Zonde, waarheid of illusie?

image_pdf

 1 maart 1963

Aan het begin van deze avond wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wat wij zeggen, is dus geen evangelie dat zonder voorbehoud moet worden aanvaard, doch iets, waarover u toch eens na moet denken. Mijn onderwerp voor heden is:
Zonde, waarheid of illusie?

Natuurlijk kunnen wij nu wat cynisch stellen: “Zonde is de gelegenheid die je voorbij hebt laten gaan”. Dat heet dan geestig te zijn. Maar het begrip zonde heeft, vooral in de laatste paar duizend jaren zo sterk een stempel op het menselijke denken gedrukt, dat het volgens mij wel noodzakelijk is, dit begrip zonde met de meeste ernst na te gaan en te trachten uit te vinden, wat er wel waar kan zijn in alle stellingen, die daaromtrent verkondigd worden.

Nu wordt het begrip zonde juist in de godsdienst sterk gehanteerd, zodat het mij juist lijkt, allereerst het religieuze standpunt hieromtrent te definiëren. Zou mijn definitie volgens u niet juist zijn – zo kunt u na de pauze hierop terug komen.

Zonde is een ingaan tegen de goddelijke wetten, hetzij door actieve daden, hetzij door verzuim. Wat echter is nu de goddelijke wet? Wij weten allen, dat er op deze wereld een aantal grote religies bestaat – waarvan het christendom niet eens de grootste is – welke stellen, dat zij precies weten, wat God verlangt, wat Zijn Wil is.

Vreemd doet het daarbij aan, dat deze God klaarblijkelijk dingen wenst, die ingaan tegen zijn eigen schepping. Wanneer wij namelijk de wetten, die God gegeven zou hebben, nagaan – onverschillig of wij nu uitgaan van de tien geboden of van de wetgeving in de Koran, voornamelijk in de soera van “de koe”, de regels van de hindoes of de regels, die gebonden blijken te zijn aan een volgen van het boeddhistische Pad, worden wij steeds met een aantal axioma’s geconfronteerd. Zo wil God dit, zó is Zijn Wil, dit mag u niet, dat zult gij wel doen. Met de ingeschapen eigenschappen van de mens wordt daarbij weinig of geen rekening gehouden.

Wanneer wij over deze regels verder nadenken, zullen wij al snel beseffen, dat deze regels wel in een bepaalde vorm van maatschappij passen. Wij kunnen ons voorstellen, dat zij onder bepaalde omstandigheden en in bepaalde maatschappelijke verhoudingen zeer juist en goed zijn. Maar na enig nadenken zullen wij tevens beseffen, dat deze zelfde wetten onder andere maatschappelijke verhoudingen eerder tot mistoestanden zullen voeren. Dit doet mij vragen: God heeft toch alle dingen geschapen? Zouden wij nu een deel daarvan terzijde moeten gaan zetten, omdat in de wet staat, dat het niet goed is? Kan die wet dan als een algemene waarde worden beschouwd of niet? Nemen wij aan, dat deze wet algemeen is en dat er waarlijk een God is, die deze wet geeft, zou ook het begrip ‘zonde’ waarlijk bestaan. Maar ik ben zo vrij dit toch te betwijfelen. Ik geloof namelijk niet aan het bestaan van deze ‘zonde’ in de vorm van iets, wat je verkeerd doet, zodat je er later door een toornige God voor gestraft wordt.

Wel geloof ik aan wetten, waaraan geheel de kosmos – ook zuiver structureel dus – gehoorzaamt. Ik geloof bv. wel degelijk aan een wet van oorzaak en gevolg. Maar ik geloof niet aan deze wet als iets, waarin wij ons ondanks andere mogelijkheden, toch moeten voegen. Ik geloof dus niet aan een stelling, die ongeveer zegt: “Wij moeten onze oorzaken met de grootste zorg juist kiezen, want als wij de verkeerde oorzaken kiezen, krijgen wij straf”. Ik geloof namelijk ook niet in een God, die straft. Dat zal u misschien vreemd voorkomen.

Ik geef u echter nu ons standpunt: God schept het heelal. God geeft aan dit heelal een deel of het geheel van Zijn eigenschappen mee. Onze God is volmaakt. Hij weet dus, dat Hij in dit heelal iets goeds heeft geschapen. Wij aanvaarden dit dus niet, omdat dit nu toevallig in de bijbel staat, maar omdat een onvolmaakte God volgens ons besef geen werkelijke alomvattende God zou kunnen zijn.

Wat God geschapen heeft, zal steeds aan zijn Wezen beantwoorden. En daarbij schept Hij dus een ontwikkeling, waaruit de mens voortkomt. Nu kan ik mij voorstellen, dat het geheel wordt geleid door bepaalde wetten. Wetten, die voor de stof, voor de mens en de geest dus geheel gelijkelijk gelden. Deze wetten vloeien dan voort uit de wil van de schepper en zijn een weergave van het karakter van het scheppende principe. Tegen dergelijke wetten kunnen wij echter niet ingaan. Wanneer God een regel stelt, is dit een begrenzing van mogelijkheden, zodat wij een dergelijke wet eenvoudig niet kunnen overtreden. Wanneer wij toch proberen dit te doen, zullen wij wél iets veroorzaken, maar gelijktijdig een compensatie scheppen, waardoor het evenwicht van de schepping gelijk blijft.

Het evenwicht moet gehandhaafd blijven, want dat is het principe, dat wij steeds weer in de schepping erkennen: een blijvende evenwichtigheid, waarbij elke verandering door volgende veranderingen wordt gecompenseerd. Indien er één enkele wijziging zonder compensatie zou plaats vinden, houdt dit naar ons inzicht in, dat geheel de schepping terug zou gaan vallen in de chaos. Wanneer ik dus iets doe, wat niet strookt met de heersende orde, zal ik daarvoor een compenserende werking veroorzaken en waarschijnlijk ook zelf moeten verduren. Dit is echter niet de straf, die ik moet ondergaan, doch de kosmos, die zo haar oorspronkelijke evenwicht handhaaft. Zo gezien kan ik dus dwaas zijn, kan, ik iets doen, wat vanuit mijn persoonlijk standpunt uit negatief is, maar zal ik niet tegen God kunnen zondigen. Ik kan via mijn eigen actie enz. vele werkingen veroorzaken, maar zal nimmer in staat zijn daarbij zo ver te gaan, dat ik God werkelijk beledig.

Tussen haakjes, ik zou niet veel op hebben met een God, die zo menselijk is, dat hij zich door mensen laat beledigen, ofwel zo zwak is, dat hij de mensen de mogelijkheid heeft gegeven hem te beledigen.

Hoor ik als antwoord op een dergelijke opmerking, dat God de mensen zozeer liefheeft, dat Hij hen deze mogelijkheid heeft gegeven, zo lijkt mij dit maar een zeer eigenaardige vorm van liefde, laat staan van Goddelijke Liefde. Voor mij is het gangbare begrip zonde dan ook een illusie, een waan, iets, wat niet werkelijk bestaat. Er zijn andere dingen, die achter dit begrip verborgen liggen. Er zijn essentiële waarden, waarop de mens het begrip zonde heeft gebouwd. Dit is waar. Maar te stellen, dat er sprake kan zijn van identiciteit tussen het menselijke zondebegrip en de kosmische wet, is volgens mij toch niet zonder meer mogelijk. Wanneer de mens dit doet, ziet hij zichzelf toch wel een beetje te belangrijk. Ik meen, dat de mens zijn eigen waarde en belangrijkheid schromelijk overschat, wanneer hij meent, dat hij tegen de Schepper zondigen kan.

Nu blijkt bij velen het begrip zonde op een zeer eigenaardige manier opgebouwd te zijn. Zo stelt men, dat het zonde is, wanneer de mens ingaat tegen de Tien Geboden, die Mozes op de berg ontvangen heeft, naar men zegt van God. Zelfs indien wij aannemen, dat dit waar kan zijn, zullen wij onmiddellijk constateren, dat er een zeer grote overeenkomst is tussen de inhoud van deze wetstafels en vele oudere wetten.
De oudheidkunde vindt in spijkerschrift meerdere wetten, die vroeger gedateerd moeten worden dan de wetgeving op de berg, maar met kleine verschillen toch een ongeveer gelijkluidende inhoud hebben. In de wetten van Hammurabi vinden wij bv. essentieel dezelfde waarden als in de Tien Geboden. Alleen voor de eerste drie geboden kunnen wij een uitzondering maken. Deze wetten zijn bij genoemde vorst bv. te vervangen door een reeks stellingen, waarbij de verhouding van de vorst en zijn vertegenwoordigers t.a.v. het volk wordt bepaald.
Ook in Egypte vinden wij soortgelijke wetten, die soms zelfs in uitwerking sterke gelijkenis tonen met de joodse wet – bv. de wetten omtrent diefstal, betreffende de eerbied voor ouderen – ouders – enz. Er is dus zeker geen sprake van een geheel nieuwe wet. Dit maakt de goddelijke afkomst van deze wetten vraagwaardig, tenzij wij willen stellen, dat God zichzelf herhaalt op aarde en via Mozes deze wetten, aan een bepaald volk in het bijzonder, nogmaals wilde geven.

Hoe wij tegenover dit laatste staan, is een geloofskwestie. Dit moeten wij voor onszelf beslissen. Zo wij menen, dit als juist te moeten aanvaarden, zullen wij er naar moeten handelen. Maar het is geloof, geen zekerheid. Daarom moet een ieder dit voor zichzelf weten. Zelfs in dit geval zullen deze wetten echter tot doel hebben een bepaalde orde of harmonie te handhaven. Vaag zijn deze wetten klaarblijkelijk wel. In minder dan vijf eeuwen worden door de joodse geleerden rond twintig aanvullende rollen geschreven, die elk voor zich een verdere interpretatie van deze wetten bevatten. Hieruit ontstaat later de Thora. Ook een vergrijp tegen deze – door mensen geschreven wet – wordt “zonde” genoemd. Vandaar dat wij bv. nog heden bij orthodoxe joden en christenen het denkbeeld aan kunnen treffen, dat elke arbeid op de Sabbat een zonde is, terwijl nog niet lang geleden men zelfs vaak meende, dat een alleen maar wat ver lopen op Sabbat verboden was en dus zondig.
Deze gedachtegang voert ons tot de eigenaardige conclusie, dat zonde klaarblijkelijk niet alleen door een goddelijke wet ontstaat, maar vooral wel een gevolg is van een ingaan tegen de menselijke interpretatie van die wet. De mens bepaalt, wat volgens hem goed of niet goed is, interpreteert een volgens hem goddelijke wet geheel naar eigen inzicht en verklaart aan de hand van zijn eigen – menselijke – inzichten plechtig aan anderen dat dit wél zondig is, of dát niet zondig is.

Nu ben ik zeker niet geneigd aanvallen te plegen op een mens, die werkelijk gelooft en daarnaar leeft. Want een mens, die werkelijk leeft volgens zijn geloof, is iemand, die voor zich ergens een innerlijke waarheid heeft gevonden. Zo iemand ervaart ergens een innerlijke harmonie met het Hogere.
Maar wanneer mensen nu komen en geloven, dat er geschreven staat: “Gij zult niet doden”, maar daaraan toevoegen: “wij mogen natuurlijk wel onze vijanden doden, want dat is de wil Gods”, zeg ik toch, daar klopt ergens iets niet. Wanneer de joden in de woestijn dit gebod ontvangen en toch rond dertig jaar later genocide plegen op een reeks stammen en volkeren in Kanaän, is ofwel de wet niet juist, dan wel geheel het volk in strijd met zijn God, een God, die deze wet geeft en gelijktijdig – zoals wordt gesteld – het uitroeien van stammen beveelt, is met zichzelf in strijd en volgens mij dus geen ware God.
Weet u niet, wat genocide is? Dit is het uitroeien van een geheel ras, een geheel volk, een gehele stam. In ieder geval wordt hierdoor wel duidelijk, dat de Wet van Mozes ofwel zeer onduidelijk is gesteld, dan wel alleen geldt binnen het zeer beperkte joods stamverband. Is dit laatste het geval, dan zal er sprake zijn van een stamgod, maar niet van een kosmische Godheid.

Eenzelfde verschijnsel zien wij ook nu nog in oordelen. Zijn wij niet verplicht het vaderland, het geloof enz. te verdedigen? God wil het. Met dezelfde kreet: “Dieu le veut”, hebben de kruisvaarders tochten ondernomen om het Heilig Graf te bevrijden. Ondertussen hebben zij tevens alle rijkdommen van het Oosten willen bevrijden. Met de verklaring, dat het Gods wil was, dat men de vijand zou overwinnen en doden, werd overigens ook in de laatste wereld- oorlog zo hier en daar gewerkt.
Dit klopt niet met de Tien Geboden. Voor mij betekent dit, dat ik geen zondebesef, geen schuldbesef tegenover God bij een mens kan aanvaarden, wanneer dit alleen gebaseerd is op een wet, die klaarblijkelijk voor vele uitleg vatbaar is en de door mensen daaruit getrokken conclusies. Een zondebegrip, dat voor de een wel geldt en voor de ander niet, ofschoon beiden aan dezelfde wet geloven, een zondebegrip, dat vandaag wel, morgen echter niet geldt, omdat de omstandigheden en stoffelijke noodzaken anders liggen, is voor mij een illusie. Dat kan geen Goddelijke Werkelijkheid zijn.

Verder zijn voor ons in de geest bepaalde leerstellingen kennelijk onjuist. Wanneer je overgaat, sta je niet onmiddellijk voor een God, die oordeelt, de één toelatende tot de hemel, de andere verbannende naar een hel. Wij worden geoordeeld door ons zelf; wanneer je niet bang bent het Licht en de waarheid van dit Licht te aanvaarden en te ondergaan, leven wij in vreugde. Degenen echter, die wegvluchten voor Licht en waarheid , leven in het duister. Wij zien dit zich elke dag weer, ongetelde malen afspelen. Moeten wij dan misschien aannemen, dat geheel het begrip van de Goddelijke rechter op een verkeerd begrip is gebaseerd? Ofschoon in meerdere gevallen de Goddelijke rechter kennelijk door mensen en groepen als machtsmiddel wordt gebruikt, als een dreiging, lijkt mij toch bij de doorsnee christenen inderdaad van een verkeerd inzicht sprake te zijn. Naar ik meen, wordt dit tevens veroorzaakt door een niet begrijpen, een niet weten omtrent de wijze waarop bv. de tien geboden enz. tot stand zijn kunnen komen.

Nu weten wij allen, dat Mozes de zoon of pleegzoon van een Egyptische prinses was. Dit bete- kent, dat hij, zoals alle kinderen in het ‘huis’ van Farao, in de staatsgodsdienst werd opgevoed en bepaalde wijdingen moest ondergaan; het was namelijk niet mogelijk, in de buurt van de farao te leven, zonder tevens priester te zijn. Zelfs de laagste vrije bedienden waren priesters, zij het van de laagste graad. Wij weten verder, dat de esoterie van Egypte gebaseerd was op het principe van goddelijke rechters. Weliswaar is er daar niet sprake van één God, die rechter is, maar van de “hof der rechteren”. Wanneer het lichaam rust in de dood, gaat de ziel uit en onderhoudt de verbinding tussen lichaam en geest. Deze geest blijft de eerste tijd op de drempel van de twee hallen van de herinnering – waarschijnlijk datgene, wat men nu kosmisch weten of kosmisch geheugen noemt – terwijl de ziel, de geest achterlatende, verder opwaarts wiekt en binnen moet treden in de hof van de 42 rechters. Deze 42 rechters stellen allen één vraag. Het antwoord daarop is dan bepalend voor een al dan niet toegelaten worden tot een hemels land vol vreugden.

De esoterici zagen dit alles niet als een werkelijk proces, als een praktisch magische procedure, ofschoon hun werk, het dodenboek, door priesters en leken vaak wel als een magisch werk beschouwd en gebruikt werd. De esoterici stelden echter: de mens draagt in zich de herinnering en in zich draagt hij ook de 42 rechters. Alles wat de mens op zijn weg naar het eeuwige leven ontmoet – monsters enz. – komt dan ook uit hem zelf voort en is de vorm van zijn behoefte steeds weer tegen zichzelf en eigen beter weten in te gaan.
Wie naar innerlijke waarheid streeft, is echter meester van zichzelf en zal dus deze belemmeringen, zo zij optreden, kunnen overwinnen. Wanneer hij wordt geconfronteerd met de waarden van eigen wezen – de rechteren – is het niet de vraag, wat hij feitelijk in het leven heeft gedaan, maar hoe hij zich voelt. Nu stelden zij verder, dat het eeuwige leven in de mens woonde – het zinnebeeld is de scarabaeus – terwijl dit eeuwige leven de “rechters” kan beantwoorden, zonder zich daarbij te storen aan de menselijke maatstaven. Vandaar dat wij in het dodenboek – en op menige scarabaeus – de woorden aantreffen: “wanneer mijn hart wordt gevraagd, spreek gij voor mij”. In het volksgeloof treffen wij dit gebruik aan als een magische procedure. In de plaats van het hart wordt bij menige mummie een scarabaeus met voornoemd inschrift aangetroffen. Men meende verder, dat de mestkever spontaan ontstond, dus zichzelf genererend en regenererend leven was.

Dit deel van de stellingen komt er dus op neer, dat de mens, die leeft uit een kosmisch bewustzijn, geen schuldvragen meer kent, doch alleen voor zich nog antwoord dient te geven op de vraag: “beantwoord ik door mijn leven aan mijn eigen wezen, of leef ik uit onbewustzijn?” In het laatste geval zullen mijn angsten mij kunnen regeren, zal ik niet alle poorten kunnen doorschrijden en misschien zelfs geheel teniet kunnen gaan. Dit beeld van een goddelijk recht, maar ook het beeld van de esoterische opgang tot God, vinden wij terug in de boeken, die op Mozes’ gezag door de stam van Levi werden geschreven. Het zijn de eerste 5 boeken van de bijbel, de z.g. Pentateuch. Een verwantschap met de Egyptische esoterie mag dan ook worden gesteld.
Hier blijkt m.i. wel, dat andere dan de gangbare uitleg mogelijk is. De zonde, waarover zoveel wordt gepraat, met de gevolgen, waarvan de mens zo vaak juist op grond van de tien geboden en de bijbel bedreigd wordt, is dus een begrip, dat gebaseerd is op werken en stellingen, waarvan niet eens de werkelijke bedoelingen geheel zeker bekend zijn. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat achter het beeld van God, die optreed als rechter, het oude begrip van de kosmische evenwichtigheid verborgen ligt, waarbij wordt gesteld, dat de mens zich volgens wezen en bestemming op de juiste wijze binnen het Al dient te voegen, maar dat er geen sprake is van een werkelijke en onherroepelijke veroordeling.

De meest geldende uitleg is echter te begrijpen, wanneer wij ons realiseren, dat juist een volk in verdrukking behoefte heeft aan een wrekende en toornige God. Dit geldt zeker niet alleen voor de joden. Wanneer wij de predicaties nagaan, die in de middeleeuwen werden gehouden in tijden van verdrukking – meerderen bleven bewaard – zo valt ons op, dat men bijzonder uitvoerig ingaat op en staan blijft bij de zondigheid van de mens.
In tijden van welvaart echter worden de predicaties vaak meer theoretisch en komen vele op zich onbelangrijke aspecten van het geloof op de voorgrond. Ook treffen wij predikanten aan, die voor de toenmalige burgers, de rol van de huidige sterren als B.B. schijnen te vervullen, door uitvoerig in te gaan op alle schandalen en mogelijke zonden, welke uitvoering worden beschreven, om daarna al even uitvoerig in te gaan op de daardoor verdiende helse straf.

Met dit laatste komen wij tot een tweede aspect van de zonde. Zij blijkt niet alleen in verband te staan met de godsdienst, het geloof aan een wrekende God en een vaste wet, maar ook sterk gebonden te zijn aan de menselijke gevoelens en als zodanig aan de sociale structuur, het peil, waarop maatschappij en beschaving zich bevinden.
Spreken over de zonde blijkt in vele gevallen een weergave van de basis van de maatschappij, de vorm van beschaving, die op een bepaald ogenblik bestaat. Wij kunnen bv., hierbij alleen uitgaande van de leer van de Roomse katholieke kerk, die de grootste continuïteit vertoont, aantonen, dat het begrip zonde in de eerste vijf eeuwen geheel anders wordt gezien en gehanteerd, als in de daarop volgende acht eeuwen. Hierna blijkt wederom een grote verandering in waardering en begrip plaats te vinden, terwijl in deze dagen, praktisch vanaf het jaar 1925, wederom het zondebegrip een grote verandering ondergaat.
NB: het begrip zonde zelf toont uiterlijk misschien minder verandering, dan u aan de hand van deze uitspraak zou denken. U kunt echter zien, dat iets, wat in een bepaalde tijd altijd als onvergefelijke zonde werd beschouwd, waarvoor alleen de paus absolutie kon geven, later een gewone doodzonde en nog later als een zonde, die alleen in exceptionele gevallen als doodzonde geldt, wordt beschouwd. Dit is slechts een enkel voorbeeld.

Wij staan dus tegenover het eigenaardige verschijnsel, dat het begrip zonde op eeuwige wetten gebaseerd heet te zijn, maar in de loop der tijden voortdurend gewijzigd wordt. Het is duidelijk, dat in dit geval niet van een goddelijke wet, maar van een menselijke maatstaf gesproken moet worden. Een menselijke maatstaf, waarmee men eeuwige waarden denkt te meten, zal echter altijd een  illusie blijken te zijn: zij is niet de waarheid, maar zal ten hoogste een uitdrukking van een zoeken naar waarheid mogen heten.

Wij gaan nog een stapje verder. In praktisch alle grote godsdiensten blijkt namelijk de gedachte aan de zogenaamde hoofd- of doodzonden voor te komen, dit zijn dus de grote zonden, waarvoor haast geen vergeving mogelijk zou zijn, de zonden die in zich reeds een verdoeming tot de hel dragen, ongeacht het verdere leven van de mens. Ontleden wij deze hoofdzonden, dan blijken zij allen in direct verband te staan met of zelfs een beeld te zijn van zuiver menselijke eigenschappen.
Trots bv. geldt als zodanig. Ook weten wij, dat het in vele gevallen de trots of de waarheid, die men kent, de trots op de innerlijke band met God is, die de mensen tot martelaren maakt. Klaarblijkelijk wordt trots alleen in een zeer bepaalde zin zondig geacht, terwijl dezelfde eigenschap in een andere uiting daarentegen positief heet.
Gierigheid kan inderdaad behoren tot de onevenwichtigheden van de mens. Het verzamelen ten koste van zichzelf en anderen zou dus inderdaad wel als zonde beschouwd mogen worden. Maar als er nu mensen zijn, die alles bij elkaar schrapen op dezelfde basis voor een kerk, klooster, zending, en deze als verdienstelijke mensen genoemd worden die goede werken doen, ga ik toch weer twijfelen. Is zoiets dan alleen zonde, wanneer je het voor jezelf doet, maar niet wanneer het geschiedt voor een groep of gemeenschap?
Eenzelfde tegenstrijdigheid treffen wij ook al aan bij het: “Gij zult niet doden.” De zinnelijkheid is een hoofdzonde. Maar deze zelfde zinnelijkheid ligt toch ook ten grondslag aan het huwelijk – of men dit niet toegeeft of wel – verandert immers niets aan de feiten. Het instinct, waarvan de uitingen zinnelijkheid worden genoemd, is door God geschapen als deel van de mens. Nu kunnen wij wel zeggen, dat het niet goed is, maar wij kunnen niet ontkomen aan het feit, dat God zelf de mens zo heeft gemaakt. Wanneer het uitleven van dergelijke instincten opeens goed wordt, wanneer vooraf een heiliging door een huwelijk – een plechtigheid of sacrament, dat wij overal weer aantreffen – kan de zinnelijkheid zelf niet een hoofdzonde zijn.

Uit deze voorbeelden blijkt alweer, dat zonde afhankelijk is van menselijke waarderingen, waarbij de opvattingen van de groep, de geldende moraal van de tijd een zeer grote, zo niet alles beslissende rol speelt. Wanneer u dit overdreven lijkt, moet u maar eens aan Abraham denken. Toen Sara, zijn vrouw, geen kinderen voort kon brengen, nam hij er rustig een vrouw bij. Toch was Abraham God welgevallig – zekerlijk dezelfde God, die men nu eert – en noemt men het nu zonde, wanneer iemand meer dan een vrouw neemt. Wie van zijn vrouw gescheiden is en een andere vrouw huwt, leeft volgens vele kerken in concubinaat, in voortdurende zonde.

Ik meen, dat de maatschappij wel in zeer grote mate bepaalt, wat zonde is en wat niet. Daarbij blijkt verder, dat men weinig of geen begrip heeft voor de omstandigheden, waarin een zogenaamde goddelijke wet tot stand komt.
Wanneer bv. Mohammed stelt, dat een moslim 4 vrouwen mag hebben, zal menig christen dit een schandelijke en heidense opvatting vinden. Indien men echter de situatie nagaat, blijkt, dat de  Profeet met dit zogezegd uit goddelijke wijsheid stammende gebod, in wezen heeft getracht de positie van de vrouw beter te maken en te regelen. Hij kent haar immers rechten toe, die zij tot dan niet bezat en regelt de samenleving van meerdere vrouwen door een absolute gelijkheid van behandeling door de echtgenoot als regel te stellen.
Dit blijft waar, ook wanneer sommige latere leraren en imams getracht hebben deze regels zo te interpreteren, waardoor de vrouwen toch het kind van de rekening werden, o.m. door een vereenvoudiging van het scheidingsrecht. Uit het voorgaande blijkt wel, dat vele zuiver menselijke eigenschappen zonder meer zonde worden geheten, ofschoon de mens zonder deze eigenschappen ongetwijfeld reeds lang zou zijn uitgestorven.

Sommige groepen van christenen zijn in ieder geval consequent door te stellen: ik ben maar een zondig mens. Vanuit hun standpunt hebben zij volkomen gelijk. Maar er is hieraan een gevaar verbonden, men kan nu al snel zeggen: “ik ben maar zwak en zondig” en zo de eigen verantwoordelijkheid voor zijn fouten en misstappen verminderen of zelfs weg verklaren. Het logische gevolg is, dat velen zelf geen moeite doen om de “zonde” te overwinnen, maar anderen streng plegen te veroordelen, terwijl zij voor zich de fouten niet bestrijden, maar slechts een beroep doen op de “genade”. M.a.w., zij laten het grootste deel van de strijd maar liever aan God over – dat is gemakkelijker – of rekenen op vergeving, terwijl zij rustig verder gaan met zondigen. Want daar komt dit maar al te vaak op neer. Dit lijkt mij niet redelijk.

Wanneer God ons schept en deze God een rechtvaardige en liefdevolle God is, zoals men ons steeds weer leert, mogen wij toch wel aannemen, dat Hij niet willekeurig zal handelen. Dan zal hij niet de eigenschappen, die Hij zelf de mens heeft ingeschapen, tot zondig en strijdig met Zijn wetten en Wezen verklaren.

Op grond van dit alles menen wij te mogen stellen, dat het begrip zonde, zoals dit normalerwijze gehanteerd wordt, een illusie is. Het is niet gebaseerd op een kosmische werkelijkheid, maar spruit voort uit de menselijke behoefte eigen voorkeur en behoefte in wetten uit te drukken, die men dan later aan God toeschrijft, om ze onaantastbaar te maken.

Na mij op deze wijze de verontwaardiging en woede van velen op de hals gehaald te hebben, ga ik over tot een tweede deel van mijn betoog: het beschouwen van het begrip ‘wet’.

Waar mensen samenleven, of dit nu een kleine gemeenschap betreft of een zeer grote, zal er altijd weer een reeks van regels, een wet of codex moeten bestaan, waardoor het de mensen mogelijk wordt op de juiste wijze samen te werken en te leven. Deze wet vloeit dus niet voort uit een bovennatuurlijke bron, maar is het gevolg van maatschappelijke en sociale noodzaken. Dergelijke wetten zullen wij dan ook overal waar mensen leven, terug vinden. Ik sprak u reeds van de tien geboden. Realiseer u zich eens, hoe knap deze formulering is – en blijft – zelfs nadat zij vele malen opnieuw werd vertaald. U zult dan beseffen, dat dit een wonderlijk stuk van staatsmanschap is.

De tien geboden gaven aan de Joodse stammen plus de woestijnvolkeren, die met hen mee trokken datgene wat noodzakelijk was om deze heterogene massa tot één werkelijk volk om te smeden, namelijk één gezamenlijke God, dus een gezamenlijk beeld van de hogere machten, plus een reeks voor allen gelijkelijk geldende leefregels, die zekerheid schiepen in het onderlinge verkeer. In wezen dus een maatschappelijk concept, waarmee de verhouding van mens tot mens  werd gefixeerd én de rechten van elk lid van de gemeenschap tegenover alle andere leden van die gemeenschap werden zeker gesteld, zodat men beschermd en gevrijwaard werd voor onrechtvaardigheid, of onredelijk optreden en ingrijpen van anderen.

Waar ik ook de godsdienstige regels en wetten naga, steeds weer word ik getroffen door de aanwezigheid van hetzelfde element. Er bestaan zelfs soms geboden, die kennelijk alleen op het continueren van de godsdienstige gemeenschap gebaseerd zijn. Zo vinden wij in het roomse geloof de zogenaamde Vijf Geboden van de kerk, die men niet mag overtreden op straf van doodzonde. Onder meer staat daarin, dat men op elke zondag de mis moet bijwonen.

Misschien leest u hierin de wijsheid van de herders, die zo hun volgelingen tot God brengen. Maar wanneer ik dit lees, vind ik er toch wel iets anders in. Volgens mij staat daar in wezen: het is noodzakelijk, dat wij steeds weer gezamenlijk onze mysteriën beleven, omdat anders de gezagsinhoud van de kerk – en dus haar betekenis – teveel zal verzwakken. En op deze wijze gezegd is dit gebod opeens niet meer zo aanvaardbaar.
Bijna overal vinden wij ook weer de eis, dat men bepaalde dogma’s zonder verder na te denken zal aanvaarden. Niet alleen bij de christenen dus, maar praktisch overal, waar een godsdienst een zekere omvang bereikt. Wie dit niet doet, wordt uitgestoten uit de godsdienstige gemeenschap, wat volgens de verkondigers van de leer in zeer vele gevallen mede inhoudt, dat men zelfs niet meer de mogelijkheid zal hebben ooit de hemel te kunnen betreden. De gelovige wordt dus de keus gelaten, tegen eigen weten of gevoel in te aanvaarden, dan wel naar de hel te varen.
Dit ruikt naar afdreiging en is jammerlijk, maar blijft voor de godsdienstige groepen noodzakelijk te zijn om verdeeldheid tegen te gaan en het gezag van de leraren te handhaven. De binding aan een leergezag is voor de kerken noodzakelijk op dezelfde wijze, waarop voor u als natie een grondwet noodzakelijk is.

Nu is de grondwet van bv. het Nederlandse volk alles behalve ideaal. Wanneer wij zien, hoe zij tijdens haar betrekkelijk korte duur van bestaan op vele verschillende wijzen geïnterpreteerd werd, mogen wij wel aannemen, dat de oorspronkelijke opzet en bedoeling van de grondwet duizenden malen verkracht wordt, terwijl zelfs de wetgever zelf steeds weer tegen deze grondwet zondigt, althans tegen de geest ervan. Dit hindert echter niet. Het is immers niet noodzakelijk, dat er een enkele steeds gelijke en stabiele wet is.
Het is noodzakelijk, dat er een wet bestaat, binnen welke het volk kan leven en zich op redelijke wijze verder kan ontwikkelen. De wet is noodzakelijk, omdat anders de mensen elkander al snel zouden vernietigen, elkander voortdurend onrecht aan zouden doen en het menselijke van de samenleving zo al snel door meer dierlijke maatstaven en waarden vervangen zou worden. Er is dus in de wet altijd weer een zekere noodzaak te erkennen. Een wet wordt niet gesteld uit willekeur, maar komt tot stand omdat zij uitdrukking geeft aan een bepaald streven dan wel voor het behoud van volk of groep noodzakelijk lijkt.

Wanneer je dit alles aanvaardt, wordt het duidelijk, dat men dus ook in en tegen de gemeen- schap kan zondigen. Wanneer men steelt van iemand, die teveel heeft, zal men daarmede, volgens mij, de ander geen feitelijk onrecht toevoegen; hij heeft immers meer dan hij nodig heeft om te leven. Wanneer men zelf minder heeft dan dit, is het voor het zelfbehoud soms  noodzakelijk van een ander te nemen. Maar, nu is bezit echter de basis van de staat en de samenleving.

Wanneer een uitzondering wordt toegelaten, waarbij men wel mag stelen, of althans niet daarvoor bestraft wordt, zullen velen er toe overgaan zelf geen bezit meer te vormen en zo de uitzonderingstoestand voor zich creëren, waardoor zij ten koste van anderen kunnen leven. Het eigendom, de waarde, waardoor grotendeels de ijver van de mens, zijn gehoorzaamheid aan de wet, zijn verknochtheid aan het gezag wordt bepaald, zou op deze wijze teniet worden gedaan. Daarom is het stellen van een wet wel degelijk aanvaardbaar.
Dit betekent echter, dat de misdadiger, die naar de gevangenis wordt gezonden, lang niet altijd ook in eigen ogen, of uit een meer kosmisch standpunt, een zondaar zal zijn. Hij heeft dingen gedaan, die maatschappelijk niet aanvaard kunnen worden. Zij zijn echter uit God voortkomende mogelijkheden en behoren dus in de kosmos niet tot de zonden, maar tot het normale. Dat de misdadiger de gevolgen van zijn daad ondergaat, is goed en vloeit voort uit de wetten van oorzaak en gevolg. Hij zondigde echter niet tegen God, maar, zover het anderen aangaat ten minste, tegen de concepten van sociale zekerheid binnen een bepaalde gemeenschap.

Wanneer iemand een ander mishandelt, zal dit in vele gevallen betekenen, dat hij zelf eens een flink pak slaag moet hebben, dus een zekere ervaring heeft op te doen. De maatschappij kan hem deze ervaring echter niet geven, zonder de mogelijkheid tot willekeur en geweld te scheppen en zal hem dus straffen, door hem bv. gevangen te zetten. Of dit de juiste manier is, blijft natuurlijk een grote vraag. Zeker is, dat de maatschappij moet reageren, omdat anders de zekerheid, die noodzakelijk is om te kunnen fungeren, teloor zou gaan. Dit heeft alles nogal vreemde consequenties.
Zo kan worden gezegd, dat de maatschappij, naarmate zij de strijd minder begeert, de strijdlust bij individuen strenger zal moeten gaan bestrijden. Naarmate de mens meer zekerheid en meer vaste maatschappelijke verhoudingen begeert, zal hij pogingen tot zelfstandigheid, tot leven of werken buiten de erkende maatschappelijke mogelijkheden om, strenger moeten gaan bestrijden. Dit alles heeft niets te maken met zonde. Maar het tot zondig of onjuist verklaren van ongewenste invloeden is wel een noodzaak.

Nu blijkt mij, dat in zeer vele gevallen, begrippen als macht, het zeker stellen en behouden van het oude, het doen zegeveren van eigen opvattingen en inzichten, de grondslag vormen van de wet, zowel in de staat als in de kerk. Deze waarden bepalen dus niet alleen de misdaad, maar ook de zogenaamde zonde.

Wanneer dit alles door een ieder begrepen zou worden, zou toch niemand stellen, naar ik meen, dat nu alle wetten overbodig worden. Maar wel zou men waarschijnlijk stellen, dat de handhaving van de wetten niet juist is omdat er verkeerde opvattingen heersen. Het handhaven van de wet is niet het bestraffen van gedaan onrecht, zoals men menigmaal meent, maar een beveiligen van de maatschappij. En dit is een groot verschil. Ik wil hierop niet te ver ingaan. De fouten, die de, op zich zeer menselijke juridische inzichten in deze tijd tot stand brengen – zoals de vlucht van de schuldige in de abnormaliteit en het niet volledig toerekenbaar zijn – bewijzen wel, dat van een verwarring gesproken kan worden. De basis van de wet is de bescherming van de gemeenschap, niet de bestraffing van schuldigen. Alleen wanneer men hiervan uitgaat, zal het doel, namelijk het beschermen van de gemeenschap, bereikt kunnen worden.

Ik kom nu tot het derde punt van mijn betoog:

Wanneer wij uitgaan van een gemeenschappelijke maatstaf, die bepalend is voor zondigheid, misdadigheid enz., of zelfs maar van een algemene maatstaf, die gebruikt wordt om intellect vast te stellen, zal de mens steeds weer aan een gemiddelde gebonden zijn. In het gunstigste geval zal men nog steeds uit moeten gaan van alles, wat de mens werkelijk weet, kent of denkt.
Zelfs een geopenbaarde wijsheid – zo er een bestaat, wat wij verder in het midden kunnen laten – zou dus altijd door mensen geïnterpreteerd moeten worden. Het is steeds de menselijke maatstaf, die bepalend wordt geacht voor het geheel. Maar de mensen zijn niet aan elkaar gelijk. Elke mens is een op zich staand individu, elke mens op zich heeft zijn eigen verlangens, behoeften, gaven en mogelijkheden.
Hoe betrekkelijk de werkelijke waarde van de menselijke algemene maatstaven is, kunnen wij zien, wanneer wij bemerken, hoe de beste leerlingen en uitblinkende studenten later vaak tot de middelmaat of zelfs wel tot de mislukkingen behoren, terwijl slechte leerlingen en zelfs op school als onverbeterlijk lui beschouwde leerlingen in de maatschappij, maar ook in de wetenschap, vaak een succes blijken te zijn.
De algemene maatstaf faalt zeer vaak. Zij is echter noodzakelijk om met elkaar te kunnen werken, leren, te leren leven, en is het vaak noodzakelijk een bepaalde maatstaf of een bepaald begrip maar aan te nemen, ongeacht de feitelijke waarde ervan.

Dit neemt echter niet weg, dat elke mens praktisch een uniek wezen is, met een afzonderlijke voorgeschiedenis – lichamelijk door erfelijkheid en de prenatale periode, waarin de mens wordt geconditioneerd – en geestelijk door de ervaringen, vóór men in de huidige gedaante is geïncarneerd.

Er wonen op de wereld vele miljoenen mensen, maar u zult er maar weinigen kunnen vinden die werkelijk geheel identiek zijn in wezen en eigenschappen. De maatstaven van persoonlijk beleven en erkennen liggen dus bij de verschillende individuen zover uit elkaar, dat men wel mag stellen dat elke wet, die wordt gesteld, onrecht doet aan een deel van de mensheid. Dit geldt in de maatschappij zowel als binnen het geloof. De regel is noodzakelijk, maar houdt onrechtvaardigheden in tegen tenminste een minderheid van de gemeenschap waarin zij geldt.

Kan nu God – een Goddelijke Kracht – aan zeg maar ongeveer 1/3 van de mensheid bewust onrecht aandoen? Kan een liefdevolle en rechtvaardige God wetten stellen, waaraan een deel van de mensen zich krachtens lichamelijke aanleg, hun innerlijk leven, hun geestelijke behoeften en innerlijke groei, zich niet eens kunnen houden zonder zichzelf te verlinken? Kan een Goddelijk wezen dergelijke wetten stellen en toch waarlijk God blijven? Volgens mij niet. Wanneer wij denken, dat een God zo bekrompen moet zijn als de mensen, maken wij een heel grote fout. Wij vergeten dan, dat God alles heeft geschapen, niet alleen maar de mens.

Wij vergeten dan, dat God alle dingen kent en weet, zodat die God zeker, binnen de kosmische wetten – die wij niet kunnen overtreden – voor alle mensen de juiste belevingen en ervaringen mogelijk zal maken.

Nu heb ik steeds gesproken over God. Maar om mijn betoog af te ronden, moet ik nog een stap verder gaan. Er zijn immers mensen, die niet geloven in een leven na de dood. Sommigen kunnen dit niet, zelfs al zouden zij dit graag doen. Nu kan ik wel zeggen: het leven na de dood is er, maar daarmee zullen zij maar weinig verder komen. Toch wil ik trachten voor hen en ten dele vanuit hun standpunt te spreken.

Wanneer er geen leven na de dood is, is een begrip als zonde wel een van de meest dwaze dingen, die er bestaan. Het is onzinnig je aan geestelijke wetten of aan wetten op basis van geestelijke waarden te houden, wanneer er na de dood toch niets meer volgt. Dan is het beter de stellingen van Epicurus te volgen en het leven te leven om het leven zelf, de dagen te genieten, elk ogenblik vol te stoppen met werkelijke genietingen. Het heeft dan weinig zin te vragen naar wetten enz., maar de verstandige mens zal geheel het leven slechts vragen naar alles, wat hemzelf waarlijk vreugde geeft.

Toch ontdek je steeds weer, soms niet zonder verbazing, dat mensen, die niet aan een voort- bestaan of een God geloven, zich vaak veel strikter aan wetten houden en een veel sterker ontwikkeld zondebesef hebben, dan degenen, die wel in een God en een leven na de dood geloven. Een voorbeeld daarvan treffen wij aan in enkele atheïstische systemen.
Er zijn landen, waar men niet in God gelooft en toch een openbare schuldbelijdenis kent, die gevolgd wordt door een boete en eventueel door een kwijtschelding. Denk niet, dat dit alles alleen maar onder dwang tot stand komt. Het komt voor, dat mensen, die in God noch voortbestaan geloven, zich innerlijk gekweld tot een bedrijfsraad wenden en bekennen: “Ik heb gefaald. Vergeef het mij. Indien ik het nogmaals mag proberen, zal ik het beter doen”. Dit is nu eigenaardig.
Want zonder geloof in God is er geen reden zich schuldig te voelen, tenzij de mens in zijn denken, psychologisch dus, ergens een behoefte heeft aan de regel en het schuldgevoel. Hiervoor is wel iets te zeggen. Tenminste, wanneer ik mij mijn jongensjaren goed herinner. Toen ik klein was, werd er elk jaar nog ontzettend veel ingemaakt. Wanneer ik dan de kans had iets van de vruchtenconserven te snoepen, of gedroogde appels en peren mee te nemen, wanneer ik wist, dat het niet mocht, smaakten zij mij nog eens zo goed als anders.

Klaarblijkelijk heeft de mens ergens behoefte aan het verbodene, het gevaar. In de oudheid kende men dit gevaar wel door de grote onzekerheid van zijn leven, dat door invloeden buiten zijn eigen beheersing werd bepaald. Gevaarlijk leven – in die oude zin van het woord – bestaat tegenwoordig haast niet meer. Hoe geordender de maatschappij wordt, hoe minder mogelijkheden de mens vindt, om toch op een voor hem bevredigende wijze het gevaar of de schijn daarvan te vinden. Daarom wordt zijn behoefte aan het verbodene steeds sterker; ook dit geeft een aangename prikkel. Berouw – en daarmee het zondebegrip – blijken voort te komen uit een besef, dat men bepaalde gevaren niet kan doorstaan, dat het zondigen een te zware of niet aanvaardbare reeks van gevolgen met zich brengt. Dit geldt zowel voor de werkelijkheid als voor de in de denkwereld van de mens bestaande gevaren.

Misschien is de stelling, dat de mensen wetten maken om zo de prikkel te kennen van het verbodene, nog niet zo dwaas als zij klinkt. Mij dunkt, dat sommige mensen bij voorkeur over de zondigheid van anderen spreken, omdat zij op deze wijze de prikkel van het verbodene ondergaan, zonder daardoor zichzelf schuldig te voelen en zo zich aan een mogelijke retributie bloot te stellen. Zelf zullen zij dit natuurlijk niet toegeven. Maar wanneer ik hoor van iemand, die een bepaalde foto zondig vond, waarschijnlijk na haar met een vergrootglas nauwkeurig onderzocht te hebben om de graad van zondigheid goed vast te kunnen stellen, heb ik toch wel het gevoel, dat wij hier te maken hebben met iemand, die zich gaarne voortdurend met zoiets bezig zou houden, wanneer hij maar niet het gevoel had, dat hij daarmede iets groots en belangrijks op het spel zou zetten bv. zijn eeuwige zaligheid of zo iets.

Daarom wil ik ook stellen: juist de mens, die in wezen een speler is, maar niet de moed heeft zijn stoffelijk welzijn, of zijn geestelijke welvaart op het spel te zetten, speelt met zijn geestelijk leven een eigenaardig spel. Hij schept voor zich een schuldbesef, dat hem voldoening geeft, maar zoekt de schuld voortdurend bij anderen, om zo voor zich naast de voldoening ook nog de zekerheid te hebben, dat hij toch nog net aan de goede kant van de streep gebleven is.

Zo iemand daagt Tartarus uit anderen te verslinden door een zondebesef aan te kweken, alle mogelijkheden van de zonde uit den treure te overpeinzen – waarvan hij soms meer geniet dan een ander van de zonde zelf – om dan te stellen: hiervoor ben ik te goed, anderen zullen dit misschien doen, maar ik niet. Dit is een ziekelijke mentaliteit, die heel gevaarlijk kan worden. Zij blijkt namelijk niet alleen in de religie, maar ook in de staatkunde te bestaan en neemt vaak als een wildvuur in omvang en betekenis toe. Wij krijgen dan een volledig illusoir zondebesef, dat in feite alleen maar gebruikt wordt om het verkeerde te stimuleren.
U kent overigens misschien de volgende regel: naarmate er meer wetten worden gemaakt, zullen meer personen méér malen méér wetten met minder gewetensbezwaren overtreden. Zo zouden wij ook kunnen zeggen: naarmate men in de wereld meer zonden ziet, zal men anderen eerder tot zondigen brengen, terwijl men ook zelf geneigd zal zijn meer te zondigen en uit die zonden zowel als uit de zonden van anderen voor zich genoegdoeningen zal verwerven. Deze voeren echter tot een gevoel van onzekerheid zodat men gelijktijdig de zonden, die men innerlijk beleeft, bij anderen eerder zal vermoeden, feller zal bestrijden en scherper zal veroordelen.

Het zondebegrip, zoals dit nu wordt gehanteerd, past dan ook niet meer in deze dagen en vormt een steeds groter gevaar voor de vrede in de wereld en het geestelijk welzijn van de mensen.

Wel past in deze dagen een toenemend begrip van de mogelijkheid innerlijke harmonie met God te vinden. Een mens moet heel wel beseffen, dat alles wat hij doet, voor hem aanvaardbaar of niet aanvaardbaar en daarom goed of niet goed kan zijn. Hij moet beseffen dat, zo iets voor hem verkeerd is, hieraan gevolgen verbonden zijn, maar dient evenzeer te begrijpen, dat aan al het goede wat hij doet, eveneens gevolgen verbonden zullen zijn. Dan immers zal hij leren beseffen, dat de waarde van alle dingen bepaald moet worden door de prijs, die het Ik er voor moet betalen.
Wanneer de mens dit eenmaal beseft, heeft hij geen behoefte meer aan begrippen als ‘zonde’ of schrikbeelden omtrent de kwellingen van de hel, die vriend Henri eens vergeleek met een patat friteskraam voor verdoolde zielen. Er is dan ook geen behoefte meer aan het begrip genade in de vorm, waarin men dit zo vaak misbruikt. Dan is er behoefte aan Godsgebondenheid, aan een persoonlijk opgaan naar iets hogers, aan een persoonlijk besef, waardoor het eigen leven steeds wijder en rijker wordt.

Een wijze van leven, waarin je steeds groeien kunt en toch ook altijd jezelf kunt zijn. Wanneer een mens in de komende tijd dit leert beseffen, zal hij niet meer praten over “zonde”. Dan zal hij beseffen, dat zonde alleen maar een illusie is, een waanbeeld, zolang je het gebruikt als een algemeen begrip. Dan zal hij zeggen: “Ik kan tegenover niemand zondigen, zelfs niet tegen God, want zondigen kan ik alleen tegen mijzelf. Ik kan mijzelf tekort doen, mijzelf verloochenen en verraden op een wijze, die ik innerlijk niet verdragen kan. Ik kan mijzelf brengen tot iets, wat niet past bij mijn leven, zo de waarden van mijn leven vervalsen en mijzelf ongelukkig maken. Zondigen tegenover mijzelf kan ik wel, wanneer ik, mijzelf en het geloof aan God, zoals het in mij leeft, erkennend, toch daar tegenin ga”. Want wanneer men verkeerd handelt, zondigt men in feite tegenover zichzelf, niet tegenover God of anderen. Daarom is de maatstaf, waarmee men het leven meet en beslist, of iets niet goed is, zondig is, iets, wat ín de mens leeft.

De kosmische wet is niet iets, waardoor God de mens straft of beloont. De kosmische wet is slechts de reeks van condities, waaronder alles wat God wil, steeds zal voortbestaan. Dit erkennende zal de mens willen leven met een steeds grotere kennis van eigen wezen en behoeften, zonder ooit anderen dezelfde maatstaf aan te leggen, die men voor zich als juist heeft erkend. Dan zal men ook niet meer spreken over zonde en zondeval, duivels en demonen, maar over zichzelf, zichzelf beschouwen en stellen: nu besef ik, dat ik alleen op déze wijze kan leven en toch vrede kennen in mijzelf. Want alleen op deze wijze kan ik God steeds weer erkennen in het diepst van mijn wezen. Want in dit ene opzicht, het zondigen tegen eigen wezen, is de zonde, een waarheid. Maar alle andere opvattingen van “zonde” berusten op waan.

Om de waarheid te kunnen erkennen, dient men alle begrippen tot de mens zelf te herleiden. Volgens ons begrip van het Al heeft elke mens een vaste taak in het leven. Wanneer men op de wereld komt, zijn in het Ik de mogelijkheden en eigenschappen aanwezig, die men daartoe dient te realiseren. Volgens onze begrippen is elke geest, uitgaande van God en kerende tot God, een vast deel van een eeuwige schepping. Steeds wanneer hij deze ware betekenis van zijn wezen verloochent, zal de mens tegenover zichzelf zondigen. Maar wanneer de mens beantwoordt aan zijn eigen wezen, daarbij zich niet afvragende, hoe anderen wel zijn of doen, zal hij – al is hij misschien maatschappelijk niet erg aanvaardbaar – een mens zijn die waarlijk weet, dat hij in waarheid deel is van het goddelijke. Door dit in zich te beseffen, zal hij steeds meer van zijn ware Ik bewust worden en daarmede ook van de God, die mede in hem leeft.

Dit punt is voor mij het beslissende in deze lezing. Wanneer men u dus zegt, dat iets niet goed is, dat het voor u niet mogelijk is, dat het niet mag, neem het dan met 10 korrels zout, tenzij eigen ervaring of innerlijk besef u zegt, dat dit waar is, of u het gezag van een ander op een bepaald gebied zo hoog acht, dat u zonder voorbehoud of aarzeling daarin geheel kunt en wilt geloven.

Laat u nooit verleiden iets te aanvaarden, waartegen uw innerlijk in opstand komt, alleen omdat men u zegt, dat dit de wet is. Leef eerst uzelf. Dan zult u ontdekken, dat juist de mens, die als enige zonde beschouwt dat wat ingaat tegen de waarheden die God in hem heeft gelegd, de mens is, die waarlijk aan wetten weet te gehoorzamen, want deze gehoorzaamt met geheel zijn wezen aan de wet, waar zij met zijn wezen niet strijdig is, in de wetenschap, dat het voor eigen vrede en geluk noodzakelijk is, dat anderen eveneens hun vrede, geluk en bewustwording kennen.

Met deze inleiding zijn vele punten aangesneden, maar vele grote vragen zijn niet eens aangesneden. Met de begrippen van zonde en zondigheid hangen bv. moraliteit en leefwijze samen, evenals de verplichtingen en verhoudingen, die men tegenover andere schepselen erkent. Indien u wilt, kunt u zo dadelijk deze punten ter sprake brengen. Ik hoop echter, dat deze inleiding u een duidelijk begrip heeft gegeven van de zienswijzen over dit onderwerp, die in onze wereld bestaan.

Vragen

Zo, vrienden. Ik weet, dat het moeilijk valt, over dit onderwerp vragen te stellen of opmerkingen te maken, maar ik wil toch eerst zien, wat u nog te berde wilt brengen.

  • De meeste dingen die wij zonde noemen, staan in verband met de stof. Dit zondebesef moet dus verdwijnen, indien wij tot een beter inzicht in de kosmische waarheden willen komen. Is deze periode datgene, wat de katholieken verstaan onder “het vagevuur?”.

Neen. De term “vagevuur” is voortgekomen uit het primitieve geloof van de mens. Men kon goed begrijpen, dat het noodzakelijk is, dat iemand werkelijk goed geleefd heeft, om in de hemel te komen. Aan de andere kant was het niet aannemelijk, dat men voor enkele kleinigheden naar de hel zou worden gebannen. Door een onbewust teruggrijpen op oudere godsdiensten dacht men toen aan een onderwereld, waaruit men verlost kon worden. Dit noemde men het vagevuur. Een soortgelijk gevoel van rechtvaardigheid is waarschijnlijk aansprakelijk voor het beeld van “het voorgeborchte der hel”, waar ongedoopte, maar onschuldige kinderen een plaats zouden vinden.

Mij dunkt, dat de mens, zelfs op de stofwereld, zich in wezen zijn hel en zijn vagevuur zelf schept. Deze waarden zijn voor mij niet gebonden aan plaats of tijd, maar kunnen ten hoogste gezien worden als een uitdrukking van een toestand. Hel is zo voor mij een “niet met God in harmonie kunnen zijn”. Hemel betekent voor mij dus met God harmonisch zijn. Nu zal men de werkelijke harmonie met God niet altijd kunnen bereiken, maar toch in staat zijn, zich, ondanks eigen wezen en fouten, langzaam naar die harmonie toe te worstelen.

Wij zouden kunnen stellen, dat het vagevuur het gehele leven is, waarin wij God niet waarlijk beleven en erkennen, maar toch steeds weer streven naar die harmonie en God steeds weer dichterbij voelen. Wij zullen dan wel lijden, maar toch de hoop behouden en uiteindelijk een verlossing kunnen bereiken. Het verschil tussen hel en vagevuur is dan het verschil tussen lijden zonder hoop en lijden met de hoop, eens te bereiken.
Ik moet hierbij opmerken, dat ik niet geloof, dat men blijvend in de ‘hel’ gebannen zal blijven, zodat er door de hopeloze aanvaarding een mogelijkheid bestaat, om een nieuw inzicht te gewinnen en zo weer tot hopen en streven te komen. Ik geloof in een eeuwige duisternis, maar geloof niet, dat er ook maar één enkel wezen is, dat door God tot een eeuwig verblijf in die duisternis gedoemd wordt zonder hoop op respijt.

Dit is geen volledig antwoord op uw vraag. In deze tijd van veranderingen zal alles vooral draaien om de veranderingen in de mens zelf. Het zondebesef zal moeten veranderen en ten- minste aan de wijze, waarop de mens tegenwoordig leeft, aangepast worden. De mens zal boven alles moeten proberen, over zijn eigen scheppingen meester te blijven. Dit geldt niet alleen voor machines en atoombommen, maar evenzeer voor systemen.
Dit proces van bewustwording nu echter ook maar vagevuur te noemen, durf ik echter niet. Dan zouden wij immers moeten stellen, dat de mensheid voortdurend reeds in het vagevuur leeft. Daarom stel ik liever, dat vagevuur vergeleken kan worden met de periode na de dood, waarin men nog niet in staat is het Licht te aanvaarden, of dit nog niet heeft kunnen vinden, wij noemen dit het vertoeven in de schemerwereld of nevelland. Want hier vinden wij in ieder geval alle waarden, die schijnen te behoren bij de menselijke voorstelling van een vagevuur: een voortdurend zoeken met de hoop eens te zullen vinden en de innerlijke zekerheid, dat ondanks alles eens het doel bereikt zal worden.

  • Ik hoor u zeggen, dat u gelooft in een eeuwige duisternis. Dat begrijp ik niet.

U gelooft aan een eeuwig Licht? (ja). Dit Licht zal niet geopenbaard, kenbaar, zijn, wanneer er niet iets tegenover staat. Waar eeuwig Licht is, moet ook eeuwige duisternis zijn. Zolang God zich in de volheid van zijn Licht aan ons kan openbaren, moet er ook een eeuwige duisternis zijn, omdat zonder deze tegenstelling een erkennen van het Goddelijke Licht eenvoudig niet mogelijk zou zijn.

Zoals reeds opgemerkt, geloof ik echter niet, dat iemand blijvend in deze duisternis zal moeten vertoeven, tenzij door eigen wil. Wie het Goddelijk Licht echter niet wil aanvaarden en zich dus niet als onderdanig aan God, aan de Scheppende Functie zelf, wil beschouwen, verkeert in dit duister, omdat hij zich van de schepping en God moet afsluiten. Dit voert tot een sterk egocentrisch bestaan, waarin men zichzelf kwelt door eigen onvolmaaktheden. Dat deze toestand echter niet blijvend hoeft te zijn, vloeit m.i. voort uit het feit, dat de afsluiting van het Licht niet voortkomt uit de wil van de Schepper. God wenst de verdoemenis van ook maar één enkele van zijn schepselen naar mijn mening zeker niet.
Het zich afsluiten komt uit de wil van het schepsel voort, zodat het zelf de toestand veroorzaakt. Wanneer zo iemand dus God aanvaardt – een proces dat voor velen volgens mij overigens zeer pijnlijk moet zijn – zal hij echter, eveneens uit eigen wil, de weg tot het Licht weer kunnen vinden. De duisternis is eeuwig, niet het verblijf van hen, die daarin leven. Zelfs Lucifer, de zoon van de Morgen, zal, zo hij werkelijk uitgeworpen is, m.i. terug kunnen keren in het Licht, zodra hij ophoudt God te beschouwen als zijn tegenstander. Wanneer de duivel God wederom erkent en aanvaardt als de kern van zijn bestaan, zal hij weer de hemel kennen. Maar zelfs wanneer de vorst der duisternis weer tot een vorst des Lichts zou worden, zal de duisternis blijven bestaan, zolang God zich openbaart.

  • Het woord zonde zou dwaling betekenen. Is dit juist?

Als begrip wel. Willen wij het woord echter taalkundig ontleden en de oorsprong ervan vinden, zo zullen wij waarschijnlijk terug moeten gaan naar het taalgebruik van de Hettieten. Daar wordt namelijk een woord, dat schijnt te kloppen met het latere Aramees stamwoord, gebruikt in de zin van verdoold zijn, verdwaald zijn.

De begripswaarde van het woord is in de loop der tijden echter gelijk geworden aan het begrip schuld, met de bepaling, dat deze schuld bestaat tegenover de Allerhoogste. Het gevolg is, dat er wel eens moeilijkheden rijzen.
In het Onze Vader bv. werd lange tijd gezegd: “vergeef ons onze zonden”. In feite dient dit te zijn: “onze schulden, zoals wij hen vergeven, die ons schuldig zijn”. Wat inhoudt, dat men van anderen niets zal vorderen, gelijktijdig erkennende, dat men onvolmaakt is, doch aan God vraagt, deze volmaaktheid nog niet van het Ik te vorderen, opdat het deze alsnog zal kunnen bereiken. Eenzelfde verschil vinden wij in de laatste zin van dit gebed. De feitelijke tekst luidt: “verlos ons van het kwade”, maar velen zeggen hier: van den boze – i.c. de duivel . Nu kan het woord, waarvan oordeel en kwaad beiden stammen, hieruit ook gelezen worden, zodat men ook nog kan zeggen, “verlos ons van het oordeel”. Ook dit zou zinvol zijn, omdat hij, die oordeelt, mede over zich een oordeel zal vellen. Naar ik meen, vindt mijn visie steun bij het evangelie. Maar dit is een kwestie van interpreteren en tegenover elke interpretatie kan een andere, die daarmee strijdig is, gesteld worden.

In dit verband wil ik nog opmerken, dat men bij het lezen van het evangelie er beter aan doet zich niet aan de letters vast te klampen, maar zich af te vragen, hoe men dit beleeft. Want zo leert men het evangelie leven en wordt het tot de grootste wijsheid. Indien men het echter steeds weer letterlijk zoekt te verklaren – zoals men ook met de boeken van het O.T. wel doet – vrees ik echter, dat de geest van Christus sterft in de dode letters. Vergeet nooit, dat de Weg, de Waarheid, het Koninkrijk Gods, geen waarden zijn, die in uw wereld bestaan, maar innerlijke krachten en waarden, waaraan je deel kunt hebben en zo in je eigen wereld tot uiting kunt brengen, zonder ooit hun volheid geheel te kunnen openbaren.

De rede is hierbij eerder een bezwaar dan een voordeel. De menselijke rede in deze dagen verzet zich tegen God om de doodeenvoudige reden, dat het menselijke denken en voorstellingsvermogen nu eenmaal beperkt is en afgaat op wat een mens doet, kan, begrijpt enz. en dus God in overeenstemming wil brengen met menselijke inzichten. Het ware geloof en de ware kracht komen echter voort uit dat, wat God is ín de mens en vóór de mens, ja , wat God door de mens tot stand brengt. Dan zal men geen beperkingen stellen in de zekerheid, dat God dit zo nodig wel zal doen. Bovendien lijkt het mij toe, dat het geloof vaak de bron van de zonde is, omdat degene die iets wil aanvaarden, wat hij innerlijk niet geheel kan geloven, voortdurend met het aanvaarde in strijd zal zijn en voortdurend zijn best zal doen, om door schipperen zijn geloof en zijn eigen wijze van leven in overeenstemming te brengen. In de plaats van een leren uit de innerlijke zekerheid, waaruit men leeft, komt dan een innerlijk marchanderen met waarden, die men niet geheel durft te beseffen, maar dan toch maar aanvaardt, met hetgeen je denkt te zijn. Uit de disharmonie, die hieruit resulteert, ontstaat dan weer een gevoel van schuld, een begrip van zonde, waardoor men zich in wezen van God en de Waarheid afsluit.

  • U stelt, dat er bij de joden wel 20 wetsrollen bestaan. Ik meen, dat er slechts één is: de Thora.

Wat u tegenwoordig kent als de Thora, is in wezen een samenvatting, waaruit dus alweer veel is weg gevallen. De oorspronkelijke voorschriften waren veel omvangrijker. Zij omvatten 50 afdelingen of hoofdstukken, die verdeeld waren in rond 20 kleinere en gemakkelijk te hanteren rollen, maar ook nog eens in een drietal zeer grote rollen waren geschreven. Dit alles te samen was de Thora van die tijd.
Wij kunnen immers ook zeggen, dat een encyclopedie bestaat uit 5, 10 of 20 delen, zonder dat deze daardoor meer of minder een encyclopedie wordt? Wanneer men het aantal delen noemt, stelt men daarmede de omvang van het werk vast, zonder daarmee iets over de verdere geaardheid te stellen. De bedoelde rollen werden bewaard in het ‘heilige’ van de tempel te Jeruzalem en zijn bij de ondergang van Jeruzalem dan ook teloor gegaan. De volledige schrifturen werden namelijk alleen in de tempel bewaard, terwijl eenvoudiger versies in de zogenaamde leerhuizen werden gehanteerd.
De Thora, zoals zij nu bestaat, is in wezen een dergelijke versie, die zelfs nog enigszins werd aangevuld. De voorschriften en wetten, die men echter niet woordelijk terug kon vinden, maken deel uit van de z.g. mondelinge overlevering. De Wet, zoals de joden die nu kennen, is dus niet geheel gelijk aan de wet, waaronder het volk heeft geleefd van ongeveer de tijd der Richteren tot rond 100 jaren voor de val van Jeruzalem.

  • Kunt u een voorbeeld geven van officiële overtredingen van de grondwet?

Wanneer de vrije meningsuiting van bepaalde groepen wordt belemmerd door bv. het niet ter beschikking stellen van zendtijd e.d., terwijl anderen deze wel verkrijgen, is dit in feite een belemmering van vrije meningsuiting en als zodanig strijdig met de grondwet, zo misschien niet geheel met de letter, dan toch met de geest. Aantasting van persoonlijk eigendom, als bv. door huurwet, pachtwetten, vorderingen zijn  eveneens strijdig met de wezenlijke waarden en betekenis van de grondwet. Let wel, deze dingen zijn noodzakelijk en mogen niet zonder meer afgekeurd worden. Maar m.i. dienen wij eerlijk te zijn en stellen, dat de erkenning van de noodzakelijkheid nog niet betekent, dat de maatregel nu ook in overeenstemming is met grondwet enz. Hetzelfde geldt voor persoonlijk gedrag en de verhoudingen tussen de mensen onderling. Ook hier bestaan regels, die in lange tijd door gewoonte werden gevormd en vaak zelfs schriftelijk werden vastgelegd. Ofschoon deze regels niet als wet gelden en in wezen geen bindende kracht hebben, worden zij als een soort gewoonterecht gehanteerd.

In deze dagen lijken vele van deze regels niet meer gehandhaafd te kunnen worden. In plaats van dit eerlijk toe te geven, doet men nu, alsof men zich nog steeds aan die regels houdt, terwijl men in de praktijk aan deze regels eenvoudig voorbijgaat, omzeilt, of negeert. Dit is gevaarlijk, omdat iemand zich tegen de heersende verhoudingen zou kunnen gaan verzetten met een beroep op oude en lange tijd niet meer gebruikte regels. Wanneer dit in verband staat met zeden en gedrag, zal daaruit vaak een verwarrende en storende inwerking uitgaan, omdat niemand de moed zal hebben te stellen, dat deze regels – waaraan steeds nog lippendienst wordt bewezen – zinloos zijn geworden. Volgens mij is een wet er om werkelijk geheel gehandhaafd te worden.
Het is dwaas een wet of regel voort te laten bestaan, terwijl in de praktijk eenieder daartegen zondigt. Dit geldt ook voor godsdienst, esoterie e.d. Het is altijd weer nodig eens schoonmaak te houden, alle niet essentiële waarden aanpassen aan de werkelijkheid, alle oude leringen, opvattingen en waarden eenvoudig terzijde te stellen. Het is altijd verkeerd, te marchanderen over de betekenis van een wet. Stel haar duidelijk en leef er naar, of verwerp haar geheel en zoek een wet, volgens welke men wél leven kan. Deze wijze van handelen is dienstig, om verkeerd zondebesef en zondegevoel uit de weg te ruimen. Bedenk, dat het niet gaat om de fraaie frasen, maar om de werkelijkheid. Reeds in de Schrift staat: “Het zijn niet zij, die Here Here roepen, die in zullen gaan tot het Koninkrijk Gods”.

Overigens, wanneer de mens waarlijk leeft naar zijn geloof, naar alles, wat hij in zich als goed erkent, en anderen de vrijheid gevende om evenzo te doen, zal er geen wet noodzakelijk zijn. Want de mens verlangt innerlijk naar rust, naar vrede, bescherming en zekerheid. Waar de mens deze dingen kan vinden, door met anderen waarlijk samen te gaan zonder enige dwang, en hierbij zichzelf zijnde, ook anderen zal helpen om zichzelf te zijn, zal een zich bewust worden van de mens voeren tot een maatschappij, waarin weliswaar regels en gewoonten zullen bestaan, zonder dat deze echter tot wet worden, en zo ware vrijheid gevende. Dan zal men ook niet meer spreken over “vergeving schenken”, omdat men eerst dan zal beseffen, dat je het een mens nooit mag verwijten en dus ook niet kunt vergeven, wanneer hij zichzelf is en volgens zijn eigen leven handelt.

Vergelijk: een psychopaat kan dingen doen, die men verschrikkelijk vindt. Hij is zich echter geen schuld bewust. Het is dus dwaas, hem zijn daad te willen vergeven. Ten hoogste zal men kunnen zeggen: “Wij hebben zijn ziekte niet tijdig herkend, daarom zijn wij schuldig. Nu zullen wij er zorg voor moeten dragen, dat die mens gezond wordt, of in ieder geval anderen door zijn ziekte niet meer in gevaar kan brengen”.

Nu er geen vragen meer zijn, mag ik misschien nog enkele woorden spreken, voor wij deze bijeenkomst gaan besluiten. Ik keer nogmaals terug tot mijn grondthese, maar werk deze nu wat anders uit en wel als volgt.

Wanneer ik denk, dat ik gezondigd heb – onverschillig of dit waar is of niet – is het innerlijk evenwicht in mijn wezen verbroken. Zelfs een kind, dat doet wat in feite zeer goed is, maar meent, dat het verkeerd gedaan heeft, zal trachten zichzelf daarvoor te bestraffen of zelfs volwassenen uit gaan dagen, omdat het uiteindelijk alleen door de straf weer zijn rust kan vinden.

Het kind beseft dit niet, maar handelt als uit een innerlijke drang.

Wanneer zonde een illusie is, maar wij voelen iets als zonde, dienen wij te beseffen, dat wij daardoor in onszelf een spanning, een probleem scheppen. Aan deze spanning kunnen wij alleen ontkomen, het probleem zullen wij alleen op kunnen lossen, wanneer wij voor de zonde boeten en zo voor onszelf het gevoel hebben, dat onze onjuiste handelingen gecompenseerd zullen worden. De enige andere oplossing is een precies begrijpen, waarom de daad geen zonde is en dit ook innerlijk geheel kunnen aanvaarden.

Het is gemakkelijk uit te roepen, dat alle zonde illusie is. Maar het is heel moeilijk met het zondebegrip, dat in je leeft, af te rekenen. Een mens zal door zijn opvoeding en omgeving gevangen raken in een reeks van vaste concepten. Wanneer hij daar tegenin gaat, zelfs wanneer hij door noodzaak hiertoe gedwongen wordt, zal hij dit als een schuld gevoelen. Daarom wil ik u waarschuwen. Wanneer er gezegd wordt, dat er geen zonde bestaat, behalve tegen het Ik, dan komt men er al snel toe om te stellen: “Ik kan er dus op los leven zoals ik wil, wanneer ik het er zelf maar mee eens ben”. Maar dat is niet helemaal waar.

U denkt misschien, dat u geheel vrij bent van de vooroordelen, die anderen nog bezitten. U meent misschien, dat u zo wel kunt leven. Maar wanneer het er werkelijk op aan komt, bent u allen kinderen van uw tijd, producten van de opvoeding, die u ontvangen hebt. Dan is de godsdienstleer uit uw jeugdjaren een krachtige band met begrippen, die u verstandelijk misschien reeds lang verlaten hebt, maar waarvan u innerlijk toch geen afstand kunt nemen. Onverschillig of men hervormd is opgevoed, katholiek, in de Islam, in de theosofie of de rozenkruisersbegrippen, zal het u vaak mogelijk zijn deze als onzinnig of onjuist te verwerpen. Maar de regels, die daarbij hoorden, zijn vaak vastgegroeid in uw eigen wezen. Wanneer u tegen deze regels ingaat, hebt u geen rust. Dan verstoort u uw innerlijke harmonie. Redelijkheid en gedachteleven hebben hier weinig invloed op; het is een kwestie van onderbewuste waarden, die via het gevoelsleven tot uiting komen.

Wanneer nu een mens innerlijk onrustig en onevenwichtig is, zal hij wel tot de uiterste wanhoop moeten vervallen, voor hij een werkelijk innerlijk contact met de hoogste krachten zal kunnen verwerven. Een mens die niet meer verder kan en zich op genade of ongenade overgeeft aan het Hogere, zal heel vaak die flits krijgen, waardoor hij weet: God leeft, God werkt in mij. Soms zal hij daarbij zelfs de innerlijke zekerheid weer herkrijgen. Maar een mens, die alleen maar innerlijke strijd in zich doet ontstaan – eigenlijk een nutteloze strijd meestal – verwijdert zich daarmede van zijn God.

Nu is God een heel groot woord. Een woord, dat zover staat van ons begripsvermogen, dat wij het vaak wat al te licht en te gemakkelijk zullen gebruiken. Maar wij hebben allen een persoonlijke, kleinere godheid, waarmede wij ons verbonden voelen. Al heet die godheid dan soms alleen maar maatschappij of fatsoen. En wij kunnen die godheid, of zij nu een kosmische waarde is, of alleen maar schijn, waan en dwaasheid, niet verloochenen. Juist daarom is het voor de mens zo belangrijk, dat hij altijd weet te beantwoorden aan de wetten, die hij in zichzelf kent. Daarom, mens : praat jezelf toch niet teveel voor, dat je het nu wel beter weet, dat je wel verstandiger, dat je wijzer bent. Want het is heel moeilijk om naar eigen rede te leven.

Wie echter volgens zijn innerlijke wet leeft en steeds weer zegt: “Dat de God in mijzelf spreke, zoals de God is, die ik in mij ken, zo leef ik ook, zo ben ik, kent innerlijke vrede”. Toch is hij dan niet alleen verantwoordelijk voor zichzelf, maar ook voor alles, wat hij voor de wereld betekent. Zo iemand kan dus alleen vrede in zichzelf vinden, door alles wat hij kent, het geheel van de wereld die hij beseft, te dienen volgens zijn geloof. Zo iemand zal dan ook nooit zeggen: “Ik kan alleen tegen mijzelf zondigen, ik ben alleen voor mijzelf verantwoordelijk, dus waarom zou ik, waarom zou ik niet”. Want hij weet: het waarlijk belangrijke voor mij is de innerlijke band met de lichtende kracht, met God.

Wij zeggen steeds weer tot u: “Wees vrij”. Dit betekent allereerst: wees vrij van vooroordelen. Wees vrij van dwaasheden, waardoor je anderen afwijst, of waardoor je stelt, dat zij niet deugen, omdat zij op hun eigen wijze streven. Daarnaast stellen wij steeds weer: leef op je eigen manier, leef, zoals je zelf voelt, dat het verantwoord is.

Maar nogmaals: bedrieg uzelf niet, door te zeggen: “Nu ja…, ik ben toch uiteindelijk alleen maar tegenover mijzelf aansprakelijk”. U kunt, wanneer u ingaat tegen de in u levende wetten, niet aan de psychische strijd ontkomen en daaronder ook fysiek moeten lijden, of u dit niet aanvaardt of wel. Want ook in u bestaat en geldt de wet van oorzaak en gevolg, juist zoals deze leeft in de kosmos. En alles wat u doet, zonder dat uw gehele wezen dit kan aanvaarden als goed en noodzakelijk, moet gecompenseerd worden. Zonder dit kunt u niet leven.

Misschien is het overbodig deze waarschuwing uit te spreken. Maar na een onderwerp als het huidige lijkt het mij toch goed, dit alles nog eens duidelijk te stellen:

Vrijheid is een noodzaak in de komende tijd. In de toekomst moet de mens steeds meer vrij zijn. Dit vrij zijn wil echter ook zeggen: waarlijk beantwoorden aan je eigen wezen, beantwoorden aan de grote kracht, en die je in je en rond dit wezen erkent. Daarom zal deze vrijheid vaak meer beperkingen betekenen, dan denkbaar is in deze dagen van wetten en het afschuiven van verantwoordelijkheid op anderen.

Ten laatste: Het is mogelijk, dat er een God is, die genade kent. Maar deze genade is geen recht, dat je hebt. Genade kun je jezelf ook niet verdienen. Die kun je alleen verkrijgen als een gave. De genade, die ons wordt gegeven, is de harmonie met God, die alleen gebaseerd kan zijn in ons eigen wezen, ofwel tot ons komt door een overgave zonder enig voorbehoud aan de Allerhoogste. Oordeel dus nimmer over een ander, veroordeel nimmer iemand. Haat niet. Leef uit je geloof en laat lippendienst en vormen wegvallen. Kies uit jezelf en ga steeds af op de resultaten.

image_pdf