Aanroeping en effect

Wat is aanroeping? De meesten zullen hier onmiddellijk denken in magische termen. Daar bestaat aanroeping inderdaad ook. Maar als u zegt: God almachtig, dan kan dat ook een aanroeping zijn. Waar we het vanavond eigenlijk over zullen hebben, is de samenhang tussen het aanroepen (de projectie van een probleem of een vraag naar hogere krachten) en het effect dat daarvan te verwachten is. Ik hoop, dat dit verhelderend werkt voor degenen, die misschien in de vaagheid waren verdoold. Onder aanroeping verstaan wij in het algemeen: een vorm van gebed of een formulering middels de stem, welke wordt gericht tot een hogere kracht. Dat betekent, dat elke manier waarop wij ons richten tot God, tot engelen, tot geesten etc. als aanroeping kan worden geklasseerd. Effect: als wij op een dergelijke wijze een oorzaak scheppen (een aanroeping is een verandering in ons wezen en eventueel in onze relaties met de kosmos), dan zal hieruit dus een gevolg kunnen voortvloeien dat evenwel lang niet altijd beantwoordt aan de verwachtingen. Ik meen dan ook, dat deze titel, die overigens door ons werd veranderd van “Gebed en Verhoring” dus wel toepasselijk is.

Op het ogenblik, dat ik mij richt op welke kracht dan ook, probeer ik mij af te stemmen op een beeld dat ik in mij heb. Als ik bid tot God, dan bid ik niet tot iets wat buiten mij is, maar ik richt mij op een voorstelling van God zoals deze in mij bestaat. Ditzelfde geldt voor geesten, voor demonen, kortom, voor alles wat u zich denken kunt. Door deze wijze van mij richten op een denkbeeld zal ik in harmonie komen met een deel van de kosmos. Welk deel, dat is afhankelijk van de voorstelling, niet van de naam die ik gebruik.

Deze harmonie betekent, dat van mij uit krachten gaan naar de persoonlijkheid waarop ik mij richt en dat deze kan reageren en in de meeste gevallen ook zal reageren. De reactie kan alleen in overeenstemming zijn met het wezen dat ik heb aangeroepen. Ik kan dus nooit het duister aanroepen om iets goeds tot stand te brengen: dat zal dan nooit “goed” zijn. Ik kan nooit het licht aanroepen om iets slechts tot stand te brengen, want zelfs als ik gevolg krijg, zal dit goed, dus lichtend, zijn en daardoor niet aan mijn verwachting beantwoorden. De verschillende vormen van aanroeping zullen we op een rij zetten. De eenvoudigste aanroeping is de verzuchting. waarbij een beeld wordt gebruikt dat je in jezelf hebt. Ik heb ‘God almachtig’ gebruikt. Er zijn er meer. Wat dat betreft zou ‘gossiemijne’ ook een aanroeping kunnen zijn. De meer ingewikkelde vormen zijn gebedsvormen: O, Heer, of: Almachtige God. Dan is daar de naamaanroeping. Ik roep Jehova, Adonaï, Tetragrammaton. etc. Al deze naamaanroepingen hebben weer te maken met een voorstelling in mij. Ze zijn plechtiger en voor mijzelf gewichtiger en daardoor meer concentratie veroorzakend, maar kosmisch gezien hebben ze geen hogere betekenis. De hoogste graad van aanroeping is de volledige concentratie van het “ik” waarbij het gehele stoffelijke bewustzijn door de mens wordt uitgeschakeld om het totaal van zijn geestelijke vermogens en krachten te projecteren naar een hoger wezen waarvan hij een voorstelling heeft en waarmee hij een zeker rapport bereikt. Alleen in dit laatste geval is het effect zonder meer zeker. In alle andere gevallen is het effect van een zodanige aard, dat het aan het bewustzijn van de mens of aan zijn opmerkingsvermogen voorbij kan gaan.

Welke gevolgen kunnen wij verwachten van een gebed? Als u God vraagt om uw medemens te straffen, dan krijgt u geen antwoord: dan moet u tot de duivel bidden. Als u zich een God voorstelt, die aan een dergelijk gebed onmiddellijk gevolg zal geven, dan bidt u in feite tot de duivel. Als u God vraagt om een zieke te genezen, dan vraagt u in feite om levenskracht. Is uw voorstelling van God er een waarin de levende kracht die overal aanwezig is door u wordt ervaren, dan zult daarmee die kracht activeren. Maar de vraag is: kunt u haar ook activeren in een ander? In de meeste gevallen activeert u haar voornamelijk in uzelf. Maar u kunt die kracht aan anderen overdragen. Als u probeert om wereldvrede als doel van een aanroeping of gebed te gebruiken, dan wordt u geconfronteerd met een voorstelling van vrede die nooit goed is. Want werkelijke vrede kan niet bestaan zonder dat gelijktijdig de gehele mensheid ophoudt te bestaan. En aangezien de mensheid een noodzakelijke schakel is in de bewustwording van de geest, zal een dergelijke vrede dus nooit verwezenlijkt kunnen worden. Een gebed om een werkelijke en volledige vrede wordt nooit verhoord. Als ik echter bid om minder lijden op de wereld, dan is dat wel mogelijk. Lijden is voor een groot gedeelte een subjectieve kwestie, terwijl de objectieve factoren in het lijden voor een deel nog afhankelijk zijn van levenskracht en voor een deel ook van de innerlijke harmonie. Wanneer ik mij daarop richt, kan ik wel een verbetering krijgen.

U zult begrijpen dat het erg moeilijk is om die aanroepingen op de juiste manier uit te drukken. Ik zou u een aantal voorbeelden kunnen geven, maar ik meen dat het weinig zin heeft. Als ik u een voorbeeld van een aanroeping geef, dan kan niemand dat neerschrijven, dat wil dus zeggen dat er onzin staat voor degenen die het lezen, terwijl zij die het hebben gehoord zo van de kaart zijn dat naar de rest niet wordt geluisterd.

Laten we goed begrijpen, dat omstandigheden van groot belang zijn. Wanneer ik in nood ben, zal ik mijn gehele wezen richten op de kracht waarvan ik hulp verwacht. Mijn aanroeping ‑ of die nu tot een bepaalde God is of mogelijk eerder aan natuurkrachten ‑ wordt dermate geconcentreerd uitgezonden dat daarmee een totaal nieuwe situatie ontstaat, die zich vooral ook op astraal vlak manifesteert. Hierdoor is o.m. verklaarbaar de z.g. waarneming van mensen in stervensgevaar door nabestaanden waarbij lang niet altijd de persoon werkelijk is gestorven. We kunnen ons verder voorstellen, dat door de enorme intensiteit ook de eigen verwachting ten aanzien van andere waarden van leven een grote rol speelt. Dit betekent, dat een mens zich automatisch instelt op die werelden of sferen waarin hij gelooft. Ook hieruit kan hij krachten ontvangen, ook hierin kan hij belevingen ondergaan. Een mens in doodsgevaar, die zich met absolute concentratie richt op het hogere, ondergaat daardoor een persoonlijke verandering, die tenminste het geestelijke en astrale vlak beroert, maar in vele gevallen ook een weerslag vindt in het stoffelijke.

Een aanroeping, die wordt gedaan als gewoonte zoals: “’s Avonds als ik slapen ga, volgen 14 engeltjes mij na.” zegt niets. Het is gewoon een rijmpje. U moet niet denken dat, als een kind dat begint af te raffelen, er heus engeltjes komen opdraven. Maar het kind krijgt wel een gevoel van geborgenheid en zekerheid, zeker als het opgevoed wordt in een omgeving waar het gebed wordt beschouwd als een schakel tussen het “ik” en schermende kracht van engelen. De zekerheid speelt wel een rol, het gebed en de formulering niet. Een mens die bidt, doet dit heel vaak uit een gewoonte en soms zelfs uit een soort angst. Zoals: als ik nu niet bid vóór en na het eten, dan zal God mij kwalijk nemen dat ik lekker gegeten heb. Dus kan ik niet lekker eten en daarom zal ik maar bidden, dan zal het eten lekkerder smaken, vooral als ik vlugger bid. Een dergelijk gebed is een sociaal gebruik. Het heeft weer te maken met een gevoel van geruststelling van de persoon en als zodanig kan het evenals sommige bijbellezingen na de maaltijd onge­twijfeld bijdragen tot ontspanning en een goede spijsvertering. Met hogere krachten heeft het zelden iets te doen.

Moeilijker wordt het, als we te maken krijgen met een kerkelijke situatie. U kunt zich een kerkgemeenschap voorstellen. Er staat een dominee of pastoor op de kansel en deze gaat een zegen uitspreken. Hij roept God aan om zegen te geven. Wat kan er gebeuren? De aanroeping kan worden gedaan door iemand die erin gelooft. Het kan ook worden gedaan door iemand, die dat alleen maar doet omdat hij het moet doen. Het eigenaardige is, dat dit hier geen verschil uitmaakt voor zover het de gelovigen betreft. De aanroeping wordt namelijk door de gelovigen meebeleeft. Als ze wordt gezien als een uitstorting van kracht, ontstaat er een openstelling in de gelovigen en deze aanvaarden hierdoor de krachten die rond hen zijn en ondergaan inderdaad een inwerking. Maar welke?

Dat kan er één zijn van genezing, maar dan moet men er wel heel sterk in geloven. In heel veel gevallen is het een psychische verandering waardoor het leven en de problemen van het leven opeens veel draaglijker blijken te worden: men kan er meer van verwerken zonder in opstand te komen. Voor een gelovige zal een dergelijke bede om zegen van grote invloed zijn. Het is niet belangrijk, of degene die haar uitspreekt nu werkelijk bekwaam is om haar uit te spreken en er wel of niet in gelooft.

Komen we bij een meer magisch gebeuren, dan verandert er wel iets. In de magie is de magiër zelf het brandpunt. Dat is bij de geestelijke, die een wijding of een zegening uitspreekt niet zozeer het geval. Hij bewerkstelligt een ingrijpen van een andere kracht. Maar de magiër is én voor zichzelf én voor degenen die bij zijn werken betrokken raken – op welke manier dan ook ‑ het brandpunt. De magiër moet dus:

  1. zelf geloven in datgene wat hij verricht,
  2. zijn aanroeping moet zo geformuleerd zijn dat hij dit ziet als de grootste, de machtigste invloed die hij van zichzelf kan doen uitgaan en,
  3. de magiër moet een grote zelfverzekerdheid hebben. Ook dit is begrijpelijk, want een mens die niet zeker is, kan fouten maken.

Als men het brandpunt is van grote krachten, dan zijn de eigen gedachten van heel groot gewicht voor wat er gaat gebeuren. Als men onzeker is, dan stelt men zich alternatieven voor en dan weet men niet wat er kan geschieden. Maar als de magiër beantwoordt aan deze eisen en hij begint een aanroeping, dan wekt hij hierdoor het spanningsveld op waarin hij moet werken. Er zijn mensen die denken, dat voor een magiër een aanroeping voldoende is om iets te doen. Dat is niet waar. De magiër kent in zijn aanroeping n.l. drie fasen.

1e fase: Het gebed, het contact opnemen met de andere wereld en zichzelf a.h.w. tot brandpunt maken voor de krachten van die an­dere wereld.

2e fase: De oproeping of evocatie. Hiermee wordt de kracht die men wil hebben nauwkeurig omschreven in persoonlijkheid, in functie en dan wordt biddend of smekend gezegd: Zeg mij alstublieft dat U zult komen. Ik vraag het U.

3e fase. De magiër verandert in deze fase van persoonlijkheid. Hij wordt één met de hoogste kracht die hij in de 1e fase heeft aangeroepen. Daarom spreekt hij nu als God. Bijvoorbeeld: Ik zeg tot U in de naam van (en noemt hij geesten‑ of godennamen) dat Gij zult komen en tot mijn beschikking staan etc.. Hij spreekt bevelend. Hij is God geworden. Dit is zeer interessant, omdat hiermee de aanroeping eigenlijk een heel ander karakter heeft gekregen. Zij is a.h.w. het afpalen van het veld waarop je kunt werken. Het is het scheppen van een primaire harmonie waarin de verder bezweringen dan allerlei variaties aanbrengen en waarin verschuivingen kunnen plaatsvinden. Het gebied wordt door de aanroeping dus afgepaald.

Waarom die vele wonderlijke namen? Dat is weer begrijpelijk. Als ik begin met een aanroeping aan bv. Tetragrammaton (ik neem er maar een die niet veel zal worden gebruikt), dan begin ik met de voorstelling van wat Tetragrammaton is. Ik heb dus een beeld, dat voor mij aan die naam is verbonden. Het is een functie van het Goddelijke. Door de aanroeping van deze functie bepaal ik de mogelijkheden die er op dit moment zijn. Denkt u niet, dat de magiër wat dat betreft wat kinderachtig doet. Ik wil u erop wijzen dat daar zijn: de Engelen van de Uren. de Heren van de Dagen, de Heersers van de Manen (die worden verschillend aangesproken in overeenstemming met de heersende maanfase op het ogenblik van de bezwering), de Jaarregent. Deze speelt ook een grote rol. Dan kan ik mij eventueel nog richten tot de kosmische Heerser van de Era (het tijdperk). Daarboven zijn er dan nog de goddelijke functies, die ik kan aanroepen. In die goddelijke functies kan ik weer de namen kiezen van de Meesters van die functies, zoals daar ook de aartsengelen zijn. Iedereen weet het, Gabriël is eigenlijk de Louis Armstrong van de hemel, hij speelt uitstekend trompet. Michaël is de vechtersbaas, de Mohammed Ali. Hij komt overal knokken waar dat nodig is. Azraël is de transportondernemer, de Doodsengel. Hij komt zieltjes halen en brengt ze veilig over.

Dit hebben de mensen in het christendom ook gedaan: ze hebben de functies ingedeeld. De magiër doet dat ook, maar hij doet het nauwkeuriger. En omdat hij rekening houdt met alle invloeden, bouwt hij eigenlijk een beeld op van alle mogelijkheden die er zijn. U zult zeggen: Waarom de magiër wel en de anderen niet. Er zijn ook kerken die dat doen. U heeft waarschijnlijk nooit nagedacht over de betekenis van bepaalde zaken in de eredienst. Bijvoorbeeld: “Vandaag, lezen wij in het Oude Testament uit het Boek Numeri hoofdstuk VII, alinea 2.” Dan komt er: “Nu lezen wij uit de brief van Apostel Petrus aan….  Daarna komt er weer een ander stukje uit de bijbel. Maar nu het vreemde: die stukjes moeten bij elkaar passen. Dan volgt het 3e stukje uit het evangelie (de ene keer is het Lucas, of anders Mattheus of Johannes) dat ook weer bij de andere past. Het wonderlijke is nu, indien dit goed wordt gedaan (daar bestaat n.l. een soort kalender voor), dan krijgen we invloeden die horen bij deze dag of bij deze week. In de kerk heeft men dus ook het gebruik om met invloeden te werken, ook al beseft men dat niet zozeer, die specifiek behoren bij een bepaalde tijd van het jaar. Vaak voegt men aan de gebeden nog toe: op deze avond, op deze middag, op deze ochtend, waarbij men bovendien nog het tijdstip bepaalt. Ook daarvoor zijn er verschillende formules. Al die formules betekenen weer: het bepalen van een spanningsveld. En als nu niet de predikatie (zoals helaas menig prediker denkt), maar de zegening de hoofdwaarde zou moeten zijn van de kerkelijke samenhang, dan is duidelijk dat het spanningsveld wordt bepaald door de verschillende voorlezingen, de bede die daarmee gepaard gaat en ook de gezangen die daarin zijn verweven.

De katholieke kerk doet het een beetje anders. Deze heeft namelijk een vast kader. De rite is dus een vaste, magische procedure. Bij wijze van spreken: driemaal kun je schuld bekennen: de bede om genade, de geloofsbelijdenis en al wat erbij komt uitspreken, maar daarin zijn ook de z.g. wisselende gezangen of getijden. Ook hier wordt de tijd mede bepaald door gezangen.

Die gezangen hebben vaak een andere geluidssequentie. Bovendien hebben we het Epistel van A en het Evangelie van B. Hier wordt dus ook een sfeer, een spanningsveld opgebouwd. De meeste mensen beseffen dat niet en daarom is het ook veel minder werkzaam dan het zou kunnen zijn. Men heeft hier dan de z.g. transformatie, de verandering van wijn en brood in bloed en vlees van Jezus waardoor de directe manifestatie van de goddelijke kracht voor de gelovige mogelijk wordt. Vaak zit daar nog het ritueel van de communie bij. Het klinkt erg kannibalistisch als je het goed bekijkt, maar het is een poging om een deel van de goddelijke kracht in je op te nemen. Indien het als zodanig wordt beleefd, dan is het wel degelijk een overdracht van kracht.

Ik hoop met dit alles duidelijk gemaakt te hebben dat in elk ritueel en in elke aanroeping een krachtveld wordt opgewekt, dat daarin bepaalde spanningen ontstaan en dat deze spanningen gevolgen kunnen hebben. Als we de gevolgen van de spanningen zien en ze vergelijken met de oorzaak, dan kunnen we spreken van een effect dat een bepaalde aanroeping voor een bepaalde persoon heeft. We kunnen echter nooit zeggen dat één bepaalde aan­roeping voor alle personen een gelijk effect heeft. Ook dit is duidelijk, indien u zich realiseert dat elke mens zijn relatie met het spanningsveld alleen zelf kan bepalen op grond van zijn persoonlijkheid. Je kunt openstaan voor de gehele kosmos en dan nog kan de kosmos alleen beantwoorden aan het geen jezelf bent. Daardoor is dus het effect t.a.v. de aanroeping niet vast te leggen. We zullen de effecten nog even nagaan.

Effecten.

  1. Elk gevolg van een aanroeping kan alleen bestaan in een persoonlijke reactie op de opgeroepen kracht volgens eigen trillingsgetal.
  2. De mentaliteit, dus de denkbeelden waarmee ik vorm geef aan die kracht en haar in mij op een specifieke manier tot ontlading doe komen, zullen uitmaken in hoeverre de effecten voor mij lichamelijk, mentaal, of zuiver geestelijke zullen zijn. Ik kan geen enkel effect bedenken dat geestelijk niet meewerkt omdat de geest, zijnde het meest vrij vibrerende deel van de persoonlijkheid, door de kosmos altijd zal reageren, zelfs als de lagere delen zoals de psyche, het denkvermogen en het lichaam, daar niet toe komen of een te geringe beroering ondergaan.
  3. Genezende werking door aanroeping is altijd mogelijk, mits grote emotionaliteit, grote intensiteit van kracht en aanroeping aanwezig zijn en daarnaast volledige aanvaarding van de kracht en van de moge­lijkheid tot genezing door de patiënt, zonder dat deze aan de genezing speciaal verbonden blijft. Is dit het geval, dan kan elk gebed en elke aanroeping genezing brengen.
  4. Verandering van instelling. Wanneer wij een grote kracht aanvaarden, dan heeft die kracht een eigen trillingsgetal. Mijn eigen trillingsgetal zal, als ik een grote kracht aanroep, tijdelijk ondergeschikt worden aan deze kracht. Daarbij zullen alle factoren die gelijk trillen met de aangeroepen kracht, bij mij versterkt worden. Alle andere factoren worden tijdelijk onderdrukt. Dat betekent dat ik enige tijd na de aanroeping nog altijd gericht blijf op die kracht. Het effect zal dus zijn dat alle factoren, die harmonisch zijn met de aangeroepen kracht, in mij sterker worden, terwijl de andere kwaliteiten en eigenschappen worden onderdrukt en minder fel deel kunnen hebben aan bewustzijn, bewuste actie en zelfs hun onderbewuste beïnvloeding aanmerkelijk beperken.
  5. Als ik een aanroeping doe met een zelfzuchtige intentie, dan gaat het om een begrenzen van de kosmos tot mijzelf. Dat wil zeggen, dat ik niet open ben voor de kosmos, behalve voor die delen daarvan die in mij gekend en begeerd worden. Dat betekent, dat ik dan een zeer klein gedeelte van de werkelijke kracht ooit in mij zal kunnen ervaren en daardoor zal er geen verandering in mij ontstaan. Op het ogenblik echter, dat ik niet voor mij maar in het algemeen of met een deel buiten mij dat wel nader wordt omschreven, probeer aan een hogere kracht deel te hebben, sta ik volledig open voor die kracht en zullen dus de resultaten scherper kenbaar worden.
  6. Effecten kunnen nooit worden bepaald door de aard van de aanroeping. Ze kunnen slechts worden bepaald door de inhoud van de aan­roeper. Het is zeer belangrijk dat u dit begrijpt! Want veel mensen zeggen: ‘Ik bid daar toch voor.’ Maar als ze heel eerlijk zouden zijn, dan zouden ze zeggen: ‘Dat wil ik eigenlijk niet. Ik bid erom omdat ik denk, dat ik dat van krijg, maar ik zou het andere liever willen hebben.’ Maar dat betekent gelijktijdig, dat ze in feite verwerpen waar ze om bidden. Het gevolg is dan dat er weinig resultaten zijn. En zo die er zijn, deze sterk zullen afwijken van hetgeen men heeft gevraagd.
  7. Elke aanroeping zal in principe de kosmische kracht aanboren.

We hebben dus niet te maken met een bepaalde persoonlijkheid van welke aard of soort dan ook, of het een demon of een engel is, God Zelve of misschien de heer Lucifer. Het volgende moeten we heel goed begrijpen. Het is niet de figuur die we aanroepen, het is de totale kosmische kracht die we aanboren. Dat wil zeggen, dat we altijd beschikken over een totaal van invloeden met alle mogelijkheden van de kosmische kracht. Dat impliceert, dat wij door een volledige aanvaarding van die kracht al wat mogelijk is ook als een concreet gevolg voor ons bereikbaar is. Indien dit niet het geval is, dan ligt dat niet aan de kosmos die we aanboren, want daar zijn de mogelijkheden aanwezig, maar dan ligt het aan onszelf.

Als wij bij aanroeping en gebed onszelf bedriegen door een houding aan te nemen waar wij innerlijk niet achter staan of door iets voor te stellen wat we zelf voelen niet te zijn, ook al zouden we het voor anderen wel zijn, dan kunnen we daardoor geen direct effect bereiken. Hoe meer we één zijn met de kosmische kracht des te groter de effectmogelijkheid. Want de kosmische kracht is de oerkracht die alles omvat. Dat betekent dat elke verandering van materie door die kracht mogelijk is, want alle materie is uit die kracht opgebouwd. Dat betekent, dat elke beïnvloeding van stoffelijke en geestelijke relaties door die kracht mogelijk is, want ze kunnen alleen bestaan doordat die kracht de basis vormt. Al wat wij zien en beleven is verschijnsel. De kracht is de basis van waaruit alles ontstaat. Dat impliceert, dat bij een juiste aanroeping alles mogelijk is. Er bestaat geen onmogelijk. Onmogelijk is datgene wat wij in onszelf als niet mogelijk of onaanvaardbaar verwerpen. Wij selecteren uit de totaliteit, maar we selecteren vaak verkeerd.

Wij zullen goed moeten begrijpen, dat elke aanroeping op zich alleen dan zin heeft, indien we erin geloven. Als we geloven, zijn alle krachten van de kosmos voor ons. Dan kunnen we van stenen brood maken. We kunnen de sterren van de hemel plukken of ze aan de hemel hangen, bij wijze van spreken. We kunnen tegen de aarde of tegen de zon zeggen: sta stil, of: loop een beetje harder. Dat is helemaal niet zo onmogelijk als het lijkt.

We kunnen een kort citaat eraan toevoegen. Het stamt uit de papyri van Thoth.

“Hij, die het geheim kent, het mysterie doorgrondt en het woord voor zich spreekt, hij kan de aarde vernietigen of doen herleven. Hij kan de goden bevelen in hun raad en hij kan zich stellen op elke plaats die hij begeert. Want hem is alle macht. Voor hem is niets onmogelijk en alles zal zich vormen naar zijn besluit.”

Onmogelijk, zult u zeggen. Maar is het wel zo onmogelijk? Als wij zeggen ‘onmogelijk’, dan is het onmogelijk. Wij beperken ons – ongeacht de aanroepingen die wij zo bewust en vol wil en intensiteit doen ‑ door te twijfelen aan de mogelijkheden die eruit kunnen voortkomen. Hij minder wij twijfelen, des te groter het effect zal zijn. Hoe minder wij innerlijk verdeeld zijn, des te groter de mogelijkheid dat het effect dat ontstaat overeenstemt met onze verwachting. Maar wij kunnen nooit verwachten dat het kosmisch geheel beantwoordt aan de verstandelijke overweging van de mens.

Slotwoord:

We zijn de gehele tijd bezig geweest met aanroepingen. Het zou erg onredelijk zijn, indien ik helemaal geen aanroeping demonstreerde. Je kunt het op vele verschillende manieren doen.

Er zijn voor mij bepaalde waarden, die harmonisch van grote betekenis zijn. Dat zijn zaken, die voor mij meer betekenen dan ik in woorden kan uitdrukken. Het gevolg is, dat er voor mij toch in de beperkte uitdrukking een volledig spanningsveld ontstaat. Indien u kunt responderen op hetgeen ik zeg, zal hetzelfde spanningsveld ook voor u bestaan, in het andere geval niet. Als het spanningsveld er is en we verbinden daaraan een intentie, dan zult u door te geloven in die intentie daardoor ook zelf voor een deel die intentie in uzelf waarmaken. U moet niet verwachten dat het een plechtig slot wordt. Het is gewoon een aanroeping. Mijn beeld van God heb ik daarbij nodig.

Kracht van kracht, Licht van licht, Alomvattende,

Wij voelen ons machteloos omdat wij U niet kennen.

Licht van licht, Macht der machten, in U zijn wij sterk.

Ik vraag U, Kracht waarvan ik deel ben,

laat in mij Uw kracht werken en laat mij daarvan bewust worden.

Laat mijn besef antwoorden op Uw kracht en harmonie.

Gij, Alomvattende, Uw kracht is in mij,

want ik ben deel van U en van Uw kracht, zoals al deel is van Uw kracht.

Daarom zeg ik: Laat alle kracht zich van zichzelf bewust worden.

Laat de kracht en het besef ontstaan in de illusie,

opdat de werkelijkheid beleefd en geopenbaard moge worden.

Dit is het logische gevolg. Nu is het alleen nog maar wachten op het effect. Er is een spanning. Sommigen van u voelen iets. Bij enkelen werkt het wat meer in dan bij anderen. Dat is begrijpelijk. Toch voelt u onbewust aan dat er iets is gebeurd. Als u dat gebeuren in uzelf toelaat, dan is er een effect. En als u dat effect heeft, dan heeft u mijn lezing verder niet meer nodig. Dus is het logisch, dat ik hiermede besluit. Ik hoop dat u ‑ zelfs via deze kleine demonstratie ‑ iets hebt leren beseffen van de werkelijkheid waarvan u deel bent.