Oktober 1968
Inleiding
U weet, dat we op het ogenblik met veel wisselend personeel zullen moeten werken en dat zal ook in deze cursus ongetwijfeld het geval zijn. Het is dus niet mogelijk van tevoren precies te zeggen, welke onderwerpen zullen worden besproken. Indien de reeks in de volgorde moet worden afgewerkt, dan is de moeilijkheid dat een spreker die specialist is in bv. economische zaken misschien moet spreken over de Wereldleraar en dat iemand die ontzettend veel weet van de geestelijke stromingen van deze tijd, zich moet bezighouden met de oorlogsspanningen. U begrijpt wel, dat is niet aanvaardbaar en dat geeft ook geen maximum resultaat. We hebben toch geprobeerd om alle voorzieningen te treffen, die bij een cursus behoren.
De eerste spreker is altijd iemand, die een zekere specialiteit heeft. Deze is meestal dus niet in staat direct in te gaan op de vragen betreffende een vorig onderwerp. Na de pauze menen we het zo te kunnen regelen dat ongeveer 10 minuten tot een kwartier een informatief contact in stand wordt gehouden tussen de aanwezige spreker en de spreker die het vorige onderwerp heeft behandeld. Aan deze kunt u dus uw vragen ‑ bij voorkeur schriftelijk ‑ voorleggen. U krijgt het antwoord daarop dan van de specialist in kwestie. Dit houdt wel in dat u dat dus alleen maar de eerstvolgende keer kunt doen.
Ik ga vandaag bv. met u spreken over de economie, de economische spanningen, die er op het ogenblik zijn. Als u nu drie maanden later komt en u vraagt daarover iets, dan hebt u kans dat u een specialist in filosofie te pakken heeft; en een filosoof denkt anders dan een econoom. Dat zou de zaak vertekenen. We zullen wel ons best doen een opbouw tot stand te brengen en de onderwerpen redelijk op elkaar te laten aansluiten, voor zover dat mogelijk is.
In het tweede gedeelte van de bijeenkomst krijgt u eveneens kleine onderwerpen. Deze zijn eigenlijk alleen ter voorlichting. Het is niet de bedoeling dat u daarover nu allerlei vragen gaat stellen. Het zijn eenvoudige beschouwingen over bv. de toestand in India, de problemen in Mantsjoekwo of in Korea, een prognose misschien ten aanzien van de ontwikkelingen in Amerika. Soms zijn er prognoses bij, die ook van belang zijn. Dat tweede gedeelte is dus informatief, behalve de vragen, die u zelf stelt.
Ik hoop, dat iedereen het ermee eens is, dat iedereen het heeft begrepen.
Economische spanningen
De wereld van vandaag wordt eigenlijk gekweld door verschillende problemen, die elk voor zich in de economie mede een oorzaak of een achtergrond vinden. We hebben in de eerste plaats te maken met het ontstaan van grote handelsrijken die productie, verwerking en afzet omvatten. Deze handelsrijken zijn vaak veel groter dan u denkt. Er zijn bv. een drietal grote firma’s in de Ver. Staten, die voor een 300 producten ongeveer 90 % van de markt beheersen in dat land. Bovendien beginnen ze een toenemende invloed te krijgen op de markt in West‑Europa, hebben ze een grote invloed in Zuid‑Amerika, etc. Overal zien we dezelfde neiging ontstaan tot het scheppen van een soort handelsimperium. Dat is begrijpelijk, omdat de staten overal in toenemende mate het bedrijf dat niet machtig genoeg is, aan pressie kunnen onderwerpen. Die pressie betekent betalingen. Maar dat betekent ook: je aanpassen aan hetgeen bepaalde regeerders goed vinden. En wat de regeerders goed vinden is – zakelijk gezien ‑ lang niet altijd goed. Vandaar dat we dus in de eerste plaats te maken hebben met het grote probleem van de handelsrijken.
U meent misschien dat dit geestelijk weinig te zeggen heeft. Toch wordt de mentaliteit van de mens en daarmee ook zijn benadering van de problemen daardoor grotendeels beïnvloedt.
Wij weten allemaal dat er ontwikkelingsgebieden zijn. Een ontwikkelingsgebied of een onderontwikkeld gebied is een land, waarin de industrie (eventueel de landbouw) is achtergebleven, waarin de mensen vaak te groot in aantal zijn vergeleken bij hun productie. Dat klinkt allemaal heel aardig. Indien we echter iets verder doordringen in het probleem dan zien we ineens een heel ander beeld rijzen.
Er zijn grote handelsimperia. U moet die niet alleen in de westelijke sector zoeken; we vinden ze eveneens in bv. Rusland; ook Rood‑China heeft bepaalde handelsimperia opgebouwd, dat wil zeggen complexe industrieën met zeer grote zeggenschap. De landen die voor zichzelf die industrieën hebben opgebouwd, willen rendabel werken. Dat betekent dat ze grondstoffen moeten kopen voor zo laag mogelijke prijs. Verder dat ze elke concurrentie op hun speciaal gebied proberen af te wenden. En ten laatste, dat ze elke poging om een verbetering van het industrieel klimaat in een bepaald land te bevorderen, zullen torpederen. Dat behoeven ze niet direct te doen. Ze kunnen dat indirect doen door bv. hun leveringen te vertragen, door bepaalde vestigingen: door dus zelf een fabriek neer te zetten en daaraan weer eisen te verbinden. Wij geven u een werkgelegenheid ‑ zegt men dan ‑ voor 2000 of voor 10.000 mensen, maar dan moet u ons garanderen dat er geen andere verwerkende industrie van deze aard wordt gevestigd. Later blijkt dan dat die zgn. industrie in feite een assemblagebedrijf is. Het zet dus wel producten in elkaar voor het land zelf en misschien de omringende landen, maar in de praktijk wordt alles eigenlijk daar alleen maar samengesteld. Het is een meccanodoos‑werk. Het is helemaal niet het werkelijk produceren van iets. Dat produceren gebeurt in de landen, die hoogontwikkeld zijn.
Wat dit allemaal voor consequenties heeft, zult u pas goed begrijpen, als u denkt aan de kwestie Kenia en aan de Biafra‑zaak. Hier hebben we werkelijk te maken met gebieden, waar de handelsrijken beslissend zijn. U dacht misschien dat Engeland wapens leverde aan het gouvernement daar, omdat ze tegen de Biafranen zijn. Dat is helemaal niet waar. De regering zelf heeft buitengewoon gunstige voorwaarden aangeboden voor herstel en exploitatie van o.m. oliewinnings‑ en ook ertswinningsbedrijven. Dat is de prijs die de machthebber betaalt voor levering van wapens, voor zekere faciliteiten. Hier wordt dus oorlog gespeeld en wordt eigenlijk een deel van het volk toch op z’n minst genomen zwaar gedecimeerd, alleen maar omdat zakelijke belangen een betere aanbieding kregen van het zgn. officiële gouvernement dan van de afvallige Biafranen. En denkt u nu niet dat dit alleen hier zo is.
Er zijn veel revoluties geweest (bv. in verschillende staten van Zuid-Amerika, zelfs in Venezuela), waarbij de grote handelsmaatschappijen en de grote producenten in feite de regering hebben bepaald. U zegt: Dat is dwaasheid, dat kan niet. Maar de economie vergt nu eenmaal werkgelegenheid, doch ook een groeiende afzet. Wil men de kosten kunnen betalen van de steeds topzwaarder wordende gouvernementen overal ter wereld, dan moet er sprake zijn van een groeiende economie. Een groeiende economie kan ik alleen krijgen door een groeiende productie. Een groeiende productie heeft alleen zin bij een groeiende afzet. Een groeiende afzet kan ik alleen verkrijgen, indien mijn beheersing van de afzetgebieden (de markt) steeds groter wordt. Hier heeft u een typisch voorbeeld van alles wat er in de wereld gebeurt.
De mensen zien dat zo niet. U bent waarschijnlijk wel heel erg voor de onderontwikkelde gebieden. U vindt dat u er wat aan moet doen. Maar u zult toch zeker geen rietsuiker gebruiken. Of toevallig wel? De meeste mensen doen het niet. Want het is moeilijk te krijgen; de beetwortelsuiker hoort hier in Nederland; er zijn hier grote fabrieken en de landbouw is daarop ingesteld. Niet dat de landbouw daarvan afhankelijk is, het is maar een gewoonte om die bieten te telen.
De fabrieken zijn betrekkelijk groot. De meeste van u weten niet, dat de grootste suikermaatschappijen van Nederland en België in feite één concern vormen. En u zou heel verbaasd zijn, indien u zou ontdekken dat bv. de Organon‑sectie daar aandelen in heeft, maar ook Philips. En Philips en Organon zijn ook weer verwant. Het is één groot handelsrijk. En dat handelsrijk zegt: wij hebben nu eenmaal de productiemogelijkheid, we kunnen er wat aan verdienen, dus geen suiker die bepaalde landen in feite veel goedkoper zouden produceren. Dat gaat nu niet alleen over Cuba, maar net zo goed over de suikerproductie van bv. Indonesië, delen van India, een deel van West‑Pakistan waar ook suikerverbouw mogelijk is.
Op soortgelijke manier heeft men bv. de koffiemarkt in handen weten te krijgen. Op het ogenblik wordt er met de Zuid‑Amerikaanse koffie bijzonder veel propaganda gemaakt. De Congo‑koffie, de Arabische en Aziatische koffiesoorten zijn eigenlijk veel minder in tel. Waarom? Het is weer heel begrijpelijk, als we ons realiseren dat de koffiehandel en de omzet in koffie voor een zeer groot gedeelte in Anglo‑Amerikaanse handen zijn. Die hebben er belang bij dat ze de koffie van Brazilië, van Columbia, etc. afzetten. Want daar hebben ze eigen plantages. Voor de menging willen ze dan wel gebruik maken van andere koffiesoorten, maar die moeten niet te duur zijn. En als de vraag naar de Zuid‑Amerikaanse koffiesoorten nu maar wordt gestimuleerd, zal vanzelf de andere koffie goedkoper worden, want er is minder afzet voor. Indien er minder afzet voor is en het wordt goedkoper, kan men het gebruiken in mengingen, die dan in de handel weliswaar als Colombiaans of iets dergelijks worden aangeprezen, maar die voor een deel bv. Congo‑koffie bevatten of een deel Arabica, die uit Azië komt.
De mensen zien het niet in. De mensen denken er anders over. Zij menen: Wij moeten die groeiende economie handhaven. Wij moeten ten koste van alles de productie verhogen, want alleen zo kunnen we de levensstandaard handhaven. Is dat waar? Een verhoging van productie is alleen te bereiken door een zeer grote investering. De investering moet ergens vandaan komen. Zij komt uit het inkomen van de mensen die sparen. U, Nederlanders, ben daarvoor zeer vatbaar. U bent een zeer spaarzaam volk. U belegt uw geld bij de bank. Deze geeft u daarvoor ‑ laten we zeggen ‑ gemiddeld 5 %, misschien iets minder. De bank zet vervolgens het geld uit aan de industrie of aan de Staat tegen een rente, die voor de Staat ongeveer 7 % is, maar die voor de industrie loopt tot 9 %.
Er wordt dus een investering gedaan. Die investering kost een hoop rente, die weer drukt op het product en op de werknemer die in dat bedrijf werkt. U betaalt dus eigenlijk die rente nog eens een keer extra. Het klinkt een beetje vreemd als je zou zeggen: Op deze manier is sparen dus eigenlijk waanzin. En dan is er nog iets bij, wat u misschien ook niet helemaal door hebt:
Laten we de gemiddelde muntwaarde over de gehele wereld eens nagaan. (We laten nieuwe en revolutionaire staatjes erbuiten, want als we over bv. de roepia gaan spreken, dan is het een treurzang.) Laten we de Nederlandse gulden nemen en daarnaast de dollar. Dat zijn twee munten die erg vertrouwd worden. De gulden is op het ogenblik een halfzachte valuta en de dollar wordt nog als een harde aangezien, ofschoon hij dat ook niet meer is. Wat blijkt nu? De waarde van één gulden in 1945 heeft op het ogenblik in koopkracht een waarde van tussen de 37 en 43 cent. Een dollar had in guldens uitgedrukt in 1947 een koopkracht van ruim tien gulden. Nu is het ‑ eveneens in guldens uitgedrukt ‑ een feitelijke koopkracht van ongeveer 4½ gulden, behalve in sommige landen, die behoefte hebben aan de dollar als ruilvaluta.
Hieruit blijkt dus dat in de loop van 20 jaren de koopkrachtvermindering van de munteenheid ongeveer 50 % is geweest; iets meer, iets minder. Dat houdt dus in dat alle bespaarde gelden uit 1947 nu in wezen maar de helft waard zijn. Dat betekent, dat u door uw belegging bij de bank (waaraan dus met rente verdiend wordt, bovendien door de waardevermindering, die niet drukt ‑ vergeet dat niet ‑ op het investerings‑ en productieapparaat en niet op de bank, omdat ze haar aandeel over het algemeen niet in getallen zonder meer uitdrukt, of ‑ zo ze dit doet ‑ mee calculeert in het waardeverlies, in de koopkrachtdepreciatie) en bovendien door uw besparingen dus nog een keer extra betaalt. Over 20 jaar 50 %. Dat betekent een gemiddelde van 2½ % jaarlijks. Als u even goed calculeert, levert spaargeld dus niets op.
U zult zeggen: waarom dan eigenlijk deze hang naar het groter getal, naar de hogere productie? Dat is heel begrijpelijk. Een handelsimperium nl. kan niet stilstaan. Indien een fabriek als Philips of als DAF op een gegeven ogenblik zegt: Wij blijven bij een bepaalde productie staan, dan kan men niet meer zo concurreren als men dat zou willen. Men kan dus niet proberen een groter deel van de handelskoek te krijgen. Wel zou het betekenen dat men een stabielere productie en daarmee een stabielere werkgelegenheid zou hebben en ‑ als gevolg daarvan ‑ een geringere depreciatie van de munteenheid.
Hier is dus het getal dominant geworden voor de mens. En het getal is niet uit te drukken in waarde. 100 gulden in 1947 is wat anders dan 100 gulden in 1968. Dat vergeet men. Zoals men ongetwijfeld ook vergeet wat men in Nederland betaalt voor sociale zekerheden. Sociale zekerheid betekent niet alleen maar wat u kunt krijgen wanneer u het nodig hebt. Het betekent ook het onderhoud van een apparaat. Een bestuursorgaan dus, dat zorgt voor de uitkeringen, voor de controle en al wat erbij komt. Indien we even globaal calculeren, kunnen we zeggen dat van het totaal van de betaalde premies tenminste 30 % aan administratieve kosten verdwijnt. Het verdwijnt gewoon als loonkosten, inrichtingskosten e.d. Hetzelfde geldt voor levensverzekeringen e.d.
Kapitaal is in onze wereld eigenlijk een heel vreemd iets. Het is een machtsmiddel geworden, waarmee je manipuleert. De mens, die dit doorziet, komt los te staan van het denkbeeld dat geld een vaste betekenis heeft. Hij gaat het niet meer interpreteren als zekerheid, bezit of macht. Hij gaat begrijpen, dat het voor hem alleen een noodzakelijk ruilmiddel is. Zodra we dat peil bereiken, zou een mentaliteit kunnen optreden ‑ en daar zijn de handelsrijken ontzettend bang voor ‑ van “Ik verdien wat ik nodig heb”. Dat lijkt erg vreemd. Als iemand zegt: Ik heb maar 100 gulden nodig; ik verdien dus 100 gulden en dan neem ik vrijaf, dan zal iedereen zeggen: Ja, maar dat is niet goed voor de economie. Neen, voor het economisch systeem is het niet goed, maar wel voor de mens.
De mens heeft rust nodig, maar die krijgt hij niet. Die mens moet ‑ laten we zeggen ‑ 40 uren werken, ook als hij zich daartoe eigenlijk niet direct bereid gevoelt. Alleen de laagste klasse (dat zijn dus de contractarbeiders in de moderne tijd) heeft nog wel eens de kans om te zeggen: Ik doe het vandaag niet; ik heb geen zin. Maar naarmate je hoger op de trap van verantwoordelijkheid komt te staan, kun je minder toegeven. Je moet blijven meelopen in een tempo dat te hoog is voor de mens. Hierdoor ontstaan geestelijke spanningen, overspanning op mentaal terrein. Het resultaat is een steeds grotere instabiliteit van de mens. En die instabiliteit neemt toe, naarmate het economisch probleem groter wordt.
Op het ogenblik zien we de grote spanningen in de wereld tussen het Oostblok en het Westblok. Soms vraag je je als mens en zeker als geest af, waarom die mensen eigenlijk zo vreemd doen. Waarom de Russen zo eigenaardig reageren op alles wat een beetje lijkt op kapitalisme en vrijheid. En omgekeerd, waarom alle kapitalisten alles wat maar een beetje een dreiging schijnt te zijn onmiddellijk communisme noemen en willen uitroeien. Zou men dit alleen vanuit het systeem bezien, dan is het dwaasheid. In de praktijk is nl. het communisme in bijna alle staten allang geworden tot een staatscommunisme (uitzondering: Rood‑China, waar de ontwikkeling pas aan de gang is). Aan de andere kant kunnen we zeggen dat het kapitalisme in feite een staatssocialisme is geworden, waarin de belangen van de grote maatschappijen de houding van de Staat bepaalt. Het probleem ligt ergens anders.
Als je een Sovjetsysteem hebt, dan blijkt de economie op de zgn. planning te zijn ingesteld. Die planning gaat uit van een productiemogelijkheid (een quotum dat kan worden geproduceerd) en wil voor elke industrie een zo groot mogelijke rendabiliteit bereiken. Dat daarbij een samenspel noodzakelijk is tussen de industrieën ten aanzien van de verbruikersmarkt, dat ziet men eenvoudig niet. Men zegt: Wij produceren, dus moeten de mensen kopen. Men zegt: Ik kan 5000 rioolpijpen per uur maken. Een ander zegt: Ja, maar wij kunnen voor de nodige las‑ en aanzetstukken er maar 100 per uur maken. Dan zeggen ze: Dat geeft niet, we slaan de zaak wel op. Het verlies daardoor is in het verleden enorm geweest. Om daarin een zekere mildering te brengen, heeft men gekozen voor een vorm van specialisatie.
In het Oostblok is Rusland het centrale gebied. Het ontvangt zeer veel halffabricaten en zeer veel grondstoffen. Daarvoor exporteert het vele producten, waarin de arbeidsprijs in verhouding hoog is ten aanzien van de materiaalkosten. Men is eigenlijk bezig om industrieel dezelfde kant uit te gaan als bv. Japan en de westelijk wereld: het maken van producten, die bij een minimum aan materiaalprijs een maximum aan arbeidsprijs opleveren. Maar dan moet ik ook de afzet in evenwicht weten te houden met mijn productiemogelijkheid. Ik kan weliswaar een kleine verruiming van afzet geven in het eigen land, maar daarmee heb ik geen grondstoffen. De roebels zijn ten slotte alleen maar geldswaarden die van de Staat komen. Ik heb iets anders nodig. Ik heb product nodig. Van de burger kan ik geen grondstoffen krijgen, althans niet voldoende. Ik kan ze ook niet in eigen land voldoende ontginnen en opbrengen. Dus moet ik ze van elders krijgen. Dit is het hele probleem.
Als ik één sluitsteen wegneem (of die sluitsteen nu Tsjecho‑Slowakije heet, Roemenië, Hongarije), dan valt mijn productiesysteem in elkaar. De fabrieken werken voort, maar er is een gat gekomen. Ik krijg een steeds toenemende onrendabele productie, die ik ‑ gezien het staatskapitalisme ‑ niet zonder meer kan opvangen door een fabriek stil te leggen. Dat gaat eenvoudig niet. Want dan laat ik opvallen dat mijn planning verkeerd is geweest. Daarom is dus het Sovjetsysteem een soort gesloten economie, die kunstmatig in balans wordt gehouden. Elke ontwikkeling van industrie, van productie, van grondstoffen zelfs, die een bepaalde norm overschrijdt, moet ten koste van alles worden geweerd, anders loopt het “Plan” in de war.
De westelijke economie gaat juist uit van het standpunt: zoveel mogelijk produceren aan alle kanten, zo goedkoop mogelijk inkopen, zo duur mogelijk verkopen. Daar wordt dus de afzet bepalend voor de productie van een fabriek en indirect voor de prijzen van de grondstoffen. Dat houdt ook in dat er een verschuiving kan plaatsvinden.
Als wij bv. de textielproductie zien, dan weten we dat die in het begin in Nederland heel groot was. Die wordt minder. Gelijktijdig zien we dat Italië, dat in het begin nu heus niet zo’n daverende textielindustrie had, een grotere krijgt. Die verschuiving is in het Sovjetsysteem niet aanvaardbaar. Het toegeven aan een grotere vrijheid betekent de planners in gevaar brengen. Die planners weten wel dat ze het anders zouden kunnen doen, maar ze menen dat het perfect moet zijn, want hun plannen zijn altijd als onfeilbaar voorgesteld. Ze moeten eenvoudig de tijd hebben om zich aan die verandering aan te passen; en die hebben ze niet.
Het resultaat is dat de bestaande grote spanningen in het Sovjetblok voldoende zijn om al die mensen die op leidende plaatsen zitten van ministeries, maar ook van grote fabrieken die met handelsconcerns te maken hebben, eigenlijk overspannen zijn. Zij werken veel meer dan nodig is, ze maken plannen tegen de klippen op die ze niet kunnen uitvoeren omdat ze niet kunnen improviseren. En dit gebrek aan improvisatie wordt dan in het geval Tsjecho‑Slowakije bv. opgeheven door een gewapende actie. Tegenover het Westen wordt het met een absolute afwijzing, met het stellen van een zeer scherpe grens tot stand gebracht.
Voor het Westen is dat Sovjetsysteem echter ook gevaarlijk. Stel u voor dat men tegen Philips zou zeggen: We hebben maar zoveel TV-apparaten nodig; je moogt er dus niet meer maken. Dat zou betekenen dat voor Philips het idee van economische groei en ontwikkeling stil zou staan. Of dat men tegen DAF zou zeggen: We willen geen personenwagens, maar alleen terreinwagens hebben. Dan zegt DAF ook: Ja, maar mijn afzet daarvoor is niet voldoende, mijn kosten worden hoger, ik kan dat niet rendabel doen, tenzij ik daarbij wat anders kan verkopen. Op deze manier is men dus in de grote industrie ontzettend bang voor planning.
Men heeft interne planning, vooral in de grote concerns, die door fusies en heel vaak ook door geheime onderlinge contracten ontstaan. Dat heeft men in de eigen industrie wel een beetje in de hand. Maar er zijn andere handelsrijken en daarmee moet je kunnen vechten, je moet ermee kunnen concurreren.
Een planning zou betekenen dat je machteloos wordt, dat je overgeleverd bent aan de beslissing van de Staat. Op het ogenblik kunnen de grote maatschappijen in Nederland (ik neem Nederland maar weer als voorbeeld) daar gemakkelijk onderuit. Zij zijn nl. degenen die een zekere teneur zetten ten aanzien van de economische ontwikkeling in Nederland. Indien zij vinden dat een bepaalde CAO onaanvaardbaar is, dan kunt u erop rekenen dat de Staat dat ook onaanvaardbaar vindt. Indien zij menen dat een bepaalde vestiging niet rendabel is, dan is de Staat er onmiddellijk bij om desnoods met subsidies te zorgen dat er wat anders voor in de plaats komt. Zij beheersen de zaak dus. Maar die beheersing valt weg op het ogenblik dat de Staat hun politiek gaat bepalen; dat planners buiten de industrie om gaan bepalen wat er gebeurt. En dat betekent voor hen dus ook dat ze heel veel overbodige mensen zouden kwijtraken. Laten we een voorbeeld geven. Ik blijf in Nederland, dan kent u zelf de omstandigheden.
We hebben de Lever Corp. (Lever Bros), die weer vele sub‑ en sub‑firma’s heeft. Deze maatschappij brengt in Nederland op het ogenblik alleen al 21 verschillende wasmiddelen in de handel. Daarnaast ongeveer 40 verschillende soorten detergens. Kortom, producten, die eigenlijk praktisch gelijkwaardig zijn, een klein beetje in samenstelling verschillen, maar die hoofdzakelijk in prijs verschillen en… in presentatie. Daar zijn heel grote afdelingen, die niets anders doen dan uit te zoeken hoe ze u ertoe kunnen brengen om meer Skip te kopen, omdat Skap op het ogenblik eigenlijk een prijsverhoging nodig heeft. Skap moet dus in een nieuwe vorm worden gepresenteerd.
Deze misleidingen ‑ want dat zijn ze eigenlijk ‑ zijn noodzakelijk in de vrije economie. Ze zijn niet aanvaardbaar in een werkelijk beheerste planeconomie. Daarom is het Westen, dat nu eenmaal op die grote privéondernemingen berust, de vijand van Rusland.
U kunt zich dan voorstellen, dat die pressie in vele opzichten zelfs fataal kan zijn. Neem de kwestie Vietnam. Zeker, Amerika kan zijn oorlog in Vietnam staken. Dat kost heel weinig moeite en dat zou nu zelfs met heel weinig prestigeverlies kunnen gebeuren. Maar dan zou de betalingszekerheid voor de verschillende grote firma’s (Armstrong e.d.) die wapens en dergelijke zaken leveren, veel minder worden. Er zou dus nu moeten worden gewerkt met kredieten voor de oorlogsvoering van een Zuid‑Vietnamees gouvernement. Daarmee kun je nooit zover gaan als met een eigen defensierekening. Daarom zal eenieder die daar een te grote de-escalatie tot stand te brengen, vijanden tegenover zich vinden. Natuurlijk, vlak voor de verkiezingen mag je dat zeggen en het proberen. Maar tracht het niet helemaal door te zetten, want dan vind je een groot handelsimperium tegenover je. En dat betekent dat de staatslieden overprikkeld worden. Ze weten wat er aan de hand is, maar dat kunnen ze toch niet zeggen?
Kijk, dit is dus een van de redenen dat er op de wereld van die grote spanningen ontstaan. Die spanningen komen niet voort uit de belligerentie van bepaalde volkeren en zelfs niet helemaal uit de strijdigheid van ideologieën. Die zouden met elkaar te verzoenen zijn. Vergeet niet dat Hitler aanvaardbaar is geweest voor de westelijk staten, niet om wat hij deed, maar omdat hij grote firma’s als Siemens A.G. (waarvan Telefunken een deel was), de I.G. Farben e.d. achter zich had, om niet te vergeten de Krupp. Deze grote zakelijke belangen maakten hem politiek aanvaardbaar. De politiek wordt dus niet bepaald door de ideologie; ze wordt bepaald door het commercieel belang. Indien u daaraan voorbij loopt, laat u zich allerhande idealen aanpraten, die eigenlijk niet reëel bestaan. U laat u vertellen, dat het bv. ontzettend belangrijk is dat we heel veel melkpoeder exporteren naar al die arme, onderontwikkelde gebieden. Wat er niet bij wordt gezegd is, dat dit praktisch de enige manier is voor Nederland om een zeer groot melkproductenoverschot een klein beetje te beperken.
Dit spreekt tot u. Maar is het dan ook niet zo dat heel veel andere leuzen die u hoort, onjuist zijn? Zijn de spanningen die zich op het ogenblik in Nederland afspelen, wel werkelijk politieke spanningen? Zijn er geen economische spanningen bij? Is de strijd tussen de progressieven en de behoudzuchtigen in Nederland, die op het ogenblik zelfs in de partijen oplaait, werkelijk een ideologische strijd? Zeker, voor de eenvoudige mens is het een ideaal. Maar voor de leiders daarvan is het eerder een kwestie van een machtsevenwicht.
Vergeet niet dat de georganiseerde arbeider ook een soort industrie is, waarvan het product is: het werkuur. En een dergelijk concern (want dat is het eigenlijk) van een aantal vakbonden, die in feite steeds meer een worden, moet dus zoeken naar een steeds grotere beheersing van de industrie via de arbeidskracht. En dat betekent dat ze daarmee ook een zekere marktbeheersing proberen te krijgen, niet alleen van werkkracht maar ook ten aanzien van koopkracht. Dergelijke dingen ontgaan u. En toch kunt u zich in deze moderne wereld met alle grote spanningen en tegenstellingen, met al haar politieke circus en zelfs religieuze komedie niet oriënteren, indien u niet begrijpt wat er achter schuilt.
Economie is niet alleen maar het scheppen van een soort productiviteitsecologie, waarin alles wordt ingedeeld en op de juiste plaats gezet. Economie is om het nu eenvoudig uit te drukken: het recht van de sterkste, uitgedrukt in flexibele verhoudingen die iedereen omvatten. Dat is economie.
Ik kan zeggen dat de landbouw in de economie moet worden behandeld als industrie; dat zal de meesten van u bekend zijn. Maar zodra ik industriële normen ga aanleggen aan de landbouw, kom ik tot de conclusie dat ik volkomen verkeerd produceer. De vraag is nu: Wat moet ik doen? Moet ik nu de verkeerde productiewijze laten voortdurend of moet ik komen tot een rendabele productiewijze, maar daarmee iedereen in zijn gevoelens en bezittingen grijpen?
De hele landbouweconomie van West‑Europa (binnen de E.E.G. een groot twistpunt) berust in feite niet op werkelijk economische maatstaven, maar op het onvermogen van degenen die daarover beslissen om een redelijke oplossing te vinden voor wat men noemt het “stroomlijn geven” aan de landbouw. Het zou erom moeten gaan: Hoe kan ik met zo weinig mogelijk mensen en zo weinig mogelijk middelen een zo goed mogelijk product voortbrengen tegen een zo laag mogelijke prijs. Maar aangezien dat niet houdbaar is, zolang ik de belangen van elke boer moet respecteren, met zijn bezittinkjes, rekening moet houden, met de mensen die een product verbouwen dat eigenlijk elders beter kan worden verbouwd, kan ik alleen zeggen: Het gaat mij erom elk product tegen een zo hoog mogelijk gegarandeerde prijs af te zetten, waarbij de niet‑rendabiliteit in het bedrijf zelf in de prijzen moet worden ingecalculeerd. Ik maak alles rendabel ondanks alles. Dat is wat er op het ogenblik gebeurt. Niet alleen in Nederland waar ze op de veiling de beste producten soms doordraaien, omdat een minimumprijs niet wordt gehaald, maar ook in de E.E.G., waar ze tolmuren opwerpen voor bv. citrusfruit uit Amerika en niet te vergeten uit Israël, omdat ze doodgewoon bang zijn dat een niet-rendabele citruscultuur (verouderd, niet juist geëxploiteerd, te kleine bedrijven in o.m. Italië en Spanje), daardoor in gevaar zou komen.
Als men dat zo bekijkt, dan is eigenlijk die hele kwestie van wat we wel en niet kunnen doen in de E.E.G. niet een zaak van: Wat is het best? Het is een vraag van: Wat vinden wij het meest aanvaardbaar? En de neus die men daar dan bij aanplakt (al dan niet gaullistisch), is dat men voor de belangen van zijn burgers moet strijden. Maar strijdt men werkelijk voor de belangen van de burger?
Het leefklimaat in Nederland is in de laatste 10 jaar – voor zover het leefbaarheid betreft – met 30 % in waarde verminderd. In andere landen, zoals Frankrijk, kunnen wij zelfs een hoger percentage aanleggen. In West‑Duitsland is die vermindering eveneens iets hoger dan in Nederland. Men hoeft geen woningen meer die zijn aangepast aan de behoeften van de mensen, maar die zijn aangepast aan de behoeften van de industrie. En dat wil zeggen: een eenvoudig te bouwen woning met een beperkte levensduur, die op een zo klein mogelijk vlak zoveel mogelijk mensen kan bergen. Dat is niet nodig, maar men doet het. Men zegt dan: Dat is het economische belang. Ja, indien wij rekenen met getallen van productie en werkgelegenheid, inderdaad. Maar in productie en werkgelegenheid zijn menselijk geluk, doelmatigheid van menselijk leven niet opgenomen. Het resultaat zult u zien. Als ik voorbeelden moet geven:
De nieuwbouwwijken van Den Haag hebben in verhouding veel meer mensen met hoge schulden (financiële onbetrouwbaarheid) dan de oude wijken. Indien wij het over geheel Nederland nagaan, dan blijkt dat de nieuwbouwwijken van alle grote steden en van de meeste dorpen in verhouding de meeste delinquenten opleveren. Die komen niet uit de sloppen. Dat was vroeger. De meeste aberraties op het terrein van mentaliteit, moraliteit e.d. komen uit de nieuwbouw.
Dan kun je zeggen: de nieuwbouw is economisch haalbaar. Ja, economisch is ze belangrijk, zolang we tellen met getallen. Maar wij kunnen alleen op die manier produceren, leven, bouwen, indien we gelijktijdig het totaal menselijke daaraan ondergeschikt maken.
In deze tijd voelt men zich bijna daartoe verplicht. Men weet geen andere uitweg. Men wil een rendabiliteit in geld uitgedrukt. Om u een voorbeeld te geven: De stadsvervoerbedrijven in de 5 grootste steden van Nederland hebben alle een deficit. Dit deficit heeft gevoerd tot een in feite verminderen van service, een verminderen van personeelsbezetting, een verhogen van prijs en daarmede een feitelijk bemoeilijken en vertragen van het verkeer binnen de stadkernen en vaak zelfs binnen de omliggende wijken en kleine dorpen. Het resultaat is geweest, dat er een overbelasting ontstond van het wegverkeer; dus meer mensen met gemotoriseerde voertuigen, van de bromfiets tot de grote auto toe.
Dit betekent, dat een uitbreiding van het wegennet noodzakelijk werd. Aan dit wegennet wordt dan weer een groot gedeelte van de rust, de re-creativiteit van de omgeving opgeofferd. Door deze opoffering worden o.m. weer de stadsvervoerbedrijven trager in het bereiken van hun bestemming, duurder in exploitatie, zodat ze wederom hun prijzen verhogen en hun service verminderen. Dat is dus kolder, behalve natuurlijk, indien ik uitga van het standpunt dat de auto-industrie, de petrochemische industrie en al die dingen veel belangrijker zijn dan het geluk van de mensen; want dan moet ik zoveel mogelijk auto’s op de wegen hebben.
Ik heb de voorbeelden genomen uit Nederland, die inderdaad alleen voorbeelden zijn. Ik kan u aantonen, hoe tegenwoordig in alle landen (dus ook in het Oostblok en zelfs in China) een soortgelijke politiek wordt gevoerd. De mens wordt ondergeschikt gemaakt aan het productiesysteem. Dat betekent, dat die mens ongeduriger, instabieler wordt. Dat die mens eenvoudig met zijn levenslust, zijn behoefte om zelf te zijn, zelf iets te doen, zelf iets te betekenen, geen weg meer weet. Dat betekent weer dat het aantal mentaal overspannen mensen steeds toeneemt en gelijktijdig de religieuze uitweg, die in het verleden daarvoor bestond, veel minder aanvaardbaar wordt, omdat zij ‑ of ze willen of niet ‑ worden meegetrokken, deel worden van wat men noemt “establishment”. De afwijking is dan meestal in een wat men noemt asociale groepsvorming. En deze asociale groepsvorming op haar beurt betekent dan weer druk op de economie die tracht te compenseren door in feite de toestanden onmenselijker te maken.
U zou zeggen: Dat is allemaal heel mooi, maar wat heb je eraan? Wel, ik wil u niet al te lang bezighouden met dit onderwerp en daarom wordt het tijd, dat ik een paar eindconclusies ga trekken.
Kijk eens, de uitbreiding van de universiteit en de toenemende nadruk op universitair onderwijs komen direct voort uit de toenemende behoefte van het bedrijfsleven aan universitair gevormden. Maar dit betekent ook, dat gelijktijdig op de student een grotere pressie komt te staan, omdat hij zich voelt als iemand die boven de massa staat in de eerste plaats; en in de tweede plaats reeds nu voorvoelt, dat hij dadelijk tot de leiders zal gaan behoren.
Een groot gedeelte van zijn wensen komt niet voort uit een werkelijke behoefte; het komt voort uit de behoefte het student‑zijn zelf in die economie zo goed mogelijk te etaleren. De productiekosten van een ingenieur nemen daarbij zeer toe. Een totale ingenieursopleiding in bv. 1936 kon in de toenmalige valuta worden geschat op ongeveer ƒ 25.000. Dat waren de gemeenschapsgelden, die tijdens de totale opleiding eventueel daaraan werden besteed. Op het ogenblik liggen de werkelijke kosten (nu moeten we geen rekening houden met wat de universiteiten zeggen, want die vertellen niet alles) voor de scholing van een ingenieur niet op zoals u misschien zou denken ƒ 50.000, maar op ongeveer ƒ 170.000, gezien de totale verplichtingen plus ontwikkeling die daarvoor nodig zijn.
Als u dit nu gaat bekijken, dan zegt u: Ja, het is begrijpelijk dat de student zich belangrijker voelt en dat hij meer eisen stelt. Het is in feite het bedrijfsleven dat enerzijds die eisen tracht af te remmen, anderzijds mede het stellen van eisen aan de regering bevordert. Want hier gaat het om het verkrijgen van doelmatig opgeleid leidend personeel. Ook hier speelt dus die pressie een rol.
Als u hoort over studentenonlusten in Tokyo, Yokohama, Mexico-City, Parijs of desnoods Madrid en Barcelona, dan moet u daarmee rekening houden. Deze dingen zijn veel meer dan u denkt deel van een economische samenhang en opbouw. Uw denken, uw idealen, uw oriëntatie ten opzichte van uw medemensen zelfs wordt direct of indirect door economische factoren mede bepaald. Driekwart van de spanningen die in uw leven bestaan, zijn deel van een economische opzet, waarbij de mens te weinig meespeelt. En juist deze overprikkeldheid van de mens met zijn dan abnormaal vergrote en vaak eenzijdige verbruiksneiging, met zijn neiging om eigen plaats in de gemeenschap een nadruk te geven die zij in feite vaak niet verdient, brengt dan weer de grote economische spanningen tot stand, die leiden tot politieke spanningen, buitenlandse verhoudingen en moeilijkheden en spanningen op de wereldmarkt. De enige oplossing voor deze dingen kan niet worden gevonden in een ander economisch systeem. Ze kan alleen worden gevonden in een andere geestelijke en mentale benadering van het leven.
Degenen, die daartoe hebben bijgedragen, zijn o.m. de laatste Wereldleraar, een aantal vaak zeer geïnspireerde sociaal‑filosofen, waarover ik nu niet veel meer kan zeggen, want dat zou buiten mijn onderwerp vallen.
Er zijn krachten aan het werk, die proberen de mens te oriënteren ten aanzien van de huidige economische spanningen en hem vrij te maken van de overspannenheid die daarin schuilt, door hem terug te brengen tot een normale, reële waardering, zowel van de materiële zaken in zijn wereld als van zichzelf. De illusies zouden moeten gaan plaatsmaken voor de werkelijkheid. En ik geloof, dat dat bereikbaar is binnen ‑ laten we zeggen‑een twintigtal jaren.
Veranderende mentaliteit
In het eerste onderwerp heeft u van mijn collega het een en ander gehoord over de spanningen, die middels de economie over deze wereld worden uitgezaaid. Nu moet ik zeggen, dat volgens mij dit alles alleen maar een begin is. Een begin van de totale verandering waar de mensheid voor staat. We hebben nl. op het ogenblik te maken met een verandering van mentaliteit, die heel wat verdergaat dan men op het eerste gezicht misschien zou zeggen.
Ik kan mij voorstellen dat buitenstaanders de opstandigheid van de katholieke wereld tegenover de paus alleen maar begrijpelijk en aanvaardbaar vinden. Maar wat daar gebeurt, is een aantasting van een geestelijk gezag; een onfeilbaarheid die honderden jaren lang met uiterste dociliteit is aanvaard. Vergeet niet dat het nog niet zo lang geleden is, dat een paus kon zeggen dat zwart, wit was en dan was het wit. Nu is het anders. Men geeft graag toe dat de paus het hoofd van de kerk is, maar men geeft niet meer toe dat hij daarom nu ook het recht heeft om alles voor elke christen te beslissen.
Op soortgelijke wijze zien wij dat in de politiek. Vroeger was een partij een gemeenschap. Als je tegenwoordig kijkt, lijkt het eerder op een soort gecontinueerde ruzie onder één hoofd. De mensen zeggen eenvoudig wat ze denken.
Ze nemen het niet meer zo. Ook de heiligheid van andere instellingen, zoals in Nederland bv. het koningshuis, wordt heel anders gezien. Men ziet het misschien met een zekere sentimentaliteit, maar zeker niet meer als een zonder meer door God‑gezonden en God‑gegeven gezag. Op dit terrein alleen al zien we een veel grotere neiging tot zelfstandigheid. Maar die zelfstandigheid begint zich ook op een andere manier te ontwikkelen.
De mentaliteit van de gemeenschap was eens noodzakelijk. Ik behoef u niet te herinneren aan het buurschap, het nabuurschap en hoe die dingen meer heten, waarbij men buren eenvoudig diensten bewees, omdat ze buren waren. Tegenwoordig gaat men steeds meer uit van het standpunt: ik kan alleen iets doen voor mensen die voor mij wat betekenen. Ik doe dat omdat ik dat zelf wil, niet omdat daarvoor nu toevallig een code is ontworpen. Op dezelfde wijze verwerpt men tegenwoordig menige code die dan toch een lange tijd als enig en onfeilbaar werd gezien.
Als men spreekt over de groepshuwelijken, zoals die op het ogenblik in Zweden reeds openlijk voorkomen en minder openlijk misschien in andere landen, dan hebben we daar te maken met een totaal nieuwe benadering van een begrip als huwelijk, gemeenschap, gezin. Als we uitgaan van de manier, waarop revolutionairen op het ogenblik opereren op allerhand terrein, dan vinden we heel weinig terug van de oude normen van fatsoen; daarvoor in de plaats zien we agressieve openlijkheid. Deze dingen zouden u te denken moeten geven.
Nu weet ik wel dat in de periode 1961 ‑ 1963 heel veel is begonnen, waarvan de gevolgen op het ogenblik ternauwernood zichtbaar zijn. Maar toch is er de neiging om zich onafhankelijk te maken van de gemeenschap. De vaste regel wordt steeds meer vervangen door de persoonlijke instelling, de persoonlijke neiging. De rigiditeit van de sociale ordening maakt bij de mens meer en meer plaats voor een waardering, waarbij hij van zichzelf uitgaat. Wat denk ik? Wat wil ik? Niet: Wat zegt men dat ik moet willen. Dit is volgens mij het begin van een ontwikkeling die door de hele Aquarius-periode zal aanhouden. Daarom vond ik het wel aardig om daarover vandaag eens iets te zeggen.
Het meest opvallend is op het ogenblik de veranderde waardering o.m. ten aanzien van de seksualiteit. Nu is dat een mooi woord dat veel later is uitgevonden dan de praktijk. Seksualiteit is een heel lange tijd een basis geweest van een sociale ordening. Dat is eigenlijk begonnen in de vroeg‑Griekse en de vroeg‑Indische maatschappij hoofdzakelijk en heeft zich langzaam maar zeker uitgebreid tot een bezits‑ en gezag systeem via Griekenland en Rome en is het burgerlijk systeem geworden, dat eigenlijk de hele bekende wereld begon te regeren. Nu blijkt dat steeds meer mensen deze functie los gaan zien van een sociale betekenis. Ik wil nou niet zeggen dat je het als een pleziertje alleen moet beschouwen.
Op het ogenblik gaat de vrouw heel anders in het leven staan, ook al omdat ze in de gemeenschap een andere plaats krijgt. Ze kan een meer functioneel deel daarin hebben. Ze werkt, ze is onafhankelijker, ze heeft wat meer rechten. Aan de andere kant heeft ze ook wat meer plichten gekregen. En we zien langzaam maar zeker in de seksualiteit de persoonlijke benadering eigenlijk bepalend worden. Het gaat er niet meer om: wat zegt men? Of: Hoe heet dit het voordeligst? Het gaat er doodgewoon om: wat voel ik? Wat denk ik? Wat wil ik? Dat is gezond. Heel wat gezonder dan je zou aannemen, als je luistert naar allerhande experts, die zich uitleven in grote vertogen tegen pornografie, huwelijksontrouw, prostitutie en wat dies meer zijn. Daarbij overigens vergetend dat een groot gedeelte van die producten ofwel niet zo schadelijk zijn als zij voorgeven, dan wel juist het resultaat van een frustratie zijn die ze met hun beperkingen hebben opgeroepen.
Deze vrijheid is het meest spectaculaire van die mentaliteitsverandering. Als je het heel grof wilt zeggen: met wie ik naar bed ga, gaat alleen mij aan en verder niemand. Maar leg je hierop al de nadruk, mede door de religieuze moraliteit die in vele landen nog een grote rol speelt, zo is het, geloof ik, even belangrijk dat we niet meer de binding vinden aan de arbeidsplaats.
Vroeger werkte je voor een baas; en dus hoorde je bij die baas. De vaderlijke verantwoordelijkheid, die men van een werkgever verwachtte, is er niet meer. Maar de onderdanigheid van de werknemer nog veel minder. Vroeger nam je voor een directeur diep je pet af. Tegenwoordig vraag je de ouwe, hoe het met hem gaat en waar hij zijn nieuwe wagen vandaan heeft.
Dat lijkt alweer overtrokken. Maar hierdoor is dus ook de vrije oriëntatie in de maatschappij een andere geworden. De aanvaarding van een soort meester-slaafverhouding is er niet meer bij. Het gezag, zoals het zich openbaart, telt veel minder dan vroeger. Voorheen was een politieman iets waard, omdat hij een uniform aanhad. Tegenwoordig kan een politieman iets zijn, maar dan is het ondanks het uniform dat hij aan heeft. Dat is een totaal nieuwe benadering. Gezag, autoriteit, wordt in elk opzicht verworpen en aangetast. Niet omdat men gezag op zichzelf ontkent, naar doodgewoon omdat men meent dat men persoonlijk ook wel eens het recht heeft om die verhoudingen een beetje te bepalen. Een grotere vrijheid dus.
Een grotere vrijheid moet op den duur ook inhouden: een grotere vrijheid van denken. Als de Katholieken nadenken over wat de paus in de een of andere zendbrief heeft gezegd, dan is dat natuurlijk heel interessant. Maar het wordt veel interessanter als de mensen zelf eens gaan nadenken over hetgeen hen in de maatschappij als juist wordt voorgelegd, als ze een eigen oordeel beginnen te krijgen over dingen, die van historische betekenis heten te zijn, als ze een eigen oordeel gaan vormen over de gemeenschap waarin ze leven en hun eigen relatie tot die gemeenschap gaan bepalen.
Zelfstandigheid is overigens op het ogenblik helaas nog niet sterk ontwikkeld. De afhankelijkheidsverhouding is verschoven van een persoonlijke naar de afhankelijkheid van een anonieme gemeenschap. Maar ook die afhankelijkheid zal langzaam maar zeker moeten verdwijnen. Want een mens die te zeer afhankelijk is van een ander (of die nu directeur is of meneer pastoor of dominee), moet proberen om zijn leven zo vrij mogelijk gestalte te geven.
Nu vind ik daar verschillende verheugende feiten. Er wordt veel meer gereisd dan vroeger. U zult zeggen: dat heeft er niets mee te maken. Ja, dat heeft er wel mee te maken. Vroeger was reizen erg moeilijk, dat weet ik wel. Maar als je vroeger bij wijze van spreken in Rijswijk woonde, dan had je kans dat je ééns in je leven in Den Haag of Scheveningen kwam. Je ging eenvoudig je eigen kringetje niet uit. Tegenwoordig trekken de mensen ‑ soms nolens volens, soms als arbeiders of toeristen ‑ naar vreemde landen. De grenzen vervagen dus. Het wereldbeeld van de mensen wordt veel wijder. Het vreemde daarbij is, dat ze een zeker chauvinisme behouden t.a.v. hun eigen land, maar dat ze aan de andere kant de begrenzing van dat land veel minder sterk ervaren.
Vroeger was het zo: Je gaat over de grens, nu ben je in een ander land. Vandaag is het zo: Ik ga de grens over, want ik wil wel eens wat anders zien. En dat is een groot verschil. Hierdoor is het scheppen van een meer internationaal besef, een mensheidsbesef, mogelijk. Hoe kleiner de groep is en hoe meer ze in zichzelf gebonden is, des te meer ze haar eigen wetjes, regeltjes en potentaatjes heeft.
Een dorpsgemeenschap vroeger ‑ maar dat weet u waarschijnlijk niet meer – werd geregeerd door een betrekkelijk kleine kring van notabelen. Die kon u meestal vinden in een achterkamer van het beste hotel, restaurant of café ter plaatse. Deze mensen beslisten in feite over leven en dood. Burgemeester, notaris, dominee of pastoor, de hoofdonderwijzer eventueel, misschien nog de een of andere grote ondernemer en dan was het afgelopen. Deze mensen maakten eigenlijk de regels en wetten. Als er iets gebeurde dat zij afkeurden, dan behoefden ze maar één woord te laten vallen en de volksmenigte trok uit om iemand een pak ransel te geven, een kattenserenade te brengen of andere dwaze dingen te voltrekken.
De mensen vroeger konden niet vrij spreken. Tegenwoordig kunnen ze zo vrij spreken dat ze vragen om sprekershoeken, die ze niet gebruiken als ze er eenmaal zijn. Dat is kentekenend. Ik heb niet meer de behoefte om anderen de wet te stellen. Ik heb niet meer de behoefte om alles wat ik belangrijk vind, nu aan iedereen voor te leggen en ze op te jagen om mee te doen. Ik heb alleen maar behoefte aan een contact met anderen. En de mogelijkheden tot contact moet zo groot mogelijk zijn. En dan mogen alle notabelen zeggen wat zo willen, als ik anders denk, dan zeg ik het anders, dan doe ik het anders.
Die vrij-wording lijkt in deze tijd anarchistisch en zal zeker nog enige tijd zeer verward schijnen. Want we hebben te maken met de veranderde mentaliteit van een steeds groter deel van de volkeren dezer aarde, maar gelijktijdig met een terughoudendheid, een zekere orthodoxie bij alle gouvernementen van deze aarde. Wat u overigens niet behoeft te verbazen. Ik geloof dat er geen enkel gouvernement is geweest die werkelijk progressief was, behalve Nero. En die was weer te progressief, want die liet Rome afbranden. Een manier van krotopruiming, die ongetwijfeld sneller is dan wat men op het ogenblik daarvoor gebruikt, maar voor de mensen onaangenamer en kostbaarder.
We zien dat de mentaliteit langzaam maar zeker de vormen in het leven verandert. Die vormen gaan het persoonlijke element veel sterker op de voorgrond brengen. Laat mij een eenvoudig voorbeeld geven:
Er is een volle trein of tram. Vroeger was het ondenkbaar dat een heer ‑ al was hij 99 – een dame liet staan. Tegenwoordig is het zo, dat men opstaat omdat men denkt: Deze of gene heeft die zitplaats meer nodig dan ik en anders rustig blijft zitten. Er is dus een persoonlijk keuze‑element. Indien dat keuze-element verdergaat, zullen we zien, dat dat niet alleen betrekking heeft op de seksualiteit en misschien op de manier, waarop men zich op straat en elders beweegt. Het zal vooral een grote indruk achterlaten op de geestelijke vorming.
In het moderne onderwijs ziet men dat de eigen werkzaamheid van de kinderen steeds meer wordt aangemoedigd. Het is minder het leren van vaste waarden, maar een zich meer oriënteren ten aanzien van bestaande waarden. En dat onderwijs mag als voorbeeld gelden voor alles, wat er gebeurt.
Een geestelijke vrijheid. Maar een geestelijke vrijheid betekent ook dat je in staat bent om een geestelijk probleem op je eigen manier te benaderen. Het houdt in dat je je niet meer bezighoudt met wonderen, maar dat je aan de anderen kant je ook niet meer vergaapt aan de prestaties van de wetenschap. Je neemt het leven zoals het is, maar je bepaalt je houding. Je denkt op een eigen wijze. Je geeft dus op een eigen manier vorm aan hetgeen je geestelijk beleeft. En dat is belangrijk.
De bewustwording van de hele mensheid wordt bepaald door de vorm, waarin die mensheid leeft. En die vorm wordt weer bepaald door de wijze waarop de mensheid denkt. En wat de mensheid denkt, wordt weer bepaald door de vrijheid tot zelfstandig denken die ze zichzelf toekent. Daar heeft u dus het hele probleem.
Nu zult u zeggen: Het is allemaal maar een praatje voor de vaak. Ja, dat zeggen de mensen meestal over dergelijke dingen. Ze zeggen: Dat weten we nu wel, daar behoeft u geen nadruk op te leggen. Maar meent u ook niet, dat juist het los worden van al de beoordelingen u kunnen helpen om de wereld en het leven nieuw te zien, om overal nieuwe mogelijkheden te vinden, materieel en geestelijk. En een nieuwe mogelijkheid vinden, dat wil zeggen: losbreken uit het juk waarin je als mens gevangen zit. Een bevrijding die zeker niet blijft stilstaan bij een materieel aspect, maar die verder grijpt naar de geest, naar het geestelijk beleven, naar het stimuleren van geestelijk beleven. Kijk, en dat vind ik nu eigenlijk het belangrijkste van alles.
De verandering van mentaliteit in deze dagen is in feite een groei naar een andere geestelijke gevoeligheid. Nu kan ik begrijpen dat er pessimisten tussen u zitten die onmiddellijk opmerken: Nou, dat gaat dan wel de goeie kant uit, als je dat zo bekijkt.
Zeker, de mensen hebben nog niet geleerd, hoe zij in de plaats van de beperkingen van de gemeenschap, de beperking van hun eigen leven en gerichtheid moeten zetten. Zo min als ze geleerd hebben om hun krachten en hun gedachten, die ze nu zelf kunnen vormen, nu eens te gebruiken voor constructieve doeleinden, want daaraan zijn ze niet gewend. Ze zijn altijd gewend geweest om achter een leider aan te lopen. En zelf iets construeren is moeilijk. Maar naarmate het leven voor vele mensen leger wordt door het ontbreken van vastheid, zullen ze meer genoopt worden om dus zelf creatief te denken. En dat betekent het gebruiken van gedachtekracht. Dat betekent niet alleen maar intellectueel gebazel, maar daden stellen, die gebaseerd zijn op nieuwe inzichten.
De wereld is in de laatste 200 jaar sterk veranderd. Niemand zal dat ontkennen. Maar die wereld is tot op heden gevangen in wat je kunt noemen een materialistische levensbeschouwing. En verstaat u me nu niet verkeerd. Mensen denken vaak dat de materialistische levensbeschouwing betekent dat je niet aan God gelooft. Geloof me, de ergste materialisten geloven het meest aan God, maar nog meer aan wat ze hebben en wat ze kunnen krijgen.
Een materialistische levensbeschouwing gaat uit van het materiële als het meest belangrijke. Dan is een stuk beton dat geld oplevert, belangrijker dan een bloem die alleen maar vreugde geeft. Tegenwoordig zijn er echter steeds meer mensen die de vreugde die een bloem geeft, prefereren boven het rendabele stuk beton; die veel meer voelen voor de speelse sentimentaliteit (mijnentwege de Jugendstil‑romantiek, dat is op het ogenblik erg modern), die in haar gestileerde vormenspel eigenlijk probeert los te komen van de hardheid der feiten. Maar als ik me losmaak van de hardheid van de zgn. materialistische feiten, dan verander ik de materialistische structuur. Het materialisme heeft alleen zin indien het menselijk leven en denken op een ander punt is gericht, op een ander bereiken vooral dan zoveel op de bank, een eigen huisje en het respect van de buren en tegenwoordig waarschijnlijk een wagen met een allriskverzekering erbij.
Neen, vrienden, het zoeken naar meer geestelijke en schijnbaar abstracte waarden brengt het geestelijk element van de mens veel sterker in het geding dan voorheen. Het gevoel van broederschap is iets anders dan het gevoel van aansprakelijkheid dat het materialistische dameskringetje had dat bijeenkwam om iets te doen voor de negertjes of voor de arme werklozen. Het gevoel van samenzijn stelt nl. de mens ergens als een ideaal. Niet als een menselijk wezen, een menselijke vorm, maar als een abstract begrip dat je alleen in gevoel kunt uitdrukken, in een gevoel van verplichting, maar gelijktijdig ook in een geloof. Los worden van de al te materiële structuur is het meest kentekenende van de mentaliteitsverandering die zich op het ogenblik voltrekt.
Ja, en dan kunt u natuurlijk uitroepen: Maar, heb je ons niets beters te zeggen?
Op deze eerste avond van uw cursus geloof ik dat er niets belangrijkers is dan juist het begrip voor die verandering van mentaliteit. Vrij worden van het materieel gebonden zijn en gelijktijdig een innerlijke binding vinden met het mens‑zijn, dat gebeurt op het ogenblik. En als mijn collega over de economie en de spanningen daarvan een heel betoog houdt en u duidelijk maakt hoe misleidend eigenlijk de hele maatschappij is, gezien de materiële belangen, dan geloof ik dat je als troost daartegenover moet zetten dat het sterk aan het veranderen is.
De heersende machten worden steeds meer een lege schaal. In die schaal heeft het kuiken van de 21e-eeuwse mens als het ware een lange tijd geborgen gezeten. Maar het pikt aan de schaal. Het begint er gaten in te maken. De broedmachine “wereld” staat op het punt om weer eens een nieuw type mens voort te brengen. En kijk, dat vind ik nu een van de meest belangrijke dingen die je kunt zeggen.
Een volgende maal krijgt u ongetwijfeld meer feitelijke en meer direct met de wereld verbonden gegevens van de een of andere spreker, maar ik geloof niet dat hij actueler kan zijn dan ik. Want het komende jaar zal u ‑ zoals deze tijd reeds in feite doet ‑ bewijzen dat de mens bezig is om de schaal van vaste vormen van stoffelijk gebonden zijn, van materialistisch denken en rekenen alleen te doorbreken en daarvoor in de plaats een geestelijk besef te stellen.
Dan behoef je nog niet zoals St. Franciscus voor de dieren te preken en je behoeft ook niet zoals sommige redenaars “hun paarlen voor de zwijnen” te werpen (dat is een parlementaire bezigheid; het zijn namaak paarlen, hoogstens gecultiveerde, dan behoef je alleen maar te zeggen: Ik weet dat de ontwikkeling ‑ hoe verwarrend en hoe ellendig ze u misschien ook schijnt ‑ de geboorte is van een nieuwe mens. Een nieuwe mens die kan ontstaan doordat het menselijk denkvermogen en denken en daarmee het gedrag zich veranderen.
Misschien bent u hier en daar een beetje vooruitgelopen op die veranderingen van norm en mentaliteit. Misschien hebt u zich daar wel eens een beetje schuldig over gevoeld. Ik zou het maar afschrijven. Groei mee met de wereld. Wees blij dat u misschien een stap vooruit bent geweest. Want alleen de mens die in zijn denken en daarmee ook tot op zekere hoogte in zijn handelen een vrijheid vindt, kan in deze dagen iets positiefs bijdragen tot de bewustwording van de gehele mensheid.
overzicht | volgende tekst → |
