onder u dit kunnen bevestigen. wat is het dan dat het kind zo belangrijk maakt? Is het de kinderlijke fantasie, die het onwerkelijke werkelijk maakt voor het kind? Alleen met fantasie geloof ik niet, dat wij het Koninkrijk der Hemelen kunnen bereiken. Je vraagt je af: Waar moet het heen? Wat is de zin van deze uitspraak?

En onwillekeurig, als je met het kind niet verder komt, omdat het in de ogen van een volwassene, een meer ontwikkeld mens, een meer ontwikkelde geest, zo simpel, zo primitief en direct is, meen je dat je het elders moet zoeken, n.l. in het Koninkrijk. Gods Wat kan dat Koninkrijk Gods zijn? Een band met God? Ja, in de eerste plaats wel een band. Als je innerlijk weet, dat je bij God hoort, als God voor jou een werkelijkheid is, dan verandert de wereld a.h.w.. Hij is dan het middelpunt en als je ergens behoefte aan hebt, dan vraag je dat God en dan verwacht je ook dat je het krijgt.

Ik geloof wel dat dit een van de redenen is, waarom wij het kind hier speciaal genoemd zien. Want een kind vertrouwt op zijn God, evenveel als op Sinterklaas, voor het er achter komt, wie onder mijter, baard en tabberd verborgen is. Het kind gelooft in God absoluut en het vindt het helemaal niet vreemd om te vragen: “God, wek even een dode voor mij op”? of: “Goede God, maak dat het morgen goed weer is, want wij gaan uit.” En als het niet doorgaat, voelt het zich teleurgesteld, maar het zal de volgende keer weer net zo bidden. Het zal weer net zo zijn eenheid met God trachten te bevestigen.

Dit zou een reden kunnen zijn. Maar als het Koninkrijk Gods alleen dit is, dan is dat niet veel. Er moet meer zijn. Een wijsheid dan, een innerlijke wijsheid. Indien wij tot Gods rijk behoren, kan ik mij niet voorstellen, dat wij eenvoudig niet weten wat wij doen.

Wij moeten ergens een besef hebben, dat verder gaat dan de rede. Vind ik dat dan bij het kind? Ja, hoe vaak zien wij niet dat kinderen een zeer beslist oordeel hebben bv. over mensen en zonder enige reden. Wij weten niet, waarom zij die mensen prettig of niet prettig vinden, maar zij hebben hun oordeel klaar. En zij handelen daar consequent naar.

Typisch voor de mens, die opgaat in een hogere wijsheid. Want als je een inwijdingsschool doormaakt, als je zoekt naar hoger geestelijk beleven, dan komt er ook een ogenblik dat je de rede een eind opzij moet zetten. Niet helemaal, maar dan komt er toch iets, wat je intuïtie kunt noemen of geestelijke leiding of een geestelijke meester in de plaats van het zuiver menselijk redeneren. Het kind schijnt die eigenschap a priori te bezitten. Het zou ook wel een deel van het Koninkrijk Gods kunnen zijn.

Ja, en dan geluk. Een Koninkrijk waarin God regeert, moet toch geluk in zich dragen. Vinden wij dat bij het kind? Och, u weet hoe blij kinderen kunnen zijn met een kleinigheid. Hoe ze zonder enige, voor volwassenen kenbare redenen plotseling in een volle opgewektheid rond galopperen in de wereld, alsof er niets anders te doen ware dan te spelen en te juichen. Wij weten hoe kinderen – zelfs in een oorlog, terwijl er overal rond hen bommen vallen – blijven spelen en de kleine vreugden van de dag toch nog weten te genieten. Het moet wel heel erg zijn met een kind, als het niet meer kan glimlachen, als het niet in zich die lichtende, stralende primitieve vreugde van het leven heeft. Dat zou dok bij het Koninkrijk Gods kunnen behoren.

Wat is er nog meer? Het kind is altijd zeker en het kind neemt het wat lichter met zijn taken. Per slot van rekening, dingen die eerst komen tellen eerst. En als het knikkertijd is, moet het huiswerk even wachten, als er een paar mooie stuiters te winnen zijn. Zou dat misschien ook iets met het Koninkrijk Gods te maken hebben, dat de belangrijke dingen van heden voor de zorgen en zelfs voor de plichten van morgen gaan?

We zouden de zaak eens moeten samenvatten en eens nagaan wat het Koninkrijk Gods dus zou kunnen zijn aan de hand van deze uitspraken. Een eigenaardige wereld, waarin je direct contact hebt met God. Een innerlijke wereld: een wereld die van binnenuit de wereld buiten a.h.w. verandert. Een wereld, die plichten alleen secondair kent, maar in de eerste plaats leeft. Een wereld, waarin de vreugden intens en groot kunnen zijn en in de kleinste dingen kunnen liggen. Zover klopt de zaak, zou ik zeggen.

Maar het Koninkrijk Gods is natuurlijk nog meer. Het Koninkrijk Gods dat in je ligt is uit ons standpunt – en wij zijn dan natuurlijk niet helemaal kinderen – een voortdurende eenheid met God. In je leeft een Goddelijke vonk: in je brandt de eeuwige vlam op een altaar van menselijk denken, van schepping, van geestelijk streven, klaar en onveranderlijk.En wanneer wij niet meer weten waarheen we moeten gaan, dan is er steeds in ons dat licht, dat ons helpt. Het is dat licht dat ons helpt bepalen hoe te handelen, God is de bepalende factor van het leven geworden, onuitblusbaar door alle werelden en sferen.

God heeft de mensen lief. En het is uit die liefde, dat Hij voortdurend één wil zijn met hen. Dat Hij, zover het mogelijk is, hun Zijn wezen geeft te dragen in die mate, dat degenen die tot de grotere ervaring komen de Christusgeest zelve dragen: dat is de Goddelijke liefde geopenbaard in een zuiver menselijk werken en streven.

Het Koninkrijk Gods is belangrijk. Het is een zichzelf kennen, een weten omtrent jezelf, maar vooral een weten omtrent je God: Het is voortdurende harmonie tussen de Oneindigheid en je eigen wezen. Vreemd. Als ik dit zo zeg uit eigen denken, uit lang zoeken, kan ik er niet veel verschil in vinden met die kinderlijke wereld. “Zo gij niet zijt als dezen, zult gij niet ingaan in het Koninkrijk Gods.” Dan moet Jezus wel veel, heel veel hebben geweten van mensen en van kinderen en natuurlijk van Zijn Schepper, van Zijn Vader. Wanneer hij dit zegt, geloof ik eigenlijk dat hij in een paar woorden een heel betoog samenvat.

Het is wat stoutmoedig van mij, als ik tracht dit betoog te geven, weer te geven in zijn volle uitgebreidheid, omdat de mens van heden die paar woorden met hun implicatie niet kan verstaan. Ik heb gelukkig daarbij steun. Jezus heeft veel met zijn leerlingen gesproken en vooral met Johannes is hij op de diepe problemen ingegaan van wat wij noemen: de esoterie, de geheimzinnige innerlijke wetenschap, waarin de mens kan opgaan tot God. Ik zal hierop voor zover noodzakelijk een beroep doen. Met de woorden citeren die hij heeft gesproken, tenzij dit hoogst noodzakelijk is, maar trachten uit het geheel van zijn leven en werken zijn inzicht en de verklaring van deze op het eerste gezicht wat raadselachtige zinsnede duidelijk te maken.

Om werkelijk tot Gods Koninkrijk te behoren is het noodzakelijk om God lief te hebben en om God te erkennen. God moet een werkelijkheid zijn, ook al kun je Hem met je ogen niet zien. Er mag niets werkelijker zijn dan die God en die God moet het panaceum zijn voor al je kwalen, voor al je ziekten en al je wonden. Hij moet het zijn, Die elk verlangen kan vervullen. Hij is het, Die antwoord geeft op elke vraag. Zoals een kind het onzichtbare werkelijk maakt en doordringt in werelden, die voor de volwassenen vaak gesloten zijn.

Jezus brengt zijn leerlingen steeds weer, zo goed hij kan, in de juiste stemming. Hij vertelt hun verhalen. Verhalen, welke op zichzelf mooi zijn en symbolisch, maar waarvan de eigenlijke bedoeling niet slechts is een les te geven maar vooral hen te bewegen tot het loslaten van de uiterlijke werkelijkheid. En dat doet hij. En wanneer hij dat heeft bereikt, ach, dan zegt hij woorden die eigenlijk geen opzienbarende waarheid zijn, tenzij je kunt aanvoelen, hoe juist het kleine en eenvoudige van het leven de directe openbaring van de Goddelijke kracht is.

Wanneer hij spreekt over de kinderen, moet hij ongetwijfeld ook denken aan zijn leerlingen, aan al de mensen, die hij rond zich ziet met hun soms onredelijke toorn, met hun eigenwijsheid. En hij zal tot zichzelf zeggen: Wanneer dit nu maar spontaan is, wanneer je jezelf durft zijn, durft te geven, zoals je bent, dan kun je inderdaad jezelf leren kennen, dan kun je de God in je beter begrijpen.

De zorgen die een mens in de wereld heeft, zorgen voor onderdak, voor voeding, voor goede manieren en voor aanvaarding in de maatschappij zijn eigenlijk zo onbelangrijk. Het kind denkt over al die dingen niet na. De goede gaven die het krijgt, neemt het als vanzelf sprekend en als zijn recht en als het er niet is, ach, het vindt het niet prettig, het zal protesteren, maar ook dan aanvaardt het de toestand betrekkelijk snel.

De mensen zouden dat ook moeten doen. Maar de mens is te zeer gehecht aan de ideeën, die in hemzelf ontstaan, de vooropgezette meningen, die in hem zijn vastgeroest, om op enigerlei wijze prijs te geven wat zijn geheiligd denkbeeld is.

De mens past zich niet aan. Het kind wel. Maar om Gods Koninkrijk te kunnen betreden, moet je je kunnen aanpassen aan veel, wat voor deze wereld absoluut onlogisch en onredelijk is.

Jezus zegt: “Laat alles achter u,” en onmiddellijk begint de mens te protesteren, zeggende: “Ja, maar mijn zaken, mijn gezin, mijn verplichtingen, mijn verantwoordelijkheid,” Het kind niet.

Een kind kan een vreemde mens volgen en helemaal niet denken aan de zorgen, die dat voor thuis betekent. Want die mens, die vreemde mens, vult op dat ogenblik zijn leven. Het kan uren verzonken zijn in de beschouwing van de kleine dieren, die aan de oppervlakte van het water spelen, er helemaal niet aan denkend, dat anderen misschien bevreesd zijn. Het gaat op in wat op dat ogenblik zijn werkelijkheid is.

Een kind kan afstand doen van alle dingen en opgaan in dat, wat zich openbaart. De volwassenen niet. Het Koninkrijk Gods vergt een achterlaten van alle dingen.

Ja, ik geloof, ik geloof werkelijk dat wij Jezus lering in dit opzicht eenvoudig kunnen samenvatten: “Jij mens, je maakt je zo druk over alle dingen rond je.”  “Judas, je denkt aan de kas. Wat heeft die kas voor belang? Dacht je dat de Vader niet voor alle dingen kan zorgen, indien het noodzakelijk is?”  “Jij Petrus, jij meent dat ge gewapend ten strijde moet trekken. Je meent, dat je moet intrigeren en overal bij zijn. Petrus, dacht je niet dat God overal was, dat God één sterker wapen is dan alle dingen?” “Jullie allemaal, leerlingen, mensen, wat doen jullie anders dan voortdurend proberen God te corrigeren in plaats van Hem te aanvaarden. Je vertrouwt het God eenvoudig niet toe het leven goed te regelen. Je kijkt naar je ervaringen van het verleden en zegt: “Och, ik heb misschien gevangen gezeten of in een ziekenhuis gelegen, ik heb geld en goed verloren: men heeft mij niet willen kennen. Dat is verschrikkelijk.” Het Koninkrijk Gods ligt toch niet in die dingen. Het is belangrijker dat je God in jezelf kunt erkennen dan alle eer die men aan de grootste keizer op de wereld sou kunnen bewijzen. Die mensen leven eigenlijk verkeerd. Ze kunnen niet kinderlijk aanvaarden wat hun wordt gegeven. Men is voortdurend bezig te kritiseren, te verdraaien, te verbeteren en schijnt niet te willen begrijpen dat de Vader almachtig en volmaakt is.

Dat thuis, waarheen dat heeft hij bedoeld: “Maar zoals een kind tegenover zijn vader kan staan, indien het deze erkent en vereert, zo zullen wij moeten staan tegenover God. Iemand, die geen kwaad kan doen. Iemand, die machtig is en ons altijd kan helpen. Iemand, die ons misschien wel eens een keer straft of in de hoek zet, zelfs een pak slaag geeft, maar die dat toch nooit zal doen met een werkelijke haat en op wie we zelfs tijdens de straf een beroep kunnen doen. Begrijpen jullie mensen niet, jullie apostelen en leerlingen, wat God in Zijn liefde is? Jullie dromen misschien van een stoffelijk rijk, van een plaats op een troon, van overwicht en gezag t.o.v. anderen. Die dingen zijn onbelangrijk, dat is spel. Belangrijk is, dat je een thuis hebt, een thuis bij God je steeds terug kunt keren, is Gods Koninkrijk.

Zo heeft Jezus het ongeveer willen zeggen: met die ene simpele uitspraak. En de gevolgtrekkingen kun je dan voor het menselijk leven heel nuchter, heel praktisch en heel logisch maken. De mens kan ze echter niet aanvaarden, omdat hij te veel is vastgeroest in zijn eigen beeld van de wereld. Het is waarschijnlijk nutteloos u te wijzen op andere uitspraken van Jezus. Zegt hij niet van de leliën des velds: “Ziet, zij zwoegen en ploegen niet, zij weven niet en toch zijn ze schoner gekleed dan Salomo in al zijn heerlijkheid”?

God geeft. Er wordt niet van u gevergd, dat u verdient. Hiermede ligt het grootste struikelblok al op onze weg. Iets krijgen en het niet verdienen! Een mens kan zich dat niet voorstellen. En dan hoe krijgen! Ja, natuurlijk, wanneer wij het ineens kunnen krijgen als een vatbare werkelijkheid, wanneer wij kunnen zeggen: “Nu ja, zo zijn we niets en dan komt God en we zijn vol van macht, glorie en schoonheid, dat willen wij aanvaarden.”

Hoe gaat het met die leliën des velds? En wat dat betreft met het kind? Is er niet sprake van een langzame, haast onmerkbare groei? Voordat de schoonheid van de bloem zich ontplooit is een heel seizoen voorbij. Haar kelk, haar glorie is haar eindelijke levensopenbaring. Niet datgene wat zij van den beginne af kenbaar heeft bezeten. Het is de ontplooiing.

Zo is het met het kind ook. Dat kleine wicht, dat wat nijdig schreiend om zijn voedsel roept en zijn ongemak kenbaar maakt, moet opgroeien tot een wezen, dat denkt, dat handelt, dat een geloof heeft, dat dromen kent. Een wezen, dat vaak buiten de eigen wereld rondkijkt in een tweede wereld en daarin beleeft. Een wezen, dat gelooft in mensen, gelooft in een God. En dat duurt. …. jaren.

Voor de mens is het moeilijk het Koninkrijk Gods te accepteren, omdat het zo onmerkbaar komt. Een onmiddellijk resultaat en een wonder, dat willen we allen aanvaarden, daarop zitten wij te wachten, Maar dit langzame, dit onmerkbaar veranderen in onszelf, dat lijkt ons niet voldoende. Wij zijn er ons niet eens van bewust, dat er innerlijk iets verandert. En dan menen wij dat wij het heft in eigen handen moeten nemen.

Maar als een lelie zou zeggen: “Ik wil bloeien voor de tijd, wat zou er dan gebeuren? Het klimaat zou haar doen verwelken, voordat zij aan haar doel heeft beantwoord. Ze zou zich uitputten, haar krachten verspillen en ten slotte misvormd zijn. Hoe gaat het met een kind, dat volwassen moet zijn, terwijl het jong is? Het kent nooit de werkelijke vreugde, het blijft later een neurotisch, een misvormd mens.

U hoort het misschien niet al te veel maar denk eens aan de wonderkinderen van weleer. Hoeveel zijn er van hen, die toch nog de innerlijke kinderlijkheid weten te herwinnen, die kunnen opgroeien tot werkelijke en verantwoordelijke mensen? Dat zijn er maar weinigen. Kinderen, die te vroeg volwassen zijn, worden nooit werkelijk volwassen. Zij zullen ook nooit werkelijk kinderen zijn, nietwaar?

Zo gaat het met ons. Het Koninkrijk Gods is niet zoals men dat wel eens wil voorstellen: een verbluffend licht, een onmiddellijk gebeuren, een wonder dat de wereld verandert. Het sluipt naderbij, zoals de slaap, wanneer een kind ’s avonds mag opblijven. Je verweert je er eigenlijk wanhopig tegen, want het is zo in strijd met al hetgeen je zou wensen, zou willen. Maar het komt, onvermijdelijk, Het omarmt je en voor je het weet, voor je begrijpt hoe en waarom, is je werkelijkheid veranderd. Gods Koninkrijk aanvaarden, vrienden, wil zeker niet zeggen dat u nu alleen maar moet afwachten. Het is niet het lijdzaam ondergaan, evenmin als een kind lijdzaam is. Het houdt zich voortdurend bezig. De wereld is u gegeven. Een wereld met zon en met wolken, een wereld met vreugden, een wereld met smart, een wereld. met steden als steen, woestijnen vol van het felle licht van neonlampen n het gedaver van verkeer en muziek. Maar ook een wereld, waar het ruisen der zee of de eenzame roep van een vogel het enige geluid. is. Bossen die voor zichzelf heen schijnen te murmelen om, wie weet, ongekende geheimen of de buurpraatjes der bomen in hun geritsel voort te dragen. Een hele wereld met al haar vreugden, met al haar beleven. Een wereld waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten en de vreugde kennen. Een wereld waarin je van elkaar gescheiden wordt, zonder te begrijpen waarom. Een wereld waarin je kunt spelen en lachen en waar je je ook soms in kunt bezeren en soms erg ook.  De speelplaats voor kinderen, die Gods Koninkrijk als hun thuis kennen.

Die wereld is u gegeven om u daarin te verheugen. Droefgeestigheid en smart zijn uit den boze. Een al te gedegen ernst is vaak schadelijk voor geestelijke ontwikkeling en innerlijke gezondheid.

Er is u een wereld gegeven om mee te spelen. Indien u tenminste in uzelf het gezag van God kunt erkennen en altijd weer, wat er ook gebeurt, tot die God terugkeert, zoals een kind tot zijn moeder. Langzaam, zonder eigenlijk te weten hoe, leer je dan, zoals een kind langzaam leert woorden te vormen, leert lopen, leert zich te bewegen en steeds intenser deel te hebben aan de omgang met volwassenen, tot het eindelijk zo’n eigen-wijsje wordt, dat als een “enfant terrible” de plechtstatigheid van de volwassenen bespottelijk maakt, zonder dit zelf te begrijpen. Zo gaat het met ons. Wij groeien langzaam. Onze liefhebberijen, ons spel, ons denken, ons werken, maar evenzeer onze vreugden en genoegens tezamen, zij vormen voor ons een mogelijkheid om steeds rijper te worden, innerlijk rijp voor God’s Koninkrijk.

“Als ge niet wordt als dezen, zo zult ge niet binnengaan in het Koninkrijk Gods.” Als je niet kunt leren, zonder het haast zelf te beseffen dag in dag uit, als je niet langzaam en zonder het te weten groeit naar een innerlijke rijpheid, een groter begrip, een groter handelingsbekwaamheid ook, dan zul je geen deel zijn van het Koninkrijk Gods.

Jezus heeft de mens in deze uitspraak willen leren en waarschijnlijk zeer in het bijzonder aan zijn 40 leerlingen, dat je van God niet moet verwachten, dat Hij Zich in al Zijn glorie openbaart, maar dat je eerder langzaam rijpt tot een steeds juister erkennen van Zijn wezen en Zijn waarheid.

Dat geldt ook voor u, vrienden. Indien u krampachtig strijdt om God te leren kennen, zonder dat u er innerlijk toe wordt gedreven en het in feite een spel, een liefhebberij voor u is, dan zult u niet verder komen. Indien u wilt doordringen in de geheimzinnige werelden van magie en esoterie, dan heeft dat hoegenaamd geen zin, tenzij er iets is, wat u daartoe innerlijk drijft. Maar zelfs dan moet ge instaat zijn om evenals een kind plotseling het spel te onderbreken en een andere richting uit te gaan en u voor een ogenblik met iets anders bezig te houden.

Werkelijk leven is a.h.w. spelen met de lessen, die God je geeft en leren, zonder het te weten en zonder eronder te lijden. De volwassen doorsnee-mens beziet het verkeerd. Hij meent dat alles in klassen moet worden ingedeeld. Hij ziet zichzelf, gezeten in de schoolbanken van een grote geestelijke school, terwijl grote leraren daar staan, die hem zijn sommen leren en hem zijn huiswerk opgeven. Zo is het niet. De lering ligt overal rond je. En zoals een oom of tante, een vader, een moeder soms eigenlijk in een prettig gesprekje, een soort van intimiteit een kind iets meer leren, iets uitleggen en antwoord geven op een vraag, zo geven de krachten die u helpen en leiden u op de ogenblikken dat u hen benaderen kunt steeds weer een antwoord op een vraag, een beetje beter inzicht of een uitleg. Maar dan wordt er van u verwacht, dat u daarna weer zult gaan spelen en u niet voortdurend zult blijven vastbijten in zo’n enkel probleem. De wereld is er om vreugde te kennen, om er te spelen. Niet zoals de mens denkt om in bloed en zweet te zwoegen.

Er staat in het Oude Testament geschreven “Van nu af zult gij uw brood verdienen in het zweet uws aanschijns en ge zult baren in pijn.”

Juist dat bewijst dat het hier gaat om het innerlijk, niet om het uiterlijk. Want de barensnood van de vrouw is op zichzelf niet zo groot en zo ondragelijk als het vaak lijkt. Wanneer ze het niet ziet als iets wonderlijks, als iets bijzonders, maar als een normaal gebeuren, dan is het moederschap zo normaal, dat het baren minder erg is dan menig andere pijn, die mensen kunnen lijden of die mensen elkaar aandoen.

Hetzelfde is het met werken. Werken in het zweet uws aanschijns, Het klinkt zo gewichtig. Wanneer we ons bewust zijn van de bittere noodzaak ons brood te verdienen, dan is het werk zwaar, dan is het vermoeiend. Maar hebt u nooit gezien, hoe kinderen en jonge mensen in hun enthousiasme, alleen maar om eens te mogen meehelpen, meer werk verzetten, meer doen dan iemand die ervoor wordt betaald en in de intense vreugde niet eens merken dat ze moe worden? Het is een instelling. Leer jezelf juist in te stellen t.o.v. de wereld. Leer alles, wat er in het leven bestaat, erkennen voor wat het is. Niet een bittere noodzaak, niet een zware last en verantwoordelijkheid of het wonderlijk gebeuren dat jou alleen betreft, maar doodgewoon en heel nuchter het leven, waarin je plezier hebt, waarin je vreugde schept.

Ach ja, ik weet het wel, het is niet praktisch, vrienden, Je kunt niet alleen dat doen, waarin je zin hebt. Een kind probeert het en alleen door de bittere noodzaak laat het zich bewegen tot andere actie, dan die het zelve wil. Al is het alleen maar het wassen van zijn handen en eventueel zijn gezicht voor het aan tafel gaat. Maar is dat dan zo erg? Is het in het leven niet zo, dat wat gebeuren moet, je tegen je wil in wordt opgelegd en dat je daaraan niet kunt ontkomen, maar dat je heel rustig moogt proberen dit zo gauw mogelijk te doen voorbij gaan?

Je leeft toch niet alleen maar voor een maatschappij en maatschappelijke verplichtingen. Je leeft toch voor jezelf. Jijzelf moet toch bewust worden, jijzelf moet toch tot het Koninkrijk Gods komen. Pas wanneer je deel bent van dat Koninkrijk Gods in steeds intenser en dieper bewustzijn, dan zul je een zijn met de anderen en zul je in de volle zin des woords weten wat naastenliefde betekent. Dan zul je ook beseffen wat God en Gods kracht betekenen. De meeste van ons zijn nog kinderen. Hoe oud je ook bent in jaren, je blijft kind. Tot in je de geestelijke rijpheid is gekomen. Tot uit de langzame en ongemerkte ontwikkeling je plotseling tot de ontstellende ontdekking komt: ik ben groot, ik ben volwassen. Een deel van Gods Koninkrijk erkent zijn taak.

Ja, vrienden, dat is dan alles wat ik erover heb te zeggen. Ik heb geprobeerd, om de intentie van Jezus, de bedoeling en de betekenis daarvan te vinden. Misschien ben ik erin geslaagd, misschien ook niet. Ik heb gespeeld – misschien als een kind, een wat ouder kind – met ideeën en begrippen, die voor mij prettig en waardevol zijn. Ik hoop alleen maar dat de anderen, die ik – zonder te trots te zijn – toch wel jongeren mag noemen, er ook iets van hebben geleerd, zonder dat het hun belet hun eigen wegen te gaan.

o-o-o-o-o

Als je nu zo’n betoog hebt aangehoord, dan heb ik zo het idee, dat je eigenlijk een loflied moet gaan zingen op het leven en de wereld. En zeker ook op het leven in de geest. Want weet u, als het leven op de wereld een stevige maaltijd is, een stamppot of zo iets, dan is leven in de geest toch wel een zeer delicaat dessert. Als ik die lofzang moet of wil zingen, wat moet ik dan eigenlijk gaan zeggen? Moet ik gaan zeggen dat de wereld vol is van een lach en een glimlach. Het ligt eigenlijk aan jezelf of je lacht of glimlacht. Ik kan gaan vertellen, dat God humor heeft. Ongetwijfeld, hoe zou Hij anders de mensheid hebben geschapen. Ik weet niet, of die opmerking zal worden geapprecieerd.

Wanneer ik zo denk, zou ik eigenlijk woorden willen weven. We hebben het net over kinderen gehad wel, zoals een kind een matje vlecht, zo zou ik de verschillende ideeën en kleuren, die in het leven zijn, willen samenvlechten. Op de een of andere manier er iets van maken, met inhoud. Misschien niet erg waardevol voor anderen maar voor jezelf kostbaar. Laat ik het maar, eens proberen:

Hoe wonderlijk is het dat wanneer de regen tegen de hemel staat in torenhoge wolken en in flarden grauw neerschiet naar de aarde, ze gelijktijdig de aarde voedt en in het ontstaan van de regenboog het licht van de zon ontleedt en openbaart in alle kleuren. Wat is het leven eigenlijk anders? Het leven dat in ons is. Je draagt in je iets wat vlinderlicht kan ronddartelen door alle sferen, een geest en een ziel. En ontladen a.h.w. uit de sferen daal je neer op een wereld. Je voedt die wereld, de geest vormt de materie en de materie geeft een taak en een bestemming aan de geest. Maar als je goed kijkt, dan zie je zo nu en dan boven je de kleuren van een soort regenboog. Het is alsof het Goddelijke licht in geest en bewustzijn een wereld in zijn voile kleuren uiteen legt en openbaart wat er aan schoonheid is.

Ik weet niet, of u wel eens zo vol bewondering hebt gestaan, wanneer zich tegen een loodgrijze lucht plotseling een boog aftekent met zijn bleke kleuren, die sterker en sterker worden om dan weer te verdwijnen. Voor mij is dit iets van het leven. Het leven is vreugde, het is de glimlach van het kind, het is de vreugde van een eerste ontmoeting. Het is de stilte van het rusten bij het water na een hete middag en de vreugde van de intense kou, wanneer je op ijzers over de bevroren rivieren voort suist.

Er zijn zoveel verschillende dingen. Maar alles wat er in het leven gebeurt, alles wat er is heeft zijn betekenis en zijn zin. In alles zijn licht en vreugde, als je ze maar kunt vinden. En wanneer je die vreugde niet snel genoeg kunt vinden, dan is er altijd nog die zekere vreugde, dat je niet alleen bent in je lijden en de versterking van je eigen vreugde, omdat je niet alleen bent. De innerlijke vreugde, die je kent.

Soms denk ik wel eens aan God als een soort wever. U weet wel, niet maar zo’n gewone wever die een laken maakt, maar zo iemand die bv. een kleed weeft, een gobelin, waarbij de schuitjes heen en weer flitsen, hier een donkere, daar een lichte draad en het beeld zich steeds scherper gaat aftekenen op de rol, die naar beneden wordt getrokken: Boven zie je alleen maar de touwtjes. Je weet niet wat er in komt.

Zo sta je als mens in het leven en als geest precies hetzelfde. Beneden zie je het wonderschone en harmonische geheel, dat wij het verleden noemen. Voor ons de lege touwtjes van de toekomst. Wij weten nog niet wat er tussen past. Zeker, er is wel een patroon. De wever heeft een patroon: hij weet precies wat er allemaal in komt, maar wij weten het niet. Wij kunnen alleen maar kijken naar het weefgetouw. Het idee alleen dat er steeds weer andere draden tussen komen, steeds weer andere elementen, dat lijkt mij zo iets om over te jubelen.

Weet u, ik zou eigenlijk zo tegen God willen gaan praten, zo eens een keer van binnenuit: “God, U hebt de wereld geschapen, en in die wereld hebt U gebracht licht en lucht en vreugde en kracht. En om deze duidelijk te maken, hebt U ons het leed gegeven. U hebt God, de schoonheid van zachte natuur met haar barheid en hardheid verweven om ons te doen zien, wat er al in U leeft en wat u ons als Schepping hebt geschonken.

Ik weet het, God, het is misschien niet prettig om soms in de schaduw te staan. Het liefst zouden wij in een zacht avondlicht, met een zachte koelte steeds gaan. Maar God, om te kennen Uw aangezicht en om te weten wat U werkelijk bent, moeten wij leven voor al, wat er is en:: zeker niet slechts naar een kant gewend.

Ja, God, wij moeten U danken voor vreugd en voor leed. Hoe zou ik vreugde beleven als ik niet wist door lijden en pijn, hoe naar vreugde te streven en hoe zou ik kennen, mijn God, het geluk van het zijn, had U niet geschapen de schaduw des doods.

Maar, God, wanneer ik zo door het leven ga, bevalt het mij niet altijd, dat geef ik U toe: maar tezaam genomen is het Uw werk en mijn God, dat moet mij van het hart, Uw werk is onmetelijk groot.

Je kunt tegen. God moeilijk een buurpraatje gaan houden. Er zijn van die mensen – dat hebt u net vrijdag gehoord – die zeggen: “Al dat gedoe over God is iets voor linke jongens.” En geef ik graag toe, dat er twee soorten mensen zijn, die God gaan misbruiken en daardoor de hele wereld voor zich en vaak voor anderen verknoeien. De eerste soort zijn de mensen, die denken dat ze God zijn en zich gedragen, alsof zij alleen de waarheid en de wijsheid in pacht hebben: en de andere soort is die, welke u wijs maakt dat God wel zal doen wat zij Hem zeggen wat Hij doen moet om de doodeenvoudige reden, dat u hen dan wel zult betalen voor dat, wat u van God verwacht.

Maar dat is eigenlijk de schijn. Of er nu linke jongens zijn of niet, de schepping moet ergens vandaan komen, die schoonheid moet ergens vandaan komen, het leven moet ergens vandaan komen. En geloof nu maar rustig dat wij allemaal, wij in de sferen net zo goed als u op de wereld, ons voor en ons tegen hebben gehad.

U hebt misschien in een gevangenkamp gezeten, u hebt misschien honger geleden, u hebt misschien mensen zien sterven, die u erg dierbaar waren. U hebt allerhande dingen meegemaakt, wij ook. U bent niet alleen, weet u. Maar al die dingen tezamen vormen –  wanneer je in de geest bent – iets van schoonheid en vreugde: er zit betekenis in. En daarom zou ik eigenlijk dat loflied op de schepping willen zingen en ik weet niet hoe.

Er is een soort van schoonheid, een soort van volmaaktheid, waarvoor woorden nu eenmaal niet bestaan en als je naar die Schepping kijkt, dan is dat zo.  Er zijn geen woorden voor te vinden. Per slot van rekening, het enige dat je nog kan zeggen is: “God, ik dank U dat ik leef.” Maar wat zeg je daarmee? Zo duidelijk als een kind, dat zijn matje zit te vlechten, zo maar een informeel babbeltje, waarin God natuurlijk te pas komt en ook het leven zelf. Hebt u er eigenlijk wel eens over nagedacht, hoe goed u het hebt? Neen, ik bedoel niet dat u het zoveel beter hebt dan een ander. U hebt uw zorgen, dat weet ik wel, maar toch hebt u het eigenlijk wel goed.

Denk bv. eens aan de mensen die in Marokko onder de puinhopen begraven liggen en aan die anderen, die helemaal niet weten waarheen ze moeten gaan, Denk nu eens aan die mensen, die op dit ogenblik in China honger lijden. Denk nu eens aan alles op de wereld en zeg dan eens tegen jezelf, dat je het niet goed hebt. Wat heb je eigenlijk veel, wat ben je rijk!

En hebt u niet gemerkt, dat de zon schijnt de laatste dagen? Met in de lucht geroken dat het lente gaat worden? Allemaal voor u. Het is gewoon het geschenk van de Schepper aan u. Maar u moet het natuurlijk aannemen.

Wat heb je het eigenlijk goed, als je het zo bekijkt. Ondanks alle dingen, waar je je over opwindt en alle ellende, alle pessimistische krantenberichten en ontstellende radioboodschappen zijn we er heus nog zo kwaad niet aan toe, geloof ik en u zeker niet. We zouden natuurlijk allemaal graag een paar dubbeltjes meer hebben, maar als u nu die dubbeltjes meer zou hebben, wat zou je er dan mee doen? Je droomt nu wel van alles wat je ermee zou doen, maar wat zou je er nu werkelijk mee doen? Mij dunkt dat het zou’ tegenvallen. Neen, als je zo leeft en je bekijkt zo jezelf en je eigen leven, dan moet je toch eigenlijk zeggen: Ik heb het nog zo kwaad niet, het is wel goed.

Als je die pessimistische gedachten, die je zo nu en dan wel eens besluipen en die mismoedigheid eens opzij zet en je gaat eens kijken wat je zo kunt betekenen in de wereld, wat is het eigenlijk niet mooi! Je kunt eens een mens helpen, je kunt een mens misschien zelfs genezen. Je kunt proberen een deel van de zorgen, van de pijn en van de lasten van een ander te dragen. Wat is het eigenlijk niet prettig, als je tot een ander kunt zeggen:”Ik ben sterk genoeg, ik neem wel een stukje van je lasten mee.”

Alles redenen tot vreugde. Ik zei al in het begin: God heeft humor, daarom heeft Hij ons het stoffelijk voertuig gegeven, waarin wij op het ogenblik nog vertoeven. We lopen een beetje gewichtig, wij zijn een beetje plechtstatig, we hebben onze waardigheid en daarbij natuurlijk al onze eigen kentekenen. Neem nu maar eens de kwestie van de neuzen: de een heeft een banaanneus, de ander een aardbeineus. De een heeft krulhaar, de ander heeft steil haar, de derde heeft helemaal geen haar. leder het zijne. Dus als u het zo bekijkt – u lacht er nu om – zou je dan je hele leven niet moeten door lachen,  zo nu en dan om jezelf ook? De heerlijke waardigheid, waarmee je je weet te gedragen of de heerlijke voorrechten, die je voor jezelf zo neemt. Toch, met al die humor….wat bezit je niet veel. Ik blijf het maar herhalen. Ja, wat kan ik ook anders doen, vrienden? De hele wereld is rijkdom, weet u wat ik zou willen zeggen? Wanneer je door de wereld loopt en wat het leven je biedt en verkoopt zo aanneemt, bedenk dan eens even, dat in je nog meer is dan buiten je. Dat in je bestaat het werkelijke leven. In je straalt de zon, vol van zonnegoud: in je ligt een eeuwigheid als van een rein kristal gebouwd. En al raast dan buiten je de tijd, in je is het stil vertoeven, waarin je spreekt met grootste kracht: gestild wordt albehoeven en alle nood. Buiten je ligt misschien een einde, de ziekte en de dood, maar in je is een leven zonder einde.

Als je die wereld nu eens in je beleeft en het licht dat in je is aan de wereld buiten je geeft, hoe wonderlijk moet dan de wereld zijn, hoe wonderlijk het menselijk bestaan. Zal het niet zijn, of er altijd engelen en geesten van licht op al je wegen met je gaan?

Dat is nu mijn hele betoog. Een beetje lastig betoog. Ik kan mij voorstellen, dat er iemand zegt: “Die heeft een aardig eind weg zitten kletsen.” Zij zou nog gelijk hebben ook, maar ik heb het eerlijk gemeend, weet u. En het gekke is, als wij iets werkelijk eerlijk menen en proberen het te zeggen, zoals wij het voelen, dan wordt het meestal kletspraat in de ogen van anderen, omdat ze het niet begrijpen.

Maar ja, ik heb mijn matje afgevlochten: ik moet hier en daar nog een kantje ombuigen en het zoompje afhechten. Ik zou dit willen zeggen: Geniet nu van de humor van het leven, kijk naar de mensen rond je, dan heb je altijd wel wat te lachen. Geniet van de vreugde van het leven, omdat er altijd wel iets is, dat mooi is of dat je even stil maakt van ontroering binnenin. Maak je niet te druk over de zorgen van het leven, die komen heus wel, ook al maakt u er zich niet druk over. En hoe minder u zich daarover opwindt, hoe gemakkelijker ge er overheen komt. Denk er liever over na, hoe prettig het is dat je altijd nog meer kunt doen, dan je doet. Je hebt altijd een stille reserve en als je de kans krijgt, maak die stille reserve zo nu en dan eens actief, al is het alleen maar voor jezelf en alleen maar om te zeggen: God wat is het leven mooi en wat hebben wij het eigenlijk goed.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

DE CHRISTUSGEEST

Er was een liefde voor het Zijn, toen het heelal werd geschapen.

Er was een liefde in het Zijn, toen het leven zijn gestalte kreeg.

Er zal altijd liefde zijn.

De laatste stem, die zal zwijgen, het laatst verklinken van de laatste pijn, zij zullen nog getuigen dat Gods liefde er in eeuwigheid zal zijn.

Gods liefde zal er altijd zijn en, dalend tot de laagste wezens van het heelal, geeft Hij daar Zijn kracht en licht, zoals Hij die ook zal geven aan ieder, die zijn denken tot Hem richt. Want al klinkt er op de wereld door smart een klacht, sterker dan alles blijft Gods liefdekracht.

Gods liefde en Zijn licht, dat vaak in mensen daalt en de taal des tijds tot in eeuwigheid met diep begrip vertaalt, zij spreken, als de zelfzucht breekt, zelfs uit een mensenhart en geven wijsheid aan de wereld, die menselijk denken tart en haar toont een nieuw bestaan.

De Christusgeest is rond ons allen, Hij wacht op wie hem dragen wil. Hij is Gods liefdekracht, die stil en onbegrepen wacht om zich te openbaren.

Dan is er soms in een ogenblik en soms in vele jaren een mens, die God aanvaardt, Gods liefde bovenal begrijpt en zo zich door die Geest laat leiden.

Al mogen eeuwen dan verglijden, wat zo geschapen wordt dat blijft. Het woord, dat Christusgeest in mensenharten schrijft, wordt te allen tijd gehoord. Want rond ons is een liefdekracht, de kracht van God, het kosmisch wapen, waarmee uit duisternis en nacht het leven werd geschapen.

Stamelt dan de laatste mensenziel na ’t laatste offers “Het is volbracht.” dan heft in gouden licht hem op de Christusgeest, Gods liefdekracht.