Actuele ontwikkelingen – les 06b – Science Fiction

image_pdf

maart 1969

Science Fiction

Wat men Science fiction pleegt te noemen is over het algemeen een ont­wijken van de bestaande condities en omstandigheden in een vorm van romantiek, dramatiek of betogen, waarbij men door het stellen van onwerkelijke mogelijkheden en situaties vanuit het huidige standpunt kan komen tot een aantonen van ir­relevante toestanden, feiten en veronderstellingen, die in het heden heersen.

De schrijver van een dergelijk werk is over het algemeen eerst in de twee­de plaats een letterkundige. Veelal heeft hij een wetenschappelijke training, zo niet dan heeft hij wel degelijk, naar ik meen, een redelijk inzicht in de weten­schappelijke mogelijkheden. Hij neemt nu één of meer bestaande en bewezen weten­schappelijke stellingen en extrapoleert deze. Dat wil zeggen: hij ontleedt ze in alle mogelijkheden, die daarmee eventueel verbonden zouden zijn. Vervolgens con­strueert hij een milieu, waarin de situaties ontstaan die hij wil gebruiken om iets aan te tonen in deze wereld. Hij bouwt dan een aantal stellingen op die bv. religieuze, wetenschappelijke, menselijke, maar vooral ook sociale conflictsituaties onthullen. Voorbeelden daarvan zijn er te over.

Sommigen houden zich bezig met onbekende creaturen. Deze onbekende creaturen hebben mogelijkheden, opvattingen en eventueel vermogens die de mens niet kent. De mens benadert echter vanuit zijn eigen denken dit onbe­kende en zal juist daardoor menen zekerheid te scheppen op het ogenblik, dat hij zichzelf in het grootste gevaar brengt.

Een dergelijke situatie moge avontuurlijk lijken, zij is echter een di­recte toespeling op het werken met in feite onvoldoende erkende krachten in de maatschappij en het daardoor vaak doen ontstaan van gevaren die men niet kan overzien. Wij behoeven alleen maar te denken aan de mogelijke gevol­gen van radioactieve besmetting. Wat daaruit precies zal voortkomen, weet men niet. Het overmatig gebruik van automatische breinen met een te grote zelfstandigheid. Wat daaruit eventueel kan voortvloeien, kan men niet over­zien. Een logisch proces van denken kan hier dus zeggen: Er kan een ogenblik komen, waarop het brein zozeer de zelfstandigheid van de mens ondermijnt, dat hij deel wordt van een in feite niet meer menselijke, een soort rekenkundige logica.

Een veel gebruikt onderwerp is ook de ondergang van een wereld. Deze wereldondergang‑romans zijn in vele gevallen bedoeld om aan te tonen, hoe een mens reageert. Het gaat daarbij niet in de eerste plaats om de fan­tastische situatie die wordt getoond, maar het gaat vooral erom te laten zien hoe mensen zouden reageren onder bepaalde omstandigheden.

Als u mij science fiction voorlegt als een soort mode‑literatuur van deze tijd en het daarom als onderwerp kiest, moet ik zeggen: neen, dit is zeker niet waar. Datgene, wat men thans science fiction noemt is zeer oud. Het werd al door de oude Grieken, door de Romeinse zeevaarders, zelfs door de Vikings ge­bruikt. Hun beschrijvingen van vreemde landen met onmogelijke monsters zijn in vele gevallen ook science fiction, omdat zij een soort parodie vormen op de mens en de maatschappelijke verhoudingen van de mens.

Op soortgelijke wijze kunnen wij zeggen, dat vele van de zgn. duivel le­genden, die wij vooral uit de vroege middeleeuwen kennen, in zekere zin science fiction zijn. Het wonder door de bovennatuurlijke kracht komt weliswaar in de plaats van de machine of de bijzondere begaafdheid van de mens, maar voor de rest ontwikkelt het hele probleem zich op dezelfde manier: Er is een toestand, waarin een mens verandering wenst. Hij gebruikt middelen die hij niet kan be­heersen. Hij komt daardoor in omstandigheden, waarin hij tot de meest eigenaar­dige methoden moet overgaan om zichzelf te redden.

Dat de science fiction in deze tijd vooral wordt beschouwd als jeugdlectuur en pulp (tijdschriften van mindere waarde) is, geloof ik te danken aan het feit dat de doorsneemens bang is voor fantasie. Hij houdt niet van een zo fantastische wereld, dat zij niet meer te releren is met zijn eigen werkelijkheid; vooral indien daarin problemen voorkomen, die hij uit de eigen wereld kent.

Zo u mij vraagt, wat de kern van de science fiction is, zou ik zeggen: Het is de fantasie, die wordt gebruikt om protesten mogelijk te maken, die in een meer directe vorm door de maatschappij zouden worden verworpen.

Langzaam maar zeker echter zal deze vorm van literatuur zijn betekenis verliezen. En dat is begrijpelijk, omdat de mens steeds meer aan het fantasti­sche went.

Als ik u vertel, dat in 1898 een Duitser, een roman schreef (overigens echt Duits in twee extra dikke delen), waarin hij de mens confronteert met een beschaving op Mars, mede met verwerking van allerhande gegevens en feiten, die we in veel latere science fiction‑werken terugvinden, dan zult u zich misschien realiseren, dat science fiction zeker niet nieuw is en dat als een sociale parodie of zelfs als een aanklacht iets dergelijks in de eerste plaats fantasie is. Het gaat niet om het aannemelijk maken daarvan. Wel neen, het gaat er allereerst om de conflictsituatie.

Op dezelfde wijze heeft Swift en Defoe een boek geschreven (of het nu Gullivers reizen is of Robinson Crusoe), waarin de mens in een fantasiewereld wordt geconfronteerd met het andere. En wie van u bv. het avontuur van Gulli­ver met de Paardmensen heeft gelezen, zal worden geconfronteerd met een beeld, dat niet veel verschilt van een latere, als science fiction betitelde romen: de apenplaneet.

Als wij de monster-beschrijvingen horen, die in geheimzinnige rijken in Afrika worden gesitueerd en wij vergeleken deze met bepaalde ruimte‑avonturen als beschreven door een zekere heer Van Vogt, dan staan we ook weer tegen­over volkomen gelijke waarden. Het gaat eenvoudig om het confronteren van de mens met een situatie, die voor hem wel zou kunnen bestaan, maar waarvan hij zich kan vervreemden.

In de literatuur van vandaag heeft men twee tendensen. De eerste is de vereenzelviging. Men probeert de ik‑figuur zodanig gestalte te geven ‑ onverschillig of hij als zodanig optreedt of niet ‑ dat een identificatie van de lezer ontstaat en wij hierdoor een zekere emotionele reactie kunnen krijgen.

Daarnaast bestaat de probleem‑roman, waarbij het de bedoeling is, dat men op een afstand blijft. Hier is een directe identificatie met helden en hel­dinnen eigenlijk uit den boze. De nadruk moet vallen op de situatie en op de feiten; daarbij is het natuurlijk belangrijk dat die situatie en die feiten, voor zover ze nu misschien acuut bestaan, niet als zodanig en zonder meer kun­nen worden herkend. Wij zien dan ook dat zeer velen gebruik maken van dergelij­ke technieken en dat men het dan science fiction, fantasy fiction, ook wel science fantasy noemt.

Hier is dus eigenlijk langzaam maar zeker de neiging van de moderne mens tot uiting gekomen om de problemen van zijn wereld op een afstand te bekijken. Maar hij kan dit alleen doen, indien hij er buiten staat. Daarom heeft hij behoef­te aan een wereld die van de zijne zoveel mogelijk verschilt, hetzij in mogelijk­heden, hetzij in vormgeving, hetzij misschien ook in bewoners, in situaties. Daarbij zijn een aantal punten toch wel interessant om op te sommen. Om u enke­le voorbeelden te geven:

Ruimtereizen, zoals ze thans naar de maan worden gelanceerd, werden reeds beschreven door een van de vroege science fiction schrijvers in 1922. De techniek van een ruimteplatform, die nu overal ernstig wordt besproken, werd reeds in 1928 in een Amerikaans pulp‑magazine in verhalende vorm gepubli­ceerd. De atoombom werd besproken in verscheidene verhalen met verschillende uitwerking in de jaren 1925 ‑ 1937. Daarna zien wij dat deze verhalen afnemen. Kennelijk is science fiction dus gevoelig voor het nabij komen van de voorspel­de omstandigheden. Men doet dan afstand van de situatie als science fiction en men verwerkt haar eventueel in een directe roman.

Een andere kwestie die ook een grote rol speelt bij deze verhalen, is de psychologie. De mens zichzelf voorhouden zoals hij is in de maatschappij, brengt hem tot een enorm verweer. Op het ogenblik echter dat ik een absurde situatie schep, waarin dergelijke denkbeelden en mogelijkheden worden verwerkt (o.a. P. Brown is daar knap in), dan wordt ineens het psychologisch probleem aanvaardbaar en de onbewuste zelfherkenning zal de mens heel vaak zelfs hel­pen om zijn eigen neurotisch gedrag iets beter te reguleren.

Het is natuurlijk mogelijk hier over te gaan tot het geven van excerpten van verschillende werken, al dan niet van belang Het zou misschien aardig zijn op te merken dat ook schrijvers, die u van science fiction niet verdenkt, daarvan wel degelijk gebruik hebben gemaakt. Zoals een reis terug in de tijd, die beschreven wordt door Mark Twain, die een Yankee uit Baltimore terug­plaatst in het Engeland ten tijde van koning Arthur.

We kunnen het occulte in dergelijke boekwerken ontmoeten. Het is opval­lend, dat een bekend parapsycholoog (een geassocieerde van Rhine) op een ge­geven ogenblik een roman schrijft waarin hij het element telekinese behandelt, maar waarbij hij alles situeert rond een speler; een gokker, die van planeet naar planeet trekt, maar die dankzij zijn telekinetische gaven in staat is om meer te winnen dan men elders aangenaam vindt. Hieraan worden dan wel weer andere situaties vastgekoppeld. Heel vaak zien wij zelfs in science fiction, dat men een enkel idee neemt, het oorspronkelijk als een kort verhaal publiceert en later dat idee aanvult met nieuwe denkbeelden of ideeën en er dan een langer verhaal van maakt.

De interesse van de mensen voor het absurde wordt groter, naarmate zij het gevoel hebben dat hun wereld minder in stasis (evenwicht) verkeert. Wij hebben een soortgelijke periode meegemaakt toen Jules Verne zijn romans schreef.

Nu is Jules Verne in de eerste plaats een wereldbeschrijver. Hij beschrijft landschappen, hij beschrijft de mogelijkheden van deze wereld en eerst daarnaast gaat hij uit van bepaalde technische mogelijkheden. Toch werden die werken van Verne ‑ vooral de fantastische ‑ zeer veel gelezen in zijn tijd, omdat de men­sen het gevoel hadden dat hun wereld aan het veranderen was en zij zich enigs­zins geruststelden aan de hand van de confrontatie met deze andere tijd die Verne mogelijk maakte: De tijd met luchtschepen rondom de veroveraar, met kapitein Nemo en zijn duikboot (onderwaterverkeer), het monster‑kanon van Staal­stad (de wapenindustrie: de dikke Bertha), de strijd om de wereldheerschappij, de reis naar de maan. Er zijn er zovele.

Ik geloof dus wel dat ook in deze tijd de belangstelling voor science fiction een tijdlang moet oplaaien, omdat de mens het gevoel heeft dat hij aan de rand van een nieuw tijdperk staat. Een tijdperk, waarin misschien de sterren toegankelijk zullen worden; waarin in ieder geval alles, wat nu op aarde nog als up‑to‑date geldt, zeer snel zal verouderen en veranderen.

Er is een achtergrond voor de zgn. science fiction. Die achtergrond is misschien nog beter na te gaan, indien we de helden bezien.

In science fiction kennen we wel het type held, maar we hebben dan ei­genlijk te maken met een ontvluchtingsliteratuur (escape‑litterature), zoals bv. de Marsverhalen van Rice Borroughs. Zelfs Tarzan mag geloof ik nog enigs­zins tot die ontvluchtingsliteratuur worden gerekend. Zodra we echter te ma­ken krijgen met de werkelijke science fiction, vinden we altijd ergens een anti­held. Dat is heel eigenaardig.

De held is iemand die ondanks zichzelf eigenlijk in de greep van de een of andere machine terecht komt in dat avontuur. Hij is de gemanipuleerde, die ten koste van alles zich vrij vecht en dan vaak het gehele mechanisme beheerst, waardoor hij werd gegrepen.

De psychologische achtergrond zou hier kunnen liggen in de behoefte van de moderne mens om te ontsnappen aan de machine die hem beheerst. Ik meen, dat deze anti‑heldentypen dan ook voor een zeer groot gedeelte een identifi­catie kunnen veroorzaken ‑ zij het meer qua situatie dan qua persoonlijkheid ‑ door het feit, dat zij kunnen reageren op moeilijkheden.

Een ander veel voorkomend verschijnsel in science fiction is de tegen­stelling tussen de bevoorrechte groep (de ene keer zijn het mensen die uit de ruimte de aarde proberen te veroveren; in andere gevallen zijn het mensen die de onsterfelijkheid hebben gevonden of over magische krachten beschikken) en de mens, die die gaven onbewust wel in zich heeft, maar die zich met de mensheid blijft identificeren en daardoor met de machtsgroep in conflict komt die dan over het algemeen ook prompt in elkaar pleegt te storten. Dat is weer de bekende roman‑gimmick. Hier wordt de mens dus eigenlijk ook weer de hoop ge­geven, dat hij ‑ al zijn er machten die hij niet helemaal kan kennen en die hem beheersen, al meent hij machteloos te zijn ‑ in zich toch het zaad draagt van mogelijkheden om dat andere te beheersen of om het te veranderen.

De mens van de aarde is een eigenaardig wezen in de science fiction roman. Hij is gewelddadig, maar hij is intelligent. Hij is meestal de mindere van zijn tegenstander, maar heeft een groot aanpassingsvermogen en daardoor weet hij op den duur zijn tegenstander te overvleugelen. Hij is niet bang voor geweld, maar aan de andere kant is hij edelmoedig en door zijn edelmoedigheid overwint hij veel. Het is een ideaalbeeld van de mens dat in deze literatuur wordt ge­projecteerd. Het is een beeld van de mens, waarmee men zich beter één kan voelen dan met de figuur van de sombere streekroman, waarin de boer zijn klompen uitschopt en zuchtend neerzit aan de tafel, waar juist de olielamp is ontstoken.

Deze identificatie met de mens in het eigen milieu wordt steeds moeilij­ker. De ontvluchting aan het milieu kan gebeuren door de excessieve mogelijkheden in het milieu uit te buiten; het kan ook gebeuren door eenvoudig het milieu te veranderen. En dan zien we dat wat niet interessant was, ineens interessant is geworden.

Laten we eerlijk zijn: er zijn onnoemelijk veel dingen in uw eigen leven die op den duur een sleur en een verveling worden. Indien u datzelfde in een ander milieu zet, dan krijgt het ineens een nieuwe betekenis. Er zijn heel veel Hollanders die weglopen als het Wilhelmus wordt gespeeld, omdat ze niet willen stilstaan, maar die buitenslands zijnde en een Hollandse vlag ziende uit­barsten in de galmende tonen van “Wien Neerlands bloed” of desnoods het Wil­helmus zelf, als ze tenminste hun “Je hela‑hola‑zin” kunnen overwinnen. Dit is dus een verandering van waarde door een verandering van milieu. En dit is een van de redenen waarom ik aanneem dat wat men nu science fiction noemt, steeds meer zonder deze bijzondere aanduiding deel zal worden van de literatuur.

Het schept de mogelijkheid tot kritiek, tot vervreemding en zelfs de identificatiemogelijkheid, waardoor aspecten van het leven, die men als vanzelfsprekend heeft aangenomen, opeens nieuwe betekenis krijgen. Dat daarbij de antiheld in de meerderheid is, is hoopgevend. Want deze wereld gaat aan haar helden ten gron­de. Maar aan degenen die vechten om zich te handhaven, wint zij steeds weer een nieuw leven.

Metamorfose

Zo even nog rups, dan daadloze cocon en plots een vlinder die in de zon danst. Zo-even nog een wezen dat zichzelf nog ternauwernood kende, dan een tijd van ontwikkeling en jezelf niet kunnen beseffen en opeens de zelfkennis: metamorfose, verandering.

Voortdurend veranderen alle dingen. De vloed van tijd sleurt de mens voort. Maar de mens in zichzelf verandert voortdurend en past zich aan. Geen ogenblik dat is geweest, zal zich ooit precies zo herhalen. Wij veranderen allen. Maar de metamorfose, die wij ondergaan, staat ‑ zeker voor de mens – voor een deel onder onze eigen beheersing. Het zijn onze initiatieven, het is onze gericht­heid, het is ons vertrouwen op ons kunnen of ons onvermogen dat bepaalt wat wij zo dadelijk zullen zijn. En deze metamorfose voltrekt zich niet aan de stofmens alleen. Zij voltrekt zich aan het ”ik”, dat soms als een slijmerige worm in de modder van een nauw ontgroeide chaos schijnt rond te dolen en een ogenblik later zich verteert in het vuur van eigen besef om als een phoenix te herrijzen en een hemel tegemoet te wieken.

Wij zijn alle dingen tezamen. Metamorfose is slechts de ontwikkeling van de mogelijkheid, die in ons is gelegen. De mogelijkheid is overal. De mogelijk­heid die wij waarmaken, bepaalt onze vorm, maar ze bepaalt ook de noodzaak tot verdere verandering.

Hij, die stilstaat in het heden gaat teniet. Hij, die voortdurend veran­dert, leeft niet slechts met zijn tijd, maar vormt steeds juister het beeld van zijn wezen en openbaart aan zichzelf steeds beter de mogelijkheden van eigen zijn en bestaan en de noodzaken, die er voor het “ik” aanwezig zijn.

Laat ons dan veranderen. Laat ons van rups tot vlinder worden. En laat ons als stervende vlinder veranderen in een bloem en als de bloesem uitvalt, worden tot een vrucht die bomen voortbrengt, als de boom de berg breken en de steen vermalen en misschien worden tot een land van vruchtbare aarde.

Laat ons veranderen, voortdurend. Laat ons denken: nooit stilstaan op één punt. Laten we altijd verder groeien en veranderen, opdat we de mogelijkheden die in ons liggen, waarmaken. Want alleen zo kunnen we als mens, als geest, ja, als deel van een Goddelijk Geheel beantwoorden aan deze enorme vreugde en taak tegelijk, die men leven noemt.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf