januari 1965
Aanpassing in de werkelijkheid
Iemand werd eens gevraagd. Wat is eigenlijk aanpassing? En zijn antwoord was: “Huilen met de wolven in het bos.” Maar wat doe je nu, als je alleen maar kunt blaten? En daarmee is eigenlijk het hele probleem gesteld.
Je aanpassen betekent niet alleen geestelijk en lichamelijk en mentaal een zekere flexibiliteit bezitten, waardoor je alle omstandigheden kunt verwerken. Het betekent ook je eigen persoonlijkheid, je eigen wezen behouden en toch voortdurend passen binnen de gemeenschap, waarin je leeft, het betekent niet alleen een kosmische golf ondergaan, maar het betekent ook bij elke kosmische golf jezelf blijven en toch het “ik” zodanig weten te richten, dat je die golf kunt aanvaarden, dat je ermee kunt werken en dat je er iets mee kunt bereiken.
Bij alles, wat wij kunnen zeggen over geestelijke voertuigen en lichamelijke mogelijkheden staan we ergens voor het probleem, dat het je aanpassen niet zo gemakkelijk is als het wel lijkt. Want je bent nu eenmaal jezelf en al zou je het masker kunnen opzetten van de invloed, die op dat ogenblik regeert of van de kracht die opdat ogenblik domineert, je blijft jezelf. En hier beginnen wij dan met het eerste punt, dat belangrijk is.
Ik ben mijzelf. Ik kan de uitingen van mijn wezen wijzigen. Ik kan de samenhang van mijn wezen harmonischer maken, maar ik kan de inhoud van mijn wezen niet veranderen. Dat moet u goed onthouden: Want als u het “ik” wel kunt wijzigen, dan verandert de zaak helemaal. Indien u het “ik” zou kunnen veranderen, dan zou u een wolf met de wolven kunnen zijn of een schaap met de schapen. Maar u bent nu eenmaal een wolf, een schaap, een koe, een ezel of iets anders. Noemt u ze maar op. U bent — om het in andere termen te zeggen — een Vis, een Leeuw, een Waterman, een Schutter, een Weegschaal, een Tweeling of misschien een Ram. En daaraan kunt u niets veranderen. Zoals op aarde uw karakter, en uw wezen grotendeels worden bepaald en beperkt door erfelijkheid, invloeden van geboorte en ook bepaalde geestelijke elementen, zo worden in de geest door uw vorige ervaringen en door uw vorig bestaan bepaald wat, uw mogelijkheden zijn. Een boom, die zich zou willen aanpassen aan de wind door tot wind te worden, zou nimmer meer boom zijn. Hij zou zichzelf verliezen.
Een boom, die sterk is, kan blijven staan, ondanks de wind en zichzelf blijven. Een boom, die zwak is, zou kunnen buigen met de wind en zo zichzelf behouden. Op deze manier moeten wij dus het begrip aanpassing aan de werkelijkheid van nu bezien. Om het eenvoudig te maken heb ik dit onderwerp ingedeeld in een aantal punten en wil ik proberen bij elk punt een voldoend commentaar en zelfs een beperkte gebruiksaanwijzing te geven.
Hoe pas ik mij aan datgene aan, wat strijdig is net mijn wezen? Een vraag die heel moeilijk lijkt, maar die eigenlijk eenvoudig kan worden beantwoord, namelijk: Ik kan al wat strijdig is met mijn wezen aanvaarden door te erkennen, dat het evenveel recht van bestaan heeft als ikzelf, doch door mij af te sluiten voor alle werkingen daarvan, voor zover het mij mogelijk is. En door alle werkingen ervan, die mij desondanks zouden bereiken te zien als iets, wat kan worden ingepast in mijn eigen wijze van leven, denken en geestelijk werken.
Een oplossing, waartegen menigeen weer bezwaar zal maken. Want zo zal men zeggen: Hoe kan ik, als ik bv. licht ben, het duister accepteren? Dat is heel eenvoudig: Als ik licht ben, dan moet ik zien dat het duister de begrenzing is van mijn licht, maar gelijktijdig datgene wat aan het licht zijn glans geeft. Indien iets van dat duister mij persoonlijk beroert, dan kan ik dat gebruiken om andere aspecten van mijn wezen een bijzondere glans te verlenen. Ik behoef niet in tegenstelling tot dat wat er is aan het werk te tijgen. Ik moet alleen mijzelf blijven en juist daar, waar al wat rond mij is mij niet te zeer beroert, waar het duister mij niet wil overweldigen, mijzelf als het ware bijzonder duidelijk en scherp uiten. Want er bestaat nog een andere regel in dit verband: Het sterkste licht zal altijd domineren. Ik kan dus nooit met mijn gehele wezen en met al wat erbij hoort verwachten een eeuwigheid of een menselijkheid te krijgen, waarin alle invloeden kunnen worden terzijde geworpen. Ik kan niet verwachten, dat ik meester zal zijn over alles, Maar ik heb in mijzelf eigenschappen, die voor het andere nog niet te benaderen zijn. Als ik die dus sterk maak, heb ik hier mijn punt van uitgang. Hierin kan ik mijzelf blijven. Het is eigenlijk een strategisch probleem, waarbij het alleen gaat om de vraag: Kan ik de sterkste punten in mijn persoonlijkheid, in mijn wezen vinden? Kan ik deze zozeer tot uiting doen komen binnen het kader van de wereld, waarin ik leef en van de invloeden die mij benaderen, dat ik hierdoor invloed heb op de wereld? Dit punt lijkt mij daarmede voldoende afgehandeld. Maar onmiddellijk rijst zoals altijd weer de vraag: Wanneer ik een deel van mijn wezen dus niet ontplooi, schaad ik dan mijzelf niet? Een begrijpelijke vraag, omdat iedereen leert dat hij naar een zekere volmaaktheid moet streven, omdat harmonie en evenwichtigheid noodzakelijk zijn in het leven. Een vraag waarvan je kunt zeggen. Nu ja, ze hebben eigenlijk wel gelijk. Maar toch kunt u het ook anders bezien. En dan herinner ik u aan een stelling, die u in vele lezingen hebt. gehoord. Ik ben eeuwig. Als ik eeuwig ben, zal ik in elk punt dat ik in mijzelf ontwikkel een eeuwige waarde kunnen bezitten, zolang het maar werkelijk deel is van mijzelf. Alle punten, die ik nu niet ontwikkel, zal ik later kunnen ontwikkelen. Wat ik nu heb bereikt, behoef ik later niet meer te bereiken. Het is dus niet zo belangrijk, dat mijn groei 100 % evenwichtig is, al moet ik zoveel mogelijk naar evenwichtigheid streven. Maar het is wel belangrijk, dat ik tenminste iets bereik.
U zoudt in deze moderne tijd kunnen zeggen: Het is heel erg moeilijk voor iemand, die dol is op het proza van Couperus, zich te kunnen verdiepen in bv. het werk van Wolkers. Het is begrijpelijk, het is aanvaardbaar. Maar kan de gedachte van Couperus worden uitgedrukt in de taal van Wolkers? Kan het probleem van Wolkers worden uitgedrukt in de taal van Couperus? Als ik daarop een antwoord weet, heb ik een benadering gevonden, waardoor het verschil in uitdrukking en in uiterlijkheid mij weinig doet. Ik heb een methode gevonden om zelfs voor mij de verdiensten van Wolkers nog voldoende te beseffen, zonder daarbij Couperus terzijde te stellen. En dan mag men zeggen, dat mijn taalgebruik zal lijden onder mijn belangstelling voor Wolkers. En men mag zeggen, dat mijn helderheid van formulering zal lijden onder de te perfectionistische, te versierde stijl van Couperus. Dat is allemaal waar. Maar ik kan mij aanpassen, zonder daarom Couperus te verwerpen. Als ik dit zeg in een literair beeld, dan zal iemand die wat leest mij waarschijnlijk begrepen.
Maar als ik dit nu moet zeggen in een meer kosmische zin, dan schijnen vele mensen dat niet te kunnen begrijpen. Uw begrippen van moraliteit, die in het heden worden geschokt, kunnen nooit op zichzelf behouden blijven. Ze worden voor u in uw ontwikkeling een last en niet een punt van vooruitgang, van verdere bewustwording. Wanneer u met de waarden, die u kent, tracht van uit uw eigen moraliteit te begrepen welke achtergronden de nieuwe moraliteit — of zoals men zo vaak zegt de immoraliteit van deze dagen — daarmee gelijk heeft, dan begrijpt u de drijfveren. En dan worden wij heus niet meer immoreel of we maken de ander niet meer moreel volgens onze inzichten, maar we begrijpen elkaar. De wereld leeft en ze sterft niet. Deze vraag is van bijzonder groot belang en ik geloof ook, dat het antwoord erg belangrijk is, omdat wij zo dadelijk worden geconfronteerd met een wereld, die van uit het standpunt van de meeste mensen op zijn kop staat. Maar laten wij eest de derde vraag formuleren. Indien ik mijzelf aanpas, zal ik daardoor dan niet het gevaar lopen mijzelf te verliezen? Het antwoord is hier tweeledig.
- Zolang u al datgene, wat buiten u bestaat belangrijker acht dan dat wat in u leeft, inderdaad. Maar dan zou u ook bij het behoud van uw oude maatstaven niets bereiken. Degene, die wordt geleefd door de krachten van buiten, leeft niet werkelijk. Allen degene, die door zijn innerlijke kracht wordt gedreven, die van uit zijn innerlijke kracht en bewustwording werkt, bereikt.
- Hoe kan het mij schaden mij aan te passen aan andere waarden en werkingen in de wereld, als ik mijzelf daarbij niet verlies? Want elke ervaring, die ik opdoe, is een verrijking van mijn wezen. Elke kracht, die ik verwerf, al datgene wat ik zie en zelfs al datgene wat ik leer verwerpen, is een verrijking van mijn bewustzijn. Neen, aanpassing kan niet schadelijk zijn. Aanpassing is alleen schadelijk, indien zij een zelfnegatie betekent in de verkeerde zin van het woord: Een ontkennen van het recht om te leven volgens je eigen inzicht en je eigen oordeel.
En nu wij deze 3 vragen hebben gesteld en beantwoord, wordt het tijd om het heden een ogenblik nader te bezien. De waarderingen in de wereld zijn ontzettend sterk veranderd.
Wanneer wij denken aan het begrip “bezit”, zoals dit werd beschouwd in 1900, in 1950 en in 1965, den hebben wij 3 keer hetzelfde woord en 3 keer een andere interpretatie. De verschillen lijken misschien wat subtiel op het eerste gezicht, maar bij nadere beschouwing zijn zij enorm groot. Als wij kijken naar geloof, dan blijkt ook dit een heel andere waarde te hebben. In 1900 was geloof onderwerping. In 1950 was geloof aanvaarding, althans in uiterlijkheden. In 1965 begint geloof te worden — want het is een ontwikkeling die nog veel verder gaat — een onderzoek van de geloofsstelling om je eigen standpunt daartegenover te stellen. U ziet, de woorden blijven gelijk, maar alles evolueert, alles verandert.
In een wereld, waarin praktisch elke waarde, die op het ogenblik wordt erkend, wankel staat, waarin zowel de oude wijsheid als de modernste wetenschappelijke onderzoekingen voortdurend het gevaar kennen te vallen of ontkend te worden en met reden, kunnen wij ons niet meer baseren op iets dat was: We moeten ons dus aanpassen aan veranderingen, dis wij eigenlijk niet helemaal aankunnen.
Dit jaar brengt in zijn veranderingen niet zozeer de spectaculaire aspecten van een totale vernieuwing. Het is een sluipende verandering. Ik stel mij voor, dat de Babylonische spraakverwarring op dezelfde manier is ontstaan. De mensen gebruikten nog steeds dezelfde woorden, maar ze begrepen ze anders; en dat maakte het hun onmogelijk elkaar te verstaan.
Wil je de wereld, waarin je leeft in deze dagen blijven verstaan, dan zul je je niet alleen moeten aanpassen, maar je zult ook steeds de nieuwe interpretatie moeten leren van alle begrippen, die in jezelf zijn; en dat is moeilijk. Daarom moet ik mijn raad, want die wil ik hieraan toch zeker verbinden, heel zorgvuldig formuleren. Want ook in u, zoals u hier aanwezig bint, leeft reeds een zeker verschil van erkenning, van interpretatie. En dus wil ik beginnen net dit te stellen: . Al kun je jezelf dan niet veranderen, je kunt steeds anderen begrijpen. Hoe minder je vreest voor datgene, wat je in jezelf. ontkent of negatief acht, des te meer kun je begrijpen wat anderen drijft, wat er in hen bestaat en des te meer kun je het goede zien, dat anders in die anderen verborgen blijft.
Wanneer de wereld, waarop je vertrouwd hebt, instort, wanneer oude, idealen waardeloos worden, dan betekent dit niet dat de achtergrond van het ideaal waardeloos is geworden, dan betekent het niet dat die wereld zelf verdwenen is. Maar als bv. het woord, dat eens socialisme heette, zijn betekenis heeft veranderd en nog eens veranderd, totdat het in feite een soort mengsel is geworden van conservatisme en dictatuur-begrippen, dan moet je dat kunnen aanvaarden. Want degenen, die zich nu misschien conservatief noemen, kennen diezelfde behoefte en diezelfde strijdvaardigheid, die er eens in het socialisme lagen. Wil je ze nu zien als een verraad aan het socialisme of iemand, die communistisch kiest, een verrader van de westerse wereld noodt, dan zul je ze niet begrijpen: Je zult tegenstanders vinden. Maar je zult ook jezelf steeds meer isoleren.
Voorbeeld: Het is bijna zeker dat in Zuid-Amerika in het komende jaar een aantal communistische revoluties (de meeste niet geslaagd, een enkele wel geslaagd) zullen plaats vinden. Nu kunnen wij natuurlijk zeggen, dat het de schuld is van Rusland of van China — van de communisten. Maar dat is niet eerlijk gekomen in een sociale ontwikkeling, die niet meer aanvaardbaar is. Dat bepaalde land, want zo groot is hun invloed niet. Wij kunnen zeggen dat het de mensen zijn, die verdwaasd zijn. Ook dat is niet waar. We moeten begrijpen, dat er ergens een stilstand is en zich niet meer kunnen isoleren van de behoefte van de massa om ook eens een beetje beter te leven. Begrijpen wij dit, dan zullen wij ook inzien dat dit communisme geen echt communisme is. En daarom zullen wij ermee kunnen spreken. Wij zullen begrijpen, dat Marxisme en Leninisme alleen naar termen zijn voor een bepaalde sociale ontwikkeling, die zich in Nederland bv. op een totaal andere wijze afspeelt, maar hier net zo goed bestaat.
Als je spreekt over de ontwikkelingen in Rusland, dan is het aardig te zeggen dat dat strijdig is met het westen. Maar waar is dat niet. Want datgene, wat het westen heeft gedaan in het verleden, doet Rusland nu. In Amerika hebben ze ook de Indianen langzaam maar zeker uitgeroeid of teruggedrongen in reservaten, hun alles ontnomen wat hun toekwam, evenals de communisten dat doen, wanneer ze er een nieuwe staat bij winnen. Dan gaan ze ook de bezitters te lijf, die voor hen de Indianen zijn, de oorspronkelijke eigenaars, de bewoners van het continent. Maar als je die mensen niet zou begrijpen, als je geen begrip zou kunnen hebben voor de achtergrond van deze — in naam althans — communistische revoluties en je zou geen begrip hebben voor de processen, zoals die zich afspelen in China en in Rusland, hoe zul je dan nog redelijk kunnen reageren in de wereld? Hoe zul je de spanningen kunnen verwerken, die er in de wereld ongetwijfeld zullen optreden?
De aanpassing, die je nodig hebt, is zeker niet gebaseerd op een verloochenen van jezelf. Je kunt jezelf — althans in de zin van je werkelijk ego — niet verloochenen, al kun je soms bepaalde behoeften of wensen voor een ogenblik verloochenen en terzijde stellen. Kijk, die aanpassing in de werkelijkheid van vandaag vergt het leren zien van de achtergronden. Wij mogen ons niet laten bedriegen door de woorden. We moeten zelfs niet kijken naar de daden, want ook die zijn vaak misleidend, omdat wij ze maar eenzijdig beseffen. We moeten kijken naar de mentaliteit, die erachter schuilt. En pas uit die mentaliteit kunnen wij verder komen.
Hoe doet je je dan invoegen in een groepering waarin die mentaliteit, die je zelf hebt, niet past? Ik denk, dat dat voor heel veel mensen een moeilijk probleem zal zijn. We kunnen op het ogenblik die problemen al enige tijd en voor de meesten op meer persoonlijk terrein. We zien hoe men daar geen juiste contacten meer schijnt te kunnenkrijgen met zijn medemensen, hoe bepaalde illusies misschien te gronde zijn gegaan. Men weet niet meer precies hoe men het na eigenlijk moet doen.
Kijk, dan is dat natuurlijk treurig. Maar in de relatie met de enkeling is er het innerlijk conflict, dat ofwel het ik tot een absoluut terugtrekken uit de wereld dwingt, dan wel brengt tot een andere aanvaarding. De aanpassing, die komt dan wel.
Maar wat moet je doen, als de gehele wereld anders wordt? En die gehele wereld gaat anders worden. In die wereld gaat het onverwachte, zeker ook het harde, het wrede, het onmenselijke een rol spelen. 0, weest u aub niet bang. Ik verkondig hier niet een periode van hardheid, slavernij e.d. Ik wijs er alleen op dat er steeds meer een element komt, waarin het menselijk element eigenlijk geen rol speelt. Dat kan een probleem zijn van huisvesting, van belastinginning of van wegenbouw. Er zijn zoveel van die problemen. En als u op het ogenblik lokt, dan ziet u dat het ambtelijke daarin al de overhand krijgt op het menselijke: “Eerst moeten wij onze normen handhaven. Als we tijd overhouden, zullen wij trachten nog menselijk te zijn.” En dat bestaat niet alleen bij bepaalde instanties. Dat gaat regeringen, statenbonden grote economische lichamen beïnvloeden. En ja, wat moet je dan doen? Dan moet je daarvoor begrip hebben. En dan kun je je niet verdedigen met een beroep op menselijkheid. Dan kun je je alleen maar verdedigen met voorschriften en met de formules, die worden gebruikt om al wat er in de wereld gebeurt te rechtvaardigen. Begrijp je dat niet en blijf je hameren op het standpunt van menselijkheid dan bereik je niets. Je kunt de menselijkheid die in je is zo richten, dat zij in staat is de menselijke waarde te zien van bv. organisatorische elementen. Dat zij de waarde gaat beseffen, die ligt achter formalisme. En de waarde daarvan kennende, kunnen wij het formalisme dan in menselijke zin gebruiken en kunnen wij het ambtelijke uit zijn doodsheid van letterknechterij maken tot een levend menselijk reageren. En dat kunnen wij zelf doen.
De wereld eist een dialoog. Het is niet zo, dat de wereld tot ons spreekt en dat wij niets kunnen terugzeggen. En het is ook niet zo, dat als wij spreken de wereld moet luisteren. In deze dagen is er een dialoog nodig. Indien u de wereld wilt benaderen, moet u eerst haar taal leren verstaan en u dan de moeite getroosten om haar in haar eigen taal te antwoorden. U behoeft de inhoud van uw wezen daarom niet te verloochenen, maar de formulering van die inhoud moet in overeenstemming zijn met de wereld buiten u. Om in deze wereld het begrip “aanpassing” niet alleen in stoffelijke maar ook in geestelijke zin juister te formuleren, zullen wij ons houden aan de volgende punten:
- Ik ben mijzelf. Ik dien mijzelf te blijven. Ik kan slechts mijzelf in waarheid uiten.
- Elke uiting tegenover de wereld moet geschieden in overeenstemming met het begrip van die wereld.
- Slechts door de. wereld te begrijpen kan men het recht verwerven in die wereld zichzelf te zijn.
- Alle kracht die ik geestelijk bezit is waardeloos, tenzij ze wordt gebruikt in overeenstemming met de krachten, die op de wereld regeren. (Op dit laatste kom ik nog terug).
- Elke geestelijke waarde, elk geestelijk voertuig, elke geestelijke kracht, die in mij bestaat, moet door mijzelf worden gericht en kan nimmer door anderen voor mij worden gericht.
Het is daarom niet mogelijk enige verantwoordelijkheid af te schuiven voor mijn betekenis in de wereld, mijn relaties met de wereld of zelfs voor datgene, wat de wereld mij aandoet of voor mij betekent. In deze regels ligt eigenlijk het hele begrip “aanpassing” omschreven in algemene zin, maar ook voor doge dagen. want wanneer op deze wereld een kracht van gerechtigheid regeert, dan zal een beroep op liefde nimmer baten. Ik kan mijn liefdeskracht alleen gebruiken, indien zij tot uiting komt in de taal der gerechtigheid. Als ik wil stijgen tot de hoogste geestelijke wereld en ik vind het Witte Licht, dan zal dat witte Licht niet verstaan en begrepen kunnen worden in de caleidoscopische wereld met haar vele kleuren. Ik zal dit Licht zorgvuldig moeten richten en zo nodig moeten splitsen tot de juiste kleur voor het caleidoscopisch aspect, waarin ik mij nu bevind, is gevonden. Het behoeft niet een gelijke kleur te zijn, maar zij moet harmonisch zijn.
Zo zou misverstanden doen ontstaan, explosies tot stand kunnen brengen. Als ik van uit mijn geestelijke waarheid een besef kan doen doordringen in bv. een stoffelijke wereld, dan mag ik wel zeggen, dat dit waar is: Maar de macht rond mij (dus bv. de staat) heeft haar eigen opvattingen, haar eigen inzichten en ook als deze niet waar zijn, als ze een soort maskerade zijn, zo blijft de zekerheid bestaan dat ik in zekere mate conform deze uiterlijke waarde zal moeten handelen. Ik handel dus het best, indien ik mijn krachten niet stel tegenover, maar in de kracht die heerst. Een voorbeeld om dit te verduidelijken. Wie van u heeft weleens zwemmende een meer, een stroming of een getij getroffen, waardoor hij werd meegesleurd en de kracht niet meer had om de weg, die hij had bepaald, terug af te leggen. Degenen onder u, die dat eens hebben meegemaakt, weten dat je er nooit in zult slagen tegen de stroom in te gaan. Maar je kunt wel de stroom zijdelings doorkruisen door je plaats, meegaande met de stroming, steeds te veranderen. Je komt er ten slotte buiten en je kunt teruggaan, als het nodig is. Je kunt je soms ook door de stroom laten dragen naar een punt, dat zo dicht bij het doel ligt dat je je had gesteld, dat de verschillen eigenlijk onbelangrijk worden. Op diezelfde manier moeten wij ons aanpassen aan de gedachten en krachten, die regeren. Het is allemaal wel heel aardig om te zeggen. Wij hebben maar één waarheid en wij moeten tegen alles ingaan, wat met die waarde strijdig is. Maar weten we dan wel, of dat andere in wezen strijdig is of niet?
Wij weten het niet. Moeten wij dan alleen op ons eigen inzicht afgaan? Neen: Aanpassing betekent niet jezelf verloochenen. Maar het betekent wel degelijk: Zorgen dat je niet lijnrecht ingaat tegen alles wat buiten je bestaat.
Indien u dit hebt kunnen volgen en hebt kunnen begrijpen, wil ik wijzen op een van de meest curieuze tendensen, die wij in het komende jaar krijgen. Misschien bent u in deze dagen hier en daar al getroffen door de onnodige ruwheid van sommige mensen. Het is alsof ze met niemand rekening houden. Het is alsof ze er plezier in hebben om anderen te bruuskeren. Deze tendens zet zich bijna het gehele jaar door. En ofschoon het in de eerste periode van dit jaar misschien niet zo ernstig is, komt er een tijd van enkele maanden, waarin juist die neiging om hard te zijn, om tegen de mensen in te gaan, om onredelijk te zijn, overal sterk verbreid is.
Wanneer we die onredelijkheid toetsen aan redelijkheid, gaat ze teloor. Maar wij gaan teloor met onze redelijkheid, als de onredelijkheid. sterker is. Indien wij de onredelijkheid met onredelijkheid kunnen beantwoorden (en wel met een onredelijkheid, die ons eigen wezen niet geheel verloochent, maar die gelijktijdig toch ook in staat is om het normbestaan van bv. burgerlijk fatsoen enz. opzij te zetten), dan zullen wij worden verstaan en de onredelijkheid wordt de vorm, waarachter zich een redelijk contact verbergt.
Die onredelijkheid zullen wij op elk terrein zien. En dan behoeven wij heus niet te denken aan vriend Soekarno, die zo graag de UNO wil uitlopen. Want per slot van rekening, dat is er maar één. We weten echter, dat er in de UNO op het ogenblik een schaakmat is. De UNO kan eigenlijk niets werkelijk doen en als ze werkelijk iets doet, dan schept ze conflicten, die groter zijn dan de kleine conflicten, die ze tracht op te lossen. Om een voorbeeld te geven. Het in grijpen van de UNO in de Kongo is aanleiding geweest tot zoveel steun buiten de UNO om aan andere partijen, dat hierdoor het conflict groter werd.
Het ingrijpen van de UNO op Cyprus, ofschoon ogenblikkelijk schijnbaar goed, heeft er in wezen toe geleid, dat het conflict Griekenland–Turkije, dat veel belangrijker is, op het ogenblik een zeer grote omvang heeft aangenomen. Het feit, dat het ingrijpen op Cyprus zelf daar niet de oorzaak van de onrust heeft kunnen wegnemen, betekent verder dat men het vuur wel tijdelijk van zijn vlammen heeft ontdaan, maar het niet heeft gedoofd.
Het zijn dergelijke conflicten, die zo’n grote instantie kunnen breken. En indien wij nu ten koste van alles de UNO willen handhaven, zullen wij moeten zeggen: De UNO moet daadloos worden. Pas wanneer de UNO alleen een forum blijft, waarin men met elkaar kan spreken en elkaar kan beschuldigen, kan ze blijven voortbestaan. Zodra deze zelfde UNO actief wordt in een bepaalde richting, is haar bestaan onder die omstandigheden praktisch onmogelijk.
En daaruit blijkt weer de keuze, die wij in ons persoonlijk leven zullen krijgen. Er zullen ogenblikken zijn, dat wij de relaties die we hebben, datgene wat bestaat, zullen kunnen handhaven, indien wij volkomen neutraal zijn. Maar door die neutraliteit zullen wij het deel van ons eigen leven eigenlijk teniet doen.
Wat moeten wij dan doen? Ik geloof, dat het beter is in dit geval de schijnbare eenheid te verbreken dan voort te gaan in deze schijn van eenheid zonder enige bereiking. We mogen dan een samenwerking beëindigen, die tot op heden als het ware aan een zeker reglement onderworpen was (een misschien niet uitgesproken, maar een stilzwijgend aanvaarde afspraak), die moet wegvallen. Dat wij die banden niet meer kunnen accepteren. Het zal kunnen voorkomen, dat wij in zakelijk en ander opzicht bepaalde vaste groeperingen en tendensen plotseling opzij moeten leggen. Dat we moeten zeggen: We kunnen er niet mee verdergaan, alleen omdat we zo — met het goede tenminste — nog kunnen meewerken. En geestelijk is het precies hetzelfde. We kunnen daadloos worden gemaakt, doordat we als het ware aan de letter willen houden. We moeten terugvallen op de geest der dingen. We moeten de uiterlijke gebondenheden en de zekerheden steeds meer opzij kunnen zetten om daarvoor in de plaats te zetten de intensiteit van ons persoonlijk leven en streven, dat niet probeert anderen aan te tasten of te vernietigen; dat de terminologie en de intenties van de ander volledig kan erkennen, maar zichzelf daarin alleen in zoverre begeeft en bindt als dit volgens het “ik” volledig aanvaardbaar is en zonder daaraan verder verplichtingen vast te knopen. Ik weet niet, of u begrijpt waar dit naar toe gaat? Maar 1965 is een jaar van vernieuwing. En vernieuwing betekent — u kunt het overal rond u zien — ook vernieling. Waar gebouwd wordt, werd gebroken. En waar nu gebroken wordt, zal zo dadelijk worden gebouwd. Het is niet een proces van plotselinge omslag, maar van een voortdurende, vaak trage verandering. In die verandering vallen steeds weer beslissingen, waartegen we ons moeten verweren. Tenminste wanneer wij ons willen houden aan onze eigen begrippen. Maar doen wij dit, dan gaan wij tegen de vernieuwing in; en dat is een kosmische tendens. We kunnen het niet volhouden.
Aan de andere kant kunnen we wel heel enthousiast gaan meewerken met alles wat er maar op vernieuwing lijkt. Maar als we dat doen, dan hebben we kans dat wij het huis afbreken, waarin wij moeten wonen om ruimte te maken voor het sportterrein, waarop wij hopen dat onze kleinkinderen zullen kunnen spelen. En daar hebben wij ook niets aan. In dit jaar moeten wij dus ook geestelijk heel erg voorzichtig zijn met afbreken. Maar wij moeten wel begrijpen dat er dingen zijn, die nu eenmaal niet kunnen op dit ogenblik. Die — al leven ze nog zo intens in ons werkelijk ego — eenvoudig, niet tot uiting kunnen worden gebracht, of niet op de door ons begeerde wijze deel kunnen uitmaken van ons leven en bestaan. Begrijpen we dit, dan kunnen wij ons aanpassen. Dan kunnen wij een weg vinden, waardoor wij toch lever volgens onze eigen waarde en in contact met de wereld.
Het is misschien niet erg verstandig om hier weer te beginnen met allerhand prognoses. Tenslotte is er een redelijke hoeveelheid prognoses gegeven en ik geloof, dat wij het daarbij kunnen laten. De betekenis van die prognoses is echter wel belangrijk. Wat wij hebben gezegd over rampen in het verleden, dat zult u zich allemaal nog herinneren, dat ze in zekere zin een betekenis hebben, dat ze voortkomen uit zwakten die op geestelijk terrein bestaan en die zich ontladen op de zwakke punten in de aarde enz. enz.
Maar rampen kunnen in deze dagen een veel grotere betekenis krijgen. Soms kan een ramp iets tot stand brengen wat anders nooit zou zijn gebeurd. Laat mij een voorbeeld geven, waarvan u aan het einde van 1965 ongetwijfeld de bevestiging zult krijgen.
Er is in deze stad een gebouw afgebrand, K. en W. Dat was voor deze stad erg belangrijk. Maar die belangrijkheid was lang zo groot niet meer als men zou willen stellen. Het feit dat het er was, maakte echter het scheppen van nieuwe en misschien betere mogelijkheden binnen het geheel onmogelijk, omdat men zei: “Maar er is nog altijd een Gebouw van K. en W.” Pas als een nood is geschapen, ontstaat de kans op een meer spontane oplossing. Zolang er nog iets achterblijft, waarvan we denken: het kan er nog mee door, komen we niet tot vernieuwing. De ramp — en dan bedoel ik zeker niet de brand in K. en W. Dat was geen ramp. Dat was een opruiming van oude rommel — heeft dus een zekere functie. Zij is niet slechts de weerwraak van de aarde — al zitten er bepaalde rechtvaardigheidsnormen aan verbonden, eker ook in het komende jaar — maar het is ook het afbreken van iets, dat anders zou blijven bestaan. Het is het dwingen tot verandering, het scheppen van een mogelijkheid tot verandering waar die niet tot stand zou komen zonder het geweld. En in deze zin moeten wij het geweld van deze dagen begrijpen.
Wij zullen zeker — als wij geestelijk gericht zijn — het geweld afkeuren, allemaal. Maar wij kunnen niet ontkennen, dat het geweld een functie, heeft. Wanneer het geweld in de straten zo sterk toeneemt, dat een ieder zich moet gaan verdedigen, dan komt men misschien tot de oplossing: Bewapen iedereen. En daarmee noemt het geweld wel tijdelijk toe, maar gelijktijdig zal het onredelijke geweld steeds meer afnemen. Wanneer het geweld in de wereld van een sluipend met elkaar worstelen onder het spreken van zoete woorden is gaat veranderen in het elkaar bedreigen met wapens (en dat zal in dit jaar ongetwijfeld meermalen het geval zijn), dan is dat niet alleen maar een kwestie van een negatief aspect van oorlogsdreiging. Neen, dan is het het eindelijk zuiver stellen van verhoudingen en daardoor het terzijde werpen van heel veel rompslomp, die schadelijk was voor de aanpassing van de staten aan de behoeften van deze tijd en voor de aanpassing van diplomatie en politiek aan de feiten van deze dagen.
Als een groot gebied wordt overstroomd, meermalen achter elkaar (dit jaar zijn er heel wat gebieden, die daarvoor in aanmerking komen), dan zal dat niet alleen maar zijns een bestraffen van bv. een verkeerde mentaliteit, maar het is gelijktijdig het wegvagen van veel ouds. Het is het vernieuwen, het bouwen van een nieuwe situatie, van nieuwe mogelijkheden. Het is het scheppen van een mogelijkheid, die morgen van belang zal zijn en die niet morgen een rem zal zijn op elke verdere bereiking. We moeten leren dat ook zo te zien, zowel in eigen leven en eigen geestelijk bestaan als in de wereld en in al wat daarmee samenhangt. Alleen dan kunnen wij ons op de juiste manier aanpassen.
Te zeggen: “Het is onaangenaam wat er gebeurt, maar het zal wel zin hebben,” is wel aardig, maar het is een doekje voor het bloeden. Per slot van rekening; als je een geliefde mens moet verliezen, dan kun je wel zeggen: Het was Gods wil, maar het verlies blijft bestaan. En dat “Gods wil” is dan iets dat je blijft volhouden, omdat je alle andere mogelijkheden maar liever uitschakelt. Maar als je nu iemand verliest en je kunt begrijpen, dat de verandering, die daardoor ontstaat, niet het verlies zelf maar de verandering zin heeft, als je begrijpt dat de verandering in je leven met al haar onaangenaamheden — en dat zal juist in dit jaar en de komende jaren voor velen zeer sterk zijn — betekent een nieuwe mogelijkheid een nieuwe ontwikkeling, het ontstaan van een nieuwe vrijheid, het breken van allerhand vooroordelen, waarachter je verschanst zat, de noodzaak om allerhande lieve gewoonten opzij te gooien, dan kun je er vrede face hebben.
De wereld zal heel wat offers moeten brengen in de komende jaren. En wanneer wij die offers alleen maar bekijken als kosten, dan kunnen wij zeggen: God en de geest weten, maar wij komen er niet verder mee. Maar als wij ons afvragen: Wat wordt daardoor voor een vernieuwing afgedwongen? Wat is de verandering, die hieruit voortkomt? — En dat zullen wij in vele gevallen toch wel kunnen aanvoelen — dan kunnen wij zeggen: Hier wordt iets groots verricht. Aanpassing wil zeggen: Ontwikkelingen zien en erkennen en daardoor in staat zijn er deel aan te hebben.
Het komende jaar betekent een steeds snellere, fellere, hardere en wredere afhandeling van lopende zaken. Het betekent de verstoring van alle gewoonten en de aantasting van opvattingen en gebruiken. Het is de rebellie tegen al wat is gevestigd. Om ons hierbij te kunnen aanpassen zullen wij ons moeten realiseren:
- De wijze, waarop wij leven en denken, is niet volledig juist. Zij belemmert ons zelfs in de uiting van onze eigen persoonlijkheid.
- Ik kan — als ik mij in deze rebellie spiegel — ideeën, idealen en mogelijkheden zien, die ook voor mij belangrijk zijn. Laat mij deze verwerkelijken.
- Wetende dat alles zin heeft, zal ik naar de zin van alle dingen zoeken, ook in mijn eigen geestelijk werken en streven.
- Uit de versnelling van oorzaak-en-gevolg, uit de harde oplossing, die voor vele onjuiste situaties wordt gevonden, zal ik leren ook voor mijzelf, desnoods met hardheid, de situaties te herzien, die niet passend en juist zijn. Ik zal leren in de plaats van mijn dromerijen en werkelijkheid te stellen. Waarschuwing: Wie in dit jaar begint met illusies en dromen en weigert deze aan de feiten te toetsen, zal vaak hierdoor het gehele jaar worden misleid en aan het einde van de jaren 1966 – ’67 met zeer grote verliezen, zowel emotioneel, geestelijk als zuiver materieel moeten ontdekken, dat hij heeft geleefd in een wereld van dwaasheid. In een kartonnen wereld van decors, waarachter de werkelijkheid schuil ging.
- Hardheid is daar, waar met zachtheid niets te bereiken valt, de beste weg. Beperk u zoveel mogelijk in de hardheid, maar tracht nimmer gevoeligheden en zachtheden in de plaats te stellen van hardheid, waar gij erkent dat een gezagsuitdrukking, een gezagsverhouding of voor uzelf de aanvaarding van andere toestanden noodzakelijk is.
- Woorden beginnen meer en meer hun zin te verliezen. Ze hebben te veel betekenissen en bijbetekenissen gekregen. Leer u steeds meer metterdaad uit te drukken en maak uw woorden eerder tot een aangenaam spel dan tot een poging om de belangrijkheid van de wereld te omschrijven. Waar daden niet mogelijk zijn, beperk u in het aantal van uw woorden.
- Weet, dat elke ontwikkeling in het komende jaar de neiging heeft zich voort te zetten tot in het extreme. Daar, waar gij het extreme vreest, moet gij u ook van alle begin onthouden. Daar, waar het extreme voor u aanvaardbaar is, zult ge dit jaar met het begin ook het einde hebben bereikt. Want begin en einde zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden en ten hoogste in tijd van elkaar gescheiden. Richt uw handelen daarop!
- Alles is zakelijk en economisch onzeker. Deze onzekerheid zal haar invloed hebben op uw dagelijks bestaan en vaak ook op uw geestelijke behoefte en geestelijke gedachten. Richt u niet op de onzekerheid. Zoek steeds wat zekerheid te vinden voor uzelf. Het is beter veel te verliezen van wat ge schijnbaar bereikt of bezit en zekerheid over te houden dan het vele, dat ge meent te bezitten, in onzekerheid te zien vergaan.
- Bedenk, dat uw benadering van de medemens belangrijk is voor uw geestelijk heil en uw stoffelijk vermogens. Bedenk, dat de benadering van de medemens tot u voor u onbelangrijk is, tenzij daarin mogelijkheden tot harmonie en uitbreiding van bewustzijn zijn gelegen. Oriënteer u op uw eigen benadering van mensheid en geest, niet op de benadering van mensheid en geest tot u.
Dat zijn een aantal punten. Het zal moeilijk zijn ze allemaal meteen in praktijk te brengen. Onthoud dit: Wie elke dag een duizendste gram goud weet te verzamelen, bezit aan het einde van de tijd goud in overvloed. Begin niet alle dingen ineens door te voeren, maar voer elke dag iets meer daarvan door. Zelfs in deze dagen zal er voor de persoonlijke ontwikkeling een zekere geleidelijkheid noodzakelijk zijn.
Zelfkennis is noodzakelijk. Maar een directe aanvaarding van wat ge zelf werkelijk zijt, zal u moeilijk vallen. Probeer elke dag iets meer te beseffen van wat ge zijt. Zelfbeheersing is moeilijk. Begin daarom elke dag een kleinigheid te beheersen, totdat ge ook uw gehele wezen meester zijt. Het vinden van harmonie is moeilijk, zeker in dagen als deze. Een absolute harmonie vinden zou voor menigeen betekenen: Zichzelf verliezen. Begin daarom in het kleine harmonie te vinden, steeds weer en steeds waar ge kunt. Daardoor zal de grotere harmonie, die zo belangrijk en noodzakelijk is, bereikbaar zijn.
Begin in alle dingen langzaam en overlegd. Laat u in de jachtigheid van deze dagen en de plotselinge verwarringen niet dwingen tot overhaaste reacties of besluiten. Maar als ge tot een besluit zijt gekomen, als ge u een beeld hebt gevormd en het voornemen hebt gemaakt, volbreng dit zonder enige aarzeling volledig en geheel in overeenstemming met uw eigen begrip van Licht en goed.
Geestelijke aanpassing in deze tijd
Deze dagen zijn voor de mensheid. dagen van onzekerheid. En deze onzekerheid kont innerlijk sterker tot uiting dan naar buiten toe kenbaar wordt. Deze onzekerheid zal grotendeels mentaal zijn, maar brengt toch een weerslag met zich mee ten opzichte van het geestelijk bestaan van de mens.
Degene, die innerlijk onzeker is, zal ook als hem een flits van Licht of een inspiratie bereikt, menen: “Dit kan gevaarlijk zijn, ik moet voorzichtig blijven.” En zo worden dus juist uit de onzekerheid, die er in de wereld bestaat — een groot aantal geestelijke waarden verworpen, die in de mens aanwezig zijn en die van uit deze mens een zeer grote en goede invloed op het gebeuren zouden kunnen hebben.
Indien wij dit willen voorkomen, zo mogen wij zeggen, dat het beter is geen innerlijke onzekerheid te kennen. Maar wie zal zich daarvan kunnen ontdoen? En zo wordt het conflict er niet een van mentale beheersing alleen. Van een terzijde stellen van elke twijfel of onzekerheid, maar het wordt eerder het probleem van een ondanks twijfel en onzekerheid continueren van de geestelijke invloeden, die in de stof de mens van uit zijn hoger “ik” bereiken.
Ten aanzien hiervan zijn een aantal punten te stellen: Indien ik van uit mijzelf opga, met een terzijde stellen van alle stoffelijke waarden, zo zal ik mijzelf innerlijk erkennen in waarheid en de krachten der waarheid zullen mij het beeld vormen dat ik met. mij neem, wanneer ik terugkeer tot de stof. Juist degene, die in staat is alle stoffelijke onzekerheden en grote emoties terzijde te stellen, zal in staat zijn uit zichzelf een zekerheid met zich te brengen, die in de stof alle verwarringen van meer wereldse aard kan overbruggen. of zelfs geheel kan overschaduwen.
Wat is nu de zuivere weg, die wij kunnen gaan, indien wij de zekerheid van de geest willen behouden en ons gelijktijdig moeten aanpassen aan een wereld, waarin de onzekerheid regeert? Eens werd door een godheid tot een krijgsheld gesproken: “Ziet hier staat voor u een leger. Zij strijden en sterven waar dit nodig is. Omdat ge erkent, dat het juist is, is het ware verdienste.” Zo zou ik willen zeggen: In uzelf erkennen wat de geestelijke waarde is en deze waarde als een zekerheid stellen boven al het andere, is het winnen van de slag, is het vinden van de verdienste in alle dingen van het leven, zelfs in de verwarring of de schijnbare verwording, waarin de mensheid zo vaak gebukt gaat onder problemen.
Wie hiermede beginnen wil, zal allereerst een scheiding moeten maken tussen de geest en de stof. Want anders wil hij het totaal van zijn stoffelijke moeilijkheden projecteren in de geest en zal daarmee zichzelf de mogelijkheid ontnemen de klare en heldere kracht der taal, die zijn hogere voertuigen toch bezielt, in zich te ontvangen. Zo ontdoe u van al datgene, wat niet behoort tot uw wereld en leef uw wereld. Of ontdoe u van al datgene, wat tot uw wereld behoort en leef uw innerlijke wereld. Maar ontdoe u niet van beide gelijktijdig. De eenheid van stof en geest, die noodzakelijk is, wordt als vanzelf geboren, indien men leert de innerlijke kracht en waarde te projecteren in de werkelijkheid der materie.
Nu is het voor ons altijd weer een proef, wanneer wij met geestelijk licht moeten afdalen tot een materiële toestand, waarin wij onszelf niet geheel kunnen plaatsen. Maar wie zich wil beproeven, neemt — zoals de oude magiërs — zwaard en dolk en daalt af tot het middelpunt der aarde om zich daar te confronteren met de Draak, het beeld van het totaal demonische. En deze erkennende kan hij stijgen uit het centrum der wereld tot de lichtende witte Draak. De Draak, die is de eeuwigheid en die het Al beheerst.
Voor ons zal in deze dagen het conflict in de geest worden het vermogen om de demon te aanschouwen en uit de demon het begrip voor God in ons te wekken. Het is moeilijk deze vlucht in het Hogere te vinden, omdat wij vrezen af te dalen in de diepte. Wie in deze dagen zich geestelijk wil aanpassen aan al datgene, wat rond hem leeft en werkt. Zal geestelijk de moed moeten hebben te gaan tot in de diepte. Hij zal het meest duistere, het meest verworpene en demonische moeten durven aanschouwen zeggend: “Dit erken ik, maar deel ervan ben ik niet. En zo het duister aanschouwend, ziet hij ook het beeld van het lichte. Want wie de demon van duister erkent, kent de desemen van Licht. Beiden zijn elkaar gelijk. Alleen hun kleur en werking zijn verschillend.
Aanpassing betekent: In het duister het licht zien; betekent de onzekerheid verlaten, omdat wij de zekerheid van het duister accepteren, wetend dat hierin de zekerheid van het licht geborgen is. Opgaan tot hogere voertuigen is voor menigeen een moeilijke taak. Hoevelen zijn er die bewust kunnen uittreden? Het zijn er weinigen. Maar in ons is altijd de verbinding — ook met ’t hoogste voertuig dat is ontwikkeld — een feit. Laat ons dan dit feit aanvaarden, ook indien het zich niet onmiddellijk kan manifesteren. Laat ons erkennen, dat het Hogere en Eeuwige in ons een voortdurende band heeft met het heden. Dat het inwerkt met zijn kracht op het heden en dat wij, schouwende in deze werkelijkheid van het “ik” en uitgaande van een breukdeel van de werkelijkheid, kunnen komen tot een besef, waarin het totaal vat de wereld zich openbaart in waarheid.
Zolang wij trachten te selecteren — of het een selectie is van het voertuig in de geest, van waaruit wij willen werken of een selectie van de aspecten in een wereld, die wij willen aanvaarden en onderzoeken — beperken wij ons vaak nodeloos in onze erkenning van waarheid. En juist in een tijd als deze is de waarheid het meest noodzakelijke. Maar die waarheid kan alleen kenbaar worden van uit het eigen “ik” en de eigen geest. Zij kan de harmonie met de oneindigheid erkennen, zij kan de eeuwigheid omvamen, maar zij blijft gebonden aan zichzelf.
Begin dan in uzelf, verwacht in uzelf te vinden het vertrouwen in die onbekende innerlijke kracht, die uw ego is. Laat uw gedachten niet doelloos stijgen. Laat uw gebeden niet als verstoorde vogels rondfladderen, ergens boven de bomen, die het menselijk zijn omgrenzen. Zoals gij uw “ik” moet zien als een gerichte waarheid die niet kan worden geformuleerd, maar die beleefd tot waarheid voert — ook in de stof — zo moet ge uw bede, uw uitgezonden gedachten, niet zien als iets, wat geperst in een nauwkeurige formulering zonder meer belangrijk is. Het is beter dat de bede geen woorden kent maar gericht is, dan dat zij — zuiver opschreven — ten ondergaat aan haar ongerichtheid.
Omschrijving en gerichtheid zijn andere waarden in de geest. En wie dit in deze jaren niet beseft, zal staan voor de grote verwarringen, die ook het innerlijk kunnen omvamen. Want hij definieert zijn gerichtheid niet, maar hij omschrijft zichzelf en zijn doel. Wie spreekt over een tocht over verre bergen, bereikt geen top. Wie spreekt over de geest en haar niet in zich beleeft, kan geen waarde uit de geest in zijn werkelijkheid zien.
Elk voertuig op zich heeft zijn waarde. Elke sfeer en wereld bezit haar kracht. Maar gij weet niet wat de waarheid is, voordat de kracht van de geest in u is doorgedrongen. Want de verwarringen van de materie en de rede zijn te groot. Daarom kunt ge niet selecteren uit de krachten de in u wonen, voordat ge eerst hebt getracht het totaal van uw wereld terzijde te stellen, uw eigen “ik” te beleven en de kracht daarin. Het beeld, dat daaruit ontstaat, is het beeld dat uw gerichtheid kan bepalen. Maar vergis u niet: Want het beeld, dat in u is, zou de werkelijkheid soms voor uw ogen kunnen wegvagen, Het beeld, dat in u leeft, is eeuwig. Het is tijdloos en vormloos. Het zweeft als een wolk aan de hemel, waarvan ge de snelheid en de omvang niet kunt bepalen. En uw stoffelijke werkelijkheid is klein. Uw stoffelijke werkelijkheid is een andere.
De kracht van de geest en het beeld van de geest zijn de gerichtheid van het “ik”. Zij bepalen de wijze, waarop het “ik” zal streven. Zij geven het “ik” de krachten, waardoor het in zijn bestrevingen de mogelijkheid tot bereiking vindt, ook al is die bereiking er dan niet altijd een die menselijk zo mooi of aanvaardbaar klinkt. En dan neemt ge de stoffelijke werkelijkheid en ge injecteert als het ware daarin uw geestelijke gerichtheid en formuleert desnoods die gerichtheid. Wie zo handelt, zal — omdat hij uitgaat van de eeuwige harmonie, die voor het “ik” noodzakelijk en belangrijk is en omdat hij uitgaat van de waarden en krachten waarmee hij harmonisch hij is — op aarde het harmonische erkennen. Hij zal uit het totaal van het gebeuren en het zijn die elementen selecteren, waarin hij op dit moment kan leven, waarin hij bereikt en leert.
Aanpassing van de geestelijke waarden is niet alleen het scheppen van iets, wat geestelijk voornaam is op de wereld. Het is het erkennen van de harmonie, die er met de wereld bestaat. Het is uit het totaal van de eeuwigheid de kracht erkennen, die met dit breukdeel der eeuwigheid in overeenstemming is.
Onbeperkt zijn de bronnen, die in de mens leven. Onbeperkt is de kracht, waarover hij beschikt, wanneer hij bewust is. Maar hoe beperkt is hij, indien hij zijn beeld van zelf-zijn en zelf-werken doet begrenzen door stoffelijke maatstaven, stellingen en normen. Deze dingen zijn uiterlijk. Ze zijn slechts het voertuig van de werkelijke intentie, het werkelijke leven en daarin beweegt zich het bewustzijn voort en vergaart uit de rijke en diverse werelden voor zich het noodzakelijke voedsel, zodat het groeit en sterk zal zijn. Aanpassen aan deze tijd betekent voor de geest in de eerste plaats de moed hebben terug te gaan tot het eigen ego. Terugkeren tot jezelf. En in de tweede plaats de moed om — ook zonder dat er een redelijke verklaring of een redelijke goedkeuring is te hechten aan dit innerlijk — het in jezelf te ontvangen. Niet het omzettend in den brute werkelijkheid zonder meer, maar het ziende als een richtlijn van dit geheel, als de wijze waarop harmonie mogelijk is
De wijze, waarop gij in die wereld kunt en moogt bereiken. Zo schept ge de aanpassing. Maar een tijd met vele en verwarde krachten vergt ook een aanpassing van de geestelijke kracht. En het is hier vaak niet voldoende om alleen te berusten in datgene, wat het innerlijke erkennen zonder meer openbaart. Wij moeten voor onszelf trachten de harmonie uit te beelden, die nu belangrijk is.
Wanneer ik een gebroken voorwerp zie, zo kan ik door de concentratie van mijn gedachten en de kracht van mijn gedachten anderen dwingen de stukken samen te zien komen tot het geheel er weer is. Maar de brokstukken blijven. Wie de geestelijke kracht verkeerd gebruikt, maakt daarvan een illusie. Maar hij kan die kracht ook gebruiken om anderen niet te doen zien dat het een geheel is geworden, maar dat het een geheel kan zijn. En dan zal die ander herstellen of herscheppen en is inderdaad de belangrijke waarde opnieuw geboren. Uw geestelijke kracht gebruiken, betekent eerst afstemmen op dat wat harmonisch is.
Wanneer ik een kruik zie, die in brokken ligt en ik wil haar herstellen — al is maar in de ogen der mensen — dan moet ik in harmonie zijn met het beeld van geheel-zijn, van een-zijn. Ik moet die harmonie uitdrukken in de vorm van een pot; en dan pas worden de scherven in de ogen van de anderen één geheel. Niet eerder.
Wanneer ik in mijzelf een gerichtheid heb erkend en ik zie een behoefte die bestaat, een harmonische mogelijkheid voor mij in de wereld, dan mag ik dus niet zoeken naar het algemene beeld, maar ik moet de toestand zien, ik moet haar in mijzelf zien volgens de wet, volgens de norm van een hogere geestelijke wereld. Ik moet als het ware uit de brokstukken en de verwarring weer de gerichte eenheid scheppen, die dit beeld omvat. En zo dit beeld omvattende moet ik niet trachten anderen dit als werkelijkheid te doen beleven. Want het is nog niet werkelijk, behalve misschien de werkelijkheid in mijzelf. Maar ik moet in de ander de zekerheid leggen, dat deze herbouw mogelijk is, dat dit beeld waar kan zijn. Ik moet die ander innerlijk de kracht geven om te zeggen: Ik kan dit waar maken.
Een suggestie van gedachten misschien. Een droom en toch een werkelijkheid. Want indien ge in deze dagen de mensen de juiste gerichtheid en de juiste beelden kunt geven, zelfs van het beperkte, dan kunnen zij volvoeren. In deze dagen wacht men op leiding. Ongetelde miljoenen mensen roepen in stilte, hun stemmen verheffend tot ongekende hemelen en werelden: “Meester, Heer, God, geef mij leiding: zeg mij wat ik moet doen en ik zal volbrengen.” Maar de Meester zwijgt. De hemel geeft geen antwoord. En God is als een stille schemering, die elke echo van klank in Zich absorbeert.
Leiding heeft men nodig. Leiding uit de geest. Maar een leiding uit de geest kan niet worden gegeven volgens de nomen, die vandaag de dag voor de wereld gelden: Daarom moeten wij voor onszelf de leiding vinden in de geest, Wij moeten de kracht in onszelf actief maken, die leiding betekent en het leidend element maken tot een invloed die gericht en scherp van ons uitgaat en anderen helpt om te werken en te bouwen, om hun bereidheid om te zetten in een actie die voor henzelf bewustwording en kracht impliceert. Want zij, die wachten in deze dagen, zij zijn verstild en verstomd in de geest zowel als in de stof. De traagheid van hun dagen is gelijk aan de dompige geruisloosheid van een geestelijke wereld, een steriel bestaan zonder echo, waarin men ofwel zichzelf aanbidt in de vorm van een God, dan wel zich afvraagt, of er dan niets meer is dan duister. Dit zijn de mensen van deze tijd. En slechts wie in zich die barrière doorbreekt door het “ik” te vinden, kan die krachtgericht overdragen aan anderen.
Er zijn vele voertuigen in de mens. En elk van die voertuigen draagt in zich een eigenschap, een wereld, een wet. Maar wij behoeven niet het voertuig te kiezen, dat wij zullen benaderen, zo wij het al kennen. Want de wet, die wij kiezen, is gelijk aan een wereld, aan een voertuig. De mogelijkheid en de nood, die wij kiezen, bestaan in een bepaalde wereld, in een bepaald geestelijk voertuig. Er is geen noodzaak tot nauwkeurige kennis van alle voertuigen, hoezeer deze ook begerenswaard is voor het bewustzijn. De noodzaak is slechts: het kennen van de noodzaak, de behoefte, die hier bestaat in de wereld, waarin ge leeft. Die te kennen en dan te zeggen: In mij is de oplossing; gericht zijn door de kracht van uw eeuwig “ik” en zeggen: Ergens in dat “ik” is de bron, is het vermogen, dat betekent de kracht bezitten en uiten.
In een wereld, die geestelijke krachten steeds minder schijnt te willen en te kunnen beseffen, waarin zelfs zij, die pretenderen leiding te geven, in feite angstvallig pas op de plaats maken, is leiding belangrijk. Wilt ge u aanpassen aan die wereld, dan kunt ge geestelijk verstillen of bijna sterven, nodeloos en nutteloos maken het leven van heden en misschien vele ervaringen, of in uzelf gaan en worden tot leider, tot degene die gerichtheid en richting geeft, die is de stimulans van al het andere. Deze keuze is de belangrijkste in de tijd, die komt.
Aanpassing aan dit heden kan geestelijk slechts geschieden door u te maken tot stuwend element, door u te maken tot een bron van rust, maar gelijktijdig een bron waarvan de kracht uitgaat, die de wereld activeert
Geestelijk kunt ge in uzelf krachten vinden. Maar toen de zeer wijze Oe Tsjwan Toe, was ingegaan tot de hoogste wereld en zelfs had gezien hoe de uitgeworpenen als staartsterren dwaalden door de buitenste duisternis, keerde hij terug op aarde. En zijn leerlingen zeiden hem: “Meester, hoe is dit wat ge beleefde?” En hij zei hun: “Het is zo: Ga en bewerk uw tuin en begiet de planten goed, want er komt droogte. Ga en schrijf dat gedicht neer, opdat het bewaard blijve voor latere tijden. En gij, trek uit en bedel bij elkaar, want wij hebben voedsel en bezit nodig voor de dagen die komen. En gij, keer terug tot uw taak, opdat de keizer u niet verwijt dat ge hebt gefaald.” Maar zij gingen niet en zij zeiden tot hem: “Hoe was het, Meester?” En hij antwoordde hen: “Zo was het: Dat wat geschiedt, is wat geschieden moet. Dat wat krachteloos is, verdwijnt. Dat wat kracht is, leeft.” En onder elkander zeiden de leerlingen: “Is dit oneindigheid?” En toch is dat het antwoord: Zo is het. Zo, dat de krachten niet omschreven zijn. Zo, dat de woorden sterven en slechts de juiste gerichtheid, de kracht en de handeling overblijven van oneindigheden, die ge als een kostbaar geschenk misschien in woorden zoudt willen behouden.
Dit zult ge ook moeten beseffen. Want veel zal onverklaarbaar zijn en zal geen uitdrukking in woord gedogen. wanneer ge in dit jaar in uzelf stijgt en terugkeert. Maar de kracht zal er zijn. Ge zult weten, wat moet geschieden. Ge zult uw gerichtheid in de wereld en de kosmos erkennen. En al wat ge zijt aan voertuig, aan ziel, zal zich openbaren binnen de beperktheid van de stof, de vluchtigheid van een gebeuren, dat nu belangrijk schijnt. Vernieuw uzelf niet in uiterlijkheden. Want al draagt de bedelaar een nieuw gewaad, hij blijft zichzelf. Vernieuw uzelf en word tot keizer in uzelf. Zo zal zelfs het gewaad van een bedelaar uw glans en glorie niet kunnen bedekken.
Dit is de waarheid van deze dagen. Pas u daaraan aan. Word innerlijk sterk en wijs. Pas alle uiterlijke dingen toe, wanneer er innerlijk een doel en een gerichtheid voor is. En maak dan niet dit alles tot een woord of een leer of misschien een zelfvoldoening, maar maak het tot een bron van een kracht, die ge put. En slinger die kracht weg — ook zonder woorden desnoods — naar de wereld, opdat zij leren leven. Want de vernieuwing van deze dagen is de verwijdering van het uiterlijke. En het innerlijk, dat in juistheid herlevend uit de ondergang van het onnodig de eeuwige waarheid, die in de komende tijd de mensheid verheft, de geest bevrijdt en de ziel doet lachen van vreugde over haar spel met tijdelijke waarden.
Dit is mijn onderwerp van heden. En zo gij mij toestaat, wil ik daaraan een kort slotwoord verbinden, dat zeer misschien voor u iets van het licht van deze tijd mag weergeven. O verzengende zon, gij die mij verteert met uw stralen, hoe kan ik u weerstaan. Ik dorst, door gloed geslagen, moet ik ondergaan en nog kan niet mijn ziel langs uw stralen reizen tot in uw gloed.
Maar ziet, nu ik neergevallen ben, is tof mijn zijn uw zijn ontmoet en kerend tot mijzelf — ik zie mijzelf, herboren en anders — ga ik voort. En ziet, de dorst in mij gesmoord, de gloed geworden tot de koelte van het nieuwe leven, ben ik o zon, deel van uw licht.
Zo strevend, gericht op werkelijkheid en toch op d’ eeuwigheid, waaruit gij kwellend mij tot in uw ware zijn hebt geleid.
Dit is het verhaal van een verleden. Dit is het heden, dat spreekt, versluierd nog in oude taal: Het staal, dat in de gouden zon geborgen is, verwondt ons, doet ons aarzelen. Maar juist als wij die kracht niet langer meer weerstaan, vinden wij door stalen kracht de gouden werkelijkheid en zo — bevrijd van waan — het leven als een werkelijk deel van zijnde eeuwigheid.
Ik wens u rust en zegen op uw schreden, maar bovenal dat gij, ondergaand in het heden, herboren moogt worden met het licht van morgen.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
