Zuilenheiligen

image_pdf

3 juni 1966

Allereerst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na over alles, wat gezegd wordt. Ons onderwerp voor heden gaf ik de titel: Zuilenheiligen.

In de Oudheid hebben verschillende mannen hun roep en geur van heiligheid verkregen en verspreid door zich op een zuil met een klein platform daarop te vestigen en zo vele jaren daarop in vrome overwegingen – en soms ook vrome lichaamsoefeningen – te verblijven. Het eigenaardige van dit alles is wel, dat deze mensen zich van het normale leven geheel afzonderen.

Wonderen of zoiets deden zij niet. Hun bijzondere vroomheid was in feite een vertoning. Toch beschouwde men deze mensen als bijzonder heilig en werd menig offer gebracht als eerbetoon aan hun wat exhibitionistisch vroom zijn. U zult begrijpen, dat zuilenheiligen tegenwoordig niet meer op zuilen zitten. Toch is er tussen vele geëerde van deze tijd en deze zuilenzitters uit het verleden een opvallende overeenkomst. Want ook nu zien wij mensen, wier vroomheid, heiligheid, en eerbiedwaardigheid grotendeels afhangt van de wijze, waarop zij zichzelf op een voetstuk plaatsen ten aanschouwen van de gemeenschap.

De betekenis van de mensen blijkt aan de wijze, waarop zij aandacht wekken, verbonden te zijn.

Zien wij echter naar de grote Meesters, die op aarde leefden, dan komen wij tot de conclusie, dat dezen juist tijdens hun bestaan op aarde alles deden om te vermijden, dat men hen op een voetstuk plaatste. Van de Gautama Boeddha is bekend, dat hij langs de weg met eenieder een heerlijk praatje placht te maken en meerdere malen daarbij zo lang vertoefde onder de gewone mensen, die in hem meestal niets meer dan een mogelijk vrome bedelaar zagen, dat hij te laat kwam op bijeenkomsten van zijn volgelingen, de eerste boeddhistische monniken. Ook van Jezus is bekend, dat hij in een dorp rustig bij een put kon gaan zitten en met de plaatselijke bewoners placht te spreken op voet van gelijkheid. Zoveel te opvallender is daarom, dat velen, die een roep van vroomheid en uitzonderlijkheid begeren, eerst een afstand scheppen tussen zich en anderen, om zich dan in hun vroomheid op de leer en het leven van de Meesters te beroepen. De zuil, waarop men zich voor het volk pleegt te etaleren, is bovendien niet van eigen maaksel. Daarvoor kiest men bv. in het westen voornamelijk Jezus en de Bijbel. Elders kiest men de profeet en de koran, of andere leer geschriften en heiligen. Wat zouden hiervoor de redenen wel kunnen zijn?

In de eerste plaats volgens mij wel, dat men, door een afstand te scheppen tussen het normale leven en een grote meester en zo in zekere zin – ook van zichzelf – het gevoel krijgt, dat men meer waar is. Men richt de aandacht op eigen vroomheid of vastheid in de leer juist door zich van de massa te onderscheiden. Daarbij heeft men maar een voordeel boven de oude zuilenzitters. Dezen zaten op hun zuil en konden hoogstens aan de offers zien, of men hen waardeerde of niet. De moderne zuilenheilige zit echter bovendien nog eens beneden, aan de voet van zijn eigen zuiltje, om zichzelf naar behoren te bewonderen en anderen te tonen, hoe dit behoort te worden gedaan. De uitwassen, die door dit werkelijkheid vreemde zichzelf vereren ontstaan, zijn vele en volgens mij zeer zonderling. Ik zie bv. iemand zeggen “wanneer een mens durft beweren, dat Jezus in zijn dagen en voor zijn maatschappij een gewoon mens was, dan is dit verwerpelijk. Dan is die spreker des duivels.” Ik kan mij deze reactie overigens wel indenken, want wat is immers het geval? Jezus is voor dergelijke mensen de zuil, waarop zij zichzelf plaatsen. Hij maakt het hen mogelijk, boven de mensen te staan, zolang hij ook in eigen leven en tijd zich op zeer kenbare wijze van de gewone mensen heeft afgescheiden en aan andere dan normaal menselijke regels onderworpen werd. Zegt men nu, dat Jezus leefde als een gewoon mens, dan kunnen deze mensen, die immers juist zich van anderen proberen te onderscheiden, niet meer verklaren, dat zij op grond van Jezus leven en werken ook zelf onderscheiden moeten worden als verlosten, mensen, die verheven zijn boven de rest van de mensheid. Dergelijke mensen plegen dan ook bijzonder felle en ongerechtvaardigde aanvallen te plegen op eenieder, die de euvele moed heeft om te zeggen dat Jezus, Boeddha, of Helene Blavatsky in hun tijd en in de ogen van hun medemensen maar doodgewone schepselen waren.

Nu is werkelijke heiligheid in deze tijd zowel als in de Oudheid eerder te zien als iets, wat zich uit in goedheid. Ik wil hier de uitdrukking goedertierendheid niet noemen, daar menige heilige, werkelijke heilige, in het leven in feite een vechtjas was, iemand die voor dood en duivel niet bang was en eerlijk handelde volgens beste weten en kunnen. De goedheid van deze heiligen is gelegen in het feit, dat zij alle mensen zonder meer en zonder onderscheid willen aanvaarden, zoals zij zijn. Vanuit deze aanvaarding helpen de werkelijke heiligen eenieder, waar dit maar mogelijk is, zodat de aanvaarding wederkerig wordt – wij zien dit ook bij bepaalde kerkvaders, een Franciscus bv. – dan blijkt deze hulp vaak een wonderlijk karakter te hebben en aan het normaal verwachte of zelfs mogelijk geachte ver te boven gaan.

Wat de vraag doet rijzen, waarom de zelf gestileerde zuilenheiligen van heden en uit het verleden geen wonderen konden doen. Is de oorzaak van dit hiaat misschien vooral wel gelegen in het feit, dat zij een afstand scheppen tussen zichzelf en het werkelijke leven? Zo dit juist is, verklaart dit tevens, waarom in het politieke leven zovele Heiligen goede en zelfs spectaculaire dingen beloven en trachten te doen, zonder ook ooit maar iets werkelijks te bereiken. Ook zij hebben zich op een voetstuk geplaatst. Hun pilaar heet dan misschien Marx of zo, maar ook zij menen boven het ‘gewone’ volk te staan en willen niet het bestaan van de normale mensen in volle betekenis zien en beleven. Zij wensen de werkelijkheid niet te aanvaarden. Zij willen groot zijn binnen de leer, op grond van hun aanbeden theorieën, zich beroepende op eigen getrouwheid aan de leer of de meester op een wijze, die inhoudt dat hun diepste wens is, dat de gehele wereld hiervan zo snel mogelijk kennis zal nemen.

Zolang dit alles alleen maar een nevenverschijnsel is in politiek en godsdienst, zolang dit alleen maar de aanleiding wordt tot wat misverstane vroomheid, zijn mijn bezwaren nog niet zo groot.

Maar zij worden dit wel wanneer ik zie, dat er mensen zijn, die hun innerlijke ontwikkeling en bewustwording afhankelijk stellen van een leersysteem, een meester, en dit op een overdreven wijze. Wat moeten wij bv. denken van mensen, die alles wat in hen mogelijk is, alleen aanvaarden, wanneer een meneer Max Heindel of een ander, geschreven heeft, dat dit inderdaad zo dient te gebeuren en goed is. Dergelijke mensen lezen vaak in de niet altijd even duidelijk gestelde leringen van anderen, en stellen voor de wereld: Ik kan dit begrijpen, daarom ben ik een ingewijde. Er zijn vele mensen, die zo denken en handelen. Maar is er dan een systeem, waarmede de eeuwigheid zonder meer theoretisch omschreven en erkend kan worden? Is er een systeem, dat bepalend is voor het bereiken van inwijding en heiligheid? Ja, is er, op de keper beschouwd, wel een afstand tussen de wereld van de ‘gewone’ mensen en dit would-be bijzondere?

Wanneer je leeft als mens met de mensen, zo zul je in jezelf meer mens worden. Maar heeft het zin, om te stellen, dat je alleen met wat vreemde woorden en wat niet algemeen bekende begrippen opeens boven de mensheid kunt staan en de waarheid van die mensheid gaat overzien op een wijze, die voor anderen niet mogelijk is. Dat je een juister en beter geformuleerd beeld van jezelf kunt verkrijgen door dergelijke systemen, is nog aanvaardbaar. Maar een werkelijk overzicht over, en een overwicht tegen de anderen krijg je volgens mij toch niet. Deze andere mensen leven immers in een andere gevoelsdimensie, hebben een andere waardering voor het leven, ondergaan de krachten van God en de wereld op een andere wijze. Dat kun je toch niet allemaal zo bijbenen met wat vreemde theorieën.

De innerlijke ontwikkeling is niet een ik – je, dat zich van de wereld los maakt, om dan met uitbundige vroomheid en desnoods bijkomstig overdreven vertoon op hun zuiltje van eigen stellingen te gaan staan, om uit te roepen: “Mensheid, ziet, ik ben de middelaar tussen u en de godheid!” De werkelijke heilige, de werkelijk bewuste mens is eenvoudig iemand, die God zozeer beleeft in de wereld en zozeer ervaart in al het andere, ook in andere mensen, dat die God juist hierdoor voor hen steeds meer betekenis krijgt. De schrijver Max Twain schrijft in zijn fantastische roman “A Yankee at King Arthurs Court”, hoe een vallei vol “heilige mannen” er wel uitziet. Men kan wel zeggen, dat zijn beeld een parodie is, maar toch ligt het ergens heel dicht bij de waarheid. Hij zegt: Deze mensen wedijveren met elkander in heiligheid en baseren kennelijk hun heiligheid op het aantal van het ongedierte, dat zij ongedeerd over hun lichaam laten krioelen. Overigens is er daar ook een zuilenheilige, die steeds buigingen maakt op zijn paal om zijn vroomheid te benadrukken. De held van het verhaal geeft de man een paar bretels, waardoor met zijn bewegen een naaimachine kan worden aangedreven, die dan weer dient om de bijzonder heilige st. Stylitus hemden voor ridders te laten maken.

Dit alles is de fantasie van de schrijver, dat is waar, maar wanneer iemand, die zichzelf zo hoog en heilig acht, tenminste nog voor iets nuttigs kan dienen, wanneer zijn streven Gods bestaan en werken voor anderen meer aanvaardbaar kan maken, zo kan ik zelfs met dergelijke dwaasheden nog wel vrede hebben. Maar wanneer het enige resultaat van het heilig doen een weerzinwekkende geestelijke of lichamelijke onzindelijkheid wordt, dan meen ik toch bezwaar te mogen maken. De yankee doet in die vallei ook een wonder: Hij repareert een bron die door een ‘vloek’ verdroogt zou zijn. Het blijkt, dat zoiets in het verleden reeds eerder gebeurde. De monniken durven daarom niet meer baden uit angst, dat de bron dan geheel op zou houden te vloeien. Zestig jaren lang hebben de monniken zich lichamelijke reinheid ontzegd. De yankee brengt hen ertoe weer normaal te baden. Hij mag hen echter niet vertellen hoe de zaak in wezen in elkaar zit, want in dat geval zou men hem stenigen, doodslaan, als verdoemde tovenaar doden. Hij moet niet zeggen, dat de monniken dom zijn geweest, maar toont met veel spitsvondigheden aan, dat de interpretatie van de vloek verkeerd was en bereikt zijn doel. De overste is de eerste om zijn bruin vuil te verwisselen voor een witter en reiner vertoon van eigen huid. Deze kan geen woorden genoeg vinden om de wonderdoener te danken. Maar de waarheid zou hij niet hebben kunnen verdragen.

Ik haal dit alles aan, omdat het een mooi symbool is voor de waarheid: Innerlijk, geestelijk, zijn bij de mensen vele reinigingen en vernieuwingen nodig. Maar wanneer men de mensen eenvoudig zou zeggen: Zo en zo, ligt de zaak, dan zouden zij het niet kunnen aanvaarden en degene, die hen op de mogelijkheid zou wijzen, eenvoudig vernietigen. Zegt men tot de ‘vromen’ van heden, dat de mens zichzelf voortdurend dient te vernieuwen, dat men niets bereikt door steeds maar hetzelfde systeem aan te blijven hangen, maar zich steeds weer van al het overbodige dient te ontdoen, dat men zich alleen maar steeds weer dient te richten op God, zoals men deze ervaart, dan is hun antwoord ten hoogste: “Dat is mooi gezegd”. En daarna gaan zij naar hun kerk, hun genootschap, hun loge en blijven zichzelf en het oude trouw. Want zij kunnen geen afstand doen van de op zich niet noodzakelijke denkbeelden, waarop zij zich steeds meenden te verheffen boven het ‘andere volk’.

De oorzaak van een dergelijke houding kan ik mij wel voorstellen. De kerken, zowel christendom als de islam bv. in de tijd van de kalifaten, ja, zelfs het boeddhisme hebben in de tijd, dat zij zich van hun macht bewust werden, gezegd: “Onze weg is de enig juiste”. Ergens gedragen zij zich als de monniken in het verhaal, dat ik u zo even aanhaalde. Zij stellen, dat de bron, de leraar, de meester, is opgedroogd. Nu mogen zij zich niet meer wassen, opdat de heiligheid van de meester in hen niet teloor zou gaan. Zij stelden vooral in het begin, toen hun macht en invloed nog betrekkelijk jong waren: Wij mogen geen nieuwe gedachten toe laten, wij mogen ons niet vernieuwen. Later meende men, dat het een en ander wel iets veranderd mocht worden. Maar zelfs nu nog kan en durft men geen afstand doen van de stelling, dat bepaalde leerstukken en denkwijzen onschendbaar zijn. Punten, die men eens in een tijd van eenvoud en behoefte aan macht had gesteld als punten van geloof, durft men nu niet te erkennen voor wat zij zijn, namelijk punten, die voornamelijk de macht en invloed van de kerk bepalen, maar met de werkelijke leer geen verband houden. Hierdoor bevat het geloof – zoals haast elk stelsel op aarde, – veel onnodige waarden, veel afval, dat echter door zijn aanwezigheid het goede van geloof en systeem pleegt te verstikken.

Zolang ik dit in het algemeen stel, zal men geneigd zijn toe te geven, dat daarin wel enige waarheid zal schuilen. Maar op het ogenblik, dat ik meer specifiek een bepaald geloof en bepaalde stellingen en pretenties ga aanvallen, worden er veel mensen opeens boos. Want de mensen zijn vaak boos, als hen iets wordt gezegd, waarvan zij innerlijk de waarheid aanvoelen, maar wat gelijktijdig hun kunstig opgebouwde pretentie van waarden zou kunnen schaden. Wanneer ik bv. tegen de christenen van heden zeg, dat zij, zij fatsoenlijke, vrome en brave mensen, degenen zouden zijn, die Jezus opnieuw aan het kruis zouden slaan, wanneer Hij wederom als mens op aarde zou komen en zijn leer zou brengen, dan zijn zij nijdig. En wanneer je zegt, dat het meeste kwaad op de wereld geboren wordt uit mensen, die van hun eigen vroomheid, juistheid en goedheid geheel overtuigd zijn, krijg je een soortgelijke reactie. Daarom vraag ik uw geduld. Ik hoop, dat het gezelschap hier zich ten minste voor enige ogenblikken in verdraagzaamheid wil oefenen.

Ik begin dan maar met een enkel punt. Volgens de christenen bestaat er een erfzonde. Of deze nu reëel zou kunnen bestaan of niet, doet verder weinig ter zake, want de meeste christenen voelen zich en hun kinderen daarmede belast. Deze erfzonde nu omvat vreemd genoeg niet het feit, dat men tegenover God onjuist, disharmonisch gehandeld zou hebben. Neen. De erfzonde is het lichaam. Het is de mens, die eigen naaktheid ontdekt. Nu meen ik, dat een mens tegenover zijn God allereerst op natuurlijke wijze moet staan. Of men zich nu omkleed heeft met mooie theorieën of met mooie woorden, maakt volgens mij voor God weinig uit. God kent je immers?

Waarom zou men zich tegenover God schamen. Een zich tegenover God schamen berust volgens mij niet, zoals men pleegt te denken, op schuldbesef, maar in wezen een vorm van hoogmoed. De meesten van ons zijn tegenover God erg hoogmoedig. Wij willen eenvoudigweg niet tegenover God staan, zoals wij werkelijk zijn. Die erfzonde maakte het voor vele hoogmoedigen op de wereld gemakkelijk, uit hun deugden, of gebreken, kapitaal te slaan. “Bedenk wel, zo galmen zij, “de lusten des vleeses zijn slecht”. Je moet je naaktheid verbergen. Je mag niet in je blootje lopen…. Wat alles misschien menselijk – maatschappelijk gezien – zijn nut mag hebben, maar toch volgens mij geen enkele werkelijke geestelijke betekenis heeft. Dan: “Wij moeten door de erfzonde ons brood verdienen in het zweet onzes aanschijns”. Wat volgens mij niet voor zovele mensen in het christelijke Westen nog van kracht is, in deze dagen ten minste.

En de vloek gaat verder: “De vrouwen zullen onder pijnen baren”. Dat klinkt allemaal heel mooi. Maar als wij even verder zien, dan ontdekken wij, dat bij vele primitieve volkeren de bevallig praktisch pijnloos is, ofschoon van geen kunstmiddelen gebruik wordt gemaakt om dit te bereiken. De pijnloosheid komt voort uit het feit, dat de vrouwen daar het baren als iets heel gewoons beschouwen en dan ook niet doen of zij, of het gebeuren, iets bijzonders is. Wij zien dan ook, dat zij hun normale taken blijven vervullen, soms tot enkele ogenblikken voor de bevalling, en enkele uren nadien alweer aan de gang zijn, of er in wezen niets gebeurd is. Raar? Maar waar.

En het “je brood verdienen in het zweet des aanschijns?” Zelfs in deze tijd zijn er nog mensen, al zijn het er niet veel meer sinds de om zich grijpende industrialisatie, die heel erg tevreden zijn met wat eten en drinken op zijn tijd en een eenvoudig dak boven het hoofd. Zij wonen in een warm klimaat. Het eten groeit in de bomen en als je wacht, valt het nog voor je voeten. Bij wijze van spel of sport kun je nog wat vissen ook. Deze mensen hebben eigenlijk alles, wat zij van node hebben, zonder dat zij zich te veel moeite behoeven te getroosten. Zij leven natuurlijk, maar zijn zij daarom zondig? In wezen blijken zij vaak veel dichter bij God te staan, dan de zeer vrome mensen, die menen, dat leven zonder tragisch doen, ongemak en zelfkwelling niet aanvaardbaar is.

Dergelijke vromen horen wij maar al te vaak verkondigen, dat de mens in wezen een soort verworpene der aarde is, die alleen voor verlossing iets kan betekenen in de lichtende wereld van God. Maar is men dan, omdat men op aarde geboren wordt, automatisch een verworpene? Wij zijn toch heus geen wezens, die uit een soort menselijke hel op kunnen stijgen, omdat God dat goed vindt. Wij zijn wezens, voortgekomen uit de wil van de Schepper en volgens deze wil staande tussen licht en duister, niet uitverkoren of verworpen, maar in staat ons een weg te kiezen en een lot, wezen en kracht. Omdat wij zo staan tussen Licht en duister is voor ons niet het volgen van een bepaalde discipline, een bepaald stelsel of een bepaalde leer van belang, maar onze vrije aanvaarding van het Licht. Als wij de vreugde van het Licht in ons leven weten te plaatsen, zullen wij in alle leven God kunnen vinden. Dan kennen wij de hemelen, dan bezitten wij de eeuwige zaligheid, dan keren wij terug tot de onschuld van het paradijs enzovoort enzovoort.

Hoe vromer de mens zich gevoelt, hoe meer hij werkt met de treurige slogans: Gij zult niet ….. Zolang u nog blijft bij een:” Gij zult niet stelen, echtbreken enzovoort”, kan je dit nog aanvaarden, omdat deze dingen in wezen een sociale noodzaak kunnen zijn. Daar een godsdienst een weerkaatsing is van een sociaal stelsel en niet alleen van een geloof, kunnen wij ons voorstellen dat de sociale noodzaak in het geloof steeds weer tot uiting zal komen. Maar op het ogenblik, dat het “gij zult niet” tersluiks wordt uitgebreid en bv. wordt tot een leer, die in feite zegt: Gij zult niet zelf en vanuit u zelf nadenken over alles, wat in de leer staat, over bijvoorbeeld het al dan niet aanvaardbaar zijn van de gegevens en verhalen in de bijbel, kom ik in verzet. Mag de mens dan niet zelf leven en denken? God heeft hem het vermogen tot denken gegeven. Zullen mensen nu bepalen, waarover men wel en niet zal mogen denken. Men mag, ja, men moet zelfstandig leven en denken. Het is niet belangrijk, dat men nadenkt over de uiterlijkheden, de vormen, de formuleringen. Men moet door het denken het essentiële in het leven beseffen, vinden, wat voor het ik van werkelijk belang is. Wat is dan bijvoorbeeld volgens de bijbel van het allerhoogste belang? In genesis lezen wij, dat de mens Gods adem in zich draagt, dat dit de kracht is, die hem leven geeft, het al of niet letterlijk waar zijn van het paradijsverhaal is dan niet meer van belang.

Het essentiële punt is, dat wij het Goddelijke Licht in ons dragen en daaruit leven. En sta mij toe op te merken, dat er geen leer en geen stelsel is op aarde of elders, waardoor men de waarheid hiervan in zich kan beleven. Dit kan men alleen door eigen streven, denken en zoeken. Al wat de mens aan lering heeft gekregen, kan hem daarbij misschien helpen. Maar meer niet. Heeft men met het “gij zult niet… ” eenmaal eigen grootheid voldoende vastgelegd en de zondigheid van anderen voldoende duidelijk gemaakt, dan komen de geboden, het “gij zult”.

Want degenen, die op macht belust zijn, ontdekken al ras, dat je er niet kunt komen met alleen maar verboden. Om een aanvaarding van het eigen ik en eigen denken zeker te doen zijn, om eigen plaats veilig te stellen, heeft men daarnaast en vooral behoefte aan de mogelijkheid tot het geven van dwingende voorschriften. Dat wij dit in politiek en religieus denken aantreffen, is begrijpelijk. Vreemder doet het aan, wanneer wij soortgelijke instellingen vinden bij het esoterisch denken, waarin men maar al te vaak stelt, dat bepaalde dingen alleen zo gezien mogen worden en niet anders. Zelfs dit is nog niet voldoende, en schrijft zelfs voor wanneer men zo moet denken, hoe vaak en hoe intens. Maar heeft het zin dergelijke dingen bindend aan de mensen op te leggen, terwijl men het innerlijk en de innerlijke mogelijkheden van een medemens niet eens kent, of zelfs maar kennen kan in hun geheel? Ik zou zeggen dat mensen die hun mogelijkheden tot bereiking en hun waardering voor anderen van zulke dingen afhankelijk stellen, de echte zuilenheiligen zijn. Met alle middelen scheppen zij een zo groot mogelijke afstand tussen de werkelijkheid van het leven en hun eigen heilige ikje.

Allereerst moet de mens beseffen, dat hij leeft in een werkelijkheid, een wereld, waarin voor hem bepaalde waarden nu eenmaal aanwezig zijn, of deze nu aangenaam zijn of niet. Men leeft in een wereld met leuzen, verkiezingspropaganda, belastingen, zorgen, ziekten, dood, vreugden, lichtzinnigheid enzovoort enzovoort. Je leeft nu eenmaal niet in een wereld, die beantwoorden kan aan de door mensen gestelde ‘bijbelse’ of ‘evangelische’ waarden, een wereld, die bestaat volgens de geschriften van een Mohammed of een andere meester. Men leeft in deze wereld en zal de problemen en mogelijkheden van die wereld moeten aanvaarden. Zodra men de werkelijkheid van die wereld gaat wegpraten en gaat aannemen, dat met bepaalde dreigmiddelen een wereld van geheel, volgens het evangelie levende mensen kan worden, dan leeft men in een waan, dan is men een zuilenheilige en vooral wanneer men eigen waarde en verdienste afmeet naar eigen plannen en denkbeelden en niet aan de hand van eigen betekenis in de werkelijkheid. Men meent misschien, dat men door op spectaculaire wijze zijn ‘geloof’ aan de wereld te tonen, een heilige wordt. Maar in de meeste gevallen toont men alleen maar daarmede een van egoïsme stinkende exhibitionist te zijn. En denk niet, dat het hier alleen gaat om godsdienstige waarden. Er zijn mensen, die een soort verward anarchisme prediken en zich opvallend gedragen, zij noemen zich provo’s, maar ook dezen zijn meestal zuilenheiligen, die zichzelf willen etaleren, de aandacht willen richten op eigen persoontje. Hun “actie voor het juiste leven” is in de meeste gevallen niets anders dan een aandacht trekken, een zich van de wereld verwijderen om zich volwaardig of zelfs meerder waardig te kunnen noemen tegen alle feiten en waarderingen van de werkelijkheid in.

In verband met dit alles stel ik: de goddelijke waarheid wordt voortdurend geopenbaard, ook in het heden, zelfs indien het schijnbaar de mensheid alleen is, die aan dit heden vormgeeft. Niets is mogelijk, niets is bereikbaar, zonder dat God hierin deel heeft en zich daarin uit. Ook het z.g. zondige, slechte, verkeerde is daarom uit God, daar Hij het mede mogelijk maakte. Als wij in al deze dingen ergens leren God terug te vinden, zijn wij op de goede weg. Dan is God voor ons een levende waarde geworden in het normale bestaan. Zodra wij echter dit erkennen en beleven van God afhankelijk gaan maken van bepaalde riten, het aanvaarden en volgen van bepaalde stellingen, zo meen ik te mogen zeggen, dat men zich verwijdert van de werkelijkheid en een ontmoeting met God wel niet onmogelijk zal zijn, maar het bewust leven met God in een bepaalde wereld of sfeer plus het bereiken der persoonlijke vooruitgang, die daarin mogelijk moet zijn, van generlei waarde zullen zijn. Wij kunnen niet vorderen in de richting van de goddelijke werkelijkheid vanuit een illusie, maar alleen vanuit een zojuist mogelijk erkennen der werkelijkheid, zoals deze voor ons nu bestaat.

Indien een van die ouderwetse zuilenheiligen van zijn zuil zou zijn geklommen, als gewoon en zondig mens geleefd zou hebben, maar in dit leven een mens of tien iets beter, iets gelukkiger had gemaakt, zou hij volgens mij met meer recht heilig genoemd kunnen worden, dan hij nu voortdurend, al zich verdervende, zijn heiligheid en vroomheid heeft zitten etaleren als een aap op een stokje. Daarom stel ik verder: Onze innerlijke benadering van God is niet alleen een beleven van een innerlijke waarheid, maar ook een bewust zien en beleven van de wereld. Een verbonden zijn met God is niet alleen een beleven in het ik, maar een vorm van gelukkig zijn. Dit geluk zal zich ook binnen de vormen en normen van eigen wereld uitdrukken. Al preekt men ook nog zo mooi, wanneer men niet handelt naar zijn eigen woorden, heeft men in wezen niets gedaan; woorden zijn wind, meer niet. Een daad, die voor het eigen ik de gevoelens van verbondenheid, eenheid, met God tot uitdrukking brengt, maakt de eeuwigheid waar en is een feit, dat nimmer meer teniet zal gaan. Daarom is het voor de mens belangrijk zijn innerlijk godsbesef voortdurend ook in de praktijk te beleven en het niet alleen maar als een soort innerlijke medaille met zich te dragen of in woorden te verkondigen.

Ten derde wil ik stellen: Hoe meer wij tonen, hoe zeer wij aan iets verbonden zijn, of bv. een stelling luidruchtig verkondigen, hoe minder het voor ons mogelijk zal zijn, ons los te zeggen van deze dingen, wanneer zij in ons of door beleven onjuist blijken te zijn. Wij moeten daarom zo weinig mogelijk stellingen verkondigen, zo weinig mogelijk ons vastleggen tegenover de wereld, opdat wij steeds in staat zullen blijven te handelen volgens ons innerlijk besef en zo een zo groot mogelijke rijpheid zullen behouden. Wij moeten trachten in onszelf en voor onszelf alleen de termen te vinden, waardoor God voor ons wordt uitgedrukt. Hoe meer wij ons echter vastleggen naar buiten toe, hoe sneller wij zullen ontdekken, dat hetgeen wij als een innerlijke waarheid en verbondenheid met de godheid erkenden, zich gaat stellen tussen ons en de godheid.

Ten laatste: Oordelen is altijd gemakkelijk. De zuilenheilige pleegt ontroerd naar beneden te kijken en te bidden: “O heer, redt dit domme volk onder mij door mijn pogen…”. Wie zo spreekt, ontkent de waarde van de wereld. Daarmede ontkent hij ook de waarde van de goddelijke zelfopenbaring in de schepping en maakt hij het zich onmogelijk zijn werken tot de uitdrukking van een werkelijk en vruchtbaar contact met God zelf te maken. De mens echter, die één is met God in het normale en daarin eigenlijk niet eens iets bijzonders ziet, zal de grootste krachten bezitten en het meeste in werkelijkheid bereiken. Bevestiging van innerlijke grootheid ligt nooit in de bewondering, die je bij anderen weet te wekken, maar in de kracht, die in het diepste deel van eigen wezen berust. Daarom stel ik: Naarmate een mens meer in contact blijft met zijn wereld en deze normaal ziet zonder daar ooit boven te willen staan, maar toch zijn God in zich kent, zal hij vanuit zichzelf datgene produceren, wat kracht en wonder wordt genoemd, maar het kenbaar maken van Gods aanwezigheid in de wereld inhoudt. De wonderdoener is niet iemand die boven de wereld staat en haar beheerst, maar een mens die God erkent in zichzelf en één is met de wereld, zodat God daarin door hem en voor hem werkzaam wordt.

Dit zijn punten, waarover u maar eens moet nadenken. Tot slot wil ik nog even terug naar de zuilenheiligen. Er waren namelijk eens twee zuilenheiligen, Matheus en Simon, die zo dicht bij elkander zaten, dat zij elkaar net konden beschreeuwen. In het begin was er al enige concurrentie, wanneer de een zijn stem tot God verhief, deed de ander het ook, maar iets harder. Gebaarde de een dan gebaarde de ander nog extravaganter. Dit is historisch en tot zover kunt u het zelfs in de hagiografie terugvinden. Daarin staat echter niet, dat de heren op een gegeven ogenblik zo nijdig werden, omdat het niet goed meer mogelijk was, de ander te overtroeven, dat zij hun vrome gebeden onderbraken om de Heer luidkeels te smeken die ander, die onwaardige komediant, van zijn zuil te werpen. Een komische situatie: twee heiligen in de ogen der mensen, die hen vragen te bidden, omdat zij zo dicht bij God staan, die elkander vervloeken, omdat de een misschien even dicht bij God staat als de ander… Stel je dit eens voor. Het doet mij denken aan twee badmeesters, die in hun badstoelen twisten, wie het beste kan zwemmen, terwijl ondertussen de mensen in zee dreigen te verdrinken.

Een dergelijke strijd ten bate van heiligheid, eigen heiligheid wel te verstaan, wordt ook nu nog vaak gevoerd, met dezelfde gebeden, verdachtmakingen enzovoort enzovoort. Ik zie het zo: Degene, die zo luidruchtig aan de mensen vertelt, wat hij al zo voor goeds gedaan heeft en nog voor goeds doen zal, terwijl hij gelijktijdig duidelijk maakt, dat een ander met al zijn pretentie tot goed zijn in feite niets goeds heeft, is iemand, die in werkelijkheid nooit iets goeds zal doen. Een komediant, meer niet, of hij nu in de kerk, de politiek, een loge of waar dan ook zijn uitspraken spuit. Als iemand u zegt: “Ik ben ingewijde, ik weet alles, ik zeg u dus, dat gij zus en zo moet denken, handelen, leven. Want ik ben wijzer dan gij en daarom zult gij mij gehoorzamen”, – en dat gebeurt – dan moet u hierdoor al beseffen, dat er iets niet geheel in orde is.

Het is iets anders, wanneer iemand je zegt, dat hij op een bepaalde manier iets heeft weten te bereiken en u de raad geeft, het ook maar eens te proberen. Dat is vrijblijvend en kan op ervaring en wijsheid berusten. Maar degene, die al begint met zich boven u te stellen, zal u waarschijnlijk weinig goeds kunnen leren, terwijl u haast zeker kunt zijn, dat zo iemand u innerlijk als minderwaardig of misschien zelfs verachtelijk beschouwt. Trek uw eigen conclusie. Maar ik vrees, dat wanneer zo iemand de kans krijgt met uw geestelijk leven te knoeien, u zich daaraan maar moeilijk weer zult kunnen onttrekken. Het gevaar is dan groot, dat u het contact met God en de werkelijkheid verliest. En zelfs wanneer u zoiets zou bereiken, pas dan op, dat gij nooit duidelijk maakt, dat gij al op gelijke voet zoudt kunnen verkeren met de “meester”. Want dan zal deze zijn geestelijk werk onmiddellijk onderbreken, om u een toontje lager te doen zingen, wanneer er maar een enkele kans is, dat hij daarin zal slagen.

Kort gezegd komt het geheel van mijn onderwerp hierop neer: innerlijke verbondenheid met God is niet afhankelijk van de vorm, waarin men deze verbondenheid tot uitdrukking brengt, maar wel van de wijze, waarop de bereikte innerlijke erkenningen een rol in het eigen leven gaan spelen.

God is geen mannetje, een kracht of een stem, die ons antwoordt. God is ons leven. Naarmate wij dit meer beseffen, wordt ons leven meer vanuit het goddelijke geleid, en zullen voor ons de krachten vanuit het goddelijke meer kenbaar zijn. Wanneer wij God in ons erkennen, zien wij rond ons geen kwaad meer. Want wij weten, dat God in alle dingen tegenwoordig is en aanvaarden alles, wat Hij in zijn wijsheid heeft geschapen en mogelijk maakt.

Wanneer wij veroordelen, kunnen wij er wel zeker van zijn dat wij in onszelf de veroordeelde fouten kennen en vrezen en uit angst voor eigen ik, deze waarden bij anderen verwerpen, niet beseffende, dat wij door dit verwerpen als het waren het begrip van God van onszelf verwijderen.

De vorm, waarin wij onze godserkenning uitdrukken, is niet van belang, zolang wij haar maar niet als enige en bindende waarheid aan anderen willen voorleggen. Indien wij onze erkenning voldoende in de praktijk beleven, zullen anderen deze (zover hen dit mogelijk is) erkennen en zelfs aanvaarden, niet uit angst of onder dwang, maar omdat zij voor zich eveneens God voelen als een waarde, die steeds nader komt tot eigen bewust bestaan.

Indien wij rekening houden met alle krachten, die op ons inwerken – werelden, sferen, planeten, en sterren, kosmische krachten -, dan krijgen wij het gevoel, dat men als mens de speelbal is van het lot. Dit gevoel blijft bestaan, tot wij het enige werkelijk gefixeerde punt in ons heelal vinden: God is voor ons het enige gefixeerde punt, de enige kracht in ons, die onveranderlijk is, altijd benaderbaar blijft en in zijn inwerking op ons wezen altijd daaraan beantwoordt, zonder daarbij ooit afhankelijk te zijn van inwerkingen van buitenaf, van toeval of zo. God is de enige kracht in ons, die zich aan alle kosmische wetten lijkt te onttrekken. Hij blijft dezelfde in alle sferen en dimensies, hij blijft dezelfde in alle tijd. Wij moeten echter eerst in onszelf geheel erkennen, voor Hij ons deze zekerheid van een eeuwig vaste waarde kan geven.

Er is geen menselijk kenbare God, ofschoon er vele deel-goden, soort- en rassengoden bestaan.

Dezen zijn niet de werkelijke godheid, maar slechts een klein, soms te verwaarlozen klein deel van de werkelijke God. God is daarom in ons nimmer een uitdrukbaar begrip of een algemene naam. In onszelf kunnen wij een geheime naam vinden, doch deze omschrijft slechts voor ons de God. Hij is echter in wezen voor ons alleen een staat van zijn. Het beleven hiervan is het zout, waardoor het menselijk en geestelijk leven eerst werkelijk smaak krijgt. Hij is ons het korreltje sentiment en inspiratie, waardoor ons weten tot wijsheid wordt. Hij is de ongeziene waarde, die het leven leefbaar maakt. Als wij deze God los willen zien van het leven, dan zullen wij aan dit leven alle smaak en geur ontnemen. Aan de wereld ontnemen wij daardoor ook een mogelijkheid tot openbaring van die God door de wijze, waarop Hij in ons werkt en vanuit ons zich toont.

Is God in ons een beleefde waarde, dan kunnen wij door alle werelden en sferen gaan en terugkeren tot de aarde en toch in alle werelden en sferen dezelfde zijn, omdat God in ons is.

Zolang wij ons echter een beeld van God trachten te maken, dat wij steeds aan de uiterlijkheden kunnen aanpassen, dan zullen wij moeten ontdekken, dat onze God ons steeds “verraadt”. Daar waar de mens zich een godsbeeld schept, zal hij door die god steeds weer op het kritieke ogenblik worden verlaten. Waar de mens echter de God in hem beleeft zonder Hem vorm te geven, zal hij die God altijd erkennen en door de kracht van die God zonder ophouden gesteund worden.

Er is geen kringloop van die ziel, die niet anders zou kunnen zijn, geen schema van leven en alles, waarvan de waarheid niet zeer betrekkelijk is. Al deze voorstellingen en systemen zijn uiteindelijk geen waarheid, maar slechts middelen, om de waarheid zo dicht te benaderen zodat men haar kan gaan begrijpen. Daarom hebben voor ons alleen die beelden en systemen waarde, die de directe kracht van God en de directe actie van God kenbaar maken. Wij zullen de dimensie van leven meerdere malen, zelfs gedurende een stoffelijk bestaan, wisselen en zo onszelf, ons denken en de wereld rond ons zien veranderen. Soms opeens, soms langzaam. Wij beseffen zelden, dat wij grotendeels zelf hieraan debet zijn en menen de veranderingen te moeten danken (of wijten) aan anderen. Ook wanneer wij God werkelijk, beleven, zullen de uiterlijke veranderingen, de veranderingen van standpunt en beschouwing niet uitblijven. Wij beseffen dan dat de werkelijke veranderingen zich in ons voltrekken en begrijpen, wat belangrijk is. Zij, die hun God buiten zich plegen te stellen, begrijpen echter niet en zullen steeds weer de wereld beschuldigen, die zich immers niet aan hun opvattingen en inzichten aanpast.

Ten laatste, wanneer u moderne zuilenheiligen bezig hoort, is er altijd voor alle problemen maar één enkele oplossing: Algehele socialisatie, theocratie, democratie enzovoort. Eenieder wil het zijne in exces stellen als een alles overheersend en overvleugelend iets, waaraan alle andere waarden onderdanig moeten zijn. Onthoudt daarom: God is voor ons juist kenbaar door de diversiteit van de verschijnselen; zowel innerlijk als buiten ons zullen wij de verschillen en tegenstellingen daarom moeten aanvaarden en blijven waarderen, zonder deze zou geen werkelijk leven, geen werkelijk innerlijk erkennen of bereiken mogelijk zijn.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • U stelde zoiets als “God leeft door ons…”

Neen. Wij leven niet door God, God leeft niet door ons. Wij bestaan uit, leven uit en beseffen uit het goddelijke. God is dus de essentie van ons bestaan. God uit zich echter ook door ons. Wij brengen, door onze uitingen, ons besef, God voor onze wereld tot leven. Dit geschiedt dus door Hem in ons te erkennen en Zijn wezen door onszelf tot uiting te brengen.

  • U zegt, dat God ook het kwade heeft geschapen, de minder mooie dingen. Heeft God die geschapen, om ons tot inzicht van het goede te brengen?

Wij hebben in het geheel van Gods uiting, de schepping, een eigen functie. Wij zijn misschien onbelangrijk vergeleken bij vele grotere waarden, maar in het geheel even onmisbaar.

Door het erkennen van de beleving van de God in ons, oriënteren wij ons op dat wat in het leven, het bestaan, onze taak is. Zolang wij de waarden, die God in ons heeft gelegd, waarmaken, zijn wij goed, ook al noemt de gehele wereld dit slecht. Proberen wij aan de dwang van een innerlijke erkenning te ontkomen, deze dus niet waar te maken door ons leven, dan zijn wij ‘slecht’, ook al noemt de gehele wereld ons daarom heilig. Goed en kwaad zijn, in het algemeen gesteld, altijd relatieve waarden, afhankelijk van je eigen standpunt, de tijd waarin je geboren bent, het geloof, waartoe je behoort enzovoort. In ons en alleen voor ons zijn de waarden van goed en kwaad echter wel degelijk reëel vast te stellen. Kwaad wordt dan niet iets, wat wij in de wereld moeten veroordelen, daar het daarin wel noodzakelijk kan zijn, maar iets wat wij door onze innerlijk erkennen verwerpen als niet passend, niet goed voor onszelf. Begrijpt u dit, dan zult u ook kunnen begrijpen waarom ik naar waarheid kan zeggen, dat alle goed en alle kwaad gelijkelijk door God geschapen is.

Voorbeeld: Judas verraadt Jezus. Kwaad? Waarschijnlijk wel door de wijze waarop Judas dit deed. Als hij echter geheel naar zijn beste weten gehandeld zou hebben en dus geen ‘kwaad’ gedaan zou hebben, zou de uitkomst volgens mij precies dezelfde geweest zijn. Wij kunnen dus niet zeggen, dat hij slecht is geweest gezien zijn daad, Iskariot zeker kwaad was, maar ten hoogste stellen, dat hij misschien niet beantwoord heeft aan de waarheid Gods die in hem leefde en zo mogelijk zichzelf door de wijze, waarop de daad gesteld werd, geschaad heeft, daar hij hierdoor God niet meer geheel in zich kon beleven en aanvaarden. Beseft u dit verschil, dan kunt u ook begrijpen, waarom steeds weer wordt gezegd: “Oordeelt niet”. U zult dan tevens begrijpen, waarom wij rustig kunnen zeggen: God heeft alle dingen geschapen, zonder uitzondering, en alle dingen, zonder enige uitzondering mogelijk gemaakt en in stand houdt, ook dat wat wij kwaad noemen. Want ook dit kan alleen bestaan, omdat God het mogelijk maakt, en in stand houdt. De mens heeft verantwoordelijkheid tegenover zichzelf en de God, die in hem leeft. Hieraan zal hij niet kunnen ontkomen; de mens zal zijn functie in het geheel dienen te vervullen met een erkennen van God en alzo het in een juist op de wereld overdragen van de goddelijke waarden in het ik.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie

 Spreken over esoterie voert altijd tot overdenking van de innerlijke mens. Maar welke mens kent zichzelf innerlijk? Ik geloof, dat elke mens in zich een doolhof is, waarin je de werkelijke uitweg niet eens kunt vinden. Het is niet mogelijk een mens een weg te geven, die de innerlijke mogelijkheden zonder meer omschrijft. Alles is een kwestie van een persoonlijk aanpassen, een persoonlijk zoeken naar een steeds weer nieuwe weg, het verwerven van steeds weer nieuwe inzichten. Wanneer ik mij dus op deze avond verstout het een en ander te zeggen over esoterie, zo moet u wel beseffen, dat dit alles slechts overdrachtelijk en nimmer bindend kan zijn. Het is van mijn kant een poging, om iets weer te geven van de waarheid, zoals ik die zie. Wat dus niet betekent, dat het voor u onverweigerlijk waar moet zijn. Wel kunnen wij zeggen, dat voor vele mensen een soortgelijke ervaring, weg en ontwikkeling mogelijk is.

Ik begin met een symbolisch beeld. Wie in het menselijke leven geboren wordt, bevindt zich op een groot marktplein. Aan dit marktplein zien wij verschillende poorten en een daarvan draagt het gewichtige opschrift: “Poort der wijsheid”. Achter die poort verheffen zich trappen. Wij weten niet precies, waarheen zij voeren, want in een buigen van de stijgende weg verdwijnen zij uit het gezicht. Nu willen wij allen gaarne wijs zijn. Wij lopen dus op de poort toe, overwegen haar grootheid en schoonheid en, wanneer wij eenmaal tussen de zuilen staan, trachten wij trede na trede te bestijgen. Maar wij weten niet, waar het stijgen op zal houden. Wij weten niet, wat het einddoel is. Het is heel goed mogelijk, dat al deze trappen ons uiteindelijk alleen maar op een hoger gelegen marktplaats brengen, een plaats, zoals die beneden.

Het zoeken naar de innerlijke bewustwording is een gaan in den blinde. Wanneer wij dan toch allen ergens het besluit nemen in een van onze levens, om deze weg te gaan, zo is het, omdat wij de behoefte kennen aan wijsheid. Wij voelen de noodzaak het leven anders te waarderen, wij willen ons graag losmaken van het voor ons te laag schijnende marktgewoel. Er is een behoefte om een innerlijke stilte te vinden, die in de plaats kan treden van een vaak te rumoerig en luidruchtig menselijk bestaan.

Onze bewondering voor het bouwwerk, de poort, is dan ook niet alleen een bewondering voor de schoonheid van het bouwwerk of de aanduiding van waarden, die daarmede gepaard gaat. Het is de behoefte een grens te vinden, waardoor wij aan de eigen wereld enigszins kunnen ontkomen.

Ben je eenmaal aan de poort der wijsheid toe, dan is het eigenaardige, dat je langzaamaan het begrip wijsheid uit het oog verliest. Je gaat er dan ook niet toe over, de wijsheid geheel te verwerven. Je spreekt natuurlijk nog over de wijsheid, maar wat je eigenlijk werkelijk ziet, is alleen maar de reeks van treden voor je voeten. Je wordt dan ook in het stijgen voortdurend bedreigd door de angst te struikelen.

Op de innerlijke weg zouden wij eigenlijk van trap tot trap moeten gaan op een volkomen natuurlijke wijze, als iemand, die naar de lucht kijkt of iets schoons ziet en wiens voeten het werk van het klimmen geheel automatisch verrichten. Maar dit kunnen wij niet. Wij zien te veel belangrijkheid in de treden zelf. Wij willen weten, op welke trede wij staan, hoe hoog wij al zijn gekomen. Wij willen weten, of de treden wel volkomen glad zijn en of zij misschien een bepaalde kleur hebben; dit brengt met zich, dat wij eigenlijk in het stijgen veel te traag zijn. Op het ogenblik, dat ik tracht, elke fase der innerlijke bewustwording afzonderlijk te constateren en vast te leggen, komt vanzelf ook voor mij het ogenblik, dat ik mij af ga vragen, of ik de volgende trede nu op deze ofwel op gene wijze het gemakkelijkste zal kunnen betreden. Ik wil precies weten, hoe ik mijn voeten moet zetten en vertraag mijn gang.

Ik zie zo nu en dan even wat op en zie dan de trap, die maar steeds verder stijgt en vraag mij af, wat daarvan toch het nut is. Het is natuurlijk mogelijk een andere trap te nemen, want op het marktplein zijn meerdere poorten. Tegenover de poort der wijsheid aan de andere kant van de markt bijvoorbeeld, vinden wij een grote poort waarop staat geschreven: ‘Geloof’. Degenen, die langs de trap van het geloof gaan, kijken meestal alleen naar de hemel. Maar daardoor zien zij niet precies, wat zij nu eigenlijk doen. Zij beseffen niet, welke weg zij afleggen. Wanneer zij op een gegeven ogenblik rond zich kijken en boven zich en onder zich alleen maar trappen zien, dan zeggen zij dan ook: Mijn verwachtingen zijn beschaamd. Vaak willen zij dan op de trap gaan zitten, om wat te rusten en vallen dan.

Vandaar dat op alle trappen, welke poort wij ook mogen kiezen, een voortdurend voortgaan haast noodzakelijk is. Wil men op de trap zelf stil blijven staan, dan brengt men niet alleen zichzelf in gevaar, maar hindert men bovendien de mensen, die achter u komen. En daar die anderen nogal ongeduldig plegen te zijn tegenover degenen die rusten, komt er het gevaar nog bij van naar beneden gestoten te worden. Dan weten wij niet, waar wij terecht zullen komen. Men kan natuurlijk wel opzij gaan, want langs de trappen vindt men zo hier en daar wel een klein café, waar men een ogenblik kan rusten en vertoeven. Blijft men daar echter te lang zitten, dan loopt de rekening op en zullen de wankel geworden benen misschien niet meer in staat zijn de mens nog verder naar boven te dragen.

Indien ik dit beeld als basis mag nemen voor mijn beeld der esoterische ontwikkeling, meen ik het volgende te mogen zeggen: Het is niet zo belangrijk, langs welke trap wij beginnen te klimmen, want de eindbestemming zal ongetwijfeld ergens ongeveer dezelfde zijn. Belangrijk bij de keuze kan het daarom voor ons zijn, dat wij houden van de wat barokke versieringen op de poort van het geloof, of van de Griekse eenvoud van de poort der wijsheid. De keuze is er een van smaak.

Gaan wij echter eenmaal de trap op, beginnen wij te klimmen, dan moeten wij onthouden, dat innerlijke bewustwording niet een overlegd streven is, maar eenvoudig een in beweging blijven, een verdergaan. Daarbij wordt het stijgen automatisch ingecalculeerd. Het betekent, dat wij niet stil mogen staan op onze weg. Wanneer wij stilstaan, komen wij ergens in het gedrang en is er vaak geen mogelijkheid, onszelf voor een terugval te behoeden. Blijven wij te lang naast de weg zitten, willen wij eens een pauze inlassen, zo is dit van weinig belang. Zo wij echter in die pauze ons te veel losmaken van het begrip stijgen, streven, dan blijken wij vaak niet meer in staat te zijn, verder te gaan.

Voor de esotericus wil ik daarom de volgende regels stellen:

  1. Het is niet belangrijk dat je het doel ziet, waarnaar je streeft. Belangrijk is, dat je een poging waagt om een bepaald deel van het bestaande dat voor jou onaanvaardbaar is, op deze wijze probeert te ontvluchten. In de ontvluchting kies je jouw eigen weg. Als je echter een weg hebt ingeslagen, zo zal je op die weg voortdurend verder moeten gaan. Je mag dan niet alleen zien naar de afstand, die werd afgelegd, of naar de hemel, die boven u is, dan wel naar het doel, dat je eens hoopt te bereiken. Je dient de omgeving waar te nemen. Je moet vergeten, dat je stijgt. Het is jouw taak om in beweging te blijven en te leren. Want naarmate je innerlijk automatischer verder gaat met het streven, zal je rond jou meer dingen kunnen zien, en op de weg van wijsheid houdt dit in dat je voor steeds meer dingen de verklaring vindt. Ga je de weg van het geloof, zo betekent het, dat meer van hetgeen je gelooft voor jou concreet en duidelijk wordt, zodat je beseft, waarom het zo geloofd wordt. In jezelf keren is niet allen maar een streven naar het bereiken van het hoogste. Het is het gewinnen van een zekerheid. Het is niet zozeer het bereiken van een bepaald niveau, maar eerder het bereiken van een innerlijke gesteldheid, waarbij je inzien kunt, dat het verder gaan belangrijk is. Zodat je de vruchten plukt, terwijl je gaat.
  2. Esoterie wordt al te vaak gezien als een abstractie. Ik geloof echter niet, dat je trappen kunt lopen zonder je benen te vermoeien. Ik meen niet, dat je geestelijk kunt stijgen met alleen maar de geest, alleen maar met de gedachten. Wie zich losmaakt van het gewoel op de marktplaats, het leven, moet zich ook ergens een weinig losmaken van de gebruiken en regels van het gewone leven en zal zich moeten aanpassen aan de weg, die hij gaat. Het gaan van een esoterische weg betekent dus, dat je in een door de weg bepaalde volgorde je inzichten zult veranderen, de regels die je erkent wijzigt, je eigen optreden en methodiek aanpast aan de weg. Want anders kun je niet blijven stijgen. Nu heeft iedere mens voor zich hierin een eigen keuze. Mijn keuze is er een, die ik het eenvoudigste kan duiden met het begrip ‘de levensboom’. Daarom geloof ik voor mij, dat het belangrijk is, telkens snel een stukje te stijgen, opdat je voor een korte wijle kunt rusten en vertoeven. Ik voor mij ga dus van rustplaats tot rustplaats. Ik gebruik de rust om mij een beeld te vormen van de weg, die ik heb afgelegd en mij enige voorstelling te maken van het stukje weg, dat ik zo dadelijk zal gaan en dat nu al voor mij grotendeels zichtbaar is.

Dit streven wordt dan ergens tot een isolement. Wanneer je op weg bent, is er een voortdurende vernieuwing, de voortdurende ontdekking. Wanneer je rust, is er stabiliteit, dan blijft alles hetzelfde. Menigeen, die rust, voelt zich dan na enige tijd verlaten en vergeet, dat hij om dit isolement te verbreken, eerst weer zelf op weg moet gaan. Voor mij betekent het stijgen dus, dat je tussen twee punten van rust, van besef, de weg betreedt, die steeds weer verandering impliceert. Ik geef er de voorkeur aan de verandering, die zich in mij voltrekt, elke keer weer te overzien, zover ik ze begrijpen kan. Ik wil zien, wat er in mij veranderd is. Dankzij het begrip voor deze veranderingen krijg ik ook weer een beeld van hetgeen een verdergaan zal inhouden.

Toch voel ik, dat ik nooit te lang mag rusten. Wanneer ik te lang vertoef langs de weg, vergeet ik verder te gaan en denk dan aan alle krachten, behalve aan mijzelf. Aan anderen, niet aan mijzelf zal ik verwijten, dat wat ik eenzaam zijn, verlaten worden, afgesneden zijn van God kan noemen. Wanneer ik, na verschillende fasen verder gegaan te zijn, nog wil spreken op de wijze, die op de marktplaats gebruikelijk is, zo zal ik ontdekken, dat mijn vocabulaire veranderd is. Ik kan mijzelf in die taal niet meer zo uiten, dat een ander mij werkelijk begrijpt. Ik moet daarom begrijpen, dat in mijzelf door het stijgen een wijze van leven en uitdrukken ontstaat, die aanvaardbaar zal zijn voor en ieder, die zich op ongeveer dezelfde weg bevindt als ik en niet te ver voor of achter mij gaat. Ik kan deze innerlijke taal, deze innerlijke waarden, echter nooit gebruiken, wanneer ik contact wil hebben – denk aan een naar beneden roepen bv. – met de mensen op de marktplaats.

Het is belangrijk dat je weet, dat de innerlijke bewustwording een eigen taal doet ontstaan, die alleen voor gelijk bewusten zin en betekenis heeft, besef dat alle oude woorden en zegswijzen van waarde en betekenis veranderen voor jou, wanneer je zelf een innerlijke verruiming hebt ondergaan. Zij blijven dus in waarde niet dezelfde.

Bezie een filosofie, die een mens geleerd heeft op de marktplaats, eens, nadat zo iemand tien treden is gestegen, nadat hij 33 treden heeft beklommen en nog eens, nadat hij de volgende fase van 33 treden is begonnen. Spreek je zo iemand, dan zal hij zeggen: Ik heb vroeger nooit geweten dat dit alles in de filosofie stond. Zo is het met het leven ook. De zin van het leven wordt wel duidelijk terwijl je leeft, maar de betekenis daarvan wijzigt zich voor jou steeds, naarmate je verder gaat. Daarom vind ik het terugkijken ergens voor mij een noodzaak, daar ik anders niet meer in staat zou zijn, mij uit te drukken tegenover anderen dan degenen die ongeveer gelijke hoogte met mij bereikten. Voor mij hoeft u heus niet elke avond terug te gaan, zien naar alles, wat er op de dag precies gebeurd is. Maar wanneer u op een gegeven ogenblik het gevoel hebt, dat u een zekere geestelijke vermoeidheid niet meer kunt vermijden, het gevoel, dat u eens even uit zou willen blazen, dan lijkt het mij ook de juiste tijd om jezelf eens af te vragen, wat er zich in het eigen ik en leven heeft veranderd. Want in het erkennen van de omwenteling, die zich in je eigen wezen, denken en geestelijk bestaan afspeelt, krijg je ook enig idee van je weg. Dan krijg je als het ware de woorden, waarmede je weer spreken kunt tot de wereld beneden in haar eigen taal. Of beter, je leert in je eigen taal zo te spreken, dat eenieder je verstaan kan.

Tot je verbazing ontdek je dan, dat je leert spreken in een taal, die allen verstaan; de gelijken op het geestelijke pad hervinden daarin eigen geestelijke wijsheid. De anderen zien daarin misschien uiterlijkheden en kunnen tot de essentie van dit alles niet doordringen. Maar ook voor hen heeft het zin en betekenis en is zelfs de uiterlijke waarde niet meer strijdig met hetgeen je werkelijk zeggen wilt. Je leert op de duur dat de uitdrukking van eigen geest zo kan worden weergegeven, dat verschillende werelden en sferen, fasen van leven en inwijding, verschillende groepen van bewustzijn, je allen kunnen verstaan, elk volgens eigen wereld op eigen geestelijk plan.

Dit schijnt mij een zeer grote bereiking toe. Want ons wezen is universeel. Er is eens gezegd: Een mens, die door de doolhof der bewustwording gaat, is niet de doler, maar een draad van Ariadne, die het altaar kan verbinden, – via de zalen, waarin de verschrikkelijke Tauros rondgaat -, met de uitgang. Wij zijn de verbinding tussen alle dingen. Deze verbinding, die wij zijn, zullen wij leren beseffen wanneer wij terugzien, en zo erkennen, dat wij alleen veranderen in besef, doch dat ons wezen zich gelijk blijft. Ik geloof namelijk niet aan een evolutie van ons wezen. Het is natuurlijk leuk om te zeggen, dat wij geestelijk en zelfs verstandelijk evolueren, dat wij komen tot een geheel nieuw besef en een geheel nieuwe menselijke orde, maar ik geloof, dat hetzelfde ondeugende kind, dat je eens was, in je voortleeft, ook al word je 150 jaar oud. Ik geloof, dat dezelfde leerhonger en dezelfde voorkeuren, die je als jong kind hebt gehad, blijven bestaan, ook als je al lang de ouderdomsrente hebt gekregen. Wel meen ik, dat de samenhang van deze verschillende dingen en zo de betekenis daarvan voor het ik zich kunnen veranderen, omdat je deze waarden nu eenmaal op verschillende wijze zult gebruiken. Maar de waarde ervan blijft mijn inziens gelijk. Op die wijze vind je in de bewustwording eigenlijk het geheim van je leven. Op het ogenblik, dat wij een der delen van ons eigen ik geheel verwerpen, is er, volgens mij, geen enkel contact meer met de werkelijkheid of de werkelijke wereld mogelijk. Maar zolang wij in staat zijn, om ons werkelijk en menselijk geheel te aanvaarden en alles, wat wij als mens of geest ooit geweest zijn, te combineren met het nieuwe begrip, dat wij nu bereiken, met het voortdurend leren en ontdekken, dat met ons stijgen verbonden is, dan zijn wij, naar ik meen, ware esoterici.

De esotericus is een wezen, dat zich samenvattend in de afgronden van chaos, vormt en hervormt, tot hij als een veel vertakte kroon van een levensboom de oneindigheid op misschien wel ontelbaar vele wijzen kan beroeren. Niet de goden maken de levensboom: Wijzelf zijn de boom des levens. Wij zijn de kracht, die reikt van hemel tot op aarde en van aarde tot de hemel.

Wij zullen als zodanig echter nooit kunnen bestaan, wanneer wij de aarde ontkennen. Wij kunnen nu eenmaal niet los zweven onder de hemel. Zelfs de hangende tuinen van Babylon waren gebouwd op muren en gebaseerd op de aarde. Wij kunnen onze geestelijke hangende tuinen ook niet baseren alleen maar op de ijlheid van een gedachte. Wij kunnen ook deze alleen maar baseren op het gene, dat wij zijn, ja, op de chaos, waaruit wij voortkomen.

Misschien moet ik dit voor u samenvatten?

Het leven op zichzelf kan niet verlaten worden door de innerlijke geestelijke bewustwording. Wij kunnen echter wel steeds meer bewuste facetten en waarden aan het leven toevoegen.

Wij kunnen ons eigen wezen niet veranderen door een esoterische bewustwording, maar wij kunnen wel de krachten en eigenschappen, die wij bezitten, op juistere wijze gaan gebruiken. Wij kunnen veel, wat in ons onbenut is gebleven, gaan benutten. Wij kunnen de hiaten, die in ons leven waren, langzaam maar zeker opvullen en zo een completer mens worden.

Wij kunnen niet vanuit onszelf de hemel bestormen. Maar wij kunnen wel zo gaan leven, dat de hemel in ons geopenbaard wordt.

Wij kunnen niet een God en een waarheid alleen bereiken. Wij kunnen enkel doordringen in een rijk, waarin de waarheid nog steeds veelvoudig is, maar waarin het veelvoudig van de waarheid wordt tot een levenserkenning, die in ons toch een eenheid blijft.

Zoek je de oneindigheid te verwezenlijken in uzelf, dan zal je moeten ontdekken, dat je nog eindig zijt. Maar zoek je de veelheid van je eindig bestaan in een voortdurend verder gaan te zien als een contact met God, dan zie je uit de eindigheid van uw bestaan en denken plotseling het begrip der oneindigheid in jou oprijzen.

En dan ten laatste: Alle dingen, die je in geleerdheid wilt zijn, wilt leren uit boeken, in debatten wilt bespreken, zijn slechts de kunstmest voor de innerlijke groei. Door ons leren moeten wij het begrijpen in onszelf mogelijk maken. Wie echter meent, dat de kennis op zich doel en zin heeft, leeft nog altijd op de marktplaats. Hij is de wonderdokter, die daar zijn reclame uitschreeuwt – misschien goed bedoeld en geheel waar – maar zonder werkelijke inhoud.

Indien wij in onszelf, uit het begrip, de wijsheid bouwen, uit begrip en leren tezamen, de wijsheid zich zien vernieuwen, dan, mijne vrienden, hebben wij bereikt, wat mijn inziens het doel is van ons bestaan: Wij zijn een voortdurend vibrerende eenheid, die oneindige kracht en bestaan via de eindigheid van eigen wezen verbindt met de ongevormdheid en de daardoor schijnbare oneindigheid van de chaos. Verbinding te zijn tussen begin en einde, de slang te zijn, die zichzelf in de staart bijt, dat is het eerste doel van ons leven.

image_pdf