Actuele ontwikkelingen – les 07 – Extremisten

image_pdf

april 1969

Extremisten

Extremisten zijn er natuurlijk in alle eeuwen geweest. Maar in de hui­dige ontwikkelingen zien wij de extremisten van alle richtingen in versterk­te mate in verschijning treden. Ik zou vanavond met u willen nagaan hoe dit eigenlijk komt, wat daaruit ongeveer kan voortkomen en als we tijd over heb­ben, zou ik ook nog willen spreken over bepaalde andere achtergronden die weliswaar niet als extremistisch worden gezien, maar die dat in wezen toch ook wel zijn. Laat ons beginnen met het begin.

Dit is een tijd van nivellering. Dat wil zeggen, dat men alles tot be­paalde genormaliseerde waarden tracht terug te brengen. Voor een mens is dat heel moeilijk. Je kunt een mens nu eenmaal niet behandelen alsof hij een blik­je vlees is. Dat kun je misschien rationeler vierkant maken. De mens staat er echter op zijn eigen vorm te behouden en niet alleen in vleselijke, maar ook in geestelijke staat.

 Het is dus duidelijk dat de drang tot normalisering op zichzelf reeds bij zeer velen een verzet zal wakker roepen. Maar zoals wij in de maatschappij overal kunnen zien, is dat een minderheid. De opgelegde norm is voor de meerderheid een draagbaar juk, dat over het algemeen kan worden aanvaard zolang de eigen belangen niet te zeer worden geschaad. Dat wil dus zeggen dat we ‑ zoals trouwens in een vorig onderwerp ook al is gebleken ‑ overal pressie­groepen aan het werk zien.

Als een pressiegroep in een bepaalde richting van industrialisatie bv. voldoende luid kan spreken, zet ze haar belangen door en de menigte accep­teert dat. Nu blijkt dat in economische, kerkelijke en politieke groeperingen de pressiegroepen die belangen verdedigen, steeds sterker zijn geworden. Dat is begrijpelijk, als men nagaat hoezeer die belangen zich hebben uitgebreid. Bijvoorbeeld in Nederland: Van de Eerste en Tweede Kamer (toen geringer in aantal dan nu – dat zal ik erbij zeggen) in 1900 gebonden aan industriële belangen: 3 leden. In 1930 aan industriële belangen gebonden: 27 leden plus 2 ministers, die dan wel niet bij de Kamer behoren, maar die er toch steeds inzitten. In 1945 industriële belangen in de Kamer vertegenwoordigd: teruggevallen ‑ 18 Kamerleden direct gereleerd. In 1968 ‑ schrik niet ‑ 98 leden.

Hieruit blijkt dus wel dat juist belangengroepen van meer economische aard het in de politiek steeds meer voor het zeggen krijgen en dat daardoor de politiek werkt in de richting van een normalisering van de gemeenschap, die voor de bedoelde economische belangen bijzonder gunstig is. Het is duidelijk dat een bankier een maatschappij wil hebben, waarin de kredietverlening een grote rol speelt. En dat iemand die van industrialisatie houdt, die dus leeft van fabrieken en arbeidskrachten, belang heeft bij zoveel mogelijk fabrieken.

Iemand, die daarentegen weer belang heeft bij nieuwsvoorziening, wil weer een zo gecentraliseerd mogelijk voorlichtingsapparaat hebben. En zo ontstaat er een eenzijdigheid in de maatschappij die door velen als ondraaglijk wordt aangevoeld. Nu wordt dit aanvoelen zelden direct omgezet in de daad.

Een extremist wordt geboren. Hij ontstaat niet. Tenzij men de geboorte op zichzelf als een ontstaansvorm voor het extremisme zou willen beschouwen. Hij komt dus in een maatschappij die een hele tijd bijna ondraaglijk is. Dan ge­beurt er iets, wat zijn eigenbelang mede raakt en waardoor het ressentiment tegen de gehele maatschappij losbarst. Dat wordt weliswaar in focus gebracht op een bepaalde groep, maar dat neemt niet weg dat daarnaast het verzet tegen de gehele maatschappij geldt en niet alleen tegen één belangengroep. Een voorbeeld daarvan is de El Fatah.

De El Fatah was oorspronkelijk een betrekkelijk klein groepje agiterende politici, advocaten e.d. die in de vluchtelingenkampen zochten naar een mid­del om zichzelf enig gewicht te verschaffen. Maar de ellende in die vluchte­lingenkampen bleef voortduren. Hierdoor ontstond er een pauperisme, een aan­tal zeer arme mensen die zich in afgezonderde condities ontwikkelden en die geen uitzicht en geen hoop hadden. De normalisering die de rest van de maat­schappij doormaakte in Jordanië of in Egypte, werd door deze kampbewoners niet gedeeld. Er ontstond dus een steeds grotere discrepantie en daardoor werden, vreemd genoeg, maatregelen van de regeringen (o.a. de wijze waarop men beperkt onderwijstoelatingen gaf, de manier waarop men bij universitair onderwijs discri­mineerde) de aanleiding tot het vormen van een sterkere groep.

Deze groep werd gericht door de politici. Zij begonnen hun acties uit de aard der zaak te richten naar het oude Palestina. Eigenlijk een oorlog tegen Israël, die toen nog helemaal niet zo reëel was. De oorlog die werd gevoerd, werd gevoerd door de Arabische staten. Men zou kunnen zeggen: eigenlijk Nas­ser. De El Fatah en al die anderen hadden er eigenlijk heel weinig mee te maken. Dat waren mannetjes die meespeelden, zoals de Nederlandse brigade in Engeland in de oorlog meespeelde als een ietwat buiten het geheel staand deel van de Geallieerden.

Maar wat gebeurde er? Het ressentiment werd steeds groter. Er ontstaat noodgedwongen een eigen onderwijsinstelling. Het onderwijs in de kampen is nl. voor 9/10 in handen van mensen, die zelf in die kampen zijn opgegroeid. De jeugd wordt sterker en fanatieker. Daarnaast vinden de jongeren, die geen emplooi kunnen vinden, in de bijeenkomsten van de El Fatah een soort bevredi­ging, een belangrijkheid, die ze anders niet hebben. Maar kijk nu eens hoe ze in feite reageren.

In Jordanië worden de staatsoverheden van dat land meermalen gebruuskeerd soms omgekocht, in enkele gevallen met de dood bedreigd, indien ze de mensen van de El Fatah niet op de een of andere manier van dienst willen zijn.

In Egypte gebeurt precies hetzelfde. Daar wil men zelfs optreden ten bate van bepaalde legerhoofden, omdat die in ruil daarvoor de bewapening ge­ven.

El Fatah is niet een beweging die zich richt tegen Israël; dat is het ogenblikkelijke doel. In feite richt ze zich tegen een discriminatie, een manier van onder één noemer te worden gebracht als vluchtelingen, die niet aan­vaardbaar is. Het is dit extremisme dat veel verder grijpt dan die kampen. Want er zijn in de steden ook veel jongelui die eigenlijk ook wel een fiets, een motor of een transistorradio zouden willen hebben en die eigenlijk ook me­nen dat ze recht hebben op een betere baan. En dezen gaan zich daarbij voegen. Het resultaat is, dat eigenlijk de mislukking van de terugkeer naar Palestina bij de eerste oorlog (ik zou het liever een Arabische flater willen noemen) de aanleiding is tot de uitbarsting. Vanaf dat ogenblik krijgt het extremisme pas een grotere vorm, een grotere aanhang, een grotere achtergrond en is het beter georganiseerd. En zoals alle extremisten is men blind voor elk argument dat zou wijzen op verplichtingen tegenover een staat. (Ze hebben Hoessein bijna een beroerte bezorgd en Nasser hoofdpijn).

Wat de realiteit is? Er is hier een legertje ontstaan dat alle midde­len tot het doel goed heet, dat elke overheid en elke economische, opzet ‑ ook de steun van het Rode Kruis die ze krijgen ‑ en alle internationale organisa­ties aan zijn laars lapt. Ze willen alles gebruiken voor hun eigen doel en dat is eigenlijk aanzien, status.

Nu zult u zeggen: Dat is maar één voorbeeld. Maar er zijn er meer geweest. We hebben iets soortgelijks gezien bij de extremisten in de periode van Algerije. Daar was het voor de Fransen heel erg moeilijk om ineens als colons te staan zonder de nationaliteit, de achtergrond van la Patrie. En of het nu een grand Charles was of iemand anders, die dat wegnam, dat deed niets ter zake. Het begon als een soort zelfbehoud. Dat zelfbehoud voerde hen tot een verweer overal waar zij hun rechten zagen aangetast en daarnaast tot een gewapende actie om de overdracht van Algerije aan de inboorlingen ‑ want dat beschouwden ze zo ‑ tegen te gaan. Dat mocht niet slagen.

Het resultaat was, dat uit die colons een groot aantal mensen ontspoorden. Dezen werden de extremisten, die o.m. in Frankrijk lange tijd hebben geageerd. En met hen gingen degenen ageren, die oorspronkelijk hun medestanders waren. Dat is het vreemde van de zaak. Van de eigenlijke Algerijnen waren er eigenlijk zeer velen, die het met de colons eens waren. Ook zij waren voor hun status, hun welzijn grotendeels afhankelijk van de Franse administratie en ze voelden heel goed dat een vrij wording van Algerije voor hen een stap terug zou betekenen. De jongeren onder hen zijn nog steeds extremisten. Ze werken alleen voor anderen.

Extremist zijn is in een soort roes geraken, waardoor je eigenlijk protesteert tegen de hele wereld; en het kan je eigenlijk weinig schelen op welke manier. Vandaag werk je voor de nazi’s, morgen voor de communisten, overmor­gen voor iemand anders. Huurlingen, ja. Maar dan toch huurlingen met één speciale roeping. De roeping om de wereld ten onder te richten.

Wij hebben de groei van dit extremisme overal gezien. De studentenproble­men voeren ook in dezelfde richting. De student staat buiten de maatschappij. Maar de maatschappij normaliseert. Zij wil haar eigen nutsnormen ‑ en dat zijn in feite vaak belangennormen ‑ opleggen aan de student. Deze student die zijn academische vrijheid langzaam maar zeker ziet verdwijnen met de academische samenhang, omdat de elite die vroeger op de academie kwam langzamerhand verwa­tert doordat er van alle standen wat bij komt, grijpt nu uit naar iets anders: de expressie van eigen belangrijkheid, eigen wil. Dwaas misschien in vele opzichten, maar ze doen het.

Onder deze studenten zijn er een groot aantal, die zich zo dadelijk rustig aan de normen van de maatschappij zullen aanpassen. Maar er blijft een aantal over dat extremist wordt. Cohn bv. één van de velen die dat extremisme als een roeping is gaan voelen. Dan zijn er anderen: Rudi Dutschke. Deze mensen komen voort uit een gemeenschap, waarin ze geen kans zien zichzelf te zijn en bij gebrek aan iets anders hun agressie richten tegen het eerste het beste doel: en dat is dan de politiek of de academie en haar structuur. Maar zo dadelijk zijn ze bereid om dat ook tegen iets anders te richten. Want men maakt een heel grote fout, indien men denkt dat een extremist alleen maar extremistisch denkt op één Punt.

Een links‑extremist kan zeggen: Het geeft niet welke prijs wij moeten be­talen voor het vervullen van onze denkbeelden. En met “wij” bedoelt hij iedereen, die het niet met hem eens is. Hij stelt dus: Ik moet alles opofferen aan een denkbeeld. Of daar economische belangen mee gemoeid zijn, interesseert hem niet. Of daar koppen bij sneuvelen, of er misschien een burgeroorlog uit voort­komt, dat interesseert hem eigenlijk ook niet. Hem interesseert alleen, dat hij gelijk krijgt, hoe dan ook. Maar morgen heeft hij een ander idee; zijn methode blijft echter dezelfde.

Het is niet zo’n verwonderlijke zaak in dit licht bezien, dat vele van de fervente jonge nazi’s uit Hitlers duizendjarig rijk op het ogenblik belangrijke functies bekleden bij de Oostblok staten. Want hun instelling van ”het doel heiligt de middelen” en “alle middelen zijn toegelaten zolang wij gelijk krijgen”, is daar wel bijzonder in aanzien. De meesten van u zullen dat ook niet weten, maar in de regering van Ulbricht kunt u op de belangrijke posities van burgemeester, hoofdonderwijzer, officier, administratief belangrijke functies aantreffen zo’n 8 à 9000 mensen, die hebben behoord bij de S.S., behalve dan een paar die eigenlijk bij de Gestapo behoren. Maar ja, die zijn geen onderwijzer. Zij hebben hun oude beroep weer kunnen opvatten. Het is eigenlijk ontstellend, als je het zo bekijkt. Laten wij nu even gaan kijken naar wat er elders is gebeurd, alleen om de mentaliteit te wegen.

Nederland. Het is opvallend dat bepaalde zeer sterke economische groepen in Nederland figuren tellen, die ‑ zullen wij zeggen ‑ verkeerd wa­ren, behalve als er geen risico was; dan waren ze goed, omdat je dan aan twee kanten verzekerd kon zijn. Er zijn voorbeelden te over van te vinden. Een grote machinefabriek in Twente bv. had een paar directeuren, die goed fout waren en er was een stel directeuren, die op een foute manier goed waren, en er was ook nog een stel directeuren die in Engeland zaten. Dus wat er ook gebeurde, ze konden doordraaien.

Een grote meubelhandel en ‑ industrie werd door de familie geregeerd. De ene broer zat aan deze kant en de ander aan die kant. Nu kun je zeggen: Dat is toeval geweest. Maar het is wel opvallend dat het zo vaak is voor­gekomen. Als wij Nederland beschouwen en we gaan de leidende posities na in de politiek e.d., waar niemand met een gezag minder dan burgemeester zitting had, dan mogen wij een kleine gissing maken en stellen dat er toch 17 à 18.000 goed foute mensen op het ogenblik zeer goed zitten. Dat schijnt mis­schien heel weinig, maar gezien de posities die ze hebben zijn ze belangrijk. En wat het meest belangrijke is: ze kunnen doorduwen. Ze hebben die mentaliteit ­van doorzetten in één richting.

In Nederland vinden wij die mensen grotendeels onder degenen, die met bepaalde economische belangen verbonden zijn. In West‑Duitsland vinden wij die mensen hoofdzakelijk in de handel, niet zozeer bij de fabricage, maar voornamelijk in de handel. In Oost‑Duitsland in de politieke betrekkingen. In België vinden wij hen in de politieke organisaties. De extreme Walen en de extreme Flaminganten zouden elkaar in Stekene wel eens kunnen ontmoeten als broeders uit hetzelfde leger, als het daarom ging, hoezeer ze verder ook vech­ten. Waarmee ik maar wil zeggen, dat het een rare wereld is en dat we, als wij die extremisten zien, ons niet moeten vergissen.

Het jeugd‑extremisme wordt gebruikt. De jeugd heeft de neiging om ex­treem te zijn, natuurlijk. Maar gevaarlijk zijn degenen die hun beroep maken van het extremisme; en die zijn er veel meer dan men op het eerste gezicht zou zeggen.

Ik zou nu graag een zijstapje willen maken. Wij vinden in de beroepen ook bepaalde mensen, die extremisten zijn. Wij kennen de zgn. macro‑economen. Dat zijn de economen die alleen magistrale fouten maken. Zij gaan uit van een totaliteit, die volgens hen enorm is. Dat moet enorm zijn, anders kunnen zij niet werken. Dientengevolge gaan zij uit van maatregelen die ‑ indien het ge­heel aan de norm beantwoordt ‑ inderdaad het geheel ten goede komen. Maar aan­gezien ¾ van het geheel niet aan de norm beantwoordt, zijn de gevolgen vaak verbluffend. De wijze waarop de B.T.W. is ingevoerd, is een van de voorbeel­den, waarop die macro‑economie in uw land wordt bedreven. Maar ook in andere landen zien wij dezelfde flater slaan.

Wij hebben de “planners” van bv. politieke ontwikkelingen. Deze mensen zou je het best kunnen aanspreken als publicity officials. Een Engels woord, omdat je eigenlijk een meer dan Nederlandse mentaliteit en fantasie moet heb­ben om een dergelijk vak uit te oefenen. Met een eenzijdige voorlichting kun je alles gedaan krijgen. Deze mensen zijn bereid alles en iedereen aan te vallen en belachelijk te maken, zolang ze maar gelijk krijgen. Ook hun extremisme, of­schoon dat niets met gewelddadigheden te maken heeft, is toch wel in de eer­ste plaats gericht op wraak nemen tegen de maatschappij. En of dat nu een lang vergeten “zo is het ook nog eens een keer” is, of dat het de een of andere interviewer is, of de een of andere criticus, ze hebben allemaal hetzelfde een­zijdigheid. Maar met die eenzijdigheid ook een absolute weigering om iets an­ders in ogenschouw te nemen.

Het zijn deze mensen die het extremisme veel verder hebben gedragen en die het daardoor hebben wakker geroepen, ook bij anderen. Want zo vreemd het ook moge klinken, als je zelf voelt dat een beetje vrijheid erg belangrijk is en je hoort gelijktijdig iedereen elke maatregel verheerlijken die die vrijheid aantast, dan begin je op een gegeven ogenblik ook een haat te krijgen tegen de maatschappij en dan word je ook extremist, op een andere manier.

Extremisten zijn eigenaardige mensen. Je kunt nooit zeggen dat ze slecht zijn. Een extremist is niet slecht en zelfs niet gewetenloos. Hij is alleen ontmenselijkt in maatschappelijke zin. Hij kan de maatschappij niet meer accep­teren als menselijk en beschouwt daardoor alles, wat zijns inziens tot die maat­schappij behoort, eveneens als onmenselijk, dus strijdig met de menselijkheid. Het is een verdraaiing van denkbeelden en idealen. Maar goed, je zit ermee opgescheept en je zult het moeten accepteren.

Het extremisme heeft echter één functie, die het zelf niet helemaal be­grijpt en dat is het wakker schudden van de massa. Een extremist, die zich richt tegen een instelling, werkt een tijd en dan verdwijnt hij. Dan is zijn ex­tremisme weg, want hij heeft bereikt wat hij wilde. Hij komt misschien later met een andere topic weer naar voren, maar voorlopig is hij weg. Maar de burger­maatschappij voelt zich eigenlijk als iemand, die in de brandnetels is gaan zit­ten toen de grote boodschap moeilijk lukte. Men meende alles genoeglijk verder te kunnen doen, maar er is iets gebeurd ‑ je weet zelf niet helemaal wat ‑ en het begint te irriteren. Die irritatie richt zich vreemd genoeg tegen de extremist zelf ‑ zoals dat bv. in Frankrijk is gebeurd ‑ maar richt zich te­vens mede tegen de maatschappij, die dit extremisme te voorschijn heeft geroepen. En dan zitten we in een krankzinnige draaimolen. Een voorbeeld hiervan dat u misschien wat beter kent: Tsjecho‑Slowakije.

De Tsjechen zijn helemaal geen extremisten, behalve op één gebied. Ze hebben één extreem verlangen: de begrafenis van elke Rus, die op hun grond­gebied verblijft, binnen de korts mogelijke tijd. Maar dit extreme verlangen gaat in tegen de totale structuur. De protesten van de jeugd, de eigenaardige uitbarstingen, als men meent dat men iemand eens de waarheid kan zeggen, zijn al­leen de symptomen van iets dat veel erger is.

Die maatschappij is op een bepaalde manier opgebouwd en zij kan alleen op een bepaalde manier functioneren. Doet ze dat niet, dan ontstaat er iets dat men dan een politionele ingreep zal noemen, maar dat in feite erger is dan een oorlog. Nu kan de regering wel proberen de massa terug te brengen naar de norm (dus weer een normalisering van het geheel toe te passen), maar dat lukt niet meer. Er zijn mensen die extreem zijn voor het herstel van de oude, bijna stalinistische waarden. Er zijn mensen die extreem zijn voor de vrijheid. Maar dat zijn zeer kleine groepen. De middenmoot is geprikkeld en daardoor on­berekenbaar.

Van Spanje zou men hetzelfde kunnen zeggen. Nu is Spanje altijd een land geweest dat veel extremisten heeft voortgebracht. Ik geloof ook dat het extreme in de psychologie van de Spanjaard zit, maar misschien vergis ik me daar­in. Zeker is wel één ding: Als we Spanje op het ogenblik bekijken, is het duidelijk dat daar het ex­tremisme van verschillende kanten samenvloeit. We zien in de eerste plaats de nationalistisch‑extremisten, o.a. de Basken. In de tweede plaats de syndicalistisch‑extremisten, hoofdzakelijk in de omgeving van Barcelona, Tarragona.

Dan hebben wij de royalistisch‑extremisten van verschillende soorten. We hebben daar dus ook te maken met allerhande eenzijdigheden en daarnaast natuurlijk de oude falangisten, die op hun manier ook extreem voor een bepaalde orde zijn en ook voor sociale ontwikkelingen ‑ dat mogen wij niet ontkennen ‑ en daartussen in nu die massa, die in allerlei extremismen gaat uitbarsten, ofschoon het hen geen barst kan schelen wie er wint.

Die massa wordt geïrriteerd door de gezagshandhaving van de een of andere kardinaal. Maar ze wordt net zozeer geïrriteerd door het extreem optreden van bepaalde arbeiders. Die massa weet nog niet precies wat ze moet doen. Maar ze is geneigd naar alles te slaan. Het is als iemand, die in een mieren­hoop zit en die op een gegeven ogenblik door vele kriebelende poten en enkele bulten daartoe bewogen als een waanzinnige begint te slaan, zonder zich af te vragen of er soms ook mieren zitten.

Ditzelfde kunnen wij trouwens zien in verschillende Zuid-Amerikaanse staten en in verscheidene Afrikaanse landen. Wat is eigenlijk het resultaat hiervan? Want dat die extremisten er zijn, weten we allemaal. Waar ze vandaan komen, kunt u hopelijk nu begrijpen. Maar wat gaat het betekenen? Dat is veel belang­rijker. Dan begin ik met dit te zeggen:

Er bestaat bij de gemiddelde massa over de gehele wereld ‑ geen land uitgezonderd – een toenemende irritatie ten aanzien van gezag zowel als van extreme groepen. Men voelt zich doodgewoon aangetast in zijn rustige bestaan. En men is bereid alles te doen om die rust, hoe dan ook, te herwinnen. Dit betekent dat in geen enkel land op het ogenblik iemand kan rekenen op een werkelijk trouwe aanhang. Ook geen Charles de Gaulle, geen Mao en ook geen Dubcek. Niemand. Er is geen aanhang meer.

Er is een vreemde amorfe massa die je om­hoog stuwt en je gelijktijdig dreigt te verslinden. Daarom gooit men overal in de wereld verdedigingswerken daar tegenaan: pogingen tot reglementering, een steeds strengere beheersing eigenlijk van het menselijk leven. Maar dat kan men alleen doen, indien men anderen daarvoor kleine vrijheden geeft. Die vrij­heden zijn gevaarlijker dan de mensen schijnen te vermoeden. Want als wij een ze­kere mate van libertinisme bij de mensen zien ontstaan, dan betekent het dat ze de wetten waarop de maatschappij is gebouwd, eigenlijk belachelijk gaan vin­den. Het behoeft toch niet voor hen persoonlijk te zijn. Heel vaak is dat voor anderen. Ze zeggen: Nu ja, voor ons is dat oude goed en wij kunnen begrijpen dat een ander anders is; die ander moet dat dan op zijn manier maar doen. Daarmede wordt de norm verworpen; en dat is veel gevaarlijker dan men denkt. Want indien ik een zedelijke of sociale norm verwerp, dan verwerp ik daarmede onbewust ook alle andere normen. Wetsontduikingen nemen dus meer en meer toe.

Nu is het in Nederland nog zo, dat je betrekkelijk groot moet zijn om de wet goed te kunnen ontduiken. In andere landen is de kleine man er ook al aan toe en in vele landen is de wetsontduiking een wet op zichzelf aan het worden. Nu bedoel ik niet de omkoping, die wij in zoveel staten vinden, maar ik doel hier vooral op de manier, waarop men probeert de totale maatschappelijke wereld met haar structuur te omgaan. Het is of iedereen een paadje zoekt om uit te wijken. En naarmate er meer extremisten tot actie overgaan, zal de werking op de massa intenser worden en daarmede de neiging van de massa om wegen in te slaan, die voor de extremisten, maar ook voor het bestaande bestel (het establishment) onaanvaardbaar zijn.

Het is natuurlijk aardig om in Nederland propaganda te voeren tegen een ereveld in Vlaanderen. Dat kan ik mij voorstellen. Maar zelfs hier zijn er veel mensen die zeggen: waar maken jullie je na al die jaren druk om? Wat kunnen een paar botten voor verschil uitmaken? Niet iedereen is het daarmee eens, maar het aantal mensen dat dat vindt wordt groter. En als men zo dadelijk weer aan komt met het een of andere nationale project om helden te herdenken, dan zegt men: Ach man, loop heen! Begin daar nu weer niet over. Wat kunnen een paar botten of een standbeeld voor verschil maken in de werkelijkheid. We worden toch wel gevild.

Die mentaliteit kunt u misschien niet zo gemakkelijk begrijpen, omdat u erin verzeild raakt zonder het te beseffen. Je hebt je eigen idee van bv. “gezag is heilig” of “sociale vooruitgang is heilig” en dan leef je daarnaar. Maar als je goed nagaat, hoe je zelf reageert en handelt, doe je eigenlijk het tegenovergestelde van hetgeen je beweert aan te hangen, omdat je niet beseft wat je doet; en dat doet de massa over de hele wereld niet. Het resultaat moet dus wel zijn: een toenemende onberekenbaarheid van de massa. Maar dat betekent ook weer een toenemende onberekenbaarheid van alle sociale ordeningen en pro­cedures, waarop tenslotte uw wereld en uw maatschappij tegenwoordig gebouwd is.

Laten we trachten een paar gissingen te maken. Dit jaar zal heus nog wel de nodige onrust en de nodige rampen kennen, dat weten we wel. Maar daarover behoeven we ons niet al te veel op te winden. Dat gaat wel weer voorbij. Veel belangrijker is het wat er einde 1971, begin 1972 aan de hand zal zijn. Want wij moeten aannemen dat ‑ gezien de kosmische tendensen ‑ in die periode deze on­gedurigheid en toenemende prikkelbaarheid van de massa sneller tot uiting zal komen. Ik geloof dat het verzet dan o.m. zal leiden tot het volgende ‑ ik noem nu maar een paar voorbeelden:

Massale dienstweigering in bepaalde landen, o.a. in de Ver. Staten. Daarnaast ook deels in landen als Italië en mogelijk een zeer sterke revolutionaire werking, die overigens tot chaos voert, in Griekenland. Dan moeten wij rekening houden met de extremisten die in Afrika werkzaam zijn.

In Noord‑Afrika zal dat leiden tot reeksen moordaanslagen van extreme groe­pen, vaak op hun eigen leiders, omdat die gefaald hebben of hen naar hun inzien hebben verkocht. De massa zal dan daarvan weer gebruikmaken om de extremisten aan te vallen.

Op deze manier zullen we een uiterst verwarde toestand krijgen, waarbij bepaalde landen officieel met elkaar in oorlog zijn, terwijl de burgers van die landen gezamenlijk optrekken tegen bepaalde legergroepen van een van die landen of van beide landen.

In een democratie is Jan Publiek de scheidsrechter. Maar voor zover er dan nog van een democratie kan worden gesproken in deze wereld, mogen we nog wel één ding zeggen: Als het publiek de scheidsrechter is, dan heb je kans dat die dadelijk gaat mee boksen; en welke knock‑out er zal vallen, is moeilijk te voorspellen.

We weten wel zeker dat er rond diezelfde tijd een aantal worstelingen, burgeroorlogjes en enorme vernielingen te verwachten zijn o.a. in Columbia, Brazilië, Chili, Venezuela. Wij weten, dat er in die tijd of reeds voordien in Mexico en in andere staatjes (Honduras zal er ook wel bij betrokken worden) plotseling een religieus fanatisme gaat oplaaien. En dat zal waarschijnlijk een teruggrijpen zijn naar oude culten en riten. De wereld zal dan waarschijnlijk weer geschokt zijn over wat er dan gebeurt, zoals de wereld altijd geschokt is door de handelingen van elke minister en vervolgens tot de orde van de dag overgaat.

Dan moeten wij verder eens kijken wat die extremisten nog meer zullen doen. Zij zijn op het ogenblik bezig in Rusland, China, bijna in alle landen die onder het Sovjetblok worden gerekend, om actie te voeren tegen wat ze noemen: de bureaucratie. Daarnaast is een groep extremisten bezig om de tijd van Beria te doen herleven; de tijd van de massamoord en de massaprocessen. Geen van de twee partijen zal volgens mij slagen. Maar het eindresultaat zou wel eens kunnen zijn: een plotselinge en fatale reeks uitbarstingen bij het volk. Dan zullen deze staten zeer waarschijnlijk trachten iemand de oorlog te verklaren en zal Rus­land moeten ontdekken dat de Russen geen zin meer hebben om ergens anders te gaan vechten. Ze willen alleen Rusland verdedigen.

De Chinezen zullen tot hun verbazing moeten ontdekken dat het hun sol­daten en generaals niet te doen is om het dappere optrekken in naam van Mao, het rode boekje en alle andere heilige waarden van het land en het communisme, maar alleen om het bereiken van een betere salariëring, een betere rang en zo­veel mogelijk plezier. Ze zullen ook ontdekken dat de burgerbevolking, dit be­seffende, weigert om medewerking te verlenen. En dat kan werkelijk heel veel betekenen.

Ik heb zo’n idee dat wij in die tijd dan ook verschillende malen gecon­fronteerd zullen worden met wanhopige bestuurslieden die dreigen en misschien zelfs proberen om atoom‑missiles te gebruiken. Ik neem aan dat het niet zal lukken, maar ook dergelijke wanhopige regeerders worden extremisten, die al­les beter achten dan het verlies van hun invloed of macht.

Een ander verschijnsel dat wij ook kunnen verwachten – van bijna eind 1970 af tot circa 1982 ‑ is het falen van allerlei projecten. Je kunt er natuurlijk geen concrete voorbeelden van geven, dat begrijpt u. Maar om u een voorbeeld te geven: Er is een volkstelling. Iedereen is niet thuis. Er worden belastingaanslagen verstuurd, maar het is plotseling alsof iedereen besloten heeft dat die dingen nog wel even kunnen wachten. Er komt niets binnen. Er is een grote betoging. De enigen die komen zijn de spreker en de mensen die worden betaald om de installaties te bedienen. Dat soort dingen ga je dan krijgen. Daarnaast zult u zien dat men bepaalde flats optrekt tegen van tevoren bere­kende huurprijs en dat iedereen die er intrekt zegt: Dat is te veel berekend. Dat betaal ik niet. Gooi mij er nou maar uit.

Zo kunt u zich ook voorstellen dat er op een gegeven ogenblik mensen worden opgeroepen voor laten we zeggen een katoenoogst en dat ze het ineens in hun hoofd krijgen: ach wat, zo’n beetje katoen kunnen wij best voor ons­zelf gebruiken. Als we samen doen, halen we er ook aardig wat baaltjes uit. En voor je het weet, is de katoen verkocht; maar niet door de eigenaar. Je kunt op een dag verwachten dat een stel buurvrouwen zeggen: Het brood wordt te duur. Het is te gek. Het is niet te eten. Weet je wat, wij gaan zelf bakken. We doen dat om de beurt voor elkaar. Het is vaak een herleven van bijna middeleeuwse toestanden aan de ene kant en aan de andere kant een absolute onberekenbaarheid.

Iemand legt een nieuwe weg aan en als die gereed is, dan blijkt dat iemand het er niet mee eens is en besluit die weg op een bepaald punt op te breken. Hij doet dat verschillende keren met geweld en zelfs met explosieven. Het resultaat is, dat als die weg eenmaal helemaal voltooid is het verkeer het niet meer vertrouwt. Dat zijn van die gekke gevallen, die je kunt verwachten. Het zijn geen concrete voorbeelden, maar zo zou het kunnen zijn. En dat hebben we allemaal te danken aan de extremisten. Want dezen zullen op een gegeven moment geneigd zijn om op de Academie te zeggen: Wij zullen uitmaken welke professoren ons mo­gen examineren en op welke manier. Waarop de goegemeente gaat zeggen: Dan zul­len wij wel eens kijken naar je bekwaamheid, want je diploma zegt ons niets meer.

We zullen zien dat het gehele onderwijs ‑ en dat zult u in Nederland over enkele jaren al zien ‑ gewoon in elkaar gaat zakken als een pudding. Het is te massaal gezien. En waar de extremisten aan de gang zijn, brengen ze zonder het te beseffen juist de massaliteit van regelingen en organisatie in gevaar. En dat is nu juist wat ze nodig hebben om hun extreme zienswijze te kunnen door­zetten.

Er zullen heel wat benden de straat op gaan. Misschien zwart‑ wit‑ of blauwhemden en weet ik wat voor groeperingen, die gaan vechten zonder dat ze zelf goed begrijpen waarom. De goegemeente zal zich daartegen wapenen; en als die zich gaan wapenen, dan kunt u het voor uzelf wel narekenen wat daarvan gaat komen. Dan ontstaat er een ogenblik van absolute ordeloosheid, van wette­loosheid. En waar dat ontstaat, is de eindconclusie duidelijk:

De extremisten, die op het ogenblik in steeds grotere mate en in steeds meer differente verschijningsvormen optreden, zijn in feite alleen maar krachten die het evenwicht van uw hele maatschappij verder aan het wankelen brengen. Dat men door chaos tot vernieuwing komt, heeft u een vorige maal kunnen horen. Het mechanisme dat daarbij een grote rol speelt, heb ik vandaag naar mijn beste weten belicht.

Noot

De stelling, dat extremisme ook extremisme voortbrengt, is niet helemaal juist. Als u zegt dat extreme maatregelen, extreme reacties uitlokken, heeft u wel gelijk. Maar als wij de ontwikkeling nagaan van extremistische groepen over de hele wereld, dan zien wij dat zij voortkomen juist uit de rigiditeit van de groep of maatschappij waartoe zij behoren. Om een voorbeeld te geven:

De Jezuïeten en met hen anderen die de Inquisitie vormden, kwamen voort uit een structuur, die dermate rigide was dat men aan deze normalisatie die het “ik” onderdrukte, alleen kon ontvluchten door ofwel die wetten in het bij­zonder te handhaven ten koste van alles, dan wel die wetten in feite terzijde te schuiven, zoals vele anderen hebben gedaan.

Als wij kijken naar bv. de Jakobijnen (de Franse Revolutie), dan is het vreemd genoeg helemaal niet de revolutionaire club die u verwacht, die er met bijlen op af wil gaan. Het zijn eenvoudig mensen, die discussiëren, die een in­zicht willen hebben in wat er bestaat. Hun optreden is helemaal niet extremis­tisch. Maar omdat zowel de Jakobijnen als de Royalisten (dus de maatschappij van toen) beiden uitermate rigide waren, ontstond er verzet. Bij de Jakobijnen wer­den dat de bloeddrinkers. De mensen, die o.m. achter Danton aan gingen en la­ter achter Robespierre. Aan de andere kant krijgen wij bij de Royalisten die spe­ciale hofpartij, die door duels, sluipmoordenaars, ranselpartijen en e.d. op een gegeven ogenblik probeert om het verzet, dat eigenlijk niet eens reëel bestaat, de kop in te drukken. Daar, waar het niet gebeurt, waar nl. een sterke gebondenheid is van landeigenaren met hun horigen, zoals in de Ven­dée, kunnen de Royalisten het dan ook een hele tijd bolwerken. Maar in de meeste gebieden worden ze verslagen door hun eigen mensen. Dat is wel heel opvallend, omdat ze eigenlijk veel meer middelen hadden, veel extremer moge­lijkheden dan de mensen in de steden. De adel in de steden zou als eerste vallen, dat is duidelijk. Maar dat de landadel op bepaalde punten plotseling moest vallen, was alleen te wijten aan hun angst voor een te rigide structuur. De bevolking moest blijven buigen, dus greep men verder. Men ging de buiging meten en dat had men nooit moeten doen.

Er is historisch trouwens veel meer te vertellen. In de moderne tijd is de opstand van Spartacus (de slavenopstand in Rome) misschien verheerlijkt en geromantiseerd. In feite is dat alleen te wijten geweest aan het feit dat sommige slaveneigenaars te veel slaven hadden. Zij wensten hun gezag over die slaven uit te breiden en begonnen daarom naar eigen inzicht hun functies te wijzigen en daarmee hun rang, zonder dat daarvoor een kenbare reden was. Dat gaf aanleiding tot het verwijzen van de meest brutalen naar o.a. de gladiatoren; maar daarnaast gaf het tevens aanleiding tot het strijdbaar worden (dus ook het extreem tegen het gezag van de heer ingaan) van andere slaven. Dat was de oorzaak van die Spartacus‑opstand.

Als Ichnaton niet had geprobeerd om andere tempels te onderdrukken en alleen maar zijn eigen tempel voor Aton had gebouwd, dan had niemand daar be­zwaar tegen gehad. Maar hij wilde de waarheid volledig, voor iedereen, en daardoor tastte hij een establishment aan. Hij kreeg dus weerstanden te overwinnen.

Om die weerstanden te overwinnen, begon hij eenvoudig over het hoofd van de ge­vestigde orde heen mensen te bevorderen en rond zich samen te trekken. Hij ging gebruiken schenden alleen maar om duidelijk te maken dat hij er niet bij hoorde. Hij werd extremist. Het resultaat was dat men even extreem tegen hem en zijn aanhangers is opgetreden.

Hoe verder wij in de oudheid gaan, hoe meer wij het bevestigd vinden. Het extremisme kan alleen daar voorkomen, waar een te rigide structuur bestaat. Rigiditeit van structuur is in beginsel dus altijd de oorzaak voor extreme nei­gingen en opvattingen. Dat deze dan different zijn en daardoor met elkaar in botsing komen, is duidelijk. Overigens is hierbij nog te vermelden, dat het Fran­se volk, het Franse volk is gebleven ondanks de révolution, fraternité, égali­té etc.

Spartacus heeft weinig vaste tekenen in de massa achtergelaten. De massa heeft zich weer hersteld uit de onevenwichtigheden. Hetzelfde geldt voor Egyp­te. Zeker, de tempels van Ichnaton zijn vernietigd en veel van zijn beelden zijn beschadigd. De tempels gingen door en de gewone mensen ook. De massa wil nl. haar eigen evenwicht en alles wat dat aantast ‑ of dit nu een rigide structuur is of een extremisme – brengt haar tot reacties, die dan volledig onberekenbaar zijn.

Keuvelende kiezers

In deze kabbelende, maatschappelijk redekavelende maatschappij moeten wij allereerst zien hoe de mens kiest. En als wij spreken over kiezen, dan denkt iedereen eerst aan verkiezingen van politieke aard, die men overigens zou kunnen missen als kiespijn. Ik geloof eerder dat men bij het kiezen eens rekening moet houden met de keuze die de mens in het leven maakt. Want over­al zijn de mensen bezig om met elkaar te keuvelen over alle dingen die schijn­baar belangrijk zijn.

Bakker B. bakt beter dan bakker A. Het middel van C. wast schoner dan het middel van D., en zo gaan we verder. Overal worden opposities geschapen, reëel of niet reëel. Deze opposities zijn dan altijd het heerlijke onderwerp, waarover je kunt spreken, als het weer als conversatiepunt is uitgevallen. Maar het vreemde is dat men zo zichzelf naar een keuze toe praat. Als iemand voortdurend aan het praten is over het voor of tegen van een bepaalde soort koffie, thee of chocolade, dan is hij eigenlijk ook bezig zich­zelf te overtuigen.

Antipropaganda is soms de beste propaganda, die kunt maken. Er zijn mensen, die dat in het verleden hebben begrepen. Een reclame van Ford was gebaseerd op een mopje. “Al heeft een Ford geen motor, hij loopt toch wel.” Een sigaret kondigde zich aan met een slagzin bestemd voor een bepaald deel van het proletariaat. “Elk secreet rookt North State”. Het is een antipropaganda. Het is juist dit soort propaganda dat in het gekeuvel van de burgers een rol speelt. Het is eigenlijk een kritiek, een grapje, dat veel méér doet om een keuze te bepalen dan alle ernstig gemeende argumenten.

Als je begint een geneesmiddel aan te bevelen door op te sommen wat er allemaal aan werkzame bestanddelen in zit, dan zal het misschien op de domme menigte enige indruk maken. Dat is ongetwijfeld waar. Maar als je daarentegen eenvoudig zegt. “Hé, geen hoofdpijn meer!” dan heb je kans dat dat blijft han­gen. En als je nu zegt: “Als je alles hebt geprobeerd, moet je dat ook nog maar eens nemen,” dan heb je kans dat dat merk het best wordt verkocht. Dat is nu hetgeen, waarover ik het vanavond eens wil hebben. Niet speciaal over de reclame, maar over datgene wat u eigenlijk tot een keuze brengt.

Want terwijl u zo bezig bent over al hetgeen er wel of niet moet gebeu­ren, doet u weinig. Om eerlijk te zijn, u doet bijna niets. U doet wel of u een keuze maakt, maar in feite laat u een ander voor u kiezen, tot het ogenblik dat er ergens in uw hersenen iets gebeurt, dat er een spoor wordt kortgeslo­ten en dan blijkt ineens dat dat ene kleine zinnetje of begripsverwarrinkje (dat is het vaak ook nog) de mensen ertoe brengt te kiezen. Dat heeft u kun­nen zien in de politiek.

Het is eigenaardig, dat de Boerenpartij de meeste aanhangers onder de stadsmensen kon vinden. Even curieus is het ongetwijfeld, dat een jongeren­partij als D66 eigenlijk is een groot deel van haar niet geregistreerde aan­hang heeft onder de ouderen, om niet te zeggen de veel ouderen. D66 voelt zich thuis in het tehuis voor ouden van dagen. Dat klinkt erg paradoxaal, maar dat komt omdat de Boerenpartij gewoon een protestpartij was. En als er één gevleugeld woord is geweest dat grote invloed heeft gehad op de reactie van vele mensen, dan is het dat ene verstandige woord dat Koekoek sprak in de Tweede Kamer: “Mijne heren, wij hebben al een hele dag vergaderd hierover. Ik heb veel woorden gehoord en wij hebben nog niets gezegd, niets besloten en niets gedaan. Laten we liever wat doen! Ik dank u.” Dat spreekt aan.

Als u iemand wijst op alle voordelen van iets, dan heeft u grote kans dat hij zegt: “Dat is heel erg aardig”. Maar als u vertelt dat de buren het heb­ben, dan wil hij het ook hebben. Als u iemand vertelt dat een bepaald blad zo ondeugend is (of dat nu links, rechts of wat anders georiënteerd is), dan wordt het gelezen. U realiseert zich waarschijnlijk niet hoeveel communisten naast de Waarheid de Tele­graaf lezen. Dat zijn van die eigenaardige dingen, die u alleen kunt verklaren uit een voortdurend redekavelen, een klateren van begrippen, waarin op een gegeven moment iets blijft hangen: nl. datgene, wat schijnbaar onredelijk is.

De keuze van de kiezer is meestal de meest onredelijke. Dat is bewezen. Een bepaalde groothandelsfirma vertegenwoordigt een zeer bekend merk slaolie. Wat deed deze firma nu? Ze bottelde dezelfde olie in vier verschillend geëti­ketteerde flessen, die qua inhoud precies gelijk waren en zetten ze neer. De prijsverschillen waren ten aanzien van de merk‑slaolie en de goedkoopste 50 %. De fles, die het dichtst bij de dure merk‑slaolie was, was nog altijd 20 % goedkoper. En nu het eigenaardige: men heeft deze fantasiemerken uit de handel ge­nomen: omdat ze te goedkoop waren. Zo prijsbewust is men. Prijsbewust‑zijn is ook zo’n mooi iets. Het betekent dat je op de prijs moet letten. Dat doen de mensen dan ook prompt. Ze kankeren erover en ze kopen het duurste. Dat zijn denkwijzen, die absoluut onredelijk zijn. Laat mij dan begin­nen met te zeggen, dat:

  1. De werkelijke keuze ‑ op welke wijze dan ook ‑ van de doorsneemens wordt bepaald door onredelijke elementen.
  2. Hoe komt het dat men ‑ eenmaal een keuze gedaan hebbend, hoe onredelijk dan ook ‑ zich daar veelal bij houdt?

Het antwoord is weer eenvoudig: Zolang er geen onredelijker argument wordt gevonden dan dat wat aanleiding was tot de keuze, blijft de oude keuze bewaard, omdat men – zelfs indien men de onredelijkheid ervan enigszins begint in te zien – het gevoel heeft dat men door een andere keuze te doen zichzelf een zekere onbekwaamheid verwijt.

Als u wist hoeveel huisvrouwen een bepaald merk hanteren, niet omdat het beter of goedkoper is, maar alleen omdat ze het nu eenmaal hebben gekozen en door andere merken te proberen, zouden toegeven dat ze eigenlijk ver­keerd gekozen zouden kunnen hebben, dan zou u eveneens verbaasd zijn.

Dit keuze‑element speelt natuurlijk een grote rol in de hele wereld, de handelswereld, de politiek e.d. Daarbij gaat men heel vaak uit van gelijkenis­sen. Een president kan wel eens worden gekozen, omdat hij lijkt op de buurman. De buurman kan geen goede president zijn, men weet het heel goed, maar de man die zo op buurman lijkt, geeft gezellige associaties; zo het idee, dat je ook een avondje met hem kunt gaan bridgen. Dus kies je hem.

Een ander voorbeeld van dergelijke eigenaardige motiveringen: Iemand stemt op een bepaalde partij in Nederland. Nu komt er iemand die over die partij allerlei schandaaltjes vermeldt. Dan zal die man juist op die partij blijven stemmen. Hoe meer je de partij afbreekt, des te trouwer hij wordt. Maar op het ogenblik dat je zegt: Die partij is heel goed, in ieder geval veel beter dan die an­dere partij, want die is verkeerd, dan weigert hij prompt zijn stem.

Men klaagt wel eens over het feit, dat er zoveel slechte regeringen zijn. Ik geloof dat hier zeer zeker geldt, dat het volk verdient wat het kiest. Want het kiest over het algemeen alles, behalve het goede. Nu kunt u zeggen dat het goede bijna niet meer verkiesbaar is. Dat is ongetwijfeld ook waar, om­dat men steeds slechtere kwaliteiten kiest. Zo worden de goede vanzelf langzaam maar zeker uitgewied. Als u dus het kiezen wilt beïnvloeden, zult u rekening moeten houden met het volgende: Elke keuze kan beïnvloed worden door:

  1. Een extreem verschil, al is het alleen maar een andere kleur van uw wasmiddel. Er zijn enkele maatschappijen die daarvan gebruik maken.
  2. U moet altijd uitgaan van het standpunt dat het absurde verkieslijk is. Als u iemand zegt: “Ik wil een boterham verdienen, dus koop bij mij.” Dan zegt hij: “Ja, dat wil ik ook”, en hij koopt niet bij u. Maar als u zegt: “Wij geven alles weg, we verliezen eraan, maar het moet weg,” dan weet iedereen dat u liegt, maar ze kopen bij u.
  3. Waar er een keuze‑element bestaat, dient men te onthouden dat het geleidelijke praatje dat onder de mensen circuleert meer invloed heeft dan de beste gerichte reclamecampagne.
  4. Elke vorm van propaganda, die het ridicule in zich draagt, is dat iedereen denkt, dat hij iets voor niets wil hebben, maar iedereen is bereid alles te geven, als hij er maar niets voor terugkrijgt.

Dat zijn een aantal eigenaardige stellingen, dat geef ik graag toe. Maar onze keuvelende kiezers hebben op een gegeven ogenblik het idee dat ze schuldig zijn, indien ze voor zichzelf iets vragen. Ze worden overspoeld door zoveel idealen, dat ze het gevoel hebben alles te moeten opofferen. Zeg hun, dat ze alleen nog maar offers te brengen hebben en ze zullen u toejuichen. En naarmate ze meer reden hebben iets voor zichzelf te vragen, zullen ze meer bereid zijn alles te offeren. Dat is gebleken in de oorlogs­jaren.

Als de bloed‑ en tranen‑speech van Churchill “ik heb u niets te bieden dan bloed en tranen” al zo’n daverend applaus uitlokt, dan denkt u misschien: dat waren oorlogsomstandigheden. Maar ik herinner me ook dat iemand een ver­kiezingspropaganda begon en alles beloofde en er onmiddellijk achteraan zei: “Maar dit alles kunnen wij voorlopig niet bereiken, want wij moeten eerst of­fers brengen.” Vele mensen kopen liever een kasteel in de wolken, dat er over 100 jaar misschien zal zijn dan een klein tuinhuisje buiten dat nu onmiddellijk kan worden betrokken.

Mensen kiezen dromen, geen werkelijkheid. En omdat de mensen zo graag dromen en daarover graag redekavelen, wordt de wereld sedert het begin van de menselijke beschaving geteisterd door ontelbare groepen idealisten. Een ideaal op zichzelf is mooi. Maar een idealist is iemand, die eigen­lijk alles verkiest behalve de werkelijkheid. Indien u tegen een mens zegt: “U weet niet eens of er een God is, dus zorg hier nu maar eerst voor uw za­ken,” dan kijkt hij u minachtend aan, zegt: “U heeft wel gelijk,” en gaat rus­tig verder en doet wat hij altijd heeft gedaan. Maar zeg tegen diezelfde mens: “Er bestaat misschien geen God, maar ik voel het in me: God roept u,” dan moet u eens kijken. Dan heeft u zo alles bij elkaar, inclusief bioscoop plus evange­lisch centrum. Als u zegt. “Niets is mogelijk” dan is iedereen bereid u te ge­loven. Zeg: “Niets is onmogelijk,” dan bereikt u alleen maar dat iedereen u aankijkt of u gek bent. Wat deze wereld vraagt, is een pessimisme in het he­den, gepaard gaande met een belofte voor morgen, die ongeloofwaardig is.

In de politiek ziet men dat ook steeds weer, maar ook in de handel. Ja, zelfs in de godsdienst treffen wij eenzelfde reactie aan, eenzelfde wijze van denken, van reageren. Als u tegen de mensen zegt, dat ze moeten sterven voor hun God, dan vra­gen ze zich niet eens af, of ze wel werkelijk in die God geloven, want zij mo­gen sterven. En sterven voor een doel, is het mooiste dat er bestaat; ook sneuvelen voor je vaderland. Je weet niet eens wat je vaderland is; je hebt het misschien nooit gezien. Een Nederlander, die wil sterven voor zijn vader­land, is waarschijnlijk iemand, die altijd met vakantie naar de Riviera is ge­weest.

Er zit ergens een onzinnigheid. Dit alles zou weinig zin hebben in een kort betoog, indien ik niet iets eraan zou willen vastknopen. Dat is dit: U kiest zelf voortdurend. Zelfs als ik spreek, kiest u. Waarom kiest u? Wat kiest u? Vraag dat uzelf eens af. Probeer u eens te realiseren wat voor een keuze u voortdurend maakt in uw leven en u zult met verbazing constateren dat uw keuze zelden de keuze is die u verstandelijk zou nemen. Houd dan op met redekavelen over uw keuze, maar besef wat u doet, indien u kiest. U zult ontdekken dat u nog steeds opteert voor wat de Duitser zo mooi Wolkenkuckucksheim noemt, dat u nog altijd kiest voor the castle in the sky. Maar u doet het bewust. Als u het bewust doet, zal het u niet meer zoveel schaden. Want de grote schade die de mens, deze keuvelende kiezer in het leven voort­durend oploopt, is wel de teleurstelling die hij voor zichzelf niet kan toe­geven, omdat hij bang is dat hij dan helemaal niets meer over heeft. Maar de te­leurstelling die aan de andere kant voortkomt uit een irreële keuze: een keu­ze die op gevoelsgronden werd gedaan, zonder dat men besefte dat het gevoels­gronden waren.

Nu moogt u, geachte dames, zo dadelijk rustig naar een grootwinkel­bedrijf gaan en dat heerlijke rode, met fris groen en witte belletjes door­tintelde pakje waspoeder nemen in de illusie dat het voor zijn 10 centen meer, 20 centen voordeliger is. Ik garandeer u dat het precies evenveel waard is als dat gele, witte of groene pakje en dat u in vele gevallen beter een beetje chloor kunt gebruiken. Dat is voor uw wasgoed beter, het komt er helderder uit en het is veel goedkoper ook.

En u, mijne heren, u moogt natuurlijk stemmen voor hoge idealen. U moogt in loges wegkruipen als u dat wilt. U moogt dromen van een her­vorming van de gehele mensheid; niemand zal het u kwalijk nemen. Maar weet dan wel, dat u het doet, omdat u droomt, niet omdat u een realiteit naloopt. Het is onmogelijk van de mens te vragen dat hij op werkelijke feiten zijn oor­deel baseert. Maar tenminste zou hij dit kunnen beseffen.

Als u in de komende tijd zoveel van die onvoorstelbare gebeurtenissen en reacties ziet, dan moet u zich dit maar even te binnen brengen. Al die mensen hebben gekozen. En ze hebben allemaal volgens u verkeerd ge­kozen. Maar zolang ze nu maar beseffen dat die keuze iets was dat van bin­nenuit kwam, dat niet redelijk was, zullen ze ook geen redelijke resultaten verwachten. En dan kunnen zij er misschien gelukkig mee zijn.

Nogmaals: het is niet belangrijk of u nu werkelijk het beste wasmiddel neemt of het slechtste. Ze schelen heus niet zoveel. Het is belangrijk dat u het idee hebt dat u met uw wasmiddel de was kunt doen. Het is niet belangrijk of u een ideaal kiest dat dicht bij de werkelijk­heid ligt of één dat er ver vanaf is, zolang u maar beseft dat het een ide­aal is, een droombeeld en geen werkelijkheid. En het is ook helemaal niet belangrijk, of u gelooft, omdat het zo pret­tig is om te geloven, of omdat u niet weet wat men anders moet geloven. Zolang uw geloof u ergens een steun geeft, aanvaard het voor zover het steun geeft.

Besef dat je zelf – of je wilt of niet – vanuit een gevoelswereld leeft; en dan zul je misschien niet zoveel meer redekavelen over de juiste keuze. Dan zul je misschien niet meer zo bezig zijn anderen ervan te overtui­gen dat jouw denkbeeld het enig juiste is. Dan zul je gaan beseffen dat leven met hetgeen je hebt gekozen en beseffen wat in feite die keuze betekent het meest belangrijke is.

Desillusie

Desillusie komt voort uit de illusie. Want een illusie kan alleen ten onder gaan en in haar tegendeel verkeren, indien wij de illusie vereren. Het zijn slechts de goden die wij op voetstukken zetten, die verbrijzelen op de grond. Daarom moeten wij leren te wandelen tussen de goden. Wij moeten niet trachten alles ver van ons af te zetten, hoog boven ons of diep onder ons. Wij moeten begrijpen dat wij er middenin staan. Hij, die midden in de wereld staat, heeft weinig desillusies. Hij weet hoe het leven is; hij aanvaardt het zoals het is.

Wie de werkelijkheid verwerpt, omdat het zo schoon is te aanbidden, wie mensen naar beneden wil halen van een voetstuk, omdat het zo vervelend is dat ze zo hoog staan, hij zal een desillusie hebben. Maar een mens die durft leven met de feiten zoals ze zijn, alles durft accepteren zoals het is, zal geen desillusie kennen. De teleurstelling, mijne vrienden, komt uit uzelf voort, niet uit anderen. Zoals een wijsgeer eens heeft gezegd:

“Zolang ik in mijn droom geloof, vrees ik het ontwaken. Maar waar ik wakend door de wereld ga, zal de wereld in mijn dromen zijn. En ziet, ik zal leven ‑ wakend en dromend tegelijk ‑ in die ene werkelijkheid, waaruit ik mij zelf vorm en mij breng tot de volmaaktheid. De volmaaktheid nl. van dat te zijn wat ik reeds ben.”

Dit zijt gij

Fluwelen hemel, donkere nacht, verblindend lichte dag, verschroeiende zon en regen, die de aarde drenkt, een leven dat verrukking schenkt en leed waarin je haast vergeet dat leven nog een waarde heeft, dat al wat is en al wat rond u leeft zijt gij!

Degene, die gij haat en dat wat gij veroordeelt, de misgreep van de Staat, de goede diensten van een kerk, de onnodigheid van overbodig werk, dit alles wat gij kent en eert, of afkeurt of beleert, dit al zijt gij!

Dat wat gij noemt uw God, dat wat gij ziet als licht, de kracht, die gij ontvangt, de kracht, die gij weer richt op mens of God, dat wat gij noemt het lot en wat gij noemt oneindigheid, en zelfs de tijd die voortgaat, is steeds een deel van ’t ”ik”, want al dit zijt gij zelf!

Daarom, besef: Dit al ben ik. En uit dit al vorm ik mijzelf. En met mijzelf vorm ik al. En wat ik heb gevormd of vormen zal tezamen, is eeuwigheid, waarin ik ben.

Ik, die daar voort besta als beeld van God; die onderga de tijd en toch ben eeuwigheid.

Ik ben. En al ben ik. Maar verder kan ik niet dan tot de grenzen van mijn wezen. Mijn vrezen en mijn vreugden samen, vormen mijn wereld. Zij omvamen voor mij de werkelijkheid. Laat ‘k dan erkennen en aanvaarden: Uit mij komen alle waarden, die ‘k in de wereld zie en die ‘k erken. En al wat ik uit de wereld ontvang ‑ goed of kwaad ‑ dat is slechts een echo van dat, wat ik nog zelve ben.

Indien gij zo beschouwt en zo uw wereld leeft, dan weeft gij voor uzelf erkenning, die in uzelf krachten geeft.

Opdat gij zonder de gewenning aan sleur en aan de gang van tijd, levend uit kracht van oneindigheid, uzelf ziet; en door uzelf ziet de kracht, waaruit gij eens zijt voortgekomen.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf