Zoeken naar waarheid

17 juni 1985

We hebben vandaag een gastspreker, een filosoof. Ik vind filosofie altijd een beetje moeilijk, omdat filosofie over het algemeen een poging is op een enkel feit een theorie te bouwen omtrent de oneindigheid. Maar u zult bemerken dat het iemand is die op zijn manier erg redelijk is en die zich dan bezighoudt met problemen als God, de geest, leven na de dood, noem het maar op.

Als ik daar over een inleiding moet houden kan ik natuurlijk alleen maar oude wijsheden gaan verkondigen zo in de stijl van: “De dood is eigenlijk het speelkwartier van de geest.” Dat is nog waar ook. Ik wil niet zeggen dat het allemaal speels is aan onze kant, maar het valt toch erg mee: Of je kunt zeggen: “Wanneer het duister van de stof voorbij is, gloort het licht van de geest.”

Laat mij dan maar op mijn manier nadenken, dat lijkt mij veel verstandiger. De mens heeft een heel eigenaardig denkvermogen, dat weten we allemaal zo langzamerhand wel, denk ik. Hij heeft namelijk twee hersenhelften. Elke hersenhelft is kruisend voor een reeks van de zintuiglijke waarnemingen aansprakelijk. Daarnaast heeft de ene hersenhelft hoofdzakelijk gevoel en onderbewustzijn en het andere is hoofdzakelijk rede.

Als ik de mensen van tegenwoordig bekijk vraag ik me af: welke helft zij het meest gebruiken? Ze schijnen mij bij het overlijden vaak nog praktisch nieuw te zijn. (Dat is een persoonlijke visie). Het is natuurlijk zo, dat wanneer wij bezig zijn en onze gevoelens gaan spreken, we met onze rede meestal geen raad weten. Het is ook omgekeerd zo dat, wanneer wij erg redelijk zijn, onze gevoelens voortdurend in opstand zijn. Ik heb dat vroeger op aarde zo ervaren en u kunt het misschien uit ervaring bevestigen.

Dan vraag ik me af: Hoe komt het eigenlijk dat we deze scheiding voortdurend handhaven? Mij dunkt, dat een mens, die in staat zou zijn z’n gevoelens evenzeer te begrijpen als zijn redelijke gedachten, van die twee een eenheid zou kunnen maken. Dan zou je heel veel onbewuste impulsen van het ogenblik kunnen omzetten in bewuste impulsen, die ingepast kunnen worden in een redelijke benadering van het bestaan. Hoewel, redelijk iets benaderen komt in het bestaan toch maar zelden voor dacht ik.

De meeste mensen vinden de redenen voor datgene, wat ze emotioneel hebben gedaan pas nadat zij erover hebben nagedacht hoe ze het zouden kunnen verklaren aan een ander, waarna ze voor zichzelf die verklaring als de meest juiste aannemen. (Dat is ook filosofie tussen twee haakjes.)

De situatie, waarin de geest verkeert, is nog veel moeilijker. De geest heeft namelijk betrekkelijk weinig invloed op de rede. Dat is begrijpelijk. De rede is scherpomlijnd, die pleegt te werken volgens een vast schema. Aan de andere kant, in die gevoelswereld en het onderbewuste – dat is veel spontaner natuurlijk – kun je als geest wel heel veel kwijt. Maar je krijgt het alleen niet aan de andere kant, het komt niet bij de rede terecht.

Voor mij lijkt het veel beter als de geest in staat is om deel te hebben – en eventueel ingrijpend deel te hebben – aan het geheel van alle processen. Dan komen er als vanzelf bv. vragen als: Waarom gelooft een mens? Het gekke is dat elk geloof, welk je ook neemt, redelijk onaanvaardbaar is, inclusief het spiritisme. (Dat voor de aanwezigen) Er zijn wel aanwijzingen dat het misschien zo zou kunnen zijn, maar er zijn nooit bewijzen dat het zo is.

Waarom omhelzen wij die dingen? Is het misschien omdat je de dingen aanvoelt? Dat je zegt:” Er moet toch iets zijn.” Het zou zelfs mogelijk zijn dat op een gegeven ogenblik je redelijke helft per ongeluk naar de andere kant kijkt, daar het onderbewustzijn ziet met alles wat daar verder in zit en zegt: “Oh, mijn God.” Waarop dan de totale mens uitroept: “Ik geloof.”

Geloof is, dat is een poging om onze onzekerheid kwijt te raken. Maar op het moment dat we het geloof als een vaste waarde gaan hanteren, past het niet meer in onze redelijke wereld. Wij worden onredelijke mensen: ongeacht het feit dat we in ons eigen denken menen redelijk te zijn. We zijn n.l. niet meer bereid om alle indrukken op te nemen, alle signalen te ontleden, maar alleen diegenen die passen, bij hetgeen we toch al geloven.

Een vriend van mij heeft eens gezegd: “Een paard met blindkleppen ziet nog meer van de wereld dan een mens die het geloof als blindklep gebruikt.” Ik denk dat hij gelijk had.

Hij zegt ook: “Wat al die mensen daar paranormaal noemen enzovoorts, het is allemaal erg mooi, dat ze het wetenschappelijk benaderen, maar als het niet past bij hetgeen ze menen dat waar is, dan gooien ze het opzij.

Toch heeft elke mens die kwaliteiten, elke mens heeft bepaalde mogelijkheden. De een voelt de dingen goed aan, de ander leest bewust af onbewust soms gedachten, een derde geneest mensen, een vierde doet weer wat anders. Maar al die mensen menen dan dat dat moet worden ingepast in een redelijk kader. Dat is natuurlijk vervelend.

Stel je nu eens voor: Je zou iemand kunnen genezen, maar nu ga je bij jezelf eerst na: zit die pijn nu op de hoogt van deze rib of gene rib? Kijk, op dat ogenblik concentreer je je op die ribben i.p.v. op de genezing. Dan is het spontane proces weggevallen.

Maar als je het nu omdraait kun je het anders doen. Je gaat gewoon op die mens af. Je laat een uitwisseling van krachten plaats vinden en er ontstaat een beeld van wat de kwaal kan zijn. Dan zit je beter. Maar wat heb je hier gedaan? Je hebt dus bewust of onbewust je onderbewustzijn, je gaven, zelfs je geestelijke mogelijkheden voor een deel gebruikt om te komen tot een formulering die dan nog past in je eigen wereld. Je kunt nooit eerst iets zo formuleren dat het past in je eigen wereld en dan daar de geestelijk bijpassende zaken bij zoeken. Dan loop je altijd vast.

Er zijn heel veel dingen die mij soms verbazen. Ik ben een geest. Ik probeer erg redelijk te zijn. Hoe komt het dan dat ik zo erg klets als de meeste mensen? (Ja, u niet hoor, u kletst niet) Op het ogenblik denkt u veel maar u zegt gelukkig weinig. Dat is ook een groot voordeel. Een mens, die zijn gedachten uitspreekt, is ze daarna kwijt. Wie ze in zich nader beschouwt, vindt meestal daarin nog waardevolle dingen terug.

Ik heb het erg druk gehad, dat mag u rustig weten. We zijn daar weer bezig geweest met een aantal fanatici en het lukt maar niet. Daar werkt Henri trouwens. Hij werkt ook aan die dingen. Laatst kwam ik hem tegen. Ik kwam terug van een karwei en zei tegen hem: “Hoe gaat het?” Toen zei hij: “Nou, je zou het zo kunnen zeggen: wat mij betreft gaat het nog wel, want ik kan nog iets bereiken. Maar voor de mensen bereik ik niets; want als ik iets voor de mensen bereik zijn er onmiddellijk honderden mensen die het ongedaan maken.

Ik zei tegen hem: “Heb je dat vroeger nooit opgemerkt?” “Nee”, zei hij: “Kijk, normaal kun je dat met een grapje afdoen. Dan lachen ze erom en onthouden het nog ook. Maar als je hier gewoon direct op die mensen moet inwerken dan kun je toch niet van ze verwachten dat ze zichzelf belachelijk vinden.”

Ik zei:” Dus je verleert het lachen?” Toen zei hij: “laat ik het zo zeggen. Het cynisme dat ze mij weleens hebben verweten, komt soms weleens opwellen.” Nou, ik kan het best begrijpen hoor. Maar dan zit je echt met het raadsel waar ik nu over spreek: Hoe komen de mensen aan die opvattingen? Waarom gooien zij hun leven weg voor een paradijs waarvan niet eens zeker is, dat zij het krijgen? Waarom zijn ze zo verbeten op het doden van anderen, dat ze eigenlijk niet eens meer weten of er nog iets anders voor hen te doen zou zijn. Hoe komt dat? Waarom zijn de mensen voortdurend bezig om te vertellen, dat zij weten hoe het juist is en juist hoort en een ander dan maar opzij zetten?

Ik vind het zo krankzinnig. Goed, in mijn tijd had je ook van die tantes, die wisten precies hoe het hoorde. Het waren de pinkdrinkers. U kent het toch wel? Een kopje theedrinken met een stijve pink. Dat hoorde er kennelijk bij. De mensen, die zo zeker zijn van alles, vergeten altijd dat er zoveel dingen zijn die het tegenspreken.

Als u hier zit houdt u zich bezig met esoterie. In uw innerlijk zult u heus wel het een of ander ontdekken. Daar ben ik helemaal niet bang voor. Maar is het wel zo? Of zou het ook anders kunnen zijn? Niet dat ik hatelijk wil zijn hoor? Maar het kan je gewoon gebeuren dat je bezig bent met een les en je zegt: “Kijk eens, mensen die hoger geestelijk beginnen te leven hebben dromen en daarin zien ze vooral kleuren. Mooie lichtende kleuren.” Als je de volgende dag gaat vragen, heeft iedereen pimpelpaarse dromen gehad.

Waarom? Hebben ze dat gedroomd of hadden ze het graag willen dromen? Of misschien zouden ze graag hoog willen zijn en proberen ze dan ook elk symptoom op zichzelf toe te passen dat erbij zou kunnen horen? De moeilijkheid is, dat wij proberen ons te identificeren met dingen, die we niet zijn. Dat wij proberen in onszelf mogelijkheden te vinden die we niet hebben.

Het is een krankzinnige wereld. Op een gegeven ogenblik was er een dame met een verkorte bovenlip. Zij werd erg beroemd in de films. Niet vanwege de bovenlip, maar meer vanwege de rest die ze liet zien, dacht ik. Ik heb het ook niet precies gevolgd. Ik heb die films helaas niet gezien. Maar ze had een naam die werd afgekort tot het klonk alsof iemand stotterde: BB, BB, BB, toen gingen allerlei dames operatief hun bovenlip abnormaal kort laten maken, omdat zij dachten dat dat mooi was.

Schoonheid ligt in jezelf. Er zijn veel mannen en vrouwen, die absoluut niet knap zijn en toch stralen zij iets uit. Wanneer je met die mensen te maken hebt vergeet je gewoon dat ze lelijk zijn. Er komen zelfs allerlei dingen naar voren die wel mooi zijn. Het gebeurt weleens dat een werkelijk lelijk meisje, verliefd op haar eerste bal, ineens een schoonheid schijnt te zijn op dat ogenblik, waarom? Omdat ze iets uitstraalt.

Ik dacht dat wij niet moesten proberen om iets te zijn wat in de wereld dan aanvaard is. In Den Haag zegt men: wat “accept” is. Maar wij moeten gewoon proberen onszelf te zijn en wat er in ons leeft gewoon maar uit te stralen. Dan hebben wij niet meer te maken met goed en kwaad, mooi en lelijk en weet ik wat nog meer. Wanneer het mij er om gaat waarheid te vinden kan ik geen enkele beperking stellen. Ik kan niet zeggen: ik ga die waarheid zoeken en aan de rest voorbijlopen. Dan zou ik nooit de waarheid werkelijk vinden.

Ik kan niet beweren: ik ga het licht zoeken, maar ik zoek het alleen hier of daar. Ik moet gewoon het licht beleven. En als ik dat probeer te doen, dan komt het overal wel tot zijn recht. Dan komt het wel terecht. De moeilijkheid is, denk ik, dat we bij de mensen steeds meer formules en leuzen in de plaats zien komen van de innerlijke werkelijkheid. Je kunt er mij geen verwijt van maken, ik creëer ook wel leuzen zo nu en dan maar niet met de bedoeling dat u die eeuwig blijft herhalen:

Wanneer je bv. zegt: (ik noem maar gewoon iets heel eenvoudigs) “Het rechterhandje is het mooiste”(dat ons vroeger allemaal geleerd, heb nooit begrepen waarom) dan gaat iedereen proberen om alles rechts te doen. Dat mag dan aardig zijn voor bepaalde politici, maar eigenlijk is de doorsnee mens en het doorsnee kind in aanleg ambidexter d.w.z., het kan links en rechts werken. Wanneer het nu leert beide handen even goed en even vaak te gebruiken, dan is het niet alleen een evenwichtiger ontwikkeling van het hele lichaam, maar het betekent ook nog, als je dan eens een keer een hand hebt die je niet kunt gebruiken, dat je tenminste met de andere uit de weg kunt.

Als je je goed realiseert hoe vaak eigenlijk met een dergelijk vooroordeel of met een dergelijke stelling die je probeert te verdedigen of zelfs maar met een begrip van je eigen waardigheid die je probeert te handhaven, gelijktijdig eigenlijk heel veel van de werkelijkheid over boord gooit dan zou je mijns inziens toch een klein beetje anders moeten gaan denken en leven.

Wat u in uzelf vindt dat mag u omschrijven zoals u wilt, maar het is deel van uzelf. En wat deel is van uzelf is de moeite waard, want daarmee moet je werken. Daaruit leeft u. Al het andere, al het kunstmatige raakt u toch weer kwijt. U bent één totaal wezen. U bestaat niet uit 2 persoonlijkheden. Al dat geklets over gespletenheid is uiteindelijk maar een beetje kolder. Als er in ons een gespletenheid bestaat hebben wij ze zelf veroorzaakt.

Maar als wij wat er in ons leeft, proberen te uiten zoals het in ons leeft en dan bovendien misschien nog een redelijke, dus een in het denken aanvaardbare manier vinden om dat te doen, dan bedrijven we de beste esoterie die er is. Want dan benaderen we de werkelijkheid van hetgeen we zijn.

Ik vind het mooi dat je het allemaal theoretisch kunt leren. Er zijn scholen genoeg, die je leren om jezelf te vinden, het doel van je eigen zijn te vinden en de symbolen voor het doel van je eigen zijn te vinden. Ik vind het schitterend. Maar het enige wat ze je niet leren is om jezelf te zijn en je bewust te zijn van hetgeen je bent. En toch is dat de kern.

Esoterie is niet alleen maar de innerlijke weg volgen en naar binnen toe schouwen zonder meer, het zal altijd betekenen het vinden van datgene wat je werkelijk bent. Wat je werkelijk bent is heus niet alleen maar die hoge lichtende geest die, wiekend als een duif ergens in uw innerlijk, de straal van de innerlijke godsvlam fladdert in de innerlijke tempel.

Uw werkelijke persoonlijkheid is die lichtende geest. Het is ook uw eigen spookachtige ontduiking van de feiten. Het is ook het feit dat u zo nu en dan gelegenheden opzoekt waar, als het buitenhuis is, “dames” of “heren” op staat vermeld. Het hoort er allemaal bij. Je kunt niet een van de dingen terzijde stellen.

Je kunt niet zeggen: “Dat is mooi en dat ben ik wel” en “dat is lelijk en dat ben ik niet.” Je kunt alleen zeggen: “Dat ben ik.” Het wonderlijke is, als je weet wat je bent, dat je dan geconfronteerd wordt met dingen die ook buiten je bestaan. Het lijkt wel of de waarheid gelijktijdig een band is met anderen. Ook andere werelden, maar ook met anderen, met andere persoonlijkheden, andere krachten.

Ik kan zo langzamerhand wel gaan afsluiten, maar dat wou ik nog even kwijt. Als u in mijn wereld terechtkomt, de wereld van de geest, dan geldt één eigenaardig ding: hoe drukker je bezig bent met jezelf, hoe kleiner je wereld is. Maar hoe meer je jezelf aanvaardt en kijkt naar je wereld, hoe meer je je bewust wordt van hetgeen je bent en van hetgeen anderen zijn. Dan groeit je wereld. Ik heb het persoonlijk ervaren.

Hoe onze filosoof van zo dadelijk erover denkt weet ik natuurlijk niet. Hij zal het op zijn manier wel heel mooi vertellen. Maar als hij een goed filosoof is dan weet hij, dat hetgeen hij denkt te weten, niet alleen weten is, het is maar een klein deel van een groter iets waarvan hij deel uitmaakt.

Ik denk dat dat geestelijk gezien het meest belangrijke is van alles. Wanneer de grenzen wegvallen, ontstaat een werkelijk ik dat zichzelf kent, zichzelf aanvaardt en juist daardoor ook alles buiten dat ik kan aanvaarden zoals het is en niet zoals het misschien zou moeten zijn. Dat is gewoon mijn filosofie.

Laat je onderbewustzijn, je geest en je redelijk bewustzijn, en alles maar versmelten. Probeer eindelijk die grens eens een beetje op te lossen. Een groot gedeelte van die grens schep je uiteindelijk door je eigen visie, dat een mens toch een redelijk wezen moet zijn. Ja, moet zijn, natuurlijk: met de nadruk op moet. Of hij het is, is een andere vraag, maar dat kun je een mens weer niet vragen.

Mijne vrienden, als wij in staat zijn al die z.g. onbewuste impulsen en al die redelijkheid te versmelten, onszelf te aanvaarden zoals wij zijn, dan staan we aan de grens van een zelferkenning, die veel meer omvat dan we nu beseffen. Zeker als we dat in menselijke vorm moeten zeggen. Daarnaast geeft het ons een kontact met de wereld dat veel omvangrijker, veel grootser, veel totaler is dan je het zonder dat ooit zou kunnen bereiken.

Zo en nu hartelijk dank voor uw geduld. Ik probeer alleen maar iets van hetgeen ik ook werkelijk ben te delen met u, die nog niet precies weet wat u zult worden. Mag ik u danken voor uw aandacht?

De Gastspreker.

Ik heb gehoord dat ik verkeerdelijk als filosoof ben aangekondigd. Ik oordeel een beetje anders over mijn eigen denken. De Sofia zit er wel in, de wijsheid, maar van filo weet ik weinig af.

Mijn hele bestaan heeft ook op aarde al gedraaid om vragen van God, van de wereld en van de eeuwigheid, Misschien dat men daardoor dat verkeerde beeld heeft gekregen. Ik zelf zou liever zeggen: “Ik ben een zoeker naar waarheid”. Waarheid is tot nu toe voor mij nog niet omschrijfbaar. Zij is iets wat geen vorm heeft, wat geen wezen kent zoals wij die kennen. Het is ook geen persoonlijkheid zoals wij die althans omschrijven. Toch is het geheel: denken, weten en zelfs handelen, scheppen en vernietigen.

De beelden, die mensen zich van God maken, van eeuwigheid zijn eigenlijk alleen maar illusies. Er is iets. En ik wil het wel God noemen, maar het is zo omvattend, dat er geen enkel woord te vinden is om dat uit te drukken. Ik wil wel spreken over eeuwigheid, maar eeuwigheid is eerder gelijktijdigheid van alle dingen. Het beseffen en weten van Al van het begin tot einde en niet alleen maar een enorme uitbreiding van de tijd zonder meer.

Zoals een kosmos in zichzelf oneindig kan zijn en toch gelijktijdig een eindigheid bezit in de ruimte, bepaald door krachtvelden en stralingen, zo is ons beeld van het oneindige, van het goede en van God in zichzelf besloten. Er zijn aderen van waarheid en wijsheid die ons bestaan doorkruisen en waar we steeds weer mee geconfronteerd worden.

Maar steeds ook weer blijkt, dat wanneer wij een gedachte tot haar uiterste consequentie en betekenis hebben gevolgd, we weer aan het begin staan. Het is alsof alles een kringloop is. Een kringloop, waaraan we ons deels kunnen onttrekken door de gelijktijdigheid van het gebeuren te beseffen; maar het blijft een kringloop. Onze oneindigheid mag dan meer bevatten dan wij eenvoudigweg kunnen verwerken, maar zij is een besloten oneindigheid. Buiten haar bestaat er nog veel meer.

Het is dit gevoel van beperking dat je ertoe brengt om dan tenminste te zoeken naar een begrip van al datgene, wat jezelf kunt kennen, wat jezelf doormaakt. Je bent geen filosoof in de werkelijke zin van het woord wanneer je dat doet en ook geen esotericus of agnosticus. Je bent gewoon een mens, die alle grenzen probeert te vermijden en gelijktijdig daardoor moet vermijden zichzelf door denkbeelden of namen te begrenzen.

Eens had ik een naam. Nu heb ik geen naam meer, want ik ben te veel om op te sommen. Wanneer ik mijzelf een naam zou moeten geven, zou deze moeten beginnen met die eerste geluidloze lichtflits waaruit de materie is geboren en zou moeten eindigen met een heelal, waarin alles stilstaat en alle uiting is weggevallen. Al wat daar tussen zit zou deel moeten zijn van mijn naam. Want dat is datgene wat ik ken, wat ik ben, wat ik leef.

Er zijn mensen die spreken over de krachten en de wonderen die altijd weer in de schepping te vinden zijn. Maar dat komt omdat zij nooit de kracht in zijn geheel zien, omdat zij niet de werkelijke beperkingen en regels kennen waaraan al het zijnde gehoorzaamt. Wonderen bestaan niet. Krachten bestaan niet. Ze zijn slechts gedeeltelijke uitingen van een grotere werkelijkheid. Zodra wij die werkelijkheid benaderen versmelten alle delen tot een eenheid.

Er zijn mensen die zeggen: “Je moet alles benaderen en omschrijven.” Ik zeg u: Je moet alles aanvaarden wat je benadert en je moet het beleven, niet omschrijven. Want elke keer wanneer je jezelf tot een maatstaf maakt – en dat doe je wanneer je omschrijft — beperk je gelijktijdig de waarheid tot al datgene wat jij kunt bevatten en je doet alsof er geen grotere waarheid is.

Jezus heeft gezegd: “Zalig zijn de eenvoudigen van geest.” Heel veel mensen houden dan een beetje aarzelend op en denken bij zichzelf: eenvoudig, bedoelen zij misschien idioot? De eenvoud waarvan Jezus sprak, is de eenvoud die het leven aanvaardt en zich in het leven beweegt zonder het te willen verklaren.

Eenvoudigen van geest rationaliseren niet, ze verklaren niet, ze zijn. Wanneer er iets is wat lijkt op een koninkrijk Gods, dan is zeker dat zij er deel van uitmaken. Niet alleen na hun dood, maar altijd. Want zij zijn deel van het geheel, zonder zich daarvan af te zetten, zonder zich, daarvan af te zonderen. Wie verblindt en neergeslagen is door het alomvattende witte licht, waarin niets meer overblijft buiten een schim van wat je eens geweest bent, zal moeten bevestigen: “Wij moeten een ik beeld hebben omdat wij menen zonder dit niet te kunnen functioneren. Maar als wij het ik beeld opgeven, zijn we er nog steeds en we functioneren, alleen nu onbegrensd en niet meer begrensd door onze eigen voorstelling.

Leven is moeilijk te omschrijven. Leven is ervaren. Leven is ondergaan. Uit deze dingen komt een beseffen. Maar het beseffen is een nevenproduct, het is niet de hoofdzaak. De grote fout, die we allen maken is dat we proberen om wijs te worden; dat wij proberen om door te dringen tot in geheimen zonder te beseffen, dat de geheimen niet bestaan maar dat wij ze voor onszelf tot geheimen hebben gemaakt en dat, wat wij onze wijsheid noemen, niets anders is dan een hopeloze poging om te doen of we begrijpen wat er om ons heen bestaat.

Toch is er leven en bewustzijn. Er is kracht en er is uiting van kracht, hoe beperkt zij ook moge schijnen. Misschien is onze waarheid wel voornamelijk deze: Op het ogenblik, dat wij innerlijk aanvaarden en daardoor uiterlijke normen en vormen zinloos maken, zijn wij deel van een kracht, zijn wij deel van een weten, zijn wij verbonden met dingen, die wij zonder dat eenvoudig niet kunnen beseffen.

Het is moeilijk om eenvoudig te zijn. Hoe complexer je de dingen maakt, hoe meer je het gevoel krijgt dat je nu toch iets bereikt hebt. Menigeen is zelfs bang voor de simpele waarheid die niet kan worden verklaard, ontleed en weg verklaard.

De simpele waarheid is deze: Wij bestaan niet waarlijk afzonderlijk. Wij bestaan niet waarlijk als wezens tussen licht en duister. Dat zijn alleen maar illusies. Wij zijn eenvoudig deel van iets, dat wij niet kunnen kennen. Misschien is daar één antwoord op te geven, juist in het aanvaarden van ons onvermogen tot kennen en beseffen en dat is liefhebben.

Liefhebben is redeloos. Liefde is niet iets wat vraagt of eist. Het is ook niet iets wat zich laat verklaren. Het is er. En nu bedoel is niet die biochemische reacties die bij mensen verkeerdelijk vaak onder liefde worden begrepen.

Liefde is eenvoudig aanvaarden. Het is kritiekloos aanvaarden, waarbij je niet probeert om jezelf te veranderen, maar jezelf zijnde het andere aanvaardt.

Ik geloof dat liefde, liefde voor het leven, liefde voor de kracht waarvan wij deel uitmaken, liefde voor het Al het enige antwoord is, dat we kunnen vinden op de onmetelijkheid van datgene wat ons omringt, wat voor ons nog steeds onkenbaar, onomschrijfbaar blijft.

Ik weet dat er ook in de geest leraren zijn die zeggen: “Maar mens, besef dat je meer bent. Besef dat je meer kunt.” Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Want op het ogenblik dat je zegt: “Jij kunt meer”, maak je van een mens iets dat zich begrenst tegen anderen, dat boven anderen wil staan, dat eventueel ook onder anderen wil staan. Een rangorde, een discipline, die niet voortkomt uit het wezen zelf, maar die wordt opgebouwd. En omdat zij is opgebouwd is zij grotendeels onwaar.

Ik zeg niet dat ze waardeloos is, want ze is ervaring; maar wij zullen toch die weg moeten verlaten aan de hand van onze ervaringen voor wij ons bewust kunnen worden van al datgene wat waar is, wat werkelijk rond ons bestaat.”

“Als je God zoekt”, heeft een denker gezegd, “moet je goed in de spiegel kijken.” Dat is waar. Want elke vorm en voorstelling die bestaat is deel van het geheel. Maar als je jezelf ziet, zie je een deel van God. Maar hoeveel mensen denken niet: “Als ik in de spiegel God zie, ben ik dus God.” Dat voert dan tot allerlei eigenaardige verwarringen. Je bent niet God, maar je ziet God, omdat hij in jouw wezen mee vertegenwoordigd is.

Mensen roepen: “Wij hebben het boek waarin de waarheid geschreven staat.” Ik zeg u: Geen letters zijn in staat om de waarheid te bevatten. Het dichts bij de waarheid kom je wanneer je overpeinzende verzinkt in iets, dat niets meer met jezelf te maken heeft. Dan ontstaan er allerhande denkbeelden en dromen die je eigenlijk al weer wilt vergeten voor ze opkomen en dan voegen ze zich samen tot iets wat gelijktijdig een gevoelservaring is, een gevoel van kracht, een gevoel van licht en de blijheid en misschien van een zekere heimwee naar een zekere mistroostigheid.

Wij delen van het geheel koesteren bewust of onbewust als een nostalgie onze vage herinnering aan het één zijn; maar dan moeten we beginnen om dit één zijn te aanvaarden als een werkelijke, als het noodzakelijke en niet op onze manier of zoals wij dit redelijk achten, maar in een eenvoudig aanvaarding: Er is niets wat geen deel is van mij. Er is niets dat op mij geen rechten of beroep heeft, omdat ik deel ben van alles.

Misschien (want ik ben ook niet zeker van alle dingen), klinkt u dit vaag in de oren. Maar hoe wil je praten over een werkelijkheid die niet kan worden neergelegd in woorden, die zelfs niet kan worden uitgestraald als een kracht? U kunt hoogstens proberen om een gevoel over te dragen. Iets van jouw beleven, van jouw innerlijkheid, van jouw bestaan.

Vechten over wat waar is of niet waar is, is onzin. Er is een waarheid die alles omvat, een onwaarheid is slechts een deel van de waarheid dat voor ons niet toepasselijk is. Er bestaan geen leugens en geen bedrog behalve voor ons, in ons en door ons. Er zijn geen duivelen en geen engelen behalve datgene wat wij daartoe proberen te maken.

Het is moeilijk om je gedachten uit te spreken wanneer ze meer gevoel zijn dan gedachten. Kijk naar uw wereld. Eenieder heeft zijn eigen oordelen. Eenieder heeft zijn eigen eisen. Eenieder heeft zijn eigen denkbeeld over juistheid en procedure. Als er een vagevuur is dan heeft de mens het zelf op deze wereld geschapen. Voortdurende verwarring, angst, voortdurende strijd, passies, verslaafdheden die niets te bieden hebben en niets te zeggen hebben buiten dat ene, dat ze zinledigheid van hetgeen wij als waar beschouwen voor ons verhullen.

Daarom probeer ik zonder mijzelf filosoof te noemen, (dit niet alleen tot u, maar ook tot iemand die hier staat mee te luisteren) te zeggen wat waar is. En ik weet dat ik de waarheid niet kan bevatten. De macht en de kracht die in mij liggen zijn voor u misschien groot, maar ze zijn alleen maar de uitingen van mijn onmacht om de werkelijkheid te beseffen en te omhullen, te doordringen en deel van te zijn.

Kracht is geen belangrijk iets. Het is een spel waarbij je door een filter uit het verblindend witte licht een enkele kleur een ogenblik zichtbaar maakt. Krachten, invloeden, ze zijn niets anders dan de beperking van een werkelijkheid die ons omringt. En dan wil ik ook tot u zeggen zoals sommige leraren zo graag doen: dat u meer bent dan u denkt. Maar u bent gelijktijdig minder. U bent niet de persoonlijkheid die u meent te zijn. U bent slechts deel van een gebeuren, deel van een kracht, deel van een geheel.

Daarom is het niet zo belangrijk wat u bent of wat u doet. Dat is maar een schijn. Dat u bestaat is belangrijk. Uw bestaan is een deel van het geheel. Misschien een onmisbaar deel maar dat weet ik niet. We moeten begrijpen dat de werkelijkheid die ons voortdurend meer benadert, die ons elk ogenblik probeert met zich mee te sleuren in een kolk, waarin wij angstig om onszelf te verliezen wanhopig om hulp gaan schreeuwen, de waarheid die ons trekt gelijktijdig het enige is wat we werkelijk zijn. De verschijnselen zijn niets anders dan de caleidoscopisch wisselende dromen van een dromer die bevangen is door zichzelf. En als je probeert er onderuit te komen dan blijft je alleen maar over te aanvaarden.

Wanneer ik kijk naar mensen weet ik: Ik ben deel van al wat zij zijn. Van hun dwaasheden en fouten zo goed als van hun deugden of datgene wat zij als zodanig beschouwen. Op het ogenblik dat ik dit deel zijn ontken, al is het maar voor één ogenblik, verlies ik mijzelf en keert de illusie terug, dat ik ben, zonder gelijktijdig verbonden te zijn.

Dat is de moeilijkheid van het leven. Je kunt als mens niet leven zonder te oordelen, te reageren en te ageren. Het is niet erg, het is begrijpelijk, het is onvermijdelijk, maar onthoud dan wel een ding: Dit mens-zijn is alleen maar uiterlijk een charade waarin we iets van de goddelijke namen uitspellen zonder zelf te weten wat we doen.

Wij willen één zijn met de Schepper. Wij willen bewust beleven wat de Schepper voor ons betekent. Dat kunnen we niet als we onszelf als een grens stellen tussen de waarheid en het wezenlijke dat ons voortdurend omringt.

De mensen grijpen terug naar de historie en ze vertellen u over de grootheid van rijken die zij zich herinneren en ze fabuleren wat over rijken die al lang vergaan zijn en waarvan zij zich niets herinneren. Maar zij vergeten, dat de historie niet is een spiraalwerking of een weg, dat zij alleen maar uiting is van één en hetzelfde ding dat ook nu bestaat. “Het paradijs”, zo roepen sommigen uit, “heeft de mens verloren door de zonde van de eerste mens.” Ik zeg u: het paradijs is niet teloorgegaan door die zonde, maar door de angst en het gevoel van zondigheid, waardoor zij zichzelf afschermde tegen een werkelijkheid die zij eens als normaal hadden ervaren.

Adam en Eva wandelden met God. Wandelen wij dan niet met God? Zouden wij kunnen zijn en bestaan zonder God, zonder die onnoembare, onomschrijfbare kracht die het geheel in stand houdt, die het geheel van onze schijnbaar lege kosmos dooradert met de stralingen en de velden van zijn bestaan?

Wij wandelen ook heden met God. Wanneer wij teruggrijpen naar de bijbel en zeggen: “En de Heer zag neer op het werk zijner handen en Hij zag dat het goed was’, dan moeten we niet zeggen: “De mensen hebben het bedorven.” Dan moeten we zeggen het goede is. Want de harmonie die toen in een vorm misschien is uitgedrukt, die is vastgelegd in de gelijkenis van het paradijs, is de werkelijkheid die vandaag bestaat. De onvergankelijke werkelijkheid van een mens die niet alleen is, die niet afgezonderd is, die niet in licht of in duister zal vertoeven, wijs is of dwaas. Alleen de mens, die tot uiting brengt dat de kracht die met hem gaat voor hem en voor het geheel aanvaardbaar is.

Adam ging rond in het paradijs en hij gaf aan alles zijn naam. Hoe menselijk! Is een paradijs pas een paradijs als je het namen geeft? Is een dier pas een dier als je het een naam geeft? Bloeit een plant niet wanneer ze niet benoemd is? Wij benoemen nog steeds. Wij gaan door onze wijze wereld heen. Wij zien naar alle kosmische waarden. Wij betreden alle sferen en we geven de dingen een naam.

Wij verwarren altijd weer de naam met de werkelijkheid. Je kunt een wezen enigszins aanduiden met een naam, maar je kunt het niet volledig omschrijven: Niet elke leeuw is dezelfde leeuw. Niet elke plant is dezelfde plant, ook al is de soort gelijk. Niet elke mens is een gelijke mens, want onder het verzamelbegrip “mens” verschuilen zich zo veel totaal verscheiden vormen van beseffen, van beleven, van ervaren, dat het dwaas zou zijn om te denken dat je met die naam het wezen kunt weergeven.

Wij, die begonnen zijn met het benoemen, moeten de betekenis van die namen langzaam zien vervagen tot zij willekeurige aanduidingen zijn geworden, die geen alomvattend en vastgelegde betekenis hebben. Onze weg naar God, zo u wilt, is de weg, waarbij wij niet meer benoemen, niet meer verdedigen, niet neer aanspreken, niet meer verwerpen, waarin we de existentie zelf zien als de enige zinvolheid van het bestaan.

Ik weet, dat veel van hetgeen ik zeg voor u nog niet bereikbaar of aanvaardbaar is. Maar ik weet ook, dat velen van u nog gedreven worden door een eigenaardig zoeken en voortdurend zich bezighouden met krachten, machten en mogelijkheden. Daarom zeg ik tot u: Besef dat dat niet zo belangrijk is. Datgene waarmee u verbonden bent, daarmee bent u altijd verbonden. Want er is geen tijd. Datgene waaruit u krachten put, is deel van uzelf. U bent deel van alle kracht, ook buiten de tijd.

Onbeperkt is uw wezen. Beperkt is uw beeld van dat wezen. Wanneer u wezenlijk iets wilt veranderen, wezenlijk iets wilt doen aan esoterie, dan geef ik u de raad: Houd u niet te veel bezig met vraagstukken. Vraag aan uzelf, aan uw gevoel, misschien aan uw beperkt weten: Wat kan ik zijn, wat kan ik doen? Vraag niet: Wat is het resultaat? Want dat is onbelangrijk. Belangrijk is dat je probeert te zijn, dat je je bestaan steeds meer verbindt met al het bestaande. Dat is zinvol.

Het gebeuren verbleekt. Het is een deel van de tijd, maar de betekenis, die het nu heeft, is over een paar jaar al anders geworden. Strijdt dan niet in het heden voor de belangrijkheid, maar strijdt in uzelf voor de aanvaarding van het werkelijke, het omvattend belangrijke en laat u daardoor dragen. Niets kan u teloor doen gaan, want u bestaat en u zult bestaan. Uw wezen is deel van alle tijd, van alle eeuwigheid, van alle kracht, wat u zich maar voor kunt stellen.

Mijn raad is: wees eenvoudig, desnoods simpel in uw benaderingen van het leven, van het gebeuren en van uzelf. Uit deze eenvoud, uit deze aanvaarding die de eenvoud inhoudt wanneer ze bewust beleefd wordt, komt voor u datgene wat u licht noemt of inwijding, komt voor u de wijsheid, komt voor u de erkenning van de absolute verbondenheid die onvernietigbaar, onbeheersbaar alle leven beheerst.

Met deze raad ben ik aan het einde van dit sermoen gekomen. Woorden die niet veel konden zeggen. Gevoelens die u moet aanvaarden en niet moet ontleden. Meer kon ik u niet geven. Maar wij zijn deel van elkaar. Wij zijn deel van alle dingen, van alle werelden, van alle goed en kwaad. Daarom was het misschien nuttig mijn eigen onvermogen hier te testen.

Beperkingen gaan voorbij. Het zijn blijft. Ook wanneer ik u nu bijna spottend een goeden avond wens in de hoop, dat u de eenheid van tijd en zijn eens zult beseffen.