december 1964
Voorstellingsvermogen – deel 1
Het voorstellingsvermogen van de mens is niet slechts bepalend voor de wijze, waarop hij de wereld beleeft, maar ook voor de invloed, welke hij op die wereld kan uitoefenen. Indien wij leven in een wereld, die ons aan alle kanten domineert, dan kunnen wij door dat voorstellingsvermogen toch bepaalde waarden zo veranderen, dat die wereld ons niet geheel beheerst maar haar invloed door ons nog bewust en persoonlijk wordt gebruikt.
Indien wij beïnvloedingen van uit de kosmos ondergaan, dan kunnen wij daaraan natuurlijk ten onder gaan, indien wij ze niet begrijpen. We kunnen die krachten als drijvende factoren gebruiken, als wij ze kennen en daardoor een doel bereiken dat anders misschien niet bereikbaar zou zijn. Maar wij kunnen ook nog iets anders ermee doen.
Wij kunnen ons een voorstelling opbouwen van wat voor ons het belangrijkst is. Die voorstelling zal niet stroken met de werkelijkheid, maar en ik verwijs u hiervoor ook naar de andere cursus men zal door dat voorstellingsvermogen iets kunnen verwerkelijken. Het kan zo worden gesteld.
Datgene, wat in mij als denkbeeld scherp gevormd en geformuleerd bestaat, zal door mij in de geest en in de materie zoveel mogelijk worden verwezenlijkt. Ik zal met mijn gehele wezen daarop gericht zijn en ik zal elke mogelijkheid tot verwezenlijking ook erkennen. Hierin ligt voor de moderne wereld en al wat daarin een rol speelt, geloof ik, wel een heel belangrijke factor van bewustzijn en bestaan. Naarmate men zich minder kan voorstellen dat bv. een atoombom gevaarlijk is, zal men meer geneigd zijn die atoombom te gebruiken. Naarmate men het gevaar als ten vage, niet te definiëren kracht voorstelt, zal men de angst ondergaan, maar men zal het wapen niet kunnen bestrijden. Indien men weet, wat precies de gevaren zijn van de atoombom, kan men alle maatregelen nemen die ertoe zullen leiden, dat dit gevaar wordt verminderd en op den duur wordt opgeheven.
Dit is maar een enkel voorbeeld, Maar hoeveel mensen zijn in staat zich een voorstelling te vormen van de werkelijke betekenis van het gebeuren in de wereld rond hen? Wij zien dat er in de politiek, in de economie, in de sociale verhoudingen wel degelijk voorstellingen bestaan, die scherp gedefinieerd zijn. Maar wat blijkt nu? Deze voorstellingen kunnen niet altijd worden verwezenlijkt. De reden, waarom ze niet kunnen worden verwezenlijkt, is wel dat zij zo sterk verschillen van de feitelijke omstandigheden, dat men eigenlijk misleid door zijn eigen voorstellingsvermogen dingen nastreeft, die onbereikbaar zijn.
Ik denk hier bv. aan het streven van een deel der roomse clerus om een absoluut religieus gezag te handhaven met ontkenning van het recht van andere christelijke groeperingen op een vrij, althans enigszins waardig bestaan naast deze kerk. Ik kan mij voorstellen, dat een katholiek geestelijke voor zich dit onaanvaardbaar vindt. In zijn voorstelling is zijn kerk de enig ware. Is zij dat echter in wezen? Voor hem, ja. Voor een ander kennelijk niet, want de invloed van deze kerk op de wereld is zelfs daar, waar zij het openbaar leven nog schijnt te domineren, in feite betrekkelijk gering. Zolang men uitgaat van een maximale invloed en een maximale verantwoordelijkheid, ook op een terrein, waarop deze in feite niet kunnen bestaan, zal men dus optreden op een manier die steeds meer krachten tegen deze geestelijkheid en haar gezag in het geweer roept. In Portugal en Spanje en in mindere mate ook in Italië kan men deze ontwikkeling als het ware op de voet volgen. Men kan zien hoe juist het optreden van deze mensen met de beste bedoelingen en volgens een scherp gevormd beeld grote weerstanden wakker roept. Die weerstanden ontstaan, doordat het voorstellingsvermogen niet in staat is zichzelf te toetsen aan de feiten. Nu moet u zich eens indenken wat er in de wereld werkelijk bestaat. In de wereld hebben wij te maken met mensen en menselijke verhoudingen. Wij kunnen deze baseren op vrijheid en dan zullen wij moeten uitgaan van een persoonlijk te verwezenlijken beeld (ons eigen doel in het leven), maar wij mogen anderen niet daarbij betrekken. Wij kunnen ook uitgaan van een totaalbeeld, dat in de wereld moet worden bereikt, maar dan moeten wij afstand doen van alle vrijheid, ook onze persoonlijke. In beide gevallen is een verwezenlijking mogelijk, zij het niet blijvend. Zodra men echter voor zichzelf vrijheid opeist en die anderen niet wil geven, of anderen een vrijheid schenkt, terwijl men zichzelf een binding oplegt, zal er altijd strijd ontstaan, waardoor het deal zelf onbereikbaar is geworden en waardoor men zelf dus verwikkeld raakt in allerhand problemen die men niet begrijpt.
U leeft in deze wereld. U heeft een eigen beeld van die wereld, van uw plaats en taak daarin, van een hiernamaals, misschien van een God, kortom, van vele dingen. Vraag u allereerst eens af, of die voorstellingen wel scherp genoeg gedefinieerd zijn. Wij hebben niets aan een vaag beeld “dat wij goed moeten zijn”. Wij moeten weten wat goed is en hoe wij goed moeten zijn; niet hoe een ander het moet zijn. Hoe wij het moeten zijn. U hebt misschien een voldoende voorstelling van wat sociaal interessant zou zijn en u streeft die dingen misschien na. Maar u moet die voorstelling zo scherp uitwerken, dat u niet alleen het vage ideaal beseft maar ook de gevolgen ervan. U kunt voor uzelf een ideaal hebben van een bepaalde wijze van leven of van werken. Dat is helemaal niet erg. Maar maak u daarvan een voorstelling, die zo nauwkeurig is, dat u daarvan de voor- en nadelen tegen elkaar kunt afwegen. Indien u dat nl. doet, dan weet u ook hoe u er in werkelijkheid voor staat. U bedriegt uzelf niet meer. Zelfbedrog is in de wereld op het ogenblik een zeer belangrijke factor. We hebben daarop een vorige maal — meen ik — ook al gewezen, maar toch lijkt het mij goed daarop nog even terug te komen.
Elke mens, die zich een bepaald eindig doel voorstelt en aanneemt dat het bereikte einddoel blijvend is, maakt al een fout, toch streeft men naar vele dingen, alsof zij een blijvende bereiking zouden inhouden. Men gaat uit van het standpunt, dat bepaalde wetten alleen kunnen gelden voor bepaalde mensen en voor anderen niet. Een voorstelling, die ook in deze tijd bij velen heel sterk leeft. Een wet, die niet voor allen geldt, is geen wet. Een verwezenlijken van een wet of zelfs van een regel voor een deel van het volk, terwijl anderen daarbuiten blijven, betekent tegenstanden oproepen, waardoor die wet zichzelf bestrijdt en in het eindresultaat zal overslaan naar het tegendeel. Het is goed daarop nog een keer te wijzen. Het is niet alleen een kwestie van eenzijdigheden. Het is niet alleen de eenzijdigheid van de bestreving, maar het is vooral ook het hebben van een onjuist beeld van het Al of van de wereld. Om een dergelijk beeld te kunnen vormen in overeenstemming met de tendensen, de invloeden en krachten van deze tijd zullen wij in deze dagen dus ons wezen, de wereld en ook een eeuwiger waarde (God bv.) moeten omschrijven. Ik stel dan:
- In deze dagen bestaat het gezag van de massa. Aan dit gezag kan niemand zich onttrekken. Zelfs degene, die gezag aan zich trekt, zal dit alleen krachtens de massa kunnen uitoefenen. Dientengevolge kan niet in waarheid worden gestreefd naar enig zuiver persoonlijk gezag en kan men weliswaar eigen denkbeelden stellen boven die van de massa, maar men mag op de verwerkelijking daarvan niet rekenen.
- Kosmische krachten beïnvloeden in deze dagen de natuur, de wereld zelf en ook de mensheid. Deze kosmische krachten bepalen wel tendensen, maar niet de feiten. De tendensen kennende, kunnen wij voor onszelf bepaalde feiten waar maken of vermijden. Wij kunnen dit nimmer voor de massa, gezien het onder 1. gestelde. Dan moet onze bemoeiing in de eerste plaats zijn gericht op onszelf, onze eigen mogelijkheden en ons persoonlijk contact met wereld en mensheid.
- Elke kosmische kracht vernietigt iets en bouwt iets op. Doordat in haar een bepaalde eenzijdigheid van gebeuren wordt bepaald, moeten wij begrijpen dat zij al datgene, wat niet tot die kracht behoort, in belangrijkheid doet terugtreden. Indien zo’n waarde uit zichzelf niet voldoende inhoud bezit, gaat zij teniet. Elke waarde, die in overeenstemming is met een kosmische kracht, ook al bezit zij van uit zichzelf niet voldoende belangrijkheid, treedt tijdelijk op de voorgrond en zal — gesteund door die kosmische kracht — soms een grote belangrijkheid kunnen verwerven. Elke kosmische kracht betekent dus een omwenteling op een bepaald terrein.
- De wereld kent in het bewustzijn der mensen zowel als in de verwezenlijking van de wil der mensen een zekere traagheid. Hoe groter de massa, die een bepaalde wil, een bepaald bewustzijn kent, des te groter de vertraging, die zal optreden. Kosmische krachten zullen in betrekkelijk korte werktijd een invloed vestigen, die vele jaren kan voortbestaan. Kosmische invloeden zullen dus wel als zuivere kracht optreden, maar slechts in vermenging met andere krachten in hun gevolgen kenbaar worden.
- God is voor de wereld een veel gebruikte naam en term, die het meest voorkomt in verband met zelfrechtvaardiging of zelfverheffing. Er is met die God geen beeld verbonden, voldoende zuiver en scherp omschreven om de mens zelf te brengen tot een duidelijk gericht en bewust gedrag.
Aan de hand van de voorgaande punten stel ik nu conclusie I: Het is gezien de normaal levende waarden op deze wereld plus het begrip God bij de doorsneemens niet mogelijk een directe en bewuste reactie of vernieuwing tot stand te brengen, die een groter deel van deze wereld omvat.
Dan krijgen wij weer een aantal kleine stellingen en regels. Deze hebben uiteraard in de eerste plaats te maken met onszelf. We beginnen met:
- In het “ik” is het besef van dit “ik”, de aandacht voor de wensen van dit “ik” en zelfs de voorstelling, die dit “ik” zich van zichzelf en van de wereld maakt, bepalend voor de verhouding die met mensheid, wereld en God voor dit “ik” bestaat.
- Naarmate in het “ik” een duidelijker voorstelling bestaat van een feit, een mogelijkheid, een toestand, zal dit “ik” juister, bewuster en scherper reageren. Hoe vager de voorstelling, hoe onvollediger het in het “ik” bestaande beeld, des te onbewuster de reactie zal zijn.
- Alle krachten in de kosmos en in de wereld beïnvloeden het menselijk voorstellingsvermogen, maar de mens heeft daarbij de mogelijkheid al datgene, wat hem niet past, te ontkennen. Door deze ontkenning van vele concreet bestaande invloeden zal in het menselijk voorstellingsvermogen een hiaat voorkomen, die het noodlot of het onverwachte brengt in de plaats van het bewuste streven, omdat men niet beseft dat men zelf dit noodlot heeft veroorzaakt door de eenzijdigheid of beperking van voorstelling.
- De wereld als geheel wordt door de mens beschouwd als een plaats. Kosmisch gezien is zij een deel van het zonnestelsel, maar ook een wezen dat onmiddellijk onderdanig is aan de zon. Daarbij is de zon het mannelijke of strijdbare principe. de aarde het vrouwelijke, het ontvangende principe. Daarom kan in de voorstelling van de mens de wereld niet alleen als plaats gehanteerd worden, maar zal in elk beeld, dat enigszins juist moet zijn, ook de reactie van de aarde als persoonlijkheid op de mens en de mensheid mede moeten zijn bevat.
Conclusie II: Daar de persoonlijke verhouding van de mens tot de. wereld en vooral zijn besef van het zelfstandig bestaan van die wereld als entiteit van hint hoogste belang is voor zijn juiste reactie, zal hij zich in de eerste plaats moeten richten op een besef van de persoonlijke waarden in de aarde, de kosmische werkingen, welke die aarde treffen en alle andere invloeden, welke rond hem kunnen optreden. Eerst door het besef van het karakter als persoonlijkheid. van deze wereld kan hij zich een juist wereldbeeld vormen en kan zijn voorstellingsvermogen hem bijstaan in het verwerven van een reëel beeld, dat kan worden verwezenlijkt.
Als ook dit punt duidelijk is, komen we aan een derde serie. In deze serie moeten wij ook de geestelijke waarden niet buiten beschouwing laten. En dan zeggen wij weer:
- De mens is — ongeacht zijn stoffelijk denken. — een geestelijk wezen, dat zijn leven op aarde met een bepaald voornemen heeft aanvaard. Het doel van het bestaan op aarde wordt vaak niet beseft, maar het betekent wel een gericht worden van alle impulsen en mogelijkheden in die mens. Dientengevolge mag worden veronderstelde dat elke mens in zijn leven zijn geestelijke doelstellingen tot uiting brengt, zelfs indien deze in strijd zijn met zijn verstandelijke doelstellingen of met zijn voorstelling die hij redelijk verwerpt.
- In de geest is de mens verbonden met sferen en werelden, waarvan hij stoffelijk weinig of geen begrip heeft. Alle krachten en werkingen, die daar van uit gaan, komen in zijn persoonlijkheid naar voren. Hij kan daarop een beroep doen en hij kan daarmede werken. Indien hij zich daarvan niet bewust is, zal hij daardoor ook vaak kunnen worden beheerst. Als de mens niet in staat is zich geestelijke bindingen en contacten voor te stellen, die voor hem vaak belangrijker zijn of verder grijpen dan de zuiver verstandelijke argumenten op aarde, dan zal hij altijd beheerst worden door het andere, dat door hem dan ook weer als noodlot, willekeur of wil Gods wordt omschreven.
- Op geestelijk vlak is er een mogelijkheid voor de mens om het wezen van de aarde, van de zon, maar ook van de Heersers van sferen, bepaalde krachten, Stralen, Tronen en Heerschappijen te ontmoeten. In deze ontmoeting zal hij bewuster kunnen worden van zichzelf en zijn mogelijkheden.
- Het overbrengen van dit bewustzijn naar de stoffelijke, de mentale wereld, is moeilijk. Vandaar dat bij de doorsneemens intuïtie, gevoelens, haast niet te verklaren inzichten en reacties de plaats zullen innemen van de ervaring in de geest. Indien zij in de voorstelling, die men in zich opbouwt, niet mede begrepen zijn, zal deze a-priori onjuist moeten worden genoemd.
- In het geheel van de kosmische werkingen bestaat er voor de geest een begrip van harmonie en disharmonie. Indien de geest harmonisch is met de kracht die optreedt, zal zij — ook als het stoffelijk leven aan dit geestelijk streven tegengericht is — met de grootste en hoogste intensiteit het leven, het bewustzijn en het wezen van de mens beïnvloeden.
Indien er absoluut geen harmonie aanwezig is tussen de geest van de mens en de kosmisch optredende invloed, dan zal de beïnvloeding zich bepalen tot uiterlijkheden, die het eigen wezen, het voorstellingsvermogen van dit wezen en diens bereikingen slechts zeer ten dele kunnen beïnvloeden. Alle voorstellingen, die er in de mens bestaan, zullen dus geestelijke waarden moeten bevatten; althans een aanvoelen van geestelijke kracht moeten inhouden. Zij zullen niet gebouwd kunnen zijn op zuiver redelijke of op zuiver geestelijke waarden, maar zullen een samenstel van deze betekenen. Daar, waar het voorstellingsvermogen een voldoend gedetailleerde stoffelijke voorstelling inhoudt en gelijktijdig een voldoende gevoelsintensiteit voor de geestelijke waarden, is zij gelijk aan werkelijkheid en kan de verwezenlijking daarvan niet uitblijven. Geschiedt deze verwerkelijking niet in dit leven, dan zal men — gezien de eenmaal ontstane bewustzijnswaarden — in een volgend leven deze bereiking moeten doormaken.
Conclusie III: Het feit, dat de mens verbonden is met de geest, met grote krachten en werelden, die hij in de stof misschien niet eens zou kunnen aanvaarden, beseffen of aanschouwen, brengt met zich mee, dat hij ten dele onbewust blijft van de feitelijke waarde, die er in een voorstelling, binnen hem levend, verborgen is. Het bewustzijn van de totale voorstelling als zodanig is minder belangrijk, zolang het om betekenissen gaat dan het scherp gedetailleerd zijn daarvan. De details vallen wel binnen het begripsvermogen van de mens en zullen als conditionering van zijn persoon een grote en belangrijke rol spelen. Waar geen geestelijke krachten en waarden een rol spelen, zal de voorstelling van de mens, ondanks alle detaillering waardeloos blijven door haar onvolledigheid.
Voorstellingsvermogen – deel 2
Nu wij het voorgaande hebben gesteld en daarbij een aantal punten naar voren hebben gebracht, die ongetwijfeld een nadere ontleding en overweging waard zijn, moeten wij ons toch met de voorstelling en het voorstellingsvermogen van de mens nog even verder bemoeien. Wat voor een mens niet voorstelbaar is, kan nl. wel degelijk gebeuren. Maar waarom is iets dan onvoorstelbaar? We hebben het in het begin eigenlijk al gedefinieerd. In de eerste plaats omdat het soms onaanvaardbaar is. Onaanvaardbaar en onvoorstelbaar zijn twee waarden, die voor te veel mensen identiek zijn.
In de tweede plaats kunnen we het ook nog verwerpen, omdat wij doodgewoon niet in staat zijn zelfs een gebeuren te beseffen. Een deel van de mensen is nu eenmaal een gedeelte van hun leven “bewusteloos”. Niet in de zin dat de mens buiten menselijk bewustzijn is, maar wat hij ondergaat gaat in zijn werkelijke betekenis eigenlijk helemaal aan hem voorbij en wordt soms pas veel later in zijn werkelijke zin beseft en verwerkt.
Wij kunnen natuurlijk wel zeggen, dat dat erg jammer is. Maar een mens is nu eenmaal zoals hij is. En dan kunnen wij zeggen, dat wij alles doen om onszelf te verbeteren, maar qua bewustzijn en voorstellingsvermogen is dat een langdurig proces. Wij zullen ons dus tevreden moeten stellen met de voorstellingen, die wij nu nodig hebben. Die voorstellingen moeten in de eerste plaats zijn opgebouwd op een direct nut. U kunt zich nu wel gaan voorstellen, dat u van alles en nog wat bent of hebt, maar als het niet waar is, zal u dat niet helpen. Elke voorstelling, die een mens zich opbouwt, moet zijn gebaseerd op de werkelijkheid, op de feiten, niet op vertekende of op bijzondere wijze gerangschikte feiten, maar doodgewoon op de werkelijkheid van het leven, zoals men dat ondergaat.
In de derde plaats moet de voorstellingswereld een verrijking van dat leven inhouden. Door die voorstellingswereld voegen wij aan de feiten dus een bijzondere betekenis of een bijzondere kracht toe. Deze zal wel ergens bestaan, maar ze is voor ons nog niet concreet. Indien wij ons de uitwerking van die kracht (de kracht zelf mogen wij dan nog even buiten beschouwing laten) voldoende gedefinieerd voorstellen, is het mogelijk de voorstellingswereld te toetsen aan de werkelijkheid. Zijn de resultaten niet in overeenstemming met ons beeld, dan moeten wij nagaan, of dit voorstellingsbeeld juist is. Aarzelen wij, dan moeten wij nagaan, of onze waardering van de feiten juist is. Een voorstellingswereld, die voldoende zuiver en eerlijk is en gebaseerd blijft op de feiten, zal haar verwezenlijking in de materie altijd ontmoeten.
Misschien is het goed hier nogmaals te verwijzen naar een verhandeling over fantasie, die in Cursus I werd gehouden. Ik vind het wel belangrijk, dat u in de wereld van vandaag even nagaat wat werkelijk mogelijk is. Frankrijk te stellen als de eerste natie van Europa is op het ogenblik niet reëel. Hen kan het zich wel voorstellen, maar dan moet dat Frankrijk veranderen. Zolang het niet veranderen wil en zonder meer zijn grootheid stelt, zal het de plaats, die het begeert, niet kunnen innemen. Dat is logisch. Op het ogenblik, dat het toch blijft handelen, alsof het die plaats wel inneemt, schaadt het in de eerste plaats zichzelf en zal het in de tweede plaats zichzelf steeds meer isoleren van de rest van de wereld.
Wanneer men te maken heeft met ideeën over legers e.d. dan is het in deze wereld natuurlijk wel mooi te stellen dat een sterk leger op zichzelf de garantie voor de vrede is. Maar ja, als de Russische Beer één keer niest, is er geen Nederlands leger en geen Nederlandse vloot meer. We moeten dus begrijpen wat dat leger moet zijn. Pas indien het in zijn werkelijke functie en belangrijkheid is erkent, kan het functioneel een werkelijke betekenis krijgen. Weigert men de feiten onder ogen te zien (niet alleen in het leger zelf maar ook elders) dan volgt hieruit dat het leger voor een groot gedeelte misschien geheel onbruikbaar is. Dat is toch eenvoudig. En ik zou zeggen: dat is nuchtere waarheid.
Als wij dat weten, dan mogen wij dus nooit volstaan net iets eenvoudig maar te accepteren. Of dat nu is dat de vakbondsleider een schoft is, of dat hij al het goede voor heeft met de arbeider, of dat een bepaald ministerie goed of slecht wordt beheerd of iets anders. Wij mogen juist in die voorstellingswereld ons alleen beelden vormen, die zijn gebaseerd op gekende feiten. De werkelijkheid, zoals wij die ervaren en niet een vergelijking tussen wat wij zouden willen ervaren en wat er in feite is.
Door de realiteit van het leven te gebruiken als basis voor het beeld dat men opbouwt, voorkomt men het gevaar van verwarring, het gevaar dat men eisen gaat stellen, waaraan niemand kan beantwoorden en bovendien dat allergrootste gevaar dat men in zelfoverschatting dingen wil doen of zegt te doen, die men nooit reëel kan volbrengen. Vraagt u het maar aan Tsjombe. Die kan u daarvan mooie voorbeelden geven. Terugkeren tot de feiten is een eerste vereiste. De feiten zelf vormen de basis, het fundament, waarop het voorstellingsleven is gebaseerd. De voorstellingswereld opgebouwd uit de feiten kent een soort extrapoleren van de toekomstige mogelijkheden en wenselijkheden. Door deze wenselijkheden een scherpe vorm te geven — ook al bestaan ze nu nog niet — en door ze in alle details te omschrijven — ook al zijn sommige daarvan misschien vraagwaardig — ontstaat er in het “ik” een gerichtheid, waarmee een werkelijk resultaat kan worden bereikt. Anders is dat onmogelijk.
En laten wij daarbij ook niet vergeten (en dat is misschien niet passend bij het onderwerp zelf, maar toch ook wel interessant), dat wat wij in die voorstellingswereld doen — juist wanneer wij ons op de toekomst richten, op wat wij gaan doen, gaan worden — in feite een prognose is. Een prognose, die voldoende op waarschijnlijkheid is gebaseerd, heeft een grote mogelijkheid te worden vervuld. Maar meer dan een grote mogelijkheid is dit ook niet. Wij veranderen zelf voortdurend. Wanneer wij die verandering steeds bevatten in onze prognose (dus onze voorstellingswereld van wat gaat worden), dan zullen wij ook altijd wel de toekomst redelijk kennen. Indien wij uitgaan van iets anders dan onszelf, indien wij ons trachten te baseren op dingen, die eigenlijk maar sprookjes zijn, dan zullen wij nooit de werkelijkheid kunnen voorzien. En toch is het voor ons allen erg belangrijk, dat wij wel iets van de toekomst voorzien. Niet alleen de gewone dagelijkse dingen, maar juist die gebeurtenissen, welke voor ons belangrijk zijn: De proeven, waaraan wij zullen worden onderworpen en die veel voor ons kunnen betekenen; de resultaten; die wij zouden kunnen behalen onder omstandigheden.
Deze dingen innerlijk te voorzien is van groot belang. Dat kunt ge alleen, indien ge steeds uitgaande van het heden in de voorstellingswereld berekent wat morgen zal zijn. Hoe juister die berekening, des te zekerder de verwezenlijking. En dat betekent dat een voorstellingswereld, die is gebaseerd op voldoende feiten, in wazen een continuïteit van beleven en streven betekent, waarbij wijzelf grotendeels meester blijven van ons eigen lot en waarin die waarden, waardoor wij dan nog gebonden worden, harmonische waarden zijn en niet disharmonische krachten, die ons vernietigen.
Het bereiken van harmonie door middel van de voorstellingswereld is zeker in deze dagen belangrijk. Soms is het nodig daarvoor je eigen idealen en denkbeelden wat aan te passen aan de feiten. Maar dat is niet erg. Want juist door een harmonische aanpassing plus de bouw van een zuivere innerlijke structuur, die werkelijkheid kan worden, heeft de mens van heden zijn toekomst zelf in de hand.
Bewuste uittreding
De doorsneemens treedt in zijn leven regelmatig uit. Dat wil zeggen, zijn geest, meestal vergezeld van de lagere voertuigen, verlaat zijn lichaam en bevindt zich ofwel boven dit lichaam in ruste, dan wel elders waar waarnemingen kunnen worden gedaan of waar arbeid kan worden verricht.
Het is een betreurenswaardig feit, dat slechts 1 op de 1000 of meer mensen ook maar enige herinnering aan deze uittreding mee terugbrengt. Als wij bewust willen uittreden, zullen wij in de eerste plaats moeten beginnen ons te realiseren dat die uittreding mogelijk is. Indien het “ik” nl. om enigerlei reden het begrip “uittreden” verwerpt, dan zal elke ervaring tijdens de uittreding opgedaan eenvoudig worden gerangschikt onder dromen en vooral indien ze niet strookt met eigen wensen of denken, eenvoudig worden vergeten.
In de tweede plaats zullen wij ons de moeite moeten getroosten om vooral in het begin een doel voor onze uittreding te kiezen. Ik weet, dat dat wat vreemd klinkt, omdat de doorsneemens denkt: Uittreden, nu ja, dan ga je ergens naar toe. Je weet niet waar, je kent die werelden niet. Stelt u zich nu alleen eens voor dat u een waarneming kunt gaan doen in uitgetreden toestand en u neemt daarvoor een bepaalde plaats, een bepaalde persoon of een bepaalde toestand, dan kunt u zich daarvan een voorstelling opbouwen. U bouwt u een beeld van degene, die u gaat ontmoeten of van het vertrek, het plaatsje, het stadje waar u heen wilt gaan en zegt vervolgens nadrukkelijk tegen uzelf (en dat moet u wel enkele keren herhalen; het is een vorm van zelfsuggestie), dat u dit wilt onthouden. In dat geval zal er altijd nog de vraag blijven: Heb ik nu gefantaseerd, gedroomd of ben ik uitgetreden? Er is echter enige herinnering. En vooral bij een herhaling van een dergelijke proef, zal het herinneringsvermogen dus ook toenemen. Beginnen met het bewust kiezen van een plaats of persoon om naar toe te gaan (om zich dus als doel te stellen) is van belang.
In de derde plaats zullen wij voor een bewuste uittreding ook nog nodig hebben het vertrouwen, dat ons niets kan gebeuren. Wanneer wij uittreding als iets gevaarlijks beschouwen, dan zullen wij ons sneller in gevaar brengen. Want wij kunnen op astraal gebied bv. dingen ontmoeten, die ons absoluut niet bevallen of waarvoor wij bang zijn. En door de angst trekken wij juist dergelijke ontmoetingen aan. Wij moeten dus wel een soort zekerheid aankweken.
Vele mensen kunnen dit bereiken door bv. een gebed te reciteren of een bepaalde meditatie te houden. Het gevoel van zekerheid voor de uittreding is daarom zo belangrijk, dat het ons vrij laat in het doorbreken van de verschillende grenzen: De grens van de astrale wereld, de grens van een Zomerland of van een andere sfeer en vooral ook de begrenzing van ons eigen begrip, dat zo sterk tijd– en plaatsgebonden is. Hebben we ook dit gedaan, dan zijn wij een aardig eind op weg.
Maar wij hebben nog steeds geen resultaten. Want altijd blijft de gedachte bestaan, dat wij misschien maar dromen of fantaseren, dat wij onszelf beïnvloeden. Daarom zullen wij — als die beelden enige malen op de juiste wijze gerezen zijn — ons eens de moeite moeten geven om te kijken of het nu wel klopt. En daarvoor zijn er heel veel eenvoudige methoden. U weet bv. dat er een huis in aanbouw is. U bent er een paar dagen niet geweest. Ga ’s avonds in uitgetreden toestand eens kijken hoever het is gevorderd. Loop dan de volgende dag er eens langs en kijk of de idee klopt. Zo eenvoudig is het dus.
Maar we moeten een zekere controle hebben. Want eerst als wij het begrip uittreding (en dan op eigen wereld en in eigen tijd) een beetje onder de knie hebben en voldoende zelfvertrouwen hebben verworven, wordt het gemakkelijk om ook andere herinneringen te aanvaarden.
Ik hoor altijd de mensen weer zeggen: “Ja, ik treed waarschijnlijk wel uit, maar ik herinner het mij niet.” Ik kan dat begrijpen. Maar als u wilt leren lezen, moet u eerst de letters leren, dan de lettergrepen, vervolgens het begrip dat lettergrepen een woord vormen en zelfs dan is er nog enige oefening nodig, voordat u vlot leest. Waarom neemt men nu aan, dat men bewust uittreden zo één, twee, drie doet, instinctief en compleet? Ook hier is het het opbouwen van de juiste instelling, het juiste zelfvertrouwen. Het is het opbouwen van een voldoende suggestie ook (dus een voldoende dwang op eigen wezen als het ware) om de eigen geest ook van uit de stof een bepaald doel te stellen. En pas wanneer wij dat hebben gedaan, zal de stof ook bereid zijn te aanvaarden dat de geest iets heeft doorgemaakt, wat stoffelijk misschien niet aanvaardbaar is.
Ik wil u een klein voorbeeld geven. Iemand treedt uit. Hij komt in een Zomerlandsfeer terecht waar vogels, bloemen enz. anders zijn dan normaal. Waar de vormen of de gestalten, die hij ziet een ander kleed dragen of misschien helemaal geen kleed, waarin het licht anders is, de kleuren anders zijn. Zo iemand kan die wereld eenvoudig niet aanvaarden, dat is een soort visioen, een droom. En aan te nemen, dat in wat tenslotte toch een hogere sfeer is, de dingen er precies zo zouden uitzien, of dat er misschien een bloem kan spreken, dat is onbegrijpelijk, dat verwerpt het verstand en wat het verstand verwerpt, onthoudt het niet. Dat is het typische hierbij. Pas als u ervan overtuigd bent dat u goed waarneemt, zult u dergelijke visioenen innerlijk voldoende aanvaarden om u er iets van te herinneren. En dan geldt natuurlijk het bekende verhaal, dat u allen wel eens hebt gehoord, schrijf het zo snel mogelijk op, want dergelijke herinneringen zijn vooral in het begin vluchtig. Maar naarmate u het langer doet, u er meer op concentreert, ontstaat er op den duur een zekere vrijheid. En dan gaat u ook bepaalde werelden in de geest of personen in de geest meer ontmoeten.
En nu kom ik pas aan het interessante deel van de bewuste uittreding. Zodra ik een bepaalde sfeer zo vaak heb gezien, dat ik mij de details ervan voldoende kan voorstellen of zodra ik een bepaalde persoon in de geest voldoende malen heb ontmoet om mij die persoon voor te stellen (dus niet alleen een uiterlijk, want dat is nog wel eens veranderlijk in sommige sferen, maar vooral de persoonlijkheid in een uitstraling, in een soort sfeer kan aanvoelen), dan kan ik mij ook daarop gaan richten. En dan blijkt, dat bepaalde geestelijke werelden in uitgetreden toestand dus door de eigen wil kan worden bereikt.
U zult zeggen: Maar hebben we dan geen gidsen, die ons meenemen? Ja, dat kan allemaal wel zo zijn, maar als u met een gids meegaat naar een vergadering, die in het Grieks wordt gehouden en u verstaat die taal niet, dan weet u niet wat er gebeurt. Als u Grieks hebt geleerd en het zelf kunt volgen, weet u pas wat er werkelijk gebeurt.
Zo is het met de sferen ook. Uw geest kan alles, wat zij daar onder geleide doormaakt en ziet, wel verwerken. Maar er is geen enkel middel om dat in de materie over te brengen. Er is geen plaats om die indruk als het ware vast te leggen. En daarom moet de stof eerst getraind zijn, zodat die plaats of die ruimte ontstaat en de indrukken ook worden aanvaard.
Bewust uittreden betekent dus ook dat u als het ware de taal leert van de werelden, die niet stoffelijk zijn. Bij beheerst uittreden is het, naar ik meen, voor een ieder, die niet door een af andere ontwikkeling — hetzij in het voorgeslacht, hetzij in zijn eigen vroeger bestaan— de uittreding reeds normaal bewust bezit, zaak om uit te gaan van een stoffelijke beheersing daarvan. Pas als u het stoffelijk beheerst en in het begin — ik zeg het nogmaals — niet naar de mooiste sferen wilt gaan, maar eerst eens gewoon op aarde een waarneming doet (desnoods kijken of de buren de asbak nu buiten hebben staan of niet en ’s morgens controleren, of het waar is), kunt u langzaam maar zeker uw denken wennen aan dit alles.
Ja, zegt men dan, maar dat betreden van die sferen gaat toch zo maar niet. Dat ben ik met u eens. U kunt nl. alleen die sferen betreden, welke voor uw ogenblikkelijk geestelijk bewustzijn en niet uw stoffelijk bewustzijn nog aanvaardbaar blijven. Waarin u dus nog beleven kunt. De sferen, die daar boven liggen, kunt u alleen door middel van een gids, een helper betreden, die u daar terzijde staat. Die als het ware de zaak voor u vertaalt, zodat u het kunt begrijpen. U behoort echter tot bepaalde sferen. De astrale wereld bv. ligt zo dicht rond u, dat zij voor u natuurlijker te betreden is dan voor menig geestelijk helper, die u in die wereld tegemoet treedt. Die moet er heel wat meer moeite voor doen. Werelden van Zomerland e.d. zijn over het algemeen zo na verwant aan uw wezen, dat u tenminste de grenzen daar van uit uzelf wel kunt bereiken. De moeilijkheden zijn dus eigenlijk voor een groot deel van psychologische aard.
Die moeilijkheden komen niet voort uit de geest, die de sferen niet zo maar kan binnengaan, ze komen niet voort uit een gebrek aan bekwaamheid, maar ze komen voornamelijk voort uit de grote moeilijkheid, dat men zich als redelijk denkend mens in de materie moet kunnen oriënteren op een beleven en waarnemen, dat niet-materieel en volgens materiële normen geschiedt. Men moet leren, dat associatie bij die waarnemingen een heel grote rol speelt. Vaak groter dan in de materie, omdat u daar de verkeerde associaties nog kunt bemerken, maar die de associaties of de voorstellingen van de uitgetreden persoonlijkheid zo sterk beïnvloeden, dat hij dingen ziet die er niet zijn en omgekeerd dingen die er wel zijn soms niet kan zien. U moet dus leren voor uzelf een zekere scheiding te maken in associaties en primaire feiten.
Omdat u in het begin altijd weer eerst moet vaststellen wat er is (het denken, het voorstellingsvermogen moet het betreden van een bepaalde plaats voorbereiden) heeft u zo de angst dat u zichzelf bedreigt. En die angst voor zelfbedrog brengt ook weer een verwerping met zich mee. Hoe intenser u die dingen wilt doen, des te moeilijker ze gaan worden. Ook dat speelt een rol.
U hebt misschien wel eens geprobeerd om krampachtig snel te schrijven. Uw schrift werd onleesbaar, u werd hierdoor zeer vermoeid en ten slotte was uw prestatie misschien niet zo veel groter dan van iemand, die ontspannen en natuurlijk hetzelfde had neergeschreven. Laten we dit ook goed onthouden, indien het gaat om uittreding.
Als u krampachtig wilt uittreden, dan gaat u met zo’n grote inspanning te werk, dat u het zich haast onmogelijk maakt om zelfs — indien er een uittreding op volgt — daarvan ook maar iets te onthouden of mee te nemen. Uittreden moet dus natuurlijk zijn. Maar voor het stoffelijk denken van de mens is uittreden nu eenmaal iets bovennatuurlijkst, iets vreemds, iets occults.
Het is duidelijk, dat hierin de grote moeilijkheid schuilt en daarom moeten wij een soort zelfsuggestie uitoefenen, een soort zelfhypnose gebruiken, waardoor die uittreding aanvaardbaar wordt, en dan moet de uittreding zelf worden beschouwd als een natuurlijk proces, niet als een gebeuren, dat met veel nadruk, met vele impulsen en kracht geschiedt.
Neen. Het is heel gewoon en zonder verdere inspanning u een beeld opbouwen, u daarin verplaatsen en al het andere vergeten. En als u het beeld, dat u hebt opgebouwd, voldoende in u hebt opgenomen, wendt u dan af en kijk wat er verder is.
Laten we een heel eenvoudig voorbeeld nemen. De tafel, die daar staat, kent u. Dan gaat u eerst eens rustig kijken, tot die tafel voor u vorm aanneemt. U kijkt alleen maar naar die tafel. Niet direct kijken wat er verder is. Die tafel moet concreet zijn geworden, zoals zij daar staat. En pas wanneer zij helemaal concreet is, kijkt u eens een keer rond. En dan ook niet met een “nu ga ik het zien”, want dan ziet u ook weer niets. Maar precies zo gewoon, alsof u hier binnenkomt, stilstaat en even rondkijkt of er hier of daar wat is. Op deze wijze kunt u veel bereiken. Dan handelt u ergens weer in strijd met het begeerte-element dat de mens dwingt:
Ik moet bewust uittreden, het moet iets bovennatuurlijks zijn, en ik wil dat bereiken. Neen. Op het ogenblik dat ik dat ga doen, loop ik mijn doel alweer voorbij. Uittreding is voor mij natuurlijk, dat moet ik beseffen. Die uittreding onthouden is belangrijk. Ik ben dus van plan het te onthouden. Gebeurt het niet, dan is dat geen ramp. Een volgende keer beter. Hoe meer u dat gewoon kunt doen, des te meer u dat ook kunt inpassen in uw normaal denken en in uw normale leven. Hoe meer u het tot iets bijzonders, iets krampachtigs maakt, des te minder kans er is dat uw hersenen de impulsen, die ervan overschieten, willen aanvaarden. Dan is er nog iets. De mens is in vele opzichten een soort perfectionist, dit wil zeggen hij wil het onderste uit de kan hebben. Hij wil uittreden en onmiddellijk het bijzondere ervan ondergaan. Hij wil grote geesten zien en spreken. Hij wil nieuwe ontdekkingen doen, openbaringen ontvangen. Kijk, als je daar nu mee begint, krijg je ze niet. Want je kunt nu eenmaal geen hogere geest dwingen tot je te spreken. Je moet zo rijp worden, dat je de ontmoeting met zo’n hogere of grotere geest als een natuurlijk gebeuren ondergaat. Zoals je hier misschien op het Piet Heinplein tegen minister Toxopeus zou kunnen oplopen. Dat is toch normaal mogelijk. Wij moeten dit niet zelf forceren, want dat kunnen wij niet. Dat moet op natuurlijke wijze ontstaan en daarom moeten wij wel nederig blijven. Voorlopig is het voor ons zaak eerst eens te kijken wat voor een titel een boek heeft dat in een boekenkast staat en dat eens mee terug te brengen. Of eens te kijken, of zij nu de deur open of dicht hebben gehad op dat en dat uur. Pas als je die gewone dingen onder de knie hebt, die dingen waarvoor de meesten de schouders ophalen en zeggen: “Nu ja, het is toch maar fantasie”, of: “Het klopt toch niet”, of: “Wat heb ik eraan”, kun je verdergaan. Ik heb al gezegd: Het is het leren van een systeem. Zoals je het alfabet moet leren en dan uit het alfabet de constructie van het woord om te kunnen lezen en dan nog ervaring moet hebben om het gelezen ook te begrijpen en te interpreteren. Ik geloof, dat ik daarom deze korte verhandeling misschien het best kan afsluiten door precies als de ABC-schutters te vertellen wat de fasen achtereenvolgens moeten zijn.
- Overtuig u eerst dat uittreding mogelijk is.
- Bind uittredingen niet aan tijd. Bind ze alleen aan de voorwaarde, dat u het zich wilt herinneren.
- Als u eenmaal uzelf hebt geleerd te zeggen: “Ik wil mij herinneren, ik wil onthouden,” leer dan om u een plaats voor te stellen. Begin maar met een plaats. Kies in het begin die plaats altijd in het heden. Begin niet met persoonlijke contacten. Daarin kunnen te grote misleidingen ontstaan. Kies een plaats en neem die waar. Als u daarvan enige herinneringen terug brengt, controleer. Als na herhaalde controle blijkt, dat tenminste 4 van de 5 waarnemingen juist zijn, probeer dan u een persoon voor te stellen. Spreek niet met die persoon, maar bekijk die persoon. Kijk wat hij doet. Wees waarnemer.
Als u dit allemaal hebt geleerd, dan heeft u alleen maar het ABC gehad. En dan komen pas de lettergrepen. Probeer niet alleen u iets voor te stellen, maar probeer — uitgaande van een voorstelling — een bepaalde actie te volbrengen. Verplaats u in uitgetreden toestand en neem tijdens de verplaatsing waar. Probeer niet dingen te beroeren, want dat lukt u toch niet. Daarvoor hebt u de kracht niet. Probeer ook niet mensen te beroeren. In 9 van de 10 gevallen kunt u ze hoogstens van uw aanwezigheid bewust maken, meer niet. Alleen als er nu toevallig geestelijk geschoolden onder zijn, is er misschien een soort telepathisch contact mogelijk.
Ga dan eens uit van het denkbeeld: Vandaag ga ik nergens heen op deze wereld. Ik wil de indrukken behouden van al wat mij bereikt. Hierdoor krijgt u dus de mogelijkheid om bepaalde geestelijke contacten te onthouden. Soms resulteert dat onmiddellijk in een uittreding, soms is er een tijdje niets. Houd vol.
Indien u die contacten hebt, stel dan: Ik heb dit contact gehad. Een volgende maal wil ik met dit contact meegaan en ik wil onthouden. Lukt dat en is dat een paar keren gelukt, stel u dan in op die persoon of op die sfeer en probeer die waar te namen. Ga niet verder dan dit. Blijkt, dat u een bepaalde sfeer of een bepaalde persoon in een andere wereld kunt bereiken (dus u die kunt voorstellen en daarvan een herinnering behouden), dan wordt het pas tijd om weer op aarde proeven te nemen.
En dan gaan wij nu kijken. Wij kijken in kasten, waarin wij normaal niet kunnen zien. Kortom, we proberen gebruik te maken van de capaciteiten, die een geest heeft. Een geest kan ook zien wat er in een altijd gesloten gangkast staat. Probeer weer de proef op de som te nemen. Tracht u nu niet meer te bewegen als een mens (in het begin gaat u dus een gang door, een trap op, door een deur enz.) maar leer nu om u van de ene plaats naar de andere te bewegen door u een voorstelling op te bouwen hoe u bv. op bezoek gaat. We zullen naar zeggen bij een familie hier in Den Haag en daarna regelrecht naar een familie, die bv. in Rijswijk, Voorburg of Wassenaar woont.
Blijkt ook dit mogelijk, dan wordt het tijd om woorden te gaan lezen. Voor het eerst zullen wij ons nu niet meer alleen de taak stellen om een sfeer of een plaats te bereiken, maar wij gaan ons de taak stellen om bv. een geest of een mens te bereiken en deze een vraag te stellen, die we van te voren overdenken. Die vraag wordt gesteld en we houden ons voor dat we ons het antwoord goed moeten inprenten.
Dan blijkt dat de eerste paar keren niet te gaan. Volhouden tot het wel lukt. In het begin niet toetsen, maar eerst zover komen, dat u regelmatig antwoord krijgt. Neem dan antwoorden, die wel gecontroleerd kunnen worden. Kies deze desnoods in tijd. Zo iets van: Wat gaat er morgen om zo en zo laat daar en daar gebeuren? Dat kunt u doen, mits het antwoord kort kan zijn, anders onthoudt u het niet. U kunt het ook doen door te vragen: Kunt u aan een geest op een bepaalde seance een bepaald woord laten zeggen? Blijken deze proeven te slagen dan is het pas mogelijk te zeggen: De gesprekken, die ik heb met mensen in de geest en mensen in de stof, kloppen. Deze zijn zuiver, deze zijn juist.
Dan wil ik u nog waarschuwen voor één verschijnsel. Wanneer mensen nl. onder elkaar contact proberen op te nemen in uitgetreden toestand, moeten ze zich wel goed bewust zijn van het feit, dat wat wordt gezegd altijd een beetje wordt vervormd. Probeer dan drie of viermaal dezelfde vraag en het antwoord op een andere manier te formuleren. En als u dit onthoudt, kies de essentie van de drie of vier antwoorden, reageer daarop en kijk dan eens wat het uithaalt.
Indien u een wachtwoord wilt afspreken — een proef, die nogal eens wordt gedaan — kies een één lettergreep woord dat weinig kans op vergissing laat. Als u zeker wilt zijn, dan zal u blijken dat juist die wachtwoorden ook vaak vervormd doorkomen. Leer die vervormingen maar eens kennen.
Heeft u dit alles gedaan, dan bent u zover dat u dus door eigen wil kunt uittreden, dat u tijdens die uittreding bepaalde dingen kunt doen of zeggen en daarvan een herinnering behouden en dat u dus ook enige bewijzen hebt gehad voor de resultaten en de eventuele vervormingen, die geregeld optreden. Eerst dan lijkt het mij raadzaam eens af te wachten, of iemand u wil helpen uit te treden naar een andere wereld, die u nog niet kent. U moogt dan zelf geen doel stellen of een voorstelling scheppen, maar wel moet u de gebruikelijke opdracht (de zelfsuggestie) blijven geven: Als ik uittreed, moet ik de herinnering daaraan terugbrengen.
En als u in het begin daarvan dan de symbolen terugbrengt, is dat niet erg. Probeer er maar eens enige betekenis aan te hechten. Het is niet zo belangrijk. Op den duur vindt u het volledige besef.
En dan nog één laatste wenk, die misschien voor sommigen ook wel goed zal zijn. Vaak zal de mens — vooral in het begin — bepaalde uittredingen als het ware verhullen achter droombelevingen, die niet in overeenstemming zijn met de feiten, maar als het ware een stoffelijke herinnering of associatie betekenen, waarin de betekenis van de uittreding zo goed mogelijk wordt weergegeven. Is dat het geval, begrijp wel, in het begin is de vorm van de beleving minder belangrijk en alleen de essentiële inhoud, de essentiële boodschap voor u interessant.
Beweging
Beweging is een verandering van evenwicht. Een verplaatsing. Maar kan alle beweging de wezenlijkheid der dingen teniet doen?
De aarde beweegt zich in duizelingwekkende vaart en wie met haar beweegt, meent dat ze voor hem stilstaat. De mens zelf is opgebouwd uit razendsnel bewegende kleine moleculen, atomen. Kleinste delen trekken hun banen in zijn wezen als de sterren in een nevel en voor hem bewegen ze niet. Hij zegt: Ik ben een wezen van vaste, substantie.
Beweging is inderdaad een actie, een verschijnsel. Een verschijnsel, dat zijn belangrijkheid verkrijgt door het punt, van waaruit men haar waarneemt. Het leven is beweging. Maar omdat man de beweging niet begrijpt, spreekt men van een begin en een einde van het leven.
Uw standpunt is verkeerd. Neemt u een ander standpunt in, dan zegt u: Het is een beweging in verschillende fasen. Een slingerlijn, die zich nu eens beweegt onder het geestelijk niveau in de materie, dan weer daarboven. Een meander misschien, die in hoekige structuur en in zich besloten een heden van bewustzijn schept.
Beweging is voor ons ten slotte ontwikkeling. Maar ontwikkeling is geen feitelijke beweging. Ze is een realisatie van het zijnde.
Alle beweging in zich is zinloos. Maar zij is een realisatie van het zijnde. In een eeuwigheid kan er geen beweging zijn, anders zou de eeuwigheid eindig moeten zijn door de beweging, die kan eindigen. En toch omvat zij al wat in beweging uitdrukbaar is. Het is goed ons dit te realiseren.
Beweging is verschijnsel. Emotie is verschijnsel. Leven is verschijnsel. Uitingen van iets, wat er achter verborgen is. Beweging is energie. Het verschijnsel is energie plus een vorm, want iets wat zich beweegt heeft energie van beweging.
Leven is het zijnde plus de energie, waarmee het zich voortbeweegt. Zo is het denkbaar dat een schepsel, uitgaande van God en gelijkblijvend aan zichzelf door de beweging meer wordt dan zichzelf en toch zichzelf gelijk blijft.
Ja, beweging is de uitdrukking van de onmogelijkheid het werkelijke te beseffen en gelijktijdig voor ons het punt, van waaruit wij ons kunnen realiseren hoe in de betrekkelijkheid van alle dingen wij onze verhouding tot haast alle dingen zelf bepalen.
En zo mijn wezen in harmonie is met de energie van beweging van een kogel, zo zal ze mij niet treffen en doorboren, maar zich oplossen in mijn omgeving en met mij harmonisch zijn.
Als een demon mij nadert en mijn wezen kent het bewustzijn, de beweging van leven in overeenstemming met zijn wezen, hij zal ofwel wegvluchten, dan wel door mij worden geabsorbeerd en gemaakt tot deel van mijzelf.
Onze macht is de kracht van leven, de beweging van de geest door de tijd, de beweging van het bewustzijn door alle sferen. En als wij beseffen, dat wij hierdoor een beheersbare factor in onszelf bezitten, zo kunnen wij zelf bepalen wat onze wereld is en wat onze God is. Want zo wij de kracht van leven in onszelf een ogenblik weten stil te zetten, zo is God en Zijn eeuwigheid onze enige werkelijkheid.
En zo wij onze beweging, ons leven en ons bewustzijn beheersen volgens onze wensen, zo zullen wij steeds leven in de wereld, die het antwoord is op ons wezen. Slechts indien wij niet weten, hoe onze kracht van zijn en leven te gebruiken, zal die kracht ons domineren.
Beweging op zichzelf heeft geen zin. Maar wat zij tot resultaat, tot uiting heeft, dat wat zij kenbaar maakt, is voor ons zinvol. Zo is ons leven niet zinvol, maar dat wat het voor ons kenbaar maakt de zin van alle dingen.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
