Zonaanbidders

10 mei 1959

De zon heeft vroeger een heel belangrijke rol gespeeld in de religie van de mensheid en ook wel in haar opvattingen omtrent eeuwigheid. En nu geloof ik dat ik verstandig doe, wanneer ik daarover iets vertel.

De zon wordt gezien als het levengevend element. Want het licht van de zon is datgene, wat doet groeien. Waar geen zonlicht is, daar is kaalheid, daar leeft niets. Het licht van de zon, dat de aarde beroert, doet dus de planten groeien. En het is zo op het eerste gezicht helemaal niet vreemd, dat men in de oudheid die zon dus heeft aanbeden als de Vader, de scheppende Godheid. Toch ligt er achter dit beeld nog iets anders verborgen. Want er zijn n.l. twee soorten van schepping. Dat wisten ze in de oudheid ook al heel goed. Er is de negatieve schepping, dus het bestaan zonder meer. En er is de positieve schepping; het leven. Deze twee – men spreekt tegenwoordig vaak voor het dode van materie en voor het levende van de geest – hebben elk een eigen functie, een eigen bestaanswaarde. De zon geeft bestaan aan het leven. God, de zon God. En in de oudheid drukte men het als volgt uit: “Het leven wordt gegeven door de zon, de rust wordt gegeven door de nacht. En daar achter schuilt het raadsel.

Nu heeft men altijd gedacht, dat het raadsel dus in die twee zinnetjes moest liggen, maar dat is niet waar. De zon geeft leven. Het Licht, waarover wij zo vaak spreken, geeft ons het geestelijk leven. Maar; dat is maar één functie van het Goddelijke en achter dit voor ons niet meer bevattelijke, ligt het grootste raadsel. Wat is er, wanneer er geen licht en geen duister is? Een zeer abstract probleem. En iedereen probeert het op zijn manier op te lossen ook de zonaanbidders. natuurlijk. En de oplossing, die zij vonden, was eigenlijk niet zo gek. Alleen moet je haar eventjes kunnen uitduiden, je moet haar kunnen omschrijven.

“Wanneer er geen licht is en geen duister,” zo zeggen ze, “dan is er geen dood en geen leven. Leven kan er niet zijn, wanneer het duister niet door het licht gewekt wordt. Dood kan er niet zijn, wanneer het licht niet door het duister verzwolgen wordt. (Hierin speelt dus het op en ondergaan van de zon een rol.) Waar leven noch dood is, daar is de eeuwigheid. En omdat het heel praktische mensen waren, zeiden ze: “Maar deze eeuwigheid is voor ons onbekend.” Er moet ergens een land bestaan, waarin dat licht van die zon nog veel krachtiger regeert dan ergens anders, waar een onmiddellijke relatie kan ontstaan tussen de mens en de zon. Vandaar dat de Egyptenaar bv. een overledene aanspreekt als Osiris, vaak ook als de nieuwgeboren Osiris, wanneer de dood pas is ingetreden. Dat lijkt, alsof men daarmee een soort vergoddelijking van de dood voor ogen heeft. Maar dat is niet waar. Men heeft alleen het begrip gekregen, dat ergens een directe relatie tussen de zon (het licht) en de overgegane (de mens) tot stand kan komen. Dit wordt in het Dodenboek verder uitgeduid als een land en als een reeks van rechters. Maar er was ook nog een geheime leer aan verbonden. En die leer brengt je weer tot een paar eigenaardige conclusies. Ze zeggen n.l. dit: “Er is in de binding met het licht het volledige leven. (We zouden zeggen Utopia.) Maar het volledige leven kan pas zijn werkelijke betekenis gewinnen, wanneer het is uitgedoofd. In de herinnering en in het vooruit schouwen ligt het beleven.” Het laatste is een heel vrije vertaling. Het staat in een van de zonnehymnen van Rachnaton. En deze man probeerde daarmee dit duidelijk te maken: Wat voor ons reëel is, is wat er van binnen leeft, niet wat er van buiten leeft. Dat wat we hebben doorgemaakt, datgene wat we verwachten, dat vormt ons zijn, dat vormt ons leven. En wanneer alle tijden voorbij zijn, wanneer alle licht gedoofd is, wanneer alle duister is uitgeblust, dan blijft er toch altijd nog over; de herinnering, dus het innerlijk weten. En dat is eigenlijk pas volledig. Je kunt het je in een menselijk leven misschien voorstellen. Er zijn dingen, die je op het ogenblik beleeft en doet vreugdig of verdrietig, geërgerd of buitengewoon gezellig en die je eigenlijk ondergaat, alsof ze heel normaal zijn. Je kunt het je op dat ogenblik niet anders voorstellen. Pas later ga je je realiseren wat het is geweest. En dan ga je het op zijn werkelijke waarde schatten. Om nu een voorbeeld te geven: Het is op het ogenblik buitengewoon zonnig, U apprecieert dit op het ogenblik zeer, want het is pas winter geweest. Het is de herinnering aan de winter en aan de kou, die deze zomerse dag voor u zo buitengewoon prettig maakt. Maar als het nu een maand of drie, vier verder is en die zon heeft week in week uit niets anders gedaan dan geschenen, geschenen, geschenen en u heeft niets anders ge dan dan met uw zakdoek het zweet van uw voorhoofd betten, dan verlangt u naar de winter. En wanneer dan de eerste koele dagen komen, dan zegt u: “He, wat voel je je nu prettig dat het even fris is, dat het koel is.” Dan denkt u er helemaal niet over na, dat u een tijd geleden nog hebt zitten smeken om die warmte. U gaat waarderen op basis van de herinnering. En de herinnering maakt de dingen mooier, veel mooier dan ze zijn. De herinnering is n.l. zeer selectief. Ze haalt uit alles, wat in het verleden gebeurd is, juist datgene naar voren wat jij je daarvan herinneren wilt.

Nu ligt het dus maar aan jezelf, hoe je leven eigenlijk is, zover het het verleden betreft. Er zijn mensen, die herinneren zich alles enigszins bitter. Die denken niet na over hetgeen ze aan goeds hebben meegemaakt. Bijvoorbeeld laten we het maar heel simpel nemen een paar mensen houden van elkaar; tenminste dat denken ze. En dan komt er een dénouement. Opeens staan ze voor de conclusie: Ja, maar hier is iets niet in orde. Er is door een van beide partijen misschien bedrog gepleegd. Of er is wat anders gebeurd. En dan staan ze te kijken en dan zeggen ze: “Maar nu is mijn hele leven vernietigd.” Ze denken niet aan de gelukkige tijd, die ze hebben gehad. Ze denken alleen aan de onplezierige einduitkomst. Dat is natuurlijk een selectieve herinnering, die verkeerd is, want dat hele leven door blijft die verbittering. De Egyptenaar zou zeggen, dat men de zon verwerpt en daarvoor de duisternis van de onderwereld kiest. Ze gaan zelfs zover in een van hun uitleggingen. (Maar die is betrekkelijk vroeg, die is als ik me niet vergis uit de derde of vierde dynastie.) Daar vinden we nl. een uitlegging omtrent de zonnebootlegende.

U weet, de zonneboot vaart onder de aarde door, door de krochten van de onderwereld. En wanneer ze nu weer aan de uitgang van de onderwereld komen, zijn er aan alle kanten monsters en vlammen. En dan ontwaakt Osiris, die geslapen heeft tot op dat ogenblik, en met een blik uit zijn ogen verdrijft hij de dieren, zodat de boot weer de wereld in kan varen. En dat werd dan als volgt verklaard; De dieren, die er zijn, zijn het verleden. De boeddhist zou zeggen: Het is oorzaak en gevolg. Maar Osiris, de zoon van het licht, verbonden met het licht, die het duister niet kan erkennen en daarom sluimert, ontwaakt wanneer de herinnering dreigt hem terug te stuwen. En door zich te realiseren dat het licht noodzakelijk is, drijft hij het duister uit.

Een zeer typische uitleg: Misschien maar alweer erg praktisch. Want het komt ook wel eens voor, dat je leeft in een periode, dat een bepaald iets volkomen aan je voorbijgaat. En de ene keer is dat iets van meer geestelijke geaardheid, de andere keer van meer stoffelijke geaardheid. Er is een tijd, dat je het lekkerste eten kunt eten en je hebt er geen smaak van. Er is een tijd, dat je de prettigste mensen om je heen kunt hebben en je merkt het niet eens, je bent in jezelf besloten. Zo iets is die slaap van Osiris eigenlijk ook. Hij is blind voor een bepaald aspect van het leven. Maar er komt altijd een einde aan een dergelijke blindheid. Er komt een ogenblik, dat de spijs je plotseling weer prikkelt, dat ze je weer iets zegt. Er komt een ogenblik, dat je die mensen weer gaat zien, zoals ze zijn, dat je ontdekt, dat je weer alleen in de wereld staat. En op die ogenblikken heb je te maken met de herinnering. Want die dode periode, daar weet je niets van. Maar wat daarvoor is komt dan met bijzondere felheid op je afstormen. En dan moet je dat weten te overwinnen.

Je zou het zo kunnen zeggen: De mens, die meester is over zijn herinneringen, die in staat is die herinneringen dus te richten en zich dat te herinneren wat goed is, en het kwade wel te weten maar daar niet verder bij stil te staan, die zal altijd een gelukkig leven hebben. Hij kiest voor zichzelf steeds de zonzijde. Een zonaanbidder, een lichtaanbidder in de juiste zin van het woord. En degene, die het omgekeerde doet, die blijft altijd steken in het duister. Nu begint u waarschijnlijk zo langzamerhand te begrijpen, waarom ik dit allemaal vertel? Want ik vind het wel nodig om een klein beetje praktijk erbij te verwerken vandaag.

Nu moet u eens goed luisteren. Of u dat nu weet of niet, u bent in een zeer grote mate meester niet over het gebeuren in uw leven maar over het beleven zelf. U kunt bv. deze ochtend voor uzelf tot een buitengewoon wonderlijke en mooie ochtend maken. En u kunt diezelfde ochtend maken tot een ogenblik van verveling, waarin u dat “geklets”, nu ja, eigenlijk maar alleen uit beleefdheid hebt aangehoord. Dat ligt niet aan ons, dat ligt aan u. Want u kiest, u selecteert en u vormt zich een beeld; Dat kunnen wij niet doen. En zoals dat voor deze ochtend geldt, zo geldt dat voor alle dingen.U moet zelf proberen uit het leven datgene te puren, wat waardevol is voor u. Juist omdat het nu zomer is, omdat de vogels buiten zingen en de zon schijnt, ook al dreigt er een onweertje op de achtergrond nu nog niet maar dat komt dadelijk waarschijnlijk nog wel ja, dan is het gemakkelijk om de wereld zonnig te zien. Als het je meevalt en alles meeloopt, dan is het reuze gemakkelijk om standvastig en goed te zijn. Maar o wee, als je nu eens niet de wind in de zeilen hebt. Wanneer de wereld van buitenaf dus niet de dingen voor je opknapt. Dan is het zonnige humeur van vandaag al meteen weggezakt. Dan is er regenweer. “Wat moeten we nou weer beginnen!” Dan is elke veerkracht ineens verdwenen juist op de ogenblikken, dat u haar het meest nodig hebt.

Ik bedoel: Op het ogenblik heeft u van binnen geen zonnigheid nodig, De buitenwereld zorgt daar in zo grote mate voor, dat de al te diepe neerslachtigheid praktisch onmogelijk wordt. Maar als het nu dadelijk eens somber weer wordt, het gaat regenen, het gaat onweren, als het ineens zo drukkend wordt, dan heeft u juist van binnen die veerkracht nodig, dan moet u het klimaat maken en niet meer steunen op wat er buiten u bestaat. Dat is eigenlijk de kunst van herinnering. Dus van terugdenken en daardoor het meest waardevolle steeds maar weer voor jezelf op de voorgrond brengen. En dat waardevolle zal zeker niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde maatstaf. De mens, die wil rekenen met hebben, gehad hebben, tekort komen e,d., zal nooit in staat zijn om redelijk te denken. Wat hem n.l. mankeert is dit; de persoonlijke interpretatie, de persoonlijke inslag. Hij gaat het van buitenaf bekijken. Hij gaat het bekijken in een algemeen aanvaard kader. En u zult wel begrijpen, een dergelijk kader daar hebben wij niets aan. Wat van buitenaf wordt opgelegd, is voor ons alleen maar een voortdurend grotere druk. Want we zijn net er innerlijk eigenlijk niet mee eens. We moeten dus onszelf geweld aandoen om conform dat kader der gemeenschap te denken en te leven en…. nou, ja, we worden een beetje ongelukkig daardoor. We kunnen de vreugden, die er nog zijn, niet zo meer smaken, als we dat zouden wensen. En het leed, dat we eigenlijk gemakkelijk zouden kunnen dragen als het alleen om onszelf ging, dat is juist door die buitenwereld ondragelijk zwaar geworden.

Ik zal u maar weer een voorbeeld geven, misschien kunt u het vatten. Een echtpaar is buiten, het gaat ergens zitten op een terras. Het is mooi weer. Maar mijnheer is een klein beetje ongeduldig. Mevrouw is eigenlijk een beetje zeurig. Dat komt wel eens een keer voor. Nu is dat een normale toestand in bijna elk huwelijk, tenminste dat hebben ze mij altijd verteld. Nu zegt mijnheer op een gegeven ogenblik iets, wat hij thuis duizend keer zegt en waar mevrouw zich nooit wat van aantrekt. Maar nu zegt hij het toevallig, terwijl de kelner het kan horen. Vanaf dat ogenblik is mevrouw des duivels. Waarom? Omdat ze zich genegerd of gekleineerd acht of gebruuskeerd in de nabijheid van een ander. Wat heeft die ander daarmee te maken? Blijft het feit niet hetzelfde? Zij gaat zich richten op dat kader buiten haar. Ze neemt de zaken niet precies zoals ze zijn.

Datzelfde gebeurt met herinneringen. Ja, hoe, meet ik daar zo gauw een voorbeeld voor vinden? U heeft een vaas, een heel lelijke vaas. Die heeft u van een oud groot tante gekregen. En op een gegeven ogenblik, terwijl veel visite in de kamer zit, gooit iemand dat ding kapot. Per ongeluk, maar kapot. Als u nou naar uw hart te werk ging, dan zou u zeggen; “Ach, wat ben ik blij, dat eindelijk dat monster uit mijn kamer verdwenen is.” Maar dat doet u niet. Want dat is de vaas van oudtante! En iedereen heeft altijd gezegd: Dat moet je toch wel goed bewaren….. U bent doodongelukkig. U kijkt uw visite niet aan. De hele bijeenkomst dus is eigenlijk de grond ingejaagd door die stemming…..en de vreugde, die u zoudt kunnen hebben bij het opvegen van de scherven, die hebt u verloren.

Op deze manier werken wij heel vaak met herinneringen. In ons en rond ons is het licht. Wij hebben een direct contact. met het Goddelijke en de vreugde van het leven is voor ons voortdurend en niet alleen maar bij tijden kenbaar. Maar het is onze zaak om dat licht te erkennen. Hoewel het licht kan schijnen zoveel als het wil, zoals de zon hier kan schijnen en als u niet naar die zon kijkt en als een blinde mol door de straten loopt, u er niets van merken zult, zo zult u onwillekeurig wanneer u komt te staan voor een gebeurtenis en u kijkt niet naar de zonnige kant ervan, altijd in het duister zitten, altijd neerslachtig, altijd terneergeslagen. En zie je het licht, zie je de vreugde ervan, dan heb je een vreugdig leven.

Dat zou allemaal niet zo erg zijn, als het bij dat vreugdige of dat verdrietige leven bleef. Maar herinnering ik heb dat zo even dus uit die Egyptische leerstellingen aangehaald de herinnering blijft, wanneer al het andere dooft. De herinnering blijft, wanneer u overgaat. Niet de herinnering van de werkelijke feiten, maar uw selectieve herinnering blijft. Het hangt voor een heel groot gedeelte af van de wijze, waarop u heeft gedacht en geleefd, de wijze waarop u zich de zaken heeft voorgesteld uit het verleden, de wijze waarop u gedacht hebt aan de toekomst, of u in licht of in duister leeft. Zo groot is dat verschil, dat je zelf kunt maken in je bestaan. Nu weet ik wel, dat dat volgens de christelijke leer absoluut fout is. Daar vertelt men: “Wees nu maar heel braaf, betaal je tiende aan de kerk, zorg dat je vooral niet zondigt, kniel totdat je knieën wond zijn, bid de hele dag en al ben je dan het grootste chagrijn, dat er op de wereld bestaat, dan kom jij in de hemel.” Dan vergeten ze één ding: Als een chagrijnig mens in de hemel komt, is die voor hem een hel. Want daar is alles tegen zijn ideeën, tegen zijn stemming in. Er behoeft geen hemel of geen hel te zijn. We zijn er zelf. Wij maken van het hiernamaals van het voortbestaan als u wilt van het leven zelf een hemel of een hel door de manier, waarop wij denken en reageren. Maar in de sfeer, in de geest heb je niet meer de feiten, zoals je die op aarde hebt. De gedachte is praktisch superieur. Ze regeert alles. Daar heeft u al zoveel van gehoord. Dus wanneer u komt met een negatief denken, dan zal uw herinneringsbeeld altijd somber en duister blijven, want u zult geen licht kunnen erkennen, u schept uzelf duisternis.

En wat meer is, in heel veel gevallen probeer je om die duisternis op een ander af te drukken of dat licht aan een ander te geven. Want als Osiris met de zonneboot vaart, dan gaat hij niet alleen. Hij rust op de voorplecht, maar achter hem zitten de roeiers, zit het gezelschap. En het is zijn erkennen van het licht, dat de herinnering, de dreiging van de onderwereld opzij jaagt, dat het zonneschip weer de hemel in doet varen: licht, vrolijkheid. Op dezelfde manier zal een mens of een geest a.h.w. de voorman, de voorvrouw hoe moet je dat zeggen zijn van een reeks mensen. Als u in staat bent om uw wereldbeeld “goed” te zien, dan zult u daarmee invloed op uw medemensen uitoefenen, bewust of onbewust. U doet het er niet om, maar het gebeurt. Osiris jaagt deze draken niet opzij, omdat hij die mensen achter hem wil redden, maar omdat het noodzakelijk is de zon, het licht aan de hemel te stellen. En zo zal het u ook gaan. Onwillekeurig zult u een hele hoop mensen bevrijden van herinneringen, die voor hen een gelijke betekenis hebben.

We hebben kort geleden weer die bekende meidagen gehad. Dodenherdenkingen en zo. Die dingen zijn op zichzelf helemaal niet kwaad. Maar als je nu in al die herinneringen alleen het lelijke gaat zoeken, wanneer men meer gaat denken over het kwaad, dat de Duitsers hebben gedaan dan over het goed, dat daardoor is ontstaan, dan breng je een dreiging op de wereld in jezelf maar ook in anderen. Dan laat je als het ware de demonen van het verleden los op het heden. Het is dwaas om zoiets te doen. Erken je daarentegen dat er trouw bestaat, dat er mensen zijn, die tot de dood toe voor anderen borg willen staan, erken je dat de mens met al zijn zwakheden toch ergens in zich een kracht van licht en van zuiverheid kan dragen, dan is datzelfde feest plotseling een werkelijk bevrijdingsfeest geworden. Het is een bevrijding van de illusie, dat we allemaal niet deugen; het is een bevrijding van de illusie, dat anderen langs je heen leven, dat je niets gemeen hebt. Dan erken je, dat onder al die oppervlakkigheid begraven iets ligt, wat je bindt met die medemensen. En dat, wanneer de nood werkelijk aan de man komt, er heel veel mensen zijn, waarop je kunt bouwen en vertrouwen. Dan word je optimist. In het andere geval word je pessimist.

En ik heb hier al eens eerder een pleidooi gehouden voor optimisme. Ik zou het nu eigenlijk nog eens een keer willen doen, maar dan om de redenen, die ik al zo omschreven heb. Onthoud u maar dit; We behoeven niet van de werkelijkheid vervreemd te zijn om optimist te blijven. Want wij weten, dat er een optimale mogelijkheid tot leven is in iedereen, een beste mogelijkheid. En dat die mogelijkheid niet alleen bestaat, maar altijd gerealiseerd zal worden, wanneer de omstandigheden er naar zijn. Het is net als met bepaalde soorten erts. Eerst wanneer het gesteente verbrijzeld is, komt het zuivere metaal, het kostbare metaal vrij. Zo gaat het vaak met de mensheid. Eerst wanneer ze werkelijk onder druk staat, wanneer ze dreigt verbrijzeld te worden, komt het goud dat erin leeft, het geestelijke goud op de voorgrond. En moeten wij dan zeggen: Omdat er op het ogenblik geen druk is en we dus alleen maar de rots zien, is de wereld bar en kaal en dor? Of moeten we zeggen: We weten, dat hier goud is, en de wetenschap, dat wanneer het nodig is dat goud beschikbaar zal zijn, is weer ons de zekerheid, dat het leven zin heeft? Op die manier kun je dus optimistisch blijven, zelfs wanneer het verkeerd schijnt te gaan. Hetzelfde weer met armoede, bestedingsbeperking, dadelijk weer de huishuren omhoog. O, tjonge, tjonge, tjonge, wat zitten we er slecht voor. Ja, misschien, volgens uw huidige norm. Maar wat heeft u niet allemaal? Tel niet hetgeen je ontbreekt, maar tel je rijkdommen. Dan zul je altijd vrolijk kunnen zijn, altijd… vreugdig van binnen. Denk niet na over hetgeen je zou willen hebben, maar over hetgeen je hebt en over hetgeen je kunt verkrijgen, waarvan je zeker bent. Denk niet na over de eventuele gebreken van anderen of de eventuele deugden van jezelf. Denk alleen na over de eenheid, die je met anderen kunt bereiken.

Ik zal u niet langer bezighouden, maar er is nog een slagzinnetje, dat ik hier wil loslaten. En dat is dit; Het is niet het oordeel goed of kwaad, dat de bewustwording uitmaakt, maar de harmonie met de Schepper, die in alle dingen leeft. De eenheid, die u weet te verwerven met anderen in denken en streven en leven, is belangrijker dan elk oordeel en elke wet, die op aarde is geopenbaard. Want wie God zoekt, vindt God in alle dingen. Maar wie slechts rechtvaardigheid zoekt, zal het oordeel spreken over anderen en over zichzelf. Laat ons niet zoeken naar goddelijke liefde of naar goddelijke rechtvaardigheid of zelfs naar goddelijke toorn en. wraak op onze vijanden. Laat ons alleen maar naar dit ene zoeken: Harmonie met God. Harmonie, die wij kunnen vinden door meester te zijn over de herinnering, meester te zijn over het verleden en daaruit alleen dat te puren, dat als zuiver gesponnen goud ons de kracht geeft om rijk te zijn in het heden. Dan zullen we ongetwijfeld door alle sferen en werelden heen een intense eenheid vinden met de kosmische God. En daarin wat men misschien een hemelrijk noemt en uiteindelijk misschien zelfs het Grote Raadsel, dat ontstaat, wanneer licht en duister oplossen en alleen overblijft de Gedachte.

o-o-o-o-o

Wanneer we zo hetzij aan de hand van het oude Egypte of de moderne tijd zoeken naar een reden om optimistisch te zijn, zoeken naar een begrip van de mogelijkheden, die mens en geest gegeven zijn, dan wordt het ook tijd om een ogenblik na te denken over de kosmos zelf en de kosmische harmonie. Wat is dan die veelgeprezen kosmische harmonie?

Het staat eigenlijk in de Bijbel: In den beginne was het Woord en het Woord was God. Het woord, een samenvoeging van klanken, van trillingen dus, die door hun samenvoeging de volle betekenis krijgen. Het Woord is God. Het geheel is God. Met elke klank afzonderlijk! Dit woord leeft nog, het bestaat en wij allen zijn er deel van. Maar wanneer de klanken afzonderlijk beginnen te vallen, wanneer ze zich zelfs trachten te onderscheiden van elkaar op grond van een verschil in intonatie of trilling, dan gaat de eenheid teloor, dan verliest het woord zijn zin, dan is er geen God meer. Dat laatste klinkt haast onmogelijk. En toch, het Woord is de geopenbaarde God. Dat wil zeggen, de kenbare en voor ons bevatbare Godheid. Wij kunnen die kenbare Godheid verliezen. Verliezen door het afstand doen van de eenheid met alle schepping, met al het geschapene. Maar wanneer wij daarentegen voor onszelf voortdurend die eenheid trachten te handhaven, dan vormt zich in ons het Woord. Dat is de geheime naam van de scheppende Kracht. Dat is de uiting van de openbaring van God zelf. De kosmische harmonie is niets anders dan het ingepast zijn in het ritme van het geheel der schepping. Niet meer maar ook niet minder.

Het is moeilijk om van uit een menselijk standpunt duidelijk te maken wat het ritme der schepping is. Men heeft het getracht uit te drukken in getallen, in melodieën, in woorden, in magische formules; men heeft het in symbolen willen uitdrukken en men is niet geslaagd om de mensheid daarvan een beeld te geven. Ook ik kan dat niet. Ik kan hoogstens trachten dit te benaderen, zoals zo velen voor mij hebben gedaan. Kosmische harmonie is niet afhankelijk van wet. Ze is niet gebonden aan geloof. Ze is niet gebonden aan uiterlijk of status. Want al deze dingen zijn incidenteel. Het zijn toevalligheden, die vooral voor het eigen wezen betekenis hebben, maar die in het geheel van de kosmos geen enkele betekenis hebben, omdat zij slechts tijdselementen zijn. Daar staat echter tegenover, dat onze innerlijke gesteldheid kosmisch is, Deze nl. wijzigt zich niet, ook al nemen wij dit aan. Wij zijn ons soms meer soms minder bewust van onszelf; wij kunnen soms in meer soms in mindere mate opgaan in de goddelijke Kracht en al wat daarmee verbonden is. Maar dat, wat in ons leeft, is belangrijk. Verder niets. Wanneer je als mens op aarde leeft, zul je de wetten van het land respecteren. Niet omdat die wetten kosmisch zijn of iets met kosmos of zelfs met rechtvaardigheid te maken hebben, maar alleen omdat dit hoort bij jouw vorm van denken en leven. Je zult waarschijnlijk de wetten van je godsdienst volgen. Niet omdat ze goddelijk zijn of omdat ze werkelijk inhoud hebben, maar alleen omdat ze passen bij je menselijke voorstelling van leven en denken. En je bent immers vrij om een dergelijke gedachtegang te volgen en je daden zo te reguleren. Maar wat je ook bent volgens de wereld de grootste misdadiger of een heilige wanneer je voor jezelf voortdurend één bent met God, dus kosmisch denkt, kosmisch leeft en in alles, wat er gebeurt, de kosmos zoekt, dan vind je dat ene, dat uitgaat boven alle werelden: de innerlijke toestand, waardoor je God Zich in jou openbaart
en Zich in jou vormt.

Nu weet ik wel, dat men mij onmiddellijk kan tegenwerpen: Ja, maar als je bewust kwaad doet, dan verwijder je je van God. Inderdaad. Een mens, die bewust handelt tegen zijn eigen opvatting van zeden, van moraal dus, zijn eigen opvatting van erkenbaar goed of erkenbaar kwaad in, zal zichzelf scheiden van de wereld. Hij brengt zich in tegenstelling tot de wereld. En dat is natuurlijk verwerpelijk. Maar alleen, omdat deze toestand in het bewust zijn ontstaat en verder niet.

Het leven met de kosmische God in jezelf, eenheid in de kosmos, bouwt niet alleen een hemelrijk op of een toestand van geluk. Ik weet, dat sommige mensen menen, dat dit de openbaring betekent van al het zijnde. Het is mogelijk, maar lang niet zeker. Anderen verwachten hiervan de kracht om wonderen te doen. Ongetwijfeld is dat voorgekomen, maar lang niet altijd. Het enige, wat de eenheid met de kosmische God ons geeft, is een perfecte balans, een perfecte eenheid. Een eenheid, niet alleen in onszelf, maar ook met het zijnde. Dan mogen de verschijnselen rond u veranderen, dan mag er oorlog zijn of vrede, gij zult uzelf gelijk blijven, gij zult uw vorm behouden, die past in de kosmos. En niets van de uiterlijke dingen kan u beroeren. Gij kunt door sferen van licht en duister gaan en niets kan u beroeren. Gij zijt een met deze kosmos. Gij behoort daartoe en verder niets.

In het christendom vinden wij een leer van ontzegging en van onthechting. Maar vreemd genoeg is deze ontzegging en deze onthechting niet geweest in Jezus leer, wat men later ervan heeft gemaakt, nl. een gebod en een verbod. Het is een aanwijzing geweest voor de wijze, waarop je leven moest. Want het vreemde is, dat terwijl de rijke jongeling te horen krijgt, dat hij zijn bezit aan de armen moet geven. Simon Petrus een van de voornamen onder Jezus volgelingen rustig zijn rederij aanhoudt. En wij lezen regelmatig, dat Jezus gebruik maakt van deze bezittingen. Want als de leerlingen gaan vissen, dan is het met boten, die Simon Petrus en zijn broeders ter beschikking hebben gesteld. Jezus zegt dus niet tegen iedereen: “Laat alles achter en volg mij.” Hij zegt het alleen tegen hen, die te zeer gehecht zijn aan het bezit, aan degenen, die door bezittingen een wand hebben opgetrokken tussen zich en de kosmos zelf.

Men meent soms, dat het kwaad is om macht te bezitten of weelde te hebben. Op zichzelf kunnen deze dingen nooit kwaad zijn. En Jezus heeft in verschillende gevallen erkend, dat zolang de mens in zich bewust is van rechtvaardigheid, er geen enkele noodzaak is om verdere veranderingen aan te brengen. Wanneer hij ingaat deze Jezus bij Zacheus, de tolgaarder, dan vraagt hij helemaal niet aan deze mens om nu plotseling zijn bedrijf stop te zetten. En hij zegt hem ook helemaal niet, dat hij nu al dat bezit, dat hij onrechtvaardig verworven heeft, moet afgeven. En het is de tolgaarder zelf, die de belofte doet, waardoor hij wordt tot een van Jezus volgelingen. Namelijk: “Ik zal niet meer nemen dan mij toekomt.” En dat is voldoende. Wanneer zijn eigen begrip van rechtvaardigheid hem in staat stelt de mensheid te zien als iets, waar hij bij hoort i.p.v. waar hij tegenover staat, dan heeft hij voldoende gedaan om de kosmische weg te volgen, die Jezus zijn volgelingen aanduidt.

Men heeft gemeend, dat de zaligheid berust in goede werken. Goede werken hebben geen enkele zin, tenzij zij uit een bewustzijn van eenheid worden geboren. Zij zijn niet op zichzelf de verdienste. Maar indien het uit een gevoel van eenheid met anderen voortkomt, dan wordt het goede werk tot een uitdrukking van de kosmische eenheid en dan is deze kosmische harmonie dus in de mens. Als zodanig is elke daadwerkelijke bevestiging daarvan een versterking van zijn band met de eeuwigheid, een consolidering van zijn eigen wezen te midden van de vloeiende beweging van denken. Zo gezien zal dus wet en recht alleen zin hebben, zover als wij persoonlijk ons kunnen instellen op de kosmos. De resultaten van onze handelingen en daden zijn onbelangrijk geworden. Het gaat er niet om wat het resultaat is, het gaat erom wat we doen. Wanneer wij met heel ons wezen strijden om deze wereld te behoeden voor oorlog en ellende niet omdat wij de oorlog vrezen, maar omdat wij de mensheid zelve beschouwen als een deel van het “ik” en dit alleen het goede willen geven, dan kan er duizend keer een oorlog ontstaan (misschien zelfs juist door ons denken en ons handelen) maar dan zullen wijzelf in de kosmos gefixeerd zijn. Dan zullen wij de eenheid hebben met de scheppende Kracht en daaraan niet ontkomen.

Bedenk dit wel: Niet de gevolgen van uw daden, niet datgene, wat gebeurt met anderen is belangrijk. Belangrijk is de wijze, waarop gij in al het andere steeds weer de kosmos ontmoet. Want hoe meer gij de kosmos ontmoet, hoe zuiverder zich in u bouwt de Naam, het Woord, dat was in den beginne, de scheppende Klank zelve, gehoord als een uitdrukking van het levende en het zijnde. En deze uitdrukking in u dragend, bezit gij de sleutel tot het rijk, waarin eeuwigheid bestaat, evenwicht, eeuwigdurende balans. Dan zijt ge zoals de boeddhist zegt; onttrokken aan de werveling van het rad,, zoals Jezus zegt; in de eenheid met het Koninkrijk, dat ook nu reeds in u is onttrokken aan de loop der gebeurtenissen. Ge zult uw rol spelen. En die rol is niet belangrijk meer voor uzelf, alleen voor anderen. Want gij draagt in u het zuivere geheim van het Goddelijke. Gij hebt uw plaats gevonden in de kosmos en gij zijt daardoor in die toestand van rust en kennen, die men soms de volmaaktheid noemt. Dat alles bestaat voor u nu, vandaag en morgen en alle dagen, indien gij het zelf wilt aanvaarden en zoeken. Zoek het op uw eigen wijze, zoek het met uw eigen kracht en denken. Maar zoek het in de eenheid met God, nooit in de relatie met de wereld. De relatie met de wereld mag slechts een uitdrukking zijn van de kosmische God, Die Zich in u openbaart en u toefluistert het geheim van de schepping.