Zuiver geestelijke wijsheid

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 74

28 juli 1957

Natuurlijk is het leven van de geest en ook het denken van de geest geheel anders, dan U zich dit op stoffelijke werelden kunt voorstellen. Maar de gang der bewustwording is voor stof en geest gelijk; zeker voor de geest in de stof en de geest, die vrij is. Daarom meen ik, dat wij deze wijsheid, die uit geestelijke sferen stamt, toch ook voor U kunnen gebruiken en U daarmede misschien een pad kunnen wijzen, dat hetzij in dit leven hetzij in volgende levens voor U van belang kan zijn.

Te weten dat je leeft, is niet voldoende. Wanneer je weet, dat je bestaat en je kent de wereld rond je, maar de werkelijke inhoud, het innige en intense beleven ontgaat je, dan leef je niet. Leven wil zeggen: één zijn met de dingen; voortdurend actief en handelend optreden temidden van al hetgeen je erkent als deel van je eigen wezen. Dat laatste vraagt misschien een kleine verheldering.

Uit ons wezen komen alle voorstellingen voort, die in de geest mede onze wereld vormen. Als resultaat daarvan gebeuren al onze handelingen temidden van door onszelf voortgebrachte voorstellingen, waarachter zich mogelijkerwijze andere realiteiten verbergen. Nu zoeken wij en ik mag zeggen zeer ijverig naar een weg om die werkelijkheid te erkennen. Maar wij moeten eerst handelen in onze wereld van waan, er één mee zijn, kortom deze wereld geheel beleven, voordat we verder kunnen.

Wanneer je voelt, dat een hogere sfeer je nabij is, zie niet te ver omhoog. Wanneer je omhoog ziet, vergeet je je eigen wereld. Wie zijn eigen wereld vergeet, vergeet te leven. En leven, werkelijk leven, is de allereerste noodzaak. Je kunt niet met een tour de force jezelf ontheffen uit je wereld en komen tot bewustzijn in een nieuwer en beter bestaan. Alleen de bewustwording maakt dit wel mogelijk. Bewustwording is dan ook een zeer eigenaardige uitbreiding van het leven zelf. Daaromtrent werd o.a. door Altheus het volgende geleerd;

“Leven is bewustzijn. Bewustzijn is: In je verwerken en verwerkelijken. Een bewustwording is dus te allen tijde een uitbreiding van het leven. Het is niet voldoende, dat wij in onszelf rijpen tot hoger bewustzijn; maar het is noodzakelijk, dat wij gezamenlijk met onze wereld een nieuwe wijze van leven, van beleven vinden, die zo mogelijk meer omvat dan alle voorgaande werelden of voorstellingen, die we kennen.”

Dit te begrijpen betekent door te dringen in het wezen der bewustwording. Van daaruit kunnen wij dan overgaan tot weergave van gedachten, die ik moet trachten in woorden te schilderen. Wanneer je voor het eerst staat in een geestelijke sfeer, voel je je als iemand, die op een donker toneel staat, door een enkele schijnwerper beschenen. Naarmate je meer bewust wordt van jezelf en je nieuwe toestand, verwijdt zich rond je de ring van licht en wordt zuiverder en zuiverder kenbaar wat zich rond je beweegt en leeft. Op de duur is het gehele toneel met licht gevuld. Maar nog gaapt voor je een duistere zaal, waarin een schimmig publiek zich schijnt bezig te houden met je eigen bestaan en leven. Voor sommigen is dit een angstwekkende ervaring. Maar wanneer je verdergaat begrijp je, hoe jouw handelen en de reactie van het publiek eigenlijk een eenheid zijn, een band. De realisatie van die band doet de begrenzing van het toneel verdwijnen. Je staat dan temidden van een wereld. Eerst temidden van die wereld begint de bewustwordingsgang, die je de begrenzingen van die wereld toont.

Zelfkennis is de basis van vele dingen. Zeker is het de basis van elke geestelijke bewustwording. Want indien je jezelf kent, weet je tot hoe ver je kunt gaan in die wereld, die je hebt ontdekt. Dan weet je waar de mogelijkheid tot beleven ophoudt. Ga je vandaar uit toch verder, dan begrijp je niet meer, je ziet niet meer en je verstaat niet meer. Ook dan is deze reële wereld, hoewel begrensd door duister vol met levende wezens, die reëel zijn en echt zoals U niet alleen schimmen Uwer verbeelding. Dat duister wijkt alleen, wanneer wij wederom een band krijgen met hetgeen leeft in dit voor ons duistere. Het is dus voortdurend het vinden van verbindingen met werelden, die we niet kennen. Het is een voortdurend erkennen van ons eigen wezen en daarnaast van onze eigen mogelijkheden, dat voor ons de werkelijke bewustwording betekent en ons de verheffing mogelijk maakt van sfeer tot sfeer tot de uiteindelijke bereiking. Dit moet men echter ook op aarde kunnen interpreteren. Want ook op aarde vindt de bewustwording plaats. Kan die bewustwording begrensd of bepaald worden door Uzelf? Menigeen zal geneigd zijn dit te ontkennen. Toch is het waar. Want de grenzen van Uw eigen leven en beleven zijn veelal zelf geschapen grenzen. Menigeen beperkt opzettelijk zijn leven tot een betrekkelijk kleine reeks van ervaringen. “Dit is niet mijn stand; dat hoort niet bij mensen zoals wij dat is niet geoorloofd, en dat is te ordinair.” Zo begrens je je eigen leven en met deze begrenzing, beperk je je eigen mogelijkheid tot bewustwording.

Er zijn natuurlijk waarden, die je in het leven niet kunt ontgaan. Je zoudt ze kunnen noemen; goed en kwaad; het oordeel, dat je altijd weer zult moeten spreken over jezelf en over de wereld. Maar goed en kwaad te begrenzen door voorstellingen, die niet feitelijk berusten op de innerlijke waarden van je wezen, is dwaasheid. Wanneer een mens dus staat in een bepaald milieu, een bepaalde kring en hij wil werkelijk een bewustwording doormaken, zal de eerste noodzaak zijn: de begrenzing van zijn eigen clan, van zijn eigen milieu, te doorbreken. De tweede zal zijn om niet onmiddellijk zich te begeven onder die anderen, die hij niet begrijpt, maar te trachten van uit eigen standpunt een begrip te verwerven voor mensen, stammen, wezens, die in andere omstandigheden desnoods een andere wereld leven. Is dit begrip eenmaal geschapen, dan is ook een werkelijk contact mogelijk. Het werkelijke contact betekent een vergroting van de wereld en haar mogelijkheden voor het “ik”.

U zult begrijpen, dat zelfkennis noodzakelijk is bij de mens misschien meer dan elders. Men moet leren een verschil te vinden tussen wat men denkt te zijn, wat men graag zou willen zijn, en datgene, wat men daadwerkelijk steeds bewijst te zijn. Kan men dat tot stand brengen, dan breidt ook stoffelijk de wereld zich uit. En wanneer die wereld een zeker gemiddelde van de in het menselijk leven voorkomende verschijnselen omvat, dan breidt ze zich onwillekeurig uit met het geestelijk element, dat met die wereld onmiddellijk verwant zijnde daarin werkzaam blijft. Voor U is dit dan de leegte, de toeschouwersruimte van het wereldtoneel. Maar U zult leren begrijpen, hoe menige invloed, die daar uit het duister op Uw wereld toekomt, volkomen harmonisch is met wat er gebeurt. Gij leert begrijpen, hoe geestelijke werelden kunnen ingrijpen in een aards bestaan, hoe zij kunnen meevoelen, hoe zij kunnen meedenken. En wanneer ge dat begrijpt, zult ge ook de reactie op Uw wezen bij deze anderen kunnen constateren. Ge zult kunnen begrijpen, hoe zij op U reageren. En het weten “hoe” staat heel dicht bij het weten “waarom”. Is dit contact gelegd, dan breidt de wereld zich dus uit met een voor aardse mensen onzienlijke wereld. Dit proces der bewustwording zullen wij geestelijk altijd blijven nastreven. De mens op aarde kan dat tijdelijk verloochenen, maar voor de geest betekent het een zeer grote smart voortdurend gevangen te zijn in haar eigen kleine wereld. Zelfs wanneer die wereld voor Uw idee groot en lichtend is, maar geen uitbreiding toelaat, is dat smartelijk; het is benauwend, wanneer eenmaal de volle bewustwording van die wereld in het “ik” berust. Daarom houden wij ons geestelijk gezien aan de volgende regels:

Wetende, dat ik ben, is mijn eerste vraag; Wat ben ik? Mijn tweede vraag: Wat is mijn wereld? Ken ik mijn wereld, zo vraag ik mij af: Wat ben ik in deze wereld? Op het ogenblik, dat ik de verhouding tussen de wereld en mijzelf heb vastgesteld, zeg ik: Ik ben in deze functie een met de wereld. Die eenheid met mijn wereld maakt het mogelijk in mij de invloeden te erkennen, die die wereld regeren. Ik zal begrijpen, dat ik daarvan een functie ben en zo verder groeien.

In alle dingen moet ik steeds weer onthouden: Natuurlijk ben ik een persoonlijkheid. Maar deze persoonlijkheid is te midden van de grote stroom der gebeurtenissen nietig. Zij kan slechts belangrijk worden door de gebeurtenissen in zich erkennende een uitdrukking te geven aan het totaal van net levende van uit zichzelf voor zichzelf.

Dan misschien voor U niet zo eenvoudig geloven wij ook dit: In mijn leven zijn er twee afwisselende fasen. Ik leef in de wereld; bovendien leef ik in mijzelf. Wanneer ik in de wereld leef, herschep ik mijn bewustzijn van mijzelf binnen die wereld en voeg iets aan die wereld toe. Leef ik in mijzelf, zo herschep ik als in een droom de wereld, die rond mij was; en in deze herschepping maak ik haar tot deel van mijn wezen. Ofschoon ik als deel van de werkelijke wereld onbelangrijk, zal ik altijd die wereld geheel in mijzelf kunnen bevatten. Zo ben ik identiek aan mijn wereld. En deze identiciteit maakt het mij mogelijk alle werelden, die in mij zijn, te kennen, te beleven, mij ermee te vereenzelvigen en zo te komen tot de realisatie van de Kracht, Die deze dingen in stand houdt. (ik hoop, dat dit niet moeilijk is.) Onze gang is dus een gang van bewustwording. Er komt een ogenblik, dat we onze wereld voldoende kennen en dat wij die wereld met alle details in onszelf kunnen reproduceren. In het begin zijn er verschillen. Verschil van onze wereld met de werkelijke wereld. Die verschillen zijn dan de uitdrukking van ons eigen wezen. Maar hoe meer we dat wezen leren kennen, hoe zuiverder wij de wereld buiten ons in onszelf herscheppen. En dan zou men geneigd zijn te zeggen: Dus ben ik identiek met de Scheppende Kracht. Maar dat is niet waar. Ik ben identiek met de wereld, omdat die wereld deel van mijn wezen uitmaakt. Ikzelf ben deel van die wereld en zo zijn wij met elkaar onverbrekelijk verbonden. Eerst in deze eenheid met de wereld, waarin men leeft, kan men komen tot een bewustwording van de Schepper, Die de wereld in stand houdt.

Nu een laatste punt, voordat ik het woord overgeef aan een tweede spreker. Ongetwijfeld denkt haast iedere mens vaak: “Ik ben zo machteloos …. tegen het noodlot; ja, misschien zelfs tegen mezelf.” Wij in de geest kennen diezelfde verschijnselen. En er bestaat zelfs een gedachte over, die men in een spreuk kan uitdrukken, n.l.: “Wanneer ik weet, wat ik ben, heb ik macht. Maar indien ik niet wil weten, wat ik ben, ben ik machteloos.” Met andere woorden, wanneer U zich machteloos gevoelt te midden van de wereld, wanneer ge meent gedreven te worden door onbekende krachten of zwak te zijn t.o.v. vele dingen, dan kunnen we er alleen maar dit aan toevoegen? Die zwakte, mijne vrienden, komt voort uit een ontkenning van Uw werkelijk wezen. Wie zichzelf realiseert, wat hij is, kent zichzelf en heeft daarmede de macht over zichzelf, over alle wereld, die hij als voorstelling in zichzelf bevatten kan en zo over de buitenwereld, voor zover ze binnen zijn bewustzijn kenbaar is.

Het schijnt theorie. Het is echter een korte, zeer summiere omschrijving van een levensprincipe, dat in elke sfeer geldt en voor zover wij kunnen nagaan ook op aarde.

Ik hoop, dat ik U niet heb teleurgesteld met deze inleiding. Het is een wijdingsochtend en U verwacht ongetwijfeld van ons spreuken der oudheid, bijbelse overleveringen, e.d. Maar het is moeilijk om in een wereld, die alleen gedachten kent, een uitdrukking te vinden, die daarop gelijkt. Vandaar dat ik op mine wijze heb getracht U iets duidelijk te maken van het denken en leven der sferen.

o-o-o-o-o

Ja, dan wordt het weer erg moeilijk om verder te gaan. Want als je zo’n reeks van theorieën naar je hoofd hebt gekregen, dan vraag je je wel eens af; “Hoe moet dat nu eigenlijk? Wat moet ik er mee beginnen?” Dan kun je natuurlijk wel een reeks van beschrijvingen gaan geven, maar met beschrijvingen alleen kom je er ook niet. Het zou mijn taak zijn om de dingen duidelijker te maken. En hoe maak ik nu iets duidelijk, als het gaat over werelden, die U niet kent? Ik geloof,’ dat ik het beste doe, wanneer ik begin te praten over wat wij eigenlijk denken.

Natuurlijk gelooft elke geest meer nog dan de mens in God, Daar kun je niet aan ontkomen. Want je voelt voortdurend, dat er grotere krachten rond je zijn. Je weet, dat die wereld zo oneindig groot is. En in je beperktheid neem je aan, dat er ergens een Persoonlijkheid is, Die al dit grootse heeft geschapen.

Maar geloven aan een God is voor de geest iets anders dan voor de mens. Je gelooft als mens aan God als iets, dat ver af is; iets, dat niet reëel is, dat geen deel uitmaakt van je wereld. Dat komt, omdat Uw wereld een vaste vorm heeft en die God Zich daarin niet zo duidelijk kenbaar manifesteert. Maar de geest, bij wie de gedachte zo sterk vormgevend is voor alles rond haar, gelooft aan God en ziet God. Enerzijds een moeilijkheid natuurlijk, want je ziet God, zoals je je Hem voorstelt. Aan de andere kant een bevestiging van het geloof, omdat alle kracht, alle mogelijkheden, die je in die God hebt gelegd, voor jou te realiseren zijn. Daarom begin je met te geloven. Maar na dat geloof moet je verder. Je moet het geloof in de praktijk brengen. En nu verschilt dat natuurlijk, naarmate je een Godsvoorstelling hebt. Ieder van ons heeft een eigen manier van denken, van leven, van handelen. Toch kun je zeggen, dat voor ons allemaal ongeveer de zaak als volgt verloopt:

Je hebt kracht gevonden in je God. Je gaat proberen, om die kracht ook voor anderen werkzaam te maken. Dan ga je niet in de eerste plaats naar je eigen sfeer toe, zoals U Uw theorieën in hoofdzaak niet in eigen huis verkondigt, maar bij voorkeur tegenover anderen, voor wie ze nieuw zijn. Je begint dus met krachtproeven, die meestal in lagere sferen buiten je eigen wereld plaatsvinden. Je probeert daarmee mensen te bereiken, geesten te bevrijden; kortom voortdurend ben je bezig met een scheppend werk. Dan kom je op een bepaald ogenblik tegenover een tegenstander te staan. Want je denkt nu eenmaal, dat je God hebt en met die God werk je. En op een bepaald punt zegt iemand: “Tot hier toe en niet verder.” Dan heb je dus het idee, dat je tegenover de duivel staat, tegenover het demonische. Dan voel je je gevangen in een wrede strijd, en je zet al je krachten in. Maar hoe sterker jij vecht, hoe sterker je tegenstander wordt. Dat is eigenlijk makkelijk te begrijpen, want onze God is maar een deel van God. En nu gaan we dat deel van het geheel afnemen en we gaan zeggen: “Dit is alles.” Wanneer we dan aan de grens komen van alles, wat binnen onze God besloten is, dan komen we te staan tegenover de rest van God. En dat is dan voor ons door de eenzijdigheid van ons denken een tegenstander.

Zo gaat een groot gedeelte van je leven en je bewustzijn vaak in een dergelijke strijd teloor. Maar toch is het geen werkelijk verlies. Want wanneer je eenmaal door die tegenstander overwonnen bent, dan weet je, dat hier alleen maar een nieuwe God geboren is en verder niets. En overwin jij de tegenstander, dan kun je dat alleen doen door hem in jezelf op te nemen, je ermee te assimileren.

Weet U, men zou het eigenlijk het best kunnen zeggen in de termen van de sferen van licht. Stel U voor overal gouden licht. Nu komt er een ziel en die puurt uit het gouden licht een kleur, b.v. rood of violet. En met deze kleur begint ze te werken. Langzaam maar zeker vormt zich een wereldje, dat geheel in deze ene kleur is gehuld. U kunt het soms zien en het is fantastisch mooi, want in die kleur schemeren alle dingen als licht in een parel. Het gloeit en het glimt, het verkleurt en vertekent, en toch is het altijd een en dezelfde grondkleur.

Dan zie je zo’n leven, Het is interessant, het is mooi, het is een schouwspel, dat werkelijk Code waardig is. Maar daar rondom is het witte licht.

Je ontdekt, hoe die rode bol probeert zich uit te zetten. En soms wordt hij hier en daar gewoon dof. Dan is er een voortdurende strijd, want het rode licht wil de gehele wereld vullen met rood licht. Maar het witte licht, waarin alle kleuren behouden zijn, is sterker. En wanneer dat gevecht dan lang genoeg heeft geduurd, zie je een verandering komen. Het is net of iemand melk in die kleur doet. Het rood verwaast en het trekt draderig door. Soms zie je ergens nog een heel felle kern van rood, die zich samentrekt, maar het is niet meer zuiver zoals zoeven. Het is niet mooi meer, het is niet schitterend. Het is eerder vurig geworden, ontstoken. Dan zie je dat witte licht er door trekken. De tint van het geheel wordt steeds helderder, steeds meer naar het wit toegericht. Tot op een ogenblik de felle plekken verkleuren en alleen nog maar een vage afscheiding overblijft. En pas wanneer het zover gekomen is, lijkt het, of in een veld van licht een lichte gestalte speelt. Het zijn niet de kleuren. Die kleuren zijn nog te veel gebonden. Ze zijn te beperkt. Ze zijn logge bollen, die wervelend hun gang zoeken ergens naar toe en niemand weet waarheen. Maar hebben ze de kleur van dat witte licht benaderd, zijn ze a.h.w. een verzachting geworden van de verblindend lichte waarheid, dan krijgen ze weer gestalte en vorm. Dan is het, of statige figuren opwaarts gaan naar een verre tempel; dan is het of feeën een ogenblik een reidans dansen. Een wonderbaarlijk schouwspel.

Zo vecht eigenlijk elke geest om eerst zijn eigen wereld te maken. Die eigen wereld is dan die ene kleur. Maar kun je aan die kleur ontkomen, kun je verder doorgaan, kun je tot een beter bewustzijn komen, dan word je weer jezelf. En daarom kun je zeggen, dat er geestelijk eigenlijk zekere veranderingen mogelijk zijn, die je weer kunt rubriceren en classificeren. Ik zou het zo willen zeggen:

Punt 1: Ik ben. Punt 2: De wereld is in mij. Punt 3: Ik ben de wereld. Punt 4: Ik ben de wereld niet. Punt 5: Ik ben één met de wereld, maar nu met de ware wereld. En dan blijft er “ik en de wereld” als laatste punt over. Het vreemde spel van lichten, die aan elkaar gelijk zijn, maar waarvan het grote een iets fellere glans heeft.

Het is moeilijk om dat allemaal te beschrijven. Het kan zo…ja….zo mooi zijn, dat je er geen woorden voor vindt. Dan kun je gaan spreken over melodie en zo; maar dat hoort er eigenlijk niet eens meer bij. Het is een soort abstract kleurenspel. Maar een abstract kleurenspel, dat zich ontmaskert tot wezens, die volmaakt zijn in hun schoonheid. Al ons zoeken, al ons denken in de sferen en waarschijnlijk ook wel op aarde is naar licht. Maar we begrijpen nog niet, hoe zwaar dat licht eigenlijk kan wegen, wanneer je het dragen moet. Weet U, dat witte licht, dat brandt alle onzuiverheid, alle duisternis weg. Dat betekent een zelfopenbaring, waaraan je niet kunt ontkomen. En het is juist daarom, dat velen van ons een deel van het licht nemen om daaruit een wereld te bouwen, waarin die behoede duisternis, die geheime hoekjes van hart en wezen, dan toch bewaard kunnen blijven. Het vaak juist deze persoonlijke illusies (want illusies mag ik het wel noemen), die eigenlijk te gronde gaan als laatste.

Wanneer in ons wezen eenmaal het licht begint door te dringen, dan is er een strijd. Vandaar dat melkachtige, dat draadachtige. Wij moeten onszelf leren kennen in dat licht en dat gaat niet makkelijk. Want er zijn dingen, waar je dat licht niet in wilt laten. Dan zeg je: “Neen. En dat ben ik. Want….” en dan komen er een hele hoop redenen “omdat ik zo goed ben, omdat ik zo groot ben, omdat ik zo sterk ben, enz.” Ja. En toch gaat dat er ook uit. Ook dat gaat teniet.

Dan zou ik eigenlijk de apotheose moeten beschrijven: hoe licht zich met licht huwt en één wordt. Weet U, licht en licht samen versmeltend, dan is er geen onderscheid meer. Maar hoe moet je dat zeggen? Je zou het misschien in een beeld kunnen zeggen: Het wezen is opgegaan tot bewustwording, trede na trede omhoog. Langzaam maar zeker is de vorm teloor gegaan. Het wezen heeft zichzelf teruggevonden in een nieuwe wereld en bewustzijn. Het aanvaardt nu voor het eerst het werkelijk witte, het felle licht. En wordt dat wezen a.h.w. gevuld door dat licht. Het is een met het licht, maar het blijft zichzelf.

Nu gaat het licht uitstralen. Kunt U zich voorstellen, hoe een paar zonnestralen dansen? Zonnestralen, die gewoon dansen in het duister, met elkaar een soort van gouden web vlechtend, waardoor het duister plotseling schoonheid krijgt en inhoud? Kunt U zich voorstellen, hoe licht langzaam maar zeker begint te wisselen in tonen en in kleuren, tot het een ontroering wordt? Kunt U zich voorstellen, hoe de gedachten van een mens langzaam maar zeker overgaan in een droom van hoogste verrukking? Neem dat samen, voeg het bij elkaar en zie dan terug naar die mens, dat wezen, die geest, die eindelijk het licht geaccepteerd heeft en nu door dit accepteren zelf licht begint uit te stralen, glorieus en sterk, machtig als het licht rond hem.

Toch blijft er een klein verschil. Eerst lijkt het schermen, alsof schicht na schicht treft met degenstoot, parerend en toestekend. Dan wordt het langzaam maar zeker een harmonie. Het is als klimplanten, die elkaar overranken. Ze draaien om elkaar heen en door elkaar heen; het is een vorm van wit in wit geworden. Dan zie je in die vorm ten slotte de grote versmelting.

Dat is in hoge werelden, in hoge sferen. Maar, vrienden, we mogen er één ding aan toevoegen: Al datgene, wat in die hoogste werelden bestaat, bestaat in alle wereld. Ook in Uw wereld. Elke wereld kent zijn eigen symbolen daarvoor. Elke wereld kent zijn eigen poging tot realisatie ervan. Naarmate de geest bewuster is, zal natuurlijk het element van zoeken naar eenwording geestelijker zijn. Maar altijd weer: naarmate je met grotere krachten een wordt, zul je ook eerst scherper strijden. Het is niet voor niets, dat ik spreek over een degenspel, een schermen van licht en licht. Juist wanneer je ontwaakt tot een nieuwe wereld, bestrijd je haar haast een ogenblik, omdat je eerst jezelf moet gewennen aan dit nieuwe. Je kunt het niet zo maar aanvaarden.

Dan moogt U daar voor U een les uit trekken. In Uw eigen wereld gaat het precies als overal. Ook U zult vaak het hardst strijden tegen een nieuw bewustzijn, tegen een nieuwe ontdekking, tegen een nieuw ontwaken. En wanneer U dan zo fel strijdt tegen de wereld en U heeft een ogenblik tijd, vraag U dan eens af, of ge niet strijdt tegen dingen in de wereld, die teveel lijken op hetgeen ge in U verborgen draagt. Wanneer U dat geheim hebt geleerd, zult U begrijpen, dat. die strijd onvermijdelijk is; maar dat hij zo snel mogelijk moet overgaan in de rankende dans der eenwording, waardoor ook de hoogste geest zich oplost in het hoogste licht.

Nu hoop ik, dat ik de dingen duidelijk heb gemaakt. Misschien heb ik gefaald. Maar dan moet U maar denken: Misschien is dat falen ten dele te wijten aan het gevecht van de voorstellingen in U, die de waarheid benaderen, met mijn pogingen om de waarheid voor U hier duidelijk te maken.

o-o-o-o-o

OPGANG

Ik zoek mijn weg. Ik doorleef het bestaan en blijf steeds verder streven. Want in mij dwingt een vreemde kracht tot geestelijk beleven. De wereld, moe en fade en stil, verbleekt terwijl ik vluchten wil naar andere sfeer, naar nieuw bestaan. Maar hoe ik ook wil verdergaan, in mij blijft het felle streven naar groter geestelijk beleven.

Ik dans in een wereld…..van somber goud is de lucht; en sedert het zijn begon neemt de gedachte in vorm haar vlucht. Ik zou willen stilstaan, hier slechts leven. Maar ik word voortgejaagd door innerlijke drang tot geestelijker beleven.

Wanneer de vorm versmolten is en hemel wordt tot hemel zijn, wanneer verrukking van het licht mij wordt verrukkelijke pijn, dan zou ik willen verzaken aan des levens plicht en stilstaan, niet meer verder streven. Maar ik moet voort, want in mij roept een stem om hoger geestelijk beleven.

Wanneer dan ziel met ziel versmelt, en licht tot licht wordt saam gedreven, dan vind ik ’t lot, in mij voorspeld, toen ‘k zocht naar geestelijk beleven. Geen dagen meer, die worden geteld, geen sferen meer, waarvan ik spreek, geen werkelijkheid, geen ik, geen zijn. Terwijl ik met dit alles breek, word ik een met het licht van de werkelijkheid, komt een einde aan al mijn streven.

Dan is het doel in mij vervuld. Dan heb ik het einde eindelijk bereikt van het al geestelijk beleven. Mijn ziel, in God zo sterk vertwijnd, leeft voort in alle dingen, krijgt duizend stemmen, wil alleen als koor een loflied zingen.

Mijn wezen saam met het zonnelicht doet leven hier ontstaan en elders met de duistere nacht weer leven ondergaan. Zo zie ‘k rond mij al wat ontwaakt en dat als doel van ’t leven vindt altijd weer en altijd weer de drang tot geestelijk streven.

Dan word ik tot streven, tot stem van min God. Ik leef in wat leeft en bepaal mee ’t lot van al wat eens leven werd gegeven; opdat door beter geestelijk streven eens aan het eind der tijd, al weer tot eenheid wordt gebracht.

Dan zal de Stem, Die ’t Al eens schiep, als laatste zeggen: “ ’t Stond geschreven in Mij volmaakt is al wat was, alle stof, al geestelijk leven.”

De opgang, die je als geest doormaakt, is de weerspiegeling van de gang der schepping uit God en tot God. In jezelf de eenheid met God ontdekken wil gelijktijdig zeggen: Van uit God streven tot eenheid met anderen. Dat wil zeggen: de taak, die je voor jezelf hebt aanvaard (om als deel Gods anderen tot bewustzijn van hun deelgenootschap met God op te wekken) te vervullen tot het ogenblik, dat alles eenheid is. En nooit meer kun je gescheiden zijn van de Kracht, waaruit je bent ontstaan.

Daarom meende ik, dat ik geestelijk beleven mocht omschrijven zoals ik deed: Een streven, dat leidt tot de vervulling; een vervulling, die leidt tot eenwording van alle dingen het einde van de schepping in de volmaaktheid Gods.