februari 1977
Achtergronden van de cultuur (vervolg)
Als men zegt cultuur, dan zit daar het woord cultus in. Cultus is niet alleen eredienst maar een samenstelling van een aantal gebruiken. Als wij ons willen bezighouden met de achtergronden van de cultuur, dan moeten wij ons realiseren dat de cultuur wordt gevormd door de geldende gebruiken en dat die gebruiken ook weer door de cultuur worden beïnvloed. We kunnen daarover natuurlijk heel ingewikkelde verhalen gaan ophangen want er zijn tijden geweest dat je werkelijk moest vragen: wat is het nu eigenlijk, waar gaat het eigenlijk om, hoe komen die mensen tot zo’n aantal gebruiken?. Ik denk dat we het eenvoudiger kunnen maken als we proberen een analyse te geven van een bepaalde cultuur en trachten de achtergrond te schetsen waartegen die cultuur moet worden gezien. We zien dan de samenhang van de invloeden die van buitenaf optreden, de omstandigheden waaronder de mens leeft en de resultaten van wat wij de cultuur noemen, de uitingen middels geloof, kunst, woon- en leefgewoonte en wat daar verder bij hoort. Ik heb gedacht om daarvoor een stukje Egypte te nemen.
Als we Egypte beschouwen, dan valt onmiddellijk op dat het een vruchtbaar gebied is maar zeer beperkt. De gemiddelde afstand vanaf de vruchtbaarheidgevende rivier bedraagt niet meer dan 10 kilometer. Het is een zeer langgerekt rijk. Hier en daar vinden we wat bredere stroken waarop culturen mogelijk zijn en daaromheen ligt de woestijn. In die woestijn leven mensen die een trekkend leven leiden, stammen die nomadisch of bijna nomadisch zijn. Daartegenover staat de Egyptenaar als landbouwer. Dat is dan het begin. Als je de cultuur van Egypte wilt begrijpen met zijn dodencultus en alles wat er nog bij komt, dan moet je eerst weten wat voor een land het was en onder welke condities men daar leefde. De situaties voeren natuurlijk tot een voortdurende strijd tussen de bewoners van de woestijn, die natuurlijk wel iets te kort komen, en de eigenaars van de vruchtbare gebieden die proberen om deze gewapenderhand te verdedigen tegen de invallen uit de woestijn. Alweer iets wat in de hele cultuur van betekenis is.
De woestijn krijgt het karakter van een soort dreiging, een dodenrijk. We zullen later in de Dodenboeken dit alles terugvinden. Anubis is in feite een jakhals, een wezen dat alleen sporen achterlaat in het zand van de woestijn en verdwijnt in de dood. Daarom wordt hij ook met een jakhalskop voorgesteld. Zoals een andere god schijnt thuis te horen juist daar waar de wateren zich wat verbreden, de ibis. En automatisch wordt het een god van wijsheid, want komt niet alles uit het water? Dat is de manier waarop de mens interpreteert.
In deze ontwikkeling wordt het langzamerhand noodzakelijk een georganiseerde verdediging op te bouwen. Wij krijgen nederzettingen die in het begin eigenlijk meer forten zijn maar zich geleidelijk aan tot steden ontwikkelen. Die steden verdedigen het bezit maar vormen gelijktijdig ook een bezit. Degenen die daar de baas zijn, bezitten of beheersen het land. Alweer iets belangrijks: een splitsing in standen waarbij blijkt dat de priesterstand weliswaar erg belangrijk is, maar dat de krijgsmansstand toch voor een groot gedeelte bepaalt hoe de zaken verlopen. Deze krijgslieden zijn het die met hun wapens, hun optreden en hun toen reeds bestaande militaire orthodoxie eigenlijk de gehele samenleving beïnvloeden.
Het gaat om bezit en om dat te handhaven. Maar bezit handhaven, is niet voldoende want er zijn heel veel mensen die geen bezit hebben. Dus moet het bezit geëtaleerd worden. Grootheid en macht moeten worden duidelijk gemaakt door het bezit. Dan is het ook heel begrijpelijk dat men de dood gaat zien als iets waarmee men zich voortdurend moet bezighouden. Want men kan wel wat bezit meenemen naar de andere kant, maar men laat toch heel veel achter.
Als wij horen dat op de feesten van de Egyptenaren een geraamte wordt binnengebracht (tenminste een afbeelding daarvan) en dat dan wordt geroepen: “Bezie dit en besef dat je dat zult worden”, dan denken wij aan diepzinnigheid. Dit is echter doodgewoon een uitdrukking, het bezit is geen zekerheid.
De poging om het bezit een schijn van duurzaamheid te geven (denk aan de graftekens, de piramiden, maar evengoed aan de tempels en paleizen die er gebouwd zijn), toont aan dat duurzaamheid erg belangrijk is voor de Egyptenaar. Dat zal zijn religieuze benadering van het leven wel degelijk beïnvloeden, maar ook zijn kunst. Want de kunst moet duurzaam zijn. Ze moet iets kolossaals hebben. Ze moet overweldigend zijn. Ze moet hem de verzekering geven dat dat leven eenvoudig niet teniet kan gaan.
Er zijn ook zuiver sociale gebruiken. Een rijke Egyptenaar ontvangt zijn gasten. Ze worden bediend door naakte slavinnen. Dat is heel eenvoudig als je begrijpt hoe die mensen dachten. Bezit is belangrijk. Een geklede slavin kan feilen hebben. Als ze niet gekleed is dan wordt ze in haar volle schoonheid, en dus ook in al haar eigenschappen, kenbaar. Men zegt niet: hier is een blote vrouw. Men zegt: kijk nu eens wat ik heb.
Op gelijke wijze zien we hoe bijvoorbeeld een leger wordt uitgerust. Dat leger wordt niet alleen uitgerust op een doelmatige manier, het gaat er veel meer om een zekere mate van weelde ten toon te spreiden. Macht is bezit. Bezit moet worden uitgedrukt.
Als je zo de achtergrond van de cultuur beschouwt, dan is die achtergrond eigenlijk de angst voor het verlies, want er kan iets gebeuren. De oogst is niet tot rijpheid gekomen. Wat moet je dan eten. Dan moet je toch op de een of andere manier iets kopen of verhandelen of ruilen, anders ben je je zekerheid kwijt. Je kunt veel bezit hebben maar als er stammen van buiten invallen, dan ben je het kwijt en waar blijf je dan? Bezit en de mens worden geassocieerd. En omdat bezit zich langzaam maar zeker in drie verschillende delen splitst (dat is lang voordat de twee Kronen worden verenigd) krijg je als vanzelf die splitsing ook op een andere manier weerkaatst én in de maatschappij én in de godsdienst.
Een voorbeeld: De eerste stand is de boerenstand. In het begin zijn boeren tevens soldaten. Er zijn dus betrekkelijk weinig slaven. De beroepen ontwikkelen zich. De samenleving wordt complexer en de boer kan niet mee. De boer is namelijk alleen maar de basis waar die hele top op steunt. Hij blijft dus achter.
De tweede stand is de burgerstand. De burger heeft nog een mogelijkheid om met bezittingen te werken en is niet zo afhankelijk van verdediging of van goedertierenheid. Hij kan dus een zekere rijkdom verwerven.
De derde stand de machtstand. Ze omvat zowel de overigens gewijde hofhouding (het zijn allemaal priesters en priesteressen) als ook het leger, waarin trouwens de meesten een graad hebben in het priesterschap.
Zo bezien zijn er dus drie standen.
De eerste stand verzorgt het leven. Als we nagaan wat in het Dodenboek wordt geschreven over het Land der Zaligen, dan is dat landbouwgebied. Van de gewassen reiken de halmen van het graan tot aan de grond, zwaar van de volle aren.
De tweede stand is de bezitstand, de handelsstand.
De 1e fase, Wijsheid, wordt in die dagen ook gezien als iets wat met rang en met bezit samenhangt.
De 2e fase: Weten. Wie wat weet, die heeft daardoor macht en door die macht komt hij tot weten. Hij weet meer dan een ander.
De 3e: Beheersing. De hogepriester, de Farao en al diegenen die hun gezag tot uiting brengen, behoren hiertoe. De hoogste trap is het gerechtshof der goden, de macht.
Dan moet ook de mens in drie fasen worden uitgebeeld: zijn stoffelijk leven, waarin het bezit wordt vergaard.
De geest, een voertuig dat tussen de aarde en de eeuwigheid heen en weer kan pendelen en dat het bezit nog van buitenaf kan blijven bekijken en gelijktijdig de waarde daarvan kan overbrengen in de wereld van de geest waar de beheersing weliswaar is maar waar je ook nog iets wilt hebben om over te heersen zoals je gewend bent.
Het is duidelijk dat de grafgift hier ook een grote rol gaat spelen. Bezit overbrengen naar het hiernamaals. Vergis u niet, dat is niet zo alleen bij de Egyptenaren. Als we horen over het fabelgraf van Koeblai Kahn en van Dzjengis Khan, dan vernemen we ook dat ze enorme schatten meenemen. Vorsten in de Germaanse periode worden begraven met enorme grafgiften. Koningen, tot 1400 / 1500, worden begraven tezamen met de symbolen van hun macht. Meestal replica van scepter en rijksappel, maar zonder zegel. Als je dat allemaal bekijkt, dan wordt steeds duidelijker, het is de manier waarop de mensen leven waardoor hun wijze van denken en geloven eigenlijk wordt bepaald. Maar dat houdt ook weer in dat ze de wereld op een bepaalde manier zien en uitdrukken.
U kunt in uw dagen zeggen: wat waren de Egyptenaren grote kunstenaars. Dat is waar. Maar hun kunst is, uitgezonderd twee kleine perioden, hoofdzakelijk formeel. Het is voor hen een soort schrijven, niet een uitbeelden van hetgeen je ziet. Het is de weergave van een maatschappij zoals zij die zien, met een starre ordening, met een starre machtsindeling, waarin kwaliteiten die in de plaats kunnen treden van bezit, het enige is dat van belang is. De magie speelt natuurlijk ook een rol in Egypte en in alle andere beschavingen. Tot in de uwe toe, nietwaar, zowaar helpe mij God almachtig. Of u dat zegt of Jimmy Carter maakt geen verschil. Men zegt het. Het is een bijgeloof.
De Egyptenaren hadden ook een bijgeloof. Zij meenden dat het lichaam verduurzaamd moest worden. Dat hadden ze gemeen met vele Indiosstammen. De Inca, de Azteken, de Tolteken e.d. kenden ook de conservering. Er zijn ook volkeren geweest, zoals de Bosjesmannen, die ook die gebruiken een tijdlang kenden. Het gaat er doodgewoon om: hoe leef je.
Ik hoor de mensen in deze tijd heel vaak zeggen: de negercultuur is toch erg primitief. Die is helemaal niet primitief. Die negers leven alleen anders. De waarde in hun samenleving is een geheel andere. Voor hen kan een symbool, waarvan u alleen maar de primitieve schoonheid ziet, erg machtig zijn. Voor hen is dat de uitdrukking van eenheid in de samenleving die ze nodig hebben. Als we kijken naar het denken en het geloof van de negers, hun bijgeloof, hun gebruiken, hun dansen, hun sierkunst, dan ontdekken we dat het allemaal de bedoeling heeft om een eenheid uit te drukken. Waarom? Omdat die eenheid binnen hun stam en binnen hun familie onvermijdelijk noodzakelijk is. De wederkerigheid tussen hemel en aarde, maar evengoed tussen mens en mens moet voor hen een vanzelfsprekende zijn, anders kunnen ze niet bestaan. Het is duidelijk dat zij die emotie van saamhorigheid uitdrukken in allerlei symbolen en dat zij juist door dit gevoel van saamhorigheid veel meer hiërarchisch denken dan vele westerlingen. Dat kun je hun eenvoudig niet ontnemen.
Neem nu uw eigen tijd, dan valt daarin ook van alles op. De mensen van de rijke landen leven op een bepaalde manier. Dat weerspiegelt zich in hun woningbouw, in de wijze waarop zij hun kantoren optrekken, hun wegen aanleggen. Het heeft helemaal niets te maken met kunst als zodanig. Kunst is alleen maar de weergave ervan, het is de reflectie van de werkelijkheid. Maar de achtergrond van de cultuur ligt in de manier waarop je bestaat.
Als je steeds rijker wordt, en dat bent u in feite al gelooft u het misschien zelf niet, dan verschuift de belangstelling, dan word je minder behoudend. Een vijftig jaar geleden kochten de mensen een ameublement voor het leven. Toen was duurzaamheid erg belangrijk en daarnaast sierlijkheid. Maar die sierlijkheid kon niet beantwoorden aan modevormen, ze moest de uitdrukking zijn van belangrijkheid. Zeker, er kwamen ook nog wat dingen bij. De heren gingen pommade gebruiken en onmiddellijk verschenen de antimakassartjes. Het woord zegt het trouwens als: tegen de makassarolie die in de brillantine werd gebruikt. Dan kunt u zeggen, het was toch zo aardig. Dat heeft daar niets mee te maken. Het was in de eerste plaats praktisch. En het werd een uitdrukking.
De huizen in het Victoriaanse tijdperk waren veel meer gesloten dan tegenwoordig. Dat is ook logisch. Vroeger was de wereld tamelijk hard en bar in de ogen van de mensen. Dus moesten de huizen een beslotenheid vormen. Het moest als het ware de grens vormen tussen de innerlijke zekerheid (de zekerheid van de eigen kleine gemeenschap waar het personeel ook bij hoorde) en de wereld daarbuiten waar het een kwestie was van maniërisme (n.v.d.r. late renaissance), van manoeuvreren en manipuleren. De plaats om jezelf te kunnen zijn moest dus afgesloten kunnen worden.
In de tegenwoordige tijd houdt men meer van grote ramen. Men laat de wereld binnen. Waarom zou men dat niet doen, want als het in je eigen leventje niet goed gaat, kun je je nog altijd op de wereld daarbuiten beroepen. Het is een wereld van massaliteit. Men gelooft in de betekenis van de massa. Dan is het ook duidelijk dat die massaliteit zich gaat uitdrukken in bouwvormen. Uw moderne steden en satellietsteden zijn de uitdrukking van monumentale massaliteit, van gelijkgerichtheid, gelijkvormigheid, maar daardoor ook van een mate van bescherming. Een naast elkaar wonen zonder elkaar te kennen, zeker, maar dan ook een zekerheid vinden in het feit dat je met die anderen samen bent. Dat de mensen dat niet meer zo ervaren is weer het gevolg van veranderingen in de maatschappij, in de situatie.
Er is een crisis in de wereld. Wat voor invloed denkt u dat crisis zal hebben? In de eerste plaats komen er flodderige producten op de markt. In de tweede plaats zullen de mensen daardoor weer meer gaan kijken naar duurzaamheid. De belangstelling voor bijvoorbeeld jeans is een van de tekenen daar van. Jeans was vroeger alleen maar iets voor een arbeider. Tegenwoordig is ze het teken van bruikbaarheid, draagbaarheid, maar ook duurzaamheid. Het is de kwaliteit die men onbewust in het modegebeuren al zoekt en die men niet helemaal wil loslaten.
Als de crisis zich voortzet, dan gaan de mensen steeds meer denken in termen van bezit. Wat heb ik, hoe lang kan ik dat bewaren, wat kan ik ermee doen? En dat betekent ook dat de kunst dan niet meer de bevlieging van een ogenblik kan weergeven dat moet ook eeuwigheidswaarde hebben.
Als u kijkt naar Shakespeare, dan heeft u een heel aardig voorbeeld van de cultuur van zijn tijd. De meeste mensen zien alleen maar de mooie drama’s. Al die koningen die vermoord worden of anderen vermoorden. Wat ze niet begrijpen, is dat dit geheel zo ontzettend formeel is en gelijktijdig zo dodelijk, zo vol van verraad, vol van magisch toeval, van verraderlijkheid, waanzin.
Maar dat is de maatschappij van die tijd. Een maatschappij die zich zo scherp splitst in een bovenlaag en een onderlaag. Waarin zo grote spanningen bestaan dat de rovers langs de wegen trekken. Soms zijn het voorname edellieden, soms ook boeren die het er maar eens op wagen. Als je die hele situatie probeert te begrijpen, dan wordt duidelijk: hier is het rumoer van moord en doodslag, van intrige en van verwisseling eigenlijk niets anders dan de uitdrukking van de onregelmatigheid en de sterke verdeeldheid die in de gehele maatschappij besloten ligt.
Er zijn ook mensen die zeggen, Amerika heeft geen cultuur, dat is allemaal uit Europa binnengebracht. Dat is niet helemaal waar. Wat je in de USA nodig had, zeker in het begin, was naast je principes die je moest hebben om jezelf te rechtvaardigen, ook een soort catchas-catch-can mentaliteit. Het wonderlijke is, dat als we nu kijken naar de manier waarop bepaalde operettes, opera’s, muziekwerken, originele Amerikaanse kunst (niet de indiaanse kunst) tot stand komen, dan zien we daar iets van hetzelfde in. Een poging tot zelfuitdrukking, tot zelfhandhaving. Een strijdelement waarbij de discipline alleen maar dient om de belangrijkheid, de onaantastbaarheid te onderstrepen.
Je kunt zeggen: de Amerikanen hebben grote showmensen. Ongetwijfeld. Maar waarom zijn ze zo groot? Omdat hun bestaan zo hard is. Ze moeten wel van alles kunnen. Als je niet kunt dansen, zingen, acteren en daarnaast als het even kan ook goochelen en bepaalde sporten goed beoefenen, dan is je bestaan maar zeer twijfelachtig, dan kun je geen indruk maken. En je moet indruk maken, anders kun je jezelf niet doorzetten tegenover anderen. Het is een wereld van bluffen en overbluft worden. Dat alles zal invloed hebben op de groei, op de manier waarop alles wordt samengevoegd tot een geheel.
Het betekent ook, dat de mensen zich op een bepaalde manier gaan gedragen. Het feit dat er in het begin vrouwen waren in de USA die een minderheid vormden en daardoor voor de continuïteit van volk en geslacht belangrijk waren, speelt zelfs nu nog een rol in de manier waarop de Amerikaanse vrouw zich pleegt op te stellen ten aanzien van haar wereld en haar omgeving. En daardoor wordt weer het gezinsleven gekenmerkt. Maar als het gezinsleven zo is gekenmerkt, dan zal dat ook kenbaar worden in de verhoudingen in een leger, in de kunst, in de kerk. Dat zie je overal en dat is ook heel begrijpelijk.
Ik geloof dat als je zoekt naar de achtergronden van de cultuur, je nooit mag vergeten dat de cultuur eigenlijk alleen maar het beeld van een samenleving is welke ontstaat aan de hand van noodzaken, die een mens kent om zijn bestaan te handhaven.
Dan wordt ook begrijpelijk waarom de mensen vroeger kinderen offerden aan Dagon (n.v.d.r. god in de Mesopotamische mythologie). Wat dat betreft, Abraham had daar ook niets op tegen. Hij had bijna Isaak geofferd. Waarom men dat deed? Wel men leefde in een wereld waarin eigenlijk alles kon worden gekocht. Als je naar een koning ging en je had schatten genoeg, dan kon je alles wat je maar hebben wilde van hem krijgen, als het hem maar niet teveel kostte. Als je arm was en je had iets speciaals, dan bood je dat de koning aan. Hij gaf er altijd meer voor dan je op de vrije markt ervoor kon krijgen. Dus als je iets kostbaars had, dan gaf je dat aan de vorst. Dat betekende zekerheid. Of als je geen vorst in de buurt had, dan zocht je iemand die rijk was, die aanzien wilde genieten. Wie is er belangrijker dan een god? Dus als je iets van een god gedaan wilt hebben, dan moet je hem iets aanbieden, het kostbaarste dat er bestaat. Nu, het kostbaarste voor ons is het nageslacht. Want wanneer we oud zijn en onze kinderen werken niet voor ons, dan komen we jammerlijk om. In de tijd dat Dagon een god was, had niemand nog ooit van AOW gehoord. Dus de offers, de mentaliteit waarmee men tot de goden ging, waren eigenlijk een weerspiegeling van de maatschappelijke gebruiken.
Als we naar Azië gaan in deze tijd, dan constateren we dat een ambtenaar meestal een tamelijk laag loon heeft. Daarom doet die ambtenaar wat hij van staatswege zou moeten doen bij voorkeur heel traag, tenzij u hem iets geeft om zijn inkomen te vergroten. Een kleine omkoopsom die er overal bij hoort, of je nu in Egypte komt, in Indonesië, in India, in Pakistan of waar dan ook. Het enige land waar dat niet werkt, is China. Maar daar kun je weer heel veel bereiken met een paar spreuken van Mao. Dat is ook een vorm van omkoperij, want het is de erkenning van de grootheid van een volk. Het is ook een verheffen van status op een andere manier. Het is duidelijk dat mensen die zo leven niet alleen hun medemensen op die manier zullen bekijken, maar dat ze ook hun relatie tot de goden op dezelfde manier zullen interpreteren dat hun kunst diezelfde verwervingsdrang kent. Dat betekent dat hun muziek, hun beeldende kunst, hun toneelspel, hun literatuur, hun mode, hun wijze van samenleving daardoor wordt gedicteerd.
Dan kunt u zeggen: er bestaan toch verschillende culturen gelijktijdig op aarde. Dat is zeker waar. Maar ga eens kijken naar de omstandigheden. Laten we als voorbeeld de Shivaro’s nemen. Die zijn nu tegen de kerstening aan, tenminste wat er nog van over is. Deze indianenstam heeft gebruiken waardoor de kinderen ongemerkt worden opgenomen in de kring der volwassenen Elke keer worden ze iets meer volwassen d.w.z. ze gaan meer doen. Omdat ze dat alleen op een bepaalde manier leren, is er dus een zeer strikt ritueel in die samenleving gekomen. Niet dat iemand in het bijzonder priester is. Maar priester zijn, betekent wel een bepaalde bekwaamheid bezitten. Hij moet namelijk vastgestelde gebaren, dansen, aanroepingen e.d. kunnen volbrengen. Het kind dat die bekwaamheden meer bezit dan de anderen, neigt naar het priesterschap. Een ander neigt juist meer naar baas te zijn bij de bouw van boten bijvoorbeeld. Iedereen maakt wel zijn eigen boot, maar er is altijd nog de expert die raad geeft en helpt, die iets meer is. Die bekwaamheid heeft hij waarschijnlijk van zijn vader geleerd, die het weer van zijn vader heeft geleerd.
Het is een wereldje waarin de gemeenschapszin enorm groot is, want er is geen scheiding tussen kinderen en volwassenen, ook al zou men dat denken. Er is eenvoudig een scheiding tussen taken. Elke taak op zichzelf is noodzakelijk voor het geheel. Als een van die taken uitvalt, komt het geheel in gevaar. Dat zal ook tot uiting komen in hun godsdienst, in de wijze waarop zij hun contacten met de omgeving beleven, in de manier waarop zij technieken ontwikkelen. Dat is allemaal een geheel, dat kun je niet scheiden.
Dan kun je zeggen, die mensen leven toch heel anders. Waarom zijn bij deze stam (trouwens ook bij vele andere stammen) kinderen zo bijzonder belangrijk? In de landen waar het kind een belangrijkheid heeft die niet kunstmatig wordt opgeschroefd (wat dat betreft heeft Dr. Spock heel wat op zijn geweten in het westen), ontleent het die belangrijkheid aan een grote kindersterfte. Juist in een land waarin veel kinderen sterven, is het kind dat overleeft kostbaar.
In een land waarin de zekerheden voor de ouderen gelegen zijn in de familie waartoe ze behoren, is het kind een kostbaarheid, want het is de toekomst. De plaats van het kind in zo een gemeenschap wordt daardoor bepaald, maar de samenhang in die gemeenschap evenzeer. En dat betekent weer, dat de kunstvorm mede hierdoor wordt bepaald.
Als u kijkt naar Rood-China, dan ontdekt u met enige verbazing dat ondanks alle progressiviteit de kunstvormen gelijk zijn gebleven. Ze hebben wel een andere inhoud gekregen maar het revolutionaire, het drama van de Chinese opera, is in feite een herhaling van de oude strijd van de machtige heerser tegen de soldaten van de Witte Draak. Dezelfde middelen, dezelfde enscenering, dezelfde opvatting, in vele gevallen zelfs dezelfde toonzetting. Hoe komt dat?
China is al heel lang, waarschijnlijk zelfs al 4000 jaar, een streng ingedeelde en zeer stabiele standenmaatschappij geweest. Dat wil zeggen dat stilering in het contact tussen de standen noodzakelijk werd. Het scheppen van machtssamenhangen was alleen mogelijk door het scheppen van symboolsamenhangen. Strijd was in vele gevallen een kwestie waarin bluf en intrige een grotere rol speelden dan bijvoorbeeld mannenmoed. (De Chinezen moeten mij maar vergeven dat ik het zeg, maar het is zo.) Het is duidelijk dat ze de gehele maatschappij hebben geïntegreerd in de wijze waarop ze de kunst manipuleren, hun gemeenschappen indelen, ja zelfs in de manier waarop ze hun wegen hebben aangelegd en hun gebouwen hebben opgetrokken.
Een Yamen (n.v.d.r. een gebouwencomplex in China waar de lokale keizerlijke mandarijn, een bestuursambtenaar, werkte en woonde) wordt omgeven door een muur met daarin een geestenpoort. Waarom die muur? Afgeslotenheid. De kleine gemeenschap waarin de precieze hiërarchie kan worden gehandhaafd en waarin men een vrijheid kent tegenover de grovere hiërarchische samenhang van de buitenwereld. De geestenpoort is er alleen maar om de geesten die daar niet thuishoren (men deed aan voorouderverering) erbuiten te houden. De muur heeft gewoon de taak van selectie, van afscheiding. En of we nu gaan kijken naar de functie van de jademuren en de jadepoorten in het oude keizerlijke paleis of naar de zeer eenvoudige huisjes van de meer vermogende boeren, overal zien we een indeling die vergelijkbaar is.
We zien ook de enorme gebondenheid aan plaats die voortkomt uit een gemeenschap waarin juist het hebben van een plaats zo belangrijk is. Dan is het ook duidelijk dat iedereen die plaats niet alleen zou willen handhaven, maar ook eeuwig zou willen bezitten. Men wil begraven worden in zijn eigen grond. Kerkhof was voor de Chinezen tot voor kort een vloekwoord. Je behoorde in je eigen land en als het kon op het eigendom van je familie begraven te worden, want op die manier bleef je deel van de gemeenschap. Daar komt het op neer. Al die dingen bij elkaar vormen een achtergrond. Als wij kijken naar een ontwikkeling of naar een gemeenschap, dan zien wij alleen de fenomenen ervan. Die fenomenen zijn echter de uiting van de levensachtergrond van de mensen.
Het is misschien interessant te zien dat in uw dagen de gemeenschap de neiging heeft tot fractionering. Ze valt steeds meer in delen uiteen die zich niet meer beschouwen als deel van het geheel, maar als factor die het geheel dient te beheersen. Op het ogenblik dat die fractionering ontstaat, is het duidelijk dat ook de kunst diezelfde kant moet uitgaan.
Als je bepaalde doeken van Picasso ziet, dan zal de leek zeggen, waarom zit een oog daar waar ik een arm zou tekenen en het andere oog waar ik een teen zou afbeelden? Waarom zweeft het hart daar rechts onder en zitten de armen en benen met elkaar verknoopt ergens in het midden? Maar als je kijkt naar de maatschappij zoals ze is met al die tegenstellingen, met die voortdurend om macht, om betekenis, om bezit intrigerende groepen die samen dan een natie of een gemeenschap uitmaken, dan is dat eigenlijk een logische uitdrukking. Door de verschuiving van waarden is de eenheid teloor gegaan. Dat zal de kunst moeten uitdrukken.
Dan komt er een ogenblik dat de mensen zeggen, wij moeten een ideaal vinden waardoor we een kunnen zijn. Het is dan logisch dat wanneer men zoekt naar het ideaal, naar een denkbeeld dat sterker is dan de werkelijkheid, men zal komen tot een verandering van die werkelijkheid. Men gaat dan in de richting van magisch realisme, magische symboliek. In een tijd waarin alles gereglementeerd is, krijg je ongetwijfeld de geïdealiseerde uitdrukking, maar ook de totale gelijke weergave van de andere kant van de werkelijkheid. Dan krijgen we het zuivere naturalisme waarvan de technieken misschien zo hier en daar verschillen, maar waarvan de uitbeelding toch steeds uitgaat van absolute herkenbaarheid, van de vastlegging van het bestaande. De een zal dat dan doen met pointillisme, de ander met de brede penseelstreek. Maar de herkenbaarheid, de weergave van de werkelijkheid om daarmee je behoren tot die werkelijkheid uit te drukken, is dan de gangbare kunstvorm.
Op het ogenblik dat men de werkelijkheid of delen daarvan niet wil zien, krijgen we de romantisering, de neiging om alles zo buitengewoon mooi te maken. Dan wordt La Dame aux Camelias een heldin en is ze niet meer een wat tragische dame met een horizontaal beroep, wat ze toch in feite was. Dan zien we plotseling Watteau-achtige landschappen waarin de mensen dartelen als elfen of teruggekeerd zijn naar de ratuur.
Maar dat is de achtergrond van de maatschappij die daartoe de aanleiding is. Het is een tijd waarin men alles probeert terug te brengen tot ’terug naar de eenvoud’, een Rousseau tendens. Die kunnen we terugvolgen tot voor de val van het koningschap, een aardig eind verder zelfs. En waarom? Omdat de mensen een uitweg zoeken uit een te strak geworden gewoonte. Een koning wil eigenlijk liever slotenmaker of klokkenmaker zijn dan koning. De koning wordt een belasting. Dat zien we elke keer weer. Als in een cultuur grote veranderingen optraden, dan moeten we kijken naar de achtergrond. En dan zien we dat daar vaak de tegenstelling waar wordt. Op het ogenblik dat daar een absolute druk wordt uitgeoefend door het bestaande, wijkt men uit naar het andere en dat doet men religieus en artistiek.
Ik kan dit onderwerp nu wel voldoende geïllustreerd achten en zou hieraan nog enkele korte regels willen toevoegen. Elke cultuur wordt geboren uit de omstandigheden waarin de mensen leven en wordt in haar uiting bepaald door de denkwijzen die de mensen nodig hebben om zich te kunnen handhaven in het bestaande patroon.
De factoren van de natuur en van andere onbeheersbare krachten spelen een grotere rol in elke cultuurachtergrond naarmate de mens hierdoor meer wordt getroffen. De mens zal altijd zijn gedrag, zijn denken en zijn uiting aanpassen aan datgene wat hij ondergaat, niet aan datgene wat hij in wezen is of doet.
Om een cultuur te begrijpen, zal men zich dus niet moeten afvragen: hoe sta ik tegenover de uiting? Men zal zich moeten afvragen onder welke condities en omstandigheden is het tot stand gekomen? Wat is de geschiedenis van de mensen en de mensheid op het ogenblik, dat deze uiting naar voren springt? Alleen zo zal men door alles heen de werkelijkheid kunnen zien. Want de cultuur is de werkelijkheid. Alleen, een werkelijkheid die wordt geschreven onder bepaalde condities en daardoor een psychische conditionering veronderstelt bij hen die haar willen begrijpen.
Ik heb getracht de zaak duidelijk te stellen. Ik had natuurlijk veel meer kunnen aanhalen, maar ik dacht dat u Egypte interessant zou vinden. Ik heb dat als hoofdvoorbeeld gebruikt. Wilt u a.u.b., wanneer u hiermee bezig bent, u ook eens afvragen hoe men kan komen tot woonsteden als Zoetermeer, wijken als Morgenstond? Vraagt u zich eens af waarom? Vraagt u zich af welke drijfveren de mensen hebben om zich in feite toch te onderwerpen aan een dergelijke norm, een dergelijke beperking van hun uitingsmogelijkheid in wezen. Wat is de reden? Als u dat doet, dan begrijpt u de tijd waarin u leeft en begrijpt u ongetwijfeld ook een beetje beter waarom u reageert zoals u doet, zelfs op mijn wezen.
Commentaar
Als je het hebt over de achtergronden van de cultuur, dan is het net alsof je spreekt over de enscenering van een toneelstuk. Het is waar, een toneelstuk wordt voor een groot gedeelte bepaald door wat men de ambiance (omgeving) noemt. Je kunt de betekenis van een stuk wijzigen alleen door het in andere decors te plaatsen en in andere kostuums te spelen. Toch blijft het hetzelfde stuk.
Als u onze vriend en inleider heeft horen spreken, dan krijg je zo het gevoel: die achtergronden veranderen steeds en daardoor veranderen de cultuur en de mensen. Ik heb meer het idee dat de mensen niet veel veranderd zijn, maar dat door een voortdurende verandering, een voortdurend changement de decors, soms zeer verrassend zelfs, hetzelfde stuk toch weer anders klinkt. Persoonlijk heb ik altijd het gevoel dat je cultuur niet kunt onderbrengen bij een bepaald volk, het hoort meer bij een bepaalde mentaliteit.
Als ik denk aan de waanzinnige Beierse vorst (Ludwig II) die een fantastisch mooi slot heeft gebouwd, het moest mooier zijn dan Versailles. Ik denk dan aan Wagner met zijn eigen mystiek en eigen monumentaliteit, om niet te zeggen pompeusheid, en ik denk dan aan het Derde Germaanse Rijk waarin Wagner weer een symbool werd, dan zeg ik, dit is eigenlijk een eenheid van mentaliteit. Bepaalde dingen slaan aan bij mensen die op een bepaalde manier denken, daarom zullen zij die op de voorgrond schuiven en dan wordt de cultuur mede daardoor bepaald. Ik vind dat helemaal niet zo gek, als je het goed bekijkt.
Als we denken aan der Ring des Nibelungen, was Willem niet een goede smid? Hij heeft namelijk het wapen van de nederlaag gesmeed waarmee later het Derde Rijk zich kon bewapenen. Aangezien onze vriend het zo nodig vond om in Egypte te beginnen, wilde ik ergens anders naartoe gaan.
Als ik zo kijk naar de manier waarop mensen denken en reageren, dan kom ik tot de conclusie dat cultuur eigenlijk meer een gewoonte is. Ze wordt bepaald door de manier van denken. Het is allemaal in de mens. Als u denkt dat dit een deel van de cultuur is, dan ligt het niet aan het feit dat wij cultureel zijn maar aan het feit dat u een bevestiging vindt voor zaken die u noodzakelijk acht voor uw gemoedsvrede, voor uw benadering van het bestaan en dientengevolge beschouwt u dit als waardevol. Als voldoende mensen het als waardevol beschouwen, wordt het cultuur.
Ik moet altijd weer denken aan dat bekende grapje van het joodse jongetje dat voor het eerst in een katholieke kerk was. Hij zag dat met andere ogen. Hij zei: “Ik vind het een mooi beroep. Even buigen zus, even buigen zo, hoedje af, hoedje op, een keer knielen, weer hoedje af, hoedje op en dan rondgaan met de centenbak. Dat levert aardig wat op.” Het drama dat de katholieke kerk erin ziet, was kennelijk aan dit jonge mens volledig voorbijgegaan. En aangezien zijn eigen culturele opvattingen waarschijnlijk bepaald werden door de handel in sinaasappelen of iets dergelijks, was het duidelijk dat hij ook in die termen al wat hij in de katholieke kerk zag, waardeerde.
De culturele opvattingen van de mensen worden dus bepaald door de omgeving en de omstandigheden. En dan wordt het ineens begrijpelijk dat de AJC (n.v.d.r. De Arbeiders Jeugd Centrale was tussen 1918 en 1959 een socialistische jeugdbeweging, opgericht door de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) met haar vroegere liederen en de zogenaamde volksdansen (ik vond het meer een soort huppelontspanning) een bepaald cultureel element was. Ze gaf uiting aan een behoefte van de mens, onder andere het naar buiten gaan, het strijdbaar zijn (strijdliederen) en het terugkeren tot de natuurlijkheid, tot de onderlinge relatie van de mensen, die dan bij gebrek aan de huidige opvattingen moest worden uitgedrukt in een dansje rond de Meiboom of zoiets.
De situatie wordt voor mij gemakkelijker interpreteerbaar naarmate het dichter ligt bij mijn eigen bestaan. Ik zal ongetwijfeld ook wel geconditioneerd zijn om bepaalde zaken als aanvaardbaar en andere als onaanvaardbaar te beschouwen. Maar die conditionering maakt niet uit wat goed of kwaad is of wat er bestaat. Het maakt alleen uit wat ik beschouw als passend binnen het culturele patroon van mijn tijd en de uwe.
Ze zeggen altijd, dat er een grote kloof tussen de generaties is. Dat kan ik best begrijpen. De oudjes mochten bepaalde dingen niet en andere wel. De jongeren zeggen: wat jullie niet mochten, dat doen wij wel en aan dat andere hebben we geen behoefte meer. Dus is het begrijpelijk, dat de oudjes zeggen: die jongeren deugen niet. Maar die jongeren hebben alleen een eigen manier van leven, een eigen benadering van het bestaan gevonden. De grote vraag is nu maar: is er iets te vinden wat de oudjes en de jongeren ook hebben en aanvaardbaar vinden? Dus een punt waar zij niet met elkaar in strijd zijn of elkaar beoordelen, maar waarmee ze samen iets kunnen doen. Dan is dat wat de band door de generatiekloof is, eigenlijk de cultuur zelf. De culturele achtergrond mag dan door de omstandigheden worden bepaald, maar de cultuur zelf moet dan toch wel gebaseerd zijn juist op datgene wat van geslacht op geslacht van betekenis is.
Als je je bezighoudt met de godsdienst, zie je precies hetzelfde. Als je te maken krijgt met een kerkelijke organisatie, dan merk je dat ze voor een ding doodsbenauwd is: de mystiek. Weet u waarom? Omdat zij zich weliswaar baseert op zaken die op zichzelf mystiek zijn, maar gelijktijdig beseft ze dat haar reglementen, haar vaste lijn wordt bedreigd indien ze de mystiek teveel toegang geeft in haar machtsgebied. Dientengevolge schakelt ze de mystiek uit.
Hetzelfde is het met een econoom. Deze begrijpt heel goed dat er menselijke elementen zijn, die zijn berekeningen volledig oncontroleerbaar kunnen aantasten. Maar als hij toegeeft dat die menselijkheid inderdaad een rol speelt in wat hij als economie beschouwt, dan geeft hij toe dat zijn economische regels niet meer helemaal toepasbaar zijn. Hoe moet hij dan berekenen wat er morgen moet zijn, terwijl het nu gebeurt? Dat zijn de moeilijkheden waarmee hij te kampen heeft. Het feit op zich dat men die regels hanteert, is volgens mij weer deel van een cultuurpatroon.
Waarom, denkt u, zouden de economen zoveel invloed hebben in deze tijd? U kunt het bepalen als u naar het verleden kijkt. Realiseert u zich dat de economie, zoals dat toen nog niet zo plechtig werd genoemd, ineenstortte toen de situatie bij ‘de Wall Street crash’ ontstond, dat de economie in Duitsland in puin viel door de enorme geldontwaarding en in Nederland door de sterk toenemende werkloosheid. In alle landen is iets dergelijks gebeurd.
Toen hebben ze gezegd: Wij moeten een wet ontwerpen waardoor dat niet meer kan voorkomen. Maar een dergelijke wet kun je alleen ontwerpen, indien je de menselijke factor uitschakelt en dat proberen ze nu. Dientengevolge heeft men een wetenschap nodig op grond waarvan men dergelijke toevalsreacties meent te kunnen corrigeren. Dat het niet lukt, is duidelijk. U heeft nu al verschillende kabinetten gehad waarin economen zaten. Goed verpakt zelfs. Elk van die kabinetten heeft steeds weer nagelaten dat te doen wat nodig was en gedaan wat overbodig was. Die mensen hebben een geloof, net als de paus. De paus spreekt de zegen uit. Een kabinet schrijft de Troonrede. Een klein verschil, maar het is dezelfde zegen die men een ander toedenkt.
Alles moet verklaarbaar zijn uit het gebeuren. Dat ben ik in ieder geval met mijn voorganger eens. Wanneer je rekening houdt met hetgeen jezelf is overkomen in het verleden, dan wordt daardoor mee bepaald in welke richting je zult streven en zo proberen je waar te maken in deze tijd.
Er zijn jongetjes die nog lang in hun bed doen. Dat is een heel droevig probleem en daar krijgen ze klappen voor. Ze hebben het toen op een schreeuwen gezet en later de behoefte gekregen om zich te laten gelden. Dat zijn dan de bekende beat zangers geworden, die blèren nog steeds, maar nu tegen betaling. U zult zeggen: waarom vindt de jeugd dat nu mooi, dat stampende oerritme? Het is duidelijk, die kinderen hadden behoefte aan iets waarin zij zich konden uitleven. Ze hadden geen behoefte aan cultuur, ze hadden alleen behoefte aan iets wat hun de kans gaf om zich emotioneel op te laden en te ontladen.
Er zijn mensen die zeggen: Dat heeft allemaal te maken met vrije seksualiteit. Ik zie dat er helemaal niet in. Als je twee van die schokkende jongeren tegenover elkaar ziet staan, de afstand tussen beiden is nog altijd een halve meter, dan zie ik dat lang niet zo seksueel als twee mensen die een Weense wals dansen. Die zitten aan elkaar gekleefd. Men geeft er dus een andere verklaring voor. Dat de jeugd daaraan behoefte had, wordt volgens mij bepaald door de situatie waarin ze leefden. Ze wilden zich losmaken van iets. Ze wilden zich uitleven en daar hadden ze dan een manier voor om dat te doen. Ze hebben er nu misschien niet meer zoveel behoefte aan om dat op die manier uit te leven, maar ja, nu zijn alle orkesten vervangen door de elektronische pingelinstrumenten.
En dat betekent dat je misschien wel weer teruggaat naar Mozart en Haydn, maar dan wel met slaggitaar, basgitaar en sologitaar samen in een trio. Dan zou Haydn misschien denken: “Dat komt me bekend voor.” Dat is nu weer de achtergrond. Wat er is, bepaalt wat er komt. Niet qua mentaliteit maar qua instrumentaliteit. En als het met muziek zo is, dan moet het met iets anders ook zo zijn.
De schilders van vroeger stonden zich rot te werken om verf te mengen. Dat ging op een heel speciale manier. Ze kregen daardoor een eigen coloriet en duurzaamheid. Wie doet dat tegenwoordig nog? Er zijn grote fabrieken, die leveren je dat in tubetjes. De meeste schilders verven nu uit een tube. Je kunt dan zeggen, die kunst is niet vergelijkbaar. Maar er zijn vandaag de dag mensen, die nog steeds de Nachtwacht schilderen. Alleen, ze schilderen met moderne verf. Er zijn mensen die op dit moment nog heel goed in staat zijn om alle klassieke doeken na te maken. Er is een hele vervalsingsindustrie. Maar de meeste van die schilders nemen niet de moeite om die ouderwetse verf te maken, die doen het met Talens of zo. De middelen veranderen, de mogelijkheid blijft hetzelfde. Ik meen dat je dat in de ontwikkeling van de cultuur toch ook in de gaten moet houden. De achtergrond van de cultuur wordt niet alleen bepaald door de mentaliteit van de mensen, maar ook door de middelen, die ze op een gegeven ogenblik tot hun beschikking hebben. Ik kan mij best voorstellen dat er in Egypte iemand is geweest die in staat zou zijn om muziekwerken te scheppen even groot, of groter dan Beethoven. Maar de man beschikte alleen maar over een sistrum (rinkelinstrument). Dus werd het voor hem lofliederen waarbij de menselijke stem, het rinkelinstrument en nog zo wat, een rol speelden. Dat is dan weer teloor gegaan.
Tegenwoordig zijn er mensen die weer teruggaan naar de natuur. De harpen komen weer in aanzien. Vroeger was de harp het eenvoudigste snaarinstrument, daar werd in Babylon ook al op gespeeld. Het is logisch dat hun muziek dan gebaseerd moest zijn op de mogelijkheden van de instrumenten, zo goed als de Grieken een groot gedeelte van hun muziek gebaseerd hebben op de mogelijkheden van de fluit.
Dan kunnen we zeggen: de Griekse kunst heeft bepaalde karakteristieken. Dat is waar vanuit uw standpunt. Maar vroeger was het toepassen van reien (koorzang) een eenvoudige methode om een scènewisseling op te vangen, om duidelijk te maken dat de scène zich ergens anders afspeelde. Dus werd de indeling van de drama‟s mede bepaald door die reien. Dat was gewoon wat men tegenwoordig doet door het gordijn op te halen en neer te laten. Je kunt niet zeggen dat daardoor de inhoud anders is. Als je goed kijkt, zijn er in de oudheid drama‟s geschreven, die erg veel doen denken aan het meer declamerend uitgewerkt zijn van het thema van “Who’s afraid of Virginia Woolf”. Heel veel van hetgeen er in de oudheid bestond, kan vandaag de dag, mits aangepast aan de moderne middelen, nog precies zo mee. Je kunt je voorstellen dat veel van het moderne toneel eens gespeeld zou kunnen zijn in de een of anderen openlucht arena waar het klassieke toneel vroeger opereerde. Misschien in een van de hallen die daarvoor werd gebruikt in bijvoorbeeld Rome.
Nu moeten we ook een paar conclusies gaan trekken, die niet zo lijnrecht zijn. De mentaliteit van de mens is in de loop van de menselijke geschiedenis in verhouding niet zo erg veel veranderd. Alleen de manier waarop de mentaliteit tot uiting komt, verandert wel. Dan is de mentaliteit dus de overbrugging van wat ik zo even noemde de generatiekloof, een kloof tussen de tijdperken. Ze is eigenlijk de basis waarop elk cultuurpatroon moet berusten, omdat de mentaliteit eenvoudig alles samenbrengt, ongeacht hun afwijkende vormen. Daaraan moet je de conclusie verbinden dat de beschikbare middelen voor de uiting van een cultuur veel belangrijker zijn dan de afzonderlijke vormen, die per gemeenschap kunnen ontstaan. De vormen zijn duidelijk, maar ook de aankleding is belangrijk.
Als je spreekt over de achtergronden, dan spreek je over de mensen. Als je spreekt over de mens, dan spreek je over een wezen dat heeft geleerd om met parlementaire taal te slaan in plaats van met een knots en dat voor de rest nog niet veel is veranderd. Dan spreek je ook over mensen die nadenken over een atoombom zoals ze eens nadachten over de vraag, of je met een steenlawine een sabeltandtijger zou kunnen doden.
Begrijp dat de mens de kern is, dan kom je verder. Ik vind het aardig dat er gezegd is: denk eens na over uw eigen tijd, uw problemen, uw satellietsteden en wat er allemaal aan vastzit. Maar is er ergens niet altijd weer diezelfde honger van de mens om zichzelf te zijn, om de eerste te zijn in zijn gemeenschap, om met alle middelen zichzelf als het ware te verweren tegen anderen? Is dat niet kenmerkend voor de mentaliteit van de mens door alle eeuwen heen: de eenzijdigheid, om niet te zeggen de gewetenloosheid vaak, waarmee hij zijn doeleinden nastreeft? Daar heeft u de bindende factor.
Die bindende factor zou wel eens erg belangrijk kunnen zijn om al die cultuurachtergronden van elkaar te onderscheiden. Wat voor middelen heeft een mens om al deze kwaliteiten, die hij zelf zo graag ontkent, uit te drukken? Dan kunnen we ook zien wat de cultuur van een volk zal zijn. Als ik naar de toekomst kijk, dat is goed denkbaar, wat zal dan de culturele achtergrond zijn?
Wij hebben in de eerste plaats meer sentiment nodig, juist omdat de gemeenschap waarin men leeft deze sentimentele uiting niet toelaat. De mens in zijn zelfzucht heeft een voortdurend beroep op sentimenten nodig om zichzelf te rechtvaardigen. We zullen dus ongetwijfeld een tijd tegemoet gaan waarin een bepaalde romantiek weer veel meer op de voorgrond komt. Het ‘mens durf te leven’ wordt herboren. De Marie van de toekomst zal misschien Mary heten en ze vrijt waarschijnlijk met een popster in plaats van met een soldaat, maar vrijen zal ze. Dat komt gewoon terug,
De godsdienst is ook in vele gevallen de rechtvaardiging voor hetgeen de mens doet. Hoe zal de godsdienst zich dan verder ontwikkelen? Misschien in de richting van een maatschappelijke dogmatiek. Maar als dat altijd in de eerste plaats een zelfrechtvaardiging blijft en pas in de tweede plaats een mogelijkheid om de eigen werkelijkheid weg te drukken en daardoor een stukje van de goddelijke werkelijkheid te beleven, dan neem ik aan dat de mensen op een gegeven ogenblik zullen zeggen: we hebben genoeg van de steden.
Mensen hebben echter behoefte aan holen en aan gezelschap. Dus misschien komen ze van steden tot dorpen, maar dan zullen ze hun dorpen toch weer tot steden laten uitgroeien. Ik geloof niet aan een wereld waaruit de steden verdwenen zijn. Ze zijn gewoon deel van het menselijk instinct. En zolang de mens de middelen en de mogelijkheden heeft om steden te bouwen, zal hij ze bouwen. Hij bouwt er misschien de illusie van isolement in, van de vrije natuur, maar hij zal niet werkelijk de afstand scheppen tussen zichzelf en anderen, als hij het kan vermijden. Daarvoor is de stadsmens te belangrijk geworden in praktisch alle culturen, met uitzondering van Afrika, waar de meerderheid nog wel aan de natuur gewend is. Maar zelfs bij dezen bestaat de hang naar zekerheid, naar het beloofde land van de stad, ook als dat tenslotte een Bidonville blijkt te zijn.
De conclusies die ik hier trek, zijn anders dan van mijn collega. Maar over een ding zullen we het tenslotte wel eens worden. Als we beseffen dat de menselijke mentaliteit gebaseerd is op een instinctieve drang tot zelfbehoud die door talloze geslachten voortdurend werd versterkt, dan weten we ook dat de mensen zich op een weg bevinden waarvan ze niet zonder meer bunnen loskomen, althans niet in uiterlijkheden. Zelfs als de mens om zichzelf te redden zijn totale gewoonten moet veranderen, dan zal hij dat niet gemakkelijk doen.
Voor de gehele mensheid is het probleem van het veranderen van de eigen manier van leven veel groter dan voor een zware roker, die plotseling besluit dat hij ermee moet ophouden, omdat een zekere dokter Meinsma hem heeft verteld dat het zijn dood is. Dat zijn de problemen waarmee je zit.
Dan is de rechtlijnigheid te verklaren door de behoefte van de mens om zichzelf te handhaven. Het is de drang tot zelfhandhaving. En die is even goed te verklaren voor de neiging van de kerk om abortus af te wijzen, als voor de neiging van bepaalde staten waar een overbevolking is, terwijl men gelijktijdig een soort staatkundige dictatuur nastreeft om een bevolkingsgroei te beperken. Dit heeft niets te maken met wat men noemt: de hogere beginselen, de hogere ethiek. De hogere beginselen zijn zo goed als de kunstvorm alleen maar de rechtvaardiging van het voor zelfbehoud als noodzakelijk erkende. U vindt het misschien erg ontluisterend, maar ik geloof dat het niet kan worden ontkend als je in de wereld bent.
Dan stel ik hier verder de conclusie dat de mens, die in conflict leeft met zijn eigen werkelijkheid, de neiging zal hebben om die werkelijkheid uit te beelden. Hij zal dat doen, omdat hij op deze manier afstand neemt van hetgeen hij zelf is. De mens echter die tevreden is met zichzelf, zal niet tevreden zijn met zijn wereld. In die ontevredenheid zal hij proberen een wereld te creëren die bij hem past. En zo schept hij dan het, in feite abstracte, toneel waarop hij zelf misschien optreedt als vorst, terwijl hij putjesschepper is of als slaaf als hij koning is. Het is de poging om aan te vullen.
Datzelfde zou ook in woningen tot uiting kunnen komen. Het is een poging om jezelf aan te vullen, zekerheid te geven, maar vooral om jezelf uit te drukken. Dat is de reden waarom de buren een nieuw bankstel kopen en u opeens ontdekt dat uw meubeltjes ook versleten zijn en met een vrij credit van de een of andere bank kunt u ook nog wel een mooi bankstel kopen. Of u het kunt betalen, zult u later wel zien. Dat is ingebouwd in de totale maatschappij, maar vooral in de drang om jezelf waar te maken, om je te laten gelden, om in feite te overleven. Dit is dan in mijn commentaar de eindconclusie. Alle cultuur is niets anders dan de uitdrukking van de wil tot overleven, waarbij de mens probeert afstand te nemen van al datgene wat hem in zijn wereld of in hemzelf onaanvaardbaar voorkomt.
Zucht
Wat is een zucht? Een ademtocht die in haar ongenoegen sterft, terwijl ze zacht verwaait. Een zucht is leven in de tijd. Een kort moment van ongenoegen en verbazing dat vergaat, voordat je eigenlijk goed weet wie je bent en waarom je leeft.
Alles verandert en alles vergaat. En steeds weer ontstaat dat ogenblik van aarzeling, van afwijzing, van bewondering of stil verlangen, dat evenals een uitgestoten adem afweert of omvaamt, waarneemt of verwerpt en dan opeens voorbij is, opgelost.
In ons leven zijn vele dingen waarover we zuchten en niet altijd van vreugde. We beseffen te weinig dat die dingen even vluchtig zijn als onze zucht. Datgene wat wij er zelf van maken, blijft voortbestaan.
Dat is hetgeen ons motiveert, wat ons verder drijft. De feiten die vergaan. En als het hele bestaan, de hele eeuwigheid in wezen is gerealiseerd, ach, dan zucht je een keer en dan is die illusie voorbij. Dan wordt de werkelijkheid geboren. Met een zucht uit de schijn naar de werkelijkheid, wanneer je beseft dat die zucht niet alleen maar een gemoedsuiting is, maar een kenteken van vergankelijkheid waarin het enige dat blijft bestaan, het onveranderlijke is.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
