26 maart 1982
Alweer een wat dubieus onderwerp: Ik ken een hoop ik-mensen die steeds spreken over wij in de hoop dat zij overrompeld kunnen worden.
Of is het niet vreemd dat mensen die sterk aan zichzelf denken en druk bezig zijn zich naar boven te werken, steeds weer tot anderen roepen: wij moeten pal staan, ik sta achter u en samen moeten wij het duidelijk maken dat zij ongelijk hebben.
Maar zijn er eigenlijk wel ik, hij en zij mensen? U stelt dit zo en volgt mogelijk een bepaalde indeling, maar ik stel dan maar eerst eens duidelijk dat elke mens in principe een ik-mens is. Want elke mens denkt vanuit zichzelf en elke mens beleeft de wereld toch een beetje anders dan een ander. Elke mens reageert ook steeds weer niet op grond van alles wat er buiten hem bestaat, maar op grond van de dromen die hij in zichzelf draagt.
Nu zijn er mensen die ontdekken dat zij met anderen iets en soms veel gemeen hebben. Die ander wordt voor hen dan in de vorm waarin deze erkend wordt, een deel van eigen ego. Gelijktijdig beseft hij zichzelf en de ander als meervoudige persoonlijkheid. Zo ontstaat het wij.
Een mens die in de wereld voldoende echo vindt voor datgene wat er aan dromen en werkelijkheidsbesef in hem leeft, zal spreken over “wij” en ziet dit dan als een eenheid.
Maar hoe meer je dus bezig bent met het zoeken naar die eenheid, hoe waarschijnlijker het wordt dat er groepen en personen bestaan waarmee je meent nooit contact te kunnen krijgen. Dezen spreek je dan aan als “zij”.
De beste ik-mensen gaan uit van het standpunt dat zij met hen niets te maken hebben. Zolang ik, zo redeneert men dan, maar alles zo goed doe als ik kan, als wij mogelijk kunnen maken, voldoe ik aan alles wat ik moet zijn. Wanneer zij het anders doen, moeten zij dit zelf weten.
De slechtere ik-mensen redeneren echter: wanneer ik zeg dat het goed is en ik heb zoveel medestanders daarin, dan moet het wel voor eenieder goed zijn en dus moeten zij de moed niet hebben er tegenin te gaan, anders zal ik hen… men heeft het recht eenvoudig niet om anders te zijn, te denken, te leven. En de conclusie is dan, dat zij dus overwonnen moeten worden. Overwonnen kun je in bepaalde kringen ook vervangen door “bekeren”. Wat echter gezien de bedoeling die erachter schuilt meestal op hetzelfde neer zal komen.
Wanneer u dus spreekt over ik, zij, wij mensen dan zie ik dit als een omschrijving van een package deal. De kwaliteiten schuilen in elke mens. Het is de wijze waarop wij met dit alles leven waardoor duidelijk wordt wat de package is en wat wij zijn. Nu ja, er zijn heel wat mensen die zozeer “ik” denken dat zij heel blij zijn wanneer zij in het ongerede zijn geraakt. Dat voorkomt dat zij in de omgeving blijven leven zodat je uiteindelijk met hen toch een soort “wij” leven moet voeren.
Vragen
Dit onderscheid is gebaseerd op een onderscheid dat een moslimleraar aanbrengt bij het onderscheiden van mensen naar verschillende geestelijke niveaus.
Beseft. Ik probeer echter duidelijk te maken dat van een werkelijk en groot verschil in feite geen sprake is. Het is het ten hoogste gradueel en zeer persoonlijk. Je kunt natuurlijk elk onderscheid wel maken, zelfs op geestelijk niveau. Ik ken mensen die denken dat een paus heiliger is dan een bisschop, die is weer heiliger dan een deken – behalve wanneer het bed is opgemaakt natuurlijk. En de deken is weer heiliger dan de pastoor, die op zijn beurt heiliger is dan de kapelaan. En die is natuurlijk weer veel heiliger dan een gewone gelovige. En die allen bij elkaar genomen zijn allen veel heiliger dan de arme heiligen.
Een dergelijke indeling geeft precies hetzelfde idee. Men zoekt naar een soort vaste indeling, een soort hiërarchie. Maar bestaat die wel werkelijk? Het gegeven voorbeeld handelt wel degelijk over spirituele waarden, aangezien heiligheid gelijkstaat aan het in het aangezicht Gods leven. Ik koos echter een voorbeeld in bekende stoffelijke termen om verwarringen en misverstand te voorkomen en gelijktijdig de betrekkelijkheid van een dergelijke indeling duidelijk te maken.
Typerend in dergelijke gevallen is overigens steeds weer dat men wel spreekt over een geestelijke indeling, maar die in feite niet alleen op zuiver geestelijke zaken baseert, maar er altijd weer uiterlijkheden als bv. geloof, rang, gedrag in op te nemen. Zo probeert men een hiërarchie op te bouwen die, ongeacht het aantal klassen dat men telt, toch weer vergelijkbaar is met de materiële rangorde die ik in mijn voorbeeld mede genoemd heb.
Ik dacht dat ik alles snel en duidelijk uitdrukte, maar zoals blijkt is een double entendre niet altijd gemakkelijk te verstaan. Behalve natuurlijk op een bepaald niveau. Dan bemerkt eenieder het, maar men reageert er niet op tot je weg bent.
Wat ik in feite probeer te betogen, luidt ongeveer alg volgt: er is eigenlijk maar één ik. Dit ik is de totaliteit, de godheid. Wanneer wij ons daarvan bewust zijn, kunnen wij ons misschien wij-mensen noemen, want wij zien onszelf als deel hiervan.
Spreek je over “zij”, dan plaats je jezelf daarbuiten of anderen erbuiten. Je kunt jezelf niet buiten God plaatsen. Zodra je dus van “zij” spreekt als over iets wat apart staat van “wij” en “ik” verwerp en ontken je in feite de totaliteit of het deel-zijn van die totaliteit, waar je volgens mij toch bij behoort.
Mijn betoog probeerde verder duidelijk te maken dat elke mens, of hij dit nu toegeeft of niet, in de eerste plaats een ik-mens is. En wanneer je de hoogste bewustwording bereikt, ben je dit nog.
Alleen is het “ik” dat de mens nu ziet zijn innerlijk, uiterlijk, zijn eigen beperkte wereldje met mogelijk nog wat bezittingen erbij. Heb je het hoogste bewustzijn bereikt, dan zeg je nog steeds “ik”, maar bedoelt daarmee dan het geheel van dit allerhoogste bewustzijn dat door je heen vloeit — wat dan naar ik denk toch wel een heel groot deel van de goddelijke kracht en wereld zal zijn.
Spreken over “wij” betekent het erkennen van verschillen die net niet genoeg zijn om een scheiding te vormen, maar waarbij er nog zoveel verschillen zijn dat wij ons niet volledig één kunnen voelen, kunnen identificeren met het andere tot een geheel. Zeg ik dus “wij”, dan heb ik iemand ten dele geadopteerd. Deze behoort bij mij, wij hebben iets gemeenschappelijk. Zonder dit kan ik geen “wij “zeggen.
Toch is en blijft het andere deel van die “wij” een ander. Er is geen perfecte harmonie, geen perfect samengaan en samenklinken denkbaar. Wat te denken geeft wanneer je beseft dat in menig gezin pa, ma en de kinderen over zich spreken als “wij”. En wie ziet, merkt de ver- en geschillen dan ook wel op.
“Zij” is op een afstand zetten, ontkennen zelfs. Ontkennen vooral dat zij behoren tot dezelfde wereld, dezelfde totaliteit als het ik.
Of het gaat om een stoffelijke totaliteit dan wel een geestelijke? Ik meen dat je hier geen wezenlijk verschil kunt stellen. Je kunt niet zeggen: wij zijn Hollanders en zij zijn Surinamers wanneer je een hoger bewustzijn bereikt. Dan zal je zeggen: wij zijn samen met alle erkende personen, mens. Op zijn minst zou je dan dus moeten zeggen: wij zijn allen mensen.
En vanaf het ogenblik dat je dit niet of onder voorbehoud doet, faal je in mijn ogen. Indien u het dus vooral als een geestelijke indeling hebt willen zien, zo zeg ik: hoe komt het dan dat er zoveel geestelijke indelingen zijn, meer nog dan stoffelijke? Kennelijk valt het de mens gemakkelijker om een geestelijke wereld in te delen dan een stoffelijke. Is dat mogelijk omdat hij daarvan veel minder afweet? Wees reëel. Wanneer je leeft op aarde zal elke indeling, welke dan ook, zo zij geestelijk gemaakt wordt, ook stoffelijke verschijnselen moeten tonen en ook in je eigen wereld kenbaar moeten zijn. En zolang die kenbaarheid dan alleen maar berust op een gelijkvormigheid van leer, uiterlijk, dan is dit voor mij niet echt. Dat is geen “wij”.
Eerst wanneer ik besef: wat deze mens gebeurt, gebeurt ook mij en wat mij gebeurt, zal ook deze mens treffen, ben ik zover dat ik “wij” kan zeggen. Eerst wanneer ik geleerd heb, dat er geen “zij” bestaat, geen ander, maar geleerd heb dat alles terugvalt op dat Ene waarvan ook mijn ego deel uitmaakt, kan ik misschien een werkelijk, bewuste ik-mens zijn.
Het “ikje” waarmee je zo lang op aarde pleegt rond te lopen, is dan natuurlijk allang vervluchtigt en vervaagd, sneller nog dan een druppel eau de cologne op een gloeiende kachel. Dan blijft er alleen nog maar iets over als een geur van leven, het aldoor desemend bestaan waaruit je voortdurend put en waartoe je voortdurend weer terugkeert.
Zo bezien meen ik dat een indeling in “ik”, “wij” en “zij” mensen in feite verkeerd is, tenzij als deel van een systeem. En zeker verkeerd wanneer wij tegen onszelf daarover bezig zijn. Het gaat er niet om wat voor soort mensen van welk geestelijk peil wij zijn, het gaat er om of ik in staat zal zijn al wat ik erken zo te beseffen dat ik weet, dat het ook deel is van mijzelf. Bereik ik dit, dan heb ik ook bereikt de eenheid met de kracht die in alle dingen leeft, de kracht waaruit alle dingen ook steeds weer voortkomen.
Kijk, zo had ik dit willen zeggen. Ik kan het volgens u wel helemaal verkeerd gedaan hebben. Dus wanneer u commentaar hebt, kom maar op.
U spreekt ook in ik-vorm. Moet ik daaruit concluderen dat de ik-vorm aan gene zijde door blijft gaan?
Natuurlijk. Wanneer je pas overgaat zeg je: waar ben ik? Niet waar zijn wij of waar zijn zij. Waar ben ik? De klassieke vraag dus. Dan komt er de een of andere geest die je zegt dat je gewoon verder leeft.
Wanneer je in de hemel gelooft en die verdiend meent te hebben, dan kijk je eens en zegt: dat zeggen zij nu wel, maar zij zijn gek. Wanneer blijkt dat daar maar steeds niets van komt, zeg je uiteindelijk wel: laten wij eens met elkaar praten.
Kortom, het ik-beeld blijft bestaan. Ook ik heb dit ik-beeld, zeker wanneer ik mij manifesteer zoals op dit ogenblik. Ik ben wel verbonden met vele anderen en heb contact met hen, maar daar gaat het hier niet om. Wij werken samen. Maar die “wij” betekenen voor mij dan toch ook weer een beetje een deel het “ik”, want ik maak gebruik van de kennis en reacties van die anderen ook. Zoals die anderen op hun beurt waar nodig gebruik kunnen maken van mijn persoonlijkheidsinhoud. Misschien meent u dat ik beter “wij” zou kunnen zeggen, maar dat zou dan een soort pluralis majestatis worden. Een koninklijk meervoud. Iets wat ik niet vind passen bij een uiting van geesten die beseffen dat zij precies gelijk zijn aan de mens, al leven zij in een andere fase van bestaan.
Ik zou over u als “zij” kunnen spreken. Maar dan schep ik een grens. Mogelijk is die er nu enigszins, maar dat gaat voorbij zodra u dood bent. Waarom zou ik mij dan ernstig bezig gaan houden met een zaak die toch zo failliet is? Wat mij rest is dus een normaal taalgebruik, inclusief “ik”. Wil ik aangeven dat iets vanuit mij bestaat of, in mij een standpunt of waarheid is zonder gelijktijdig te willen impliceren dat het ook uw waarheid behoort te zijn, zo zal ik wederom het beste “ik” kunnen zeggen.
Maar hebt u ook persoonlijkheid? Wanneer u spreekt met andere geesten, hebt u dan ook een zienswijze? Dat is een vorm van persoonlijkheid, maar die leg je in wezen toch af wanneer je naar de andere kant stapt?
Dat denken heel wat mensen. Neen. Je legt je stoffelijke vorm af. De inhoud van je wezen – dit kun je nog niet eens als kennis vertalen hoor, het is eerder een vreemde mengeling van emoties en ervaringen – blijft bestaan en is datgene waardoor je anders bent dan, of beter gezegd een andere inhoud hebt dan anderen.
Nu is het mooie daarvan dat, omdat wij allen een wat andere inhoud bezitten, wij toch genoeg gemeen hebben om elkander te begrijpen. En dit terwijl wij genoeg verschillen om elkander aan te vullen. Daardoor ontstaat dan die wij relatie die blijft bestaan tot alles zo goed klikt dat de groep naar buiten toe een eenheid wordt. Dan is zij weer een ik-heid geworden die eventueel weer later een verdere eenheid kan vormen met een deel van de rest.
Ik probeer duidelijk te zijn, al is het moeilijk. Maar ik ben er nog niet zo erg aan toe als bepaalde anderen, die binnenkort een soort nota inleveren over bezuinigingen e.d. Dat is een veel zwaarder karwei, maar ja, die “ikjes” leven naar ik meen hoofdzakelijk van de onduidelijkheid.
Geen politiek hebben zij tot mij gezegd toen ik hierheen ging. Wij weten dat het beter is zonder, maar ik kan er gewoon niet vanaf blijven. Een oud euvel overigens hoor. Vroeger was ik in een circus dol op ruiters, maar het allermooiste vond ik steeds de clowns.
Wanneer u zich dus afvraagt of ik persoonlijkheid heb, zo is dit een deel van een persoonlijke inhoud die bij de andere delen van ons “wij” minder sterk is, maar bij mij wel zeer specifiek en sterk uitgedrukt bestaat. Nu ja. Laat maar, zijn wij er doorheen?
Vrienden, mij was het een genoegen. Ik hoop maar dat u zich niet te zeer aan mijn wat vrije stijl hebt gestoten, ik ben nu eenmaal in mijn vorige bestaan niet bepaald een redenaar geweest, heb wel veel gedaan, maar minder gesproken dan mogelijk nuttig en zelfs nodig was. Dat kan dan wel eens de oorzaak zijn van het feit dat ik tegenwoordig vaak meer dingen zeg dan in wezen noodzakelijk is. Neemt u daar nu maar genoegen mee. U weet dan meteen iets waaruit onder meer een persoonlijkheid kan bestaan, ook in de geest: een beetje te veel dat je nog niet kwijt bent en een beetje tekort dat je nog niet kunt aanvullen.
