23 april 1982
Minoïsche kunst
Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar, dus zelf nadenken is noodzakelijk.
Volgens mij kun je niet spreken over een exclusief Minoïsche kunst, wel van een cultuur. De kunst zelf is niet een afzonderlijk iets, maar deel van en deels ook weergave van deze cultuur. Wat dat betreft is de situatie vergelijkbaar met die in vroeg Egypte.
Ik stel: de Minoïsche cultuur is vooral een handelscultuur. Deze vereiste gelijktijdig ook een mate van krijgerscultuur. Hierdoor werden sporten en ook de bekende stierenspelen belangrijk, ook al werd dit alles later ook als een soort vruchtbaarheidsrituel ook door meisjes beoefend.
Doordat men veel in-en exporteerde, kwamen invloeden van alle kanten op het eiland binnen. Overigens, de stier die men overal aantreft, had oorspronkelijk niets met dit dier, maar met de maan te maken. De mensen van dit eiland waren oorspronkelijk maanaanbidders. De stier-god als macht van de aarde en indirect als drager van de zon komt eerst veel later in de mode. De cultuur doet voor die tijd nogal luxueus aan. Niet alleen paleizen maar ook woningen van welgestelden werden voorzien van waterleiding. Maar de techniek heeft men kennelijk ergens anders afgezien, vermoedelijk in Noord-Italië. De versieringen echter tonen weer Perzische invloeden
Friezen op aardewerk en in bepaalde resten van paleizen tonen aan dat men wel een eigen kunst hanteert en ongetwijfeld scenes en kleding van het hof en mensen uit eigen tijd weergeeft. Maar men heeft wat het aardewerk betreft kennelijk nogal het een en ander ontleend aan Egyptische technieken en vormgeving, terwijl de versieringen weer geënt lijken te zijn op Griekse motieven en uitvoeringen. Bewerking van steen geschiedt op een wijze die doet veronderstellen dat men ook met Zuid-Italië contacten heeft gehad. Wat mij ertoe brengt te spreken van een mengcultuur.
Zoals ook uit afbeeldingen blijkt, is de koning, zoals in die dagen veelal het geval was, tevens een soort opperpriester. En denk nu niet, dat dit iets uit een ver verleden is, want nog heden is de koningin van Engeland het hoofd van de Anglicaans Engelse kerk. Van belang is dat de priesters hierdoor de kans hebben zich overal te vestigen, ook in nederzettingen en havens waar men invloed heeft.
Zij zijn het die voor een groot deel het kopen van slaven, de winning van slaven en de arbeidsindeling van die slaven beheersen. Mede door hun behoefte aan vakmensen om de sier in eigen omgeving en aan het hof vorm te geven, zoeken zij alle talenten uit die in staat zijn smeedwerk te leveren, tekeningen, aardewerk te maken en wat er al meer aan kunst te produceren is, Vrije kunstenaars worden hierdoor sterk beïnvloed.
Oorspronkelijk religieus van aard is de Minoïsche kunst beïnvloed door alle omliggende culturen. De uiteindelijke eigen kunstvorm is sterk beïnvloed door modeverschijnselen, maar wordt tot traditie. Het is aardig om te zien, hoe vaak men modes uit verschillende landen samenvat. Zo ziet men op muurtekeningen bv, hofdames gekleed in gewaden, die deels aan Perzië ontleend zijn, maar de wijze van draperen weer van de Grieken afgekeken schijnen te hebben. Het vrijlaten van één of beide busten echter is weer een Egyptisch gebruik. Het is dit ontlenen aan andere volkeren wat mij er toe bracht om te stellen, dat er geen sprake kan zijn van een strikt Minoïsche vorm van kunst. Zeker, er zijn typische cultusvoorwerpen met daaraan eigen versierselen en vormen. Maar zowel de techniek die gebruikt wordt als de wijze waarop de motieven worden aangebracht, is kennelijk mede aan anderen ontleend,
Ten laatste is er hier sprake van een Atlantische invloed. Ik heb deze tot het laatste bewaard omdat zij samenhangt met o.m. architectuur, ruimte indelingen en zeker ook bepaalde mystieke denkwijzen. Soms lijkt het zelfs of men bewust of onbewust iets van oude Atlantische vestigingen heeft geïmiteerd.
Wanneer u hoort van het bekende labyrint zo denkt u mogelijk aan donkere krochten waarin demonen zich verschuilen. In feite was het eerder een samenvoeging van voorraadkelders, bijzondere bedehuizen, schatkamers zelfs en vertrekken die voor narcistische doeleinden bestemd schijnen. De bouw was inderdaad verwarrend, ook al lag een groot deel van dit labyrint in de open lucht. Er was bijzondere kennis voor nodig om een bepaalde plaats in dit geheel te kunnen bereiken. Maar het was bovenal een praktisch bruikbaar geheel en dus heel iets anders dan de woonplaats van de stier-mens Minos, waaraan men alleen kon ontsnappen wanneer men de terugweg kende of kon beschikken over de draad van Ariadne. Gevaarlijk was het overigens in die zin, dat ter beveiliging van vooral de schatkamers, vallen waren ingebouwd.
Vraagt men zich af waarom men dit geheel juist zo heeft gebouwd, dan blijkt gebruik te zijn gemaakt van een bouwwijze die in de Atlantische steden wel werd gebruikt met een vaste ruimtelijke indeling volgens functie, terwijl ook het gebruik van tussenmuren en verwarrend zich splitsende paden gebruikt werd, om te voorkomen dat leken zonder moeite het heilige van een tempel konden gebruiken. Wat de bouwwijze betreft, schijnt ook Perzische bouw en zelfs de technieken van de dolmenbouwers van invloed te zijn geweest.
Het bewerken en vooral de methode van splijten en versieren van vulkanische en andere gesteenten werd in Atlantis uitnemend beheerst. Stenen voorwerpen met een gelijksoortige bewerking komen op het eiland eveneens voor en zijn teruggevonden. De Atlantiërs kenden ook een bepaalde wijze om zachtere metalen te harden en te bewerken. In de Minoïsche cultuur vinden wij hier eveneens sporen van, ofschoon ook Egyptische technieken van invloed blijken te zijn geweest. De vormen zijn soms verwant aan sieraden die veel noordelijker – Noorwegen, Noord Engeland – gangbaar waren.
Men kan natuurlijk veronderstellen dat deze eiland cultuur alles zelf heeft ontdekt en dat overeenkomsten eerder toeval zijn. Maar dan vraag ik mij af, hoe men kwam tot overeenkomst in bewerkingsmethode en motieven met bv. Wales, Ierland, wanneer het om metaalwerk gaat, overeenkomsten met Egypte en India wanneer het gaat om bewerking van o.m. been en een praktisch gelijke techniek wanneer het gaat om het snijden van zegels en gemmen met de werkwijze in Noordwest Afrika. Nogmaals een mengsel van vele vreemde invloeden en werkwijzen, dat als kunst iets eigens verkrijgt juist door de menging van technieken en motieven elders. Het meest eigen schijnen nog de vaak nogal ruwe beeldhouwwerken en in steen vervaardigde symbooltekens. Waarbij het overigens een vraag is of de moderne mens wel in staat is de betekenis van dergelijke symbolen vooral juist te interpreteren. Wat blijft is een vorm van schrift, verbleekte muurschilderingen, godenbeeldjes en delen van gebouwen. Het is geen wonder dat men tot de Minoïsche cultuur soms ook in feite geïmporteerde beeldjes rekent, goden uit Azië, omdat deze in vorm aan de heersende smaak aangepast waren.
Ik meen dat men zich de oude toestand, de hofhouding,, de werkelijke wijze van leven niet voor kan stellen en zich een beeld opbouwt door analogieën te trekken met andere gebieden uit die tijd, waar men iets meer van meent te weten. Wel valt mij op dat men blind is voor het feit dat zovele motieven en werkwijzen elders voorkomen. Wanneer u over Rembrandt zou spreken als een voorbeeld van mondiale kunst ben ik het met u eens. Wanneer u er echter over zou spreken als typisch Nederlandse kunst, zo moet ik dit ontkennen.
Daarom wil ik ontkennen dat de Minoïsche cultuur een geheel eigen kunst heeft voortgebracht die aan dit gebied alleen verbonden was. Ook al zal ik de laatste zijn om te ontkennen dat er in dit gebied vele kunstenaars werkzaam zijn geweest, die overigens hun werk beperkten tot de huizen van de rijken.
Vragen
Is het letterschrift al ontcijferd?
Ik meen dat het ten dele reeds ontcijferd is, maar ben niet geheel op de hoogte van de laatste vorderingen.
Hoe speelt de Minoïsche cultuur in de Griekse ontwikkeling?
Er is ongetwijfeld een sterke wederkerige beïnvloeding. Ik wil u eraan herinneren dat de eilanden zeevaarders voortbrachten die, uitgaande van bv. Malta en Kreta slaven maakten aan de Griekse kust en in het Zuid-Italiaanse gebied.
De zeevaarder van die tijd was wel handelaar, maar zag er niet tegenop om kleine gemeenschappen te overvallen, leeg te roven, wanneer dit zonder tegenstand mogelijk was en mensen als slaven mee te voeren. Vele vrouwen werden bv. geroofd wanneer zeevaarders water innamen en toevallig bij bron of beek vrouwen aantroffen. Slaven werden echter ook vaak gekocht in de sterkere steden en staten.
Betaald werd vaak met bv. aardewerk en dergelijke producten. Men dreef daarin ook handel, evenals met zaken die men eerst elders had opgehaald, vooral sierraden, wapens en stoffen, bv. Egyptisch katoen, toen een van de fijnste weefsels die men kende. Slaven werden soms tot vaklieden gevormd en dan weer verkocht en wanneer men er behoefte aan had kocht men ook slaven met bijzondere bekwaamheden.
Het lijkt mij dus redelijk te spreken over een wisselwerking die vooral na het ontstaan van de stadssteden in Griekenlands ongetwijfeld grote omvang aannam. En daar het betere aardewerk van de vroege Grieken in vele opzichten herinnert aan hetgeen men reeds in vroegere tijden op Kreta kon vinden, is het redelijk om aan te nemen dat ontvluchte of vrijgekochte slaven een deel van de kunst van de Kretenzers in eigen gebied in de praktijk hebben gebracht.
Kunt u zeggen waarom de Minoïsche steden niet ommuurd waren?
Dit was op vele eilanden gebruikelijk. Op het open land heeft men muren nodig om zich te kunnen verdedigen. Op een eiland bestaat dit gevaar van een onverwachts opduikende vijand in mindere mate. Men kiest daar dus gemeenlijk voor versterkingen nabij landingsplaatsen en mogelijk een versterking van een enkel punt dat zich door ligging reeds als gemakkelijk verdedigbaar toont. In de Minoïsche tijd was de vloot van het eiland zeer sterk, men kon dus een eventuele vijand op zee verslaan. Ligplaatsen van schepen en tempels en bv. paleizen werden wel door wallen beschut, maar niet door muren.
Zou een vijand al tot het binnenland door kunnen dringen, zo zal dit altijd maar met enkele mensen zijn. Dat zaakje knap je dus snel op. Zoals op vele eilanden, waar het ommuren van steden niet plaats heeft gevonden tenzij er twee vorsten waren op het eiland en men zich dus, tegen elkander meende te moeten beschermen. Op bepaalde Engelse eilanden en zelfs schiereilanden ziet men dat de muren gebouwd werden door edelen van het vasteland, nadat de oorspronkelijke machthebbers overwonnen waren. Later, wanneer grotere schepen en vloten waren, zien wij echter rond de Middellandse Zee op de eilanden opeens een bouwen van grotere en sterke vestingen in de mode komen.
