De innerlijke reizen

uit de cursus ‘De innerlijke weg’ (hoofdstuk 6) – maart 1984

De innerlijke reizen

Wanneer je fantaseert, dan word je geconfronteerd met bepaalde waarheden omtrent jezelf. Wij hebben dat uitvoerig duidelijk gemaakt. Maar er gebeurt meer. Je wordt geconfronteerd met allerlei contacten die je vooral in het begin niet kunt thuisbrengen. Dat zijn heel vaak helpers, soms gidsen of geleiders. Wij hebben daaromtrent ook al het een en ander verteld. Ik behoef u dus niet alle regels voor te houden die daaraan verbonden zijn.

Wanneer je contact krijgt met een geleider, vraag je dan af, of het contact harmonisch is. Zo ja, reageer op de aanwijzingen die je krijgt maar probeer niet je geleider te zien, je naar hem toe te wenden. Ga gewoon mee.

Dan krijgen we een situatie waardoor we terechtkomen in innerlijke werelden. Want als we terechtkomen in een Zomerlandsfeer, dan hebben we niet te maken met een echte wereld. Wij hebben te maken met een analoge wereld, opgebouwd op associaties die in ons berusten. Langzamerhand kan daar wel het een en ander aan worden toegevoegd zodat we een beeld krijgen dat de werkelijkheid wat meer benadert, maar we zitten eigenlijk nooit in een wereld die wij helemaal en zonder meer kunnen thuisbrengen.

De grote moeilijkheid daarbij is dat je, omdat de gedachtewereld suprême is, geneigd bent om allerlei ongevallen terzijde te schuiven. Het is misschien een beetje vreemd als ik de vergelijking gebruik: je bent aan het koorddansen en je valt van het koord af. Normaal zou je op de grond terechtkomen en een smak maken. In je droom echter aanvaard je dat niet en kom je met een onmogelijke beweging weer in evenwicht op het koord terecht en je gaat verder.

Wij zullen mislukkingen vaak niet aanvaarden. In dat geval krijgen we een vervalsing van ons wereldbeeld, De innerlijke trip confronteert ons dan met een voortdurende herhaling van juist die fase, omdat we eerst moeten leren dat vallen in de geest ook vallen kan betekenen.

De ontwikkeling, die onze gids daarbij probeert te begeleiden, is in feite er een die zegt: Ja, maar je bent gevallen. U zult dat in het begin niet willen aanvaarden. Maak u daar niet druk over. Een dergelijke tocht is over het algemeen vooral in het begin toch altijd een weefsel van verdichting en waarheid.

Op het ogenblik echter dat u gaat leren dat er inderdaad een vallen mogelijk is, een mislukken (u realiseert zich dat er een preferentie bestaat; als u wilt slagen moet u een bepaalde richting ingaan) zult u komen tot een gedrag dat heel dicht komt bij de werkelijkheid niet alleen van uw innerlijke voorstellingswereld, maar ook van de daarmee verbonden zijnde sfeer zoals die reëel buiten u bestaat.

De meeste mensen denken: dan gaan wij naar het licht. Althans degenen die aan esoterie doen, willen allemaal naar het licht toe. Je kunt het hen niet kwalijk nemen. Zij hebben nooit anders geleerd. Maar wie inderdaad zover komt dat hij de lichte werelden nadert, komt toch terecht voor de een of andere hindernis; je kunt er niet door.

Nu zal uw gids u altijd adviseren om dan te vragen om een opdracht. Die opdracht is meestal bijna zinloos. Bijvoorbeeld: Je kunt hier terugkomen, als je de hele rondgang hebt gemaakt. De mens weet daar geen raad mee. Hij begint zeer waarschijnlijk zich allerlei werelden voor te stellen. De gids zegt elke keer weer: Hier moet je niet zijn. Totdat die mens gaat beseffen: als ik een lichte situatie wil beleven, moet ik ook een duistere situatie hebben beleefd. Dit is een evenwichtsregel die bij een innerlijke reis nogal eens wordt verwaarloosd. Wij blijven ofwel in het duister staan, dan wel wij gaan ‘halleluja’ roepen in een licht dat in feite geestelijk gezien nog niet eens een schemerlamp waard is.

De reis, zoals die zich innerlijk pleegt af te spelen (let wel, dit is een voorbeeld, er zijn dus vele afwijkingen mogelijk) verloopt ongeveer als volgt: Je daalt af. Dat afdalen kan worden voorgesteld als een trap of een hollend pad aflopen. Het kan zelfs zijn dat je met een lift je in een andere wereld verplaatst voelt. Die wereld is altijd minder lichtend dan de plaats waar je afscheid van hebt genomen.

Als je nu verder gaat, zul je ontdekken dat je steeds weer wordt geconfronteerd met lagere werelden en toestanden. De beelden die je ziet, zijn associatieve beelden. Ze vertegenwoordigen dus niet de feitelijke werkelijkheid van een sfeer, maar ze zijn je vertaling van wat die sfeer betekent. Als wij bv. de Hellesfeer en de Louteringsberg zien zoals Dante Alighieri die heeft beschreven, dan zitten we met iets wat daar een beetje aan doet denken.

Wij komen in werelden terecht waarin entiteiten zijn en we weten er eigenlijk niet goed raad mee. Wij vragen ons af waarom ze er zijn. Wij krijgen antwoorden maar die antwoorden bevredigen ons niet. De doorsneemens is dan geneigd om te gaan beschouwen. Gebeurt dat, dan krijg je weer een tikje van de gids die zegt: Doorlopen. Maar doorlopen is zo moeilijk als je niet begrijpt.

In de innerlijke reis door de duistere werelden gaan wil niet zeggen: je bezighouden met de problemen van anderen in die werelden. Het betekent: constateren dat anderen in die toestand verkeren. Constateren in hoeverre jij je betrokken voelt bij het gebeuren in die sfeer waarin je vertoeft en dan verder gaan.

De innerlijke reis wordt over het algemeen na één of twee van dergelijke belevingen onderbroken. U wordt weer wakker. Er is iets gaande. Opvallend is dat, wanneer je weer aanknoopt je niet begint op het punt waar je bent uitgescheiden. Altijd zijn al die punten met elkaar verbonden. Je hebt het idee dat je als in een flits dat deel van de weg aflegt wat je de eerste keer moeizaam hebt beleefd en vandaaruit verder gaat.

Je komt zo tot afgronddiepe ervaringen die gewoonlijk ook een confrontatie met jezelf betekenen, omdat de associatieve beelden ook iets zeggen omtrent je eigen verborgen angsten, je verborgen begeerten misschien, al datgene wat normaal in je begraven ligt. Maar belangrijker dan dit is, dat je die assistentie hebt, dat er iemand is die zegt: Verder gaan.

Je komt dan weer terecht bij de hindernis. Dat kan misschien één, tien, twintig, dertig van die droomfasen bevatten. Op het ogenblik, dat je die hindernis weer bereikt, bestaat ze voor jou niet meer. Je erkent nog even dat ze er is en je zegt: Ik ben rond geweest, nu mag ik verder gaan. Vanaf dat moment bestaat die grens, die hindernis niet meer voor je. Je kunt altijd weer verder gaan. Maar voorgaande werelden blijven binnen je bereik.

Het is heel belangrijk dat u dit begrijpt, omdat bij een innerlijke reis u anders de neiging heeft te zeggen: Dat is afgedaan; dat ligt achter mij. Wij hebben echter te maken hier met een uitbreiding van begrip.

Die uitbreiding van begrip is weer gebaseerd op de noodzaak tot een steeds groeiende harmonie. De harmonie voor een mens begint altijd weer met de duistere werelden, omdat de mens eerst geconfronteerd moet zijn met zijn angsten, zijn begeerten en de harmonieën die daarvan uitgaan om te kunnen komen tot een harmonie waarbij hij zelf minder centraal staat en minder belangrijk is.

De weg na de hindernis brengt meestal met zich mee ‑ niet altijd maar meestal ‑ dat een gids zich wat meer kenbaar maakt. Nu moet u niet denken dat er plotseling iemand naast u staat in een lichtend gewaad, eventueel nog met een punthoed, een toverstaf en een zwaard die zegt: Ga nu maar verder met mij mee. Het begint meestal als een flits; je ziet even een gezicht, en dan verdwijnt het weer. Misschien zie je het een hele tijd niet meer.

Dat gezicht is wederom een omschrijving. Het is niet zonder meer het wezen van de gids dat wordt uitgebeeld. Het is de harmonie van de gids, vertaald in uw eigen associatie.

Als u bij wijze van spreken aan theosofie doet en u heeft de boekjes van de Meesters bestudeerd, dan zal het heel waarschijnlijk, als u een goede gids heeft gevonden, iets zijn dat herinnert aan een van de Meesters of aan een van de boeddha’s, Christenen worden geconfronteerd met een van de apostelen, met Jezus, met de heiligen, kortom, de hele santenkraam. Hierbij is dus de gestalte associatie en een illusie. Maar belangrijk is, dat ze kenbaar is geworden. U krijgt een voorstelling waaraan u zich kunt vasthouden. Pas nu kan de reis beginnen naar een werkelijke lichtwereld.

De eerste werelden die je kent zijn Zomerlandwerelden. Voor elke wereld geldt dat de gids u een aantal malen vergezelt. U krijgt dus aanwijzingen. Er komt een ogenblik, dat u weer op reis wilt gaan en dat de gids er niet is. Dan moet u toch rustig op reis gaan; dus rustig de reeks associaties doorlopen. Niet zeggen: Ik ben onzeker, maar gewoon zien wat u tegemoetkomt.

De werkelijkheid is weer moeilijk in denkbeelden uit te drukken. Maar u heeft nu uw eigen wereldbeeld in u opgebouwd en daarin is plaats voor voorstellingen die een directe harmonie betekenen met b.v., een deel van Zomerland of van Hoog‑Zomerland.

Dan krijgen we een periode waarin we die wereld zelf gaan bezoeken. Hier gaat het om de keuze van een doel een eigen territorium zou ik zeggen. De een zal kiezen voor een groep waarin gezang klinkt. De ander zal zich bezighouden met een soort onderricht. Weer een ander zal zich gewoon bezighouden met wandelen, gelukkig zijn en praten met anderen. Er zijn er ook die gaan dan een plek zoeken waar ze verder kunnen mediteren. Hoe je het ook doet, het maakt allemaal heel weinig uit. Belangrijk is, dat je in die beleving het gevoel krijgt van: ik hoor er helemaal bij.

Hoe meer die wereld voor u werkelijk wordt, ook al beseft u dat ze associatief is, dat ze dus in u in deze vorm bestaat, hoe beter het u zal gaan. Dan komt er een ogenblik, dat je wederom wordt geconfronteerd met uw gids. Dat wordt meestal weer aangekondigd door enkele flitsen. U ziet een enkele maal dat gezicht of u ziet een enkele maal een symbool verschijnen.

In de tweede fase zal de gids meer en meer kenbaar zijn. U komt nu namelijk in een wereld waarin uw gedachten veel minder houvast hebben. Een wereld waarin het vormbesef een beetje vervaagt. Dat is zoiets als gevangen zijn in een caleidoscoop of in een lichtshow waar je niet eens meer de vloer kunt zien. En omdat die beelden dan niet meer ter beschikking zijn, treedt nu de gids op als een vast punt.

Het is weer niet belangrijk hoe u die gids ziet en wat voor beelden u verknoopt aan de beleving van die wereld. Belangrijk is de harmonie die u ervaart. Als u daar enkele keren bent geweest, dan is de gids er niet. Dan moet u weer terug en u maakt heel waarschijnlijk in die periode enkele malen weer de complete cirkelgang. U gaat dus door een aantal duistere werelden en sferen heen die u nu een beetje anders gaat waarderen.

U komt wederom op de plaats waar die grens is geweest (het punt waar u over een hindernis heen moest) en u wordt geconfronteerd met een zoeken naar de wereld die u onder geleide heeft betreden. Pas als u die grens nadert, heeft u plotseling het gevoel: ik heb weer contact met mijn geleider, mijn gids.

Die geleider geeft u dan aanwijzingen, want u moet leren die barrière te doorbreken. Dat vergt meestal enkele pogingen. Maar u doorloopt nu de voorgaande werelden zo vlug dat het net is, of u alleen maar recapituleert wat er geestelijk tot nu toe voor u bestond.

Heeft u eenmaal de sleutel gevonden, weet u hoe u die hogere harmonie kunt aanvaarden, dan vindt u zich weer alleen gelaten. U drijft in emoties. Hoe dat precies te vertalen is, dat ligt aan uzelf.

Voor de meeste mensen wordt dat de wereld waarin hemelse koren zingen zonder dat je ze ziet, waarin sterren en lichtvlakken door elkaar heen zweven en je alleen nog maar kunt zeggen: God, wat voel ik mij gelukkig. Ook deze wereld moet u leren kennen.

Daarna begint het proces opnieuw. De flitsen zullen nu waarschijnlijk het geheel van uw gids omvamen en veel minder menselijk zijn. U krijgt dus indrukken die wel volledig zijn, maar die niet meer herinneren, aan een menselijk gelaat, of aan een menselijke vorm.

In deze fase doorloopt u weer eerst de duisternis, vandaaruit gaat u verder naar uw Zomerlandwereldje, vanuit uw Zomerlandwereldje, dat u meestal tamelijk snel doorloopt, gaat u weer naar de volgende grens en zo verder.

Dit zijn innerlijke werelden. Het zijn geen werelden die buiten u bestaan. Want alles wat je beleeft en doormaakt, hoezeer het geestelijk gezien een realiteit betreft, kan alleen worden uitgebeeld met de middelen die in uw wezen reeds bestaan. Aanvullingen zijn mogelijk, maar alleen als er bepaalde beelden kunnen worden gevormd die in overeenstemming zijn met de aanwezige associaties, maar die door samenvoeging van tot, tot nu bestaande enigszins schijnen af te wijken.

Het zal u duidelijk zijn, dat hoe mooi dit allemaal ook klinkt het weinig praktische betekenis heeft, tenzij u toevallig bij het proces zelf betrokken bent. Laten we daarom eens kijken hoe innerlijke werelden in elkaar zitten…Want hoe meer wij van onszelf begrijpen, des te gemakkelijker wij ook kunnen doordringen tot de werkelijkheid die in en rond ons altijd aanwezig is.

Elke duistere wereld is niet alleen een weergave van dingen die u onprettig vindt of vreest. Het is ook een weergave van uw gedachteleven. Het zijn de dingen in uzelf die u niet wilt erkennen. Het zijn de kwaliteiten, de eigenschappen, de daden misschien die zijn verdrongen maar die wel degelijk een rol hebben gespeeld bij uw vorming. Het zijn, zeker als je door de duisterste werelden heen trekt (dat gebeurt meestal toch wel) ook beelden die zelfs met vroegere incarnaties samenhangen. De angsten maar ook het onvermogen, de drijfveren uit een ver verleden worden a.h.w. in u herboren.

Het betreden van duistere werelden en het steeds weer herhalen van de kringloop houdt in, dat wij meester over onszelf moeten worden. Wij hebben in ons angsten. Zolang wij echter die angsten nog bezitten en de waarden daarin niet erkennen als een normaal deel van het geheel en van het gehele proces van bewustwording, zullen ze ons domineren. Wie toegeeft aan zijn angsten blijft kleven.

Wie in een duisterder wereld (hoe vaak komt dat niet voor, omdat die altijd gekoppeld zijn aan wereldvoorstellingen) dingen tot zich neemt, wie zich associeert met de dingen in plaats van ze alleen te constateren, die zal ontdekken dat hij daar een hele tijd aan vastzit. Het is net of je niet meer kunt loskomen. Waarom? Om de doodeenvoudige reden dat u zich dan te zeer heeft verdiept in een deel van uzelf en dit deel u tijdelijk blijft domineren. Maar het vlakt langzaam wel weer af.

Wanneer u dus in de een of andere gribus terechtkomt en u kunt geen uitgang vinden, dan is het geen reden om wanhopig te worden. Er komt een ogenblik dat u een uitgang vindt. Maar het is heel belangrijk voor uzelf dat u die uitgang zo snel mogelijk vindt, opdat u niet te veel wordt geconfronteerd met het verval dat toch ook in u aanwezig is. Daarom geef ik u de raad:

Bindt u aan niets en niemand in duistere sferen. Neem alleen raad en eventueel hulp aan van uw gids, niet van anderen of ze zich nu manifesteren als lichtende engelen of als gloeiende duivels. Ze kunnen u alleen maar binden, ze kunnen u nooit helpen om verder te gaan. Door steeds weer geconfronteerd te worden met uw duistere inhouden wordt het gemakkelijker om een eenheid te vinden tussen de lichtende inhoud van uw wezen en de duistere. Eerst zij, die bereid zijn te erkennen wat hun meest gevreesde toestanden, situaties en belevenissen zijn, kunnen de werkelijke vrijheid die in hun wezen berust leren gebruiken.

Waar u ook over de grens gaat naar een lichte wereld, zult u als mens altijd worden geconfronteerd met de angst, als u die wereld niet voor een enkele keer betreedt en onder geleide van anderen, maar werkelijk wilt leren die werelden tot deel van uw bestaan te maken.

Het betreden van lichtende werelden is elke keer a.h.w. afstand doen van belangrijkheden. Het klinkt misschien heel gek, als ik dat zo zeg. Als je vroom bent en je bidt tot God in een bepaalde vorm, dan moet je eigenlijk leren dat al die termen geen betekenis hebben. Het is trouwens typisch, als je de joodse leer kent, dan staat daarin duidelijk te lezen: Elohim en Jehova zijn dezelfde. Licht kan nooit verschillen van licht. Er kan geen preferente vorm van licht bestaan. Er is licht of duister.

Het leren hoe je dit onderscheid moet overwinnen is vaak een moeilijke taak. Daar heb je inderdaad die hulp, die leiding steeds bij nodig. De leiding die je duidelijk maakt dat je niet moogt blijven staan bij één aspect hoe vredig, hoe lichtend, hoe goed het ook moge zijn, maar dat je verder moet gaan.

De kringloop is er om je voortdurend te herinneren aan het feit, dat je een geheel bent en dat je niet een klein deel van jezelf kunt verheffen tot de grootste hemelhoogte die maar denkbaar is en gelijktijdig het andere achter je te laten.

Reizen naar binnen toe zijn een middel om te leren beseffen dat je een geheel bent. Je kunt nooit een stukje van jezelf terzijde schuiven. Je bent een mens. Je hebt menselijke kwaliteiten en eigenschappen goede en kwade. Je kunt die niet vervangen, je kunt ze niet achter je laten. Je kunt ze alleen aanvaarden en deel doen zijn van een geheel dat ondanks het duister in zijn geheel evenwichtig is en daardoor in feite ook het licht in zichzelf ken bevatten.

Misschien zijn hier enkele regels bij nodig voor degenen die daartoe pogingen willen doen. Ik kan u het volgende zeggen.

  1. Vraag niet om een geleider of gids. Deze kan eerst met u waarlijk in contact komen en werkelijk betekenis voor u krijgen, indien u innerlijk voldoende rust heeft gekregen en niet bang bent om ook de duistere kanten van uw persoonlijkheid onder ogen te zien. Eerst de angst voor uw verborgenheid overwinnen dan komt bijna automatisch het contact met een geleider, een geest tot stand.
  2. Probeer nooit op uw tochten naar het duister teveel te corrigeren. Dus te zeggen: Maar dat kan zo niet. Neem de dingen zoals ze komen, maar ga verder. Wanneer u op een gegeven ogenblik terecht komt in een vlakte vol vlammen, loop daar doorheen. Zeg niet: Ze zullen mij wel of niet deren. Ga daar doorheen. U zult merken dat ze u weinig doen, maar dat u wel constateert dat het iets is wat u misschien zou kunnen vrezen. Het is de aanvaarding van uw eigen duisternis waardoor u tot licht kunt komen.
  3.  Denk nooit dat het betreden van een lichte wereld op zich­zelf een bereiking is. Zij wordt dit eerst, wanneer u deze zelfbewust en naar willekeur kunt betreden. Dit is een proces dat langzaam tot stand komt in de periode nadat uw gids u heeft ver­laten. U kunt nooit verdergaan naar hogere werelden zonder eerst de wereld te hebben leren kennen waartoe u nog vrijelijk toegang heeft.
  4.  Zoek nooit naar een harmonie met alleen het hogere. Wie alleen het hogere zoekt, werpt  een deel van zichzelf weg. Als een onvolledige entiteit kun je nooit een wezenlijk contact krijgen met sferen van licht, van vreugde, van vrede.

Dan een paar kleine raadgevingen die zonder meer niet zo belangrijk zijn, maar waar u iets aan kunt hebben:

  1. Het geeft niet wie uw geleider is. Belangrijk is alleen dat de geleider u waarschuwt voor en wijst op de dingen die zult ontmoeten.
  2. Als een uitgetreden mens bent u onkwetsbaar zolang u niet vreest. Als u een bergpas wilt opgaan en er komt plotseling een horde demonen aan, dan haalt u uw schouders op en zegt: Voor jullie ben ik er niet en u loopt door. Dan kunnen zij u niet deren.

Op het ogenblik dat u probeert u voor hen te verbergen of te vluchten echter, heeft u contact opgenomen met duistere elemen­ten zowel in uw persoonlijkheid als daarbuiten. Daardoor worden allerlei instincten, belevenissen van vroeger, ook geestelijke banden die daarmee samenhangen gewekt en zult u heel veel chaos moeten overwinnen. Aanvaarding van uzelf is het eerste beginsel om chaos in uzelf te voorkomen.

  1. Zeg niet, dat het allemaal zo belangrijk is. Belangrijk is voor een mens die op aarde leeft zijn huidig bestaan; en wel met alle mogelijkheden ten goede en ten kwade die daarin zijn verborgen. Pas daarna kunt u dan deze innerlijke reizen gaan maken en kunt u harmonieën opkweken die u met een werkelijkheid die buiten u bestaat in contact brengen.
  2. Stel u nooit voor dat het hiernamaals is zoals u het in uitgetreden toestand heeft beleefd; zo is het niet. Houd er gewoon rekening mee dat dit nog uw droom is. Na de dood kunt u die droom nog een tijd vasthouden. Maar er komt altijd een moment dat u er toch afstand van moet doen. Laten wij dan liever maar meteen zeggen: Het is eigenlijk niet zo belangrijk.
  3. Dit punt is voor sommigen misschien wel een rare aanduiding: Ervaringen ‑ of u ze nu als positief of als negatief ervaart ‑ zijn het meest belangrijke van uw hele bestaan op aarde. Ze zijn het doel van uw incarnatie. Beklaag u nooit over uw beleven. Probeer er alleen op een zo positief mogelijke manier mee te leven en ermee af te rekenen. Op die manier krijgt u werkelijk het volle nut van uw leven.
  4. Zeg niet dat bepaalde dingen de mens verboden zijn. Zeg niet dat bepaalde dingen de mens bevolen zijn. Vraag u liever af wat in uzelf juist is, dan vindt u voor uzelf de beste weg.

Ik wil niet veel meer zeggen over de innerlijke werelden. Ik heb geprobeerd er wat aanwijzingen bij te geven. Alle voorbeelden die ik heb gegeven zijn naar gemiddelden ontworpen. Uw eigen innerlijke werelden zullen er altijd wel een beetje anders uitzien. Maak u daar niet druk over. Als u andere personen betrekt bij die innerlijke harmonie (dat kan vaak voorkomen) nu je, als er een band bestaat, een harmonie tussen u en anderen of een ander, dan kan die niet teniet worden gedaan. Maar als ze nooit reëel is geweest, probeer dan niet ze nu reëel te maken; dat is zinloos. Ga gewoon uit van datgene wat wezenlijk voor u belangrijk is.

Als u een harmonie met een ander kent, ga toch voort op uw eigen weg. Die harmonie zal daarbij meespelen. Ze kan zelfs een heel grote rol gaan spelen. Die rol komt dan vanzelf tot uiting in uw gids, uw geleider en de manier waarop u de verschillende werelden beleeft.

Denk niet: dit is de bereiking, want u kunt als mens altijd nog een eindje verder gaan. Als geest moet je dat zelfs doen.

Vragen

  • Waarin ligt het verschil tussen een bewuste uittreding en een innerlijke bereiking?

Er is geen wezenlijk verschil, omdat elke werkelijke uittreding toch wordt geregistreerd volgens de beelden die in u bestaan en niet volgens een werkelijkheid, die gezien het menselijk denken nooit geheel waarneembaar en registreerbaar is. Een werkelijke uittreding wordt over het algemeen kenbaar door het feit, dat daarin vernomen mededelingen daarin gekregen tips, maar ook daaruit voortgekomen veranderingen in uw denken en besef ook in uw eigen wereld gelden en de realiteit op zijn minst genomen zeer benaderen, maar op den duur zeker 95% van de gevallen dekken. Ook als het gaat om feiten die u stoffelijk gezien niet kunt kennen of om situaties die nu voor u nog niet bestaan etc. Dat is de enige toetssteen die je als mens kunt gebruiken als je denkt dat je bent uitgetreden.

  • Hoe vind je een aanknopingspunt voor belevingen die ….

Dat aanknopingspunt vind je niet in feiten. Het is een automatisme. Als je in de innerlijke wereld een bepaalde progressie hebt doorgemaakt; zal na een herhaling in zeer korte vorm van al het voorgaande eigenlijk het tempo pas vertragen op het punt waarop je verder moet gaan.

Dan krijg je weer te maken met een beleving waarbij niet gezegd kan worden: 0 ja, die trap ben ik al opgegaan. En dan meteen boven staan. Als je dan nog een trap ziet, dan moet je die weer trede voor trede oplopen.

  • Is het belangrijk om bij contempleren niet me je ogen te knipperen?

Als u het zelf belangrijk vindt, wel. Ik zou het u niet raden. Het is slecht voor uw ogen. Over het algemeen maakt het weinig uit. Ook als u probeert star te kijken, zult u nog per minuut 3 a 4 keer knipperen. Dat merkt u niet eens. Het wil alleen zeggen: vertraging van tempo, maar daardoor gevaar voor het uitdrogen van de oogappel.

Contempleren is: innerlijk het beeld opbouwen waarbij de uiterlijke aanleiding bijkomstig is. Als eenmaal in uzelf het beeld is ontstaan, dan kunt u de ogen dicht doen en is er niets aan de hand.

Ik heb geprobeerd om een praktische handleiding te geven. Ik ben mij ervan bewust dat de meesten van u die nu nog niet bewust zullen kunnen gebruiken. Maar het feit, dat u de mogelijkheden kent, kan ertoe leiden dat u op een gegeven ogenblik meer bewust tot deze belevingen overgaat en dan heeft u aan alle gegeven regels heel veel.

Carnaval

Denkt u niet dat het een vreemde titel is, want de meeste mensen realiseren zich niet wat carnaval in feite is. Het stamt ten dele af van feesten die werden gehouden voor de Goden. Veel van het moderne carnaval, met zijn stoeten bv., doet denken aan de vroegere optochten van Dionysus. Maar er zit veel meer aan vast.

De mensen die in de natuur leven (dat waren vroeger het merendeel der mensen) zijn ook gebonden aan de ritmen van de natuur. In die ritmen is de winter nu niet bepaald de meest gewaardeerde. Het is een tijd waarin nogal wat demonen rondspoken. De meeste mensen weten het niet, maar de midwinterzonnewende ligt heel dicht bij uw kerstfeest. Het is een tijd waarin de demonen op aarde het meest vrij heten te zijn.

Nu wilde men deze demonen verdrijven. Dat verdrijven van de demonen deed men door ze uit te beelden en gelijktijdig nog enorm veel lawaai te maken. Dat zijn nog steeds de kenmerken van het Carnaval, ook al roepen ze tegenwoordig: zak eens lekker door! Vroeger werd misschien geroepen: Io Bacchus! of iets dergelijks.

Dat magische denken ten aanzien van de natuurritmen is begrijpelijk, als je je realiseert dat de mens in feite altijd het ritme van de natuur heeft beschouwd als een bovennatuurlijk ingrijpen. Zo’n ingrijpen kan dan eventueel worden gebruikt. Je kunt er iets mee doen, als je rekening houdt met die oude regel ‘zo boven zo beneden, zo beneden zo boven’.

Datgene wat wij zelf tot stand brengen, vindt een weerkaatsing, zo zei men, in de wereld van de goden. De goden zullen door onze daden worden genoopt om die dingen te doen of tot stand te brengen die wij hebben uitgebeeld.

Het Carnaval was dus een feest dat helemaal niet betekende: tabé vlees. Trouwens, vlees kon je dopen. Hoeveel schapen zijn er niet omgedoopt in bv. schelvis door pastoors die zich toch aan de vastenregels wilden houden.

Het gaat er eigenlijk om dat je afscheid neemt van een duistere periode en dat je gelijktijdig het licht begroet. Het betekent dat je de veelheid en de overvloed van het demonische bestaan samenbalt in een paar dagen, daaraan gestalte geeft en daarna deze hele zaak verbreekt door zelf ineens anders te worden. Daarvoor heeft men in de christelijke tijd de Vasten gebruikt. Ook vroeger waren er na het eigenlijke feest een paar bezinningsdagen waarin de mensen zich bezighielden met heel andere zaken of misschien andere goden gingen vereren.

Op deze manier hebben wij te maken met een duiveluitdrijving die in het innerlijk van de mens ook een rol kan spelen.

Er zijn mensen die zeggen: Wij moeten natuurlijk alles onderdrukken. Wij zijn wel mensen, maar dat mag niet blijken. Die mensen worden dan ook in de ogen van anderen tot onmensen. Maar er komt een ogenblik dat alles verandert. Dat voel je aan jezelf. Er komt een ogenblik dat alles moet uitbarsten. Je moet a.h.w. al die onderdrukte gevoelens, schuldgevoelens en weet ik wat nog meer, moet je kwijt. Je moet nu a.h.w. met veel lawaai even manifesteren dat het afgelopen is met de oude tijd. Dat heeft inderdaad een reinigende werking. Er zijn mensen die zeggen dat een geestelijke verstopping iets bewonderenswaardig is, dat je heilig wordt als je dat een leven lang volhoudt. Volgens mij is het beter om geregeld het overvloedige af te voeren.

Door de uitbarstingen, door dit eventjes helemaal ontladen scheppen wij voor onszelf een toestand waardoor het nieuwe weer betekenis voor ons kan krijgen.

Als je beladen bent met demonen, dan wordt het licht iets waar je bang voor bent. Maar als je demonen a.h.w. uitdaagt door ze gestalte te geven en daarna zegt: Nu heb ik jullie gestalte gegeven, afgelopen. Dan kun je verder gaan in een nieuwe periode met een nieuwe benadering. Men heeft dan ook in de oudheid wel gezegd ‑ dat is niet van mij, maar van sommige kerkelijke filosofen ‑ dat het goed is voor het volk, als het tot een ontlading kan komen van zijn agressies, van zijn angsten en begeerten, want slechts de mens die zich geestelijk zo gepurgeerd heeft, kan in ware vroomheid de heilige geboorte doormaken. Dit is kerkelijk geformuleerd.

Als ik dat wil toepassen op de mens zoals hij gewoon op aarde leeft, dan zou ik zeggen: Je staat zo vaak onder druk. Er zijn zoveel dingen waarmee je je voortdurend bezighoudt zonder dat je weet waarom. Er zijn vooral heel veel dingen waarmee je je wel bezig zou willen houden, als je de moed zou kunnen opbrengen en de gedachte zou kunnen koesteren dat ze meer aanvaardbaar zouden zijn. Maar je voelt dat ze onaanvaardbaar zijn en daarom zeg je niet: Ik moet ermee afrekenen. Neen, je zegt: Het mag er niet zijn.

Onze ontkenning van hetgeen in de persoonlijkheid, menselijk zowel als geestelijk bestaat, impliceert nu eenmaal dat we steeds meer door juist die ene zijde worden belaagd.

Een vriend van mij heeft eens gezegd: Je hebt grote bewondering voor Antonius die de woestijn in gaat en daar steeds op een korst brood zit te kauwen. Maar hij wordt wel bezocht door demonen. Dat zijn de demonen die hij in zich heeft meegebracht.

Ik wil niet zeggen, dat het voor veel mensen op die manier gaat. Maar hoeveel mensen zijn er niet die zich tegen beter weten in vastklampen aan bepaalde theorieën, aan bepaalde geloofswaarden die ze eigenlijk innerlijk niet eens meer kunnen bevestigen, die zich vastklampen aan bepaalde maatschappelijke of sociale theorieën, terwijl ze innerlijk wel weten en zelfs verstandelijk kunnen nagaan dat het anders niet functioneert. Zij laten zich door hun demonen beheersen.

Dan zeg ik: Dan moet het een keer eruit. Dan moet je een keer komen tot een constatering: zo ben ik. Laat mij nu maar eens even desnoods de beest uithangen als ik mij beestachtig voel, want dan weet ik wat het is en kan ik zeggen: Nu ja, dat is in ieder geval gebeurd, nu ga ik verder.

Het hele proces van de magie, zoals wij dat in de oudheid leren kennen, is altijd een spel met evenwichten. Het verstoren van evenwicht te ener‑ of te anderzijde kan een werking veroorzaken. Maar als dat moet gelden voor de wereld van alle krachten uit de geest (of het nu duivels zijn of engelen) zou het dan ook niet gelden voor ons? Zouden wij niet precies hetzelfde zijn?

Ook voor ons geldt dat, als wij een evenwicht verstoren op welke manier dan ook, wij worden geconfronteerd met de spanning, met de gebeurtenissen die eruit voortvloeien. Alleen, het beroerde is, die gebeurtenissen en spanningen blijven niet alleen beperkt tot onszelf. Ze maken een groot gedeelte uit van de wereld waarin wij leven. Zij bepalen in wezen hoe wij onze wereld zien. En dat houdt in, dat wij daardoor onze medemensen anders behandelen. Dat wij daardoor de krachten van de geest, van het licht, van God anders beleven dan wij normalerwijs zouden kunnen doen.

Ik zou werkelijk willen aanbevelen dat elke mens tenminste één keer in de 7 jaar afrekent met alle opgeraapte en vergaarde spanningen en tegenstrijdigheden die hij in zich bergt. Dat hij eindelijk eens een keer zou zeggen: Nou goed, ik zet desnoods een masker op, maar laat mij even mijzelf zijn. Als je jezelf bent geweest, dan vind je weer je evenwicht. En wanneer je je evenwicht vindt, kun je aan een nieuwe fase beginnen.

Nu begrijpt u misschien waarom ik Carnaval erbij haal. Carnaval is in feite een feest waarin men de beest uithangt, natuurlijk maar een beetje, maar waarmee je toch een heleboel dingen kunt afreageren. Men realiseert zich niet hoe dat vroeger is geweest.

Weet u dat vroeger juist in de Carnavalsdagen ontzettend veel mensen wraak namen op elkaar. Dat er moord en doodslag was juist achter die maskers. Om de doodeenvoudige reden dat men dan eindelijk de remmen had losgegooid.

Nu wil ik helemaal niet zeggen dat u een masker moet opzetten en uw vijand gaan vermoorden. Dat is ook maar onzin. Het helpt je niets, je vindt hen later toch terug. Op die manier wordt er toch weer een maatschappelijk evenwicht geschapen.

Vergeet niet, vroeger waren er veel kleine gemeenten en gemeenschappen. De mensen daarin waren veel meer gedwongen om elkaar steeds te ontmoeten. Je kon elkaar haast niet ontwijken. Daardoor ontstonden die spanningen en ze werden maar opgevoerd en opgevoerd. Dan kun je zeggen: Dat is natuurlijk niet goed.

De mensen hadden dus het Carnaval nodig om het evenwicht in de gemeenschap terug te vinden. Niet alleen godsdienstig, niet alleen in het leven. Dat wil zeggen dat de gebruiken, voortgekomen uit een poging om in de allegorie van de jaargetijden als mens mee te leven en je aan te passen, de demonen van de winter te verdrijven en de engelen van de zomer aan te roepen, van heel grote betekenis waren. In deze dagen zijn ze voor een groot gedeelte weggevallen. Trouwens, tegenwoordig vraag je je af: Is het een feestneus of heeft die persoon een officiële functie?

Alleen als we tot een confrontatie kunnen komen, kunnen we een spanning opheffen. Als spanningen cumuleren, worden we door onze spanningen beheerst, wij zijn onszelf niet. Wanneer we ontladen, de spanning van ons af kunnen gooien, dan kunnen we opnieuw beginnen. Er ontstaan dan weer spanningen, natuurlijk. Maar in die tussentijd kunnen we weer veel bereiken.

De mens van tegenwoordig wordt veel minder met de natuur geconfronteerd dan vroeger. Ook het chapiter van de dood wordt over het algemeen vermeden, tenzij iemand toevallig een onderneming heeft die de stoffelijke resten op de een of andere manier opruimt en die u dan in advertenties doet weten dat hij de enige is die u wijdingvol naar uw laatste rustplaats kan geleiden. Waarbij ik mij ook afvraag, of wijding bestaat in een gezicht en ondertussen berekent of er nog een fooi afvalt.

Ik ben ook begraven. Ik werd gedragen door een stel huilebalken; D.w.z. doodbidders met de bekende sjaal om de hoed, een zwarte voile die achter afhing. Bij een redelijke klasse begrafenis liepen de huilebalken dan het laatste stukje met de kist te slepen. Hun gezichten stonden inderdaad op droefenis. Maar dan had je moeten horen wat ze elkaar ondertussen toe mompelden. Die mensen vertelden elkaar met een leeddragend gezicht en zachte stemmen moppen waarover ik als geest nog zelfs bloosde omdat ik niet beter wist. Ik wil maar zeggen, het gaat heus niet om die uiterlijkheden.

Men is bang voor de dood. Men is eigenlijk bang voor de terugkeer naar de norm. De spanningen moeten zich een keer ontladen, dan pas ben je ergens. Die mensen begonnen dan hun lente met een totaal nieuwe verwachting, met een totaal nieuwe benadering van hun bestaan, zelfs met veranderingen in hun levensdiscipline om niet te spreken van de kleding die ook nog veranderde na het Carnaval. Ze begonnen dan eigenlijk met een heel nieuwe kijk op de wereld. Ze zagen de wereld anders. Je bekeek je naaste ook anders.

Als wij worden geconfronteerd met een leven vol spanningen, dan komt er een ogenblik dat we het niet meer aankunnen. Wij hebben ook een Carnaval nodig. Wij hebben ook die mogelijkheid nodig om eindelijk eens tot rust te komen en de wereld weer opnieuw te bezien, om onze medemensen opnieuw te bekijken. Dan pas doen we de ervaringen werkelijk op.

Als na de dood een groot gedeelte van onze zgn. levenservaring blijkt te bestaan uit allerlei waandenkbeelden en illusies, die we ten aanzien van anderen hebben opgebouwd, dan hebben we daar niet veel aan.

Maar als wij in staat zijn om elke keer opnieuw te beginnen en zo steeds dichter te komen bij het wezen van ons bestaan, de betekenis die wij voor onszelf hebben in het bestaan en die betekenis die wij aan anderen hechten en aan alles rond ons steeds weer kunnen herzien, dan doen wij wijsheid op, dan verwerven wij een geestelijk kapitaal dat heus niet te verwaarlozen is.

U zult nu zeggen: Carnaval is niet altijd hetzelfde. Ik heb het nu voornamelijk over het Europese Carnaval en dan nog voornamelijk over de carnavalscondities die voorkomen. Nederland heeft er nog een stukje van meegekregen, waarschijnlijk met de zending meegekomen. Een deel ervan kun je in Duitsland vinden, dus met de Romeinen meegekomen en verder vinden we het voornamelijk in de zuidelijke staten. Het kan natuurlijk ontaarden in een poging jezelf te herwinnen.

Als we kijken naar het beroemde Carnaval van Rio, dan wordt u waarschijnlijk vooral getroffen door de Samba‑scholen met hun schitterende uitmonsteringen en hun schijnbare onvermoeidheid. Maar wat u zich niet realiseert is, dat hier mensen zijn die in het normale, leven non-valeurs zijn; zij hebben geen betekenis. Maar het deel‑zijn van die Samba‑school, het samenwerken om er iets van te maken en de kans om eens even te schitteren, alle aandacht op je gericht te voelen, dat is voor hen een ontlading die je anders niet in de niet al te mooie behuizing en in de schamele dorpjes zou kunnen oplossen. Dit is ook een poging om in evenwicht te komen. Zo is dat overal.

Als we kijken bij een aantal religieuze plechtigheden, dan worden wij eveneens geconfronteerd met dingen die vanuit ons standpunt carnavalsachtig zijn. Wat zouden we moeten denken van bv. de verering van het Kruis en daarna het Vliegen van de Adelaars, Dat zijn mensen die helemaal boven in een paal klimmen en dan langs een touw heel langzaam afdalen, terwijl ze steeds verder wegvliegen met het hoofd naar beneden.

Het zijn allemaal pogingen om even los te komen van de benauwdheid, van de conflictsituatie die in je steeds sterker wordt.

De indianen hadden daar ook hun dansen voor. De negers kenden ook bepaalde feesten waarbij overigens heel vaak ook tovenaars, goden en demonen ten tonele werden gebracht. Als je het zo bekijkt, is het hiernamaals toch heel lelijk.

Die mensen hebben het nodig om los te komen uit, in feite de conflictsituatie. Het is de kans om iets op te lossen. En als we toch bezig zijn over de innerlijke weg. Er zijn mensen die denken dat ze een snelweg hebben en als je het goed bekijkt, dan is het vaak een doodlopend slop. Sprekend daarover moet je eenvoudig constateren: In ons ligt niet alleen maar één innerlijke weg. In ons zijn er heel veel wegen. En als we op een gegeven ogenblik te veel de verkeerde kant uitgaan, dan lopen we vast; je komt niet meer verder. Daarom moet er steeds een punt van rust zijn, van herbeginnen. Dan kunnen we zeggen: ik ben hier verkeerd afgeslagen, laat mij een eindje teruggaan en dan verder gaan.

Als u later in de sferen komt, dan zult u met verbazing constateren, dat zelfs iets wat op carnaval lijkt bij ons zo nu en dan voorkomt.

Heeft u weleens gehoord van de zgn. lering‑ en zangstonden die in bepaalde delen van Zomerland plaatsvindt? Iedereen zit zingend rond iets wat zich manifesteert als een lichtende zuil. Denkt u maar aan een draaiende zuurstok met heel veel kleurtjes. Dan worden ze langzaam stil en ontstaat er iets. Het is eigenlijk niet een stem die spreekt maar iets wat in jezelf gebeurt. Dat is dan de lering die je krijgt.

Maar als ze nu niet zouden zingen, als ze nu niet zouden komen tot een uiting van al wat er in hen leeft ‑ hoe gedisciplineerd of ongedisciplineerd ook – zouden ze dan in staat zijn om die uitstraling op te vangen en er iets wijzer van te worden? Ik geloof het niet.

Daarom beschouw ik veel van dergelijke samenkomsten met hun uitbundigheden, met hun allegorieën zoals ze in bepaalde sferen plaatsvinden ook als een vorm van carnaval, als een poging om eindelijk het bestaan zoals het nu is op de een of andere manier samen te vatten, van zijn betekenis te ontdoen, te ontladen, opdat we kunnen openstaan voor iets nieuws.

Mensen zijn vaak bang voor iets nieuws. Ik wil geen sombere beschouwingen plegen, maar ik heb zo echt het gevoel dat de meeste mensen het oude dierbaar is, niet omdat het zo goed is, maar omdat ze bang zijn dat ze minder goed zouden passen in iets wat beter is. Om dan te voorkomen dat het tot stand komt, bouwen ze enorme bureaucratieën op, ze scheppen allerlei machtsstructuren en proberen ongeacht de schijn van vernieuwing ‑ de oude situatie te handhaven.

Dat is ook heel begrijpelijk. En dan steeds meer regels scheppen, want daardoor ontkom je aan de noodzaak tot vernieuwing. Maar als je niet tot een innerlijke vernieuwing komt, wat bereik je dan? Niets.

Iemand, die steeds blijft stilstaan, zal nooit vooruitkomen; hij wordt hoogstens opzij getrapt.

Iemand, die geestelijk niet in staat is tot ontlading van zijn tegenstrijdigheden te komen, eindelijk eens een keer zichzelf te zijn op de een of andere manier, die zal nooit verder komen, omdat hij niet kan openstaan voor iets nieuws zolang hij vol is van het oude. Ik denk, dat daarin het grote probleem ligt dat je op de innerlijke weg altijd weer ontmoet.

De mens, die naar binnen gaat, zal natuurlijk zijn eigen goden, demonen en duivels scheppen. Zegt u niet dat u atheïst bent. U weet wat een atheïst is? Een atheïst is iemand die in stilte gelooft en hoopt dat het niet waar is.

U heeft in uzelf bepaalde beelden opgebouwd ‑ goden en demonen. U bent eigenlijk het slagveld geworden van deze tegenstrijdige elementen die in u een rol spelen. Op het ogenblik, dat u ze ‑ hoe dan ook kunt verenigen of naar buiten kunt werken waardoor ze hun betekenis veranderen, bent u weer in staat om nieuwe gegevens op te nemen.

Bewustwording is niet alleen maar een proces van filosoferen of wat dat betreft mediteren, contempleren en wat er verder bij hoort. Die dingen horen er wel bij, maar ze zijn niet het enige. Want met mediteren en contempleren kom ik ook op een gegeven moment vast te zitten; dan kom ik ook niet verder. En dan moet ik datgene wat in mij als een spanning bestaat ergens buiten mij uiten. Ik moet het buiten mij kunnen plaatsen om het te kunnen zien voor wat het is. Pas dan heb ik weer de ruimte om iets nieuws te ontwikkelen.

Bovendien heb ik een waarschuwing gehad, dus de fout die ik heb gemaakt, maak ik meestal niet meer. Trouwens, daar hoef je niet bang voor te zijn, want de sortering fouten is zo groot, dat je toch wel verder moet. Ik zou het zo willen zeggen: carnaval is een masker opzetten om het masker dat je elke dag draagt af te zetten. Geestelijk gezien betekent het: de dingen die in je bestaan, je dromen, je waarheden, je angsten, je begeerten eens een keer buiten je te plaatsen, opdat je eindelijk in je de ruimte krijgt tot verdergaan.

Dan zou ik de mensen de raad willen geven: wees niet bang om op een gegeven ogenblik eens even anders te zijn. Het maakt helemaal niets uit, als het anders zijn maar niet het voornaamste is. Het mag alleen maar even een fase zijn, eens even duidelijk maken wat je bent. En als je het hebt gedaan, dan kun je terugkeren tot jezelf en sta je ook open voor een nieuwe wereld.

Op het gevaar af dat u vindt dat ik ontzettend veel herhaal, realiseer je als je in een bepaalde fase bezig bent met geestelijk werk en je hebt maar geen succes, dat het weleens niet zou kunnen liggen aan de manier waarop je werkt, maar gewoon aan de manier waarop je tegen jezelf verdeeld bent.

Probeer dan eerst je innerlijke verdeeldheid op te ruimen. Er zijn heel veel mensen die zeggen: In mijn gedachten is het allemaal hoog en mooi, maar de wereld is zo slecht. Zolang u dat denkt, heeft u de wereld nog niet aanvaard. Maar dan is uw droom van hoog en mooi niets anders dan een soort sausje waarmee u uw eigen en andermans fouten probeer te bedekken. Geloof mij, u maakt een slechte pudding niet goed door er een sausje overheen te gooien. Probeer dat te voorkomen.

Ga terug naar de wereld. Besef wat uw conflicten zijn. Vecht ze desnoods uit, als u niet anders kunt, en begin dan opnieuw. De grote kunst van het leven is, elke keer weer opnieuw beginnen. En elke keer weer de fouten, die je eerst hebt gemaakt, vermijden. Zo ontstaat begrip voor de waarden van het leven. Zo ontstaat innerlijke eenheid. Zo ontstaat een harmonische mogelijkheid om heel andere werelden en sferen steeds meer bewust te beleven.

Zo ontstaat een weg, die leidt naar een bewust geestelijk bestaan, een bewuste erkenning van je eigen wezen en een steeds bewustere aanvaarding van de krachten die met dit leven samengaan.

Je bent wie je bent

Je kunt van jezelf dromen dat je een held bent, maar als je een lafaard bent, blijf je laf.

Je kunt dromen dat je bovenaardse schoonheid bezit, maar als je puisten en wratten hebt, dan kun je ze op die manier niet wegpoetsen. Je kunt zeggen: Ik heb in mij het goddelijke licht, maar als je in jezelf alleen maar een kolkende duisternis voelt, dan ben je duister. Daar kun je niets aan veranderen, want je bent wie je bent.

Maar je bent meer dan je beseft te zijn. En hier ligt juist de sleutel tot een verdere bewustwording. Je bent altijd meer dan je beseft te zijn. Daardoor moet je aanvaardende wat je bent volgens je eigen besef en weten en uitende wat je bent, leren wat er meer aan mogelijkheden in je schuilt.

Alleen de mens, de geest, die steeds weer leert zijn horizon wijder te maken zonder zichzelf te verliezen, kan zeggen: Ik ben wie ik ben, maar ik ben deel van het geheel. Dan komt er misschien een ogenblik, dat je met het geheel durft zeggen:

Ik ben wie ik ben. Ik ben het bestaande. Ik ben de totaliteit en in mij zijn alle dingen samengevoegd. In mij bestaat geen oordeel, want dat wat ik goed noem en dat wat ik kwaad noem, blijkt alles deel te zijn van een en hetzelfde en onscheidbaar met elkaar verbonden.

Licht en duister vloeien samen en ze worden de werkelijke naam die ik draag.

Mens, je bent wie je bent. Je kunt proberen om jezelf te veranderen, maar je kunt jezelf niet beroven van hetgeen je bent. Daarom zul je altijd moeten terugvallen op je eigen wezen, je eigen wegen, je eigen mogelijkheden.

Aanvaarden dat het zo is, en beseffen dat je meer kunt zijn dan je nu beseft, zoeken naar dat kleine beetje meer waardoor je anders begrijpt, anders beleeft, is de werkelijke betekenis van leven.

Leven is niet: het verlaten van hetgeen je geweest bent, maar het meer bewust en het meeromvattend bewust wordend tot datgene wat je beseft te zijn, aanvaardend wat je bent, aanvaardend deel te zijn van meer.

Wie op deze wijze zoekt naar de waarheid omtrent zichzelf, die zal waarlijk en oprecht kunnen zeggen: Ik ben wie ik ben, maar ik word tot datgene wat ik kan zijn.

Ik wil u geen prettig Carnaval meer toewensen en ook geen gezegende Aswoensdag, want het heeft weinig zin in zak en as te zitten. Ik zou alleen willen zeggen:

Doet u nu maar rustig en kalm aan, vooral in deze tijd. Het zit hier en daar nog een beetje tegen. Voor de rest, wanneer u droomt van licht in uzelf, probeer het eens een beetje buiten u te brengen. Het is dan misschien niet meer zo heilig en mooi als u dacht, maar het is ongetwijfeld veel beter bruikbaar.