12 maart 1982
Zoals u weet, zijn wij niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf over alles eens na. Ons onderwerp van heden: Het wilgendecor.
Velen van u weten waarschijnlijk niet wat dit betekent, behalve mogelijk de enkelen die dol zijn op chinoiserie. Het is een bekend decor, een figuur, dat je op vele zgn. Chinese bordjes nog steeds kunt zien: Een bruggetje over een watertje, waarover enkele figuren gaan en langs dat watertje een treurwilg. Alles in een soort chinees blauw. Een versiering die u mogelijk een wat vreemd begin lijkt voor iemand die over geestelijke zaken moet spreken.
Maar in dit prentje zitten elementen die je niet zo gemakkelijk kunt vergeten wanneer je aan geestelijke waarden denkt. Wanneer je nl. zelf over werkelijk geestelijke dingen wilt gaan denken, zo moet je allereerst wegstappen over de kloof van materiële belangrijkheid die ons bindt aan te stoffelijke begrippen en voorstellingen. De brug hebben wij dus nodig. Sta je op die brug, dan kun je je spiegelen in het water. Begin je je los te maken van de te materiële gedachten, dan staar je in de eeuwigheid. Maar zowel in het water als in je beeld van de eeuwigheid is het enige spiegelbeeld dat je ziet dat van jezelf. En de treurwilg waaraan het decor zijn naam ontleent? Wel, wilgen hebben altijd iets “pruikenbollerigs”. Zij staan daar maar en het lijkt bijna of zij alleen maar treurig zijn, maar gelijktijdig zijn zij vol van sap drift en leven, zijn zij zo taai als ik weet niet wat. En zo zijn wij ook wel enigszins. Ik weet niet of het u wel eens is opgevallen, maar soms lijkt het erop dat de mensen die het meeste klagen het oudste worden. Zij zijn voor mij de treurwilgen van deze tijd.
Ik dacht dat dit een goed begin was wanneer je wilt gaan kijken naar het innerlijk van de mens en de waarden die daarin zitten. U allen zult u wel steeds weer “bezig” houden met denkbeelden omtrent de geest en allerhande meer geestelijke gedachten. Maar al die dingen bij elkaar, wat zijn zij anders dan een brug, waarover je gaat?
Zeker, men maakt vaak de fout te stellen: dit is mijn geloof of mijn systeem en dat is het waarop het aankomt. Maar dat is niet bepaald waar. Wat geeft het nu of je over een balkje loopt of over een luxe brug, zolang je de overkant maar haalt? U denkt nu natuurlijk: vanuit ons standpunt komt iedereen wel aan de overkant. Dat is trouwens ook waar en iemand bevestigt dit nu luidkeels en kennelijk van harte.
Maar uiteindelijk is het toch wel zo dat ik doelde op het andere bewustzijn. Het kosmische denken zegt men dan wel eens. Welke plechtige term dan in feite alleen betekent: je één voelen met alles, niet bang zijn voor wat er ook maar kan bestaan en een jezelf zozeer losmaken van de voorstelling van jezelf dat er uiteindelijk voor jou niets meer is wat je kan gebeuren. Dit alles tezamen is de andere kant, maar vormt ook al deel van de brug waarover wij heen moeten gaan.
In het oorspronkelijke wilgendecor is de persoon op de brug bijna aarzelend neergezet, alsof men iemand wilde uitbeelden die voetje voor voetje de brug over strompelt. Ook dit lijkt mij een treffend beeld van ons streven. Want wanneer wij bezig zijn met geestelijke dingen kijken wij steeds weer even vaak terug naar de materie als wij vooruit proberen te zien naar de geestelijke werkelijkheid,
Noodzakelijk? Dat is wel waar, want hoe kan een mens die in de materie leeft deze geheel terzijde stellen? Je kunt kennelijk niet gaan naar het andere land en gelijktijdig deel uitmaken van het stoffelijke bestaan. Dat gaat niet. Maar je kunt mogelijk een andere weg vinden. Oorspronkelijk was het wilgendecor nl. niet één enkele voorstelling, maar maakte het deel uit van een gehele reeks. En daaronder treffen wij enkele zgn. drakentekeningen. Nu moet u daarbij niet denken aan de bekende Chinese draak, want die staat er niet bij of hoogstens op een enkel decor als een schematisch stipje ergens in de lucht. Draken zijn heldenfiguren, een soort halfgoden die volgens een oud geloof eens China in feite regeerden en waarvan men aannam dat zij in mensengedaante onder de mensen plachten te verkeren. In het oorspronkelijke wilgendecorwerk, naar ik meen stammende uit de eerste periode van de Han dynastie, komt een voorstelling voor waarin een figuur – een soort bovennatuurlijk wezen, zoals ook uit het masker blijkt – met een stap over het wilgenbeekje stapt, terwijl een kleine gebogen figuur op die vreemde, aarzelende wijze over de brug schuifelt.
Misschien is dat wel hetgeen wat ook wij moeten leren. De afstand die tussen een geestelijke en een stoffelijke wereld ligt lijkt misschien voor ons erg groot. Maar wanneer wij groeien, blijft die afstand steeds nog dezelfde, tot wij indien wij dit wensen met één voet in de wereld kunnen staan en de andere voet in de wereld van de geest kunnen plaatsen. Dan is het maar één beweging en wij verdiepen ons geheel in het een of in het andere naar verkiezing.
Al is dit vanuit menig aards standpunt een beetje dubieus, want men meent: een mens moet zich nu eenmaal wijden aan… dan volgt het gehele recept. Maar waarom? Moeten wij ons wijden aan iets, of moeten wij iets zijn? Dat is de grote vraag. In het wilgendecor heeft alles zijn eigen vaste plaats. Het wordt dan ook altijd weer precies zo herhaald. Er zijn soms kleine varianten mogelijk, maar het is nu eenmaal een vastgestelde voorstelling. Er bestaat daarover zelfs een aardig verhaal dat ik u hier zal vertellen, waardoor men de eeuwige herhaling kennelijk wilde verklaren.
Er was een jonge leerling die dit decor de eerste maal ontworpen en geschilderd zou hebben en wel in een tijd dat elk decor op porselein nog met het penseel afzonderlijk moest worden opgebracht. Natuurlijk voor het geglazuurd en ten tweede male gebakken werd. Deze jongen dus maakte het oorspronkelijke wilgendecor, maar diens baas vond er maar niets aan. De jongen bleef aanhouden dat tradities vernieuwd konden worden, dat zijn werkstuk toch zo goed en zo mooi was en zette het van verf nog natte bord op een bak om het beter uit te laten komen. De baas wilde niet zich laten ophouden en gaf zijn leerling ruw een duw. De jongen die gezien het seizoen een blauw linnen zomerbroek aan had, kwam met zijn achterwerk terecht op het bord dat hij zojuist geschilderd had. Waarop hij opstond en iets mompelde tegen zijn baas dat, zeker gezien de Chinese tradities erg oneerbiedig was. De jongen viel bijna en kwam uiteindelijk met zijn zitvlak terecht op een blanco bord dat klaar stond om daarop een decor aan te brengen. Zo stempelde hij de voorstelling op het tweede bord. Het verhaal gaat nog verder en eindigt met de uitleg dat zo het Chinese seriewerk is ontstaan en dat daarom het wilgendecor zo lang in gebruik is gebleven. Het was het eerst machinaal gestempelde decor ter wereld. Er zijn zoals u bemerkt nogal wat verhalen te vertellen over deze voorstelling. Maar vergis u niet: ik ben zeker niet van plan u aan te bevelen, uw geestelijk elan op uw zitvlak te smeren en het door zitting te nemen, te vermenigvuldigen, het zo af te stempelen op alle werelden waarin u terecht komt. Integendeel, ik wil proberen u duidelijk te maken dat in de eerste series van het wilgendecor ook, zij het zeldzaam, een voorstelling voorkomt waarin naast de normale bestanddelen, een figuur komt die als het ware over het water stapt en dus kennelijk de brug niet van node heeft. Ik verwacht dat u denkt: maar wij zijn arme kleine mensen, wij kunnen zoiets niet. Ik vraag mij af: waarom? Wanneer je bezig bent met het systeem, dan ben je natuurlijk zozeer gericht op de brug dat het voor mij zelfs de vraag is of je een van de beide oevers ooit geheel en bewust zult kunnen betreden.
Maar wanneer je je losmaakt van die brug en alleen je bezighoudt met je eigen wereld en werkelijkheid, dan kan het anders gaan. Dan begrijp je dat het decor uiteindelijk maar een voorstelling is en meer niet. Je ziet het steeds kleiner worden. Jij blijft gelijk, maar de afmetingen van vele andere zaken smelten als het ware weg.
Degenen onder u die wel eens een uittredinkje hebben meemaakt, weten dit misschien wel. Wanneer je uitgetreden bent en naar de mensen kijkt, dan is het net of je zelf enorm groot geworden bent en beneden je op een soort felverlicht toneeltje miniaturen bezig ziet een stukje menselijkheid te tonen waar jij zo-even nog deel van was.
Op een soortgelijke manier kan je geestelijk groeien wanneer je vrij bent van belemmeringen. Maar in alle geestelijke richtingen en zelfs in vele andere systemen verwaarloost men naar ik meen dit vrije zijn. Alles wat op aarde bestaat en alles wat u weet omtrent de geestelijke werelden is gebaseerd op tradities. Het is wel degelijk ook een soort decortje, een soort schilderijtje, mogelijk zeer minutieus en met vele details uitgevoerd, maar toch uiteindelijk iets wat niet in de plaats kan treden van de werkelijkheid. De werkelijkheid die wij zijn ook.
Wanneer ik leef, wanneer ik besta, zal ik zo groot zijn als datgene wat ik als maatstaf aanvaard. Stel ik dus dat ik alles zeer pietepeuterig moet doen, nu dan ben ik een soort dwerg. En wanneer ik alleen maar stel: laat ons vooral normaal doen, dan ben ik in ieder geval al veel groter dan zeer vele mensen. Zeg ik echter: ik kan alleen maar leven met de krachten die ik in mijzelf ken en de bevestiging daarvan zoals ik die rond mij voortdurend kan ervaren, dan ben ik zo groot, dat er voor mij geen belemmering meer bestaat en het mogelijk wordt mijn geestelijke wereld en de stoffelijke wereld als het ware tot een eenheid samen te voegen.
De situatie waarin u verkeert, is normaal deze: u hebt vage voorstellingen omtrent geestelijke waarheden. En zeg nu niet dat u die precies weet, want zo goed weet u het ook niet. Wees eerlijk, soms denkt u even dat u het weet, maar kort daarop vraagt u zich alweer af of het wel zo is. En wanneer het gaat om hetgeen God allemaal van u zou willen, zo komt het uiteindelijk neer op een: er zijn er zoveel die dat beweren, dus zal het waarschijnlijk wel zo zijn. Met andere woorden: geen persoonlijke ervaringen. Alles een kwestie van horen zeggen, conditionering, opvoeding. Zoals u op een dergelijke wijze komt tot uw beeld van hetgeen wel of niet maatschappelijk aanvaardbaar is Aan de andere kant beseft u zeer wel dat hetgeen nu als normaal wordt beschouwd of tenminste getolereerd wordt, vroeger ondenkbaar was, terwijl veel van hetgeen u nu ijverig verwerpt in de oude tijden zonder meer als norm gold.
Juist wanneer je je dit alles begint te realiseren, zeg je steeds meer tot jezelf, dat het toch in de eerste plaats je taak is om te zijn, jezelf te zijn. Zolang ik ben wat ik ben, leef wat in mijzelf leeft, is het voor mij niet zo moeilijk meer om hetgeen ik innerlijk en geestelijk ben, samen te trekken met alles wat ik stoffelijk tijdelijk ben. Dan is het leven geen wisselgang meer waarbij je des zondags onder de preekstoel dient te zitten om op de maandag je in ‘s duivels dienst weer aan de verering van de mammon te wijden. Dan is het alleen nog maar een kwestie van: ik leef, ik ben en dat wat ik ben, druk ik in elke wereld ook uit. Wat ik in de ene wereld ben en in de andere wereld is gelijk. Voor mij zijn or geen grenzen meer.
Te leven zonder die grenzen. Stel je eens voor hoe ideaal dat zou kunnen zijn. O, u hebt nu eenmaal met een bepaald wereldbeeld te maken. Kijk naar het bord met het wilgendecor. Wanneer het bord gebruikt wordt en er bv. rijst in komt, zie je het decor niet meer. Wanneer je het decor zozeer eert, dat je weigert je bord te vullen, verhonger je. Maar wanneer je niet bang bent om het bord – het leven – te gebruiken voor het doel, waartoe het je gegeven wordt, dan word je niet alleen zat, maar ook wijzer. Iemand denkt dat je van andere dingen ook zat kunt worden. U hebt gelijk. Maar die zijn zodanig belast dat je door daarvan zat te worden je in feite vooral iets doet om de staatstekorten te verminderen. Wanneer je omzetbelastingen, accijnzen e.d. meerekent, komt op alcohol tenminste een heffing van rond 110% van de werkelijke kostprijs.
O, u vindt het interessant dit te weten? En waarom ik daarmee nu kom aandragen? Dat is eenvoudig. Het toont aan, aan welke illusies u onderhevig bent. U denkt dat u uw schoon inkomen geheel zelf kunt besteden nietwaar? Weet u, hoeveel u gemiddeld werkelijk aan koop kunt besteden in goederenwaarde? Rond 30%. De andere 70% wordt altijd nog opgeslorpt door verkapte belastingen, heffingen, accijnzen, omzetbelastingen en die vele andere wijzen waarop de staat iets van uw zgn. vrij besteedbaar inkomen afknibbelt.
U denkt mogelijk: wanneer ik een luxeartikel koop, zit daar 18% belastingen op. U vergist u. Eerst werd voor de grondstof 4% geheven. Dit wordt op de prijs gelegd. Daarna komt er voor het halffabricaat nog eens 4 tot 12% bij. Dat komt weer bij de inkoopsprijs. Daarop komt de winst van de ondernemer en over dit bedrag betaalt u dan nog eens 18%. Telt u dit eens even bij elkaar op? Juist. U betaalt over de winsten die in elke fase genomen worden, over alle kosten van vervoer en opslag belasting. En samen is dit gezien de grondstof en bewerkingskosten meer dan die 70% waarover ik sprak.
O, nu zit u opeens even te zuchten. Maar doet u iets dergelijks dan niet met een deel van uw leven? Hoeveel van uw leven wordt wezenlijk bepaald door datgene wat u werkelijk en zelf bent? Zou dat 30% zijn? Of nog minder? Want uw leven wordt immers grotendeels bepaald door de “maatschappelijke noodzaken”, door alles wat zo hoort, door je geloof, door de scholen die je volgde, door de menselijkheid en de medemenselijkheid die je wordt opgelegd. Maar al die dingen zijn maar zelden werkelijk iets van ons, een deel van onze werkelijke persoonlijkheid. Trouwens, zolang medemenselijkheid bestaat uit het protesteren tegen zeehondjes die worden doodgeknuppeld en niet gesproken wordt over de konijnen die vele buurlieden tegen de feestdagen in de achtertuin vermoorden… dan is het alles in feite komedie, decor, formaliteit. De werkelijkheid is iets anders dan deze leuzen. U wordt zozeer geleefd dat u het niet eens meer beseft. Maar in uzelf bent u vrij, u bent hetgeen waarom alles draait, waar de werkelijkheid begint, zeker voor uzelf.
Wanneer je niet bestaat is er voor jou immers niets. Het volgende heb ik reeds eerder geciteerd toen ik met u een dergelijk onderwerp besprak. De dichter roept uit: Mijn God, wanneer ik niet meer ben, hoe zult Gij nog bestaan? Voor mij zijt Gij niet meer wanneer ik niet meer ben. Is dat niet waar? Het klinkt mogelijk vreemd, maar het leven is het belangrijkste wat je hebt: het bestaan, het denken, het voelen, de samenvloeiing van alle erkenningen in je wezen. Dat is voor jou de enige werkelijkheid. Al het andere is komedie. Al dat andere is niets veel meer dan een decor, al zit er natuurlijk wel een verhaal aan vast. Maar dat verhaal komt er in feite niet zo op aan. Wanneer je een bord hebt, moet het dienen om er spijzen of iets anders op te doen en niet alleen maar als een ijzeren wet waardoor je alles imiteert wat erop staat.
Wanneer je leeft, voel je soms in jezelf bepaalde dingen ontwaken. Je bent je daarvan bewust zelfs al weet je niet eens precies wat. De ene maal is het een behoefte om iets uit te drukken. De schilder werpt het driftig neer op zijn doek, de beeldhouwer voelt opeens dat zijn handen een eigen leven krijgen en hij smeert de klei heel anders dan hij van plan was bij het maken van zijn model. De keukenmeid loopt opeens te brullen dat haar Karel agent is en de zakenman is eventjes royaal en vergeet zelfs dat er voor alles orde dient te zijn.
Iedereen kent die momenten. Eventjes breek je los uit de vorm, uit alle formaliteit. Even moet je proeven van iets wat er in je is. En wanneer je eerlijk bent, geef je toe dat dit de enige ogenblikken zijn waarop je werkelijk en geheel leeft, dat dit het enig belangrijke betekent in je bestaan.
O, u kunt uitroepen dat, lieve mensen, al die dingen toch van voorbijgaande aard zijn. Wat de stoffelijke vormen betreft, hebt u daarmee volledig gelijk. Maar wat er in u leeft, is een deel van uzelf. En wanneer je een piano hebt, kun je toch ook niet zeggen dat er alleen maar Schubert of Schumann, die andere piano alleen maar Beethoven kan spelen en die andere met die ene verstemde toon alleen maar geschikt is voor Ketèlbey. Maar wat die piano betreft zegt u: het is een instrument. Wat er uitkomt kan dus elk ogenblik verschillend zijn.
Goed, dus een instrument vertoont al zijn mogelijkheden steeds weer. Maar wat zijn wij dan anders dan instrumenten van het onbekende, het eeuwige? Wat in ons leeft, het bestaan dat werkelijk in ons pulseert, is deel van de bespeler en voortdurend actief. Het ene ogenblik zullen wij misschien zingen, het volgende ogenblik blijft er alleen een cadans, dan weerklinkt een bijna kakofonische verwarring, die toch uiteindelijk weer uitmondt in een wals of iets dergelijks. Wij zijn elk ogenblik anders, of wij dit nu willen toegeven of niet. Wanneer dit dan al zo is, laat ons dan tenminste toegeven dat de reden daarvoor in ons bestaat. Laat ons die erkenningen niet steeds weer laten overvleugelen door alles wat behoort te zijn, door de noodzaak allereerst onze materiële belangen in de gaten te houden, te zorgen voor morgen, of misschien om onze hoog geestelijke gestemdheid vast te houden en dergelijke dingen. Laat alstublieft de boot in het midden, want wat er werkelijk in ons leeft, vindt zijn uitdrukking zowel in de materie als in de geest.
Deze tweeledigheid erkennen, is voor ons de enige mogelijkheid om uiteindelijk te leren hoe wijzelf de wilgenkreek kunnen overschrijden zonder nog gebonden te zijn aan de lijnen van het decortje. Het is voor ons de enige mogelijkheid om van het schilderwerk over te stappen naar de werkelijkheid, die daarin begraven ligt. Dit is voor ons de enige mogelijkheid om niet alleen in de schepping te bestaan, maar iets van de intentie en mogelijkheid in die schepping ook te beleven en te voelen.
O jee, wat ga ik weer te keer. Maar ik meen het daarom niet minder. Alleen zou ik het misschien anders moeten formuleren, wat zakelijker. Wat je werkelijk bent, is het enige wat altijd kan bestaan. Wanneer je rekent op uiterlijkheden dan gaat het je precies als het het kabinet gaat met zijn begroting: je blijft bezuinigen en je komt nergens terecht. Je denkt steeds maar: wanneer ik nu eens iets minder dit doe en wat beheerster ben daarbij dan kom ik er wel. Maar je komt er niet. Juist het gehele systeem, het formalisme, is verkeerd. Ik zou het misschien zo moeten zeggen: Dat wat diep in u leeft, is uw enige werkelijke band met de eeuwigheid, met een werkelijkheid die ook buiten de tijd bestaat. Wanneer u dat voortdurend uitleeft of tenminste het bestaan daarvan bij voortduring beseft, zult u zich nog niet geheel vrij kunnen maken van uw conditioneringen en de voorstellingen die de wereld waarin u leeft schijnen te beheersen. Maar u zult tenminste zo nu en dan over de grens die ligt tussen die blijvende werkelijkheid en uw veranderlijke schijnwereldje heen kunnen stappen. U zult voor een ogenblik innerlijk kunnen voelen wat het betekent om werkelijk vrij te zijn. En vanuit die vrijheid kunt u dan de kracht putten om uw gebondenheid anders gestalte te geven – en beter.
Wij zijn ergens allen kinderen van het lot, zo heeft men wel eens gesteld. Onbekende krachten schudden de beker en wij, de dobbelstenen vallen eruit en weten zelf niet wat wij zullen tellen, welke kant bovenkomt. Inderdaad, zolang wij ons van het innerlijke proces niet bewust zijn, zijn wij kinderen van het lot, worden wij geregeerd en door ziekten en kwalen bezocht zonder dat wij dit, naar wij menen, ergens aan verdiend hebben.
Overigens, wanneer elke mens precies kreeg wat hij verdiende in die vorm zou naar ik vrees op aarde geen menselijk leven meer mogelijk zijn. Ik spreek hier voor mijzelf en hopelijk mede voor u. Iemand die gelooft in een goddelijke rechtvaardigheid zal alleen op grond van de feiten al concluderen: het gaat er kennelijk niet zozeer om wat ik verdien, maar om wat ik ben. En wanneer ik met dit zijn leer hoe ik vorm en gestalte kan geven aan mijn eigen beperkingen, zo vind ik de magische spreuk, het magische zegel waaruit alle dingen een nieuwe inhoud en betekenis krijgen.
Toen voor de eerste maal „het wilgendecor” werd gemaakt – ik heb u daarover het een en ander verteld – was de schilder zeker niet alleen van plan om iets weer te geven van een landschap of een bepaalde gewoonte. Hij wilde ook nog uitbeelden hoe de mens, “gaande door de wereld van wolken en verwarringen langs de treurwilgen, toch naar de tuin van de eeuwigheid zal gaan en, uiteindelijk over de brug komende, binnengaat in het rijk van de hemelse keizer.”
Iets wat wij zouden omschrijven als een overgaan naar een soort zomerland of zoiets. Maar hij wist uiteindelijk niet, hoe hij zijn werkelijk denken moest weergeven. Ik koos voor dit decor als uitgangspunt, omdat ik het gevoel heb dat vele mensen voor eenzelfde moeilijkheid plegen te staan. Het geval is vaak droefgeestig, je weet er soms geen raad meen mee en denkt steeds weer: “Heer, wat zal er nu weer komen?”
Men zegt tot zichzelf dat wij kinderen zijn van het noodlot, dat er over ons wordt beslist en vraagt zich bovendien vaak af hoe men die innerlijk gevoelde waarheid ooit zal kunnen uitdrukken, want die past niet in de wereld. Ik probeer u nu te zeggen lieve mensen dat deze dingen schijn zijn. Het is een illusie die je hard kan aanpakken, die wereld van de stof zolang je erin gelooft. Maar het is ook een wereld van illusies die je niet meer werkelijk kan deren zo je er maar niet meer in gelooft. Je moet niet geloven in illusies, je moet geloven in het zijn, in wat je zelf bent. Je moet leren geloven in de werkelijkheid waaruit alle verschijnsel in de tijd zo nu en dan weer voortkomen.
U leeft hier? Goed. U wordt steenrijk? Mooi, maar u gaat over en wel net zo arm als u geboren bent. Al uw rijkdom en macht blijven achter op de aarde. En wanneer u zich daarmee nog verbonden voelt, is het voor u alleen maar erger. Anderen doen er mee en geven het alles uit zoals je dit zelf nu toch werkelijk niet bedoeld had.
U kunt mogelijk zeggen: ik ben arm, ik heb niets meer over op deze wereld. Maar wat je altijd over hebt, is je ervaring, je beleving. En die ook innerlijk bestaande werkelijkheid maakt je dan rijk. Rijk omdat nu eenmaal het enige wat je meeneemt, je ervaring is. En hoe meer je jezelf bent geweest, hoe meer je geprobeerd hebt jezelf uit te drukken, hoe juister je misschien soms gestalte wist te geven aan het diep innerlijke gevoel van werkelijkheid waarmee men als mens zo vaak nog geen raad weet, hoe rijker je de andere wereld binnengaat, hoe nader je ook komt tot die werkelijkheid waarin geen tegenstellingen meer bestaan maar slechts eenheid.
O, het pad na de dood is vaak omgeven door wolken en nevelen, schijnt vol te zijn van allerhande hinderpalen, die normale weg gaan in zeer korte tijd is iets wat de meesten niet redden. Maar je kunt innerlijk groeien tot je over al die hindernissen heen kunt stappen. Al is het zeker dat degene die zo wil groeien niet bepaald bang mag zijn. De mensen zeggen het al lang: hoge bomen vangen veel wind. Ofschoon je tegenwoordig ook wel hoort: veroorzaken veel wind. Een ander gezegde is misschien beter passend: wie te veel met zijn hoofd in de sterren loopt, weet niet meer waaraan hij zijn schenen stoot. Overigens is dit wel waar, maar moet je dan met je neus in de hemel lopen? Of moet je je alleen maar bewust zijn van de betrekkelijkheid van al het kleine dat zich rond ons afspeelt en soms ook in ons dan de enige onveranderlijke waarheid, datgene wat wij zijn, gebruiken om de innerlijke norm terug te vinden waardoor wij eeuwig kunnen leven en dit beseffen?
En met dit eeuwig leven bedoel ik zeker geen onbeperkt bestaan in de stof, want dat gun ik werkelijk geen mens. Zelfs niet in een enkele sfeer in de geest. Ik zal u zo dadelijk nog vertellen waarom. Maar eerst wil ik dit deel van mijn betoog afmaken.
Wanneer je zo ver bent gekomen dat geen enkel decor, of het zich nu kerk heet, islam of anders, of het een systeem of school wordt genoemd, je meer kan verblinden, kun je het beschouwen, er je vreugde aan hebben en er mogelijk veel uit leren. Maar besef steeds dat het veel belangrijker is je te voeden met de eeuwige kracht die in je leeft. Dan, mijne vrienden, is opeens de binding verbroken, dan is er een vrijheid ontstaan waarbij de beperkingen die je als mens nog zult ondergaan en die je als geest soms nog jezelf schept, onbelangrijk geworden. O, zij vallen niet geheel weg, maar wat eens de bergen waren waar je niet overheen kon komen, worden het nu de hondenhopen waar je met enige voorzichtigheid zonder moeite overheen stapt.
Zo verandert dan het bestaan. En die verandering is er een waarddoor je innerlijk één wordt met een werkelijke God en niet alleen maar met een voorstelling omtrent een mogelijke god. Het is een beleven waarbij je de raadselen van het leven zo sterk in jezelf ondergaat, dat je leert iets daarvan te begrijpen en je waarheid uit te drukken waar en wanneer dit je noodzakelijk is. Je komt zover dat je de eeuwigheid dan weer kunt geven, zelfs in de tijd waarin een vliegende wijzer van de ene naar de andere secondestreep wipt. Want zo begrijpen en middels je wezen uitdrukken is wel degelijk mogelijk.
Het wilgendecor maakt duidelijk: wij zijn vaak gevangen in voorstellingen, maar wanneer wij de voorstellingen leren zien als hetgeen zij werkelijk zijn, als een versiering van de werkelijkheid, dan zullen wij ons leren voeden met die werkelijkheid. En wie zich eenmaal voedt met die werkelijkheid vindt de onbeperkte beleving in zichzelf en vanuit zichzelf. Iets waardoor hij uiteindelijk al het zijnde in de tijd kan leren overzien en begrijpen, om daarnaast zich tenminste geheel van zichzelf bewust te zijn, zelfs op die punten van bestaan waar de tijd niet meer is.
Kijk, dat wilde ik u in feite zeggen. Maar nu zal ik nog even uitleggen waarom ik u het eeuwige leven op aarde niet toewens. In mense1ijke vorm dus, want wat de rest betreft, bezit u dit eeuwige leven reeds en blijft mij dus niets te wensen over.
Wanneer u werkelijk eeuwig zou leven op aarde, denkt u dan niet dat het leven op de duur ontzettend vervelend zou worden? Zelfs wanneer je steeds weer een ander beroep zou kunnen kiezen en tenminste eens in de 50 jaren van partner zou kunnen wisselen – want u weet hoe de mensen op dit gebied zijn. Ik vrees dat het leven een soort pi, een zich oneindig repeterende breuk, zou worden. Iets waarbij je steeds meer het gevoel hebt dat het leven zwaarder wordt, dat er steeds minder verrassingen zijn tot er geheel geen reden meer is om voort te leven buiten dat ene, het bestaan zelf. Mij lijkt dit de vervelendste situatie waarin een mens kan komen te verkeren. Daarom was ik zo vrij u dit niet toe te wensen, Maar ja, wanneer u het toch zou willen proberen en u weet de weg te vinden, mij is het best, ga je gang, ga je gang. Natuurlijk. U denkt nu natuurlijk nog wel, dat u dan goed zou zitten. Vanaf je 65e AOW en dan je 1000 jaar bent een vast inkomen ook nog. Vergis u niet, zo lang duurt dat inkomen niet meer. Maar u wel.
Vrienden, wanneer je een geestelijk betoog moet opzetten, zoek je altijd naar het een of andere haakje waaraan je je gedachten kunt ophangen. Ook ik heb dit vandaag weer gedaan. Maar die gedachten zijn in feite niet veel meer dan het zijdepapier waarin het juweel van de werkelijkheid ligt. Dat juweel kan ik u niet geven, dat hebt u zelf.
Ik kan nu niets vertellen wat u niet ergens reeds innerlijk weet. Wanneer ik al zoiets zou zeggen – iets wat u niet in uzelf draagt – dan zou u het niet horen of tenminste niet begrijpen. In uzelf ligt de eeuwigheid, ligt de kracht. In u ligt die schakering van mogelijkheden en uitdrukkingen waardoor het gebeuren op uw wereld wat onbelangrijker wordt.
Alles wat ik als verpakkingsmateriaal daarvoor aan te dragen heb, komt neer op een: mensen, denk nu niet zoveel aan de tijd en aan alles wat er nu aan de hand is. Het is geen drama dat de vuilnisman staakt. Het is geen drama dat Groeneveldt blauw van ellende wordt. Het is helemaal geen drama dat van Agt na zijn reis met een bod van ten hoogste zes genoegen zal moeten nemen. Dit alles zijn dingen die voorbijgaan. Het is spel, decor. De werkelijkheid leeft in uzelf. Wat u diep in uzelf bent en betekent, is het enige, waar het op aankomt, want dit is het enige waardoor je stoffelijke en geestelijke waarden kunt leren samentrekken tot één geheel. En daardoor kun je de vrijheid vinden om bewust jezelf te blijven. Dit is het wat ik u nu zo graag gegund had. Dus nogmaals: kleef niet aan systemen.
En indien een ander zegt dat God iets wil, zo kan dat voor hem waar zijn of niet waar zijn, maar wat u innerlijk voelt dat uw God van u wil, is waar voor u. Iedereen kan u wel vertellen dat de verlossing bestaat en hoe deze tot stand is gekomen, zoals men u kan vertellen dat het zo en zo lang geleden is dat de eerste mensen besloten het volledige nudisme uiteindelijk voor een vijgenblad te wisselen. Maar u weet dit niet zeker? Wel, degene die dit verkondigt diep in zichzelf ook niet.
Maar dat de mens bestaat, dat u mens bent en zo deel uitmaakt van één geheel waarin alle menszijn samenvloeit, weet u innerlijk wel zeker. Laat dan dit besef steeds luider in uzelf spreken. Laat dit dan de zekerheden baren waardoor u gespaard blijft voor de slaafse hang naar uiterlijkheden, het vertoon onnodig maakt dat menigeen van node heeft om zijn innerlijke onzekerheid en leegte te verbergen.
En dat was dan mijn bijdrage, wanneer u echter nog commentaar heeft, is dit welkom. U zwijgt allen? Dat is dan misschien een eerste begin van wijsheid. Want wat je in jezelf verwerkt, wordt in jezelf ook herboren tot een waarheid, die in je voortleeft. Maar wat je naar buiten toe van jezelf uitwisselt, blijft over het algemeen niet veel meer dan het zoeken naar een mooi strikje als versiering voor het pakje waarin de werkelijkheid verborgen blijft.
