Actuele ontwikkelingen – les 10b – Veranderingen

image_pdf

juli 1969

Veranderingen

Als we op het ogenblik nagaan wat er in de natuur gebeurt, dan ontdek­ken we dat er heel veel veranderingen zijn van evenwicht, enorm veel verstoringen van vaste samenhangen. En dan behoeven we niet alleen te denken aan bv. het overmatig gebruik van DDT en het ontstaan van resistente insectenstammen. We kunnen evengoed denken aan verandering van de grondgesteldheid, want de grond wordt tegenwoordig met bepaalde speciale preparaten doordrenkt en dat betekent dat de eigenschappen van de bodem aan het veranderen zijn.

Indien de grond verandert van eigenschap, dan zullen ook de gewassen veranderen. Voorbeelden zijn er te over. Het uitvallen van vogels betekent: toenemende insectenplaag. Toenemende insectenplaag betekent: noodzaak tot toenemende bescherming van de oogst. Toenemende bescherming van de oogst be­tekent: toenemend gebruik van vergiften. Wat weer betekent: een vermindering van zekerheid voor de mens (vaak voedingswaarde), daarnaast een nog grotere uitval van alle insectenbestrijders in de natuur. Als men nu dat alleen maar bekijkt, dan is het al een heel aardig aantal veranderingen.

Dan moeten we ook wel aannemen dat er nieuwe soorten mensen ontstaan, waarschijnlijk aangepast aan een zekere mate van vergiftiging, omdat dat de enige manier is om te leven. Misschien komt er nog een tijd dat uw verre nazaten ’s morgens een schepje DDT nemen, als ze zich niet lekker voelen in plaats van een aspirientje. Het klinkt vreemd, maar het is helemaal zo gek nog niet.

Een ander punt dat de meeste mensen ook vergeten, is dat de atmosfeer voortdurend wordt doortrokken door allerhande stralingen en stralingsvelden, die er vroeger niet waren. Indien u eens nagaat hoeveel verschillende zenders er op het ogenblik werkzaam zijn op verschillende frequentiegebieden, wat er zo langzaam maar zeker aan het gebeuren is met lasers (gerichte lichtstralen), waardoor ook weer moleculaire reacties veranderen, dan kunnen we zeggen: Ook de ­aardatmosfeer is aan verandering onderhevig.

Gezien de daarin optredende spanningen moeten we aannemen dat er een grote verandering aan de gang is. Deze zal bv. kunnen betekenen dat in de buitenste lagen van de atmosfeer bepaalde edelgassen weer in grotere dicht­heid zullen voorkomen door ontleding van andere gassen en gasmengsels bene­den. Ook daardoor dus weer een verandering van klimaat en klimaatmogelijkheden.

Dan is men op het ogenblik bezig – zij het heel aarzelend ‑ met het onderzoek van de zwaartekracht. Een zwaartekrachtproef hier op aarde ge­daan, zou kunnen betekenen dat er een verstoring van evenwicht in een aard­schol ontstaat. En dit zou een hergroepering van land‑ en zee massa’s kunnen betekenen op de gehele aarde. Het is dus niet zo eenvoudig als ze nu misschien denken in de laboratoria.

Dan hebben we te maken met een verandering van de feitelijke straling-­inhoud van de aarde als geheel. Het klinkt niet groots, als je zegt: Nu ja, de radioactiviteit is in de gehele atmosfeer en over de gehele aarde toege­nomen met ongeveer 2 promille. Maar 2 promille verhoogde activiteit bete­kent dat een deel van de reactie van de aarde terugvalt naar een tijdperk, dat nu zeker al 15 à 20.000 jaar geleden is. En dat betekent, dat ook plan­tengroei ‑ die toch al aan het veranderen is ‑ daardoor weer in een meer primitief vlak zal worden getrokken. En misschien ook het dierlijk leven. Veranderingen zijn er aan alle kanten.

Dan de natuur zelf. Het is natuurlijk helemaal niet erg dat er op de zeeën grote schepen varen en dat er grote luchtkruisers rondgaan in de atmos­feer. Heus, dat maakt weinig verschil uit. Maar als we nu eens gaan kijken wat er aan explosieven per dag wordt gebruikt. Dat is niet alleen maar een explo­sief hier of daar in een enkele mijn. Wat er over de hele wereld aan TNT en dergelijke dingen wordt gebruikt, is enorm. Heel grote massa’s. We behoeven nog niet eens over atoombommen te spreken. Dat is ook weer een vibratie van de aardkorst. Is dat nu toevallig een stevig stukje, dan maakt het geen ver­schil uit. Maar stel je nu eens voor dat er ergens een fout zit. Wat krijg je dan? Je krijgt een verandering van de structuur. Laten we een voorbeeld geven:

Als men explosieven gebruikt in bv. een rots, waarin leisteen voorkomt, dan blijkt heel vaak dat een plafond, dat effen afgewerkt scheen en absoluut safe, door een verdere reeks explosies gaat uitvallen, zoals dat heet, of klok­ken gaat vormen. Dat wil zeggen dat er gewoon een soort koepelvormig stuk steen naar beneden komt. En als u nu eens rekening houdt met het feit dat de aardkorst, hoe dik ze ook moge zijn, hier en daar fouten vertoont en dat daar o.a. magma, ook soms gassen, aanwezig zijn onder hoge druk, dan kunt u zich voorstellen dat als er een haarscheurtje komt, die massa gaat werken. Dat merk je niet onmiddellijk; dat kan wel 10, 20, 100 jaar duren. Maar dan heeft die massa een hele reeks fouten doen ontstaan. De aarde is toch al niet zo erg foutloos; er zitten heel grote fouten in.

We moeten er dus werkelijk rekening mee houden dat vandaag of morgen hier of daar vulkanische activiteit gaat voorkomen in landen waar dat lange tijd niet meer het geval is geweest, alleen omdat men voortdurend bezig is ge­weest met trillingen, explosies en al wat erbij komt. Daardoor heeft er een structuurverandering plaats gevonden. Dat is op zichzelf niet erg, al is het natuurlijk niet leuk als er bv. ergens in de Hartz of in de Eifel plotseling weer een vulkaankrater actief wordt. Maar stel u nu eens voor dat er zoveel stof in de atmosfeer komt. Daar hebben we ook nog iets. Al die stof, die er in de atmosfeer komt, betekent een soort deklaag, die de warmte vergroot. Ze vangt nl. meer op, zet meer om in warmte. We krijgen dus een soort afslui­ting. Die laag wordt door de zonnewarmte verhit, maar de uitstraling gaat niet zo gemakkelijk meer. Wat zouden we krijgen? Een veel warmer klimaat. Maar een warmer klimaat betekent grotere verdamping. Grotere verdamping betekent weer dat grotere delen van de continenten komen droog te liggen. We behoeven niet bang te zijn, dat de oceanen uitdrogen, maar die gebieden, die nu net water ge­noeg hebben, zullen dus veel meer door verdamping verliezen. En de vraag is, of de regenval dat wel kan terugbrengen.

De luchtstromingen zijn op het ogenblik ook aan het veranderen. In de positie van de zgn. jet‑streams in de stratosfeer zijn al afwijkingen waargenomen. Ze zijn niet groot. Het is geografisch nog 4 à 5 sec. Dat is niet veel, maar als dat een begin is en dat gaat zo verder, dan verandert daarmee ook de hele structuur van de bovenlaag van de atmosfeer en dat moet beneden ook weer in­vloed hebben.

Als we dus spreken over verandering, dan moeten we heus niet alleen denken aan de grootse dingen, die zo in 5 minuten gebeuren: de zee begint ineens te golven en te koken en te rijzen. New York is er niet meer, Londen wordt een puinhoop en Amsterdam ligt onder de zee. Dat zijn allemaal sprook­jes. Iets anders is echter dat er langzaam en geleidelijk veranderingen plaats vinden; dat de waterhuishouding bv. zich anders gaat gedragen. En dat betekent dat plaatsen waar vroeger geen vruchtbaarheid was nu vruchtbaar worden; maar ook dat nu vruchtbare plaatsen onvruchtbaar zullen worden. En aangezien men op de nu vruchtbare plaatsen ingesteld is op landbouw en op die andere plaatsen niet, is het dan de vraag wat er gaat gebeuren. Het el­lendige voor u is dat de gebieden, die een kleine verstoring van klimaat zouden kunnen verdragen, over het algemeen de minste storing hebben. Denk maar eens aan het bekken van de Amazone‑delta. En dan wil ik nog niet eens ver naar boven gaan. Daar zou men wel een lichte verandering kunnen hebben. Het kli­maat zou daar veel beter worden. Daar is ook verontreinigde lucht en trillin­gen in de aardbodem minimaal. In West‑Europa echter waar eigenlijk alles zo gelijkmatig mogelijk zou moeten zijn om een prettig leven te hebben, daar ziet het ernaar uit dat de verschillen en vooral de onevenwichtigheden veel gro­ter zullen worden.

Datzelfde zullen ze ook ontdekken in China. Nu heeft China ‑ gelukkig eigenlijk ‑ vroeger te maken gehad met een toch al tamelijk regelmatig klimaat. Daar was de wisseling van droogte en watersnood in de verschillende provin­cies betrekkelijk regelmatig. Nu is men daar bezig industrie op te bouwen. Zeker, de vibraties zijn niet zo groot. Maar het begint. Op het ogenblik kan men reeds constateren dat er klimatologisch vooral in het zuiden van China ­veranderingen optreden. Dat heeft de mens te danken aan het feit dat hij wa­terlopen heeft gekanaliseerd, maar ook aan het feit dat de bodem van struc­tuur verandert, dat er stoffen worden gebruikt die niet meer normaal zijn. Zij werken bv. met kunstmest; vroeger werkten ze met menselijke mest. Dat be­tekent ergens een verandering. In het begin zal het wat beter gaan, maar als ze er te ver mee gaan, dan komen ze op een gegeven ogenblik te staan voor condities, waar ze met hun manier van werken niet meer tegenop kunnen. Dat is ook een van de problemen die u in Afrika zult zien.

Het is heel aardig om in Afrika te beginnen met de zuiver westerse methode van landbouw. Maar als je er eenmaal mee begint, kun je er niet meer mee ophouden. Je kunt dus niet meer van de gewone natuurlijke bronnen gebruik maken. En iets anders: je krijgt een verstoring van evenwicht in de normale planten­groei, maar ook in het dierlijk leven zoals het daar voorkomt.

Een kleine factor kan soms een lawine van feiten met zich brengen. En dat is in de ecologie op het ogenblik zeer sterk het geval, zoals u misschien weet. Daarom geloof ik dat we op betrekkelijk korte termijn moeten rekenen op stringente veranderingen in het aardklimaat, maar ook in het gedrag van de aar­de zelf.

We hebben te maken met de grote fouten in de aarde: de bekende scheuren waar de aardkorst wat dunner is en waar dus nogal wat vulkanische werking en aardbevingen voorkomen. Maar er zijn ook gebieden, waar je zou kunnen zeggen: Daar zal het wel weer gaan werken. Hoe erg het zal worden, weet niemand. Maar we weten wel dat op het ogenblik de spanning in Midden‑Amerika en in Noord‑Amerika iets groter wordt. Het is dus bijna zeker te zeggen dat er aard­bevingen moeten komen en misschien nog andere dingen in Californië. Dat is haast niet te vermijden. Dat zal waarschijnlijk ook in zuidelijke staten gebeu­ren; misschien dat ook het Panamakanaal te lijden heeft.

Een andere kwestie die ook weer vragen opwerpt, is deze: Men is op het ogenblik bezig om in enorme hoeveelheden en in zeer korte tijd aardgas en olie te onttrekken en daarvoor komt niet zo gauw iets terug. Laten we het reëel stellen: In Nederland neemt men aardgas weg. De ruimte, die door dat aardgas werd ingenomen, moet door iets anders worden ingenomen. Wat zal dat zijn? Water. Maar wat voor water zal dat zijn? Zeewater. Wat betekent zeewater? Verzilting. Wat betekent verzilting? Verandering van de totale landbouwkundige conditie. En dan moet u heus niet denken, zoals sommige mensen wel eens hebben ver­teld, als ze nu voldoende aardgas hebben weggehaald, dan hoor je op een gegeven ogenblik “plof” en ligt heel Nederland in een kuil en komt de Noord­zee binnenwandelen. Zo erg is het ook weer niet. Maar er is iets weggenomen en er komt zo gauw niets voor terug.

Datzelfde is ook het geval in Arabië. Wat komt daar terug? Water. Maar waar gaat dat water naartoe? Waar komt dat water vandaan? Dat weten we niet. Kunnen we dat water misschien vandaag of morgen oppompen? Dat is heel goed mogelijk. We weten dat het mogelijk is om onder de Sahara onderaardse rivieren, zelfs onderaardse meren aan te boren en daarmee te besproeien. Maar als we het voortdurend weghalen en er komt niets bij, wat dan? Dan ont­staat er op een gegeven moment wat men noemt bodemstress: een grote spanning in een deel van de bodem. En als dat gebeurt, gaat de bodem zich zetten, die gaat zich dus aan de nieuwe situatie aanpassen. In het klein kunt u daarvan een voorbeeld zien in de mijnbouw.

U weet hoe het in het mijnbouwgebied in Nederland is. Een nieuw huis van vandaag zit morgen ineens onder de scheuren en dreigt bijna in te storten. Zeker, de mijnen hebben het altijd betaald. Maar dat is nu alleen maar een kwestie van een paar mijngangen. Maar vraag je nu eens af, hoe groot het are­aal is waaruit men aardgas en olie wegpompt. Dan zult u het met mij eens zijn dat het misschien wel langzamer gaat, maar dat het veel grotere gebieden be­treft, zodat de aanpassingsmoeilijkheden groter zijn. En als dat nu toevallig bewoonde gebieden zijn, dan kun je er wel eens gekke dingen te zien krijgen. Dan zou je je kunnen voorstellen dat bv. een heel stuk van de een of ande­re snelweg ineens (een paar centimeter behoeft dat maar te zijn) zakt en breekt. En wat dan? Dan moet je die hele zaak opnieuw gaan aanleggen. Maar misschien zakt dan plotseling een ander stuk weg. Dan blijf je aan het repa­reren. Deze dingen zien we niet alleen in Nederland. Onthoud dat goed. Ik neem dit als een voorbeeld.

We zien op het ogenblik vreemde aanpassingsmoeilijkheden in Westfalen. Dat heeft niet alleen met de Hüttenbau (ijzerfabricage) en de steenkoolmijnen te maken, dat is bijkomstig. Westfalen heeft reeds ongeveer 60 jaar lang zijn ecologie veranderd. Het leven van de mens is anders geworden. Nu komt er een ogenblik dat daar bodemspanningen ontstaan, maar gelijktijdig ook veran­deringen ten aanzien van plantengroei en dierenleven. De mens heeft toch heus plan­tengroei en dierenleven nodig. Zonder dat kan hij er niet komen. Kijk, dat is nu de grote vraag: Waar gaat het naartoe?

Nu kun je daarop duizend verschillende antwoorden horen. De man, die bij de mijnbouw, de gasverwerking, gaswinning of iets elders is geïnteresseerd, zal zeggen: Ach, die veranderingen zullen er wel zijn, maar ze zijn geleidelijk. Ik geloof dat over zoveel honderden jaren de schade praktisch miniem is en niet opweegt tegen het nut dat we er nu van hebben. Maar degene, die nu kijkt naar de leefbaarheid, zal zeggen: Ik krijg wel een aanpassing van het menselijk ras, maar het gemiddelde wordt zwakker. Om u maar een voorbeeld te geven:

De tbc is in Nederland wel overwonnen, maar wat dreigt er plotseling op te duiken? Reumatiek, kanker. Wat niet algemeen bekend is om maar in de buurt te blijven: in Westfalen ligt het aantal gevallen van longkanker en an­dere kankersoorten aanmerkelijk hoger dan bv. in Beieren of in Nederland, ofschoon Nederland op het ogenblik snel aan het inhalen is.

Wat zien we verder? Het rachitis‑nageslacht (nu komt rachitis zelf niet meer voor, maar vergelijkend: te klein nageslacht met groeimoeilijkheden en – fouten) neemt aanmerkelijk toe. Het aantal reumatiekgevallen is juist in deze omgeving zeer groot. Dan vraag je je toch af waar het vandaan komt? Omdat de mens aanpassingsmoeilijkheden heeft. Hij kan zich kennelijk niet zo snel veran­deren als het milieu. Er ontstaan echter mensen, die in dat milieu thuishoren.

Westfalen is daarvan een heel mooi voorbeeld, omdat de zaak daar 60 à 70 jaar aan de gang is. Daar zien we dat er een nieuwe mensensoort aan het ontstaan is. Dat zijn mensen, die zich schijnbaar prettig voelen in die wat eigenaardige at­mosfeer; die ertegen kunnen, die enorme veerkracht hebben en die een behoor­lijke lichaamskracht behouden. Het is echter maar een betrekkelijk klein percentage; op het totaal aantal geboorten 2 of 3 %. En dat is nog veel. Maar het betekent dat de anderen zwakker worden. En dan vraag je je af: Wanneer komt het ogenblik dat de mens ophoudt te bestaan?

U kunt ook zeggen: De mens van de toekomst heeft niet veel kracht meer nodig. Hij heeft misschien maar op knopjes te drukken. Vandaag of morgen be­denken ze een robot en als je dan zegt “druk”, dan drukt hij wel. Het klinkt leuk. Maar de mens moet toch iets hebben in zijn leven, voor zijn beweging. Bewegingsarmoede in de grote steden neemt aanmerkelijk toe. Door de bewegings­armoede zien we o.a. vaatziekten en stofwisselingsbezwaren toenemen, overbe­lasting van het hart komt meer voor. Het zijn allemaal dingen, waar je even over moet nadenken. Dat zijn veranderingen. En of die veranderingen allemaal ten goede zijn ‑ ik zeg nogmaals: het is voor mij een vraag.

Ik meen namelijk dat de mens niet gelukkig is, als hij een betrekkelijk ziekelijk leven kan uitstrijken over bv. honderd jaar, dat hij veel gelukkiger is, als hij zich 30 jaar werkelijk actief en gezond kan voelen en deel kan zijn van alles, wat voor hem van belang is. Het is een relatief oordeel, ik geef het graag toe. Maar bij al die veranderingen zou men toch rekening moeten hou­den met de mens.

Hoeveel mensen in Nederland worden reeds nu geboren met bepaalde defec­ten of zwakten, die ze te danken hebben aan chemische preparaten, chemische producten of voedingseenzijdigheid? De mens kan eenvoudig niet tegen de natuur op. Zodra hij iets wil scheppen dat de natuur vervangt, zal hij ook zijn eigen natuur moeten vervangen; en dat is nu juist de enige verandering, die de mens niet opbrengt.

Hij is in staat om een heel weiland in kistjes in een toren op te stape­len, met voldoende besproeiing en belichting en gras te krijgen dat zo schoon is, dat je zelfs geen aarde meer van de wortels behoeft te kloppen, want in de kistjes zitten alleen maar wortels. Een hydroponische torencultuur bestaat reeds o.a. in Frankrijk.

Hij is in staat om in plaats van koeien, het een of ander soja product zo­danig te verwerken, dat iedereen toch nog denkt dat hij biefstuk eet. Hij weet van algen de meest ideale kippensoep te maken. Hij kan enorm veel die mens. Maar wat hij niet kan, is zichzelf zo veranderen dat hij past in een dergelijk kunstmatig milieu. Wat de mens zoekt, is, niet de aanpassing aan de nieuwe levenscondities, maar het vervangingsmiddel voor hetgeen hij aan levenscondities aan het ontberen is.

In de grote steden zie je overal salons voor mannen en vrouwen, die graag hun lichaam beweging willen geven. Dat wil zeggen dat zij daarvoor tegen zware betaling op een kunstmatige fiets of paard zitten te hobbelen, zonder een stap vooruit te komen en dan met veel zweetdruppels tegen zichzelf zeggen: Ik heb aan mijn gezondheid gewerkt. Maar wat ze niet hebben gehad, is het genoegen van het zich in de natuur bewegen, de vreugde van de kameraadschap met een werke­lijk paard bv. Het zijn allemaal veranderingen, die je dan wel kunt negeren.

Het is toch te gek, dat er in de grote steden al kinderen zijn, die niet eens meer weten waar de chocolademelk vandaan komt. Ze denken: dat komt van zwarte koeien.

Het is toch ook wel heel erg beroerd dat de mens van tegenwoordig alles moet maken tot een massaliteit. De mens heeft niet eens meer het vermogen om alleen te kunnen zijn. Het is toch wel heel erg jammer dat de mens steeds meer het vermogen tot een reële spontane samenwerking verliest en daarvoor in de plaats een uitwisselingsfactor (als winst of verdienste) gaat stellen of iets van aanzien en prestige, dat hij niet meer spontaan een gemeenschap vormt, maar alleen maar een doelgemeenschap vormt. Dat zijn de veranderingen die vandaag den dag worden geregistreerd en waarmee je rekening moet houden. Daarom zou ik zeggen: er zijn veel veranderingen, maar of die veranderingen ten goede zijn, is een grote vraag.

De aarde zelf blijkt inderdaad genoopt te worden om zich aan te passen. Wat o.a. gebeurt door veranderingen in de atmosfeer, wat waarschijnlijk ook ge­beurt door verandering van acties, waarbij bv. aardschotsen ten opzichte van elkaar andere posities gaan aannemen, waardoor bepaalde vulkanische werkingen optreden en misschien zelfs een zekere as kanteling op den duur onvermijde­lijk wordt. Maar zover zijn we nog niet.

We weten dat het dierlijk leven aan het verarmen is op ontstellende manier. En niet alleen het dierlijk leven dat exotisch of alleen maar mooi is of dient voor vlees, maar juist dat dierlijk leven wat men heel hard no­dig heeft. Het is natuurlijk leuk om te zeggen: We hebben geen insecten no­dig. Als u geen bijenvolk heeft, dan moet u eens kijken wat er van de appeltjes terecht komt. U kunt moeilijk met een kwastje alles zelf gaan bestuiven. Daar ligt de grote moeilijkheid.

Neen, ik geloof dat die veranderingen betekenen, dat de mens eerst zijn mentaliteit moet veranderen. Of die mentaliteitsverandering op tijd komt is een grote vraag. Er zullen er altijd blijven, die aan de huidige condities fe­nomenaal goed zijn aangepast, die resistent zijn geworden als het ware voor de be­zwaren van het leven. Maar zij zijn een minderheid en de meerderheid telt te­genwoordig. Die meerderheid zal eraan ten onder gaan. Daarom is het van groot belang dat de mens begint met zichzelf mede te veranderen met de veranderingen die hij in zijn milieu tot stand brengt.

Genezing

Ik voel mij onvolledig. Het bereiken van volledigheid is genezing. Al, wat ik in mij als onvolledig erken, is niet de afwezigheid van de nodige krachten of mogelijkheden, maar van mijn erkenning.

Erkenning, bewustwording van totaliteit, van de harmonische samenwer­king der dingen, de voor mij bestaande eenheid van alle dingen zijn dus veel belangrijker voor de genezing dan alle afzonderlijke procedures.

Een groot gedeelte van de genezing, die een mens van node heeft en die ook de geest nog vaak ambieert, is de genezing van zijn geest. Want de innerlij­ke strijdigheden en spanningen ontladen zich zowel op het lichaam als op de bewustzijnsprojectie vaak als onevenwichtigheden die als kwaal worden ervaren.

Indien wij innerlijk evenwichtig zijn, zal deze evenwichtigheid zich in al onze voertuigen uiten. Daarom zullen wij zoekend naar genezing zoeken, naar evenwicht. De kern van ons evenwicht moet liggen in de zin van al hetgeen wij zijn, geweest zijn en zullen zijn. Mijns inziens is dit de grote, onbekende kracht: God, is dit de totaliteit van een levenscyclus.

Indien wij dan menen ziek te zijn en genezing zoeken, laten wij ons aller­eerst richten op die Totaliteit. Laten wij trachten uit die Totaliteit een aan­vaarding, een gerustheid te ervaren, waardoor wij kunnen zeggen: “Dit alles heeft zin. Ik wéét, dat ik in mijn wezen gezond ben.” De weerkaatsing ervan zal dan zelfs lichamelijke kwalen kunnen genezen.

← vorige tekst
overzicht
image_pdf